U bent hier

De voorzitter

Zowel minister Smet als minister Crevits kan op uw vragen antwoorden.

De heer Keulen heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, ministers, de mobiliteitsbarometer van de Vlaamse Automobilistenbond (VAB) geeft aan dat de kennis inzake verkeer en mobiliteit en alles wat daarmee samenhangt, verkeersveiligheid en verkeerssituaties, bij leerlingen van het algemeen secundair onderwijs (aso) ondermaats is.

Vandaag is iedereen verkeersdeelnemer en verkeersgebruiker en iedereen weet dat kennis van het verkeer ook bijdraagt tot meer verkeersdiscipline, tot een verkeersveiliger gedrag en wie weet tot het sparen van mensenlevens.

Bij Onderwijs gebaren ze een beetje van krommenaas. Men zegt daar dat het te maken heeft met vakoverschrijdende eindtermen voor verkeer en mobiliteit en dat die niet voldoende specifiek zijn, maar dat alles in orde komt op het ogenblik dat het secundair onderwijs wordt hervormd. Die hervorming is al heel lang aangekondigd en wordt gebruikt als schild waar Onderwijs zich veelvuldig achter verschuilt.

Ministers, bevoegd voor mobiliteit en onderwijs, wat gaat u doen om de kennis inzake verkeer en mobiliteit te vergroten bij de leerlingen van het aso?

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Voorzitter, ministers, de situatie is geschetst. We mogen toch wel wat verrast zijn door de bevraging die VAB heeft gedaan. Het feit dat vijf collega’s hierover een vraag stellen, zegt ook al genoeg. Laat het duidelijk zijn: ik ben de laatste om te zeggen dat het onderwijs alles alleen moet oplossen.

Verkeersopvoeding – en het woord zegt het zelf – is een zaak van het onderwijs, maar ook van de ouders, van de gemeenschap, van jeugdbewegingen enzovoort. Minister, in hoeverre willen wij een goede implementatie van de eindtermen controleren? Ik wil toch wel één boodschap meegeven. Het is al een hele tijd geleden dat ik zelf nog in het onderwijs stond, de tijd van voor de eindtermen. We hadden toen een studiedag over verkeersopvoeding. De wijze inspecteur die ons kwam onderrichten, gebruikte volgende vergelijking waardoor hij het belang van een degelijke verkeersopvoeding duidelijk onderstreepte. Als een kind een dt-fout maakt of een fout maakt bij een vermenigvuldiging, dan kan dat wel erg zijn en wordt een punt afgetrokken. Als dat kind naar huis rijdt en een inschattingsfout in het verkeer maakt of een fout maakt tegen de verkeersregels, dan kan dat dramatische gevolgen hebben.

Ministers, op welke manier kunnen wij deze problematiek en het onderricht hierover verstrakken, verstrengen en beter opvolgen?

De voorzitter

Mevrouw Brouwers heeft het woord.

Ministers, maandag werd de VAB-mobiliteitsbarometer naar buiten gebracht. Voor de scholieren van het secundair onderwijs was het resultaat toch wel erg pover. Vooral de scholieren van het aso bleken niet goed te zijn op het vlak van mobiliteit en verkeersveiligheid. Ze kennen misschien wel de regeltjes maar de algemene competentie om zich goed te bewegen in het verkeer, om de juiste keuzes te maken, ontbreekt. Er werd zelfs aangegeven dat slechts een op vijf van de leerlingen mobiliteits- en verkeerseducatie had gehad. Ik vond dat een onthutsend cijfer.

Er waren onmiddellijk reacties. De Vlaamse Stichting Verkeerskunde zei dat de eindtermen een lege doos waren; dat laat ik voor hun rekening. Ook het katholiek onderwijs reageerde en zei dat er zoveel vakoverschrijdende eindtermen zijn dat het onmogelijk is om die allemaal perfect te behalen. Men zei dus eigenlijk dat er een overbevraging is van de scholen en dat de autonomie van de scholen toch ook moet worden gerespecteerd.

Het antwoord van de minister van Onderwijs in De Morgen was in die zin een beetje hoopgevend want hij zei dat de vakoverschrijdende eindtermen bij de hervorming van het secundair onderwijs deels zullen worden vervangen door competenties of minimumdoelstellingen die meer op competenties zullen zijn gebaseerd. Voor CD&V lijkt dat een goede piste, maar de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) heeft ook al aangegeven dat ze de huidige vakoverschrijdende eindtermen daarin deels willen terugvinden.

Mijn vraag is: hoe zal dat worden aangepakt? Kunt u aangeven hoe die competentiegericht geformuleerde minimumdoelen de scholen er daadwerkelijk toe zullen aanzetten om nog aan een beter verkeerseducatieaanbod te doen en dat zelf concreet te kunnen invullen?

De voorzitter

De heer Reekmans heeft het woord.

De heer Peter Reekmans

Voorzitter, minister, ik denk dat we over dit probleem kunnen blijven palaveren, maar we kunnen één ding vaststellen: er is een verschil tussen de theorie en de praktijk. De oorspronkelijke doelstellingen die u had, waren goed, waren positief. Anderzijds moeten we ook de vraag durven stellen wat ons onderwijs nog allemaal moet aanbieden en wat het verplicht moet aanbieden. Een dag heeft maar een bepaald aantal uren, en er moeten ook nog andere lessen worden gegeven.

De studie van de VAB toont voor mij deels aan dat we een duidelijk onderscheid moeten maken tussen het lager onderwijs en het secundair onderwijs. Wat het lager onderwijs betreft, werkt het omdat het een heel andere vorm van verkeersopvoeding is. Het is de eerste vorm van verkeersopvoeding. Er wordt voor een groot stuk ook gewerkt met verkeersparken. Wij hebben er zelf zo een in onze gemeente. Het secundair onderwijs is er vooral in de steden, waar de problematiek bestaat dat er minder wordt samengewerkt. Minister, u hebt de reglementering en de stimuli reeds jaren geleden ingevoerd om uw doelstellingen te bereiken. Dat werkt niet. Ik denk dat het nu uw taak is als minister van Mobiliteit om onze jeugd verkeersweerbaarder te maken, te kijken hoe scholen kunnen samenwerken en hoe dat ook netoverschrijdend kan worden aangeboden. Ik denk dat dat de enige mogelijkheid is om hieruit te geraken. Als we daar niet op inzetten, dan staan we hier over zeven jaar opnieuw om over een volgende studie te zeggen dat het niet lukt.

Ik kan ook deels begrijpen waarom het niet lukt. Die leraars van de secundaire scholen moeten ook nog andere vakken aanleren. De ene vindt economie belangrijk, de andere vindt verkeer belangrijk. Het is allemaal belangrijk, maar om onze kinderen zo weerbaar mogelijk te maken, moeten er initiatieven komen, niet alleen een financiële stimulans van 750 euro voor de scholen, maar een initiatief om netoverschrijdend samen te werken.

De voorzitter

De heer D’Hulster heeft het woord.

De heer Steve D'Hulster

Ministers, we moeten in de file staan om een vraag aan jullie te stellen. Ik ben van Mortsel, op die manier voel ik me hier heel goed thuis.

De collega’s hebben het aangeraakt. De bevraging van de VAB legt een aantal pijnpunten bloot. De belangrijkste vaststelling voor mezelf is dat er een missing link is in de eerste jaren van het middelbaar onderwijs, terwijl dat een heel belangrijke leeftijd is. Jongeren gaan voor het eerst alleen met de fiets naar school of kopen zich een motorfiets waarmee ze zich in het verkeer begeven. Op het einde van het middelbaar onderwijs heb je dan het rijbewijs op school. Tussen de lagere school en het laatste jaar middelbaar onderwijs ontbreekt er iets. Minister, ik hoop dat we daar nog een aantal zaken in kunnen veranderen.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Collega’s, jullie stellen met vijf een vraag over deze thematiek. Minister Smet en ikzelf vonden de thematiek belangrijk genoeg om beiden aanwezig te zijn. We komen immers op een snijpunt tussen Onderwijs en Mobiliteit.

Verkeersopvoeding moeten mensen levenslang proberen te koesteren. Als we enquêtes houden bij 30- tot 50-jarigen over de kennis van de verkeersregels, blijkt die nog al eens tegen te vallen. Hier in concreto zitten we met een doelgroep van 12 tot 18 jaar, die sowieso in de ongevallenstatistieken oververtegenwoordigd is. Het is een zeer kwetsbare groep, die vanaf het eerste middelbaar autonoom naar school gaat. Ze gaan alleen met de fiets, alleen te voet of met het openbaar vervoer.

Ze komen uit de lagere school. Daar moeten ze zeer resultaatgerichte zaken kennen. Ze moeten zich zelfstandig te voet en met de fiets kunnen bewegen in het verkeer. Vanaf de middelbare school is dat gedaan. Er is inderdaad een vakoverschrijdende eindterm. Toen ik bevoegd werd voor de mobiliteit in 2009, stelde ik vast dat er, wat het educatief aanbod betreft, niets bestond. Het enige wat bestond, was het rijbewijs op school. Je kon je theoretisch rijbewijs halen, en in een aantal gevallen ook je praktisch, dat weet collega D’Hulster zeer goed. Voor de rest was er niets.

In 2009 hebben we een nieuw pakket uitgewerkt, namelijk Slimme Mobiele Scholen (SMS), dat voor elk jaar van het secundair onderwijs, mobiliteitseducatief onderwijs op maat aanreikt. Je hebt dus voor elk jaar van het secundair onderwijs pakketten waarop scholen kunnen inpikken.

We hebben de cijfers vanmiddag nog eens opgezocht: vandaag doet een op drie Vlaamse secundaire scholen daaraan mee. Het is wel toevallig dat VAB stelt dat twee op drie scholen het niet zo goed doen, maar dat zal toeval zijn. De kwaliteit van het aangebodene is goed tot zeer goed.

Mijnheer Reekmans, u had het over 750 euro. We geven de scholen die daaraan willen deelnemen, 750 euro om hen te helpen, zodat ze dat op een goede manier zouden kunnen doen. Het aanbod om een goede mobiliteitseducatie, om die vaardigheden aan te reiken, bestaat dus vandaag voor elk jaar van het secundair onderwijs.

Voor de tweede graad is er bovendien de Mobibus, die rondrijdt en waarop leerlingen allerhande zaken kunnen testen. Voor de derde graad hebben we de verkeersgetuigen. Dat zijn jongeren of ouderen die zelf het slachtoffer zijn geweest van een ongeval en die nu overal in de Vlaamse scholen gaan spreken. Morgen zullen we de eerste resultaten geven van het effect daarvan op jongeren.

Het aanbod vanuit mijn bevoegdheid Mobiliteit is er dus. Het lijkt me ook onze plicht ervoor te zorgen dat dit aanbod er is. Eigenlijk zouden veel meer scholen daar gebruik van moeten maken. Dat is een pijnpunt. Daar moeten we inderdaad voor zorgen. Dat is de grote uitdaging: hoe kunnen we de scholen stimuleren om nog veel meer gebruik te maken van dat bestaande aanbod, naast, natuurlijk, potentiële wijzigingen aan de vakoverschrijdende eindtermen? Daarover zal minister Smet het hebben.

De voorzitter

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Sta me toe eerst de huidige situatie te schetsen. In het basisonderwijs zit dit in de eindtermen. Daar moeten de kinderen de verkeersregels voor fietsers en voetgangers kennen. Ze moeten ook een vertrouwde weg – meestal de weg van thuis naar school, of eventueel een andere weg – in veilige omstandigheden alleen kunnen afleggen. Dat betekent dat de scholen dat resultaat ook moeten halen. Dat zijn hun minimumdoelen.

In het secundair onderwijs is het anders: daar zit het in de vakoverschrijdende eindtermen. Die zijn op zich goed geformuleerd: leerlingen moeten de verkeersreglementering kunnen toepassen en het openbaar vervoer alleen zelfstandig kunnen gebruiken. Alleen is er bij de vakoverschrijdende eindtermen, in tegenstelling tot bij de vakgebonden eindtermen, sprake van inspanningsverbintenissen. Dat betekent dat de scholen die doelstelling moeten bereiken, maar zoals gezegd zijn er heel wat vakoverschrijdende eindtermen. Scholen krijgen wat meer marge dan bij de vakgebonden eindtermen.

Mijnheer Keulen, ik verwijs naar de hele hervorming van het secundair onderwijs. We verschuilen ons daar niet achter. Dat wordt op dit moment uitgerold. Er is al over een deel beslist. In heel die hervorming is afgesproken dat we het onderscheid tussen vakgebonden en vakoverschrijdende eindtermen gaan afschaffen, net omdat voor die vakoverschrijdende eindtermen het eigendomsprobleem rijst: in welk vak moet dat worden gegeven, welke leerkracht is daar verantwoordelijk voor? Dan loopt het in heel wat scholen duidelijk mis. In het masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs hebben we resoluut gekozen voor competentiegericht geformuleerde eindtermen. Dat betekent dat men kennis, vaardigheden en attitudes als resultaten, als competenties gaat definiëren. De scholen moeten die resultaten bereiken. De oefening om dat om te zetten, is trouwens nu gaande. Dat is niet iets waarmee men over vijf jaar zal beginnen.

Daarnaast is op 22 oktober een andere belangrijke oefening begonnen, ook in het kader van de uitvoering van dat masterplan. Er wordt heel veel gevraagd van de scholen. Mevrouw Brouwers heeft daar terecht naar verwezen. Vandaag is het verkeerseducatie, morgen seksuele opvoeding, overmorgen EHBO-lessen, de volgende dag gezonde voeding, dan voldoende bewegen … Er komt altijd heel veel bij, en het klopt dat kinderen ook nog de klassieke dingen moeten leren. U zult me niet horen zeggen dat ze dat allemaal niet moeten kunnen.

We hebben dus een debat nodig over de basisvorming: wat vindt deze samenleving – en uiteraard ook het parlement, dat in dezen het laatste woord zal hebben – dat er op school qua basisvorming moet worden gegeven? Minister Crevits en ikzelf vinden allebei dat verkeerseducatie tot die basisvorming behoort. Zij heeft de redenen daarvoor nog eens heel duidelijk opgesomd. We moeten echter wel een breder maatschappelijk debat hebben over wat daar al dan niet toe behoort. Dat debat is met alle stakeholders opgestart op 22 oktober. De komende maanden zal dat worden bekeken. Uiteindelijk zal dat in het parlement worden beslecht.

Minister Crevits heeft terecht aangehaald dat de overheid in principe geen lesmateriaal aanmaakt. Dat doen we niet. Sinds 2009 heeft het Agentschap Wegen en Verkeer echter al heel wat materiaal ontwikkeld. De onderwijsadministratie is hier nauw bij betrokken. Ook de Vlaamse Stichting Verkeerskunde en anderen hebben al hele pakketten uitgewerkt. Die pakketten zijn ter beschikking gesteld van de scholen.

Ons enige antwoord op dit ogenblik is dat we de scholen moeten sensibiliseren. Vervolgens moeten we een debat over de basisvorming voeren. Dat moet gebeuren. Ten tijde van de financieel-economische crisis ging het over de financieel-economische geletterdheid. De muzische geletterdheid is een ander voorbeeld. De vraag is steeds wat tot de basisvorming behoort. Wat ons beiden betreft, is het antwoord duidelijk. De verkeerseducatie moet hier een onderdeel van zijn.

Vervolgens moeten we de competentiegerichte eindtermen formuleren. Op dat ogenblik worden de scholen verplicht die eindtermen te halen. De onderwijsinspectie kan dan, meer dan nu het geval is, nagaan wat al dan niet wordt bereikt.

Het is duidelijk dat beleidsmatig een flinke tand bij moet worden gestoken. De mobiliteitsbarometer van de Vlaamse Automobilistenbond (VAB) is op dat vlak overduidelijk. Dit geldt zeker voor de leerlingen van het aso. Het gaat hier in feite om de universiteit van het leven. Iedereen heeft dit elke dag nodig. Ik wil geen afbreuk doen aan de verdiensten van individuele vakken, zoals biologie of scheikunde. Met betrekking tot mensen die niet voor een wetenschappelijke toekomst kiezen, kunnen we hier vraagtekens bij plaatsen. We zijn echter allemaal deelnemers aan en gebruikers van het verkeer. Het is belangrijk dat we op dat vlak een robuuste basiskennis hebben.

Er moet me nog iets anders van het hart. Ik vind het schrijnend dat we die vaststellingen pas kunnen doen als een ngo, een middenveldorganisatie als de VAB, een soort syndicaat van automobilisten en van mensen die zich op de weg verplaatsen, in de plaats van de overheid feiten vaststelt. Wij investeren vanuit de beleidsdomeinen Onderwijs, Mobiliteit en Openbare Werken in deze materie. De overheid zou hier zelf voor moeten kunnen zorgen. We zouden die kennis van leerlingen waar dan ook geregeld moeten monitoren en opvolgen.

In de eerste plaats wil ik beide ministers danken voor hun uitvoerig antwoord. Ik heb hieruit geleerd dat dit een van de weinige domeinen is waarop de overheid ook stof aanbiedt. Het komt er niet enkel op aan op het vlak van het aanbod een tandje bij te steken. Het gaat er zelfs nog meer om het feit over te brengen dat het aanbod bestaat. We moeten oproepen dit aanbod te aanvaarden.

Natuurlijk kan voor alles een pleidooi worden gehouden. Zoals ik daarnet al heb gesteld, gaat het hier om het gedrag in het verkeer en bijgevolg om het leven en overleven van mensen.

In elk geval moeten we dit beter op de competenties kunnen afstemmen. Zoals in de vraagstelling al naar voren is gekomen, vormt de eerste en de tweede graad een cruciale periode. Jongeren nemen op een zelfstandiger wijze deel aan het verkeer. Misschien slabakt de aandacht langs de opvoederszijde dan een beetje. In elk geval moeten we duidelijk op dit aanbod blijven inzetten. We moeten de competenties in de eindtermen opschroeven en controleren.

Ik dank beide ministers voor hun zeer uitgebreid en interessant antwoord. Hieruit blijkt dat vijf leden van het Vlaams Parlement, uit meerderheid en oppositie, en leden van de Vlaamse Regering de verkeerseducatie als een belangrijk element beschouwen. Dit zal tijdens de oefening zeker overeind blijven.

Ik heb de eindtermen van de eerste graad van het secundair onderwijs zelf eens bekeken. Ik kom aan bijna zeventig eindtermen. Daar zitten ook gedragselementen als het leren zich excuseren tussen. We moeten hier eens met de kam doorheen gaan. We moeten de essentiële zaken overhouden. Dat de verkeerseducatie hier deel van zal uitmaken, stemt me zeer optimistisch. Ik hoop dat op dit vlak snel vooruitgang kan worden geboekt.

Ik vind het jammer dat het zeven jaar heeft geduurd om weer over cijfergegevens te kunnen beschikken. We hebben hiervoor een beroep op de VAB moeten doen. Het zou niet slecht zijn dergelijke enquêteringen in de toekomst door de overheid zelf te laten uitvoeren. Aangezien ik niet weet of dit mogelijk is, wacht ik op een reactie van de minister.

De heer Peter Reekmans

Alles kan altijd beter, minister. Hier is dat het aanleren van verkeersweerbaarheid bij kinderen en jongvolwassenen. Het schrijnende van de studie is dat het aanbod bestaat. De overheid kan zelf nog eens een studie bestellen, maar ik heb liever dat we de studie van de VAB gebruiken in plaats van nog eens geld uit te geven. We hebben ze nu gratis. Ik denk, minister, dat u dit allemaal al wist.

De voornaamste doelgroepen zijn de 13- tot 14-jarigen en de 17-jarigen die aan hun rijbewijs beginnen. Dit debat past binnen het debat over de hervorming van het secundair onderwijs. Dat zal ik zelf niet voeren, maar mijn collega, de heer Bouckaert: hij is ter zake veel meer onderlegd. We moeten focussen op de ontwikkeling van die weerbaarheid bij deze doelgroepen. Het zijn jongeren die voor het eerst naar de stad naar school gaan met de fiets of de bus en de jongeren die voor hun rijbewijs gaan. Dat werd daarnet niet aangehaald. Voor al die verschillende leeftijden in het secundair onderwijs moeten we een ander accent leggen. We moeten netoverschrijdend gaan. Daar liggen voor u de tools, minister, om meer gebruik te maken van het aangeboden instrumentarium.

De heer Steve D'Hulster

Minister Crevits, u verwijst terecht naar het bestaande aanbod van slimme mobiele scholen. U hebt het aangekaart. Er bestaat een menu van heel veel eten en drinken voor de scholen. Ze maken daar nog altijd veel te weinig gebruik van. Het project Rijbewijs op School haalt dan wel een participatiegraad van bijna 100 procent. We moeten eens uitzoeken wat we daaruit kunnen leren. Hoe kunnen we een project aantrekkelijk maken? Het moet gemakkelijk toepasbaar zijn voor de leerkracht, maar er moet een trigger inzitten voor de jongeren. We moeten de educatie in de lagere jaren van het middelbaar optrekken.

De voorzitter

De heer Wienen heeft het woord.

De heer Wim Wienen

Voorzitter, ik weet niet wat het is vandaag, maar ik ben het weer grotendeels eens met het antwoord van de minister. Of misschien is het een griepje dat ik voel opkomen. (Gelach. Opmerkingen)

Eindelijk, minister, eindelijk komt er een debat over de basisvorming voor kinderen. Eerlijk gezegd, als we de vrachtwagen – om in het jargon te blijven – van het onderwijs op een weegbrug plaatsen, zakt die daar gewoon door. Er gaat bijna geen maand voorbij of iemand komt hier wel met een idee: de school moet nog dit doen, ze moet nog dat, ze moet dit bezoeken, er moet altijd nog iets bij. De vakoverschrijdende eindtermen zijn niet meer dan een vuilnisbak.

Ja, graag dat debat over de basisvorming voor kinderen. Ja, collega’s, laten we die ideeën eens achterwege laten en de juiste keuzes maken. Wat moet een kind kunnen?

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Het is inderdaad noodzakelijk dat hier meer aandacht voor komt, vooral in de praktijk. Dat mankeert er soms wel aan in het secundair onderwijs. Dat gebeurt vooral in het basisonderwijs. Er is zeker ruimte voor verbetering.

Dit gaat veel breder dan Onderwijs. We willen van Vlaanderen een logistieke draaischijf maken. We hanteren het STOP-principe (Stappen, Trappen, Openbaar vervoer, Personenwagen) vooral in theorie en zetten het niet altijd om in de praktijk. We leggen recreatieve fietspaden aan, die door de functionele fietser weinig gebruikt worden. Zo krijgen we een generatie van achterbankkinderen. Ze zijn niet meer gewend om zich te voet en met de fiets in het verkeer te begeven. Ja, het onderwijs draagt hierin een verantwoordelijkheid, maar we moeten fundamenteel nadenken over onze verkeersomgeving. Daar ligt een veel grotere verantwoordelijkheid.

Minister Pascal Smet

Als we dat allemaal gaan controleren in de scholen, krijg ik hier weer minstens drie vragenstellers die willen weten waarom ik zoveel planlast opleg aan de scholen. (Opmerkingen)

Ik zeg dit maar even in het algemeen. De dag dat we zouden beslissen om dat allemaal in detail uit te zoeken, staat hier minstens de helft van u terug om te klagen over planlast. Je moet een keuze maken. Daarom vragen we de inspectie om na te gaan hoe de vakoverschrijdende eindtermen worden bereikt.

Het wordt natuurlijk een ander verhaal als het resultaatgericht is. Dan gaat de inspectie na welke inspanningen scholen doen om dat te bereiken. Ik kan vragen aan de inspectie om dat nog wat meer te bekijken dan nu het geval is. Maar goed, er zijn ook andere domeinen waarvan men vraagt om ze wat meer te bekijken dan nu het geval is. Dus moeten we daar goed over nadenken.

U vraagt hier dat het beleid een tandje bijsteekt, maar het beleid heeft gedaan wat het parlement wilde. Dat is nog niet zo heel lang geleden goedgekeurd. De vakoverschrijdende eindtermen zijn in 2009 ingevoerd, en in 2009-2010 uitgevoerd. U kunt ons niet verwijten dat we te traag zijn geweest. We hebben ook vastgesteld dat er problemen zijn. Deze regering heeft in de uitvoering van het Masterplan beslist dat dat zal worden omgezet. Die dubbele oefening is op dit moment bezig. Dus zullen we die ook ten gronde uitvoeren en verkeerseducatie zal daar een onderdeel van zijn. Laten we die oefening in de komende maanden voortzetten.

Sommigen zeggen dat het erg is dat we de VAB nodig hebben om die evaluatie te maken. Daar ben ik het niet mee eens. De Vlaamse Stichting Verkeerskunde ontwikkelt pakketten en evalueert die ook. Wat ze doen en wat het effect daarvan is in scholen, wordt bekeken.

Slimme Mobiele Scholen bestaat pas sinds 2010. Het aantal scholen dat elk jaar inschrijft, stijgt. Elke school zou er belang bij hebben om daarop in te pikken omdat er een mooi, omlijnd pakket is dat je aan elk jaar van de humaniora kunt aanbieden. De effecten worden gemeten en men zit niet te wachten op de VAB. De grote uitdaging bestaat erin de andere scholen die nu nog niet deelnemen, mee te laten stappen in het verhaal.

Mevrouw Meuleman, het klopt dat we in infrastructuur moeten investeren, maar gelieve ook te noteren dat de resultaten in lagere scholen zeer goed zijn. We moeten ervoor zorgen dat de resultaten in het secundair onderwijs ook goed worden. Het basismateriaal is aanwezig. We moeten de match zoeken zodat de scholen er gretiger gebruik van maken dan nu het geval is.

Ik doe een vaststelling – in de marge, maar misschien ook niet – die misschien kenmerkend is voor deze meerderheid. Kris Van Dijck van de N-VA en Karin Brouwers van CD&V ondervragen minister Smet van sp.a. Steve D'Hulster van sp.a ondervraagt minister Crevits van CD&V. Dat zal toeval zijn, maar misschien ook niet, deze vrolijke verdeelde meerderheid.

Dat vind ik flauw, mijnheer Keulen. Mijnheer Wienen, ik ben de laatste om te zeggen dat je de vrachtwagen van onderwijs moet overladen. Samen met en op voorstel van de minister en ook van de vorige minister, hebben we de vakoverschrijdende eindtermen goedgekeurd. Ik heb echter vragen over de uitvoering ervan. Dit heeft niets te maken met verdeeldheid, maar wel met een bekommernis over wat hier is goedgekeurd en moet worden uitgevoerd in de scholen. Uit een bevraging blijkt dat dit niet de resultaten oplevert die wij voor ogen hebben. Niet meer, maar ook niet minder.

Ik hoop dat dit minidebat ertoe zal bijdragen dat de scholen die nog niet of onvoldoende investeerden in mobiliteit en verkeersveiligheidseducatie op die kar zullen springen. Ik heb er alle vertrouwen in dat de scholen dat ook willen doen.

Als we zeggen dat we de inspanningsverbintenis die nu bestaat, wijzigen in minimale doelen om bepaalde competenties te bereiken, dan is dat een beetje planlast, maar doe dat dan alstublieft op een manier waarbij alles nog eens goed wordt herbekeken.

En ik richt me nu tot de minister van Onderwijs. We stellen immers vast dat het heel veel is. Als er dan een kleine planlast wordt opgelegd, dan moet men ervoor zorgen dat er een planlastvermindering komt door de tientallen vakoverschrijdende eindtermen die nu bestaan, grondig te evalueren en de essentiële eindtermen te behouden.

De heer Peter Reekmans

Minister, ik kan enkel vaststellen dat voor sommigen de verkiezingsstress al is begonnen. Ik vind verkeersveiligheid echter een onderwerp waarover niet politiek wordt gebakkeleid, of men nu tot de oppositie of de meerderheid behoort. Men moet proberen een oplossing te vinden. Als lid van de oppositie durf ik te zeggen dat het aanbod er is, minister. Als de fractieleider van CD&V de minister misschien even wil laten volgen, dan kan zij de boodschap horen. Ik krijg die kritiek hier ook vaak. Ik wil niet arrogant doen maar enkel een boodschap overbrengen.

Als u er nu nog in slaagt om het aanbod te implementeren – en dat kunt u, want u bent samen met uw kabinet communicatiegericht genoeg – en nog beter kunt communiceren met de scholen over die pakketten, dan zet u een stap in de goede richting. Nadien komt natuurlijk het tweede deel van het verhaal, met name het secundair onderwijs. Ik hoop dat u de komende periode nog zult inzetten op communicatie met de scholen over de beschikbare pakketten.

De voorzitter

Mijnheer Reekmans, wanneer u in het vervolg een vraagsteller onderbreekt, dan zal ik die opmerking ook maken. (Opmerkingen van de heer Peter Reekmans)

De heer Steve D'Hulster

Mijnheer Keulen, ik val minister Crevits al vier jaar consequent lastig met vragen en interpellaties over verkeerseducatie. Ik volhard in de boosheid en zal dat blijven doen tot ik hier moet verdwijnen.

Een aantal jaren geleden was de bevraging van de VAB de incentive om tot het project Rijbewijs op School te komen. Het zou mooi zijn indien deze nieuwe bevraging met de nieuwe resultaten van de VAB zou kunnen uitgroeien tot een incentive om te evolueren van het project Rijbewijs op School naar mobiliteitseducatie op school. Het is belangrijk om die laatste missing link goed in te vullen.

De voorzitter

De actuele vragen zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.