U bent hier

De voorzitter

Dames en heren, aan de orde is het actualiteitsdebat over het jaarverslag 2012 van het agentschap Jongerenwelzijn over de voortdurende stijging van het aantal vooral jonge kinderen in de bijzondere jeugdzorg.

Het debat is geopend.

Mevrouw Dillen heeft het woord.

Marijke Dillen

Voorzitter, minister, dames en heren, de resultaten uit het jaarverslag van het agentschap Jongerenwelzijn hebben ons gisteren opnieuw met de harde werkelijkheid geconfronteerd, voor de zoveelste keer. Het aantal jonge kinderen in de bijzondere jeugdzorg is schrikwekkend toegenomen. In vijf jaar tijd is het aantal jongeren met 15 procent gestegen tot bijna 27.000 vorig jaar. De stijging was volledig voor de groep onder de 15 jaar en één op drie is zelfs jonger dan 10 jaar. 1,5 procent of één kind op zeventig heeft te maken met de bijzondere jeugdzorg. Deze cijfers zijn zorgwekkend. Dat zal iedereen beamen. Steeds meer kinderen moeten opgroeien in omstandigheden die verre van ideaal kunnen worden genoemd, die zelfs precair zijn.

Er moet dringend worden ingezet op het wegwerken van de wachtlijsten, zo stelt administrateur-generaal van Jongerenwelzijn Stefaan Van Mulders. Vandaag wachten meer dan 4000 jongeren op een of andere wijze van opvang, vooral in de residentiële zorg en pleegzorg. Investeren om deze wachtlijsten weg te werken is noodzakelijk.

“Deze resultaten lopen parallel met andere signalen in onze samenleving die de laatste tijd meer en meer in de actualiteit komen. De jeugdzorg is getuige van een brede maatschappelijke crisis. We stellen vast dat het sociale weefsel verbrokkelt door gezinnen die uit elkaar vallen en door migratie. En er zijn parallellen met de groeiende kinderarmoede.” Dit zijn niet mijn woorden; zo luidde de getuigenis van Stefaan van Mulders gisteren. Dit klopt. Ik treed hem hierin volledig bij.

Tegelijkertijd ziet hij alle heil in het nieuwe ontwerp van decreet Integrale Jeugdhulpverlening, dat eraan komt en dat we volgende week zeer uitvoerig kunnen bespreken in de commissie. Het heeft de bedoeling de jongeren beter te helpen en te ondersteunen. Dit kan misschien voor wat soelaas zorgen, minister. Ik ga daar vandaag niet dieper op in. Daartoe hebben we nog de mogelijkheid in de commissie. Maar dit ontwerp van decreet zal het probleem ten gronde niet oplossen. U dient het probleem aan de wortel aan te pakken en een beleid uit te werken dat erop gericht is problemen te voorkomen.

Zorgen dat de jeugdhulpverlening overbodig wordt, is natuurlijk een utopie en is dromen van een ideale wereld. Maar ervoor zorgen dat de instroom drastisch daalt, dat moet de opdracht zijn voor uw beleid. Maar hier faalt de regering ernstig op een aantal domeinen.

Vooreerst is er de steeds maar toenemende armoedeproblematiek. We slagen er in Vlaanderen niet in te werken aan een oplossing daarvoor. Al veertig jaar lang vragen experts aandacht voor een degelijke bestrijding van de armoede, en ook toen al, veertig jaar geleden, werd geschat dat 10 procent van de burgers in armoede leefde. Sindsdien is dat cijfer onafgebroken hetzelfde gebleven, en dat volledig los van de crisis, die we niet alle schuld mogen geven.

Wat doen we hier in Vlaanderen om de armoede terug te dringen? We zetten in op losse projecten, die onafhankelijk van elkaar werken, zonder structuur, zonder meetbare doelstellingen en die geen fundamentele oplossingen aanreiken. Het huidige armoedebeleid is veel te versnipperd en absoluut niet samenhangend, zeggen experts. Een versnipperd beleid betekent tegelijkertijd ook een verspilling van de kostbare middelen. Een echt armoedebeleid zorgt ervoor dat kinderen niet in armoede moeten leven, want dat tast hun grondrechten aan. Het zorgt ervoor dat de huisvesting in Vlaanderen voor gezinnen die het moeilijk hebben, voldoende en kwalitatief aanwezig is. Het werkt aan een inhaalbeweging voor de laagste inkomens. Het waakt erover dat alle kinderen die recht hebben op een schooltoelage, die ook daadwerkelijk krijgen en niet uit de boot vallen als ze de aanvraag te laat indienen. Ik kan zo nog wel even doorgaan. Minister, onze fractie vraagt al lang dat Vlaanderen werkt aan een structureel armoedebeleid, een horizontaal inclusief beleid met doelgerichte maatregelen om de groter wordende groep mensen die in armoede leven, uit die maatschappelijke onzekerheid te halen.

Niet alleen armoede ligt echter aan de basis van de stijgende instroom van jonge kinderen in de bijzondere jeugdzorg, maar ook de verbrokkeling van het sociale weefsel door uit elkaar vallende gezinnen. Ook daarop biedt het beleid in Vlaanderen niet voldoende antwoorden. Vlaanderen moet sterker inzetten op een degelijk, goed onderbouwd gezinsbeleid, een beleid dat onze gezinnen hier in Vlaanderen ondersteunt, dat de waarde van het gezin als hoeksteen van de samenleving consequent erkent en het gezin bijstaat waar nodig. Vlaanderen moet het gezin beter financieel ondersteunen en meer ademruimte geven, bijvoorbeeld door een kostendekkende kinderbijslag. We moeten bij de opvoedingsondersteuning aandacht besteden aan een echte ondersteuning van de opvoeding, bijvoorbeeld door aan de ouder die er bewust voor kiest thuis te blijven voor de opvoeding van de kinderen, die kans te geven, door de toekenning van een vergoeding gekoppeld aan een sociaal statuut.

We moeten een beleid voeren dat erop gericht is echtscheidingen te voorkomen, want we weten allemaal dat een scheiding een verhoogd welzijnsrisico inhoudt. Minister, dat is gisteren nog uitvoerig aan bod gekomen in de commissie. We moeten een beleid voeren bijvoorbeeld zoals dat in Nederland, waar wel uitvoerig aandacht gaat naar een degelijke echtscheidingspreventie, in de hoop – we kunnen daar geen garantie op geven – een scheiding te kunnen voorkomen.

Ook is er nood aan meer ondersteuning bij een scheiding waarbij kinderen betrokken zijn. Meer aandacht voor en een ondersteuning van echtscheidingsbemiddeling is zeker geen overbodige luxe. Vandaag bereikt die vaak niet die koppels die dat echt nodig hebben. Dan denk ik aan de koppels die er niet in slagen om in alle redelijkheid en met een dosis gezond verstand een regeling voor de kinderen uit te werken.

Minister, u bent bevoegd voor het gezinsbeleid. Ik durf ervoor te pleiten dat we hier eens tijd maken voor een debat ten gronde over de wijze waarop Vlaanderen dat beleid moet invullen. De Vlaamse Regering moet dringend het roer omgooien, zowel wat het armoedebeleid als wat het gezinsbeleid betreft. Aandacht voor een ander armoedebeleid, dat de problemen fundamenteel aanpakt, is nodig. Gaat de Vlaamse Regering hier nu eindelijk eens werk van maken? Aandacht voor het echt ondersteunen van gezinnen is meer dan ooit noodzakelijk. Wat gaat u doen om in Vlaanderen eindelijk een beter onderbouwd, inclusief gezinsbeleid te voeren? (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Vogels heeft het woord.

Mieke Vogels

Voorzitter, minister, collega’s, ik woon op de Turnhoutsebaan in Deurne. Dat was ooit een deftige winkelstraat, maar de winkeliers zijn stuk voor stuk doodgeconcurreerd door het Wijnegem Shopping Center, dat een paar honderd meter verder ligt. Aan de verpauperde ramen van de winkelstraten hangen nu gordijnen of iets dat ervoor moet doorgaan. Als ik op de tram sta te wachten, zie ik nu en dan een kleuter die wuift en dan zie ik de matrassen tegen de muur staan. De kinderen zitten vaak samen met mij op de tram. Ze moeten naar school verderop, want in de eigen buurtschool is geen plek meer. Zo gaat dat bij ons in Antwerpen. Onlangs moesten de kinderen van de tram, want het was controle en ze hadden geen abonnement.

Collega’s, dat de armoede toeneemt in Vlaanderen, daar hebben we geen rapporten voor nodig. Iedereen die een klein beetje zijn ogen wil gebruiken, ziet dat de laatste jaren de armoede hand over hand toeneemt. Dat er een relatie is tussen armoede aan de ene kant en bijzondere jeugdzorg en het stijgend aantal problematische opvoedingssituaties aan de andere kant, dat weten we ook al jaren.

Dus, collega’s, als u wilt dat het aantal kinderen, ook jonge kinderen, in de bijzondere jeugdzorg daalt, voer dan een armoedebeleid! Ik vind het trouwens spijtig dat de minister van Armoedebestrijding hier niet is, want dit zit heel dicht bij haar bevoegdheid.

Collega’s, voer dan een armoedebeleid en zwijg over kinderarmoede! Kinderarmoede bestaat niet. Achter elk kind zit een arme vader, een arme moeder of een arm gezin. Door hier steeds weer de kinderarmoede te isoleren alsof het iets speciaal of apart is, krijg je de meest hypocriete situaties. De minster van Armoedebestrijding is hier nu niet, maar als ze hier wel was, zou ze zeggen dat ze van kinderarmoede een topprioriteit zal maken. Morgen zal ze er echter geen probleem van maken om de werkloosheidsuitkering van de vader van dat arme kind naar beneden te trekken.

De voorzitter

De heer Reekmans heeft het woord.

Peter Reekmans

Voorzitter, mevrouw Vogels heeft een punt. Het debat dat we hier vandaag voeren, gaat niet alleen over de jeugdproblematiek, maar ook over de armoede die eraan gekoppeld is. Ik heb tien minuten gewacht, ik dacht dat de minister nog onderweg was. Ik zou toch willen vragen dat de minister van Armoedebestrijding, tevens viceminister-president, aanwezig is in dit debat. Dit gaat niet alleen over de jeugdproblematiek, maar vooral ook over de armoede die tot de problemen leidt. Hier spreken tegen virtuele ministers zal niet goed lukken. Ik wil u dus vragen, voorzitter, of u de minister van Armoedebestrijding voor dit debat wilt opvorderen.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Voorzitter, mijn collega Lieten heeft mij uiteraard gecontacteerd. Ze heeft me gevraagd of ze aanwezig moest zijn, of dat aangewezen was. Zij is daar zeker toe bereid.

Het debat kondigde zich aan als een debat over het jaarverslag van het agentschap Jongerenwelzijn. Ik zou u niet de conclusie willen laten trekken dat er bij mijn collega geen bereidheid was om hier aanwezig te zijn, want dat is absoluut niet juist. Zoals het aangekondigd werd, liet het veronderstellen dat het in hoofdzaak, zo niet uitsluitend, zou gaan over wat in het jaarverslag naar voren werd gebracht, namelijk het aantal jonge kinderen dat in de bijzondere jeugdzorg terechtkomt. Ik wil de intentieprocessen in hoofde van mijn collega even uit de weg ruimen.

Peter Reekmans

Minister, met alle respect, maar ofwel kan ik niet lezen, ofwel is er in het verslag wel degelijk sprake van de relatie tussen armoede en de problematiek. Over het feit dat uw collega of de Vlaamse Regering van oordeel is dat de minister niet hier moet zijn, vind ik het op zich al tamelijk sterk dat u durft te zeggen dat u in onderling overleg hebt beslist dat ze hier niet moet zijn.

Voorzitter, ik herhaal mijn vraag om de minister van Armoedebestrijding te vragen om deel te nemen aan het debat.

Marijke Dillen

Voorzitter, minister, ik wil hier geen intentieproces maken van mevrouw Lieten, maar ik zou ook voorstellen dat u, voorzitter, vraagt dat minister Lieten aanwezig is op dit debat.

In alle eerlijkheid, minister, ik had dat ook normaal gevonden. Ik ben er niet mee begonnen in mijn betoog omdat ik dacht dat het zogenaamde academisch kwartier nog bezig was. Ondertussen is het vrij evident dat het wenselijk is dat minister Lieten aanwezig is. Uw administrateur-generaal heeft twee redenen gegeven – ik heb ze uitvoerig toegelicht – als oorzaken voor de toenemende instroom: de armoedeproblematiek en de verbrokkeling van de gezinnen.

Voor de armoedebestrijding is minister Lieten bevoegd. Ze had mogen weten dat ze hier eigenlijk had moeten zijn. Voorzitter, laat ons deze vergadering en het boeiend pleidooi van collega Vogels schorsen en vragen dat minister Lieten aanwezig is bij dit debat. (Opmerkingen van de heer Peter Reekmans)

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Ik vind dat aanwezigheid de laatste tijd zeer smalletjes wordt geïnterpreteerd. Vorige week was er een gelijkaardige vraag. Nu is er de problematiek van de bijzondere jeugdzorg en er is één minister aanwezig. Vorige week was minister Smet ook niet aanwezig om zijn vraag te beantwoorden. Ik heb er alle begrip voor dat we met ziekte en buitenlandse reizen zeker rekening moeten houden. Maar we hebben nu één minister bij een actualiteitsdebat dat over een zeer brede problematiek gaat. Mij lijkt het ook aangewezen dat mevrouw Lieten aanwezig is.

Peter Reekmans

Voorzitter, ik herhaal mijn vraag: ik vraag u de vergadering te schorsen. Mijnheer de voorzitter, het verslag gaat duidelijk over armoede-indicatoren. (Opmerkingen van de voorzitter)

U hebt zelf onlangs gezegd dat ministers hier aanwezig horen te zijn. U hebt zelf in de media gezegd dat ministers hier horen te zijn. Dit is een aangelegenheid waar zeker de viceminister-president, bevoegd voor de armoedebestrijding, moet aan deelnemen. Ik herhaal mijn vraag om te schorsen tot de minister er is.

De voorzitter

Is de vergadering het ermee eens dat we minister Lieten laten komen? (Instemming)

In orde, dan zal ik vragen dat minister Lieten aanwezig is. Maar ik stel voor dat we dan wel verder gaan met het debat. (Opmerkingen van de heer Peter Reekmans)

Er is geen enkel probleem. Minister Vandeurzen kan mevrouw Lieten wat dat betreft vervangen.

Peter Reekmans

Voorzitter, dat is toch niet ernstig.

De voorzitter

Mevrouw Lieten zal sneller hier zijn dan u denkt.

Peter Reekmans

Als ze zo snel kan komen, dan kunnen we vijf minuten schorsen.

De voorzitter

We gaan gewoon verder.

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen

Voorzitter, ik zou toch willen vragen dat we het op de eerstvolgende nuttige vergadering van het Bureau hebben over de organisatie van dit soort debatten. Het parlement is baas en kan vragen wie het wil om hier aanwezig te zijn, geen enkel probleem. Maar al enkele keren na elkaar wordt er hier geïmproviseerd en dient men voorstellen tot schorsing in om de aanwezigheid van een minister te vragen, terwijl heel duidelijk de perimeter voor het debat is afgebakend en de Vlaamse Regering in onderling overleg ook vertegenwoordigd is.

Ik krijg een sms van mevrouw Lieten dat ze met alle plezier deelneemt, geen enkel probleem. Maar het lijkt me beter dat we dit onderling afspreken. Er is een gentlemen’s agreement dat de meerderheidspartijen zich niet verzetten tegen de vraag van de verenigde oppositie voor een debat. Maat laat dan ook de mogelijkheid aan de regering om zich degelijk te organiseren om hier aanwezig te zijn.

De voorzitter

Mijnheer van Malderen, ik heb het nog al eens gezegd: op woensdagnamiddag is er plenaire vergadering. Zolang de plenaire vergadering duurt, zijn alle ministers ter beschikking van het parlement. Dat is de regel die wij hier hanteren. (Applaus bij de oppositie)

Laat daar geen misverstand over bestaan. Als het parlement vindt dat een minister moet komen, dan vorder ik, conform het reglement, die minister namens het parlement.

Marijke Dillen

Voorzitter, ik wil mij uitdrukkelijk verzetten tegen de woorden van collega Van Malderen over het improviseren bij het oproepen van een minister. Dit gaat over een debat, collega Van Malderen, waarin zeer duidelijk blijkt dat er twee problemen zijn voor de toenemende instroom, namelijk armoede en gezinsproblematiek.

Ik ga dat niet blijven herhalen, mevrouw Lieten had moeten weten dat zij hier spontaan aanwezig moest zijn. Haar beleidsdomein, de bestrijding van de armoedeproblematiek, is immers een van de hoofdoorzaken die leidt tot de discussie van vanmiddag. Enig spontaan gevoel vanwege de regering en de bevoegde minister mogen wij hier in dit parlement toch ook wel verwachten. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Dillen, anderzijds mogen we ook stellen dat de regering over het algemeen altijd ter beschikking staat van het parlement.

Ik denk ook dat de suggestie van de heer Van Malderen wel nuttig is. Als er een volgend actualiteitsdebat is kunnen we kijken welke van de ministers we zeker uitnodigen. Ik had eigenlijk contact moeten opnemen met mevrouw Vogels, de intiatiefnemer. Ik had u, mevrouw Vogels, moeten vragen: welke regeringsleden wenst u te laten uitnodigen? Dan had u me heel waarschijnlijk gezegd: de heer Vandeurzen en mevrouw Lieten.

Mieke Vogels

Nog veel meer.

De voorzitter

We hebben al contact gehad met minister Lieten, ze zal snel hier zijn.

Mieke Vogels

Nu ben ik mijn draad kwijt, als een uitzending die wordt onderbroken door de nuttige berichten. (Opmerkingen)

Nee, nee, ik ben mijn draad niet kwijt. Ik vind het vooral belangrijk, mijnheer Van Malderen, dat u als voorzitter van de sp.a-fractie samen met minister Vandeurzen aan minister Lieten de uitdrukkelijke vraag stelt om af te stappen van het idee dat kinderarmoede apart kan worden behandeld, want dat leidt, zoals ik al zei, deels tot hypocrisie. Vandaag zeg je op deze tribune dat kinderarmoede de topprioriteit is en morgen beslis je in de Vlaamse Regering om de inkomensgrenzen voor de sociale woningen naar boven te halen. We weten heel goed dat daardoor de meest arme gezinnen met kinderen in de steden nog langer op de wachtlijsten zullen staan en nog langer in penibele omstandigheden gehuisvest zullen zijn.

Collega’s, het eerste antwoord op de toenemende stroom is: voer een armoedebeleid. Een armoedebeleid betekent dat je ervoor zorgt dat de uitkeringen hoog genoeg zijn, dat je de sociale woningen geeft aan wie ze het meest nodig heeft en dat kinderen in scholen en in kinderopvang gelijke kansen krijgen. Wat u zeker niet moet doen, collega’s, en ik onderstreep ‘niet’, als u wilt dat er minder jongeren in de jeugdhulpverlening terechtkomen, is hier binnen een maand het ontwerp van decreet Integrale Jeugdhulpverlening goedkeuren. Ik doe echt een oproep om dat met meer dan gewone belangstelling te volgen, ook al is het niet uw terrein.

Dat decreet startte in 1998 in dit parlement. Ik noem het de Oosterweel van de welzijnssector. Wij zochten een antwoord op de vraag hoe het komt dat er steeds meer kinderen in de jeugdhulp terechtkomen. Vijftien jaar geleden heeft dit parlement een aantal voorstellen gedaan, om ervoor te zorgen dat de jeugdhulpverlening dichter bij jongeren en bij ouders zou staan, dat de jongere centraal zou staan, dat die actief zou deelnemen, dat de ouder betrokken zou worden en vooral ook dat de verschillende stukjes hulp die nodig zijn, ter beschikking staan en dat een trajectbegeleider, een soort reisgezel, de jongere en zijn ouders begeleidt door het hele ingewikkelde jeugdhulpverhaal.

Vandaag, vijftien jaar later, moeten wij stemmen over het ontwerp van decreet Integrale Jeugdhulpverlening. Het is een draak, echt waar. Lees het. Lees het en als u het kunt begrijpen, zult u merken dat het een draak is. Het beantwoordt in niets aan de oorspronkelijke doelstellingen die vijftien jaar geleden naar voren zijn geschoven. Het is een typisch voorbeeld van Vlaamse regelgeving, regulitis, procedures, afkortingen. Niemand begrijpt nog waarover het gaat. Het zou zo spijtig zijn dat wij dit zouden goedkeuren om in de toekomst de jongerenhulpverlening te organiseren.

Minister Jo Vandeurzen

Ik vind het een beetje jammer, na de trailer die ik deze morgen op de radio mocht horen, dat het debat zich nu verengt tot de vraag wat we met het ontwerp van decreet Integrale Jeugdhulp moeten doen. Het is al een tijdje in behandeling in de commissie en het zal hier ook in de plenaire vergadering aan uw goedkeuring worden voorgelegd.

Ik moet met klem protesteren tegen de manier waarop u daarover de toon zet. Dat is niet correct en het doet ook onrecht aan alle mensen uit het werkveld die jarenlang mee hebben overlegd om dat decreet eindelijk gestalte te geven. De droom van een jeugdhulp die niet meer in sectoren en kokertjes zou redeneren, die echt zou inzetten op de eerste vraag naar hoe we jongeren in hun vertrouwde thuisomgeving kunnen ondersteunen, die breder zou gaan in hetgene dat rechtstreeks toegankelijk is, die het bewaken van verontrustende situaties in heel Vlaanderen op een uniforme en goede manier zou regelen: die ambities van zo vele mensen zitten in dat ontwerp van decreet.

Het ontwerp van decreet is een megahervorming van de sector, waarin inderdaad de taal, de concepten, de standaarden en de betekenis van alle mogelijke vormen van hulpverlening uit al die sectoren op elkaar moeten worden afgestemd. De technische materie van al die sectoren, die nu elk op zichzelf ook een heel ingewikkelde reglementering hebben, moeten we integreren. Ik ben het er absoluut mee eens, dat voordeel hebt u op mij: het is communicatief absoluut gemakkelijker om daarmee op een cynische manier om te gaan.

Maar ik zal dat ontwerp van decreet, als het hier aan u wordt voorgelegd, met hand en tand verdedigen. Wij staan in de commissie nog voor een debat. Het is mogelijk dat collega’s daar nog verbeteringen op aanbrengen. Daarvoor dient het parlementair debat. Maar nu insinueren dat dit decreet geen antwoord zou kunnen bieden op de ambitie een zorg op maat te kunnen geven, vetrekkend vanuit de empowerment van de betrokkene in zijn sociale context, is intellectueel niet correct.

Mieke Vogels

Ik zal u antwoorden met een citaat uit een mail die ik vanmorgen ontving, van iemand die vijf jaar lang mee de kar heeft getrokken van de integrale jeugdhulpverlening. Die persoon zegt mij het volgende: “De integrale jeugdhulpverlening is prototypisch voor een veelbelovende intentie die gaandeweg verpoederd is tot helemaal niets meer. De dwaze illusie van centrale studie, de kwantificering, het systematisch niet beluisteren van praktijkervaring, (…) belachelijke ‘wetenschappelijke’ aanpak die tot een gedrocht als de huidige intersectorale –totaal onflexibele – toegangspoort en de uiterst complexe modulering heeft geleid, de ambtelijke verkokering, (…) de conserverende macht van de administratie. (…) Deze hele ontwikkeling,” zo zegt de betrokkene, die daar zelf de schouders onder heeft gezet “behoort voor mij tot de grootste ontgoocheling uit mijn professionele loopbaan. (…) [Ik] zeg (…) dat van deze hele operatie die – ik herhaal, zo sterk gestart is en zoveel verwachtingen heeft gewekt – een paar mensen beter zijn geworden (…) maar niet één kind, niet één jongere. Intriest.” Ik kan u nog een stapel gelijkaardige mails bezorgen van mensen die betrokken zijn en vinden dat het totaal ontspoord is en geen goed alternatief is.

Minister, het ergste is nog wel dat het sluitstuk van de integrale jeugdhulpverlening die hier in dit parlement naar voren werd geschoven, de trajectbegeleider was. Die vertrouwenspersoon, die de jongere door die hulpverlening moest leiden, is geschrapt uit domme besparingsoverwegingen. Ik zeg u: als de jongeren van vandaag, zeker de kansarme jongeren, en de zwakkere ouderen in de molen gestopt worden van deze administratieve toegangspoort, worden ze vermalen. Ik durf hardop zeggen – en dat is niet populistisch, maar realistisch –: al diegenen die dit ontwerp van decreet goedkeuren, zijn er mee verantwoordelijk voor dat er morgen, overmorgen en binnen tien of twintig jaar in de kranten opnieuw verhalen verschijnen van jongeren die een enorm trauma hebben opgelopen in de jeugdhulpverlening. Niet omdat hun haren werden uitgetrokken of omdat ze verbrand werden, maar wel omdat ze onbegrepen in de carrousel terechtkwamen van de ene naar de andere voorziening om dan, op de leeftijd van achttien jaar, uit die jeugdhulp te komen, zonder netwerk en alleen op de wereld.

Minister, vanmorgen gaf ik een trailer als antwoord op een trailer die u vanmorgen gaf over een onderwerp dat gisteren aan bod kwam. Daarin gaf ik een concreet voorbeeld van een complexe situatie in een gezin en toonde aan waarom een trajectbegeleider daar zo nodig is. Ik daag u uit om aan de hand van een of meerdere concrete voorbeelden aan de collega’s hier, en bij uitbreiding aan alle jongeren en ouders die nu in de jeugdzorg zitten, in heldere, verstaanbare taal – niet in het ‘integraals’, zoals de kinderrechtencommissaris het noemt, maar in het Vlaams of zelfs Limburgs – uit te leggen hoe jongeren beter worden van dit decreet en hoe wachtlijsten in de jeugdzorg zullen verminderen. Ik ben alvast niet overtuigd. Collega’s, ik nodig u ertoe uit om dit met meer dan gewone aandacht te volgen. Het zou zo spijtig zijn dat het mooie werk dat het parlement vijftien jaar geleden is gestart, verloren gaat. De collega’s van de CD&V kunnen misschien naar mevrouw Trees Merckx bellen. Zij was de trekker van dit project en zou dit niet goedkeuren.

De voorzitter

We verwelkomen minister Lieten. Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Voorzitter, het debat zal in dit parlement worden gevoerd. Ik hoop op een even grote belangstelling voor de discussie ten gronde over dit ontwerp van decreet.

De vraag die vandaag voorligt, gaat over de observaties uit het jaarverslag van het agentschap Jongerenwelzijn. De analyse die daarin wordt gemaakt, probeert een aantal oneliners of hardnekkige vooroordelen te corrigeren.

Ten eerste, het is niet juist dat meer jongeren met een crimineel verleden of die een als misdrijf omschreven feit hebben begaan, in de bijzondere jeugdzorg terechtkomen. Dat is niet juist. Veruit de meeste jongeren komen in de bijzondere jeugdzorg terecht omdat er sprake is van een problematische opvoedingssituatie.

Ten tweede, het aantal jongeren jonger dan 10 jaar ligt al sinds 2008 opmerkelijk hoog. Dat is geen trend die zich in 2012 plots heeft afgetekend. Dit stond al met evenveel worden in het jaarverslag 2008 genoteerd. Het is evident dat het beleid dat mijn voorgangers en ikzelf nadien hebben gevoerd met betrekking tot de prioriteiten in de capaciteit van de hulpverlening in de bijzondere jeugdzorg ten aanzien van deze groepen consequent is uitgevoerd.

Deze stellingen en cijfergegevens staan in het jaarverslag. De leidende ambtenaar heeft een aantal verklarende argumenten naar voren gebracht. Hij heeft getracht uit te leggen waarom de instroom in de bijzondere jeugdzorg zo groot is. Ik wil hier nog een derde argument aan toevoegen.

Hoewel we dit niet zwart op wit kunnen objectiveren, is het duidelijk dat de inspanningen in de hulpverlening om zo vroeg mogelijk te interveniëren en de problemen zo snel mogelijk te erkennen de voorbije jaren een onmiskenbare trend hebben gevormd. Op zich is dit een goede trend.

Dit zijn de feiten die op tafel liggen. De believers, de mensen die willen getuigen dat ze voor dit decreet zijn, staan op de website vermeld. Ze hebben mee die persconferentie gehouden. Dit is een groot veranderingstraject. De sector zit hier al jaren op te wachten. De politiek doet eindelijk een uitspraak en wil de droom van een ontkokerde, intersectorale jeugdhulp waarmaken.

Mevrouw Vogels, het is de bedoeling dat statement naar voren te brengen. Hopelijk zult u dit steunen. Dat het met horten en stoten zal gaan, dat er veel leerprocessen zullen volgen en dat wat nu bureaucratisch lijkt, later opnieuw in synthese moet worden gebracht, wil ik allemaal aannemen. Het lijkt echter alsof een groene partij de droom van een intersectorale werking en van een zorg die niet vanuit de logica van de hulpverlenende organisatie maar vanuit de juiste diagnose van de betrokkene vertrekt en die bij wet wordt verplicht eerst in de betrokkene en zijn omgeving te voorzien, niet onder ogen wil zien. Dit is de plaats waar de hulpverlening moet worden georganiseerd. Als een groene partij dit niet onder ogen wil zien, moet ik in alle eerlijkheid zeggen dat ik andere tijden heb meegemaakt. (Applaus bij CD&V)

Mieke Vogels

Minister, u blijft enorm wollig spreken. Ik heb u om voorbeelden van het contextgericht werken gevraagd. Het zou ons natuurlijk te ver leiden heel het decreet ten gronde te bespreken. Ik wil echter zelf een voorbeeld geven.

De jongere of zijn ouders konden naar het comité voor bijzondere jeugdzorg trekken en daar om hulp vragen. Dat kan nu niet meer. De jongere moet naar een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB), naar Kind en Gezin of naar het algemeen welzijnswerk. Als die jongere hulp nodig heeft, moet dat door de eerste lijn worden aangevraagd. Hiervoor moet een document volledig worden ingevuld. Dit document vertrekt dan naar de toegangspoort. Daar wordt de jongere zelf echter niet meer gehoord. Hoe kunnen we nu contextgericht werken in de omgeving van een jongere indien die jongere zelf niet eens wordt gehoord? Vervolgens vertrekt het dossier naar een administratieve cel. Dat is de volgende stap in de procedure. Die cel vertelt de jongere welke hulpverlening goed voor hem is. Die jongere krijgt dat betekend. Hij wordt niet uitgenodigd om hierover te praten. Dit is een grote administratieve molen.

De kinderrechtencommissaris heeft een zeer helder verslag geschreven. Zijn standpunt is “Ja, maar”. Die “maar” is zeer groot. Ik heb een persmededeling van de centra voor algemeen welzijnswerk (CAW’s) gelezen. Zij waren vroeger ook voorstanders. Nu merken ze dat er geen enkele versterking van het personeel komt om al het bijkomend werk te doen. Volgens hen dreigt zonder versterking van het laagdrempelig aanbod een valse start voor de integrale jeugdhulp. Ik kan hier nog berichten aanhalen van mensen die volgens de minister voorstanders van dit decreet zijn.

We hebben een hoorzitting georganiseerd. De voorzieningen en de koepels, die met zoveel woorden hebben gezegd dat ze door de minister enigszins onder druk werden gezet, hebben toen ook een “ja, maar” laten horen. De anderen hebben verklaard dat het niet zou werken.

Collega’s, ik nodig u uit in de commissie Welzijn volgende dinsdag om samen met ons te discussiëren over dit probleem en zoals dat in de democratie gaat, een oordeel te vormen over en een antwoord te geven op de vraag of wij van dit decreet beter worden. Zal dit decreet jongeren in de toekomst beter helpen? Mijn oordeel is neen.

Minister Jo Vandeurzen

Mijn overtuiging is dat als men een aantal fundamentele concepten moet implementeren, waaronder geïntegreerd werken, in eerste instantie ten aanzien van betrokkenen en hun gezin en omgeving, en men het schaarse aanbod moet prioriteren, men een aantal structurele zaken moet doen. Dat is niet eenvoudig, zeker niet wanneer men een aantal werelden moet samenbrengen.

Mevrouw Vogels, het zal een jongere maar overkomen om eerst een etiket te krijgen als persoon met een beperking en dan voor zijn of haar lange carrière hulp te gaan zoeken in de sector handicapspecifieke ondersteuning. Het zal een jongere maar overkomen dat hij of zij in de bijzondere jeugdzorg terechtkomt en de bypass naar geestelijke gezondheidszorg of naar een andere vorm van hulpverlening door allerlei regels zeer complex en moeilijk is. De beschrijving van de toegang tot de bijzondere jeugdzorg en de gehandicaptensector kan ik even cynisch maken als u die vertaalt in het kader van de integrale jeugdhulp.

Een jongere die hulp nodig heeft, moet een brede rechtstreeks toegankelijke hulp kunnen vinden.

Mieke Vogels

Maar die is er niet.

Minister Jo Vandeurzen

We moeten daar inspanningen voor doen. Daar ben ik het helemaal mee eens. Als men complexe, langdurige of intensieve vormen van hulp nodig heeft, moet het mogelijk zijn de competenties uit de geestelijke gezondheidszorg, uit de bijzondere jeugdzorg, uit de gehandicaptenzorg te integreren, op elkaar af te stemmen en samen te brengen in die ondersteuning. En als men in een residentiële opvang terechtkomt en men kan terug naar huis, dan moet dat dossier niet vijfmaal opnieuw passeren via de jeugdrechter en alle mogelijke administraties, maar moet die voorziening in staat zijn om flexibel een thuisondersteunende functie op te nemen met dezelfde personen die dat gezin kennen. Dat is de toekomst van de integrale jeugdzorg.

Bart Van Malderen

Mevrouw De Wachter zal straks een uiteenzetting doen namens mijn fractie, maar ik voel me genoodzaakt om nu al even te onderbreken. Als ik dat niet doe, zou dat leiden tot een zekere vorm van geschiedvervalsing, mevrouw Vogels. U maakt hier een aantal intentieprocessen en toekomstvoorspellingen die ik nergens terugvind. Integendeel, ik krijg de indruk dat u zegt dat er vandaag helemaal geen probleem want er is blijkbaar geen nood aan dat nieuwe decreet. De echte aanleiding voor dit debat is een jaarrapport waaruit blijkt dat er meer jongeren en jonge kinderen in de bijzondere jeugdzorg zitten. Met andere woorden, verder gaan op de platgetreden paden is absoluut geen optie.

Zijn er opmerkingen te maken op het decreet? Ja, en mevrouw de Wachter zal die straks ook maken. En zullen we daar in de commissie nog over debatteren? Ja. En is dat dan het eindpunt van dat debat? Neen, want men zal heel die zaak nog in uitvoeringsbesluiten moeten gieten en die op het terrein moeten implementeren. De intentieprocessen die u nu al maakt, getuigen eerder van slechte wil dan van echte wil om de bestaande problemen te onderkennen en positief aan te pakken.

De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Mevrouw Vogels, ik vind het ook heel spijtig dat u dit debat verengt in een voorafname op de discussie over het ontwerp van decreet Integrale Jeugdhulpverlening. Volgende week zullen we daar nog een heel lange commissievergadering aan wijden. We zijn al weken bezig met de bespreking daarvan.

U maakt er een karikatuur van, onder meer door de manier waarop u hier de hoorzittingen verwoordt. Als voorzitter was ik bij elke hoorzitting aanwezig, van het begin tot het einde. We hebben in onderling overleg met alle fracties afgesproken wie we zouden horen. Ook u hebt een heel aantal mensen en organisaties kunnen voordragen. Ik zat misschien op een andere hoorzitting dan u. Wat u hier komt vertellen, heb ik absoluut niet gehoord.

Natuurlijk hebben we een aantal bezorgdheden en randopmerkingen gehoord, maar ik heb over het algemeen een heel positieve tendens gehoord, zeker ook vanuit het Kinderrechtencommissariaat.

U bent nu al weken bezig met alleen maar te zeggen dat alles slecht is, maar ik heb van u nog nooit enig alternatief gehoord.

De voorzitter

Mevrouw De Vroe heeft het woord.

Mevrouw Vogels, ik volg in principe milieu en ruimtelijke ordening op, maar ik neem ook het thema bijzondere jeugdzorg zeer ter harte. Ik heb in het verleden al meerdere vragen aan de minister gesteld over het aantal verplaatsingen van kinderen in de jeugdzorg. Dat element wil ik hier nog eens onder de aandacht brengen. In 2011-2012 werden kinderen tussen 0 en 11 jaar tot vijfmaal verplaatst in de voorzieningen van bijzondere jeugdzorg. Kinderen tussen 12 en 17 werden tot zevenmaal verplaatst. Als we weten, zoals de minister daarnet herhaalde, dat het vooral kinderen zijn die niet door misdaad maar wel vaak door problematische thuisomstandigheden in de jeugdzorg zijn gekomen, zijn deze cijfers des te problematischer. Minister, u erkent ook deze problematiek. Ik hoop dat het nieuwe decreet daarvoor in de toekomst een oplossing zal bieden.

De voorzitter

Mevrouw Van der Borght heeft het woord.

Vera Van der Borght

Ik wilde eigenlijk tussenkomen toen de minister zijn antwoord gaf. Het is waar, zoals de collega’s het ook zeggen, dat het actualiteitsdebat gaat over de stijging van het aantal jongeren in de bijzondere jeugdzorg. We zijn hiervan een beetje afgeweken, en op een bepaald ogenblik heeft de minister zich geroepen gevoelen om zich heel hard te verdedigen. Dat is zijn goed recht. Maar, minister, u was niet aanwezig op de hoorzittingen. Ik neem aan dat u de verslagen hebt doorgenomen. U hebt gesuggereerd dat er mogelijk vanuit de meerderheid nog amendementen komen. Maar u moet toch erkennen dat er op al die hoorzittingen heel veel kritische opmerkingen waren. Mocht u nog niet de mogelijkheid hebben gehad om die verslagen te lezen, dan zou ik u aanraden om dat toch even te doen.

De voorzitter

Mevrouw De Wachter heeft het woord.

Else De Wachter

Wat betreft het diep-gedetailleerd inhoudelijk ingaan op het ontwerp van decreet: het is belangrijk dat we dat volgende week in de commissie kunnen bespreken. Maar dat neemt niet weg dat dat niet losstaat van dit debat. Dat kan en mag ook niet.

Mevrouw Vogels, ik word toch een beetje lastig als ik u constant, in de pers en op deze tribune, hoor vertellen dat men al meer dan vijftien jaar problematieken aanhaalt en oplossingen zoekt. Maar er ligt nu iets voor. Of dat nu voor u goed is of niet, dat is uw persoonlijke mening. Ik hoor u nu zeggen dat er aan dit ontwerp van decreet niets goed is. Maar dan moet je ook geen ontwerp van decreet maken, want er is niets goed. Als u zegt dat er niets goed is, geef dan een alternatief. Zeg dan wat volgens u de oplossingen zijn. Iedereen is het erover eens dat er verbeteringen mogelijk zijn. De minister heeft gezegd dat het ontwerp van decreet wordt besproken en er zullen zeker nog collega’s zijn die oplossingen aanbieden. Ik zal straks zeker en vast een aantal concrete voorstellen doen. Maar ik had er dan ook graag van u gehoord.

Mieke Vogels

Het is voor de meerderheid en zeker voor de minister altijd een beetje lastig dat er een debat komt over iets wat in de media komt. Het is lastig als de oppositie in de media komt.

Mevrouw Schryvers, de minister heeft zelf met de media gecommuniceerd. Hij heeft een hoerafilmpje op de video geplaatst. Ik zie niet in waarom ik niet ook in de media zou mogen zeggen wat mijn mening is. Waarom zou ik moeten wachten tot de commissievergadering van dinsdag? Dan zal de meerderheid daar één namiddag heel hard over debatteren en dan is de zaak opgelost en het is gepasseerd. Dat zou voor u een beetje te gemakkelijk zijn.

Mijnheer Van Malderen, de geschiedenis herschrijven? Ik denk dat ik dit domein vrij goed ken. Ik heb daarin heel veel geïnvesteerd. Ik was diegene die zei dat hier absoluut iets moet veranderen. De sporen van verandering zijn in gang gestoken. Alleen is het zo dat er de laatste jaren wissels zijn getrokken die de trein, als je het mij vraagt, in een totaal verkeerde richting laten rijden. Wat de juiste richting is en wat mijn alternatief is, zal ik volgende dinsdag uitgebreid toelichten. (Opmerkingen)

Ik wil dat ook nu doen. Mijnheer Van Malderen, mijn alternatief is dat ik dit ontwerp van decreet nog wil goedkeuren, op voorwaarde dat trajectbegeleiding wordt ingeschreven. Is dat duidelijk? Geen trajectbegeleiding in de zin van een vertrouwenspersoon uit het netwerk van de betrokkene. Het gaat hier over zwakke en kansarme mensen. Ik wil een trajectbegeleider in de zin van een jeugdconsulent, een consulent bijzondere jeugdzorg. Een professionele trajectbegeleider, laat dat duidelijk zijn. Niet iemand uit het netwerk. Het gaat hier over kansarme en zwakke kinderen, die altijd aan het kortste eind zullen trekken.

Wat het aantal doorverplaatsingen betreft, ik heb onlangs met mensen van een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning (ckg) gesproken. Tot vandaag vangen die vrij veel heel jonge kinderen residentieel op. Ze hebben hun capaciteit afgebouwd en een heel ander systeem ontwikkeld. Ze waarschuwen mij dat de carrousel van jonge kinderen toeneemt met dit decreet en deze manier van werken.

Als er vragen zijn, wil ik er graag op antwoorden, maar alstublieft, volg dit niet. Het gaat over de toekomst van de komende generatie jongeren.

Minister Jo Vandeurzen

We zullen het debat de komende week voeren in de commissie. Historisch gezien is de hulpverlening, ook voor jongeren, een zeer verkokerd verhaal. Je hebt sectoren, categorieën, …

Mieke Vogels

Maar die kokers zijn niet weg.

Minister Jo Vandeurzen

Je moet labelen, en dat doen alle sectoren met batterijen aan diagnose, indicatiestellingsprocedures enzovoort. De ambitie van de politiek moet zijn dit verkokerd landschap te doorbreken en proberen te vertrekken van een stevige diagnose die losstaat van de sector, van de aard van de hulpverlening die eventueel kan worden geboden. Je kiest voor de beste hulpverlening. De dossiers die van hand tot hand gaan, de residentiële opvang die zegt dat de jongere naar huis zou moeten gaan, en dat dossier doorgeeft aan een thuisbegeleidingsdienst, die transitie van dossiers moeten we absoluut trachten te vermijden. Degene die het gezin kent, is toevertrouwd als residentiële opvang. Om de jongeren te ondersteunen, moet je hun veel flexibeler mogelijkheden geven om hen ook in een thuissituatie verder te laten volgen, ook al is dat strikt genomen niet het hokje waarvoor de sector erkend of gesubsidieerd is.

De flexibiliteit van een jongere die mentaal beperkt is, die een handicapspecifieke ondersteuning moet krijgen, die je daarvoor niet naar een andere voorziening moet sturen, maar moet proberen zorg te geven in de beste setting, dat moeten de ambities zijn. Er zijn honderd argumenten en tien lezingen van stukken uit het decreet die zeggen dat dat administratief is. Daar ben ik het mee eens. Maar de ambitie om voor deze nieuwe aanpak te kiezen, dat is de grond van de zaak.

Armoede is niet alleen een kwestie van hulpverlening en welzijnsbeleid. De welzijnssector moet zo snel mogelijk in dat gezin aanwezig zijn, met respect voor de autonomie van dat gezin. Er is een tijd geweest dat men aan de hulpverleners zei: eens je binnen bent, zorg er dan voor dat je niet blijft kamperen, maar dat het gezin wordt gerespecteerd, ook als kansarm gezin. Wij moeten zorgen dat we snel aanwezig zijn en snel de nodige ondersteuning geven. Dat kan een heel intensieve, langdurige, residentiële ondersteuning zijn, maar het kan ook een zekere vorm van aanwezigheid zijn in de vertrouwde omgeving van het gezin en het kind.

Het gaat natuurlijk niet alleen over integrale jeugdhulp. Dat vind ik bijzonder jammer aan de tussenkomst van mevrouw Vogels. Het gaat ook over de Huizen van het Kind, de preventieve gezinsondersteuning, de rol van de kinderopvang als je het toch over het welzijnsbeleid wilt hebben. Dat zijn even cruciale elementen als je dit fenomeen vanuit de welzijnssector bekijkt en je afvraagt hoe wij daarmee om moeten gaan.

Mieke Vogels

De oorspronkelijke intentie was om de verkokering tussen de verschillende sectoren weg te nemen. Minister, daarvoor had u minder regeltjes moeten maken, en niet meer. Bovendien is er een koker bij gekomen. Ooit was het de bedoeling om één grote sector integrale jeugdhulp te maken, waar al die onderdelen in zaten. Nu blijven de sectoren met hun eigen belangen, financiering en wachtlijsten bestaan, en er komt een nieuwe sector integrale jeugdhulpverlening bij. Dit is absoluut geen versoepeling van het landschap.

Minister, alles wat u zegt, is waar, maar met het decreet dat nu voorligt, realiseer je dat niet. Ik hoop dat de collega’s dat ook vinden. (Applaus bij Groen)

Minister Jo Vandeurzen

Niets doen is geen optie.

De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, ik ga opnieuw focussen op het voorwerp van het debat zoals het gisteren door mevrouw Vogels is gevraagd en zoals het ook is afgelijnd door de voorzitter, namelijk de vaststellingen in het jaarverslag Jongerenwelzijn.

Laat me toe om eerst te zeggen dat het verslag op een aantal vlakken eerder summier is te noemen. Enkele zaken springen echter dadelijk in het oog. De voornaamste vaststelling is dat het aantal jongeren in de bijzondere jeugdzorg blijft stijgen. Bijzonder verontrustend is dat deze stijging gekenmerkt wordt door een toename van het aandeel kinderen en jongeren onder de 15 jaar. Meer nog, bijna een op drie kinderen in de jeugdzorg is jonger dan 10 jaar. Van de 26.486 minderjarigen die vorig jaar in de bijzondere jeugdzorg werden geteld, kwamen 23.833 er terecht vanuit een problematische opvoedingssituatie. Het gaat hier dus niet om jongeren die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Dat cijfer daalde zelfs, en dit voor het tweede jaar op rij, van 3615 in 2010 tot 2759 in 2012. Dat is op zich goed nieuws, en het mag dan ook gezegd worden.

Terug dan naar de eerste vaststelling. Zonder ook maar op een enkele manier afbreuk te willen doen aan deze vaststelling, denk ik dat we nog veel meer zouden kunnen leren, mochten we er een meer verfijnde registratie in terugvinden, zoals de afzetting tegenover de bevolkingsevolutie, focus op de toch wel sterke regionale verschillen, de gemiddelde verblijfsduur of begeleidingsduur die invloed heeft op het aantal jongeren dat wordt begeleid enzovoort.

Het grote aantal kinderen en jongeren in de bijzondere jeugdzorg mag dan gisteren wel het nieuws hebben gehaald, nieuw is het allerminst. En daar zijn we ons hier in het parlement terdege van bewust. Deze stijgende instroom, en de toename van jonge kinderen, was immers net de aanleiding voor de oprichting en de maandenlange werkzaamheden van de Commissie Jeugdzorg 2010-2011. De analyse die zich opdringt, en ook toen opdrong, is geen loutere analyse van de jeugdhulpverlening op zich en hoe zij al dan niet tegemoetkomt aan de nood inzake hulp. De analyse gaat veel en veel verder. Het gaat om een algemene reflectie over de huidige maatschappelijke evolutie, over hoe de toename van kansarmoede, de verdunning van het sociale weefsel, de ontheming enzovoort inwerken op de situatie van kinderen en jongeren.

Het kan niet de bedoeling zijn om vandaag in het kader van dit actualiteitsdebat het werk van de Commissie Jeugdzorg helemaal over te doen. Desalniettemin worden we wel weer met de neus op de feiten gedrukt en eraan herinnerd dat het probleem aandacht blijft verdienen. De oorzaken blijven brandend actueel: verflauwing van het sociale weefsel, toegenomen maatschappelijke druk en stress, verminderde draagkracht in gezinnen, toename van het aantal eenoudergezinnen en hoe moeilijk kinderen het wel niet hebben met de scheiding van hun ouders. Een derde van de kinderen in een eenoudergezin kent bovendien een verhoogd armoederisico, wat voor deze kinderen heel wat kansen tot ontplooiing hypothekeert. Er is ook nog de toegenomen maatschappelijke intolerantie, migratiebewegingen en de ontreddering die dan kan ontstaan wanneer gezinnen hun weg zoeken in nieuwe samenlevingsvormen.

We kunnen en moeten natuurlijk inzetten op het snel detecteren en aanpakken van problemen, maar het is duidelijk dat het hier gaat om maatschappelijke problemen en dat de aanpak dus veel breder moet gaan. In de motie die we hier in het Vlaams Parlement goedkeurden in juni 2011 in navolging van de Commissie Jeugdzorg hebben we dit ook heel uitdrukkelijk gesteld. Alle beleidsdomeinen hebben een taak in en dragen verantwoordelijkheid voor het welzijn van onze kinderen: onderwijs, jeugdbeleid, sport en recreatie, huisvesting, ruimtelijke ordening, milieubeleid enzovoort. De verontrustende cijfers vanuit de bijzondere jeugdzorg zijn geen zaak van welzijn alleen. Het welzijn van onze kinderen, onze toekomst, is de verdomde plicht van elk beleidsdomein.

De jeugdzorg grijpt in als er zich problemen voordoen en dat is goed, maar we moeten breder durven te denken. Als kinderen geplaatst worden in de jeugdzorg omwille van een problematische opvoedingssituatie, dan moeten we daar iets aan doen. Zo kunnen we niet alleen de instroom beperken. Voor mij is het veel belangrijker dat we zo welzijn en een goede opvoeding en leefsituatie garanderen voor kinderen. Mensen gaan uit elkaar en zijn zich niet bewust van de impact ervan op hun kinderen, laat staan dat men weet hoe men de kinderen in een dergelijke situatie het best opvangt. Mensen verhuizen en ondervinden moeilijkheden om zich in een nieuwe omgeving aan te passen. Wat moet dat dan zijn voor kinderen en hoe worden zij daarbij begeleid? Wat als men nog niet eens de taal spreekt?

Tal van studies en verslagen reiken op dat vlak materiaal aan. Ik denk bijvoorbeeld aan de onderzoeken ‘Scheiding in Vlaanderen’, ‘Het Kind in Vlaanderen’ enzovoort. En als dan, ondanks ondersteuning, kinderen en jongeren toch in een probleemsituatie terechtkomen? Dan is het de absolute plicht van de overheid om te zorgen voor een goede hulpverlening: tijdig, adequaat, bereikbaar. Een tijdig ingrijpen kan heel vaak erger voorkomen en vergt daardoor ook minder ingrijpende hulp. Volgende week – pas volgende week – ligt daarvoor in de commissie het decreet Integrale Jeugdhulp op de plank.

Zowel praktijk als onderzoek heeft aangetoond dat begeleiding het beste resultaat heeft als de kinderen leven in een gezinscontext. Laat ons daarom niet kortzichtig zijn en pleiten voor meer residentiële voorzieningen en het onttrekken van kinderen uit de familiale sfeer. Neen, de organisatie van de jeugdzorg moet erop gericht zijn dat kinderen die het nodig hebben, en zeker de allerkleinste en de meest kwetsbare, zo goed mogelijk worden begeleid zodat zij allen kunnen opgroeien tot stabiele en weerbare volwassenen.

Met het decreet Pleegzorg hebben we daar stappen in gezet en hebben we ervoor gezorgd dat pleegzorg als eerste hulpverleningsvorm wordt overwogen. Kinderen die niet in hun eigen gezin kunnen blijven, kunnen dan tijdelijk terecht in een opvanggezin, waar ze steun en rust vinden. Het aantal pleeggezinnen in Vlaanderen steeg in 2012 voor het vijfde jaar op rij, en dit vooral voor de jongste kinderen.

Collega’s, opvoeden is geen koud kunstje. Wat voor mij vaststaat, is dat gezinnen die om welke reden dan ook onder druk staan, echt wel begeleiding en ondersteuning nodig hebben. Inspanningen op het vlak van bemiddeling en opvoedingsondersteuning zijn niet verloren. Binnenkort bespreken we het ontwerp van decreet Preventieve Gezinsondersteuning. Laat ons nog verder gaan dan enkel opvoedingsondersteuning. Ook voor er kinderen zijn, is ondersteuning en begeleiding in relatievorming waardevol, zodat mensen realistische verwachtingen hebben en voldoende weerbaar zijn bij het aangaan van een relatie en het stichten van een gezin.

Kinderen die thuis moeilijkheden ervaren en waarvan de ouders onder druk staan, moeten ook elders een luisterend oor, een sterke schouder of een begeleidende hand kunnen vinden. Waarom in de scholen geen vertrouwenspersonen aanstellen? De school is voor een kind immers een bekende omgeving en een kind kan weten wat het van een leerkracht kan verwachten. Indien nodig, kan die vertrouwensleerkracht de schakel vormen tot meer specifieke begeleiding.

Collega’s, investeren in de toekomst van Vlaanderen is in de eerste plaats investeren in onze kinderen. Investeren in onze kinderen vraagt een investering in onze gezinnen, en dit in al zijn vormen.

Voorzitter, ik sluit af. Als we voor de toekomst het tij willen keren, dan is een veelsporenbeleid absoluut nodig: enerzijds vanuit alle beleidsdomeinen aandacht voor het versterken van mensen, zeker ook kinderen, en voor het meedragen van verantwoordelijkheid en zorg, anderzijds een toegankelijke hulpverlening waar nodig. Dat warme en hartelijke Vlaanderen, waar we zo vaak over horen, is slechts mogelijk als we daar allemaal samen aan willen werken! (Applaus bij CD&V en de sp.a)

De voorzitter

De heer Gysbrechts heeft het woord.

Peter Gysbrechts

Voorzitter, ministers, collega’s, de afgelopen jaren kenden we een stijging van de instroom van jongeren in de bijzondere jeugdzorg. Dat blijkt, zoals vandaag al meermaals gezegd, uit het jaarverslag van het agentschap Jongerenwelzijn.

Deze stijging van het aantal kinderen dat een beroep doet op de bijzondere jeugdbijstand, is voor de leden van de commissie Welzijn niet echt een verrassing. Vorig jaar hebben we, samen met leden van de commissie Onderwijs, nog een onderzoek gevoerd naar de reden van die stijgende instroom, en er was ook de commissie Jeugdzorg.

Bijzondere jeugdzorg wordt door de meeste mensen geassocieerd met jongeren die een misdrijf plegen. Daar hebben we ons de afgelopen decennia dan ook vooral op gefocust. De instroom van jongeren die een misdrijf plegen, daalt zelfs een beetje, wat uiteraard goed nieuws is.

Collega’s, dat is niet het debat van vandaag. Vandaag doet de stijging van de instroom zich niet voor bij delinquente jongeren, wel bij zeer jonge kinderen. Eén op de drie kinderen in de bijzondere jeugdzorg is jonger dan 10 jaar. Het zijn kinderen van wie de natuurlijke beschermers – hun ouders – het laten afweten. Daarom is het debat van vandaag zo belangrijk. Dat die jongeren nu terechtkomen, of gekomen zijn in de bijzondere jeugdbijstand is voor hen wellicht een goede zaak. Zij zijn ondanks de wachtlijsten toch bij de jeugdhulp geraakt, en mede dankzij de inzet van heel veel professionelen in de bijzondere jeugdzorg en pleeggezinnen hebben ze een kans op een toekomst.

Het feit dat één op de drie kinderen in de bijzondere jeugdbijstand jonger is dan 10 jaar moet een wake-upcall zijn voor beleidsmakers. We moeten ons afvragen waarom die leeftijd zo drastisch naar beneden gaat, waarom hun ouders falen in hun opvoedingsopdracht. De administrateur-generaal gaf twee belangrijke oorzaken aan: armoede en gebroken gezinnen.

Het Pact 2020 wil tegen 2020 het aantal kinderen dat in armoede geboren wordt, halveren en het algemene armoederisico in Vlaanderen met 30 procent doen dalen. Uit de jongste armoedebarometer blijkt dat één kind op de tien geboren wordt in een kansarm gezin. Kinderarmoede in Vlaanderen – dat we toch nog altijd beschouwen als een rijke regio – neemt toe en dat ondanks een Vlaams Actieplan inzake kinderarmoede.

Niemand zal beweren dat armoede makkelijk te bestrijden is. Dat is niet zo, net omdat het zo complex is. Maar op zeven jaar van de eindstreep zijn de resultaten allesbehalve bemoedigend.

Collega’s, wie de mensen van Decenniumdoelen, met Jos Geysels kon spreken, kan dit alleen maar bevestigen. We moeten nog meer focussen op tewerkstelling van kansengroepen, op tewerkstelling van de ouders van jonge kinderen die vandaag opgroeien in armoede. Zoals mevrouw Vogels opmerkte, kinderen leven niet zomaar in armoede, dat is een gevolg van de situatie van de ouders. Die ouders moeten goed in het oog worden gehouden. Er zijn nog heel wat knelpuntberoepen waar weinig scholing voor nodig is, en die niet ingevuld geraken. Er zijn dus mogelijkheden.

We moeten nog meer focussen op onderwijs om jongeren in kansarme gezinnen de kans te geven de armoedecirkel te doorbreken, om meer dan hun ouders kansen te krijgen op de arbeidsmarkt. Die focus ontbreekt vandaag. We zijn te veel bezig met vele projectjes waarvoor we op het einde van de rit geen geld blijken te hebben om ze te continueren.

Een tweede oorzaak is de moeilijke thuissituatie. Gebroken gezinnen, onvoldoende opvoedingskwaliteiten bij ouders, afbrokkelende netwerken van gezinnen: het zijn vaststellingen die niet nieuw zijn, maar het zijn situaties die tegelijkertijd zeer moeilijk te remediëren zijn. We hebben pogingen ondernomen. Er is het decreet Opvoedingsondersteuning van 2007 geweest, we hebben de opvoedingswinkels opgericht. We hebben Triple P, waar de meningen verdeeld over zijn. Er was gehoopt dat zij de instroom in de bijzondere jeugdzorg zouden indammen, problemen zouden voorkomen. Wetenschappers hadden hun twijfels over het preventief karakter van een en ander. De cijfers van vandaag geven hen gelijk.

Ik denk dat we twee zaken nodig hebben. We moeten werken aan de opvoedingscapaciteit van onze ouders, aan het IQ maar ook aan het EQ. We focussen in onze maatschappij op kennis, maar veel te weinig op verantwoordelijkheid nemen voor de medemens, voor kinderen, voor familie en vrienden. Dat betekent dat er in de scholen waar de toekomstige ouders zich vandaag bevinden, ook aandacht moet zijn voor het EQ. Dat betekent dat we moeten investeren in het sociaal weefsel, het verenigingsleven, allemaal plaatsen waar jongeren kunnen oefenen in het opnemen van verantwoordelijkheid, het samenleven.

We moeten werken aan een goed toegankelijke en herkenbare hulpverlening die mensen ondersteunt op maat, in functie van wat nodig is om die mensen te laten functioneren in onze maatschappij, in het ondersteunen van mensen in het nemen van verantwoordelijkheid wanneer het opnemen van die verantwoordelijkheid niet vlot loopt en niet kan op eigen kracht.

Wat dat laatste betreft, zal de minister van Welzijn wellicht verwijzen naar het ontwerp van decreet Integrale Jeugdhulp, dat hier al ruimschoots aan bod is gekomen. Minister, geachte leden, we hebben inderdaad nood aan een goed decreet Integrale Jeugdhulp. Essentieel daarbij is dat jongeren en hun context worden gehoord, dat er met hen in debat wordt gegaan, dat ze worden ondersteund in hun functioneren, rekening houdend met hun eigenheid. Dat betekent dat er voldoende capaciteit nodig is, dat betekent dat mensen weten waar ze terecht kunnen voor ondersteuning, zodat problematische situaties niet ontsporen.

De afgelopen weken hebben we inderdaad hoorzittingen gehouden over dit nakende nieuwe decreet, met zinvolle opmerkingen en bedenkingen van het werkveld en het Kinderrechtencommissariaat. Ik hoop volgende week bij de bespreking van dat voorliggende ontwerp in de commissie voldoende collega’s van de meerderheid te kunnen vinden die willen werken aan die knelpunten die er absoluut nog zijn in dit ontwerp, die met ons willen nagaan hoe we onder meer van de vermaatschappelijking van de zorg een concept kunnen maken dat mensen ‘empowert’, hoe we ervoor kunnen zorgen dat er naast de minderjarigen een trajectbegeleider kan staan, die opkomt voor hun recht op ondersteuning.

Minister, dat debat moet inderdaad volgende week uitvoerig worden gevoerd in de commissie, en later in deze plenaire vergadering. Ja, de sector is vragende partij voor een nieuw decreet, dat nodig is, maar neen, het is nog lang niet af. Dat is de onmiddellijke opdracht voor dit parlement vandaag. Uiteraard benieuwt het ook ons hoe u reageert op deze cijfers uit het onderzoek. Het benieuwt ons of er initiatieven komen voor gezinsondersteuning en armoedebestrijding, of dit in een hogere versnelling kan geraken. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

Mevrouw De Wachter heeft het woord.

Else De Wachter

Voorzitter, ministers, geachte leden, de cijfers zijn al door meerdere leden aangehaald, maar ook ik wil er graag toch nog even bij stilstaan. Op vijf jaar tijd is het aantal jongeren in de bijzondere jeugdzorg met 15 procent gestegen. Deze stijging komt volledig voor rekening van de groep jongeren onder de 15 jaar. Zoals al aangehaald, is een op de drie kinderen in de bijzondere jeugdzorg vandaag zelfs jonger dan 10 jaar, en leeft dat kind vaak in kansarmoede. Die kinderen kunnen inderdaad niet worden ondergebracht bij de categorie van een als misdrijf omschreven feit: het zijn kinderen die vooral gewoon hulpverlening nodig hebben. Dit zijn op dit moment toch wel harde cijfers, waar we allemaal toch wel koud van worden. We falen collectief. We kunnen niets anders dan de conclusie trekken dat we als maatschappij te weinig doen voor deze kinderen. Verder gaan op deze platgetreden paden zal deze cijfers alleen maar doen stijgen. We moeten dus absoluut inzetten op een trajectbegeleider-vertrouwenspersoon voor iedere jongere tijdens de hulpverlening. En ja, beste mensen, jeugdhulp moet een recht zijn voor iedere jongere. Ik kom daar tijdens mijn uiteenzetting zeker nog op terug.

Het is bijzonder verontrustend dat het aantal jongeren in de bijzondere jeugdzorg opnieuw toeneemt, onder meer door armoede. Dat was destijds net een van de grote aanklachten geformuleerd in het Algemeen verslag over de armoede van 1994, dat tot stand kwam onder impuls van de Koning Boudewijnstichting, in samenwerking met armoedeorganisaties. Dat is zeer belangrijk, want het was voor het eerst dat mensen in armoede zelf getuigden over de achterstelling en uitsluiting die ze ervaren op alle domeinen van het maatschappelijk leven.

Twintig jaar later moeten we vaststellen dat er ondanks alle inspanningen nog veel werk aan de winkel is. Dit is erg jammer, aangezien het gezin voor mensen in armoede vaak het enige is waaraan ze zich kunnen optrekken, waar ze het vooral beter willen doen dan hun eigen ouders. Daarom is het cruciaal de draagkracht van die kansarme gezinnen maximaal te versterken, hen te helpen en te omkaderen, samen met hen op weg te gaan. Dat betekent een nog bredere uitbouw van de preventieve gezinsondersteuning. De minister heeft er al naar verwezen: volgens ons kunnen de Huizen van het Kind daarbij een cruciale rol spelen. Maar nog veel meer moet er een integrale benadering zijn, waarbij er wordt gewerkt aan de empowerment van ouders, maar ook aan hun tewerkstellingssituatie, hun huisvestingssituatie, hun schuldenproblematiek, de schoolloopbaan van de kinderen en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Dus: werken met kansarme gezinnen in hun geheel. En dat was precies de focus van de kinderarmoedeprojecten van minister Lieten de afgelopen jaren. Uit die projecten hebben we kunnen leren dat deze integrale aanpak van kinderarmoede, en dus ook van gezinsarmoede, loont.

Het komt er nu op aan, minister, om van die projectmatige aanpak over te gaan op een meer structurele langdurige aanpak waarbij in elke gemeente in Vlaanderen structureel aan de kinderarmoede wordt gewerkt, over alle beleidsdomeinen heen.

Deze lokale netwerken ‘kinderarmoede’ moeten opereren van in het begin, aangezien de cruciale ontwikkeling – iedereen heeft het er al over gehad – van kinderen zich situeert tussen de leeftijd van 0 en 3 jaar. Het is precies daar dat de grootste maatschappelijke winst te halen valt en we ervoor kunnen zorgen dat ze opgroeien als sterke en evenwichtige volwassenen in een gelukkig gezin. En het zou nog beter zijn wanneer er gestart wordt in de fase van de zwangerschap, samen met de aanstaande moeder en vader, zodat de partners er samen voor zorgen dat de draagkracht enorm is.

We willen de lokale aanpak van kinderarmoede maximaal ondersteunen, dicht bij de mensen. Vandaar mijn oproep, en ik richt me nu vooral tot de regering, om wanneer er dan wat ruimte komt op de Vlaamse begroting, die prioritair aan te wenden voor het uitbannen van het armoederisico bij jongeren en kinderen. Dat kan via welzijn, via onderwijs, via vrije tijd of zelfs via lokaal beleid, maar er moet vooral structureel gewerkt worden. Ook de uitbreiding van de pleegzorg en in het bijzonder de uitbreiding van de crisisopvang dienen zo snel mogelijk gerealiseerd te worden. Dit blijkt nog maar eens uit de getuigenis die vandaag in de media verscheen: als je als pleegouder op heel korte tijd maar liefst zestien kinderen moet opvangen, dan is het heel moeilijk om op een degelijke manier verder te werken. Hier is duidelijk uitbreiding aan de orde.

Mieke Vogels

Mevrouw De Wachter, nu minister Lieten ook hier is, wil ik u vragen of u het eens bent met mijn analyse van daarstraks dat we moeten stoppen met het over kinderarmoede te hebben omdat dat de indruk wekt dat het een apart probleem is. Kinderarmoede bestaat niet, er bestaan gezinnen met armoede.

Hoe komt het dan bijvoorbeeld dat een minister van uw partij, minister Van den Bossche, erin slaagt om ze uit de inkomensschalen voor de sociale huisvesting te halen? Hoe kunt u dit rijmen met een beleid dat de armoede bestrijdt?

Een van de grote problemen van armoede vandaag is het gebrek aan een goede huisvesting voor gezinnen met kinderen. Waarom doet deze regering daar niets aan? Bent u het eens met mijn analyse dat we moeten stoppen met praten over kinderarmoede en dat we moeten starten met het bestrijden van armoede?

Else De Wachter

Ik ben het alleen met het laatste eens. De armoede moet bestreden worden, dat is essentieel. U mag niet telkens weer schieten op de pianist. We hebben een minister van Armoedebestrijding die heel duidelijk de cijfers weergeeft en daar heel duidelijk projecten tegenover stelt die – dat heb ik daarnet al aangehaald – nu moeten worden verankerd om het succes te kunnen voortzetten. Maar armoede moeten we inderdaad op alle beleidsdomeinen bestrijden, en dat gebeurt ook. U haalt alles een beetje door elkaar. Als u bekijkt hoeveel acties worden ondernomen op lokaal niveau, onder andere dankzij de subsidiëring van hogere overheden, om ervoor te zorgen dat kinderen en gezinnen in armoede, de mogelijkheid hebben om in een degelijke woning te wonen… (Opmerkingen van mevrouw Mieke Vogels)

Dat is wel waar. Ik kan aan de hand van mijn lokale ervaring bewijzen dat dit wel het geval is.

In de sociale huisvesting wordt ervoor gezorgd dat kinderen en mensen in armoede, niet in de kansarmoede terechtkomen. Dat is wel een feit. Ik vind het alleen een beetje jammer dat altijd wordt geprobeerd om een verhaal helemaal anders en vooral niet correct te vertellen.

Mieke Vogels

De cijfers spreken toch voor zich, mevrouw De Wachter? Elk nieuw rapport toont aan dat de armoede toeneemt en dat kinderen steeds meer in arme gezinnen opgroeien. En dat los je echt niet op met een experimentje hier en een experimentje daar, maar door duidelijke keuzes te maken, door voorrang te geven aan de meest kansarmen in de sociale huisvesting en door die sociale huisvesting niet te oriënteren op de iets hogere klasse. Dat los je op door voorrang te geven aan kansarme kinderen in scholen. Je lost dat niet op met projectjes, begrijp dat nu toch eens, en lees de cijfers: elke maand is er wel een nieuw armoederapport en de armoede neemt toe, en neemt niet af.

De voorzitter

Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten

Ik heb uw opinie ook gelezen in de krant. Ik was ook een beetje verbaasd, want ik moet daaruit afleiden dat eigenlijk de kinderarmoede wilt ontkennen. In het Pact 2020 staat er een doelstelling om de kinderarmoede te verminderen. Ik neem aan dat u dat dan een zinloze doelstelling vindt. We hebben in Vlaanderen in Actie (ViA) ook die doelstelling. Dat vindt u dan ook een zinloze doelstelling, neem ik aan. We hebben met de Vlaamse Regering een geïntegreerd actieplan waar alle ministers voorstellen doen om de kinderarmoede aan te pakken. Dat vindt u dan ook zinloos, denk ik. Kind en Gezin maakt een barometer op, waarbij ze bij iedere geboorte in Vlaanderen kijken of het gaat om een kind dat in armoede geboren wordt. Dat vindt u blijkbaar ook allemaal zinloos. Ik vind dat dus niet.

Uiteraard vertrekken wij vanuit de benadering dat armoede en kinderarmoede niet alleen te maken heeft met de centen of de inkomenssituatie van de ouders, maar ook met onderwijs, met gezondheidszorg en met huisvesting. Aan al deze maatregelen moet er worden gewerkt, en dat is nu juist de aanpak van de Vlaamse Regering. Zeker inzake huisvesting worden er enorme stappen gezet. Deze Vlaamse Regering maakt heel veel extra miljoenen euro vrij om meer sociale woningen op de markt te brengen. (Opmerkingen van Mevrouw Mieke Vogels)

U kunt nee schudden, maar u kunt naar de cijfers kijken van de voorbije jaren: u ziet een stijging van het aantal sociale huurwoningen en sociale koopwoningen. Door het verhogen van het aanbod op het terrein, wat nu volop bezig is, is het mogelijk voor minister Van den Bossche om die basisinkomens op te trekken. Want de realiteit is vandaag dat een alleenstaande moeder met kinderen zelfs niet in aanmerking komt voor sociale huisvesting.

Mieke Vogels

Dat is flauwekul, dat heeft er niks mee te maken.

Minister Ingrid Lieten

Het is juist de bedoeling om die isolatie van mensen in armoede te vermijden en om die sociale mix een beetje uit te breiden, en daar staan we met deze Vlaamse Regering volledig achter.

Mieke Vogels

Mevrouw Lieten, u maakt er altijd één grote bric-à-brac van. (Rumoer)

De Vlaamse Woonraad heeft al drie keer gewaarschuwd dat door het beleid van deze regering de doelgroep van de sociale woningen steeds meer verschuift, en dat diegenen met de hoogste nood aan woningen steeds langer op wachtlijsten staan. Dat zijn ook cijfers.

Nu u hier toch bent – ik heb het vorige week ook aan minister Van den Bossche gevraagd maar zij heeft niet geantwoord –, u zegt dat u een armoedetoets hebt, en dat u die armoedetoets toepast op de beslissingen van de Vlaamse Regering. Is de armoedetoets toegepast op het ontwerp van decreet Integrale Jeugdhulpverlening en op het besluit van de Vlaamse Regering tot het optrekken van de inkomensschalen van de sociale huisvesting?

Minister Ingrid Lieten

Mevrouw Vogels, u gaat een beetje snel. Die armoedetoets is net goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Wij hebben die uitgetest aan de hand van een aantal besluiten, en we gaan die vanaf nu op ieder ontwerp van decreet en op ieder besluit verder toepassen. Dat is een structurele verankering van ons armoedebeleid om in de toekomst bij elk nieuw ontwerp van decreet te kijken of het de armoede vergroot of vermindert. Dat is nog niet toegepast, omdat het toen nog niet goedgekeurd was.

Mieke Vogels

Maar u hebt het al zes keer verkocht in de pers!

Minister Ingrid Lieten

Ik ben ervan overtuigd, mevrouw Vogels, dat als u het ontwerp van decreet goed leest, u zult zien dat dit decreet juist in positieve zin zal helpen om de armoede tegen te gaan. De toets zal dus zeker doorstaan worden

Mieke Vogels

Ik zou u toch willen uitnodigen om die toets eens te doen.

De voorzitter

De heer Reekmans heeft het woord.

Peter Reekmans

Collega De Wachter, u zei net dat op lokaal vlak alles goed loopt in de bestrijding van armoede en dat Vlaanderen dat schitterend ondersteunt met de minister van Armoedebestrijding.

Minister, ik heb in het begin van de gemeentelijke legislatuur op het gemeentehuis een oproep gekregen om aan een schepen de bevoegdheid voor armoedebestrijding te verlenen. Maar daarna heb ik van de Vlaamse Regering niets meer gehoord over hoe die de lokale besturen de armoede moeten aanpakken.

Collega Vogels heeft inderdaad een punt. Wij hebben vandaag inderdaad heel veel projectsubsidies die niet werken of hun doel missen.

Ik verklaar me nader. Het is een federale maatregel: socioculturele participatie. Ik weet niet, mevrouw De Wachter, hoe dat werkt in Kapelle-op-den-Bos, maar in mijn gemeente werd er vroeger amper 30 tot 40 procent van gebruikt. U weet dat de socioculturele participatie voornamelijk dient om de kinderarmoede te bestrijden. Heel veel gemeentebesturen en OCMW-besturen weten vandaag niet waarvoor dat dient. Weet u hoeveel van dat budget gemiddeld wordt gebruikt? Vorig jaar werd maar 68 procent van dat budget voor socioculturele participatie gebruikt, dat de OCMW-besturen krijgen voornamelijk voor kinderarmoede. Dan kun je toch moeilijk zeggen dat het op het lokale terrein overal goed loopt in de bestrijding van kinderarmoede.

Marijke Dillen

Minister, ik zou graag tegenspreken wat u hier zegt en de woorden van mevrouw Vogels bijtreden. De aanpak van uw beleid en van de Vlaamse Regering is absoluut niet gestructureerd. Het zijn allemaal losse projectjes, die los van elkaar en onafhankelijk werken, waartussen geen enkele bindingslijn is en geen structureel verhaal. Ze zijn niet samenhangend. Dat getuigt niet van een werkelijk inclusief geïntegreerd beleid.

U schudt ijverig nee, minister. Vandaag nog spreken experten tegen wat u hebt gezegd. Naar aanleiding van de cijfers van het verslag van de bijzondere jeugdzorg kunnen we lezen dat experten vinden dat uw strijd tegen armoede absoluut niet gestructureerd is en niet op schema zit. Dat zijn niet mijn woorden, minister, maar de woorden van de vertegenwoordiger van het Vlaamse Netwerk tegen Armoede. U gaat nooit, zo wordt gewaarschuwd – en ik vrees dat ze gelijk hebben –, de doelstellingen van het Pact 2020 halen. Tegen 2020 gaat de armoede niet worden gehalveerd. Uw partij, minister, zit al veertig jaar in al die opeenvolgende regeringen. (Opmerkingen)

Vlaamse Regeringen zijn er nog geen veertig jaar, maar sinds het begin zit u er bijna altijd in, altijd zelfs, als ik me niet vergis. Al veertig jaar blijven de cijfers hetzelfde. Het kan niet worden toegeschreven aan de economische crisis, waarin wij hier in Vlaanderen zitten. U was er niet bij mijn pleidooi, minister, maar ik herhaal mijn vraag: wanneer gaat deze Vlaamse Regering eindelijk bereid zijn om het roer fundamenteel om te gooien en te werken aan een inclusief armoedebeleid, waarin alle ministers hun verantwoordelijkheid hebben en dat gebaseerd is op bepaalde structuren die samenhangend zijn?

Minister Ingrid Lieten

Collega’s, misschien even recapituleren. Als we kijken naar de cijfers van de armoede in Vlaanderen, zien we een aantal dingen. Ten eerste zien we dat het gemiddelde cijfer van armoede redelijk constant blijft. Dat is niet iets om hoera over te roepen, maar het blijft redelijk constant, in tegenstelling toch tot de ons omringende landen. Ik noem maar twee gidslanden, Nederland en Duitsland, waar het armoedecijfer serieus stijgt. Dat is één positief deel: onze systemen en structuren slagen er ten minste in om de gevolgen van de crisis op te vangen.

Waar we niet stabiel blijven, is in de kinderarmoede. We zien dat het aantal kinderen dat geboren wordt in gezinnen in armoede, stijgt. Net daarom heeft de Vlaamse Regering twee jaar geleden al, op mijn voorstel, een specifiek actieplan kinderarmoede aangenomen.

Hoe werken wij? Mijnheer Reekmans, dat is ook een beetje de methodiek die we willen aanreiken aan de gemeentebesturen. Wij gaan ervan uit dat armoedebestrijding uiteindelijk een combinatie is van uitsluitingen. Het gaat niet enkel over het basisinkomen van mensen, maar ook over isolatie, tewerkstelling, participatie in de wijk en het verenigingsleven, huisvesting, gezondheidszorg, de positie en het traject van de kinderen in de school. Er moet worden gewerkt op alle fronten. Daarom ook heeft elke minister in deze Vlaamse Regering in zijn eigen beleidsdomein maatregelen voorgesteld, die geïntegreerd zijn in zijn beleidsdomein, maar die we ook geïntegreerd hebben op horizontaal niveau.

We beschikken over het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding. Dit plan bevat meer dan honderd maatregelen. We hebben de prioriteiten samen met het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen vastgelegd. We hebben in het bijzonder het Vlaams Actieprogramma Kinderarmoedebestrijding uitgewerkt. Die geïntegreerde en inclusieve benadering begint stilaan vruchten af te werpen. De overige leden van de Vlaamse Regering leveren ernstige inspanningen en werken hieraan. We zien echter ook dat de samenwerking wijzigt. De context waarin kinderen worden geboren, wijzigt ook. De gezichten van armoede wijzigen.

Onlangs hebben de cijfergegevens met betrekking tot de evolutie van de eenoudergezinnen in de kranten gestaan. Dit fenomeen is de voorbije twintig jaar enorm toegenomen. Voor veel mensen die in hun eentje een gezin moeten onderhouden, houdt dit enorme materiële uitdagingen in. Eenoudergezinnen bevinden zich vaak op de grens van de armoede. We zien ook dat de kinderarmoede in de grote steden stijgt. Kinderarmoede komt vooral voor in gezinnen met een lage of geen werkzaamheidsgraad, in gezinnen met veel kinderen en in gezinnen waarvan een of beide ouders van allochtone origine zijn.

Al die uitdagingen veranderen uiteindelijk de maatschappij. Het is noodzakelijk dat we ons armoedebeleid permanent aanpassen. We doen dat ook. Die geïntegreerde en inclusieve benadering is in een aantal decreten en horizontale initiatieven van de Vlaamse Regering terug te vinden.

Dit is te vinden in de wijze waarop we met de interne staatshervorming omgaan. We werken samen met de gemeentebesturen, die we duidelijk de regierol hebben toebedeeld. De gemeentebesturen moeten zorgen voor de samenwerking tussen het onderwijs, de kinderopvang en dergelijke. Die integrale, inclusieve benadering is ook te vinden in het decreet betreffende de gezinsondersteuning en in veel andere decreten.

Ik heb naar aanleiding van de recentste gemeenteraadsverkiezingen een oproep gelanceerd. We willen de gemeenten de juiste cijfergegevens over de kinderarmoede verstrekken. We kennen die gegevens per gemeente en per jaar. Voor veel mensen is dit jammer genoeg vaak een eyeopener.

We reiken de gemeentebesturen ook methodologieën aan om een geïntegreerde inclusieve benadering te ontwikkelen om de armoedebestrijding aan te pakken. Een van de stappen hierin bestaat eruit een lid van het college van burgemeester en schepenen aan te duiden die dit beleid moet integreren. Dat kan de burgemeester, de schepen van Sociale Zaken of de voorzitter van het OCMW zijn. De gemeentelijke aanpak van armoede blijft niet tot het OCMW beperkt. Het gaat onder meer ook over huisvesting, onderwijs en veiligheid. Een geïntegreerde aanpak is wenselijk.

We hebben niet enkel een oproep gelanceerd. We hebben ook een handboek met methodologieën uitgewerkt waarin we die aanpak illustreren en voorbeelden geven uit de verschillende gemeenten die hier al aan hebben gewerkt. In feite dragen we de kennis over de best practices over aan de gemeentebesturen.

De volgende weken zal in elke provincie in aanwezigheid van de provinciegouverneur een werkvergadering plaatsvinden. Alle gemeentebesturen zijn uitgenodigd om samen na te gaan wat we kunnen doen om die kennis met elkaar te delen en hoe we nog geïntegreerder en inclusiever kunnen werken.

Ik ben ervan overtuigd dat we de kinderarmoede enkel kunnen aanpakken indien dit voor elke overheid, de federale overheid, de Vlaamse overheid, de provinciale overheden en de gemeentelijke overheden, een prioriteit vormt. Daar werken we nu aan.

De voorzitter

Mevrouw Van Volcem heeft het woord.

Voorzitter, ik wil de woorden van mevrouw Vogels volledig onderschrijven. Ze heeft gelijk. Er is binnen de Vlaamse Regering een verkokering aan de gang. Mevrouw De Waele heeft minister Lieten gevraagd of ze de uitbreiding van de inkomensgrens voor sociale huisvesting een goede zaak zou zijn. Minister Lieten heeft toen verklaard dat dit volgens haar een slechte zaak zou zijn. Toch heeft de Vlaamse Regering twee maanden later op verzoek van de minister van Wonen beslist die maatregel toch uit te voeren.

Ik moet eerlijk zeggen dat het stadsbestuur zonder socialisten in Antwerpen socialer bestuurt dan de Vlaamse Regering. Volgens het Antwerps beleid kan een kind eten voor 1 euro.

Het is oud socialisme dat ik vandaag zie, waarbij men niet inzet op sociale mobiliteit. Ik ben voor de maatregelen waarbij men met overheidsmiddelen de zwakste ondersteunt. Mevrouw Vogels heeft gelijk, de Vlaamse Woonraad zegt dat de sociale woningen moeten dienen voor mensen met een laag inkomen. De kinderen die in armoede leven, hebben daar recht op. In die zin kan ik het beleid van de Vlaamse Regering absoluut niet ondersteunen. (Applaus bij Open Vld)

Peter Reekmans

Minister, ik heb niet gezegd dat u niets deed, maar ik heb gezegd dat er heel veel initiatieven worden genomen naar de gemeente toe. Er zijn inderdaad ook voldoende overlegmomenten. Ik weet dat het een federale aangelegenheid is, maar het lijkt mij dat de socioculturele participatie een van de belangrijkste wapens is waar de OCMW-besturen vandaag over beschikken in de strijd tegen kinderarmoede. Die socioculturele participatie wordt vandaag gemiddeld amper voor twee derde gebruikt. Dat zijn niet mijn cijfers, hoor. In mijn gemeente was het 30 à 40 procent, in Vlaanderen was het gemiddeld 72 procent – zo heb ik als antwoord gekregen op een vraag –, dus twee derde.

Minister, uw partijgenote vooraan zei net dat er op lokaal niveau heel veel initiatieven worden genomen. Maar het is voor dat lokaal niveau blijkbaar nog niet duidelijk hoe ze de middelen moeten besteden. Dat toont aan dat het te versnipperd is, dat je met projectsubsidies zit die niet duidelijk en niet homogeen zijn. We hebben de middelen, hoewel het tijden van budgettaire krapte zijn. De fondsen zijn er, maar worden amper voor twee derde gebruikt. Minister, dan is het uw taak na te gaan waar het schort.

Minister Ingrid Lieten

U hebt het natuurlijk wel over subsidiekanalen die de federale overheid ter beschikking stelt. In ieder geval hebben we vanuit het Vlaams niveau heel veel goede ideeën en projecten verzameld, waarbij lokale besturen samen met vrijwilligersorganisaties en welzijnsorganisaties effectief kunnen inzetten op de coaching en begeleiding van de ouders. Ze moeten daarbij focussen op de jonge kinderen van 0 tot 3 jaar. We weten namelijk meer en meer dat in die leeftijdscategorie de grootste impact kan worden gemaakt om een kind sterker te maken. Dat is ook de opzet van onze actie: die best cases, die voorbeelden verder uit te leggen.

Else De Wachter

Mevrouw Vogels, u stelt mij allerlei vragen waar ik net het antwoord op heb gegeven. Ik zou mijn betoog nog eens kunnen herhalen, maar ik denk niet dat de voorzitter dat zou appreciëren. Ik begrijp dat u er, net als ik, voorstander van bent dat, wanneer er ruimte komt op die Vlaamse begroting, we die prioritair moeten inzetten op het bestrijden van het armoederisico bij jongeren en kinderen.

Ik wil geen welles-nietesspelletjes spelen, maar er zijn gemeenten die het wel goed menen, die effectief inzetten op armoedebestrijding en daar een horizontale beleidsprioriteit van maken en zeer goed weten waar men wat voor kan gebruiken. Ik zou aan de anderen zeggen: ga aan de slag. Het is er, dus het is zeer belangrijk daar nu ook werk van te maken.

Minister, verder is er ook dringende nood aan extra plaatsen in de bijzondere jeugdbijstand voor de 0 tot 12-jarigen in alle centrumsteden, waardoor onder andere de ckg’s hun preventieve taken voluit kunnen uitoefenen in plaats van wachtkamer te spelen voor de bijzondere jeugdzorg.

Daarnaast waren de aanbevelingen van de tien maanden durende Commissie Jeugdzorg zeer duidelijk. Er zijn al heel wat besprekingen geweest. De voorbije weken zijn er hoorzittingen geweest in de commissie Welzijn over dit toekomstige decreet. Ik denk dat de boodschap zeer duidelijk was. De sprekers hebben heel duidelijk aangegeven waar de problemen zitten. Ze hebben de vinger op de wonde gelegd. De ongerustheid, het zorgwekkende, moet nu inderdaad onmiddellijk plaatsmaken voor daadkracht. De aanbevelingen van de Commissie Jeugdzorg en van de sprekers in de hoorzittingen moeten worden meegenomen in het hele verhaal van de integrale jeugdhulp. We moeten de cliënt, de jongere, centraal stellen in het ganse geheel.

Minister, ik geef u graag nog enkele heel concrete suggesties mee als begin voor uitgestelde oplossingen. Neem alle aanbevelingen van de jeugdzorgmotie ter harte. Geef kinderen en jongeren het recht op inspraak in de jeugdzorg, participatie aan hun hulpverlening en bouw vrijwilligheid in. Niets is zo nefast als wanneer een jongere en zijn omgeving het bos niet meer door de bomen zien, geen zeg meer hebben in wat voor hen door anderen wordt beslist. Ga voor die trajectbegeleider, die lifecoach, die vertrouwenspersoon voor de jongeren. Een vertrouwenspersoon die de jongere doorheen de ganse hulpverlening begeleidt en opvolgt, zodat die jongere niet iedere keer opnieuw het hele verhaal moet vertellen en iemand heeft waarop hij kan vertrouwen. Iemand die de jongere zelf aanduidt, die te allen tijde zijn belangen mag verdedigen, voorgestelde hulp in vraag mag en kan stellen en samen met de jongere adviezen formuleert voor voortzetting en bij nieuwe hulpverleningsfasen.

Enkel op die wijze kan herzienbare flexibele hulp op maat geboden worden.

We moeten er ook voor zorgen dat er een naadloze aansluiting mogelijk is op de volwassenhulpverlening. Ook dat is cruciaal.

Het zou ook goed zijn een advies- en klachtenbureau te installeren waar de cliënten en de hulpverleners terechtkunnen met hun vragen en klachten en met bezwaarprocedures. Ik wil u ook adviseren goed na te denken over het mogelijke behoud van de bemiddelingscommissie. Dat is gebleken uit alle onderhandelingen.

Die principes moeten worden opgenomen in het decreet Integrale Jeugdhulp. We zijn ervan overtuigd dat vandaag investeren in jeugdzorg rendement betekent in de toekomst. Want waar denkt u dat de kansarme jongeren van tien jaar geleden, nu als jongvolwassenen vaak terug te vinden zijn? Wat is de uitkomst of het toekomstperspectief voor jongeren die nu niet op de juiste manier hulp aangeboden krijgen? Het is toch onze verdomde plicht om de meest kwetsbare kinderen te helpen in plaats van hun toekomst nog eens bijkomend te bezwaren?

Wat rest er voor en van de motivatie van de mensen wier doel en arbeidsvreugde erin bestond en bestaat beterschap en perspectieven te bieden aan wie jong is en naar een betere toekomst snakt?

Tot slot, jongeren moeten toch gewoon worden geholpen, niet? Geef hen die kans via de nodige participatie, inspraak, voldoende laagdrempelige en vrijwillige hulpverlening en laat hen vertrouwen opbouwen met iemand. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Mevrouw Stevens heeft het woord.

Helga Stevens

Voorzitter, minister collega’s, de laatste maanden worden we opnieuw geconfronteerd met alarmerende berichten en cijfers over onze jeugd in Vlaanderen.

Te veel kinderen in Vlaanderen beleven hun jeugd vandaag op een wijze die nu al een zware hypotheek legt op hun toekomst, en dit door redenen waar ze meestal zelf geen greep op hebben.

De administrateur-generaal van het agentschap Jongerenwelzijn, de heer Van Mulders, verwees naar de stijgende kinderarmoede als een van de en waarschijnlijk zelfs de voornaamste oorzaak van het stijgend aantal jongeren in de bijzondere jeugdzorg. Ook legde hij de link tussen het aantal jongeren in de bijzondere jeugdzorg en het aantal jongeren dat opgroeit in gezinnen met een verstoord sociaal weefsel door scheidingen, breuken of migratie. Hoe kan dat? Wat zijn de oorzaken? En vooral, wat kunnen we daar heel concreet aan doen?

Deze Vlaamse Regering zit in elk geval niet stil om een antwoord te bieden op deze met elkaar verbonden problematieken. De Vlaamse Regering is er in 2012 met haar transversale aanpak – elke minister neemt in zijn of haar beleidsdomein initiatieven om de armoedeproblematiek te voorkomen of te bestrijden – in geslaagd om de armoede in Vlaanderen terug te dringen in vergelijking met 2011.

In 2011 leefden 650.000 mensen onder de armoederisicodrempel, in 2012 was dat aantal gedaald naar 610.000. Het inburgeringsbeleid van minister Bourgeois ten aanzien van minderjarige anderstalige nieuwkomers vertrekt vanuit het principe dat inburgering van minderjarigen voor het belangrijkste deel via het onderwijs verloopt. Indien nodig kan het toeleidingstraject ook een doorverwijzing naar gezondheids- en welzijnsvoorzieningen inhouden.

Het nieuwe decreet Integrale Jeugdhulp van de ministers Vandeurzen en Smet, dat de jongere centraal stelt, zal ervoor zorgen dat alle sectoren en diensten in de jeugdhulp hun manier van werken beter op elkaar afstemmen, in het belang van de kinderen en de jongeren.

Over wat dit decreet concreet inhoudt, is hier al heel veel gezegd. Ik zal dit niet herhalen. De N-VA wil deze kinderen en jongeren niet loslaten aangezien zij de toekomst zijn. Het is absoluut cruciaal dat de samenleving zo vroeg mogelijk investeert in kinderen en jongeren.

In dit kader kan het belang van preventie niet genoeg benadrukt worden. Preventie is altijd beter dan achteraf, nadat de zaak geëscaleerd is, de brokken te moeten lijmen. Vandaar ook dat minister Bourgeois onlangs pleitte voor een koppeling tussen inkomen en kinderbijslag vanaf 2014. Ik wil dat pleidooi hier vandaag herhalen. De N-VA is in het kader van een vernieuwde kinderbijslag voorstander van hetzelfde basisbedrag voor alle kinderen. Bovenop dit basisbedrag wil de N-VA nog twee toeslagen: voor gezinnen in armoede en voor kinderen met een handicap.

Beste collega’s, de armoedeproblematiek en de gevolgen van migratie hebben natuurlijk een grote impact op kinderen. Maar dit verklaart niet alles. Er zijn immers ook veel kinderen uit kansarme en allochtone gezinnen die ondanks alle aanwezige drempels goed terechtkomen en een mooi leven kunnen uitbouwen. Daarom moet er naast de aanpak van armoede en kansarmoede verder geïnvesteerd worden in het ondersteunen van gezinnen bij de opvoeding van kinderen en jongeren. Dat doen we al concreet met bijvoorbeeld de opvoedingswinkels, het Triple P-programma en de Kinderen- en Jongerentelefoon.

Inzake vroege preventie speelt Vlaanderen een voortrekkersrol met de consultatiebureaus van Kind en Gezin, voorzieningen die redelijk uniek zijn in Europa. Dankzij de consultatiebureaus en de regioverpleegkundigen heeft de Vlaamse Gemeenschap een goed idee van de leefsituatie binnen vele gezinnen. Dit langzaam opgebouwde wederzijdse vertrouwen tussen overheid en gezinnen moet verder uitgebouwd worden om de overgang van thuis naar kinderopvang en nadien naar de school zo naadloos mogelijk te laten verlopen. Situaties die mogelijk problemen opleveren, moeten niet alleen zo snel mogelijk gedetecteerd worden, er moet ook onmiddellijk en op gepaste wijze ingegrepen worden.

Ten slotte denkt de N-VA dat het cruciaal is om alle ouders te wijzen op hun persoonlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van hun kinderen, zeker bij bijvoorbeeld een scheiding of een breuk in de relatie. Het kan niet dat kinderen en jongeren de dupe worden van een scheiding of een breuk tussen hun ouders. Dit betekent concreet dat ouders, los van de scheidingsperikelen, het welzijn van hun kind of kinderen als een absolute eerste prioriteit moeten beschouwen. Ex-partners moeten elkaar de ruimte gunnen om volwaardig moeder of vader te zijn van hun kind, ondanks het feit dat hun persoonlijke relatie misschien een dieptepunt heeft bereikt. We kunnen en moeten van volwassenen durven te verwachten dat ze in het belang van hun kind of kinderen goede en duidelijke afspraken maken. Kinderen mogen nooit gebruikt worden als wapen om een ex-partner te treffen. De N-VA wil dus zeker in dit debat ook het belang van scheidingsbemiddeling aanstippen. Deze dienst wordt momenteel in Vlaanderen aangeboden door bijvoorbeeld de centra algemeen welzijnswerk, de CAW’s. Gezien de verontrustende cijfers over onze jeugd moet dit misschien nog versterkt worden.

Over het ontwerp van kaderdecreet Integrale Jeugdhulp zijn er inderdaad de vorige weken hoorzittingen geweest. Wij zullen rekening houden met alle opmerkingen, ook kritische opmerkingen, die werden geformuleerd. De komende weken zullen wij dat verder bediscussiëren en wij zullen eventueel amendementen toevoegen. Wij staan open voor een constructieve samenwerking, want dit nieuwe decreet is er in het belang van alle kinderen in Vlaanderen. Zij hebben onze steun en hulp zeer hard nodig. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Reekmans heeft het woord.

Peter Reekmans

Voorzitter, ministers, collega’s, een van de indicatoren die de graad van beschaving in een land aanduidt, is de hoeveelheid en vooral de kwaliteit van de aandacht die van overheidswege aan jongeren wordt besteed. Het jaarverslag 2012 van Jongerenwelzijn biedt ons ten overvloede een kijk op het hele jeugdhulplandschap in Vlaanderen. Er is een duidelijk verband tussen de druk op de jeugdzorg en de gestegen kinderarmoede. Daarom vroeg ik, minister Lieten, dat u aanwezig zou zijn bij dit debat, omdat het deels gaat over jeugdhulpverlening. Binnenkort gaat het daar ten gronde over in de commissie. We moeten vooral kijken naar hoe het probleem verder uitdijt en hoe je de oorzaken aanpakt.

De komende jaren staan we voor grondige wijzigingen die dat landschap en de jeugdhulpverlening in Vlaanderen een andere aanblik zullen geven. Hierbij denk ik onder andere aan het nieuwe decreet Integrale Jeugdhulp, aan het modulaire kader voor het jeugdhulpaanbod, aan het decreet Pleegzorg, en aan de langverwachte vernieuwingen in de gemeenschapsinstellingen. Van alle kinderen en jongeren die in 2012 hulp kregen van de bijzondere jeugdzorg – dat waren er trouwens weer meer dan in 2011 –, was bijna één op de drie jonger dan tien jaar. Meer dan 40 procent was jonger dan twaalf. Soms gaat het zelfs om pasgeboren baby’s, zo konden we gisteren nog uit de pakkende getuigenis van een jeugdrechter in de pers opmaken.

Hiermee houdt de zorgwekkende tendens van een stijgend percentage jonge kinderen in de bijzondere jeugdzorg jaar na jaar aan. In vijf jaar tijd is het aantal jongeren in de bijzondere jeugdzorg met 15 procent gestegen, tot bijna 27.000. De stijging is volledig voor rekening van kinderen en jongeren onder de vijftien jaar. Meer jongeren, en meer jonge jongeren, een dubbele alarmbel voor de regering.

De toenemende kansarmoede en de erosie van het sociale weefsel in en rond gezinnen door meer migratie en door gezinnen die uit elkaar vallen, is hier niet vreemd aan. Het overgrote deel – 84 procent van de gevallen – zijn kinderen en jongeren in problematische leefsituaties. Die notie ‘problematische leefsituatie’ mag dan wel worden geschrapt uit het vakjargon, de realiteit wordt er niet mooier op, wel integendeel. Over 27.000 jongeren gaat dit jaarverslag. 24.000 ervan komen bij de bijzondere jeugdzorg terecht omdat ze opgroeien in een moeilijke context, dikwijls in een complex eenouder- of arm gezin.

Een groot deel van de jongeren die in aanraking komen met de bijzondere jeugdzorg, leven immers in precaire omstandigheden: op het vlak van huisvesting, van verwarmingskosten, van elektriciteitsfactuur et cetera. Inderdaad, het zijn problemen die we in dit halfrond al heel vaak hebben behandeld. Ik wil er enkele uitlichten, waarin de Vlaamse Regering vandaag geen initiatieven neemt, maar waar ze mee verantwoordelijk is voor wat er op het terrein gebeurt.

Ik geef het voorbeeld van kinderen in armoede die wonen in slechte huizen met hoge energiefacturen. Ik heb in het parlement al vier jaar aangeklaagd dat het niet kan dat mensen die hun energiefactuur niet kunnen betalen, en die werden gedropt bij de distributiebeheerder, meer moesten betalen nadat ze hun schulden niet konden betalen, dan voor ze schulden maakten. Ik heb vernomen dat er nu een federaal initiatief is om daar eindelijk werk van te maken. Maar vier jaar en zelfs al veel langer sleept het probleem aan dat we mensen die hun energiefactuur niet kunnen betalen, meer doen betalen. Hoe kun je hen in godsnaam uit de armoede krijgen?

Een ander voorbeeld zijn de wachtlijsten van de sociale woningen. De uitbreiding van de huurpremie blijft nog steeds uit. Zolang we daar niet meer op inzetten, kun je die gezinnen geen betere omstandigheden geven. Het schrijnendste is dat als arme kinderen ziek zijn, ouders vaak schulden moeten maken voor de dokterskosten. De Vlaamse Regering beloofde de wijkgezondheidscentra uit te breiden. Daar zit nog geen enkele beweging in.

De toekenning van de schuldtoelage wordt in dit debat een beetje over het hoofd gezien. De voorbije maanden zijn 3000 gezinnen uit de boot gevallen omdat ze hun aanvraag voor een schooltoelage te laat deden. De Vlaamse Regering heeft nog nooit een factuur op tijd betaald. Die mensen waren iets te laat om een aanvraag te doen, en ze vallen uit de boot. Bij die 3000 gezinnen zijn er kinderen van die 27.000 die het meeste nood hebben aan die maatregelen. Ik begrijp echt niet dat de Vlaamse Regering vandaag zegt: we zijn ermee bezig en iedere minister steekt dat in zijn beleidsdomein. Als de Vlaamse Regering iets minder hardvochtig zou zijn in zulke beslissingen, zodat die 3000 gezinnen wel die toelage zouden krijgen, dan zouden we al een groot deel van die 27.000 kinderen vooruithelpen.

Minister, de sector van de bijzondere jeugdzorg maakt inderdaad grote veranderingen door. Ik ben niet de grote expert in jeugdzorg, maar één ding vind ik wel belangrijk in dit dossier, namelijk dat Vlaanderen ernaar wil streven om tot de wereldtop te behoren. De minister-president wil in 2020 tot de top van de regio’s in Europa behoren. Ik denk dat u dan op korte termijn uw beleid zult moeten heroriënteren, in het licht van de voortdurende stijging van het aantal vooral jonge kinderen in de bijzondere jeugdzorg. Ik heb het dan niet over de introductie van nieuwe noties, woorden, termen en begrippen, maar over daadwerkelijke beleidsinitiatieven op het terrein en over de timing van de uitvoering bijvoorbeeld inzake de multifunctionele centra waarbij een enkele organisatie een breed gamma van hulpvormen aanbiedt. Hoe snel zal dit model in de hele sector in Vlaanderen worden uitgerold?

Minister, u bent bevoegd voor armoede. Eigenlijk zijn er nog maar drie prioriteiten in uw beleid op schema. Ik zeg dat niet, maar de sector die met armoedewerking bezig is. De armoedetoets zou op schema zijn, de vrijetijdspas en een wetenschappelijk steunpunt voor armoede. Voor de rest blijft het afwachten, op wat projectsubsidies na. Ik lees dat in de mediaberichten van een organisatie die toch iets van armoede kent. Uw strategische keuze om volop in te zetten op de bestrijding van kinderarmoede bij de allerjongsten tot 3 jaar, is een heel juiste en heel terechte keuze, maar het Vlaamse Armoedeplan dat vijftien prioriteiten vooropstelt, gaat veel te traag vooruit.

Minister, ik gaf daarnet het voorbeeld van socioculturele participatie. Dat is schrijnend. Als lokale besturen wel wordt gevraagd om een schepen van Armoede te hebben maar twee derde van de middelen die ze hebben om armoede weg te werken, niet gebruiken, dan moet u als minister van Armoede die lokale besturen toch eens gaan uitleggen waar die middelen voor dienen. Dat is het pijnlijke: de middelen zijn er, maar men doet er niets mee. (Applaus bij LDD)

Minister Jo Vandeurzen

Voorzitter, collega’s, ik ga kort antwoorden omdat heel veel al aan bod is geweest in de dialoog tijdens de verschillende betogen.

Ik probeer een aantal dingen op een rij te zetten. Het jaarverslag van het agentschap Jongerenwelzijn schept niet een beeld dat plotseling opduikt. Sinds 2008 is het aantal jongeren onder 10 jaar dat echt een grote groep wordt in de bijzondere jeugdzorg, een realiteit. Het is sinds 2008 dat het agentschap Jongerenwelzijn dat ook meldt en in het verslag aangeeft dat deze heel jonge mensen voortdurend meer aandacht van de hulpverleners in de bijzondere jeugdzorg vragen. De reden waarom er in 2008 zo uitdrukkelijk de aandacht op is gevestigd, is omdat het agentschap ook wil aangeven dat het cliché dat bijzondere jeugdzorg alleen maar te maken heeft met jongeren die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, geen juiste voorstelling van zaken is. 90 procent van de inspanningen in de hulpverlening hebben betrekking op jongeren in problematische opvoedingssituaties. Het aantal jongeren dat in contact is gekomen met de bijzondere jeugdzorg is in 2012, ten opzichte van 2011, licht gestegen met 1,9 procent. Dat betekent dat ongeveer 500 minderjarigen meer ondersteund worden door de bijzondere jeugdzorg. Als je natuurlijk een langer termijnperspectief neemt, dan kun je niet om de realiteit heen dat het aantal heel jonge kinderen in de bijzondere jeugdzorg een hele grote groep geworden is en dat die groep alsmaar groter wordt. Ik ga niet meer ingaan op het debat over de integrale jeugdhulp, want we zullen dat hier en in de commissie nog uitvoerig voeren.

Toch een tweede punt. Het is een gedeeld inzicht in de Vlaamse Regering, en dat is ook de verdienste van mijn collega-minister Lieten in de manier waarop het armoedebestrijdingsplan wordt opgevat, dat een focus op de leefsituatie van jonge kinderen een absolute prioriteit verdient. Ik ga akkoord met alle bijkomende bedenkingen of verwijzingen naar het inkomen van de ouders, de huisvesting enzovoort. Dat zijn allemaal zeer pertinente analyses, maar we kunnen er niet omheen dat internationaal en ook in onze eigen gemeenschap, het inzicht groeit dat je moet proberen in de eerste levensjaren echt wel ondersteunend in de gezinnen aanwezig te zijn en dat dat voor de ontwikkelingskansen van het kind een hele cruciale periode is. Ik vind het een beetje jammer dat dat in dit debat een beetje in de marge is gebleven.

Je kunt veel vertellen over hulpverlening, maar even belangrijk is datgene wat aan preventieve gezinsondersteuning wordt opgebouwd. Dit parlement zal binnenkort het decreet Preventieve Gezinsondersteuning onder de loep moeten nemen, met de ontwikkeling van de Huizen van het Kind. We hebben in het decreet over de kinderopvang uitdrukkelijk de functie van kinderopvang in de strijd tegen kinderarmoede en de inzet van de kinderopvang ten aanzien van kwetsbare kinderen uitdrukkelijk opgenomen. Het is heel duidelijk dat je op dat vlak naar een horizontaal beleid moet gaan, dat een verhoogde aandacht heeft voor de versterking van de gezinnen van jonge of aanstaande ouders. Dat is een heel belangrijke kwestie. Het succesverhaal van Vlaanderen, namelijk de manier waarop onze consultatiebureaus deze jonge gezinnen bereiken, is echt wel een opportuniteit en een sterk punt dat we met de Huizen van het Kind verder moeten ontwikkelen.

Ik was daarnet nog op een studiedag waar over de nieuwe ontwikkeling van de Huizen van het Kind werd gesproken. Test uzelf als mandataris, ingeworteld in uw lokaal bestuur of de lokale gemeentelijke politiek, dan zult u merken dat zeer vele organisaties en actoren al proactief met het concept bezig zijn omdat men intuïtief aanvoelt dat hier een heel belangrijk speerpunt terug te vinden is als je die kwetsbare jonge mensen tijdens de eerste levensjaren voldoende wilt bereiken en ondersteunen. De integratie van de preventieve gezondheidszorg in datgene wat we aan opvoedingsondersteuning kunnen aanbieden, is absoluut een belangrijk punt.

Het is mijn overtuiging dat we in de reorganisatie van onze jeugdhulp de trend van een vroege interventie zo veel mogelijk moeten doorzetten. Wij moeten zo snel mogelijk proberen aanwezig te zijn, met respect voor privacy en uiteraard ook voor de rol en de verantwoordelijkheid van de ouders, maar ook vanuit de overtuiging dat je in de hulpverlening zo veel mogelijk moet proberen de mogelijkheden van het sociaal netwerk, van het gezin en de kracht die daar aanwezig is, aan te boren en te versterken. Dat is een basisovertuiging in de manier waarop we in de hulpverlening naar de dingen kijken. Ik hoop dat u die met de goedkeuring van het decreet Integrale Jeugdhulp, waar het ‘expressis verbis’ in staat, ook mee zult goedkeuren.

Er zijn een aantal punctuele vragen gesteld. Ik kijk terug naar de cijfers van het jaarverslag 2008 en volgende. Sinds de eerste signalen in 2008 van het aanwezig zijn van de belangrijke groep jonge kinderen in de cijfers van de hulpverlening, heeft het beleid absoluut consequent ingezet op de prioritering van het uitbreidingsbeleid in de bijzondere jeugdzorg naar de groep van de min-12-jarigen. Dat is gebeurd in de vorige legislatuur met het Globaal Plan Jeugdzorg, waar effectief de capaciteit van de hulpverlening voor deze groep is uitgebreid met ongeveer 50 procent van de uitbreidingsmiddelen. Ook in de laatste periode is daar zeer consequent op ingezet. In de laatste uitbreidingsronde van de residentiële plaatsen hebben we zelfs 75 procent van het uitbreidingsbeleid geprioriteerd naar de min-12-jarigen.

We hebben recent in de regering de centra integrale gezinszorg versterkt. Twee provincies zullen nu ook een dergelijk centrum mogen huisvesten, namelijk Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen. Daarmee is het palet ook volledig. Ook daar is opnieuw consequent gekozen om de hulpverlening voor aanstaande en jonge moeders met kinderen echt uit te bouwen en te zorgen dat die uitgerold is in heel Vlaanderen.

De hulpverlening en de organisatie ervan passen zich aan aan de cijfers uit het jaarverslag. Ook de pleegzorg is wat dat betreft maximaal ingezet, enkele sprekers hebben erop gewezen.

We weten dat er nog mogelijkheden zijn. Uit een vergelijking met het buitenland kunnen we besluiten dat het mogelijk is om nog meer pleeggezinnen te mobiliseren en meer kinderen nestwarmte te bieden. Voor crisissituaties is er verwezen naar de getuigenis van de jeugdrechter die we gisteren gehoord hebben.

Het is de verdienste van dit parlement dat er een nieuw decreet is op de pleegzorg dat we nu uitvoeren. De uitvoeringsbesluiten zitten in de laatste fase. We gaan met de steun van externe partijen de promotie van de pleegzorg, het juiste beeld, het juiste imago stimuleren en organiseren. We zijn ervan overtuigd dat pleegzorg voor heel jonge kinderen vaak de meest aangewezen vorm van hulpverlening en ondersteuning is. Dat zou automatisch in overweging moeten worden genomen voor jonge kinderen.

We gaan proberen onze jeugdhulp te flexibiliseren. We gaan stoppen met dat ‘aanklampende’. We moeten de logica van het dossier volgen. We mogen niet van de ene erkenningsvorm naar de andere overstappen. We moeten dat opengooien. We moeten de organisaties meer mogelijkheden geven: als ze vertrouwd zijn met de jongeren en hun situatie moeten ze alle mogelijke vormen van hulpverlening op een creatieve manier kunnen inzetten. Ik geef maar één voorbeeld. Het is – neem ik aan – voor de ingewijden onder u bekend, dat de organisaties in de jeugdhulp ongeveer 15 procent van hun subsidies vrij mogen inzetten, ook voor innovatieve projecten. We willen de kans geven om op maat en naar eigen inzicht initiatieven te nemen, allemaal met het perspectief om de steun te zijn, de duw in de rug die onze jongeren de kans geeft om het leven in handen te nemen en het perspectief om opnieuw aan de slag te kunnen.

De cijfers drukken ons met de neus op de feiten. Deze samenleving is een turbulente en complexe samenleving. Welzijn en hulpverlening zijn niet in staat om op alle verzuchtingen zomaar pasklare antwoorden te geven. De oorzaken van veel problemen liggen ook buiten het bereik van Welzijn, Volksgezondheid of Gezinsbeleid; vaak zijn ze diepgeworteld in onze samenleving.

Dat ontslaat ons niet van onze verantwoordelijkheid. We moeten blijven proberen goede antwoorden te vinden. In alle eerlijkheid, deze sector, en dat gaat heus niet alleen over deze legislatuur, slaagt erin op een bijzonder dynamische en verantwoordelijke manier op die uitdagingen in te spelen. We kunnen niet altijd alle antwoorden geven, maar er is een grote bereidheid om zich aan te passen en nieuwe uitdagingen aan te gaan. Dat maakt mij zeer vertrouwensvol. De sector is mee met de nieuwe visies die de Vlaamse Regering vanuit het armoedebeleid en het beleid integrale jeugdzorg ontwikkelt. (Applaus bij de meerderheid)

Marijke Dillen

Minister, het zal u niet verbazen: uw antwoord ontgoochelt mij. U hebt een overzicht gegeven van deze en de voorbije legislatuur. U weet zeer goed dat mijn fractie nooit heeft ontkend dat er initiatieven zijn genomen. We hebben dat in diverse debatten erkend. Maar we kunnen er niet omheen: de problematiek raakt niet opgelost. De cijfers zijn bijzonder ernstig en worden jaar na jaar erger. De instroom in de bijzondere jeugdzorg blijft stijgen en vooral van de jonge kinderen onder de 12 jaar. Eén op drie is zelfs jonger dan 10 jaar. Dat is werkelijk dramatisch.

Gisteren nog heeft administrateur-generaal Van Mulders erop gewezen dat het heel belangrijk is om in te zetten op het wegwerken van de wachtlijsten, vooral in de residentiële zorg.

Er is een decreet Pleegzorg gekomen. U weet zeer goed dat ook ik ervan overtuigd ben dat pleegzorg zeker voor jonge kinderen de beste oplossing is wanneer ze zich in een probleemsituatie bevinden. De kans dat ze de meeste nestwarmte krijgen, is daar het grootst. Daar moet echter nog altijd veel meer op worden ingezet.

Ik heb geen antwoord gekregen van minister Lieten op mijn pleidooi voor een ommekeer in het armoedebeleid. Minister, dat is echter een discussie die wij al herhaaldelijk hebben gevoerd. Het verbaast me dan ook niet dat u niet bereid bent om de projectmatige inzet in het armoedebeleid te laten varen, en dat u niet wilt komen tot een gefundeerd en gestructureerd beleid. Binnenkort zullen we nog regelmatig de kans krijgen om die discussie te voeren. Ik krijg u niet overtuigd. Dat spijt me bijzonder. Alleen delen steeds meer experts het standpunt, dat hier trouwens ook door diverse andere oppositiefracties is ingenomen, dat de huidige werkwijze absoluut onvoldoende is. Minister, u schudt het hoofd, maar de cijfers bewijzen dat: het armoedeprobleem blijft jaar na jaar toenemen.

Van minister Vandeurzen ontgoochelt het me wel dat ik geen antwoord heb gekregen op de vraag die in de door mij aanvankelijk ingediende actuele vraag te lezen stond, namelijk of deze Vlaamse Regering bereid is om ook eens na te denken en te discussiëren over de vraag of ook het gezinsbeleid niet dringend moet worden bijgestuurd, tot een beter onderbouwd en inclusief gezinsbeleid, waardoor gezinnen in Vlaanderen daadwerkelijk worden ondersteund, op zeer diverse wijze. Minister, ik had daarop toch wel een antwoord van u verwacht. In alle eerlijkheid, ik had ook verwacht dat u een medestander zou zijn. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mieke Vogels

Minister, het is inderdaad zo dat we goed werk leveren als het gaat over de preventieve kinderzorg. Dat wil ik duidelijk zeggen. De manier waarop Kind en Gezin dat organiseert, is een voorbeeld in Europa. Dat zal ik zeker niet ontkennen.

Ik wil ook duidelijk stellen dat ik zeker in de bijzondere jeugdzorg of in de jeugdzorg in het algemeen ook heel veel creatieve en betrokken mensen ontmoet, die eigenlijk in een heel moeilijke situatie heel goed werk leveren. Minister, ik moet echter opnieuw onderstrepen dat het precies bij die creatieve, betrokken mensen is dat ik de meeste vragen hoor over de evolutie naar integrale jeugdhulp. U hebt gezegd dat we daar nu niet verder over zullen praten, dat we dat dinsdag wel zullen doen in de commissie, maar ik wou dat toch nog eens duidelijk stellen.

In heel dit debat – hoewel ik moet toegeven dat ik het ook niet op tafel heb gesmeten, omdat ik geen tijd meer had – mis ik enigszins de specifieke problematiek van de grote steden, die er hoe langer hoe meer uit springt en die niet zomaar kan worden aangepakt met de gewone maatregelen. Er zijn veel meer probleemsituaties in de grote steden. Die tonen zich op andere manieren. Er zijn bijvoorbeeld heel veel niet-begeleide minderjarigen in de bijzondere jeugdzorg in Antwerpen. Dat is een totaal andere manier van werken. Er zijn veel allochtone, arme jongeren in die bijzondere jeugdzorg, en problematische opvoedingssituaties. Precies in die grote steden is het aanbod ook het kleinst. Zo is het aantal pleeggezinnen veel kleiner dan de grote nood aan pleeggezinnen die er momenteel is in mijn stad.

Minister, we zullen van mening verschillen over een aantal zaken, maar ik hoop dat we toch nog eens verder zullen kunnen praten over die stedelijke reflex.

Peter Gysbrechts

Minister, de integrale jeugdhulp was zo’n beetje de rode draad in het debat. Daarover zullen we volgende weken inderdaad nog uitvoerig kunnen discussiëren.

Het doet me plezier dat ik toch wel wat collega’s gehoord heb, ook uit de meerderheid, die zeggen dat ze dingen die ze de laatste weken hebben opgepikt, willen brengen in die commissie. We kijken ernaar uit om ze op te nemen, want het betrof toch noodkreten vanuit de sector.

Verder heb ik tijdens het antwoord, net zoals mevrouw Dillen, niet zo heel veel gehoord over de initiatieven voor gezinsondersteuning, en of die er nu zullen komen.

Minister, wat betreft armoedebestrijding was mijn vraag of die in een hogere versnelling zal geraken. Daarstraks hebt u uitvoerig geantwoord op opmerkingen van collega’s wat betreft die armoedebestrijding. Ik heb tijdens mijn betoog gezegd dat niemand zal beweren dat armoede makkelijk te bestrijden is, want dat is niet zo, het is complex, maar op zeven jaar van de eindstreep zijn de resultaten allesbehalve bemoedigend. En minister, het is voor mij zo ontmoedigend – u hebt er blijkbaar nog plezier in – dat u binnen dat verhaal van armoede steeds het verhaal brengt van – en ik zal het heel simpel houden – “we zijn goed bezig”. Ik merk geen kritische noot op uw eigen beleid, u kijkt niet naar uzelf, u geeft altijd grote opsommingen. Collega’s hebben het ook al gezegd: u bent niet op koerssnelheid met uw armoedebeleid. Dat bewijzen de cijfers steeds opnieuw.

Mijnheer Gysbrechts, het verwondert me dat u zegt dat er hier weinig gesproken is over de gezinsondersteuning. Ook in de agendering voor de commissie hebben we al gezegd dat het ontwerp van decreet over preventieve gezinsondersteuning er nog voor het zomerreces aankomt. Ik heb hier van heel wat collega’s van diverse partijen gehoord dat ze het belang daarvan onderschrijven. Ook wij doen dat vanuit onze fractie en we gaan veel verder dan louter opvoedingsondersteuning of gezinsondersteuning. We willen echt komen tot een relatieondersteuning van in het begin.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Wenst iemand tot besluit van dit actualiteitsdebat een motie of een motie van wantrouwen in te dienen?

– De meerderheid, Open Vld, het Vlaams Belang en Groen kondigen aan een motie te zullen indienen.

De moties moeten uiterlijk om 16.45 uur zijn ingediend.

Het parlement zal zich daarover straks uitspreken.

Het debat is gesloten.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.