U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 20 november 2013, 14.00u

Voorzitter
De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet houdende de organisatie van preventieve gezinsondersteuning.

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Stevens, verslaggever, heeft het woord.

Mevrouw Helga Stevens

Voorzitter, minister, collega’s, de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebeleid behandelde op 17 september 2013 voor het eerst het ontwerp van decreet houdende de organisatie van de preventieve gezinsondersteuning. Op 23 oktober 2013 werden hoorzittingen gehouden, met sprekers van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), het Kinderrechtencommissariaat en verschillende middenveldorganisaties. Op 5 november 2013 werd dit geamendeerde ontwerp van decreet in de commissie aangenomen.

Er is een stijgende vraag naar ondersteuning van gezinnen. Het beleid staat hierbij voor een aantal duidelijke uitdagingen, onder meer ten gevolge van de verschuiving van medische problemen zoals de evolutie van acute infectieproblemen naar chronische aandoeningen als obesitas. Dit vergt een meer geïntegreerde aanpak en een samenwerking van gezondheids- en welzijnsactoren. Daarnaast blijkt er een stijgende nood te bestaan aan opvoedingsondersteuning en psychosociale ondersteuning, ten gevolge van de zich wijzigende maatschappelijke en gezinscontext.

Het decreet van 13 juli 2007 houdende de organisatie van de opvoedingsondersteuning plaatste dit thema op de maatschappelijke agenda. Omdat een aantal elementen van dit decreet worden ingepast in dit ontwerp van decreet, zal het worden opgeheven. Ten slotte wijst minister Vandeurzen op de noodzaak van ruime samenwerkingsverbanden bij de bestrijding van kinderarmoede. Onder andere de Huizen van het Kind zullen daarin een belangrijke rol vervullen, conform de Family Centres in de Scandinavische landen.

Dit ontwerp van decreet wil werk maken van een bundeling van de krachten aan de aanbodzijde. De bundeling in de Huizen van het Kind biedt veel mogelijkheden om daarmee ook lokaal aan de slag te gaan. Naast deze formele steun is ook informele steun aan en participatie van de gezinnen belangrijk. Dat is bijgevolg als een van de voorwaarden opgenomen in het ontwerp van decreet.

In het verslag staat ook een toelichting bij de opbouw van het ontwerp van decreet, en bevat ook de basisprincipes en vormvereisten voor de samenwerkingsverbanden. De Huizen van het Kind zijn namelijk niet op te vatten als Huizen van Kind en Gezin. Het ontwerpdecreet bepaalt in dat verband dat er ten minste twee andere aanbodsvormen aanwezig moeten zijn. Het samenwerkingsverband moet zich ook openstellen en in geval van subsidiëring actief op zoek gaan naar andere mogelijke partners. Ten slotte stelt minister Vandeurzen dat dit een kaderdecreet is. Een waaier van actoren wordt gestimuleerd om sterke samenwerkingsverbanden op het vlak van preventieve gezinsondersteuning uit te bouwen.

Mevrouw Dillen verwijst in haar tussenkomst naar het advies van de Strategische Adviesraad voor het Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid (SAR WGG). Volgens haar fractie is het niet duidelijk of dit ontwerp van decreet budgettair en juridisch haalbaar is. Opnieuw gaat het om een kaderdecreet; zeer veel moet nog worden geregeld via uitvoeringsbesluiten. Mevrouw Dillen vraagt de minister om de vraag naar een dialoog die komt van de sprekers op de hoorzitting ter harte te nemen. Ook andere relevante samenwerkingsverbanden moeten volgens mevrouw Dillen decretaal worden verankerd, want het huidige ontwerp van decreet richt zich te sterk op actoren die onder het beleidsdomein Welzijn vallen en instaan voor de gezondheid en ontwikkeling van kinderen. De SAR WGG stelt dat preventie te weinig is gedefinieerd, en daarom dringt hij aan op een heldere omschrijving.

Mevrouw Dillen stelt zich de vraag of de Huizen van het Kind niet te veel afhankelijk zullen zijn van de verkregen middelen en hoe de gebiedsafbakening te rijmen valt met de werkingsgebieden van de CAW’s, Logo’s, CLB’s enzovoort. Ook is het niet duidelijk wat het ontwerpdecreet precies verstaat onder kansarme gezinnen en hoe men de links wil leggen met andere beleidsdomeinen zoals Huisvesting, Werk en zo verder. De Vlaams Belangfractie zal het ontwerpdecreet daarom niet steunen.

Mevrouw Van der Borght geeft namens de Open Vld-fractie aan dat de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid akkoord ging met het ontwerpdecreet, maar dat er zestien zware punten van kritiek waren. Mevrouw Van der Borght vond de hoorzitting zeer verhelderend en vermoedt dat dat ook voor de meerderheid het geval was. Ze leidt dat af uit de amendementen die achteraf werden ingediend. Mevrouw Van der Borght is te spreken over het basisidee van het ontwerpdecreet. Ondanks de oproep tot samenwerking blijft het ontwerp uitgaan van een aanbodgestuurde hulpverlening. Ondanks het feit dat dit ontwerpdecreet budgetneutraal dient te zijn, bleek uit de hoorzittingen dat bijkomende financiële middelen nodig zijn. Mevrouw Van der Borght legt daarbij de link naar de precaire financiële situaties van veel steden en gemeenten. Zij vraagt zich ook af waarom niet alles wordt gebundeld in het Sociaal Huis.

Ikzelf stel vast dat het begrip ‘preventieve opvoedingsondersteuning’ ruim wordt gedefinieerd als het geheel van maatregelen en aanbod dat gericht is op het bevorderen van het welbevinden van alle gezinnen met kinderen en jongeren en aanstaande ouders, met inbegrip van de ondersteuning op het vlak van opvoeding en preventieve gezondheidszorg. Daarin gaat men verder dan het aanbod van Kind en Gezin. De N-VA-fractie kan zich daar zeker in vinden. Ik heb aangegeven dat het Huis van het Kind moet worden opgevat als een organisatorisch begrip en niet louter als een gebouw. Het wil bepaalde doelstellingen realiseren vanuit meerdere fysieke locaties. Ten slotte merk ik op dat ook jongeren bereikt moeten worden in de naam Huis van het Kind. Ik vraagt me af of de naam daar voldoende rekening mee houdt.

Mevrouw De Vits en haar fractie vinden dit een goed ontwerpdecreet. Er zijn in Vlaanderen veel diensten die aan preventieve gezinsondersteuning werken. Zij worden nu gestimuleerd om meer samen te werken. Mevrouw De Vits merkt op dat in een aantal gemeenten al een Huis van het Kind bestaat. De naam opnieuw veranderen zou volgens haar tot een aantal problemen leiden. Mevrouw De Vits wil de rol van de lokale actoren duidelijker geformuleerd zien in het ontwerpdecreet. Sommige sprekers uit de hoorzitting gaven immers aan dat lokale besturen vooral initiatiefnemer moeten zijn, waar intussen ook andere lokale actoren al initiatief namen. Sp.a geeft de voorkeur aan één aanspreekpunt waar men een antwoord krijgt op de vraag. Dat antwoord kan ook een doorverwijzing zijn. Het ontwerpdecreet zou explicieter moeten vermelden dat verschillende instanties elkaars aanbod moeten kennen. Ten slotte merkt mevrouw De Vits op dat in de strijd tegen kinderarmoede nog te veel voor een aanbodgerichte aanpak wordt gekozen in het ontwerpdecreet.

Mevrouw Schryvers geeft aan dat het ontwerpdecreet opvoeders en aanstaande opvoeders wil ondersteunen en versterken. Kinderen en jongeren moeten weerbaar gemaakt worden. Door deelthema’s waarin diverse organisaties gespecialiseerd zijn samen te brengen, ontstaan omvattende Huizen van het Kind. De grote kracht van de Huizen van het Kind is het open, laagdrempelige en niet-stigmatiserende karakter ervan. De Huizen van het Kind zijn er voor iedereen.

De hoorzitting heeft aanleiding gegeven tot enkele amendementen. Het geamendeerde ontwerpdecreet werd aangenomen met 8 stemmen tegen 5. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, leren kunnen we een leven lang. We kunnen het over van alles en nog wat. Je kunt het zo gek niet bedenken, of er bestaat wel een cursus over. Er is echter één zaak die we blijkbaar zomaar spontaan zouden moeten kunnen, en dat is kinderen grootbrengen. Hoe bereid ik mijn kleine uk voor, om als een sterke, verantwoordelijke persoon in de wereld te staan?

Hoe ga ik om met tieners die op zoek zijn naar hun plekje, hun eigen weg in dit leven? Hoe waarborg ik op de beste manier het fysieke en psychische welzijn van mijn kind? Vragen staat vrij, horen we vaak. We kunnen het over van alles en nog wat hebben, vragen stellen is de dag van vandaag zelfs vaak een teken van leergierigheid. En domme vragen bestaan niet. Alleen …, over bepaalde zaken vragen stellen is taboe. En wat nog erger is, bepaalde groepen boezemt het zelfs angst in.

Opvoeden is zo’n thema. Nochtans wordt iedereen die kinderen verwelkomt in een gezin ermee geconfronteerd. Vaak zijn het minder vanzelfsprekende vragen, en soms zijn het echt moeilijke vragen.

Dit decreet wil drempels wegwerken. Het beoogt het versterken en ondersteunen van mensen in de opvoeding van kinderen en jongeren. Bedoeling is om zowel ouders als aanstaande ouders, maar ook kinderen en de jongeren zelf sterk en weerbaar te maken. En daarvoor zal elke gemeente beschikken over een Huis van het Kind. Een Huis van het Kind, niet als een vooraf uitgetekend bouwpakket, wel een huis op maat. Op maat van wat op een bepaalde plaats nodig is, bepaald ook op basis van de vrijwilligheid van aanwezige partners. Met in het hart altijd wel het vaste gegeven van consultatiebureaus en opvoedingswinkels.

Ja, collega’s, ik weet dat sommigen dit te vrijblijvend vinden. De spanning tussen dwingend opleggen en maatwerk mogelijk maken blijft altijd moeilijk. Dit is een gegeven waarin evenwichten moeten worden gevonden. Dit decreet kiest duidelijk voor een groei van onderuit.

Het signaal daarbij is dat je als opvoeder niet alleen staat. Er bestaan tal van organisaties die zich op een of andere manier toeleggen op de opvoeding en dus het welzijn van onze kinderen en jongeren. Denk aan consultatiebureaus, opvoedingswinkels, centra voor leerlingenbegeleiding, centra voor algemeen welzijnswerk, enzovoort. Door het samenbrengen van alle deelthema’s waarin deze verschillende organisaties gespecialiseerd zijn, creëren we veelomvattende Huizen van het Kind en moeten mensen niet zelf op zoek gaan naar wie het meest gepaste antwoord kan geven op hun vraag.

Wie aanklopt bij een Huis van het Kind, vindt er verschillende partners onder één dak, daarom niet letterlijk. Het gaat om verschillende actoren die elkaar goed kennen en goed met elkaar communiceren. Op die manier kan zowel de eerste opvang als een eventuele doorverwijzing efficiënt verlopen. Bovendien kunnen kennis en expertise vlot worden uitgewisseld.

De kracht van de Huizen van het Kind bestaat ook in hun laagdrempelige, open en niet-stigmatiserende karakter. Zo heeft een cliënt absoluut de vrije keuze om binnen te lopen in het Huis van het Kind van zijn of haar keuze. Niemand is gebonden aan voorwaarden, de deur staat open voor iedereen. De Huizen van het Kind zijn er ook niet alleen voor wie geconfronteerd wordt met problemen. Men kan er terecht voor vrijblijvend advies en informatie, preventie en ontmoeting.

En zo, collega’s, heb ik meteen de drie pijlers genoemd waarop de Huizen van het Kind gebouwd zijn: opvoedingsondersteuning, preventieve gezondheidszorg en het bevorderen van de sociale cohesie. Deze drie elementen dragen bij tot het maximale welbevinden van gezinnen met kinderen en jongeren. Hierbij wordt ook steeds gewerkt vanuit de kracht van het gezin.

De preventieve gezinsondersteuning beoogt een breed basisaanbod voor elk gezin. Aansluitend bestaat een dienstverlening die meer toegespitst is op specifieke vragen en noden. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar maatschappelijk kwetsbare groepen. De Huizen van het Kind zijn zo ook een middel in de strijd tegen kinderarmoede en kunnen zeer ‘empowerend’ werken.

Naast het invullen van de zonet genoemde pijlers behoort het ook tot de opdracht van de Huizen van het Kind om in te spelen op de lokale noden en behoeften. Vanzelfsprekend sluit het aanbod dan ook zo veel mogelijk aan bij het lokale sociaal beleid, dat wordt vormgegeven door de lokale besturen. In die zin sluit het decreet zich aan bij de opmerking over het vraaggericht werken.

Uit de hoorzittingen is ook gebleken dat enkele bijsturingen het voorliggend ontwerp van decreet kunnen verbeteren. Zo kan het kan niet de bedoeling zijn om enkel verplichtingen op te leggen, waardoor de lokale dynamiek en het maatwerk worden beknot.

Ook samenwerking met lokale kinderopvanginitiatieven is van belang en overleg met het Intersectoraal Regionaal Overleg Jeugdhulp.

Bij amendement wordt een duidelijkere rol toegekend aan de lokale besturen, zonder nochtans te bepalen dat zij de enige mogelijk initiatiefnemers zijn. Als niemand anders het initiatief neemt tot de oprichting van een Huis van het Kind, dan is het aan het lokale bestuur om het initiatief te nemen.

Een ander amendement bepaalt ook uitdrukkelijk dat de Huizen van het Kind open staan voor de kinderen en jongeren zelf. In heel wat gemeenten zijn er geen jongerenadviescentra (JAC’s) actief. Het is echter belangrijk dat kinderen en jongeren toch ergens, laagdrempelig, terechtkunnen. Dat kan dan in de Huizen van het Kind.

Ook bij het uitwerken van de uitvoeringsbesluiten moeten nog enkele belangrijke keuzes worden gemaakt. Hierbij moet uiteraard de kwaliteit van bejegening en doorverwijzing vooropstaan. Bovenal moeten de Huizen van het Kind een makkelijke inloop zijn voor elk gezin.

Collega’s, vandaag is het Kinderrechtendag. Symbolisch dat dit decreet, dat in het belang van alle kinderen en jongeren naar de toekomst voor alle ouders en aanstaande ouders, kinderen en jongeren een laagdrempelig consultatie-, informatie- en ontmoetingshuis wil uitbouwen, hier vandaag ter stemming ligt. (Applaus bij CD&V)

De voorzitter

Mevrouw Dillen heeft het woord.

Mevrouw Marijke Dillen

Voorzitter, minister, collega’s, we bespreken vandaag een ontwerp van decreet dat in de plaats komt van het decreet van 2007 houdende de organisatie van de opvoedingsondersteuning. Ook al heeft het oude decreet de verdienste opvoedingsondersteuning op de lokale agenda te hebben geplaatst, dit decreet bleek in praktijk niet echt goed werkbaar. Het had verschillende pijnpunten en was voor verbetering vatbaar.

Dit is voor mijn fractie een positieve evolutie. Want inderdaad, in het verleden heb ik verschillende malen in de commissie gewezen op een aantal onvolkomenheden van het bestaande decreet. Projecten bijvoorbeeld, die naast elkaar werden georganiseerd zonder rekening te houden met het geheel, die vaak overlappend waren, wat aanleiding gaf tot heel veel verspilling van de kostbare middelen.

Minister, u wilt de onvolkomenheden wegwerken, en dat is inderdaad nodig. Hierin willen we u volgen. De doelstellingen op zich kunnen we als positief omschrijven. Preventieve gezondheidszorg, opvoedingsondersteuning en ontmoeting integreren in één geheel is positief. Samenwerking stemt inderdaad het aanbod beter op elkaar af. In de toelichting wordt dit in internationaal perspectief geplaatst en geeft u aan – en dat siert u – waar u de mosterd haalt. U verwijst naar de Family Centers die in sommige landen zeer uitgebouwd zijn, bijvoorbeeld in de noordse landen. Terecht werd er tijdens de hoorzittingen op gewezen dat u met buitenlandse vergelijkingen voorzichtig dient te zijn bij de vertaling hiervan naar Vlaanderen. In de Noorse landen bijvoorbeeld wordt er maximaal ingezet om jonge kinderen en ouders thuis te laten; in Vlaanderen doet het beleid alles om iedereen zo snel mogelijk aan het werk te krijgen. Deze vergelijking gaat dus niet echt op.

De doelstellingen van dit ontwerp van decreet zijn positief, maar bij de concrete uitwerking moeten wij toch vele vraagtekens plaatsen. Er blijven heel wat knelpunten waarvoor wij bij de bespreking in de commissie geen afdoend antwoord hebben gekregen.

Ik denk te kunnen stellen dat er heel wat gemiste kansen zijn en ik stel me ook vragen over de concrete uitwerking en uitvoering van dit ontwerp van decreet. Ik hoor collega Schryvers daarjuist heel enthousiast zeggen dat men in de sector niet kan wachten om het ontwerp van decreet over de opvoedingsondersteuning in de praktijk toe te passen. Collega’s, ik heb de hoorzittingen gevolgd. Ik heb ook nog eens de moeite gedaan om het verslag van de hoorzittingen volledig na te lezen. Ik heb iets anders gehoord tijdens de hoorzittingen. Binnen de sector is duidelijk niet iedereen even enthousiast als collega Schryvers wil laten uitschijnen.

De strategische adviesraad (SAR) geeft altijd adviezen bij ontwerpen van decreet. Bepaalde kritische punten worden dan aangehaald. Ik draai hier al een tijdje mee, maar ik heb het in het verleden het maar heel zelden meegemaakt dat adviezen zo vernietigend waren als het advies van de SAR bij dit ontwerp van decreet. Maar ook tijdens de hoorzittingen zijn heel wat pijnpunten aan bod gekomen.

Wat zijn en blijven al deze discussiepunten? Ik wens bij deze bespreking heel duidelijk te beklemtonen dat er geen budgettaire mogelijkheden zullen zijn om dit ontwerp van decreet in praktijk te realiseren. Tijdens de commissiebesprekingen hebben wij gevraagd naar de financiële impact van dit ontwerp van decreet en verschillende collega’s van de oppositie hebben deze vraag bijgetreden. Daarover hebben wij geen duidelijkheid gekregen. Stel, collega’s, dat de minister vandaag toch nog meer concretisering bij het budget zal geven, toch blijft de vraag of deze budgettaire middelen wel voorhanden zijn om dit ontwerp van decreet in praktijk te organiseren. Collega’s, mijn fractie gelooft daar absoluut niet in. Wij geloven nooit dat de Vlaamse Regering bereid zal zijn de nodige financiële middelen vrij te maken om werkelijk meer in te zetten op preventie, op het welzijn en de gezondheid en dus op de kwaliteit van leven van kinderen, jongeren en de gezinnen waarin ze opgroeien.

Dames en heren van de meerderheid, gelooft u nu echt dat de Vlaamse Regering vandaag wel middelen zal vrijmaken voor de uitvoering van dit ontwerp van decreet, waar het absoluut niet mogelijk is om grote doelstellingen uit het Vlaams regeerakkoord vandaag uit te voeren? Ik denk bijvoorbeeld aan de uitvoering van de sociale bescherming. Ik denk bijvoorbeeld aan de kindpremie, mijnheer Van Dijck, een van de grote dada’s van uw partij bij aanvang van deze legislatuur. Ik denk aan de maximumfactuur in de thuiszorg. Ik denk aan de Vlaamse hospitalisatieverzekering. Opnieuw durf ik naar de collega’s van de N-VA te kijken. Dan beperk ik mij tot enkele voorbeelden binnen het beleidsdomein Welzijn. Binnen de andere beleidsdomeinen kan ik nog talrijke andere voorbeelden aanhalen. Collega’s, het antwoord is klaar en duidelijk: neen. Deze Vlaamse Regering heeft geen middelen om hieraan te besteden en zal ook andere budgetten niet opzij schuiven om dit te realiseren.

Voorzitter, voor de zoveelste maal bespreken we in uw Vlaams Parlement een ontwerp van decreet waarvan iedereen, meerderheid en uiteraard oppositie, nu al weet dat er niet voldoende budgettaire middelen voor zijn om het te realiseren. Collega’s, ik wil klaar en duidelijk zijn, ik wil een duidelijk signaal geven. Mijn fractie weigert, hoe mooi de doelstellingen ook zijn, mee te werken aan een zoveelste ontwerp van decreet dat in theorie wel mooi mag ogen maar waarvan iedereen beseft dat het toch niet zal worden gerealiseerd. De facto zal dit ontwerp van decreet de zoveelste lege doos blijken, bij gebrek aan voldoende financiële middelen.

Daarenboven, collega’s, als we gaan kijken naar de lijst van prioriteiten van deze Vlaamse Regering zoals die naar voren komen in het Vlaams regeerakkoord, moet ik zeggen dat dit ontwerp van decreet niet de absolute topprioriteit moet zijn. Ik denk dat er in Vlaanderen andere noden zijn die prioritair moeten worden beantwoord.

Een tweede punt van kritiek is de haalbaarheid.

Mevrouw Dillen, u hebt het over de centen. Budgettaire middelen zijn natuurlijk belangrijk, maar men stelt het altijd voor alsof alles alleen afhangt van die middelen. Ik weiger dat zo voor te stellen. Alsof organisaties en instellingen alleen maar bereid zouden zijn om samen te werken en de schouders ergens onder te zetten als er plots een zak geld tegenover staat. Ik geloof ook nog in de goodwill. Ik geloof erin dat organisaties willen samenwerken met het oog op een doelstelling zonder dat daar veel budgettaire middelen gepaard mee moeten gaan. Dat hebben we ook uitdrukkelijk gehoord in de hoorzitting. Onder meer mevrouw Haerden van de opvoedingswinkel in Genk heeft daar gezegd dat, zelfs als er geen budgettaire middelen zijn, zij daarmee doorgaan, omdat ze erin geloven.

Mevrouw Mieke Vogels

Mevrouw Schryvers, ik bevestig wat u zegt, maar daar moet je geen decreet voor maken. Als vrijwilligers aan de basis willen samenwerken, dan lijkt een decreet me meer remmend dan motiverend te werken, zeker dit ontwerp van decreet, dat heel precies zegt welke organisaties moeten samenwerken om erkend te zijn als Huis van het Kind. Als vrijwilligers willen samenwerken, laat dan aan de basis groeien en bloeien wat er vandaag al bestaat.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Ik ben uiteraard blij de mening van Groen te horen, want die heb ik in de commissie niet gehoord. Dat vind ik eigenlijk ondermaats. (Opmerkingen van mevrouw Mieke Vogels)

Er bestaat op dit moment een decreet met betrekking tot de opvoedingswinkels en de opvoedingsondersteuning. We hebben dat decreet geëvalueerd. Daaruit is gebleken dat toch het initiatief moest worden genomen om dat bij te sturen. Te veel middelen gingen naar overleg en allerlei structuren. Er moest meer op het terrein kunnen worden ingezet. Hoe dan ook is een wetgevend initiatief dus noodzakelijk.

Als knooppunt van die samenwerking willen we iets herkenbaars plaatsen op het lokale niveau, dicht bij de lokale samenleving. We willen maatwerk toelaten, maar toch ook een soort voorspelbaarheid of een kwaliteitskenmerk geven aan die samenwerking, en daarvoor hebben we een kader nodig. We moeten ook bestaande financieringssystemen kunnen incorporeren in dat systeem. We moeten er ook voor zorgen dat, wanneer de Vlaamse overheid in de toekomst investeert in preventieve gezinsondersteuning, dat binnen bepaalde kaders en met bepaalde oogmerken gebeurt. Deze decreettekst moet daarvoor ook de contouren geven. Om die redenen is er dus wel degelijk een wetgevend initiatief nodig.

Het is ook niet zo dat daar op dit ogenblik geen geld voor wordt uitgetrokken, of dat er de jongste jaren in de opbouw van dit ontwerp van decreet niet in extra middelen zou zijn voorzien. Er zijn bijkomende middelen uitgetrokken, en die zijn ook al via besluiten operationeel gemaakt, om bijvoorbeeld de samenwerking in die Huizen van het Kind, meer bepaald in de kern ervan, de consultatiebureaus, met de huisartsen mogelijk te maken. Dat is een aanzienlijke budgettaire inspanning die we hebben gedaan, precies met de bedoeling in die Huizen van het Kind die samenwerking met de huisartsen in de eerste lijn beter te organiseren.

We hebben ook geld uitgetrokken om de organiserende besturen die het vrijwilligerswerk moeten organiseren, beter te financieren. Wellicht zullen we daar nog extra inspanningen voor moeten doen, want dat is een cruciale factor in het geheel. Volgend jaar stellen we enkele honderdduizenden euro’s ter beschikking om te bekijken hoe we een aantal zaken ook verder kunnen ondersteunen. We hebben ook al een aantal eenmalige initiatieven genomen precies om de consultatiebureaus in staat te stellen een aantal investeringen te doen.

Er is duidelijk een vraag om ook bestaande projectmatige financieringen een stabiele, structurele basis te geven. In de commissie is die vraag ook herhaaldelijk aan bod gekomen. Ook daarvoor zal het decreet uiteraard de basis leggen. Het is dus niet zo dat daar nog geen middelen voor zijn gemobiliseerd, en het is duidelijk dat dit een kader geeft voor die samenwerking, en om die middelen die men in de toekomst als stimulans bij die samenwerking wil inzetten te kanaliseren, om daar een dragend concept voor te maken.

In alle bescheidenheid, in de sector is er heel wat interesse. Er zijn al een aantal lokale samenwerkingsinitiatieven die zich Huis van het Kind willen gaan noemen.

Die hebben niet op het kader gewacht om zelf initiatieven te nemen. Op basis van de conceptnota die een tijd geleden tot stand is gebracht, hebben ze een initiatief genomen. Nu zijn ze in blijde verwachting van een kader dat hen toelaat het logo te gebruiken en hun samenwerking op het terrein in dat kader onder te brengen. Eerlijk gezegd, is het niet zo dat we met dit ontwerp van decreet geen stappen voorwaarts zullen zetten. 

We maken het herkenbaar. We behouden de mogelijkheid hier een lokale invulling aan te geven. We stabiliseren en brengen de consultatiebureaus, een krachtig instrument in Vlaanderen, hier structureel in onder. Op die manier kunnen we de preventieve gezinsondersteuning een belangrijke nieuwe dimensie geven die de komende jaren nog heel wat ontwikkelingen kan kennen.

Mevrouw Mieke Vogels

Ik wil iets verduidelijken. Tijdens de bespreking van het ontwerp van decreet in de commissie was ik niet aanwezig. Het Vlaams Parlement heeft me als gemeenschapssenator naar de Senaat afgevaardigd. Ik moest daar de besprekingen van de zesde staatshervorming bijwonen. 

Als lid van het Vlaams Parlement heb ik volstrekt het recht mijn mening tijdens een plenaire vergadering te verwoorden. Ik zal dat niet uitvoerig doen. Ik zal kort en krachtig mijn mening over dit ontwerp van decreet geven. 

Ik neem het niet dat hierover kleine opmerkingen worden gemaakt. Blijkbaar is het ondermaats dat ik de besprekingen in de commissie niet heb bijgewoond. Dat is politique politicienne. Het gaat om de inhoud. Ik was er niet omdat ik toen in de Senaat was. Ik zal hier straks mijn mening geven. (Applaus bij Open Vld en het Vlaams Belang)

Minister Jo Vandeurzen

Ik heb absoluut geen commentaar te geven op de aanwezigheid van het ene of het andere lid van het Vlaams Parlement in een commissie. Ik begrijp echter niet dat een fractie niet deelneemt aan de besprekingen van en de stemmingen over een ontwerp van decreet over een thema als de preventieve gezinsondersteuning. Eerlijk gezegd, heb ik daar wel een probleem mee.

De voorzitter

Mevrouw Van der Borght heeft het woord.

Mevrouw Vera Van der Borght

Voorzitter, hoewel ik mevrouw Vogels niet hoef te verdedigen, wil ik er toch op wijzen dat ze volgens mij wel op de hoorzitting aanwezig was. (Opmerkingen van mevrouw Marijke Dillen)

Minister, ik wil even op het begin van uw betoog ingaan. U hebt verklaard dat het decreet houdende de organisatie van opvoedingsondersteuning om bijsturingen vraagt. Er zijn een aantal hiaten. We zouden er de verslaggeving eens op moeten naslaan. Volgens mij zullen we vandaag vanuit de oppositie gelijkaardige punten van kritiek geven als toentertijd op dat decreet. We hadden hier onze grootste twijfels bij. Die twijfels zijn bewaarheid geworden. Volgens u moeten we het decreet bijsturen. U komt echter weer met iets nieuws af.

U hebt ook verklaard dat u in financiële ondersteuning voorziet. Ik wil even artikel 18 aanhalen. Daar staat duidelijk het volgende te lezen: “Binnen de beperking van de begrotingskredieten kan een subsidie toegekend worden aan elke actor die vernieuwend aanbod wil ontwikkelen op het vlak van preventieve gezinsondersteuning.” Er staat geen enkel duidelijk engagement met betrekking tot de verdere subsidiëring.

Minister Jo Vandeurzen

Tijdens een plenaire vergadering zal ik de leden van het Vlaams Parlement die het niet een zijn met het concept er niet van kunnen overtuigen dat ze van mening moeten veranderen. Daar ga ik dus ook niet aan beginnen. 

In dit ontwerp van decreet wordt de mogelijkheid gecreëerd om voor financiële ondersteuning te zorgen en om ook projecten te ondersteunen. Ook decreten, zoals het Woonzorgdecreet, die nog zijn goedgekeurd toen de fractie van mevrouw Van der Borght in de meerderheid zat, bevatten dergelijke bepalingen. Het is net de bedoeling die mogelijkheid te creëren. Het speelveld van de Vlaamse Regering is natuurlijk beperkt. Aan de mobilisering van middelen moet een finaliteit en een legitimering worden verbonden. De uitvoerende macht moet in het licht van de jaarlijks goed te keuren begroting nagaan wat mogelijk is. Die techniek is niet specifiek voor dit ontwerp van decreet uitgevonden.

De voorzitter

De heer Tommelein heeft het woord.

Voorzitter, ik wil even een andere oppositiefractie ondersteunen. Ik vind het ongehoord dat een lid van de Vlaamse Regering dergelijke opmerkingen maakt. Het is niet aan de Vlaamse Regering om uit te maken wie al dan niet in een commissie aanwezig moet zijn. Dat is de taak van de Vlaamse volksvertegenwoordigers zelf.

Minister Vandeurzen, deze fractie telt zeven verkozen leden en moet twaalf vaste commissies bemannen. Dit gaat in feite niet.

Met andere woorden, u zou moeten beseffen dat dat niet gaat. Ik heb de luxe van een grote fractie te hebben, maar het gaat nu over een kleine fractie. Zij kunnen niet op vijftien plaatsen tegelijk zijn. Dit ter ondersteuning van Groen. (Applaus bij Groen)

Mevrouw Marijke Dillen

Ik sluit me graag aan bij de terechte woorden van de heer Tommelein. Ik hoef mevrouw Vogels niet te verdedigen, zij is zelf meer dan mondig genoeg. Minister, het moet me wel van het hart dat u vandaag een beetje uit uw rol valt. Dit zijn we van u niet gewend. Andere ministers, dat is een ander verhaal. Zij niet altijd even vriendelijk en charmant ten opzichte van de parlementsleden. Van u zijn we dat niet gewoon!

U weet perfect dat mevrouw Vogels een heel trouw lid van de commissie is. Ze is wel met het dossier begaan. Ze was aanwezig op de hoorzittingen. Ze heeft de reden opgegeven waarom ze er niet was bij de bespreking van het ontwerp van decreet. Het hadden even goed andere redenen kunnen zijn, dat maakt niet uit, wij hebben aan u geen verantwoording af te leggen. Ook een trouw lid is af en toe in de onmogelijkheid om deze commissie bij te wonen.

Naar aanleiding van mijn eerste punt van kritiek had ik verwacht dat u vandaag een klein tipje van de sluier zou oplichten. Ik dacht dat u de financiële kant van de zaak een klein beetje zou toelichten. Ik dacht dat u het budget zou noemen. U zegt wel dat er al middelen uitgetrokken zijn.

De heer De Wever is hier op dit moment niet, hij is hier getrouw niet aanwezig. Van hem mogen we dat zeggen. Mevrouw Vogels is een trouw lid van de commissie. (Opmerkingen van de heer Matthias Diependaele)

Ik ben hier altijd, dus ik mag dat zeggen.

Ik zou graag hebben dat de heer De Wever hier eens was! Hij zou heel graag horen dat de Vlaamse Regering voor dit ontwerp van decreet ineens wel budgetten ter beschikking heeft, maar voor het grote paradepaard van uw partij niet, mijnheer Diependaele. U vindt in mijn fractie een bondgenoot voor het decreet Vlaamse sociale bescherming, voor de kindpremie en voor de hospitalisatieverzekering. Wij zijn bondgenoten op die punten. En daar is geen geld voor. Dat is on hold gezet. Lees er de beleidsbrief Welzijn van dit jaar maar op na. (Applaus van de heer Jan Penris)

Er zijn ook nog andere uitspraken door leden van de meerderheid.

Dit zou bij de meerderheid en bij uw fractie tot tandengeknars moeten leiden. Dit is absoluut onaanvaardbaar. Voor zoiets belangrijks als de sociale bescherming is er geen geld. Tot daar het financiële aspect van dit dossier.

Bij de haalbaarheid heeft mevrouw Schryvers mij onderbroken. Zij sprak over heel veel interesse op het terrein, de minister haalde dat ook aan, kijk maar naar de hoorzitting met de dame die in Genk aan opvoedingsondersteuning doet. Haar naam ontsnapt me. Mevrouw Vogels heeft dat terecht benoemd als vrijwilligerswerk. Het is heel goed dat zoiets van onderuit geregeld wordt, dat moeten wij niet allemaal decretaal gaan regelen op het terrein.

Wij hebben dus vragen bij de haalbaarheid. Opnieuw omvat dit ontwerp van decreet zeer algemeen geformuleerde bepalingen die heel vaag en onduidelijk zijn en juridisch van nul en generlei waarde. Met een decreet moet men op het terrein wel kunnen werken. Het zijn mooie formuleringen, minister. Schitterende intenties. Ik steun u daarin. Maar wat betekent dit concreet? Hoe gaat u dit in praktijk vertalen? Deze bepalingen missen de scherpte en de helderheid eigen aan een normatieve tekst. In een decreet horen prozaïsche omschrijvingen niet thuis. Een decreet moet concreet zijn, werkbaar in praktijk en indien nodig juridisch afdwingbaar. Een decreet is wetgevend werk en wanneer er zich moeilijkheden voordoen, moet een jurist hiermee aan de slag kunnen. Met dit decreet is dit niet mogelijk.

Ik sta hier niet alleen met deze kritiek. Ik bevind me in zeer goed gezelschap, mensen die op juridisch vlak veel meer knowhow in huis hebben dan ikzelf als bescheiden jurist, en dat gezelschap is de Raad van State.

Ook de Raad van State is zeer duidelijk. Ik citeer: ”Niet-normatieve bepalingen horen niet thuis in een normatieve tekst, wat een decreet dient te zijn. Het weergeven van de visie waarin een decretale regeling kadert of het omschrijven van de doelstelling van een dergelijke regeling moet in de memorie van toelichting worden opgenomen, niet in het decreet.”

Dit zijn niet mijn woorden, het zijn de woorden van eminente rechtsgeleerden uit de Raad van State. Minister, ik denk dat u het advies van de Raad van State moet volgen. Ofwel moet u al die bepalingen onderbrengen in de memorie van toelichting, ofwel moet u ze herformuleren zodat hun normatieve inhoud duidelijk tot uiting komt.

Dit is het zoveelste ontwerp van kaderdecreet waar de zaken heel prozaïsch en algemeen worden omschreven, maar de meeste van die zaken moeten wel worden geregeld in uitvoeringsbesluiten. Minister, ik begrijp dat de Vlaamse Regering in de tekst van een decreet niet alles tot de laatste komma kan regelen, maar hier zou u toch wat concreter moeten zijn. Heel veel moet worden geregeld in uitvoeringsbesluiten. Mijn vraag in de commissiebesprekingen komt van het terrein zelf en werd door bijna alle sprekers in de hoorzitting geformuleerd. Ze dringen erop aan dat ze worden betrokken bij de voorbereiding van de uitvoeringsbesluiten. Bestaat daartoe bereidheid, minister?

Onze fractie heeft nog veel andere punten van kritiek. De meeste punten zijn tijdens de hoorzitting aan bod gekomen en ik zal ze hier niet in extenso herhalen. Ik ga ervan uit dat het zeer goede verslag, opgesteld door onze schitterende commissiesecretaris, als een geheel bij deze bespreking wordt beschouwd.

Voor Kind en Gezin legt dit ontwerp van decreet vooral de klemtoon op samenwerkingsverbanden tussen de actoren die door Kind en Gezin worden erkend of gesubsidieerd. Er zou ook een samenwerking mogelijk moeten zijn met alle andere relevante actoren en dat zou decretaal moeten worden verankerd. Dat gebeurt vandaag niet.

Voor preventieve gezinsondersteuning ligt de klemtoon hoofdzakelijk op de Huizen van het Kind. Het is betreurenswaardig dat het hoofdzakelijk daartoe wordt beperkt, en dat andere belangrijke actoren, zoals de sector van de kinderopvang, de CAW’s, de CLB’s, de bijzondere jeugdzorg, huisartsen, kinderartsen, enzovoort niet bij het preventieve concept worden betrokken.

We moeten ons ook afvragen wat preventie in het kader van dit ontwerp van decreet juist inhoudt. In artikel 2 krijgen we een heel uitgebreide lijst van definities van alle bepalingen die in het ontwerp van decreet voorkomen. Het begrip preventie wordt nauwelijks gedefinieerd. Nochtans is dat essentieel, want preventieve gezinsondersteuning heeft verschillende pijlers.

De strategische adviesraad mist in de visie op preventieve gezinsondersteuning een goed uitgewerkte positionering van informele ondersteuning en een visie op het samenspel tussen formele en informele ondersteuning. Ik denk dat dat terecht is.

We hebben ook veel vragen over de Huizen van het Kind, in de eerste plaats op het vlak van de subsidiëring, en in de tweede plaats op het vlak van de naam. Ik vrees dat ‘Huis van het Kind’ veel te beperkend zal worden geïnterpreteerd.

Minister, u moet zich ervan bewust zijn dat jongeren vanaf 12 of 13 jaar zich niet meer laten omschrijven als een kind. Zij beschouwen dat zelfs als vrij beledigend. Het gaat over jongeren, jongvolwassenen, adolescenten. Iemand van 13, 14 of 15 jaar kunt u onmogelijk nog omschrijven als een kind. Die naam is te beperkend. Bovendien schept die naam ook veel te hoge verwachtingen. Ik verwijs daarvoor naar de heel interessante uiteenzetting van het Netwerk tegen Armoede. U kunt het verslag van de hoorzittingen erop nalezen.

Ook wat het werkingsgebied van de Huizen van het Kind betreft, blijven er veel onduidelijkheden. Terecht wil ik hier opnieuw vragen waarom er niet wordt voorzien in één gezinsloket. Die vraag is al meermaals gesteld tijdens besprekingen in de commissie en tijdens de hoorzittingen. Bij één gezinsloket kunnen ouders terecht met hun vragen over de ontwikkeling, gezondheid en opvoeding van hun kind en met vele andere belangrijke vragen waar ouders vaak mee zitten, met name over onderwijs, wonen, opvang, inkomen, vrije tijd enzovoort. Dat is hier een gemiste kans.

In dit ontwerp van decreet is ook de aandacht voor kansarme gezinnen terecht.  Maar tijdens de hoorzitting werd terecht gewaarschuwd voor een te sterke focus op kansarme gezinnen. Ik verwijs onder andere naar de boeiende uiteenzetting van de Gezinsbond. Zij stellen terecht dat een te specifiek of categoriaal aanbod het risico inhoudt van een dubbele drempel: gezinnen in kansarmoede krijgen de indruk dat het vertrouwen in hun opvoedingscapaciteiten niet erg groot is, en ‘modale’ gezinnen voelen zich niet welkom in de huizen met hun vragen en problemen. Het is heel belangrijk een duidelijk signaal te geven dat de focus niet enkel en alleen mag liggen op kansarme gezinnen.

Ook over de leeftijd is er nog heel veel onduidelijkheid. Ik heb al gezegd dat de benaming een fout signaal is wanneer we alle kinderen, jongvolwassenen, adolescenten, tieners willen bereiken. Wanneer we naar het ontwerp van decreet zelf kijken, wordt er ook een verkeerd signaal gegeven en wordt veel te sterk de nadruk gelegd op het feit dat het hier gaat om gezinsondersteuning voor jonge gezinnen. Dat kan worden afgeleid uit de veel te sterke link met de consultatiebureaus en de beperkte opdracht van Kind en Gezin ten aanzien van jonge kinderen.

Een laatste punt van kritiek betreft de vragen die worden gesteld bij de plaats van het vrijwilligerswerk. Dit ontwerp van decreet rekent, en terecht – daarin vindt u in mij een bondgenoot – op vrijwilligers, maar beperkt hun rol tot het onthaal van ouders in de consultatiebureaus. En dat betreur ik. Dat is absoluut onvoldoende, sterker nog, dat is een echte verarming. Vrijwilligers kunnen in heel dit verhaal een veel uitgebreidere rol spelen. En toch wordt er geen rekening gehouden met hun expertise. Het is essentieel dat de inzet en betrokkenheid van vrijwilligers en het sociocultureel werk niet wordt verengd tot het in dienst staan van de andere partners binnen de huizen, wat vandaag wel het geval is. Er moet respect zijn voor de eigen manier van werken en de eigen cultuur. Die vrijwilligerscultuur verschilt soms grondig van de cultuur van professionelen in de welzijnssector.

Ik denk, collega’s, dat vrijwilligers in de praktijk voldoende hebben bewezen waar ze goed in zijn. Ik wil dan ook een pleidooi houden om hen mee in te schakelen in dit ontwerp van decreet en in de opvoedingsondersteuning.

Voorzitter, collega’s, ik kom tot mijn besluit. Ik heb een aantal knelpunten iets uitgebreider en een aantal andere heel beperkt aangehaald. Ik durf zelfs zeggen dat ik niet volledig ben. Ik verwijs nogmaals naar de vele adviezen en hoorzittingen, waaruit nog verschillende andere aspecten aan bod zijn gekomen op het vlak van kritiek die eveneens boeiend en interessant zijn. Eén zaak is duidelijk: dit ontwerp van decreet faalt op verschillende punten. Dit ontwerp van decreet is absoluut onvoldragen. Het is zeker niet voldoende klaar om te laten goedkeuren door een meerderheid.

Nu, collega’s van de meerderheid, ik maak me geen illusies: u zult allemaal vandaag slaafs, zoals we gewoon zijn van de meerderheid – is het niet mevrouw Vogels? – op het groene knopje duwen omdat de partijdiscipline u allemaal commandeert om de meerderheid te volgen.

Nu, denk toch nog maar eens even heel goed na. Durf alstublieft de moed aan de dag te leggen om een duidelijk signaal te geven. De doelstellingen zijn zeer goed en worden door ons allemaal, meerderheid en oppositie, onderschreven. De wijze waarop er invulling aan wordt gegeven, is echter absoluut onvoldragen.

Minister, dames en heren van de meerderheid, maak uw huiswerk opnieuw. Pas dit ontwerp van decreet aan verschillende terechte punten van kritiek aan. Minister, ik zeg niet dat alle punten van kritiek zoals ze in de hoorzitting naar voren zijn gekomen volledig terecht zijn. Maar maak er een voldragen tekst van en kom dan opnieuw naar dit Vlaams Parlement zodat wij dit allemaal eensgezind, meerderheid en oppositie, kunnen steunen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mevrouw Dillen, ik hoor u graag zeggen dat u eigenlijk wel achter de doelstellingen van dit ontwerp van decreet staat. U voegt er echter aan toe dat het volgens u niet goed werd uitgewerkt. Maar ik vind dat u wat tegenstrijdig bent. U noemt een aantal partners, waaronder de CAW’s en CLB’s, van wie u de betrokkenheid veel te beperkt vindt. Daaruit leid ik af dat u vindt dat ze verplicht veel meer gelinkt moeten zijn. Drie elementen zijn wel verplicht: het consultatiebureau, de opvoedingsondersteuning en de ontmoetingsfunctie, de sociale cohesie. Daarover zegt u dat de link veel te sterk is, met andere woorden dat er geen verplichting zou mogen zijn.

Hoe ziet u dat dan? Welke zouden er verplicht moeten zijn en welke vrijblijvend, zo verplicht dat het niet meer werkbaar is en er geen maatwerk meer mogelijk is op het terrein of zo vrijblijvend dat u kunt zeggen: “Dit huis is een lege doos”?

Mevrouw Marijke Dillen

Mevrouw Schryvers, u bent niet correct. Er is een groot verschil tussen de mooie doelstellingen en de manier waarop die hier worden uitgewerkt. Ik heb de tekst van het ontwerp van decreet niet bij. Ik herinner mij de artikelen 5 en 6. Wie kan daar nu tegen zijn? Dat is hele mooie proza, een heel mooie doelstelling. Ik denk dat niemand met iets of wat gezond verstand daartegen kan zijn. Ik verwijs nogmaals naar het advies van de Raad van State, die ter zake heel duidelijk is en met behoorlijk wat gezag spreekt. Er is een groot verschil tussen een mooie doelstelling en de manier waarop die wordt uitgewerkt.

De voorzitter heeft mij zonet de tekst van het ontwerp van decreet bezorgd, waarvoor dank. Ik ga die tekst hier echter niet voorlezen.

De link is zeer duidelijk bij de Huizen van het Kind. De Huizen van het Kind zijn gekoppeld aan Kind en Gezin. Dat is een van de fundamentele punten van kritiek. Door te werken met de consultatiebureaus maakt u onmiddellijk de link met Kind en Gezin, de Huizen van het Kind enzovoort. Om die reden heb ik gezegd dat het daardoor veel te hard eenzijdig gefocust is op jonge kinderen.

De overgang naar de CLB’s is nergens uitgewerkt. Dat is nochtans bijzonder belangrijk. Het grootste deel van de gezinnen met jonge kinderen doet een beroep op Kind en Gezin in de consultatiebureaus, maar dat blijft beperkt tot kinderen van maximum 2,5 of 3 jaar. Maar dan gaan de kinderen naar school en moeten ze ook worden opgevolgd. Een aantal van de kinderen die vandaag in problematische opvoedingssituaties belanden, moeten eigenlijk een beroep kunnen doen op de CLB’s. Daarvoor is geen enkele link ingebouwd, en dat is een gemiste kans.

Mevrouw Schryvers, dat zijn niet enkel mijn woorden. Ik heb niet de pretentie om te zeggen wat wel goed is en wat niet op het terrein. Al die woorden zijn stuk voor stuk door verschillende sprekers in de hoorzittingen geuit. Ik verwijs naar de Gezinsbond, het Netwerk tegen Armoede en de kinderrechtencommissaris, toch belangrijke partners in dit verhaal die kritiek hebben gegeven tijdens de hoorzittingen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mevrouw Dillen, wie verbiedt die link te maken? We hebben overal gesteld dat die linken er wel degelijk kunnen zijn, maar we laten in dit ontwerp van decreet na om ze verplicht allemaal te benoemen voor elk individueel Huis van het Kind, juist om op het terrein die organisatie op maat mogelijk te maken. Die vraag horen we hier heel vaak en hebben we meegenomen uit de hoorzittingen. Er wordt gevraagd om niet te veel verplicht op te nemen en het te laten groeien van onderuit, zodat partners die lokaal actief zijn ook effectief kunnen samenwerken.

Mevrouw Marijke Dillen

Ik vind het heel mooi hoe u dit blijft ondersteunen, mevrouw Schryvers, maar van twee dingen één: ofwel laat u iedereen de vrijheid, dan ook voor de heel jonge kinderen, ofwel betrekt u iedereen inclusief CLB’s bij dit ontwerp van decreet. U richt u eenzijdig op Kind en Gezin. Dat blijkt heel duidelijk uit dit ontwerp van decreet.

Mevrouw Dillen, we hebben uitdrukkelijk gehoord, ook in de toelichting van de minister, dat er meerdere functies zijn. We ondersteunen dat er meer functies worden opgenomen, juist omdat het een Huis van het Kind moet zijn en niet een Huis van Kind en Gezin. Die consultatiebureaus zijn de kern, juist om de meest kwetsbare kinderen te bereiken, omdat die consultatiebureaus nu eenmaal zeer veel gezinnen met kleine kinderen bereiken. Dat is het meest drempelverlagend voor het Huis van het Kind.

Mevrouw Marijke Dillen

De consultatiebureaus komen inderdaad in contact met de meest kwetsbaren, mevrouw Schryvers, maar kijk eens naar de cijfers van degenen die zich in een problematische opvoedingssituatie bevinden. Er zijn kleine kinderen bij, maar vanaf 2,5 jaar zitten we ook met een hele grote groep die even kwetsbaar zijn als die kleine kinderen en daarvoor worden hier geen uitdrukkelijke verbindingen gemaakt. Zij hebben ook een nood. De CLB’s en het onderwijs kunnen een heel belangrijke rol spelen. Mevrouw Schryvers, u zegt dat u het bewust niet het Huis van Kind en Gezin hebt genoemd. Dat moest er nog maar aan mankeren!

U haalt mijn woorden uit hun verband. Ik heb gezegd dat de minister heeft gezegd dat het een Huis van het Kind moet zijn en niet een Huis van Kind en Gezin. Het gaat niet over de naam, mevrouw Dillen. Er zijn inderdaad ook ouders die opvoedingsvragen hebben over grotere kinderen of jongeren die zelf een vraag hebben. Wij hopen dat, als de ouders de weg hebben gevonden naar het Huis van het Kind toen de kinderen kleiner waren, ze de weg ten minste kennen.

Mevrouw Marijke Dillen

Ik rond af, voorzitter, want ik kan mevrouw Schryvers toch niet overtuigen. (Opmerkingen van mevrouw Katrien Schryvers)

Lees de tekst van de hoorzittingen erop na, mevrouw Schryvers, ik zuig dat niet uit mijn duim. U bent bijzonder naïef. Er is een nood voor kleine kinderen, maar nog een veel grotere nood voor kinderen ouder dan 2,5 jaar en zij kunnen nu nergens terecht. Maak u niet te veel illusies. De ouders gaan wel naar de consultatiebureaus van Kind en Gezin voor de inentingen, omdat ze er nu eenmaal toe verplicht zijn, omdat ze liever geen ereloon aan een kinderarts betalen en het daar gratis is.

Zij zouden wel gek zijn om dat niet te doen. Die kinderen worden opgevolgd tot wanneer zij 2,5 jaar zijn. Maar zodra die verplichting om te laten inenten en om te laten controleren, wegvalt, wordt dat een zeer kwetsbare groep die met dit ontwerp van decreet geen bescherming krijgt. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Van der Borght heeft het woord.

Mevrouw Vera Van der Borght

Voorzitter, minister, collega's, het is de taak van de meerderheid om het beleid te steunen en te verdedigen, maar het is onze taak om dat beleid met een kritisch oog te bekijken. In de koffiekamer zei ik het nog tegen de heer Caron: er is iets triests aan het parlementaire werk. Wie tot de meerderheid behoort, kan met een inbreng nog iets realiseren. Maar als iemand van de oppositie hetzelfde verhaal brengt, vangt die bot. Dat mag ons evenwel niet tegenhouden om onze opmerkingen te formuleren.

Collega’s, het aanbod van het welzijnslandschap is een oerwoud. Wie hulp zoekt, moet een meer dan serieuze studie wijden aan welke hulp waar beschikbaar is, en tegen welke prijs en voorwaarden. Het is voorwaar geen simpele opdracht. Twee legislaturen geleden werd daarom het Sociaal Huis opgericht. Het had als opdracht om mensen wegwijs te maken in dit oerwoud, netwerken uit te bouwen opdat doorverwijzing gericht kon gebeuren en er gemakkelijk contact kon worden opgenomen. Het Sociaal Huis diende om ervoor te zorgen dat mensen hun uitleg maar één keer moesten doen, en vooral, om de mensen te begeleiden bij de uitoefening van hun rechten in alle mogelijke beleidsdomeinen.

Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat deze regering vooral niet heeft willen gebruikmaken van het bestaande concept ‘Sociaal Huis’. Laat ons eerlijk zijn: CD&V is het Sociaal Huis nooit genegen geweest, wellicht omdat het destijds door de paars-groene regering werd ingevoerd, maar goed. U vindt dat het Sociaal Huis vooral een informerende en doorverwijzende taak heeft, die los staat van het preventieve. Maar eerlijk gezegd, wij zien het als een gemiste opportuniteit dat de dienstverlening van de Huizen van het Kind niet wordt geïntegreerd in een opwaardering van het concept van het Sociaal Huis. Deze Vlaamse Regering is ondertussen de ‘gelukkige’ auteur van woonzorgnetwerken in de ouderenzorg, van lokale loketten kinderopvang, en met het voorliggend decreet komen daar nu ook de Huizen van het Kind bij. En dan hebben we het nog niet over de toegangspoort in het kader van de Integrale Jeugdhulp of de toegangspoorten in de sector van de personen met een handicap.

Kunt u nog volgen? Na het oerwoud van de zorgvormen dreigt nu een oerwoud van loketten en huizen. Misschien hebben we binnenkort een loket nodig om ons te gidsen tussen al die loketten en huizen. Of misschien is dit een idee voor mevrouw Lieten: een lokettenverkenner om ons te gidsen naar het juiste loket. De belangrijkste slachtoffers van dit overaanbod zijn precies die mensen die de doelgroep zouden moeten zijn van deze loketten en huizen. Het zijn die mensen die hun weg in het oerwoud van de hulpverlening niet vinden: de mensen met de laagste opleiding, de mensen in armoede, de mensen die het minst toegang hebben tot internet en dus tot informatie, mensen die omwille van gevoelens van wantrouwen de stap naar de hulpverlening moeilijk of niet durven te zetten.

Dit ontwerp van decreet, dat de Huizen van het Kind opricht als verzamelplaats voor alle initiatieven inzake preventieve kinderzorg en gezinsondersteuning, was het voorwerp van een hoorzitting. Mevrouw Dillen verwees er uitvoerig naar.

Het leverde ons een paar interessante vaststellingen op vanuit het werkveld. Heel wat sprekers, minister, maakten duidelijk dat het Huis van het Kind alleen mogelijk is als er ook financiële middelen worden voor uitgetrokken – liefst Vlaamse middelen, want de steden en gemeenten en de participerende welzijns- en socio-culturele organisaties hebben geen middelen meer om mee te financieren.

Kind en Preventie, een organisatie die u zeker niet onbekend is, heeft gewoonweg verklaard dat zij hun ambities hebben teruggeplooid op hun corebusiness. Meer kunnen zij zich financieel niet meer permitteren. Ook de VVSG vraagt financiële steun.

De toelichting bij het ontwerp van decreet maakt echter duidelijk dat ook de Vlaamse overheid geen extra middelen heeft om de Huizen op een ernstige wijze financieel te ondersteunen. De toekomst van de Huizen van het Kind oogt dan ook niet hoopgevend.

Volgens het Vlaams Netwerk tegen Armoede is dit ontwerp van decreet niet de oplossing in de strijd tegen kinderarmoede. De afgelopen jaren, collega’s van sp.a, heeft minister Lieten nochtans steeds verwezen naar de Huizen van het Kind als beschermende factor voor kinderen in armoede in hun prilste levensjaren. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat kinderen in de eerste levensjaren door de armoede waarin ze leven een enorme achterstand oplopen in hun ontwikkeling.

Het Netwerk van Armoede heeft ons met onze voeten weer op de grond gezet. Zij geloven niet dat de Huizen van het Kind kinderen in armoede zullen behoeden voor achterstand. Ze wijzen er ten eerste op dat de Huizen van het Kind aanbodgestuurd zullen blijven werken. En inderdaad, we zien in dit ontwerp van decreet geen incentives waardoor de door Kind en Gezin aangestuurde componenten hun werkwijze zouden omschakelen naar een vraaggestuurde werking.

Ten tweede: de consultatiebureaus worden geroemd omdat ze 90 procent van de kinderen in hun eerste jaar levensjaar bereiken. Zij zouden dus de grote toeleiders van gezinnen naar de Huizen van het Kind zijn, ook van gezinnen in armoede. Maar wat blijkt? Gezinnen in armoede gaan niet met plezier naar de consultatiebureaus of de opvoedingswinkels. Ze gaan omdat ze denken dat het moet of omdat er gratis vaccins zijn. Ze gaan er niet naartoe omdat ze zich begrepen voelen, en het laat zich raden dat ze er niet erg voor te vinden zullen zijn om de andere componenten van het Huis met een bezoek te vereren, zeker niet als er over hen dossiers worden bijgehouden.

En dan is er ten derde nog de grote vraag in welke mate gezinnen tout court, en arme gezinnen in het bijzonder, betrokken zullen worden bij de werking en het aanbod van de Huizen van het Kind. Behalve één piepklein, in vaagheid uitblinkend zinnetje, hebben we daarover niets gevonden in het ontwerp van decreet. En dat is jammer, collega’s, want het was een belangrijk kenmerk van bijvoorbeeld de Family Centers in het Verenigd Koninkrijk, die als voorbeeld dienden voor onze Huizen van het Kind.

Minister, consultatiebureaus op zich zijn filosofisch en ideologisch niet neutraal, wat u daar ook over beweert. Huizen van het Kind moeten nochtans alle gezinnen kunnen ontvangen, ook die die een politieke en filosofische overtuiging hebben die niet aansluit bij de christelijke of socialistische zuil. De Huizen van het Kind zullen in de praktijk organisaties herbergen die werken rond het gezin, maar waarvan je wel lid moet zijn om van een voordeeltarief te kunnen genieten. Ik denk bijvoorbeeld aan bepaalde mutualiteiten. Eerlijk, ziet u dat functioneren? Ziet u op die manier een universeel aanbod ontstaan? Tenzij we allemaal lid worden van dezelfde mutualiteit, natuurlijk. Maar daar vrees ik voor. Hoe gaat men aan mensen uitleggen dat het aanbod voor de ene goedkoper is dan voor de andere? Of zal samen met het aanbod ook lidmaatschap van bepaalde organisaties worden aangeboden?

Minister, hoeveel meer overleg gaat de overheid nog organiseren? Tijdens de hoorzittingen werd door de laatste spreker opgeroepen om de overlegtafels te rationaliseren.

Het zijn overlegtafels waarvan de participanten vaak dezelfde zijn. Ze melden ons trouwens dat ze allemaal met hun wagen achter elkaar van het ene overleg naar het andere rijden. Ze melden ons dat ze niet altijd de meerwaarde voor de cliënt zien van al die uren overleg. Ze slorpen daarenboven heel veel tijd van de zorgverleners op, ze slorpen heel veel geld op en erger nog: ze slorpen heel wat van de tijd op die nodig is voor de zorg en ondersteuning van mensen met noden.

Onze analyse van dit decreet is negatief. De amendementen van de meerderheid, die in de commissie Welzijn op tafel werden gelegd, hebben onze fundamentele kritieken niet kunnen weerleggen. We hebben nood aan één loket waar iedereen terechtkan en dat goed bemand is. Collega’s, dat loket bestaat vandaag: het Sociaal Huis. Ondanks uw bezwaren blijven wij daarin geloven. We hebben nood aan een stop van overlegtafels en bepleiten eerder een serieuze rationalisatie en een heroriëntering van die middelen naar zorg en ondersteuning. We hebben nood aan een vraaggestuurd beleid, een werkmethode voor consultatiebureaus, opvoedingswinkels en andere welzijnsactoren waar mensen in vertrouwen naartoe kunnen gaan, waar ze het gevoel hebben dat ze er met hun verhaal terechtkunnen, waar ze het gevoel hebben versterkt naar buiten te komen, waar ze andere ouders kunnen ontmoeten en als gelijken spreken over de uitdagingen inzake opvoeding, waar ze niet moeten vrezen dat hun dossier de weg naar de bijzondere jeugdzorg zal vinden.

Ik wil besluiten met een citaat uit de hoorzitting: “Is dit een realistisch decreet? Neen: er zijn nog te veel onduidelijkheden. Vergelijk het met een bouwopdracht: de architect laat een ontwerp goedkeuren zonder kennis van stabiliteit van de grond, zonder enig zicht op het beschikbaar budget van het project en zonder een haalbaarheidsstudie van de uit te voeren werken door diverse aannemers en toekomstige bewoners.” Minister, collega’s, ik denk dat dit citaat alles zegt en ik kijk met veel interesse uit naar de stemming door de meerderheid over dit onrealistische ontwerp van decreet. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

Mevrouw De Wachter heeft het woord.

Mevrouw Else De Wachter

Voorzitter, minister, collega’s, ik wil eerst en vooral mevrouw De Vits uitdrukkelijk verontschuldigen. Zij heeft voor ons dit ontwerp van decreet van zeer nabij opgevolgd maar zij kon hier vandaag spijtig genoeg niet aanwezig zijn.

Minister, het ontwerp van decreet waarover wij ons vandaag buigen, heeft volgens mijn fractie meerdere voordelen. In onze samenleving is het noodzakelijk voor ouders, kinderen en aanstaande ouders om ondersteuning en begeleiding te krijgen bij de opvoeding. Bij het decreet Opvoedingsondersteuning, de voorloper van de preventieve gezinsondersteuning, was die ondersteuning ontoereikend. Een upgrade is dan ook broodnodig, minister. Die upgrade is er vandaag met het ontwerp van decreet houdende de organisatie van preventieve gezinsondersteuning en de Huizen van het Kind.

Die Huizen scheppen duidelijkheid in de wirwar van structuren die er vandaag toch is. Gezinnen krijgen een duidelijker beeld van waar ze terecht kunnen en waar niet. Bovendien krijgen de lokale besturen autonomie inzake de invulling van die zorgbehoefte. Dat is noodzakelijk want, zoals u allen weet, opvoeden en opgroeien zijn geen eenvoudige zaak. Mensen kunnen met betrekking tot dit onderwerp met behoorlijk veel vragen en problemen zitten. Het is dan ook nogal wiedes dat men snel duidelijkheid creëert over de ondersteuning die lokale besturen kunnen verwachten als ze overgaan tot de oprichting van de Huizen van het Kind. Die mogelijkheid staat ingeschreven in het ontwerp van decreet.

Tegelijkertijd laat het ontwerp van decreet voldoende ruimte. Een Huis van het Kind moet geen bakstenen huis worden. Daar is ook tijdens de hoorzittingen naar verwezen. Integendeel, in een aantal gevallen is het zelfs aangewezen om niet alle diensten onder één dak samen te brengen.

Lokaal moet worden nagegaan hoe men dit verder kan invullen. Ook mevrouw Schryvers heeft er al naar verwezen.

Minister, wij willen toch wijzen op een aantal drempels die er kunnen zijn en waar we rekening mee moeten houden bij de implementatie van dit decreet. De drempels kunnen van allerlei aard zijn. We denken hier bijvoorbeeld aan de neiging om alles te registreren. We moeten daar voorzichtig mee omgaan. Het registreren van allerhande persoonsgegevens kan toch vaak net drempelverhogend werken. Daarom de uitdrukkelijke vraag om na te gaan welke gegevens men nodig heeft om een goede werking te waarborgen van een initiatief in de preventieve gezinsondersteuning en welke impact het opvragen van die gegevens heeft op de deelname van een aantal mensen of groepen. Als we dit niet nauwkeurig doen, dan vrees ik dat bepaalde mensen zullen proberen ‘onder de radar te blijven’. En dan zijn wij als beleidsmakers zeker niet bezig met een betere preventieve gezinsondersteuning, integendeel.

We hebben in de commissie ook uitvoerig gediscussieerd over de naam ‘Huis van het Kind’. We vreesden een beetje dat de naam ertoe zou leiden dat jongeren zich niet aangesproken zouden voelen door een ‘Huis van het Kind’. Vandaar ook dat we een amendement hebben ingediend om deze jongeren zeker en vast niet te vergeten.

Minister, tot slot willen we nog enkele aanbevelingen doen. Zorg ervoor dat men op het terrein niet met oogkleppen loopt, maar nagaat welke andere partners er lokaal ook actief zijn. Men hoeft niet allemaal subsidies van Kind en Gezin te krijgen om zijn zeg te kunnen hebben binnen de Huizen van het Kind. Een zo breed mogelijke groep actoren is daarom onontbeerlijk. Er is daarnet tijdens de discussie ook al naar verwezen. Zorg voor een goede evaluatie. Het ontwerp van decreet is eigenlijk een gevolg van de evaluatie van het vorige decreet. We moeten die werkwijze absoluut voortzetten, maar misschien toch wel met iets meer snelheid. Vandaag herzien we een decreet van zes jaar geleden, waarvan we in de evaluatie toch een aantal fundamentele problemen zagen. We moeten nu niet opnieuw zes jaar wachten om dit nieuwe decreet te evalueren. En hou hierbij – ik heb het al eerder gezegd – vooral rekening met de meest kwetsbaren in onze samenleving, voor wie de drempel vaak iets te hoog is.

Mevrouw Vera Van der Borght

Mevrouw De Wachter, misschien is het mij ontgaan, maar u zegt dat er in de commissie is gedebatteerd en van gedachten is gewisseld over de vraag of ‘Huizen van het Kind’ wel de juiste naam is. Ik kan me dat niet herinneren. Ik zal het verslag nog eens nalezen. Het is toch niet besproken op het meerderheidsoverleg?

Mevrouw Else De Wachter

Dit is duidelijk in de commissie aan bod gekomen, misschien moet u het verslag nog eens nalezen.

Minister Jo Vandeurzen

Ik wil bevestigen dat mevrouw De Wachter gelijk heeft. Er is zelfs vrij uitvoerig over gesproken omdat de vraag of een andere naam meer aangewezen is, al een paar keer geopperd is. De naam was al een beetje uitgetest bij gezinnen en op het terrein was er al zo veel met die naam gewerkt dat we gezegd hebben de naam te behouden. Bovendien bieden de Huizen van het Kind geen hulpverlening en willen zich als zodanig ook niet profileren, integendeel. De verenigingen waar armen het woord nemen, hebben er echt op aangedrongen dat de huizen laagdrempelig zouden zijn en zeker niet stigmatiserend. Kind en Gezin heeft dan besloten om bij de naam te blijven. Het is ook juist dat de fractie van mevrouw De Wachter heeft aangedrongen om heel duidelijk te zijn en geen dubbelzinnigheid te laten over de actieradius die er zou moeten zijn. Bij de amendering is er dan ook duidelijkheid gebracht.

De voorzitter

Mevrouw Stevens heeft het woord.

Mevrouw Helga Stevens

Voorzitter, minister, collega’s, ik zal het zeer kort houden. Ik wil niet herhalen wat de vorige sprekers al hebben meegegeven. Uiteraard staat de N-VA volledig achter dit ontwerp van decreet. Het is echt heel belangrijk om ouders te ondersteunen in hun opvoedingstaak. Het is immers niet altijd gemakkelijk om kinderen op te voeden in een snel veranderende maatschappelijke context.

Ik wil de collega’s eraan herinneren dat de taak van de consultatiebureaus in dezen te beperkt is, want het is leeftijdsgebonden. Daarom denk ik dat het goed is om te kunnen werken met de Huizen van het Kind. De werking van de huidige Huizen van het Kind laat zien dat deze Huizen een belangrijke meerwaarde hebben. Bij deze organisaties kunnen ouders en andere opvoedingsverantwoordelijken terecht op eenvoudige wijze, zonder al te veel formaliteiten, voor tips en ondersteuning in verband met opvoeding.

Het is belangrijk dat deze Huizen van het Kind geen eilanden worden die op zichzelf staan, maar echt fungeren als een dynamisch centraal punt waar alle partners die met kinderen en jongeren bezig zijn, elkaar kunnen vinden ter ondersteuning van ouders die met vragen zitten.

De Huizen van het Kind zijn ook bedoeld voor kinderen en jongeren en niet alleen voor hun ouders en opvoedingsverantwoordelijken. Het zal nog een heel grote uitdaging zijn voor de Huizen van het Kind om de kinderen en de jongeren zelf te bereiken, en niet enkel de ouders. Zeker de kinderen en jongeren moeten hun weg vinden naar de Huizen van het Kind.

Initiatieven zoals die in Oostende bewijzen dat met heel veel creativiteit en enthousiasme een brede groep kan worden bereikt. Het zal een uitdaging zijn om ouders te bereiken die met vragen zitten maar niet kunnen terugvallen op sterke netwerken. Onder andere in Oostende bewijst men dat het kan. Minister, ons doel is bereikt als de Huizen van het Kind ertoe bijdragen dat de informele netwerken worden versterkt en dat ouders sterker in hun schoenen staan wat betreft de opvoeding van kinderen en jongeren. Uiteraard staan deze Huizen van het Kind niet op zichzelf, ze moeten samen met andere actoren zoals de school, het CLB, de Opvoedingslijn en andere lokale partners gezien worden. Het is dus heel belangrijk om alle evoluties goed op te volgen zodat de Huizen van het Kind hun decretale rol optimaal kunnen blijven invullen. Vanuit de N-VA-fractie zullen wij deze evoluties zeker opvolgen, zodat de doelstellingen van het decreet effectief worden bereikt. (Applaus bij de N-VA)

Mevrouw Mieke Vogels

Voorzitter, minister, collega’s, ik wil kort de mening van mijn fractie over dit ontwerp van decreet geven. Die sluit voor een groot stuk aan bij wat de andere leden van de oppositie al naar voren hebben gebracht. Het is trouwens niet alleen door de leden van de oppositie naar voren gebracht, maar ook door de Strategische Adviesraad Welzijn, Gezondheid en Gezin.

Een eerste opmerking betreft inderdaad dat we hier voor de zoveelste keer een kaderdecreet goedkeuren dat onderlijnt hoe belangrijk een en ander is, maar vervolgens zegt dat er geen middelen voorhanden zijn.

Minister, u zult zeggen dat dit in het verleden ook gebeurde. Dat klopt. Er zijn aan het einde van de legislatuur wel eens ontwerpen van kaderdecreet goedgekeurd, maar het grote verschil is dat die ontwerpen gingen over de grote principiële inhoud van hoe een beleid er in de toekomst moest uitzien. In uw ontwerp van kaderdecreet worden niet alleen de principes, die soms vaag zijn, uitgetekend, maar vooral ook de structuur, zodat het, als er ooit middelen zijn, duidelijk is in welke structuur die zullen terechtkomen.

Ik heb hier in het verleden heroïsche debatten gevoerd met mevrouw Trees Merckx en mevrouw Ceysens over wat opvoedingsondersteuning nu is, nietwaar, mevrouw Ceysens? Als ik echter dit ontwerp lees, dan moet ik zeggen dat ik het nog altijd niet weet. Wat verstaat deze regering onder preventieve gezinsondersteuning? Ik stel dat ook vast bij een aantal adviesraden. Ik heb de indruk dat in dit ontwerp onder preventieve opvoedingsondersteuning wordt verstaan wat Kind en Gezin eronder verstaat.

Dit ontwerp van decreet miskent ook alle inspanningen die de gemeenten in het verleden hebben gedaan met betrekking tot preventieve gezinsondersteuning. Mevrouw Schryvers, u vroeg eerder wie dan wel moet worden verplicht tot deelname. Ik vind dat Vlaanderen dat niet mag opleggen. Dat moet worden overgelaten aan de lokale realiteit. De partners op het lokale niveau zullen anders zijn in Zoersel dan in Antwerpen. De noden in Antwerpen zullen verschillen van die in Zoersel. Leg dus niet van bovenaf op wie hier minstens bij betrokken moet zijn. Trouwens, ik wil hier nogmaals herhalen dat Vlaamse decreten vaker lokale samenwerking hypothekeren dan dat ze die bevorderen.

Dankzij de amendementen van de meerderheid is voor een deel ingegaan op de opmerkingen van de VVSG. De lokale besturen zijn ingeschreven in de decreten. De gemeente kan het initiatief nemen als andere partners dat initiatief niet nemen. Die gemeenten zullen altijd afhankelijk blijven van die andere partners. Ze kunnen wel het initiatief nemen, maar de minimale voorwaarden om het label van Huis van het Kind te kunnen dragen, blijven wel dezelfde. Er moet namelijk minstens een consultatiebureau aanwezig zijn. Er moeten minstens consulenten van het regioteam van Kind en Gezin aanwezig zijn. Met andere woorden, de sleutel blijft in handen van de consultatiebureaus, die in feite verzuilde organisaties zijn op het terrein. Wat dat betreft, ben ik het eens met mevrouw Van der Borght.

Ondanks alle theorieën over multidisciplinaire samenwerking zie ik dat er weinig of geen dwarsverbanden worden gelegd met andere organisaties op het terrein. Het kán allemaal. Het kán met het CLB. Het kán met het algemeen welzijnswerk, maar het initiatief blijft bij Kind en Gezin en bij de consultatiebureaus. Het zal duidelijk zijn dat de samenwerking die onder het mom van de plaatselijke invulling op het terrein zal ontstaan, niet die samenwerking zal zijn die een antwoord geeft op de nood of de vraag die het grootst is in een bepaalde gemeente of zorgregio. Het zal gaan over een samenwerking tussen partners die goed overeenkomen en al dan niet binnen dezelfde zuil samenwerken.

In de hulpverlening hebben we tien jaar gewerkt aan de integrale jeugdhulpverlening. Daarbij waren het algemeen welzijnswerk, de bijzondere jeugdbijstand, het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH), de geestelijke gezondheidszorg, de CLB’s en Kind en Gezin betrokken. Men zou kunnen denken dat men voor de pendant van die hulpverlening, de preventie, dan uitgaat van diezelfde partners. Niet dus.

De CLB’s bijvoorbeeld behoren tot een andere bevoegdheid. Hoewel ze preventief nochtans een belangrijke rol vervullen, zijn ze helemaal niet bij de opmaak van dit ontwerp van decreet betrokken.
Ten zesde, door dit model rond Kind en Gezin op te bouwen, blijft de focus op de preventieve gezondheidszorg liggen. Natuurlijk zijn hier ontmoetingen en dergelijke aan toegevoegd. De minister heeft tijdens zijn eigen inleiding echter vooral op vaccinatie en op obesitas gefocust. Dit zijn specifieke problemen voor de preventieve gezondheidszorg.

Door de focus op Kind en Gezin te leggen, richt dit ontwerp van decreet zich vooral op jonge kinderen. Het is maar de vraag in welke mate preventieve gezinsondersteuning zal worden geboden aan ouders met oudere kinderen of met pubers.

Ten zevende, de rol van de vrijwilligers is hier al aan bod gekomen. Ik vind het heel erg dat een organisatie als de Gezinsbond, die al decennialang met vrijwilligers voor opvoedingsondersteuning zorgt en die, eventueel op de grote steden na, nog overal belangrijke kernen heeft, niet structureel bij de Huizen van het Kind is betrokken. Ik vind dat erg. Daaruit blijkt dat het ontwerp van decreet op maat van Kind en Gezin is geschreven. Hierbij wordt vooral gekeken naar de vrijwilligers die bij de weging assisteren en die kinderen helpen aan en uit te kleden. De brede vrijwilligerswerking die de Gezinsbond met betrekking tot de opvoedingsondersteuning organiseert en die, zoals ik al eerder heb gesteld, zeer waardevol is, is niet structureel bij dit ontwerp van decreet betrokken.

Ten achtste, ik heb de indruk dat hier veel over de strijd tegen kinderarmoede wordt gesproken. Buiten de inloopteams die eventueel bij de Huizen van het Kind zullen worden betrokken, zie ik in dit model geen enkele hefboom om met betrekking tot kinderarmoede iets specifieks te ondernemen.

Dit kan ook alleen als vanuit de lokale realiteit wordt vertrokken. We moeten initiatieven de kans bieden van onderuit te groeien. We moeten vertrouwen schenken aan de organisaties die op het terrein actief zijn in plaats van top-down een structuur te projecteren. Die structuur is eenheidsworst en zal misschien in sommige gemeenten werken. In andere gemeenten zal dat totaal niet het geval zijn.

Voorzitter, u hebt het allicht al begrepen. Wij zullen dit ontwerp van decreet niet goedkeuren.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Voorzitter, ik dank iedereen voor het debat. Ik zal het ontwerp van decreet nog even trachten samen te vatten.

Met dit ontwerp van decreet trachten we de samenwerking met betrekking tot het thema preventieve gezinsondersteuning lokaal een duidelijk aanspreekpunt te geven. Dit herkenbaar knooppunt, dat over een eigen logo beschikt, moet voor kwaliteitsbewaking zorgen ten aanzien van al wat op het terrein vanuit verschillende invalshoeken bestaat en zich tot opvoedingsondersteuning, preventieve gezondheidszorg of psychosociale begeleiding van gezinnen richt. We proberen al die zaken conceptueel de opportuniteit te bieden om laagdrempelig beschikbaar te zijn.

Omwille van die laagdrempeligheid is het niet de bedoeling dit hulpverlening te noemen. Dit mag er ook niet mee worden geassocieerd. Natuurlijk moeten er relaties, afspraken en netwerken met de hulpverlening worden gemaakt, maar in de eerste plaats moet dit laagdrempeliger zijn. Dit concept situeert zich binnen wat aan de hulpverlening voorafgaat.

Veel organisaties en de strategische adviesraad hebben bedenkingen geformuleerd. Ten gronde hebben ze verklaard het concept genegen te zijn. Zeker uit het advies van de strategische adviesraad blijkt echter dat er een zeker ongeduld of een zekere ambitie is om veel imperatiever op te treden en veel strikter op te leggen wie daar deel van moet uitmaken. Op die manier zou de vrijblijvendheid minder ruimte krijgen.

Die afweging is gemaakt. Bij de voorbereiding zijn de CLB’s en veel andere actoren geconsulteerd. Voor wie eraan twijfelt, bij de uitvoeringsbesluiten zal er ook overleg zijn met de verenigingen waar armen het woord nemen. Dat wordt allemaal georganiseerd.

Er is gekozen voor een concept dat ruimte laat voor lokale invulling. We gaan niet van bovenaf bepalen wat allemaal kan of niet kan. Als we het anders hadden gedaan, zouden we zeker de kritiek gekregen hebben dat de Vlaamse keizer-koster weer bezig is. Inderdaad, we proberen echt in te zetten op het vertrouwen in organisaties en lokale besturen. Heel wat van hen zijn al behoorlijk aan het investeren. Ze gaan van dit concept gebruik maken. Ze zien er een opportuniteit in. Ze krijgen alle ruimte om dat in te vullen en in te bedden in het bestaande lokale overleg. Ze krijgen de kans om zelf te bepalen hoe dat zich gaat verhouden tot het sociale huis, het loket kinderopvang enzovoort. We proberen het echt aan hen over te laten.

Natuurlijk hebben we rekening gehouden met het advies van de Raad van State inzake de privacyregels. Een deel van de opmerkingen van de raad ging over begripsverduidelijking. Daar zijn we in de memorie van toelichting op ingegaan. We zijn ervan uitgegaan dat alle betrokken sectoren hun eigen regels hebben met betrekking tot de privacyregels en de toepassing ervan. Laat ons de registratie die Kind en Gezin nog kan doen, uitsluitend doelgericht en doelgebonden maken. Iedereen die eraan gaat meewerken, valt onder zijn eigen bestaande regels inzake privacy. Mevrouw De Vits drukte die zorg uit in de commissie. Ik kan alleen maar bevestigen dat daarmee rekening is gehouden.

Het gamma aan vrijwilligers dat aan bod kan komen, zal zeer breed zijn. Het gaat niet alleen over de vrijwilligers in de consultatiebureaus maar ook en expliciet die van de Gezinsbond. Die zijn uiteraard ook betrokken en zullen lokaal die rol met overtuiging mee opnemen. Het gaat ook over vrijwilligers die we al mobiliseren in tal van projecten. Ik denk aan het project dat in Leuven is gestart, maar dat we nu over heel Vlaanderen uitrollen, waar moeders andere moeders steunen. Dit past heel sterk in de vermaatschappelijking en zet sterk in op vrijwilligerswerking. Zo zijn er nog. We gaan ons natuurlijk niet beperken tot de vrijwilligers die verbonden zijn aan de consultatiebureaus.

Het is geen kwestie van de zuilen. We gaan naar een regionale invulling. De consultatiebureaus zullen de neutraliteit moeten respecteren. In het ontwerp van decreet staat dat de universele toegankelijkheid moet worden gegarandeerd. Het concept zal dat bewaken.

Ik ben ervan overtuigd dat we met het ontwerp van decreet juist op tijd de dynamiek op het terrein kunnen ondersteunen. Aan het kwaliteitslabel ‘Huis van het Kind’ kunnen we een goede basis geven. Ik ben heel aangenaam verrast door de enorme gedrevenheid bij de vrijwilligers, lokale besturen en tal van organisaties om van de opportuniteit gebruik te maken om samen te werken en dat is de kern van de zaak. We streven naar meer samenwerking en afstemming op de vraag. Dit betekent een geweldige opportuniteit voor het gezinsbeleid. De amendementen scherpen dat nog aan.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2012-13, nr. 2131/4)

– De artikelen 1 tot en met 26 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.