Plenaire vergadering

woensdag 11 december 2013, 14.04u

Voorzitter
Ontwerp van decreet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 tussen de federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen voor de oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980
2196 (2013-2014) nr. 1

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 tussen de federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen voor de oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Pehlivan, verslaggever, heeft het woord.

Mevrouw Fatma Pehlivan

Voorzitter, minister, collega’s, vandaag bespreken we het ontwerp van decreet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 voor de oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme.

In de Commissie voor Onderwijs en Gelijke Kansen werd het ontwerp van decreet op 24 oktober toegelicht door de minister. Na afloop daarvan vroeg de heer Wienen een hoorzitting, maar het daarvoor benodigde aantal van vijf stemgerechtigde leden werd niet bereikt. De verdere bespreking van het ontwerp van instemmingsdecreet vond plaats op 18 en 28 november.

Ik begin met de toelichting van de minister. Ik zal de belangrijkste elementen weergeven. Ik zal eindigen met de bespreking in de commissie. Ik zal daarbij niet in detail ingaan op de uiteenzettingen van de collega’s. Ik neem aan dat zij dat straks zelf zullen doen.

Het samenwerkingsakkoord is het resultaat van jarenlang overleg tussen de verschillende regeringen van ons land. Het wil een nieuwe gemeenschappelijke interfederale instelling voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme oprichten. Het daarmee beoogde doel is dat mensen die worden gediscrimineerd om welke reden en waar dan ook in dit land op één plaats met hun klacht terechtkunnen. Het interfederaal Centrum zal niet alleen op reactieve wijze discriminatie aanpakken via de behandeling van meldingen, maar ook proactief gelijke kansen realiseren en op die manier discriminatie voorkomen.

Het op te richten onafhankelijk interfederaal Centrum zal er onder meer voor zorgen dat Vlaanderen zijn Europese verplichtingen nakomt. In 2000 werd namelijk in de zogenaamde Rasrichtlijn de verplichting opgenomen om een onafhankelijk gelijkheidsorgaan op te richten.

Op federaal niveau bestond het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (CGKR) al. Discriminatie is echter geen zelfstandige bevoegdheid die is toegewezen of voorbehouden aan de federale overheid, de gemeenschappen of de gewesten. Elk bevoegdheidsniveau moet hierin zijn verantwoordelijkheid opnemen. Vlaanderen wil overigens verder gaan dan de verplichtingen die vanuit de Europese Rasrichtlijn worden opgelegd, dus verder gaan dan de strijd tegen racisme. Het interfederaal Centrum krijgt daarom de bevoegdheid om discriminatie op grond van verschillende beschermde criteria aan te pakken. Ik zal de volledige lijst niet opsommen, die kunt u terugvinden in het samenwerkingsakkoord.

Daarnaast zal het interfederaal Centrum ook de rol vervullen van onafhankelijke instantie die de uitvoering van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bevordert, beschermt en opvolgt. Dat is een taak die nu wordt uitgevoerd door het huidige Centrum.

Voor de Vlaamse Regering was het erg belangrijk dat het nieuwe interfederaal Centrum zich ten volle zou concentreren op de strijd tegen discriminatie. Opdrachten die daar niet onder vallen, komen in een afzonderlijke instelling terecht. Concreet betekent dat dat de werking van het huidige Centrum met betrekking tot migratie, mensenhandel en de grondrechten van vreemdelingen niet mee zal worden opgenomen in het takenpakket van het interfederaal Centrum. Het huidige Centrum zal dit blijven doen, onder een andere naam en door een aanpassing van de oprichtingswet van 1993.

Discriminatie manifesteert zich niet op dezelfde manier in alle delen van ons land. De aanpak van discriminatie en de prioriteiten die worden gelegd, kunnen dan ook erg uiteenlopend zijn. Daarom wordt de raad van bestuur van het interfederaal Centrum opgedeeld in kamers: een Vlaamse, Franstalige, Brusselse en federale kamer. Elke kamer zal zelf kunnen beslissen over de bevoegdheden die exclusief aan het niveau zijn toegekend. De interfederale kamer zal alleen kunnen handelen bij dossiers die essentieel raken aan de bevoegdheden van meerdere bestuursniveaus, bij een geschil tussen twee kamers over de toekenning van een bepaald dossier, of indien twee of meerdere kamers een gezamenlijk initiatief willen nemen.

Om een professionele, vertrouwelijke en onafhankelijke afhandeling van klachten van slachtoffers te garanderen, voorziet het samenwerkingsakkoord in diverse elementen. Om zijn onafhankelijkheid te waarborgen, krijgt het interfederaal Centrum rechtspersoonlijkheid, worden de leden van de interfederale raad van bestuur benoemd door de verscheidene parlementen en zijn ze onderworpen aan strenge onverenigbaarheden. Bovendien moeten alle leden deskundig en onafhankelijk zijn, ervaring hebben in de strijd voor gelijke kansen en tegen discriminatie, en moreel gezag uitstralen. Met het oog op een zo pluralistisch mogelijke samenstelling van de raad van bestuur en van de kamers geldt het principe van de evenredige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen, en wordt in een overleg voorzien tussen alle parlementen. In de Brusselse en in de federale kamer wordt bovendien de taalpariteit in acht genomen.

Het samenwerkingsakkoord verwijst ook uitdrukkelijk naar de Beginselen van Parijs, een document van de Verenigde Naties dat de normen bepaalt waaraan een onafhankelijke mensenrechteninstelling moet voldoen. Deze principes worden niet zozeer gehanteerd opdat dit interfederaal Centrum een A-status zou verwerven – daarvoor is de scope van dit interfederaal Centrum te beperkt –, maar wel omdat zo het onafhankelijke karakter van het interfederaal Centrum wordt gesymboliseerd en om te verzekeren dat dit Centrum in de toekomst een deel kan zijn van een brede mensenrechtenkoepel, die deze principes moet naleven.

Vlaanderen zet al een aantal jaren in op een sterk antidiscriminatiebeleid. De dertien meldpunten discriminatie waren hierbij een belangrijk instrument. Deze meldpunten zullen worden ingebed in het nieuwe interfederaal Centrum. Daar zullen ze zich in volle onafhankelijkheid en omringd door expertise kunnen blijven ontwikkelen.

Tot daar de toelichting van de minister. Ik kom nu tot de bespreking van het ontwerp in de commissie. Groen is tevreden dat er eindelijk een samenwerkingsakkoord is en hoopt dat dit een slagkrachtig interfederaal Centrum zal zijn, dat op alle beleidsniveaus kan optreden. De fractie is tevreden met het genderevenwicht in de raad van bestuur. Voor een aantal knelpunten had Groen echter verder willen gaan. Daarnaast sluit de fractie zich aan bij een aantal kritieken geformuleerd door de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV).

Open Vld dringt erop aan dat elke vorm van discriminatie gelijke aandacht zal krijgen en met evenveel ernst zal worden aangepakt.

Daarnaast worden een aantal bekommernissen overgemaakt en wordt de nadruk gelegd op het evenwichtige en objectieve karakter dat het nieuwe interfederaal Centrum moet hebben. Tot slot wordt opgemerkt dat de partij achter een goed werkend Centrum kan staan en dat zij dan ook het instemmingsdecreet zal steunen.

LDD heeft heel wat kritiek op de werking van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (CGKR) en op het samenwerkingsakkoord. De fractie vindt de huidige manier waarop men de strijd tegen discriminatie en racisme aanpakt, hoogst ondoeltreffend en is derhalve gewonnen voor de afschaffing van het hele regelgevende apparaat dat een beperking van de meningsvrijheid inhoudt en een repressieve aanpak vertegenwoordigt. Daarnaast betreurt zij dat er niet gekozen is voor de oprichting van een Vlaamse instelling.

Het Vlaams Belang is het ontwerp van instemmingsdecreet niet genegen en is altijd van mening geweest dat het huidige Centrum zou moeten worden afgeschaft omdat het niet onafhankelijk is en weinig vooruitgang heeft geboekt. De fractie ziet het interfederaal Centrum niet als een verbetering ten opzichte van het huidige Centrum en roept op om tegen het decreet te stemmen.

Sp.a is tevreden dat het interfederaal Centrum na een jarenlange discussie kan worden opgericht. Het is belangrijk dat mensen die gediscrimineerd worden, om wat voor reden dan ook en waar dan ook in dit land, op één plaats terechtkunnen met hun klacht en dat de klachten snel en efficiënt kunnen worden afgehandeld. Daarnaast vindt mijn partij het een goede zaak dat de lokale meldpunten niet verloren gaan en dat ze hun lokale antennefunctie blijven vervullen.

CD&V merkt op dat naar aanleiding van een eerdere interpellatie over de oprichting van het interfederaal Centrum aan minister Bourgeois een negen punten tellende motie werd aangenomen door het Vlaams Parlement en concludeert dat de motie in grote mate is opgevolgd. De fractie had ook nog een aantal punctuele vragen en verklaart tot slot het ontwerp van decreet goed te keuren.

Collega’s, de N-VA vindt dat het interfederaal Centrum een nieuwe entiteit moet worden en vraagt de minister erover te waken dat het nieuwe interfederaal Centrum geen doorslag wordt van het huidige Centrum. De fractie vindt het daarnaast belangrijk dat alle vormen van discriminatie met hetzelfde vuur worden bestreden.

De commissie heeft het ontwerp van instemmingsdecreet aangenomen met 9 stemmen tegen 1.

De heer Wienen heeft het woord.

De heer Wim Wienen

Collega’s, voorzitter, deze ochtend sloeg ik de krant open. Meestal sla ik die meteen weer dicht vanwege vaak bevooroordeelde berichten, foute berichten en onzinberichten die daarin voorkomen. Vandaag heb ik van mijn hart een steen gemaakt en meerdere stukken in de krant gelezen, onder meer de vrije tribune van onze goede en gewaardeerde collega mevrouw Moerman.

Mevrouw Moerman maakt een opsomming van de angsten waarmee politici worden geconfronteerd. Collega’s, wij hebben blijkbaar geen aangenaam beroep meer. Ik denk echter dat ze één angst vergeten is. Eén angst heb ik niet gezien in die vrije tribune, namelijk de angst die bij vele collega’s om het hart slaat wanneer er in dit parlement – en trouwens ook in de andere parlementen van dit land – thema’s, ontwerpen van decreet moeten worden besproken die gaan over dogma’s van politieke correctheid. 

Dan slaat de angst om het hart. Het is geen gewone angst. Het is een verlammende angst. Het is meer dan een gewone angst. Deze angst zorgt ervoor dat redelijke en correcte argumenten onmiddellijk van tafel worden geveegd. Ik kijk even naar de heer Bouckaert. Ook correcte legistieke argumenten zijn op dat moment niet meer van tel. Die angst zorgt ervoor dat politieke overtuigingen in dit parlement helemaal niet meer te vinden zijn. Die politieke correctheid en die angst waren duidelijk te merken tijdens de bespreking van dit ontwerp van decreet, dat voorziet in de oprichting van een interfederale gedachtenpolitie.

Ik heb veel onzin gehoord. Ik heb de argumentatie gehoord dat we dit moeten doen. Dit is de uitwerking of de implementatie van een Europese richtlijn. Hiermee implementeren we een verdrag van de Verenigde Naties uit 1966.

Kan iemand me tonen waar in het buitenland, waar regeringen ook aan die regels zijn gebonden, een centrum zoals het onze actief is? Waar in het buitenland bestaat er een centrum dat gemachtigd is in rechte op te treden en dat zelfs de rol van een parket kan spelen? Ik denk dat die voorbeelden niet te vinden zijn.

Dit is wel degelijk het geval met het CGKR. Het CGKR kan in rechte optreden en kan partijen, individuen en verenigingen rechtstreeks voor een rechtbank dagvaarden. Dat is iets wat het Vlaams Belang zeker tegen de borst stuit.

Dit is niet de vraag om een Europese richtlijn of een verdrag van de Verenigde Naties uit 1966 uit te voeren. Indien we allemaal intellectueel eerlijk zijn, weten we allemaal dat de mogelijkheid in rechte op te treden en rechtstreeks te dagvaarden destijds met één enkele reden is ingevoerd en ook slechts één verwezenlijking tot gevolg heeft gehad. Het ging om het bestrijden van een politieke partij en concurrent en van politieke ideeën. De traditionele partijen waren hiertoe niet in staat. Ze hebben in het CGKR een derde gevonden die dat in hun plaats wilde doen. Dat komt op mij als behoorlijk laf over.

In een democratie worden politieke partijen niet voor een rechtbank bestreden. De strijd wordt gevoerd door bij de kiezer te argumenteren en door de kiezer ervan te overtuigen niet meer op een partij te stemmen. Zo werkt een parlementaire democratie.

De enige verwezenlijking ten gevolge van de mogelijkheid in rechte op te treden en rechtstreeks te dagvaarden, bestaat erin dat mijn partij nu een andere naam heeft. Ik ga daar niet licht over. Wat deze jongen betreft, is dat een rekening die bij de traditionele partijen en het establishment nog steeds openstaat. Wees gerust, het is een rekening die ik ooit nog zal vereffenen. (Applaus bij het Vlaams Belang. Rumoer)

Ik heb tijdens de commissiebesprekingen veel onzin gehoord. Er is ons internationaal opgedragen dit te doen. Er is ook naar de Beginselen van Parijs verwezen. Dat vind ik een goeie. Iemand heeft verklaard dat met dit samenwerkingsakkoord de Beginselen van Parijs worden gehonoreerd. Het is eigenaardig dat in het licht van de politieke correctheid argumenten worden gebruikt die zelfs door de Raad van State worden tegengesproken. Zelfs de Raad van State heeft verklaard dat de Beginselen van Parijs met dit samenwerkingsakkoord niet of onvoldoende worden gevolgd.

Dit is maar goed ook. Ik weet dat dergelijke grappige teksten die op een internationaal niveau worden geschreven, in de meeste gevallen grondrechten uithollen in plaats van versterken. Sommige professoren in het recht zullen me gelijk geven.

Maar bon, dat soort argumentatie wordt geuit in die commissie. Ik vind dat raar. Dat heeft volgens mij te maken met die verlammende angst van de collega’s als het gaat over politiek correcte dossiers.

De werking van het CGKR is tot nu toe niet echt iets om trots op te zijn. Het Centrum verzet zich meestal tegen democratisch genomen beslissingen en tegen parlementaire beslissingen. Dat is toch een eigenaardige instelling? We weten dat het Centrum zich zwaar heeft verzet – ik kijk even naar de collega’s van de N-VA – toen in de Kamer strengere voorwaarden voor gezinshereniging werden goedgekeurd. Wat mij betreft, kunnen die voorwaarden niet streng genoeg zijn, wees gerust. Er kwamen strengere regels en het Centrum verkondigde dat de democratie in gevaar was.

Volgend item: het hoofddoekenverbod. Destijds besliste de gemeenteraad van Boom met een democratische stemming om via de deontologische code geen hoofddoeken meer toe te laten in de gemeenteraad. De directeur van het Centrum, Jozef De Witte, stelde daarop dat Boom de democratie aan het afschaffen was. Hij zei dat we net zo goed naar Noord-Korea konden verhuizen. Dat zijn toch rare opmerkingen? En dat voor een instelling die de democratie zou moeten verdedigen, die zou moeten zorgen voor gelijke kansen en het racisme in onze samenleving zou moeten veroordelen.

De lokettentaks in Antwerpen was volgens het Centrum ook een discriminatie.

Een van de meest hallucinante uitspattingen van het Centrum van recente datum is de kwestie rond GAIA. De brave jongens en meisjes van GAIA strijden voor de dierenrechten. Ze vinden het belangrijk dat de dieren een goed bestaan hebben in onze samenleving. Ze verzetten zich tegen de rituele slachting zonder verdoving die nog altijd plaatsvindt. Dat gebruik komt natuurlijk ten goede van de moslimtroepen die kiezers leveren voor bepaalde partijen. GAIA werd ook beschimpt en aangevallen door het Centrum. De vereniging werd bedreigd met een rechtstreekse dagvaarding. Alweer allemaal erg eigenaardig.

Dan is er André Gantman. Over zijn politieke voorkeur heb ik niets mee te delen, hij moet maar lid zijn van de partij van zijn keuze. Hij spreekt uit ervaring als lid van de raad van bestuur van het CGKR. Hij zegt dat het Centrum zijn doel volledig voorbijgeschoten is. Het heeft geen zin meer, het moet worden afgeschaft. Het Centrum draagt niet meer bij aan de integratie, integendeel, het is een rem op de integratie en op de vrije meningsuiting.

Ik ben nooit lid geweest van de raad van bestuur van het CGKR. Mijn fractie heeft ooit kandidaturen ingediend om lid te worden, maar die werden nooit weerhouden. Ik weet niet hoe dat komt, dat zal misschien een reden hebben. Maar Gantman heeft wel die ervaring. Als zo iemand zegt dat het CGKR zijn doel voorbijgeschoten is, dat het geen zin meer heeft, dan moet dat ons, die het Centrum willen interfederaliseren, toch de wenkbrauwen doen fronsen.

Welk antwoord krijgen we van de minister en van collega’s? Er is geen probleem, dat komt allemaal in orde want nu gaat Vlaanderen medezeggenschap hebben. Is dat zo? Veel medezeggenschap zal het alleszins niet zijn. Het samenwerkingsakkoord is afgesloten met zes partijen van de verschillende regeringen die dit land rijk is. Het kan dus enkel gewijzigd worden als er een akkoord is met alle zes. Ik vermoed – mijn ervaring in de politiek leert dat – dat er zeker wat betreft de Franstaligen niet veel animo zal zijn om daar nog veel aan te veranderen.

Bovendien is het zo dat de regelgeving waarmee dat Centrum moet werken, niet verandert. De Antiracismewet wordt niet bijgeschaafd, hoewel het duidelijk is dat de manier waarop het CGKR heeft gewerkt, ongrondwettig is. Dat is bewezen in een doctoraalscriptie, waarin duidelijk staat dat het Grondwettelijk Hof van oordeel is dat de manier waarop de rechtbank racismeprocessen afhandelt, ongrondwettig is. In de Antiracismewet van 1981 staat duidelijk dat inzake racistische daden ook het kwaadwillig opzet moet worden aangetoond. De rechtbanken doen dat niet; de rechters vermoeden dat kwaadwillig opzet alvast.

Collega’s, als wij de wetgeving niet aanpassen, dan zal de werking van het Centrum doorgaan op het elan van de afgelopen jaren. Dat kan men slechts betreuren. In het begin had ik het over het ontwerp van decreet over de interfederale gedachtepolitie. Collega’s, het gaat wel degelijk om een interfederale gedachtepolitie. De cijfers tonen dat ook aan. Onze goede collega, de burgemeester van Antwerpen zei dat het Centrum het best wordt afgeschaft, want het is zinloos en een permanente bedreiging voor het recht op vrije meningsuiting. Het gebeurt niet dikwijls, maar ik geef de heer De Wever volkomen gelijk.

Want welke klachten behandelt het CGKR? 78 procent van alle dossiers waar het Centrum mee bezig is, zijn menings- of uitingsdelicten. Vijftien jaar geleden ging het om 79 procent. Bijna 80 procent betreft dus uitingen van meningen, betreft dus de vrije meningsuiting. Daar wil het Centrum komaf mee maken. Er zijn heel wat wetten inzake discriminatie en racisme. Dat betekent dat dossiers waarbij iemand werkelijk wordt gediscrimineerd en de zaak dus voor de rechtbank moet worden gebracht, amper 20 procent van het werkvolume van het CGKR uitmaken. Daarom zou het beter zijn dat de uitingsdelicten niet langer door het Centrum worden vervolgd. De cijfers spreken boekdelen.

Ik heb het dan nog niet gehad over de wegebbende politieke interesse – die soms zelfs volledig verdwijnt – wanneer dergelijke onderwerpen in het parlement aan bod komen. De houding van de N-VA is eigenaardig. De N-VA heeft altijd gepleit voor een Vlaams Centrum, en niet voor een interfederaal Centrum. Maar ook op dat punt heeft de partij in de Vlaamse Regering nul op het rekest gekregen. Dit samenwerkingsakkoord is al in de Kamer van Volksvertegenwoordigers behandeld. Ik heb mijn bedenkingen over de houding van de vertegenwoordigers van die partij tegenover het Centrum. De heer Peter Luykx zei in de Kamer dit: “De wijze waarop vandaag invulling wordt gegeven aan het centrum is veeleer een rem op de integratie dan wel een succesvolle buffer tegen racisme.” Hij maakt zich ook druk over het feit dat het Centrum zich verzet tegen de verplichting om lessen Nederlandse taal te volgen, hoewel dat verworven Vlaams beleid is. Begrijpe wie kan.

Verderop in dat verslag lezen we dat Peter Luykx ook nog het volgende zegt over de directie van het Centrum: “Bovendien is zij helemaal geen pleitbezorger van een aantal waarden die wij algemeen onderschrijven, zoals de neutraliteit van de ambtenarij, de scheiding van Kerk en Staat en de gelijkheid van man en vrouw.” Dat zijn toch belangrijke waarden, dacht ik. De heer Luykx zegt ook nog dat het Centrum niet heeft gewerkt en het racisme niet heeft doen afnemen, dat de multiculturele maatschappij is mislukt, en ga zo maar door.

Wat is het resultaat in de Kamer, collega’s? De N-VA drukt op de groene stemknop. Dat moet u nu eens proberen uit te leggen aan een psycholoog of een psychiater. Die zou dat op zijn minst als eigenaardig gedrag bestempelen, om niet te spreken over schizofrenie. En schizofrenie, collega’s, is geen neurose, die te behandelen is met gesprekken. Neen, het is een psychose. En een psychose zorgt ervoor dat je niet meer kunt functioneren in de maatschappij, en dat je eigenlijk de facto gecolloqueerd moet worden. (Gelach)

Ik zal niet zo ver gaan als de psychologen. Ik vind het gewoon een eigenaardig gedrag van de N-VA in dit halfrond. Ik weet natuurlijk ook hoe dat komt: ze zitten hier in de regering en kunnen niet tegen hun regeringspartners stemmen, en dus moet de N-VA-fractie dit samenwerkingsakkoord ook in de Kamer goedkeuren. Ik vind dat een rare manier van omgaan met de parlementaire democratie.

Ik blijf erbij dat ik niet alleen sta met deze kritieken. Ook voormalig Open Vld-voorzitter Bart Somers, toch geen kleine speler in het politieke spectrum, stelde: “Het centrum wordt gedegradeerd tot een politiek wapen in de handen van de ene tegen de andere. Daardoor verliest het centrum legitimiteit en zijn slagkracht in de samenleving.” Collega’s, het is niet omdat Bart Somers eigenlijk uit de Vlaamse beweging komt en een Vlaams-nationale vader heeft gehad, dat ik hem gelijk geef, maar met dit citaat geef ik hem overschot van gelijk. Want ik weet wat dat betekent. Mijn partij, mijn fractie weet wat het betekent, welk soort wapen het is van de ene tegen de andere.

Wij laten dat allemaal passeren. Wij laten dat allemaal maar doorgaan. Protest over hoe deze gedachtepolitie in zijn werk gaat, is er niet te horen. Deze gedachtepolitie mag haar werk zelfs voortzetten. Dit samenwerkingsakkoord betekent immers niet meer dan dat er een splitsing komt in verschillende kamers. Aan de werking van het Centrum verandert er niets.

Mijn partij is daar zelf al het slachtoffer van geworden. Ik vraag mij af, collega’s, wie het volgende slachtoffer van dat Centrum zal zijn. Stel dat in mei 2014 de N-VA echt zo goed scoort en zo sterk wordt. Zou het establishment daar ook niet tegen reageren? Laat men die derde dan niet achter de N-VA aangaan? Want zo gaat dat in de politiek van de traditionele partijen: we lossen het zelf niet op, we laten een derde dat doen. Zullen jullie dat doen? Is dat jullie mening? Waar is dat protest, collega’s? (Opmerkingen)

Dat brengt mij bij een schrijfseltje, een stukje proza dat Martin Niemöller ooit heeft geschreven. Voor de mensen die Martin Niemöller niet kennen: hij was een protestant in Duitsland tijdens het interbellum. Hij was niet echt nationaalsocialistisch gezind. Zijn schrijfsels waren de nationaalsocialistische partij trouwens een doorn in het oog.

Ik vind wat hij schrijft toepasselijk als het gaat over wie de volgende gaat zijn van die gedachtepolitie. Hij schreef: “Toen de nazi’s de communisten arresteerden heb ik gezwegen; ik was immers geen communist. Toen ze de sociaaldemocraten kwamen halen heb ik gezwegen; ik was immers geen sociaaldemocraat. Toen ze de syndicalisten arresteerden heb ik gezwegen; ik was tenslotte geen syndicalist. Toen ze de Joden kwamen halen heb ik gezwegen; ik was immers geen Jood. Toen ze de katholieken kwamen halen heb ik gezwegen; ik was immers geen katholiek. Toen ze mij kwamen halen… was er niemand meer die nog kon protesteren.” Collega’s, dat laatste is belangrijk. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Open Vld is nooit voorstander geweest van een eigen Vlaams Centrum omdat extra structuren nu eenmaal geld kosten en niet altijd, ook niet met betrekking tot deze problematiek, garanderen dat het resultaat efficiënter en effectiever zou zijn. Eén gecentraliseerd Centrum en meldpunt voor alle gevallen van discriminatie en racisme heeft volgens mijn fractie het voordeel van de toegankelijkheid voor de burgers. Het is belangrijk dat elkeen de weg vindt naar dat nieuwe CGKR. Wij hebben er tijdens de bespreking in de commissie inderdaad voor gepleit dat het vernieuwde CGKR erop zou toezien dat bepaalde problematieken niet ondergesneeuwd raken, dat er geen disproportionele aandacht is voor één doelgroep, en dat men alle klachten van discriminatie op grond van wat dan ook even ernstig zou nemen.

We hadden ook vragen met betrekking tot het interfederaliseren van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Enerzijds kun je je de bedenking maken dat het beter is dat alle vormen van discriminatie, dus ook deze op basis van geslacht, worden behandeld door eenzelfde Centrum. Anderzijds denk ik dat het ook belangrijk is dat precies deze problematiek, de gelijkheid van mannen en vrouwen, meer aandacht krijgt, de nodige aandacht krijgt, en dat de gevallen van discriminatie op basis van geslacht niet ondergesneeuwd raken, dat ze de komende jaren wat beter onder de aandacht worden gebracht.

Laten we eerlijk zijn: er is vanuit het CGKR vaak gecommuniceerd in de media over bepaalde vormen van discriminatie. Men had, heb ik de indruk, goede banden met de Vlaamse media. Maar dat ging vaak in één richting. Vandaar het pleidooi van mijn fractie om te streven naar objectiviteit en evenwicht daarin. Onze vraag ging expliciet in die richting.

Wij wilden ook graag benadrukken dat de interfederalisering van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen snel vooruit zou gaan. We hebben op die vraag het antwoord gekregen dat het debat erover gaande is. Wij zijn dus vol verwachting.

Ik ga niet alle punten herhalen die ik in de commissie heb besproken. Daarvoor verwijs ik naar het verslag. Ik wil enkel nog kort terugkomen op de plotse sympathie van het Vlaams Belang voor een campagne van GAIA. Mijnheer Wienen, ik moet eerlijk zeggen dat uw plotse sympathie voor dierenleed hartverwarmend is. Ik ben ook tegen dat rituele slachten. Ik heb ook sympathie voor de campagne van GAIA. Maar ik stel voor dat u eens praat met uw partijgenoot, de heer Sintobin. Hij vertelt in de commissie Landbouw toch heel andere verhalen. Sta mij toe te zeggen dat, wanneer u hier GAIA verdedigt, het hier stevig ruikt naar opportunisme in de plaats van naar de schapenstal.

Over de rest van uw betoog zal ik het niet hebben. Ik denk dat ik een week voor mijn bevalling beter het advies van mijn gynaecoloog volg en dat ik er rustig onder blijf.

De heer Sintobin heeft het woord.

Ik heb in dit parlement al veel onzin gehoord, maar dit slaat werkelijk alles. Een debat over het Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme, en dan bepaalde argumenten halen uit de commissie Landbouw. U haalt trouwens geen enkel argument aan. Mijnheer Vanlerberghe, misschien kunt u zeggen dat ik in die commissie nog nooit heb gezegd dat onze fractie blij zou zijn met dierenleed in onze maatschappij. Ik heb altijd gezegd dat landbouw voor ons in de eerste plaats een economische bedrijvigheid is. Mevrouw Brusseel, wat u hier uit uw botten slaat, tart werkelijk alle verbeelding. Ik zal ook proberen kalm te blijven, maar misschien kunt u nu al bevallingsverlof nemen.

Ik betreur dat uw betoog ad hominem is, en niet ad rem, mijnheer Sintobin. (Applaus)

De heer Wim Wienen

Mevrouw Brusseel, ik ben blij dat ik u vandaag niet heb geënerveerd en niet te veel stress heb bezorgd. Ik wens u een zeer goede en vlotte bevalling toe en een zeer gezond kindje.

Mevrouw Fatma Pehlivan

Onze fractie is tevreden dat we vandaag het resultaat kunnen bespreken van een jarenlang overleg tussen de federale overheid, de gemeenschappen en gewesten over de oprichting van een nieuw gemeenschappelijk interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme.

Ik zal de bespreking in de commissie niet herhalen, maar ik wil toch enkele statistieken geven om het belang van dat Centrum aan te tonen. Het Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme is duidelijk nodig in onze samenleving. We doen er goed aan om dat ook te ondersteunen.

De werkzaamheidskloof tussen 55-plussers en 25- tot 54-jarigen is een van de grootste in Europa. In het Vlaamse Gewest was in 2011 30 procent van de personen met een handicap aan het werk, tegenover 77 procent van de personen zonder een handicap. 70 procent van het humanresourcespersoneel zegt dat de gezondheidstoestand van de kandidaat invloed heeft op de uiteindelijke selectiebeslissing. 45 procent van de Vlamingen antwoordt in een buurt te willen wonen met alleen personen van Belgische herkomst. Daarmee bedoelen ze de andere witte Belgen. Uit een onderzoek van de Universiteit Gent over de discriminatie van holebi’s op de werkvloer blijkt dat 65 procent van de respondenten slachtoffer zou zijn van impliciete of verdoken homofobie. Uit recente sociaal-economische monitoring blijkt dat de werkgelegenheidsgraad bij personen van Belgische origine 74 procent bedraagt, terwijl de werkgelegenheidsgraad bij verschillende andere groepen rond de 40 procent ligt.

Met andere woorden, we stellen maatschappelijke verschillen vast op zowel het individuele niveau als op het structurele en symbolische niveau, en niet alleen tussen mannen en vrouwen, maar ook tussen oude en nieuwe Vlamingen, tussen lager en hoger opgeleiden, tussen hetero’s en holebi’s enzovoort. Daarom doe ik een oproep om met ons allen een vuist te maken tegen alle vormen van discriminatie en werk te maken van een samenleving die mensen insluit en ongelijkheid uitsluit. Ik hoop dat het op te richten interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme daarbij een heel cruciale rol zal spelen. Ik wil de betrokken minister dan ook bedanken voor het geleverde werk.

De heer Wim Wienen

Voorzitter, alleszins is het hartverwarmend dat een moslim ervoor pleit om homofobie in ons land aan te pakken. Dat kan ik enkel maar toejuichen. Er zijn er andere, mevrouw Pehlivan.

Mevrouw Fatma Pehlivan

Alle vormen van discriminatie!

De heer Wim Wienen

De cijfers die u nu net hebt opgelijst, geven mij toch het idee dat het Centrum, dat toch niet nieuw is – het is bezig van 1993 –, volledig gefaald heeft. Maar toch wilt u dat Centrum bestendigen. Dat moet u mij eens uitleggen.

Mevrouw Fatma Pehlivan

Juist daarom, vanwege de cijfers, dat heb ik al uitgelegd. Er is nog altijd een vorm van discriminatie naar bepaalde groepen, naar bepaalde etnische groepen, naar bepaalde levensvormen. Daarom moeten we het Centrum juist wel aanhouden en zelfs versterken in Vlaanderen, in Brussel en in Wallonië.

Mevrouw Stevens heeft het woord.

Mevrouw Helga Stevens

Voorzitter, minister, collega’s, onze fractie neemt akte van het antwoord dat de minister gaf in de commissie Onderwijs en Gelijke Kansen. Het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme zal geen loutere voortzetting worden van het huidige Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding. Het is de bedoeling dat het nieuwe Centrum alle vormen van discriminatie zal aanpakken, want we vinden elke vorm van discriminatie verwerpelijk. We vinden het daarom belangrijk dat elke vorm van discriminatie met hetzelfde vuur wordt bestreden. In het verleden was dat helaas niet altijd het geval. Discriminatie moet altijd worden aangepakt, of het nu discriminatie betreft op basis van geslacht, geaardheid, handicap, leeftijd of religieuze overtuiging enzovoort.

Collega’s, het Centrum heeft altijd een belangrijke signaalfunctie gehad en zal dat blijven hebben. Het is een belangrijke stap vooruit dat Vlaanderen nu ook bij de werking van het Centrum betrokken is doordat het een interfederaal Centrum wordt. Voor personen die het slachtoffer zijn van discriminatie is het belangrijk dat ze zich niet meer moeten afvragen waar ze juist moeten aankloppen vanwege de ingewikkelde bevoegdheidsverdeling in België tussen de federale overheid en de deelstaten. Ze zullen nu niet meer van het kastje naar de muur worden gestuurd, maar direct geholpen worden.

Nu begint een nieuwe fase voor het Centrum. De aandachtspunten die we in de commissie voor Gelijke Kansen hebben aangehaald, blijven geldig. Bijgevolg wil ik namens de N-VA-fractie nogmaals wijzen op het belang van het jaarlijks rapporteren over de resultaten van de Vlaamse kamer van het Centrum aan dit parlement. Ook de werking van het interfederaal Centrum moet op regelmatige tijdstippen worden geëvalueerd. We zullen de verdere werking van het CGKR in zijn nieuwe kader dan ook van nabij opvolgen. Dat de parlementen de leden van de raad van bestuur en de kamers van het interfederaal Centrum zullen aanduiden, geeft aan dat de motie die onze fractie twee jaar geleden mee goedkeurde, werd gevolgd. Bijgevolg kan ik besluiten dat onze fractie dit ontwerp van decreet mee zal goedkeuren.

De heer Wim Wienen

Voorzitter, ik zou aan de charmante collega Stevens drie vragen willen richten. Een eerste vraag is hoe u als vertegenwoordiger van de N-VA staat tegenover het feit dat de samenstelling van het interfederaal Centrum een paritaire samenstelling is: 50 procent Franstalig en 50 procent Nederlandstalig. Tweede vraag is: waarom geen Vlaams Centrum? Waarom kiest de N-VA onomwonden en unisono voor een interfederaal Centrum? Een interfederaal Centrum lijkt mij niet echt te passen in het partijprogramma van de N-VA, maar misschien kan mevrouw Stevens mij dat uitleggen.

En ten derde, voorzitter, zou ik het volgende aan mevrouw Stevens willen vragen. Ze zegt dat het geen voortzetting is van het oude Centrum, dat het oude Centrum niet dezelfde weg zal inslaan, dat het anders zal worden. Hoe zal men dat doen? Hoe zal men dat doen als men de wetgeving waarmee het Centrum moet werken, de antiracisme- en antidiscriminatiewetgeving, de wet-Onkelinx en dergelijke meer, niet wijzigt en als men de werking van het Centrum evenmin wijzigt? Hoe kan N-VA mij garanderen dat het Centrum niet meer gaat voor 80 procent uitingsdelicten en dus de vrijemeningsuiting niet meer in de kiem smoort?

Mevrouw Helga Stevens

Mijnheer Wienen, het is een heel simpel antwoord. Ten eerste, niemand kan garanties geven, niemand, wij ook niet.

Uw eerste vraag betreft de paritaire samenstelling. Er is altijd een compromis. We zitten in de Vlaamse Regering, maar daar zitten we niet alleen. We zitten samen met nog andere partners en we kunnen dus onze wil er niet altijd voor het volle 100 procent doorduwen. Ik meen dat dit een eerbaar compromis is. Het kan altijd beter, maar het is een compromis en daar staan wij achter.

U vroeg waarom het geen Vlaams Centrum is geworden. Het antwoord is heel simpel en staat in het regeerakkoord: we willen ons engageren om mee te werken aan de oprichting van het interfederaal Centrum. Als het lukt, heel graag. Als het niet zou lukken om een interfederaal Centrum op te richten, dan zouden we een Vlaams Centrum oprichten. Maar we zien dat de wil aanwezig is bij alle partners, ook op federaal en op Vlaams niveau, en zijn we tot een interfederaal Centrum gekomen.

Bovendien zijn er ook budgettaire redenen. Het is een beetje onnozel om een nieuwe structuur op te zetten, want dan zou u ons geldverspilling verwijten. Het zal nooit goed zijn voor u.

Uw derde vraag betreft de voortzetting van het oude in het nieuwe Centrum. We zullen moeten zien wat het in de praktijk wordt. Ik herhaal dat het heel belangrijk is dat het Centrum alle vormen van discriminatie bestrijdt, niet alleen racisme, maar ook discriminatie op basis van een handicap, van een geloofsovertuiging, van leeftijd en zo meer. Al deze vormen van discriminatie dienen te worden aangepakt. Uit de praktijk zal dit moeten blijken. We zullen het mee in het oog houden. Het is heel belangrijk dat dit Centrum, de Vlaamse kamer van dit Centrum, werkt met een jaarlijks rapport aan het parlement zodat we alles heel kort op de bal kunnen opvolgen. Nadien kunnen we dan oordelen, maar je kunt niets garanderen.    

De heer Wim Wienen

Ik dank mevrouw Stevens voor het antwoord, maar ik vind het heel eigenaardig dat ze nu zegt dat, als het interfederaal Centrum niet lukt, er dan maar een Vlaams Centrum moet komen. Dat doet vermoeden dat de eerste insteek van de fractie van de goede collega, de insteek was van een interfederaal Centrum. En dan heb ik de heer Hendrickx en ook de partij van mevrouw Stevens enkele jaren geleden wel andere dingen weten zeggen…

Ik ben een beetje verbaasd, mevrouw Stevens, over uw antwoord. U zegt: als het niet lukt, dan maar een Vlaams Centrum. Maar als ik goed kan lezen, dan staat vandaag de stemming op de agenda. We hebben alle besprekingen achter de rug. Ik vraag me af wat nu het werkelijke standpunt van N-VA is. Gaat u dit straks mee goedkeuren?

U geeft ook aan dat het een compromis is: “Oh ja, dat hebben we moeten slikken.” Dat is toch een beetje een vreemde repliek in deze plenaire vergadering, tijdens de bespreking die het einde van het parcours zou moeten zijn van de interfederalisering van het CGKR. ‘I rest my case’, ik vind dit een heel vreemd betoog. Wat is uw standpunt eigenlijk?

Mevrouw Helga Stevens

Dat is heel eenvoudig. Het regeerakkoord is duidelijk: het interfederaal Centrum zou er komen, tenzij de wil daartoe niet aanwezig was bij de andere partners. Het betrof vooral de federale overheid. Maar die wil is er nu en dus komt het interfederaal Centrum er. Zo simpel is het. Meer moet u er niet achter zoeken. Ik begrijp het niet.

Ik begrijp het niet. Ik denk dat u beter moet luisteren naar wat ik te zeggen heb. Het regeerakkoord was ook heel duidelijk. De oprichting van het Vlaamse Centrum was een tweede stap, een terugvalpositie, maar die is niet nodig geweest omdat we een samenwerkingsakkoord met de Federale Regering hebben kunnen sluiten. U moet mij geen woorden in de mond leggen die ik niet heb gezegd.

De heer Hendrickx heeft het woord.

Collega Brusseel, als er nu één partij is waarvan wij geen lessen te leren hebben, is het toch wel uw partij. Mijn eigen burgemeester in Mechelen kwam in de Kamer met dubbele tong spreken over dat Centrum. U hebt zelf ook niet één visie tentoongespreid. (Opmerkingen van de heer Wim Wienen)

Ik ben benieuwd over welke dubbele tong u het hebt. Ik heb het standpunt van Bart Somers uiteraard ook gelezen en ik zie er absoluut geen dubbelzinnigheid in. Ik hoor hier vandaag: “Dit is een compromis. Vinden we een interfederaal Centrum goed? Bah ja, maar een Vlaams was nog beter geweest.” Ik vind het niet eerbaar tegenover uw coalitiepartners. Dat is mijn laatste conclusie.

Het was de heer Somers die zei dat het oude CGKR werd ingezet als wapen tegen de Vlamingen. Letterlijk. Letterlijk.

De heer Bouckaert heeft het woord.

De heer Boudewijn Bouckaert

Voorzitter, minister, collega’s, we hebben in de commissie urenlang gedebatteerd over dit instemmingsdecreet. Het ging zelfs zover dat de minister protesteerde over de kosten van de verlichting in de commissiezaal. Hij vond dat de parlementaire werkzaamheden veel te lang duurden en eigenlijk niet efficiënt waren. Dat komt dan van een lid van een regeringspartij die een zesde staatshervorming goedkeurt waarbij één vergadering van de nieuwe Senaat meer dan 1 miljoen euro zal kosten. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mijn fractie – dat ben ikzelf dus – heeft in de commissie tegengestemd. Mijnheer Wienen, u was er niet. Ik heb als enige de moed gehad om tegen te stemmen. Ik wil hier vandaag mijn tegenstem verduidelijken. In dit soort van debatten bestaan er inderdaad smerige intellectuele truken. Men richt een zogenaamd instrument op ter bestrijding van racisme en discriminatie, maar als je kritiek hebt op dat instrument, word je automatisch gelabeld als zijnde een racist of een voorstander van discriminatie en word je uit het debat gediskwalificeerd. Deze politiek correcte neigingen ruiken naar, wat ik noem, totalitarisme. Wie kritiek heeft, wordt onmiddellijk in een hoekje geplaatst en zijn argumenten zijn de facto niet meer geldig. Om die kritiek te vermijden, sta ik hier.

Laat me vooraf zeggen – en ik spreek in naam van mijn fractie – dat wij absoluut tegenstander zijn van elke racistische ideologie en dat wij niet willen dat dit gedachtegoed dat zoveel kwaad heeft gedaan in onze wereld en in onze beschaving, ooit nog herleeft. Het is misschien wel goed om dat nog eens te zeggen naar aanleiding van het overlijden van Nelson Mandela. Gedachtegoed dat trouwens werkzaam was zowel bij de linkerzijde als bij de rechterzijde. Ik wil aan onze socialistische collega’s wel eens een lijstje van racistische socialistische dictaturen geven. Om maar te zeggen dat het overal zat, mijnheer Roegiers, ook bij de rechterzijde.

Wij zijn ook voorstander van integratie van diverse etnische en culturele minderheden in onze samenleving. Onze samenleving moet integreren en daarom moet ook discriminatie worden bestreden. Laat ons dat zeer duidelijk zeggen. De vraag is of elke methode om deze vorm van onheil te bestrijden, goed is. Daarover hebben wij grote twijfels.

Ten eerste is er inderdaad de beperking van de meningsvrijheid, die in allerlei wetgeving is opgenomen. Je kunt niet ontkennen dat er een soort gedachtepolitie gevormd is.

Ten tweede is er de aantasting van eigendomsrechten in de strijd tegen discriminatie. Hiermee begeeft men zich op een ‘slippery slope’.

Er is het gevaar dat de meningsvrijheid altijd maar meer en meer wordt uitgehold. Ik verwijs bijvoorbeeld naar het voorstel van Bert Anciaux om elke uiting van islamofobie te verbieden. Iedereen die zegt dat hij schrikt heeft van de islam, zou kunnen worden bestraft. Dat is een stapje verder en zo gaat het door.

Daarom ben ik meer voor de Amerikaanse aanpak. Volgens het First Amendment zijn alle gedachten, zelfs de meest verwerpelijke, vrij. Het rechtssysteem dient niet om meningen te vervolgen. Dat wordt hier gedaan.

Ook belangrijk is: is deze aanpak doeltreffend? Heeft er al één allochtone werknemer, die nu dikwijls wordt gediscrimineerd vanwege zijn afkomst, dankzij dit instrumentarium werk gevonden? Heeft er al één allochtoon gezin, dat dikwijls om stigmatiserende redenen geen woning krijgt, een woning gevonden dankzij dit instrumentarium? Ik denk het niet. Wordt het onderwijs ermee verbeterd? Ik denk het niet. Het enige wat dit soort instrumenten doet, is de verzuring laten toenemen, en de tegenstelling tussen de bevolkingsgroepen, de wederzijdse diabolisering.

Onze fractie is absoluut geen tegenstander van een beleid tegen racisme en discriminatie, maar daarin moet de nadruk worden gelegd op informatie, sensibilisering, ‘affirmative action’, onderwijsopvoeding, attitudes. Bijvoorbeeld een GOK-decreet is volgens ons een goed instrument om uitsluiting in de samenleving tegen te gaan. Dat valt onder ‘affirmative action’. De repressieve methodes zijn ondoeltreffend en werken de verzuring in de hand.

Meer specifiek in verband met het Centrum heb ik een hele reeks juridische opmerkingen gemaakt. De minister heeft er enkele van beantwoord, andere niet. Ik herhaal ze niet, dat is eerder commissiewerk.

Maar het is fout om te denken, waarde collega’s, dat Europa ons oplegt een Centrum op te richten zoals het nu voorligt. Dat is niet zo. Europa in de Europese richtlijn 2000/43/EG zegt dat wij een orgaan moeten aanwijzen ter bevordering van gelijke behandeling, voor onafhankelijke bijstand en om onafhankelijke onderzoeken op te zetten. Er is geen enkele verplichting vanwege Europa om daar ook een repressief luik aan te koppelen. Wat we hier meemaken, is wat men in het Europees Parlement ‘overtransposition’ noemt. Men maakt gebruik van richtlijnen om meer reglementeringen op nationaal vlak door te voeren dan eigenlijk in die richtlijn verplicht zijn, maar men verwijst wel naar de autoriteit van Europa. Dat is hier gebeurd. Wij hadden de soevereiniteit om iets anders te doen dan wat hier voorligt. Kom dus niet af met het gezag van Europa.

Wanneer men dan toch een orgaan inricht, dan was het volgens onze fractie beter geweest om een Vlaams orgaan in te richten. Uit de studie van Sottiaux en Vrielink blijkt dat zo goed als alle federale landen voor gelijkheidsorganen een systeem van één op één hebben. De strijd tegen discriminatie voor de deelstatelijke bevoegdheden wordt door een deelstatelijk orgaan georganiseerd en voor de federale bevoegdheden door een federaal orgaan. De meerderheid van de federale landen volgt die logica. In dit samenwerkingsakkoord zit geen federale logica, maar een neo-unitaristische logica.

Wat is het grote nadeel van de interfederale optie, waarde collega’s? Die is gebaseerd op een verdrag. In een federale staat zijn er verschillende soevereine overheden. Vlaanderen is een soevereine overheid binnen de federatie, de federale overheid is een soevereine overheid binnen de federatie. Die staan grondwettelijk gezien, juridisch eigenlijk op dezelfde hoogte want ze hebben een grondwettelijk gewaarborgde autonomie.

En het akkoord dat hier is gesloten, heeft eigenlijk het karakter van een verdrag dat is gesloten tussen verschillende soevereine entiteiten: de federale overheid, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

Wat is daar nu het grote probleem mee? Wanneer nu zou blijken dat de regeling die daarin is uitgewerkt, mank loopt, dan kan men dit niet met een decreet repareren. Dan moet men de hele ronde doen van al die autoriteiten om dat te veranderen. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kan dit bijvoorbeeld blokkeren zodat wij strop zitten. Dat is het gevolg van de methode waarvoor men kiest. Men moet zich dat goed realiseren. Het Vlaams Parlement zet zich vast met dit interfederaal verdrag.

Wanneer het een Vlaams akkoord was geweest, konden wij onze instellingen decretaal corrigeren en bijsturen. Het argument van sommige partijen die niets anders doen dan nieuwe instellingen oprichten op de kap van de belastingbetaler, is nu opeens zuinigheid. Het is de eerste keer dat ik dat hoor. Al jarenlang richt men instellingen op die geldverslindend zijn zodat de staat ongeveer failliet is, en nu komt men plots met het argument van de zuinigheid. Ik denk niet dat dit een meerkost hoeft te betekenen.

Het argument van de toegankelijkheid voor de burger kan zo van tafel worden geveegd. Indien men een Vlaams en een Franstalig Centrum zou hebben – de Franstaligen konden eventueel ook samengaan met het federale niveau, zij hebben immers soevereiniteit – dan zou men op basis van het samenwerkingsakkoord nog altijd één loket kunnen oprichten. Dat is perfect mogelijk. Samenwerkingsfederalisme noemen we dat. En dat had eigenlijk niet veel meer gekost. Het argument van zuinigheid en toegankelijkheid voor de burger slaat nergens op.

Ik wil nog even de inflexibiliteit van het systeem illustreren. Men kan zich op grond van bepaalde wetten burgerlijke partij stellen. Dat is het meer repressieve luik. Men treedt niet in de plaats van het parket, maar het Centrum kan zich burgerlijke partij stellen. Om de bevoegdheid om zich burgerlijke partij te stellen, duidelijk af te bakenen, heeft men alle wetten op grond waarvan men zich burgerlijke partij kan stellen, opgesomd in het verdrag. Als men die verdragstechniek aanwendt, dan moet men daarin duidelijk preciseren op grond waarvan men zich burgerlijke partij stelt, want men kan dat hier in het Vlaams Parlement niet meer repareren. Die techniek heeft het nadeel dat wanneer een van die wetten wordt afgeschaft, wordt gewijzigd of van titulatuur verandert, men opnieuw de hele ronde moet doen. De opsomming van die wetten behoort immers tot dat interfederaal verdrag. Dit is een heel inflexibel instrument waarmee het parlement zich vastzet.

Ik heb ook nog een aantal opmerkingen over de samenstelling. Er is een interfederale raad van bestuur die bestaat uit tien Vlamingen, tien Franstaligen en één Duitstalige zonder stemrecht. Het is eigenaardig dat hier een confederale logica wordt gehuldigd. Daarbij is het normaal dat de lidstaten van de federatie op gelijke hoogte staan. Maar die confederale logica wordt hier gehuldigd wanneer het ten voordele is van de Franstaligen. Bij een federale logica had men de bevolkingsverhoudingen moeten respecteren. Men hanteert een confederale logica wanneer het de Franstaligen goed uitkomt, en anders gebruikt men een federale logica.

In artikel 8, paragraaf 3, staat dat het Vlaams Parlement vier leden kan aanduiden. Ik vraag me af op welke manier dat zal gebeuren. We hebben daarover met de minister van gedachten gewisseld.

Het deed me genoegen te vernemen uit zijn mond dat hij niet dacht aan een benoeming waarbij de meerderheid die vier leden zou opleggen, maar veeleer aan een proportionele verdeling. Ik hoop dat dit zal worden gerespecteerd en dat de meerderheid haar mannen en vrouwen daar niet in plaatst.

Ik wil nog opmerken dat in het Centrum een heel belangrijke problematiek van gelijkheid en ongelijkheid, namelijk die tussen man en vrouw, niet is opgenomen. Voor discriminatie op grond van geslacht moet een apart centrum worden opgericht. Ik heb ook van de minister mogen vernemen dat dit voor moeilijkheden zorgt, dat dit in het slop zit. Ik heb het vermoeden dat dit ook samenhangt met de postenverdeling.

Ten slotte zit ook de discriminatie op grond van taal niet in het pakket. Waarde collega’s, ik moet u erop wijzen dat destijds in Le Soir een heel aangenaam artikel stond: men wou de politieke problemen in België oplossen door de N-VA-leden op een schip te zetten en dat schip in het midden van de zee tot zinken te brengen. Dat was een aangenaam voorstel. (Gelach)

Dat was natuurlijk ironisch bedoeld, mijnheer Diependaele. De heer De Wever heeft daarvoor een klacht ingediend, maar die was onontvankelijk, omdat het centrum niet bevoegd is voor de discriminatie van taalgroepen. Vlaanderen is een taalgroep, dus Le Soir mag zonder enig probleem dit gif spuien, terwijl GAIA wordt aangepakt omdat het kritiek heeft op de rituele slachtingen. Dit soort politiek is dus mogelijk en blijft mogelijk, omdat hierin in niet is voorzien voor discriminatie op basis van taal.

Ware het centrum exclusief Vlaams geweest, dan had onze fractie zeker constructief meegewerkt en een aantal amendementen ingediend om de werking van dat centrum zo efficiënt mogelijk te maken. Nu is het echter een akkoord dat te nemen of te laten is. We hebben heel veel kritiek op dat interfederaal Centrum, en men laat ons geen keuze. Daarom zullen we niet instemmen met dit ontwerp van instemmingsdecreet. (Applaus bij LDD en bij het Vlaams Belang)

De heer Kennes heeft het woord.

Voorzitter, minister, geachte leden, de gelijkwaardigheid van alle mensen is een fundamenteel uitgangspunt voor christendemocraten. Dat is dan ook de bril waarmee wij naar het dossier van gelijke kansen, discriminatie en racisme kijken. Tijdens de heel lange bespreking in de commissie, en ook vandaag, werd wel eens de indruk gewekt dat we hier met een typisch Belgisch instrument te maken hebben, dat het resultaat zou zijn van onze eigen nationale politieke context. Dat is natuurlijk niet correct: het gaat hier wel degelijk om de uitvoering van een Europese richtlijn en ook van een VN-verdrag. Daar moeten we uitvoering aan geven, ook als deelstaat.

De federale overheid beschikt al sinds 1993 over een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, maar de gemeenschappen en gewesten hebben nog geen dergelijk gelijkekanseninstrument. Daarom heeft de Europese Commissie België in gebreke gesteld. In ons Belgische systeem is de bevoegdheidsverdeling namelijk zo dat de bestrijding van discriminatie en het bevorderen van gelijke kansen een accessoire bevoegdheid is voor elke overheid. De Vlaamse overheid is dus bevoegd om in het eigen bevoegdheidsdomein een eigen discriminatierecht te ontwikkelen.

Samen met andere leden heb ik er de afgelopen jaren in de commissie en de plenaire vergadering op aangedrongen dat Vlaanderen daar werk van zou maken. Indien het niet zou lukken om dat te doen via een samenwerkingsakkoord, dan moest dat gebeuren met een eigen Vlaamse instelling, zo hadden we gesteld. Dat was echter duidelijk een tweede keuze: de eerste keuze was om het te regelen via een interfederaal Centrum.

Vaak worden we in de politiek voor de keuze gesteld: federaal of confederaal. Dat is zowat de agenda waarover we het vandaag moeten hebben en waarin we ons moeten situeren. Maar hier gaat het over een interfederaal systeem met zijn voor- en nadelen. De heer Bouckaert heeft aangehaald dat een interfederaal systeem een beetje werkt zoals een internationale conferentie waarbij alle partijen het eens moeten zijn om iets te wijzigen. Dat is natuurlijk een iets zwaardere procedure. We zijn blij met die pragmatische benadering van het intrafederale, omdat het uitgangspunt daarbij het belang van de gebruiker is. Die heeft één aanspreekpunt en moet dan geen specialist zijn in de bevoegdheidsverdeling of in de staatshervorming. Er is ook gekozen voor de bundeling van de expertise die niet in verschillende centra wordt opgesplitst. We denken dat dat een juiste keuze is.

De heer Wim Wienen

Mijnheer Kennes, u had het over de uitvoering van de Europese richtlijn en het VN-verdrag van 1966. Ik weet natuurlijk dat u die ook gelezen hebt. Kunt u mij even situeren, bijvoorbeeld in de Europese richtlijn, waar er staat dat zo’n Centrum ook een repressief luik moet uitwerken?

Ik ga het straks hebben over het in rechte treden. Het komt verderop in mijn toespraak aan bod. U zult daarop dus een antwoord krijgen.

De heer Boudewijn Bouckaert

Mijnheer Kennes, u erkent dus dat de techniek van een interfederaal akkoord problemen heeft qua flexibiliteit. U erkent dat, maar u benadrukt het voordeel dat de burger één aanspreekpunt heeft. (Opmerkingen van de heer Ward Kennes)

Ik heb gezegd dat je daarvoor geen interfederaal Centrum nodig hebt. Je kunt achteraf een samenwerkingsakkoord sluiten met de verschillende deelstatelijke en federale instanties, waarbij je één loket creëert. Het door u aangehaalde argument valt dus weg.

Ook dan zit je dus – u zegt het zelf – met een samenwerkingsakkoord en moeten alle partijen akkoord gaan. Het blijft dus een complex systeem. (Opmerkingen van de heer Boudewijn Bouckaert)

Ja, achteraf. Ook achteraf blijf je sowieso met een complex systeem van samenwerking zitten. Daar zul je niet aan ontsnappen, of je het nu ante of post doet. Ik denk dat het sowieso onvermijdelijk is. (Opmerkingen van de heer Boudewijn Bouckaert)

Dan is er nog altijd die versplintering van expertise en zijn er nog altijd meer structuren die worden opgericht dan wanneer je het op deze manier aanpakt. Er zijn dus een aantal voordelen om heel bewust te kiezen voor deze weg.

In de commissie heb ik het samenwerkingsakkoord tegen het licht gehouden van de motie die hierover door het parlement was goedgekeurd en negen punten bevatte. Mijn conclusie was dat de toets kon worden doorstaan. De kerntaken en de opdrachten zijn afgebakend. Het nieuwe interfederaal Centrum zal zich niet bezighouden met migratie en mensenhandel, armoede en taalaangelegenheden. De motie vroeg uitdrukkelijk om de beginselen van Parijs toe te passen en die onafhankelijkheid te waarborgen. Dat vinden we ook terug in artikel 3, paragraaf 3 van het samenwerkingsakkoord. Belangrijk is dat de raad van bestuur van het huidige CGKR wordt samengesteld vanuit de regering, de uitvoerende macht. In de toekomst, zo staat in artikel 8, zal dat gebeuren vanuit de wetgevende macht, dus niet langer vanuit de uitvoerende macht.

Er is al verwezen naar de vier Vlaamse bestuurders die wij mogen voordragen. Het reglement van dit parlement kennende, lijkt het mij evident dat alle voordrachten volgens de proportionaliteit gebeuren. (Opmerkingen van de heer Joris Van Hauthem)

Dat is mijn kennis van het reglement. Misschien is het Bureau slimmer, maar dat is mijn kennis.

De heer Van Hauthem heeft het woord.

De heer Joris Van Hauthem

Dat is toch wat anders dan wat de vorige spreker zei, namelijk dat het vanuit professionaliteit zal komen, zoals de minister beloofd heeft. Nu zegt u dat het gewoon partijpolitieke benoemingen zullen zijn.

Neen, ik ga ervan uit dat een aantal criteria worden gewaarborgd. Er moet gezocht worden naar een evenwicht tussen geslachten. Er zal moeten worden gezocht naar expertise en deskundigheid. Het lijkt mij evident dat we, als we iemand benoemen vanuit een parlement, gaan voor deskundige mensen en dat het niet gaat om partijen.

Het reglement van dit parlement bevat een bepaald artikel, ik ken het nummer niet. (Opmerkingen van de heer Joris Van Hauthem)

Artikel 10? Dat zou kunnen, iemand zou het eens kunnen opzoeken. Daarin staat dat, wanneer het parlement voordrachten doet of afvaardigingen stuurt naar om het even welk orgaan, daarvoor een sleutel werd ingebouwd in ons reglement.

Ik zie op dit moment geen enkele reden waarom dit niet van toepassing zou zijn. Ik ga hiervan uit. Dat is een punt van debat geweest. (Opmerkingen van de heer Joris Van Hauthem)

De grootte van de fracties is iets anders dan partijpolitiek. Dat lijkt me belangrijk.

In de motie hadden we de lat met betrekking tot de onafhankelijkheid iets hoger gelegd. Het ging toen ook om lokale uitvoerende mandaten en om het aantal jaren dat kabinetsmedewerkers moesten worden ontluisd. De regels in het samenwerkingsakkoord zijn minder streng, maar kunnen volgens mij nog steeds de onafhankelijkheidstoets doorstaan. Daarover kan natuurlijk altijd worden gedebatteerd.

We zullen jaarlijks een rapport ontvangen. Op die manier kan het Vlaams Parlement met betrekking tot de werking van het nieuw interfederaal centrum de vinger aan de pols houden.

De heer Boudewijn Bouckaert

Mijnheer Kennes, u pleit voor partijonafhankelijkheid. Dat siert u. In het akkoord staat dat volksvertegenwoordigers niet in die kamers mogen zetelen. Provincieraadsleden, gemeenteraadsleden en schepenen mogen dat echter wel. (Opmerkingen van de heer Ward Kennes)

Als ik moet kiezen tussen een schepenambt in Antwerpen of zetelen in het Vlaams Parlement, weet ik niet goed welke positie meer macht en invloed met zich meebrengt. Op dat vlak is het akkoord inconsequent. We zouden eigenlijk moeten vragen dat er ook op provinciaal en gemeentelijk vlak geen partijaanhorigheid is. U keurt dit echter toch goed.

Ik herhaal dat dit punt in onze motie was opgenomen. We worden nu geconfronteerd met een samenwerkingsakkoord dat minder streng is dan de motie die we hier hadden goedgekeurd. Ik heb daarnet al herhaald wat ik in de commissie heb verklaard. Het gaat minder ver, maar dat is voor mij geen reden om het niet goed te keuren. We hadden liever gezien dat het wat verder ging. Ik heb begrepen dat hierover is onderhandeld. Er zaten meerdere partijen rond de tafel. Blijkbaar voelde niet iedereen zich gebonden door die motie van het Vlaams Parlement. Ik heb dat tijdens de commissiebesprekingen al aan bod gebracht. Het gaat niet zo ver als in onze motie. Ik had liever gehad dat het wat verder zou gaan. Net om die reden heb ik die motie destijds mee ingediend en goedgekeurd.

Nu dit interfederaal Centrum in de steigers staat, moeten we in de toekomst natuurlijk ook nog werk maken van een interfederale mensenrechteninstelling. Dat zal ongetwijfeld iets voor de volgende legislatuur worden.

Ik wil ook ingaan op de vraag die de heer Wienen bezighoudt, namelijk de mogelijkheid van het interfederaal Centrum om in rechte op te treden. Moet dit of moet dit niet? Om met de internationale verdragen in overeenstemming te zijn, is dit volgens mij geen absolute voorwaarde. Van de 25 bevoegde gelijkheidsorganen in Europa kunnen er 17 in rechte optreden. Een duidelijke meerderheid van landen heeft hiervoor gekozen. Dit wordt ook in een aantal internationale teksten aanbevolen. Het bestaande CGKR kan dit. Nu wordt ervoor gekozen om dit ook voor het nieuw Centrum in te voeren. (Opmerkingen van de heer Joris Van Hauthem)

Dit is nodig om een bijkomende kans op bescherming tegen mogelijke discriminaties en ongelijke behandelingen te bieden. (Opmerkingen van de heer Joris Van Hauthem)

Ik ben daarover nog niet uitgesproken. Artikel 6, paragraaf 2 van het samenwerkingsakkoord behandelt de bemiddelings- en verzoeningsopdracht van het Centrum. Ik ben ervan overtuigd dat veel problemen door middel van preventie en dialoog kunnen worden opgelost. In rechte treden voor een rechtbank moet volgens mij een ultimum remedium zijn. Dat mag niet het eerste uitgangspunt van het Centrum worden. Het is echter niet slecht dat dit middel als stok achter de deur kan worden gebruikt. Volgens mij staat dit punt terecht in het samenwerkingsakkoord. Het is echter een ultimum remedium. We zullen zien hoe de nieuwe raad van bestuur te werk zal gaan.

Het gaat hier immers om een nieuw Centrum, met nieuwe mensen, een gedeeltelijk nieuwe opdracht en een nieuwe dynamiek. Sommigen gaan er blijkbaar van uit dat het gewoon om een doorslagje van het bestaande federale Centrum zal gaan. Daar wordt vaak naar verwezen. Dat is ook in de commissie gebeurd. Nu wordt op een bepaalde manier gewerkt en in de toekomst zou het er dan op alle vlakken identiek aan toe gaan. Ik ben daar niet van overtuigd.

Ik kan me goed inbeelden dat met nieuwe bestuurders ook een aantal nieuwe keuzes zullen worden gemaakt. Jaarlijks zal in het Vlaams Parlement worden gerapporteerd. We zullen de kans krijgen met de betrokkenen van gedachten te wisselen over de wijze waarop ze met hun opdracht en hun taak omgaan. De jaarlijkse rapportering zal ons als politici de kans bieden onze mening hierover te geven.

De heer Joris Van Hauthem

Mijnheer Kennes, u verbaast me, zeker wat het in rechte treden betreft. Ik ben nog gemeenschapssenator geweest. Ik heb een collega van u vaak horen zeggen dat men het politieke debat niet moet juridiseren. Met andere woorden dat men het moet laten plaatsvinden waar het thuishoort, in de publieke ruimte en in het parlement. Het gaat niet op om het politieke debat voor een rechter te brengen. (Opmerkingen van de heer Ward Kennes)

Als het over een politieke partij of mening gaat, moet die dan uiteraard een politieke uitspraak doen.

U gaat ervan uit dat er enkel en alleen over politieke partijen wordt gesproken.

De heer Joris Van Hauthem

Neen. Wij zijn wel ervaringsdeskundigen, mijnheer Kennes. Sorry, maar dat is nu eenmaal zo. Dankzij het feit dat men in rechte kon treden, zijn wij voor de rechtbank gedaagd. Het ging zelfs nog via een omweg, via vzw’s, maar dat doet er nu even niet toe. De mogelijkheid van zo’n Centrum om in rechte te treden, zorgt ervoor dat ze het politieke debat voor een rechtbank kunnen brengen. Dat is de ultieme consequentie. In een democratie is dat fundamenteel ongezond.

Mijnheer Van Hauthem, ik ben altijd van mening geweest dat het politieke debat in het parlement, de media en de samenleving moet worden gevoerd. Ik vind het niet verkeerd dat verenigingen, werkgevers of anderen voor de rechtbank kunnen worden gedaagd op grond van discriminatie. (Opmerkingen van de heer Joris Van Hauthem)

Er kunnen allerlei vormen van discriminatie ontstaan. Er kunnen heel veel instellingen in onze samenleving functioneren die op een bepaald moment niet tot de orde kunnen worden geroepen en volharden in de discriminatie en ongelijke behandeling. (Opmerkingen van de heer Joris Van Hauthem)

Er zijn situaties in onze samenleving van discriminatie die via overleg en dialoog niet kunnen worden gestopt. Dan is het in rechte treden een goede manier om de slachtoffers te verdedigen.

De heer Joris Van Hauthem

Mijnheer Kennes, laat me het debat dan opentrekken. U moet me eens zeggen in welke materies derden rechtstreeks kunnen dagvaarden. Dat is niet voor alle domeinen het geval. Bent u het met me eens? (Instemming van de heer Ward Kennes)

Zullen we daar dan het debat eens over voeren? Wat mag wel en wat mag niet via derden voor een rechtbank worden getrokken?

Vandaag moeten we ons buigen over het interfederaal Centrum. (Opmerkingen van de heer Joris Van Hauthem)

De heer Joris Van Hauthem

U hebt dus geen antwoord op mijn specifieke vraag? (Opmerkingen van de heer Ward Kennes)

Zo geraken we niet uit het debat.

We kunnen een heel uitgebreid debat voeren over het principe van in rechte treden, waar het wel mag en waar niet. Vandaag spreken we over een Centrum dat voor bepaalde domeinen … (Opmerkingen van de heer Joris Van Hauthem)

Ja, de opdrachten liggen vast. Ik heb al gezegd dat er zaken zijn waarvoor het centrum niet bevoegd is. Voor de materies waarvoor het wel bevoegd is, kan het in rechte treden. Dat is een keuze van de wetgever. (Opmerkingen van de heer Joris Van Hauthem)

Voorzitter, ik ben niet van plan om het debat …

De heer Boudewijn Bouckaert

Mijnheer Kennes, u zegt dat repressie het ultimum remedium moet zijn. Dat klopt.

De racismewetgeving van 1991 en het verbod op negationisme voorziet in straffen. In een normale rechtstaat worden straffen gevorderd door het openbaar ministerie. De burger, u en ik en eventueel een Centrum met een normale bevoegdheid, kan altijd een klacht indienen om het parket in gang te zetten. Daarvoor heeft men het instrument van rechtstreekse dagvaarding en burgerlijke partijstelling niet nodig.

Doordat het wel bestaat, creëert dat een sfeertje rond dat Centrum, dat doen sommigen hier toch, dat wordt opgeklopt, en daarom ben ik er geen voorstander van. Onze rechtstaat biedt genoeg mogelijkheden om de wetten te doen naleven.

De heer Wim Wienen

Voorzitter, u hebt de orde van deze vergadering. Ik zou graag willen dat u aan de minister meedeelt dat wij een politiek debat aan het voeren zijn en dat het parlement dat zo uitgebreid mag doen als het parlement dat wil.

Het is al de tweede keer dat u met uw gedrag toont dat u dat niet wenst. In de commissie hebt u mij gezegd dat u eens zou laten weten wat dat kost. Hier roept u naar de spreker “Ward, stop ermee, houd het kort.” Zo voert men geen politiek debat, minister. Dergelijk gedrag is een parlementaire democratie onwaardig. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mijnheer Wienen, ik waak erover dat u voldoende aan het woord komt. De minister heeft daarover geen richtlijnen te geven.

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Voorzitter, collega's, natuurlijk mag het politieke debat worden gevoerd. Dat is ook in de commissie gebeurd. De enige opmerking die ik er heb gemaakt – en die door de voltallige commissie werd gedeeld – was dat men argumenten moet gebruiken, en niet beginnen te filibusteren, zoals daar is gebeurd. We hoeven daar echter niet op terug te komen. Het enige wat ik aanvoel, mijnheer Wienen, is dat u niet luistert naar de anderen en niet openstaat voor argumenten. Met u debatteren heeft geen zin, want u staat niet open voor argumenten. Uw mening staat vast, en u blijft als een zeloot tegen de zaak aankijken. Dat is natuurlijk uw volste recht, u doet maar.

Ik wil nog de vraag van de heer Bouckaert beantwoorden. Natuurlijk zijn er mensen die de wetgeving kennen en die zich sterk genoeg voelen om hun rechten af te dwingen. Maar er zijn mensen die minder geïnformeerd of meer geïntimideerd zijn, en waarvoor het nuttig kan zijn om hen een duwtje in de rug te geven opdat zij hun rechten laten gelden. U en ik behoren tot de eerste categorie, en u misschien nog meer dan ik, maar er zijn ook nog mensen die extra ondersteuning kunnen gebruiken.

Ik  rond af. Wij zullen de inkanteling van de dertien Meldpunten discriminatie opvolgen. De expertise die zij hebben opgebouwd, moet bewaard blijven. In de commissie heeft de minister dat toegezegd. Bij de bespreking van de beleidsbrief Gelijke kansen heeft mevrouw Franssen al opgemerkt dat er nog meer instituten zijn in dit land waarvan de interfederalisering wenselijk is. Zij had het dan over het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, een terrein waarop ook de deelstaten een rol hebben.

Een nieuwe instelling, met nieuwe bestuurders, nieuwe opdrachten en nieuwe inzichten: de Vlaamse christendemocraten hopen dat het interfederaal Centrum een waardevolle bijdrage kan leveren aan een gelijkwaardige behandeling van alle mensen in de samenleving. Wij zullen dat samenwerkingsakkoord dan ook goedkeuren.

De heer Rzoska en mevrouw Meuleman zijn er niet.

Bijgevolg geef ik het woord aan minister Smet.

Minister Pascal Smet

Voorzitter, collega's, de heer Kennes heeft hier terecht verwezen naar de aftoetsing van de resolutie. Dat is volledig gebeurd. De administratie, mijn medewerkers en ik hebben daar heel hard aan gewerkt. De Vlaamse eisen zijn allemaal ingewilligd. Ook wil ik zeggen dat wij ons niet aan het verleden moeten vastklampen. Het nieuwe, interfederaal Centrum zal op een andere manier werken dan het vorige. Voorts is het belangrijk te stellen dat de leden van de raad van bestuur niet door de regering, maar door het parlement worden aangesteld. De voorzitter van het Vlaams Parlement zal overigens weldra een brief krijgen om dat ook te doen, in overleg met zijn collega’s van de andere assemblees, zodat met allerlei evenwichten rekening kan worden gehouden. Ik blijf erbij  dat ik vind dat dit geen zaak van de meerderheid mag zijn, maar dat men voor een proportionele vertegenwoordiging moet zorgen. Ook een meerderheid van de commissieleden vindt dat. Wat het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen betreft, ben ik het eens met het standpunt dat dit moet worden geïnterfederaliseerd. Het is de vraag of dat een aparte instelling moet zijn, dan wel moet inkantelen in het interfederaal Centrum. Zelf ben ik voorstander van een inkanteling, maar die discussie is nog niet afgesloten.

Samengevat, voorzitter: er is hard aan gewerkt, er is een nieuw Centrum, er komt een nieuwe raad van bestuur, een nieuwe functionering met kamers. Dit maakt een nieuwe start mogelijk. We mogen niet naar het verleden blijven kijken. Wij geloven dat die rechtstreekse dagvaarding noodzakelijk is. Dat blijkt trouwens ook uit het algemene strafrecht te komen. Op zich is dat dus allemaal niet zo raar.

Ik zou tot slot niet over ‘gedachtepolitie’ spreken, mijnheer Wienen. Mocht Martin Niemöller, die u daarnet geciteerd hebt, nog leven, ik denk dat hij ernstig zou schrikken.

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2196/1)

– De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Ontwerp van decreet tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 22 december 2000 betreffende de amateurkunsten
2192 (2013-2014) nr. 1
Motie van de heer Joris Van Hauthem betreffende een belangenconflict
2304 (2013-2014) nr. 1
Motie van de heer Joris Van Hauthem betreffende een belangenconflict
2305 (2013-2014) nr. 1
Motie van de heer Joris Van Hauthem betreffende een belangenconflict
2306 (2013-2014) nr. 1
Motie van de heer Joris Van Hauthem betreffende een belangenconflict
2307 (2013-2014) nr. 1
Motie van de heer Joris Van Hauthem betreffende een belangenconflict
2308 (2013-2014) nr. 1

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of het Jaaroverzicht 2015-2016 (pdf)voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.