U bent hier

Dames en heren, aan de orde is het actualiteitsdebat over het ronselen van jongeren om deel te nemen aan de burgeroorlog in Syrië.

Het debat is geopend.

De heer Dewinter heeft het woord.

Filip Dewinter

Voorzitter, minister, geachte leden, ik citeer: “De integratie is een complete mislukking. In Vlaanderen is de toestand nog erger dan in Brussel en Wallonië. Zo valt het op dat alleen uit Vlaamse steden jongeren naar Syrië vertrekken. (…) Die jongeren voelen zich niet verbonden met de maatschappij, zeker niet met de Vlaamse.”

Dat zijn niet mijn woorden, maar die van Rudi Van Doorslaer, de directeur van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (CEGESOMA). Ik meen dat Van Doorslaer daarmee de vinger op de wonde legt. De uittocht uit Vlaanderen van vele tientallen allochtone, maar helaas ook autochtone jongeren, om als jihadi in Syrië de heilige oorlog te gaan vechten tegen de kafirs – zeg maar de ongelovigen – van het Assadregime is inderdaad een symbool van het failliet van het Vlaamse integratiebeleid.

Minister, met enig cynisme zouden we kunnen zeggen dat de uittocht van Sharia4Belgium-adepten allerhande richting Syrië een goede zaak is: we exporteren op deze manier immers de meest radicale en fundamentalistische elementen richting de Arabische wereld, waar ze zich niet alleen thuis voelen, maar misschien ook thuishoren. De kans is echter groot dat een aantal van hen terugkomen: zij zullen gefrustreerd en geradicaliseerd zijn, en vooral ook geschoold zijn in het gebruik van wapens en explosieven in een oorlogssituatie. Deze jongeren dreigen, indien we niet opletten, inderdaad de fundamentalistische moslimterroristen van de toekomst te worden.

Het is bijzonder pijnlijk om vast te stellen dat uitgerekend Vlaamse, autochtone jongeren nu ook worden geïndoctrineerd, gehersenspoeld en bekeerd tot de salafistische islam, om nadien te worden gerekruteerd voor de jihad ergens in de wereld. Het probleem van de rekrutering van de jonge jihadi’s is blijkbaar pas recent tot de media doorgedrongen, maar ook in het verleden, in de voorbije jaren waren deze praktijken schering en inslag. Sharia4Belgium en andere organisaties in ons land, en trouwens ook moskeeën, zelfs erkende en gesubsidieerde moskeeën, hebben dezelfde rekruteringstechnieken toegepast om de voorbije jaren jonge jihadi’s vanuit Vlaanderen richting Jemen, Tsjetsjenië, Afghanistan en elders te sturen.

Wegens de mediatisering van het hele Syriëverhaal is de overheid, inclusief de Vlaamse Regering, echter eindelijk wakker geschoten. Nu het kalf verdronken is, wordt er met groot machtsvertoon – uiteraard in aanwezigheid van ontelbare camera’s en fotografen, zelfs bij politieacties, zoals dat gisteren om zes uur ’s morgens het geval was – opgetreden tegen Sharia4Belgium en durft men die sekte onomwonden een terroristische organisatie te noemen.

Eindelijk, zou ik zeggen. Toen het Vlaams Belang dit jaren geleden zei, werden we uitgelachen, want Abu Imran en zijn club waren – en ik citeer politici van toen – “een stelletje carnavalsgekken”, waarna het Vlaams Belang steevast werd verweten uit eigenbelang aan stemmingmakerij te doen.

Nu Sharia4Belgium openlijk rekruteert voor de Syrische tak van Al Qaida, is het kot te klein en is veel niet genoeg. Hoewel ik al geruime tijd van mening ben dat van figuren zoals Fouad Belkacem de nationaliteit moet worden afgenomen en het land moet worden uitgezet richting Marokko, waar men trouwens al acht jaar zijn uitlevering vraagt, meen ik dat de problematiek niet gemakkelijkshalve mag worden gereduceerd tot Sharia4Belgium. Het eigenlijke probleem zit veel dieper en heeft te maken met enerzijds een veel te laks inburgeringsbeleid en anderzijds een naïeve houding van de Vlaamse overheid die bevoegd is ten aanzien van de islam.

In tegenstelling tot wat sommigen willen doen geloven, gaan Vlaamse allochtone en autochtone jongeren niet naar Syrië om er de wapens op te nemen tegen het regime omdat ze gedreven zijn door wat men dan een cocktail van spontaan onrechtvaardigheidsgevoel en zin voor avontuur noemt. Voor enkelingen zal dat wellicht wel meespelen maar voor het overgrote deel is hun engagement het gevolg van hun bekering tot de islam en/of een langdurig radicaliseringsproces vooraleer zij werden gerekruteerd voor de gewapende jihad.

Er bestaat overigens geen gematigde islam. De jihad, al dan niet in gematigde vorm, een culturele, economische, militaire, strijdende jihad met de wapens, strijdt tegen de kafirs, tegen ons dus, de ongelovigen of toch een groot deel onder ons. De solidariteit binnen de uma, de moslimgemeenschap, en de toepassing van de sharia, onderdeel van de Koran, maken nu eenmaal inherent deel uit van de islam. Dat er verschillende strekkingen binnen de islam bestaan, weten we allemaal, maar het is een fabeltje dat er een verschil zou zijn tussen de radicale en de zogenaamd gematigde islam. Niet ik zeg dat, maar de Turkse premier Erdogan. Hij zegt: “Er bestaat geen gematigde islam. De islam is de islam en that’s it”. Erdogan heeft wat dat betreft fundamenteel gelijk

De naïeve veronderstelling dat we met subsidies, erkenning van moskeeën, imamopleidingen en zelfs een studierichting aan de universiteit over de islamitische theologie een soort van verlichte Europese islam tot stand kunnen brengen die we perfect onder controle kunnen houden, zal ons nog bijzonder zuur opbreken. De ogen gaan nu langzaam maar zeker open.

Natuurlijk zijn er veel gematigde moslims die de islam slechts matig in de praktijk brengen maar er bestaat geen gematigde islam. Het extremisme, het radicalisme waar men het zo graag over heeft, zit nu eenmaal ingebakken in de islam zelf. Zolang men de islamisering niet stopt, zolang men de islam blijft pamperen zoals de Vlaamse overheid dat doet en naar de mond blijft praten, zolang men weigert in te zien dat de islam niet thuishoort op Europese bodem, zullen de problemen zich blijven opstapelen.

De jongeren die nu in Syrië als kanonnenvlees voor de jihadistische revolutie moeten dienen voor het religieuze doel, niet alleen van een aantal geïsoleerde extremisten maar van de islam als dusdanig, zijn niet op een dag als radicale salafisten uit hun bed gestapt. Daar is een heel proces aan voorafgegaan. Dat is een proces waar de overheid, inclusief het onderwijs, het gigantische en bijzonder dure integratienetwerk, de politie, de lokale overheden, geen enkele vat op hebben en willen hebben.

Ik heb de voorbije weken veel contact gehad met de familie van Brian De Mulder. Ze vertelden me over het proces van radicalisering van hun zoon, dat twee jaar duurde, van zijn 17 tot 19 jaar: de eerste contacten met moslims, de eerste bezoeken aan de moskee, het aannemen van een islamitische naam, het dragen van de djellabah, het eten van halalvoedsel, het zich aansluiten bij Sharia4Belgium, het spijbelen op school, het wegsturen door de directie van de school en uiteindelijk de georganiseerde reis naar Syrië. Op geen enkel moment heeft die familie gehoor gevonden bij om het even welke overheid, noch bij de directie, noch bij de politie, noch bij de burgemeester van Antwerpen, noch bij federale ministers, en dat ondanks mails en telefoons allerhande.

Zoals te verwachten was, grijpen de traditionele partijen nu naar de klassieke remedies: meer sensibilisering, meer subsidies, een imamopleiding, meer straathoekwerkers en nog meer van dat soort voorstellen.

Problemen aanpakken betekent eerst en vooral de juiste analyse maken van de problematiek. Laten we er dus mee ophouden de indruk te wekken dat de rekrutering voor de jihad niets te maken heeft met de islam als dusdanig. Laten we ermee ophouden te doen alsof de radicalisering van vele jongeren die nog niet in het stadium zitten van het vertrek richting Syrië of een ander islamitisch land, enkel en alleen het gevolg is van een sociale problematiek, van een tekort aan perspectieven, van hoge werkloosheid, van een ontoereikend onderwijs. Als er een land is waar alle mogelijke inspanningen voor allochtone jongeren, voor islamjongeren worden gedaan in het onderwijs, in tewerkstelling en integratie, dan is het ongetwijfeld hier. Wat we nodig hebben, zijn concrete, realistische voorstellen, die de problematiek niet politiek correct reduceren tot sociale problemen.

Ik wil vier voorstellen kort samenvatten. Ten eerste, herbekijk de subsidiëring van moskeeën en de erkenning van de islam in ons land. Herbekijk de positie van de islam in Vlaanderen. Wees veel kritischer ten opzichte van de islam in Vlaanderen. Wat nu gebeurt, kan alleen gebeuren binnen de schoot van de islamgemeenschap in ons land, binnen de schoot van de moskeeën, imams en moslims in ons land.

Ten tweede, salafistische haatzenders, weblogs en websites moeten desnoods worden geblokkeerd. Dat kan in Nederland, het stond in 2007 zelfs in het Nederlandse regeerakkoord. Het moet ook hier kunnen.

Ten derde, detectie van islamradicalisme en -fundamentalisme via het onderwijs en de straathoekwerkers. Het is onaanvaardbaar dat de vertegenwoordigers van het gemeenschapsonderwijs publiek zeggen: “Wij doen daar niet aan mee, dat is verklikking, dat is onze taak niet.” Dat is hun taak wel. Het is een van hun belangrijkste taken.

Ten vierde, een actieplan tegen radicalisering, zoals dat sinds 2007 in Engeland en Duitsland en elders bestaat.

Islamradicalisering komt niet voort alleen maar uit armoede, verpaupering, discriminatie en gebrek aan kansen. Het is een ideologische en religieuze ontsporing van de islam, en dat moeten we ook met zoveel woorden durven zeggen. Wie de radicalisering wil stoppen, moet eerst en vooral een einde durven maken aan de islamisering van ons land. Dat heeft deze regering in ieder geval nooit gedaan, tot spijt van wie het benijdt. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mevrouw Vanderpoorten heeft het woord.

Marleen Vanderpoorten

Voorzitter, ministers, collega’s, de voorbije weken werden we geconfronteerd met de soms hallucinante noodkreten van verontruste ouders, welzijnswerkers en burgemeesters met betrekking tot jonge mannen die, meestal onder impuls van zeer invloedrijke radicale islamleiders, ten strijde trekken in Syrië. Heel veel media-aandacht is gegaan naar de top tegen radicalisering die de burgemeesters van Antwerpen, Vilvoorde en Mechelen vorige week organiseerden.

Ik citeer: “We willen dit probleem zonder clichés aanpakken op alle niveaus, in het onderwijs, door onze politiemensen beter op te leiden, door de moskeeën hun rol te laten spelen. We moeten alle mogelijke middelen gebruiken om hiermee om te gaan.”

Ik denk dat deze conclusie aan het einde van de top duidelijk stelt dat de problematiek veelomvattend en complex is, niet onder één noemer te vatten is, met diversiteit te maken heeft, maar ook met extreem zoekende jongeren die voorheen niet noodzakelijk een islambinding hadden. Het is vooral tegenover deze heel jonge mensen, soms kinderen nog, dat we als volwassen samenleving een opdracht hebben. Die opdracht is tweeledig.

Een: jonge mensen niet in de verleiding laten brengen om toe te geven aan de roep naar het front. Waarom komen jongeren van soms pas 15, 16 of 17 ertoe om hun toekomst, hun leven en hun familie en vrienden de rug toe te keren? Ligt de oorzaak van hun frustratie bij henzelf, in hun omgeving? Is het blinde haat, is het ongrijpbaar idealisme? Hebben we hier gegevens over? Zijn deze gegevens in kaart gebracht? Kunnen er conclusies uit getrokken worden?

Twee: als ze toch kunnen vertrekken, hoe zullen we zulke jongens opvangen als ze terugkeren? Sommigen onder hen keren ongetwijfeld gedesillusioneerd terug. Hoe moeten we hen deradicaliseren en hoe moeten we hun frustraties en ontgoochelingen, die wellicht nog groter zijn dan toen ze vertrokken, trachten weg te nemen?

Op deze vragen is geen pasklaar antwoord te geven want elk geval zal ander maatwerk vergen. Maar juist omdat het zo delicaat, complex en soms zelfs gevaarlijk kan zijn, ook voor de omgeving waarin de jongere opnieuw zal worden opgenomen, is het absoluut noodzakelijk dat er niet wordt gedraald met het werken aan een coherent, met alle betrokken partijen overlegd plan van aanpak. Ook de Vlaamse overheid heeft daar een niet te miskennen opdracht in.

Collega’s, ik was zelf vorige week daarom nogal ontgoocheld in de reacties van de onderwijswereld. Misschien hebben ze het zo niet bedoeld, maar het leek een beetje op een miskenning van de problematiek. Ik heb er alle begrip voor dat scholen geen ‘kliklijn’ willen zijn voor de politie. Maar ze mogen hun rol niet minimaliseren.

De school is de enige plaats waar alle jongeren verplicht naartoe moeten. Leerkrachten zijn de enige mensen die, met uitzondering van de ouders, jonge mensen dagelijks ontmoeten in hun doen en laten. Natuurlijk kunnen zij alleen de problemen niet voorkomen of aanpakken en blijven ouders de eerste verantwoordelijken in elk opvoedingsproces, maar scholen zijn wel goed geplaatst om aan te voelen en op te merken of er met jongeren iets aan de hand is of hun denkpatroon geradicaliseerd is. Schoolteams kunnen de problemen in de kiem ontdekken en via ondersteuning en motivering van de probleemleerlingen demotivatie en eventuele radicalisering tegengaan.

Scholen dienen ook extra aandacht te besteden aan afwezigheden van leerlingen en adequaat in te grijpen op dit vlak. Zij hebben dan ook de morele plicht om problemen te signaleren en te bespreken met directie en ouders in eerste instantie. Lukken deze positieve en preventieve acties van de scholen niet, dan dienen externe instanties te worden ingeschakeld zoals onder meer de veiligheidsdiensten, als dit past in een doorgesproken aanpak van de problematiek.

Verhoogde waakzaamheid in de scholen is dus zeker ook aan de orde. En, ook al is de minister zelf geen onderwijsverstrekker, het ministerie heeft wel een rol bij de controle op aan- en afwezigheden bijvoorbeeld. Ik zou dus graag van de minister van Onderwijs vernemen hoe hij zijn opdracht ziet in het geheel van deze problematiek. Minister, gaat u de onderwijsverstrekkers spreken over hun verantwoordelijkheid en afspraken met hen maken? En wat ziet u verder als taak weggelegd voor de Vlaamse onderwijsoverheid? Ziet u een rol weggelegd voor de islamleerkrachten bijvoorbeeld?

Tot daar mijn betoog. Collega De Ro zal vanuit zijn specifieke ervaringen in Vilvoorde nog verder het woord voeren. (Applaus bij Open Vld)

De heer De Ro heeft het woord.

Dank u voorzitter, dat we onze spreektijd mogen opdelen en dat ik vanuit mijn stad een stuk kan aanvullen bij wat collega Vanderpoorten al heeft gezegd.

De afgelopen dagen en weken liepen de lokale overheden en de federale overheid nadrukkelijk in de kijker. De aandacht focuste zich sterk op het topje van de piramide, namelijk op de jongeren die al vertrokken zijn. Die aandacht is logisch, maar mag ons niet verhinderen om hier in dit actualiteitsdebat te gaan kijken naar wat er onder die zichtbare top gebeurt en wat er kan gebeuren.

Wat kunnen we doen om te verhinderen dat andere jongeren zich geroepen voelen om naar Syrië te vertrekken? Wat kunnen we doen om te vermijden dat jongeren in de val lopen van radicalen en radicale organisaties? Wat kunnen we met andere woorden doen op preventief vlak? Op dat terrein zie ik helaas te weinig aandacht van deze Vlaamse Regering.

Let op, ik wil hier vandaag vanuit het lokale vlak geen spelletje zwartepiet spelen. Wat de mensen in mijn stad en bij uitbreiding in geheel Vlaanderen interesseert, is de aanpak naar de toekomst. Ik wil wel duidelijk maken dat de situatie niet positief is. Zowel onze mensen op het terrein als de experten inzake radicalisering, hebben ons stadsbestuur, maar ook dat van Mechelen en Antwerpen de afgelopen weken duidelijk gemaakt dat er veel meer preventieve middelen moeten worden uitgetrokken op het vlak van flankerend onderwijsbeleid, op het vlak van werkgelegenheid en in het bijzonder op het terrein van welzijn.

En wat voor de collega’s van Mechelen en Antwerpen geldt, speelt nog sterker in onze regio. In 2012 publiceerde de provincie Vlaams-Brabant al een straf rapport over de historische achterstand en de onderbedeling op het vlak van welzijn in Vlaams-Brabant en in het bijzonder in Halle-Vilvoorde. Ik neem even de tekst en geef als voorbeeld de bijzondere jeugdbijstand.

Ik citeer: “Het gemiddelde van het Vlaamse Gewest was 49,53 opvangplaatsen per 10.000 jongeren in 2010, ten opzichte van 27,76 in Vlaams-Brabant. In 2006 was dit nog 22,71 in Vlaams-Brabant ten opzichte van 42,72 in het Vlaams Gewest. De achterstand is dus nog vergroot in deze periode. Vooral Halle-Vilvoorde heeft een ernstige achterstand, met slechts 22,13 plaatsen per 10.000 jongeren.”

Het is het enige cijfer, collega’s, dat ik vandaag wens boven te halen uit dat specifieke gebied van Welzijn. Maar ik kon hetzelfde doen op het vlak van achterstand in de centra voor algemeen welzijnswerk (CAW’s), crisisopvang, kinderopvang en zo verder. En net die sectoren kunnen uitermate preventief opereren. Dat weet zeker ook minister Vandeurzen, als voormalig minister van Justitie.

Ik heb nog niet lang geleden op deze tribune ook het probleem aangekaart inzake de maatschappelijk kwetsbare jongeren. Onze stad kreeg midden januari te horen dat er te weinig maatschappelijk kwetsbare jongeren zouden zijn om nog langer steun te krijgen van de Vlaamse Regering. Het antwoord luidde toen dat men nu werkt met objectieve cijfers en niet langer op basis van perceptie. Dat antwoord klonk toen hard, en nu nog altijd. En als ik het hier citeer, klinkt het volgens mij zelfs bijzonder cynisch. Onvoldoende maatschappelijk kwetsbare jongeren in een stad als Vilvoorde? Hallo?

Minister-president, u en de Vlaamse Regering kennen al langer ons pleidooi om ons de echte middelen te geven om preventief en toekomstgericht te werken. Maak van Vilvoorde eindelijk een centrumstad, dan hebben we niet alleen extra middelen, maar zal het ook niet meer kunnen gebeuren dat bijvoorbeeld op het vlak van jongerenwerkloosheid men wel naar de dertien centrumsteden kijkt, maar onze stad weer eens vergeet. Klink ik als een zaag? Klinkt het Vilvoordse stadsbestuur als een zaag? Dat kan, maar dan zullen we die naam als een geuzennaam meedragen.

Onze inwoners verwachten van de lokale overheid, van de federale overheid en van de Vlaamse overheid actie. Vlaanderen is op een aantal terreinen al heel lang bevoegd om preventieve acties te ondernemen: Werk, Onderwijs, Jeugd en Welzijn. Over de partijgrenzen heen vraagt men in onze stad actie en daadkracht. En daar, voorzitter, collega’s, draait het in politiek om. Veranderende omstandigheden vragen om een krachtdadig beleid en budgettaire keuzes.

Ten slotte wil ik vanop deze tribune hulde brengen aan iedereen die zich in onze stad en andere getroffen steden de afgelopen dagen keihard heeft ingezet. Collega’s, onderschat niet wat de betrokken ouders, familieleden, welzijnswerkers, leerkrachten, ambtenaren, politiemensen en lokale bestuurders de afgelopen dagen hebben verricht. Het is nu het juiste ogenblik om hen te steunen, niet alleen in woorden, maar ook in daden. Vandaar mijn vraag aan de Vlaamse Regering: wat willen jullie de komende dagen doen om de lokale overheden, om al die actieve mensen beter te ondersteunen op het vlak van preventie? (Applaus bij Open Vld)

De heer Kennes heeft het woord.

Voorzitter, heren ministers, collega’s, Vlaamse jongeren die naar het buitenland trekken: het wordt stilaan een ‘way of life’: op vakantie, om te studeren, om te werken, op wereldreis, op stage, met een humanitair doel of als militair in het kader van een vredesoperatie. (Opmerkingen)

Maar we dachten dat de tijd dat jonge mannen vanuit Vlaanderen vrijwillig en met een overtuiging naar een oorlogsgebied trokken, tot de geschiedenis behoorde. Het burgerprotest in Syrië tegen de dictatuur is ontaard in een vernietigende burgeroorlog en is de inzet geworden van geostrategie. Het eenvoudige schema van geweldloze burgers tegen een repressief regime is vervangen door een ondoorzichtig kluwen van strijdende partijen, waarvan de motieven steeds meer onrust wekken.

De Syrische crisis kwam recent aan bod in de hoorzittingen in de commissie Buitenlands Beleid over de Arabische Lente. Sinds de Iraanse revolutie is de militante politieke islam niet meer van het wereldtoneel weggeweest. Zijn strijdperk heeft zich verplaatst van Iran naar Afghanistan, Libanon, Irak, Tsjetsjenië, Gaza, Mali en Syrië. En dan opeens duiken er in die nietsontziende burgeroorlog tientallen jonge jihadi’s op uit Vlaanderen: jonge Vlamingen met en zonder migratieachtergrond, vaak recente bekeerlingen. Verontruste en wanhopige ouders trekken aan de alarmbel. Het is een fenomeen waar we niet op zijn voorbereid.

Ja, er zullen vandaag zeker collega’s verklaren dat ze precies weten waarom het gebeurt. Ofwel is het het gevolg van een sociaal-economische achterstandspositie, ofwel is het omdat de islam nu zijn ware gezicht toont, heel voorspelbaar. Het zegt meer over degenen die daarmee hun eigen agenda dienen dan over het complexe fenomeen zelf. (Opmerkingen bij het Vlaams Belang)

Waarschijnlijk speelt er bij iemand die naar een vreemd oorlogsgebied trekt, een mengeling van elementen: ideologische overtuiging, verontwaardiging over onrecht, dadendrang en hang naar avontuur, maar ook diepe onvrede met de bestaande maatschappelijke ordening. Wanneer een gewezen premier er openlijk voor pleit om de rebellen te bewapenen, wordt de stap om met die rebellen te gaan vechten waarschijnlijk nog kleiner.

Het is zonneklaar dat er duistere krachten aan het werk zijn om jonge mensen te manipuleren. Daarbij komt vooral het jihadistische en salafistische Sharia4Belgium in beeld. Het beroept zich op de islam, maar roept bij het overgrote deel van de moslims in Vlaanderen alleen maar afkeer op. Wie haat zaait en jonge mensen ertoe aanzet om hun leven te riskeren in een burgeroorlog, is buitengewoon gevaarlijk.

Het is dan ook geruststellend dat de Staatsveiligheid, de politie en het gerecht tegen dit soort mensen en organisaties optreden. Hier is de harde, de keiharde aanpak op zijn plaats. Men moet tot op het bot uitspitten of een organisatie als Sharia4Belgium wordt betaald om jonge Vlamingen te ronselen om als kanonnenvlees te dienen in Syrië. Ik vertrouw erop dat het justitieapparaat hier de hoogste prioriteit aan geeft. Gisterenmorgen hebben ze daarvan ook blijk gegeven.

Filip Dewinter

Ik was niet van plan om het debat hier te voeren over de federale bevoegdheden, maar de heer Kennes doet dat niettemin en stelt dat Justitie gisteren op een correcte manier heeft opgetreden. Justitie heeft gisteren in feite één grote persconferentie georganiseerd. Om 6 uur in de ochtend was de straat in Boom, waar Fouad Belkacem woont, wellicht het middelpunt van Europa, gezien vanuit de ruimte, op basis van het aantal cameraflitsen en televisieopnames die daar zijn afgevuurd op de betrokken arrestant.

Hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat vier of vijf televisieploegen en het dubbele aantal fotografen om 6 uur in de ochtend weten dat daar de arrestatie van de man gaat gebeuren, terwijl hetzelfde gebeurt op verschillende andere plaatsen waar ook overal cameraploegen en fotografen zijn, moet toch hier en daar wat vraagtekens oproepen, niet alleen bij politici, maar nog veel meer bij de bevolking. Men heeft gisteren opgetreden onder druk van de publieke opinie, omdat men dat al die maanden niet heeft gedaan.

Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat iemand als Abou Imran, de leider van Sharia4Belgium, gedurende maanden thuis zit met een enkelband en van thuis de operaties kan leiden, terwijl hij uiteindelijk in de cel had moeten zitten? Dat had Justitie moeten doen, in plaats van maanden nadien, nadat er meer dan honderd man is vertrokken richting Syrië, vlug-vlug een spektakelactie op touw te zetten, in de hoop daarmee de publieke opinie te sussen. Dat is de realiteit, er is er geen andere en dat weet u zeer goed.

De realiteit is dat het gerecht al maanden met dat onderzoek bezig is. Belkacem heeft al in de gevangenis gezeten en liep op dit moment met zijn enkelband rond. Sinds vorig jaar al is men met dit specifieke onderzoek bezig. Dat is gisteren gebleken en dat heb ik onthouden, dat men daar al meer dan een jaar zeer intens aan werkt. De manier waarop men dat in de media brengt, is een ander punt. Daar gaat het niet over. Het gaat erover dat men al meer dan een jaar zeer intens aan dit dossier aan het werken is. Dat is geruststellend.

Het fenomeen van de Syriëstrijders overvalt ons dus. We hebben de voorbije dagen een hele reeks voorstellen zien passeren. Ongeveer elke dag wordt er een nieuw idee gelanceerd. Dat bevestigt vooral dat we het heel moeilijk hebben om er adequaat op te reageren.

Is dit nu het ultieme bewijs van de mislukking van het inburgerings- en integratiebeleid? Ik denk het niet, want er zijn honderdduizenden Vlamingen met een migratieachtergrond die zich niet aangesproken voelen om naar Syrië te trekken. Het ronselen van jongeren om deel te nemen aan de burgeroorlog in Syrië kan niet worden herleid tot het proces van het inburgerings- en integratieverhaal. Via YouTube hebben we gehoord hoe er nu in Syrië jammer genoeg ook Vlaams wordt gesproken. We hebben te maken met jongeren die hier geboren zijn, onze taal gebruiken, vertrouwd zijn met ons waarden-en-normenkader, maar die zich weinig of niet verbonden voelen met onze samenleving. (Opmerkingen bij het Vlaams Belang)

Ik stel vast dat ze onze situatie vrij goed kennen. Het zijn mensen die hier opgegroeid zijn, ze kennen onze waarden en normen, en toch voelen ze zich er niet door aangesproken. Het is een punt voor een aantal jongeren. Het is zinvol om eens te bekijken waarom. Het is geen kwestie van inburgering of integratie, ze komen van hier, maar ze voelen zich om de ene of de andere reden niet thuis in deze samenleving. Ik meen dat dit een aantal vragen oproept die we op dit moment niet kunnen beantwoorden. Ze plaatsen zich aan de rand van de maatschappij en daardoor zijn ze bijzonder kwetsbaar en aanspreekbaar voor een heel radicaal discours. I n andere tijden zouden de jongeren wellicht een andere uitlaatklep hebben gezocht.

Is dit nu hét probleem van de islam? Nee, want de overgrote meerderheid van de moslims neemt afstand van die ronselpraktijken. Uit de verhalen van ouders blijkt dat radicale organisaties niet ronselen via erkende moskeeën. Het in vraag stellen van de erkenning of van de erkende moskeeën is dus niet de oplossing voor het probleem. De jongeren worden geronseld op alternatieve ontmoetingsplaatsen. Het is daar dat ze jongeren in een kwetsbare fase aanspreken. Ze bieden hun de geborgenheid van de clandestiniteit.

De erkenning van een lokale geloofsgemeenschap is juist onderworpen aan heel wat controle, ook van de Staatsveiligheid. Dat is een garantie tegen extremisme. Ik betreur dat de blokkering binnen de Moslimexecutieve een negatieve schaduw werpt op de erkenningsdossiers.

Filip Dewinter

Mijnheer Kennes, ik hoor u zeggen dat er niet geronseld wordt via erkende moskeeën. Mag ik u een voorbeeld geven waar dat wel gebeurt? Erkende moskee De Koepel is de bekeerlingenmoskee in Antwerpen. Voornamelijk Vlaamse jongeren worden er bekeerd tot de islam en ze komen daar ook bidden. De moskee is in oktober 2011 erkend door de Vlaamse Regering en ontvangt ook subsidies. In die moskee komen mensen spreken, onder meer twee figuren die door de Nederlandse staatsveiligheid worden beschouwd als leiders van de salafistische organisatie in Nederland: Remy Soekirman en Sulayman Van Ael. In de rapporten van de Nederlandse Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) worden ze beschouwd als de belangrijkste vertegenwoordigers van het salafisme in Nederland. Ze roepen openlijk op tot de gewapende jihad elders en ze ronselen voor de salafistische jihad in het buitenland. Dat staat letterlijk in een rapport van de AIVD in Nederland.

Ik vraag me af hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat in erkende en gesubsidieerde moskeeën, zoals De Koepel in Antwerpen, dit soort mensen het woord komen voeren, niet één keer maar zeven keer. Op zeven van de elf lezingen die er geweest zijn, zijn die kerels het woord komen voeren! Niemand wil dat weten. Niemand durft daarover te spreken, wel integendeel.

Ik stel me de vraag hoe het mogelijk is dat een aantal moskeeën – het zijn er vier – die geen erkenning hebben gekregen omdat ze een negatief rapport kregen van de Staatsveiligheid en waarvan men weet dat deze haatboodschappen er worden verspreid – want dat is de reden waarom ze geen erkenning en dus ook geen subsidie hebben gekregen –, tot op de dag van vandaag nog allemaal open zijn en vrij hun activiteiten kunnen voortzetten zoals ze in het verleden deden. Als het ons dan toch menens is met het aanpakken van de salafistische boodschappen, sluit dan deze moskeeën! Er is er één in Kortrijk, twee in Antwerpen en één in Gent. We kennen de namen, we weten wie ze zijn. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Ik ben ervan overtuigd dat, als we dit kunnen aantonen, dit ook onderzocht zal worden. De minister zal er ongetwijfeld op het moment dat ze niet meer voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, een punt van maken. Ik heb er vertrouwen in, hij zal dit straks kunnen toelichten, hij kan dat beter zelf doen.

In elk geval is er nood aan een interne kritische denkmassa binnen de islam. Een begrip als ‘jihad’, dat door de heer Dewinter een paar keer is gehanteerd, dekt vele ladingen. Het gaat van een spirituele inspanning tot een heilige oorlog. Onder meer daarvoor werd hier in het parlement een resolutie goedgekeurd met de vraag om in Vlaanderen ook een theologische islamitische faculteit op te richten, om mee het kritische denken binnen de islam verder te ontwikkelen. Op die manier kan er in Vlaanderen, en elders in Europa, mee een islam van de 21e eeuw, aangepast aan de westerse context, worden ontwikkeld. Dat is uitgebreid aan bod gekomen bij de bespreking van die resolutie.

Daarnaast is er ook nood – dat is al herhaaldelijk aangekaart in de commissie – aan een imamopleiding in Vlaanderen zelf.

Imams moeten voeling hebben met de vragen en uitdagingen die jongeren ondervinden in de Europese samenleving. Ze moeten er terechtkunnen met vragen over zingeving en over de beleving van hun geloof in een moderne westerse samenleving, uiteraard naast het in Vlaanderen reeds bestaande aanbod in scholen, CLB’s, JAC’s, jeugdhuizen en jeugddiensten. Er is een werkgroep opgericht met kabinetten, met de KU Leuven en de Erasmushogeschool Brussel, om zich te buigen over de imamopleiding. Hoever staat het met die werkgroep?

Vlaanderen heeft zich laten verrassen door die Syriëstrijders. Op dit moment is er sprake van tientallen strijders. Er zouden ook al twintig gesneuvelden zijn. We mogen ons echter geen tweede keer laten verrassen wanneer deze strijders terugkeren. Hoe zullen we omgaan met hen? Zullen ze geradicaliseerd zijn of juist ontgoocheld? Zijn het tikkende tijdbommen of jongeren die hun lesje hebben geleerd en aan hun toekomst willen werken?

Ik vraag de onderwijsinstanties, de psychosociale hulpverlening en justitie om zich hierover te beraden zodat we ons geen tweede keer laten verrassen in het Syriëdossier. Preventie is beter dan een curatieve aanpak. We moeten vermijden dat er nog meer jongeren naar Syrië trekken. Het gezin waarin ze leven, de school en de vriendengroep zijn waarschijnlijk de eersten die het zullen merken als die intentie bestaat. Zij moeten ergens terechtkunnen wanneer ze zich daar zorgen over maken. Ouders willen hun kind weghouden uit de oorlogsgruwel. Waar kunnen ze vandaag terecht voor ondersteuning?

Tegen fenomenen als een clandestiene ‘politie’, die in sommige wijken van grootsteden islamitische handelaars controleert op de verkoop van alcohol, of radicale elementen, die jongeren willen verhinderen muzikale optredens bij te wonen die ze als haram beschouwen, moet hard en snel worden opgetreden. Dit soort controleurs mag geen ruimte krijgen in onze vrije samenleving, want hun optreden normaliseert het radicalisme.

Tot slot: natuurrampen wekken vaak meer solidariteit op dan rampen die de mens zelf veroorzaakt. De solidariteit met de Syrische bevolking en de Syrische vluchtelingen is niet bijster groot. De buurlanden Jordanië, Libanon en Turkije vangen zeer veel vluchtelingen op. Het dreigt echter hun draagvermogen te boven te gaan. Dat geldt zeker voor Libanon en Jordanië. Hulpverlening in Syrië zelf is aartsmoeilijk. Maar de schijnbare onverschilligheid bij zoveel lijden en gruwel kan mensen radicaliseren. Daarvoor kunnen we misschien wel enig begrip opbrengen.

Maar, voorzitter, ministers, collega’s, ik zie vanuit Vlaanderen liever hulpgoederen vertrekken dan strijders. We moeten de verontwaardiging over wat er ginder gebeurt en de solidariteit met het Syrische volk in goede banen leiden. Dat is geen oproep aan de Vlaamse Regering alleen, maar aan de gehele Vlaamse bevolking. (Applaus bij CD&V en sp.a)

De heer Van Malderen heeft het woord.

Voorzitter, leden van de regering, collega’s, ik ga ervan uit dat ieder van ons zich aangedaan voelt wanneer we nu al twee jaar aan een stuk, dag na dag, geconfronteerd worden met gruwelijke beelden van de Syrische oorlog waarin werkelijk niemand ontzien wordt. Dag na dag, week na week, maand na maand, worden we geconfronteerd met de horror van een burgeroorlog waar alle regels allang overboord zijn gegooid en waar onschuldige burgers het meest van al en willekeurig, mannen, vrouwen en kinderen, onder lijden.

Het onvermogen van de internationale gemeenschap om hier iets aan te doen, stuit veel mensen terecht tegen de borst. De vraag is dus niet of we meevoelen met de Syrische bevolking in deze helse tijden, maar wel hoe we omgaan met onze ontzetting en oprechte woede om zoveel nutteloos geweld. Sommigen worden cynisch en onverschillig. Anderen – en dat is inderdaad, mijnheer Kennes, van alle tijden – voelen zich om uiteenlopende redenen geroepen om actie te ondernemen: solidariteitsacties, petities enzovoort. Nog anderen proberen om garen te spinnen voor een extremistisch en sectair verhaal dat parasiteert op het lijden, de emoties en de overtuigingen van de mensen. Het mag duidelijk zijn dat de domste manier om te reageren is om zelf af te dalen naar de hel die Syrië momenteel is.

Net daarom is het uiteraard goed dat het gerecht gisteren eindelijk optrad tegen een organisatie en haar leden die door systematisch en gericht te ronselen tientallen jongeren kon overhalen een onverantwoorde tocht naar Syrië te ondernemen om een doel te dienen dat niet hetgene is waar de Syrische bevolking om vraagt.

Als er gelijkaardige organisaties en individuen actief zijn, moeten zij zich verzekerd weten van een gelijkaardige aanpak. Er mag hier geen plaats zijn voor wie jonge mensenlevens in gevaar brengt, gezinnen in verdriet stort en een hele gemeenschap dreigt te stigmatiseren.

Het is eigen aan extremisten dat ze proberen om mensen op te delen in ‘wij’ en ‘zij’. Ik roep uitdrukkelijk op om niet in die val te trappen. De breuklijn loopt niet tussen ons en ouders die vandaag wanhopig ongerust zijn om het lot van hun kinderen, of ze nu al vetrokken zijn of met plannen in die zin rondlopen. Welke ouder kan zich niet inbeelden hoe het moet voelen om in die onzekerheid en paniek te verkeren?

De reactie van verschillende imams toont aan dat de breuklijn vandaag niet loopt tussen moslims en niet-moslims. Voor zover we het profiel kennen van degenen die vertrokken zijn, gaat het niet alleen om nieuwkomers of vierdegeneratiejongeren. Andere sprekers hebben al gewezen op de bekeerlingen. Gevoelens van nutteloosheid, onrechtvaardigheid en stigmatisering zijn niet het alleenrecht van één bevolkingsgroep. De ware breuklijn in dit debat is er een tussen hen die maatschappelijke problemen willen delen en aanpakken en hen die garen spinnen uit het lijden van een bevolking, uit de onzekerheid van kwetsbare jongeren om doelen te dienen waar we allemaal van gruwelen.

Op die breuklijn zitten veel kwetsbare jongeren. Onze jongeren. Dat betekent dat we allemaal onze verantwoordelijkheid moeten nemen. Ouders, imams en burgemeesters zullen moeten blijven samenwerken. Alle overheden zullen moeten samenwerken. De federale overheid, lokale overheden en ook de Vlaamse overheid. er is al verwezen naar de rol die het onderwijs kan spelen. Mijn fractie heeft al herhaaldelijk gewezen op de tragische cijfers van de jeugdwerkloosheid, net in die steden waar jongeren nu vertrekken. Van al degenen die vertrokken zijn was er welgeteld één aan de slag, dat betekent dat werk ongelooflijk belangrijk is.

Ik wil van mijn tijd gebruik maken om grote benadruk te leggen op de rol van de bijzondere jeugdzorg. De wet op de jeugdbescherming bevat twee begrippen: een problematische opvoedingssituatie (POS) en een als misdrijf omschreven feit (MOF). Bestaat er een beter voorbeeld van een POS dan de jongere die zegt “ik wil naar Syrië gaan, ik wil gaan vechten voor een extremistische zaak”, de ouders die dat willen tegenhouden, de jongere die daar niet op wil ingaan en zich aan het ouderlijk gezag wil onttrekken. Evident is dat we daar een taak zien voor de bijzondere jeugdzorg. We kunnen ons de vraag stellen waar die bijzondere jeugdzorg zat, toen bleek dat heel wat van degenen die naderhand geradicaliseerd zijn, bij de politie gekend stonden als veelplegers die een onophoudelijke reeks feiten pleegden die niet begeleid en onbestraft bleven. Reeds eerder hebben mijn fractie, ikzelf en andere sprekers gewezen op het gebrek aan capaciteit en aan gepaste procedures om een passend antwoord te bieden op een POS of een MOF. Lokale besturen hebben gewezen op de chronische tekorten.

Ik wil van dit podium gebruik maken om nogmaals een oproep te lanceren om snel werk te maken van een verbeterde jeugdzorg, een jeugdzorg die we gericht inzetten. We moeten ook de vraag kunnen stellen hoe het komt dat geen van die ouders de stap gezet heeft naar bijzondere jeugdzorg. We moeten de vraag durven stellen naar het bereik van onze welzijnssector. Dat betekent dat we de hand zullen moeten uitsteken, dat we zullen moeten investeren in buurtwerking en straathoekwerk om die problemen aan te pakken, problemen die veel te lang verborgen zijn gebleven.

Ik zou van dit podium gebruik willen maken om te zeggen dat er geen pasklare antwoorden zijn, geen readymade oplossingen. Het zou bijzonder goed zijn dat dit Vlaams Parlement een krachtige boodschap zou uitzenden dat heel Vlaanderen en alle Vlamingen achter alle ouders staan in hun worsteling om hun kinderen te behoeden. Dat Vlaanderen, dat wij, onze jeugd, al onze jongeren een toekomst willen bieden. Dat die toekomst hier ligt in Vlaanderen – in Antwerpen, in Vilvoorde en Maaseik, in Gent en Oostende – en niet op de slagvelden van welke extremistische beweging ook. (Applaus bij sp.a, CD&V, Open Vld en Groen)

Filip Dewinter

Een retorisch sterk slot, maar toch niet helemaal correct wat u vertelt. U vraagt zich af waarom die ouders nooit de stap naar de bijzondere jeugdzorg hebben gezet. Ik heb het genoegen gehad om de ouders van Brian De Mulder verschillende keren te ontmoeten. Ze hebben me het verhaal van hun zoon gedaan en ik heb het kort samengevat in mijn betoog. Het heeft twee jaar geduurd. Hij speelde bij de beloften van Beerschot. Toen hij 16 jaar was, ging hij op een dag naar school in een djellaba. Hij vroeg op school alleen nog halal voedsel. Hij vroeg een aparte plaats om te bidden. Hij wou niet meer samen met de meisjes uit zijn klas gaan zwemmen. Minister, het was een katholieke school. U hoeft zich dus niet geviseerd te voelen. (Opmerkingen van de heer Bart Van Malderen)

Op een bepaald moment bleef hij weken weg van school. De ouders deden een beroep op de schooldirectie. Het enige antwoord van de schooldirectie was de jongen weg te sturen van school. Denkt u dat de school op dat moment contact heeft opgenomen met iemand, met de bijzondere jeugdzorg, met de spijbelambtenaar, met het ministerie van Onderwijs, met de lokale autoriteiten van burgemeester Bart De Wever, die een grote top over deze problematiek organiseert? Hij heeft trouwens ook enkele mails van de familie gekregen. Het enige antwoord van de burgemeester van Antwerpen was dat de familie zich met hun eventuele zorgen en problemen kon wenden tot de klachtenmanager van de politie. Het past natuurlijk niet echt in de top die men organiseert met andere burgemeesters, maar dat geheel ter zijde. Alles gebeurde voor de problematiek in de media aan de orde was. Tot daar de betrokkenheid van het onderwijs en van alle instellingen waar wij over beschikken. Men wil dit niet zien omdat het niet past in het politiek correcte plaatje. Weet u wat het antwoord van de schooldirectie was aan de betrokken ouders? “Mevrouw, dit is een kwestie van vrijheid van godsdienst. Uw zoon is vrij om de godsdienst te kiezen die hij wil. Als hij naar school wil komen in een djellaba, als hij halal voedsel wil, als hij niet meer met meisjes wil zwemmen, dan is dat zijn recht. Wij moeten dat respecteren.”

Tot daar, mijnheer de fractieleider van de sp.a, de realiteit op het terrein. Dat is natuurlijk wat anders dan het verhaal dat men hier in het parlement ophangt, het officiële verhaal dat men te horen krijgt van burgemeesters en ministers. Het is de realiteit op het terrein. De realiteit op het terrein is dat men de multiculturaliteit niet in het gedrang wil brengen en dat er geen problemen van radicalisering zijn, want dat past niet in het plaatje van integratie en diversiteit. Dat is de waarheid. (Applaus bij het Vlaams Belang))

Ik had gedacht dat de heer Dewinter mij een vraag wou stellen, maar hij doet een nieuwe poging om zijn spreektijd te rekken. (Opmerkingen bij het Vlaams Belang)

Het is blijkbaar vervelend om te worden tegengesproken. Ik had gedacht dat collega Dewinter mij een vraag ging stellen, maar hij heeft een nieuw stuk aan zijn betoog gebreid.

Wat ik hieruit onthoud, is dat er in dit parlement verschillende meningen zijn, maar dat ik wel tot nu toe niemand heb gehoord die het bestaan van problemen ontkent. Ik heb niemand gehoord die heeft gesteld dat wat op het terrein gebeurt, perfect is. Ik heb zelf gewezen op problemen met het bereik van de bijzondere jeugdzorg. Wat ik tot nu toe bij alle sprekers, behalve bij één, ook gehoord heb, is de wil om er iets aan te doen. En er is er één die daar in gebreke blijft. (Applaus bij sp.a, Open Vld en Groen)

De heer Meremans heeft het woord.

Collega’s, de situatie waarbij tientallen Vlaamse jongeren zich aansluiten bij groeperingen die vechten, niet louter tegen het Assadregime maar ook voor de hegemonie in dat gebied, baart vele zorgen, en dat is ook terecht. Laat ons beginnen met eerlijk te zijn. De internationale gemeenschap faalt. Ook de Europese Unie faalt. Onder meer het wapenembargo wordt verschillend gepercipieerd door diverse lidstaten. Dat is geen goede zaak.

Het vertrekken van jonge mensen naar buitenlandse oorlogen is geen nieuw fenomeen, ook niet in onze contreien. Ik denk aan een recent en een verder verleden. Het is geen typisch Vlaamse of Belgische problematiek maar een internationale. Het zinloos verlies van mensenlevens blijft nooit aanvaardbaar, zeker niet als we vernemen dat deze onervaren would-besoldaten in de weg lopen en riskeren puur als kanonnenvlees te worden geserveerd. Rest natuurlijk ook de vraag hoe ze terugkeren, in welke toestand, en of het verblijf in dergelijke organisaties gevaren inhoudt voor henzelf en hun omgeving.

Antwerpen is tot nu toe de enige stad in Vlaanderen die reeds ervaring heeft rond de deradicalisering via diverse acties. Het is dan ook logisch dat de burgemeester van deze stad het initiatief heeft genomen om samen met collega’s van gedachten te wisselen en te kijken welke maatregelen kunnen worden genomen. Het is in dezen belangrijk dat de lokale politici de situatie het beste kunnen inschatten en samen met de politie kunnen nagaan hoe die rekrutering precies verloopt. Ze kunnen ook advies verlenen aan de Vlaamse en federale overheid. Dit overleg juichen wij toe en we willen het verder aanmoedigen.

De maatregelen zullen voor een stuk acuut, curatief, sanctionerend maar tegelijk ook preventief en duurzaam moeten zijn. Het blijft verbazend dat jongeren, ook bekeerlingen, hun leven riskeren in een oorlog waarbij ze zich veelal aansluiten bij de meer extreme groeperingen. Bij de radicalisering van deze jongeren, die komen uit diverse sociaal-economische achtergronden en profielen, speelt niet het feit van geen kansen te hebben, maar het aanvoelen ervan en dit gekoppeld aan persoonlijke teleurstellingen en ontgoochelingen. Extreme idealen bieden aan jonge mensen soms eenvoudige oplossingen of uitwegen. Hier gaat het om radicalisering op basis van geloof. Maar radicalisering kan evengoed op basis van andere idealen gebeuren. Hier schuilt opnieuw een opdracht voor het jeugdwerk: het sensibiliseren, detecteren, opsporen en inspelen op de problematiek.

Het zoeken naar idealen maakt deel uit van het ontwikkelingsproces van elke jongere. Extreme idealen spreken jongeren meer aan. Wanneer de omgeving hier geen evenwicht kan brengen, dreigt het gevaar voor radicalisering. Daarbij komen dan nog eens de internetfora die een snelle toegang verschaffen tot informatie en die een versterkende factor zijn.

We kunnen hierover in het parlement debatteren, maar de politionele en juridische maatregelen behoren nog steeds tot het federale niveau, al ontslaat ons dat niet van de taak om ons hierover uit te spreken. Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat we zeker duidelijk mogen zijn dat er in Vlaanderen geen plaats kan zijn voor hen die via extremistisch gedachtegoed mensen ronselen voor buitenlandse oorlogen. Wij gaan er dan ook van uit dat qua politie en justitie de federale overheid doortastend optreedt en duidelijke voorbeelden stelt.

Het falend migratiebeleid van de afgelopen decennia is ongetwijfeld een van de oorzaken. Nog niet zo lang geleden werd de term inburgering al een beetje vies en verdacht voorgesteld. Het is de N-VA die dit op de agenda van de Vlaamse Regering heeft geplaatst. De Vlaamse Regering gaat hier gewoon mee door. (Opmerkingen bij het Vlaams Belang)

Tegelijk toont de realiteit aan dat het niet gaat om nieuwkomers, maar om Vlamingen die hier geboren zijn.

De heer Penris heeft het woord.

Jan Penris

Ik wil dat de achtbare collega eens komt kijken in Borgerhout, in bepaalde wijken van Merksem en in bepaalde delen van de wijk 2060 in het Antwerpse om te zien hoe daar wordt ingeburgerd. Goede collega, men burgert daar niet in, men burgert daar uit, en men burgert daar uit met volle overtuiging! (Applaus bij het Vlaams Belang)

Ik kan alleen maar zeggen dat er nu een Integratiedecreet op tafel ligt en dat wij daaraan voortwerken. Dat is uw stelling. Maar integratie is een proces. Dat gaat niet van vandaag op morgen.

Tegelijk toont de realiteit aan dat het hier niet gaat om nieuwkomers, maar om Vlamingen die hier geboren zijn en die zich afkeren van onze samenleving. Dat onderstreept de nood aan integratiewerk – iets wat minister Bourgeois al meermaals heeft aangehaald en wat ook duidelijk in het nieuwe Integratiedecreet zit vervat. Deze kleine groep mensen mag de nood aan integratie en inburgering niet ondergraven, meer dan ooit is er nood aan een gestroomlijnd en goed gecoördineerd integratie- en inburgeringsbeleid. Lokaal zullen onze steden en onze gemeenten volop, ondersteund door het nieuw agentschap voor inburgering, de lokale regie op zich nemen. Een doorgedreven integratiebeleid moeten we voortzetten, dat blijft onze verantwoordelijkheid.

En nu we het toch over verantwoordelijkheden hebben, er is hier ook een verantwoordelijkheid van de moslimgemeenschap en de islamitische geloofsgemeenschappen in ons land. Buitenlandse bedienaars van erediensten dienen weliswaar een inburgeringstraject te volgen, maar de Moslimexecutieve moet een belangrijke rol spelen om overal te komen tot een eredienst die respect betoont voor de normen en waarden gangbaar in een westerse democratie. De interne strubbelingen binnen deze executieve zorgen evenwel voor een moeilijke dialoog tussen overheid en moslimgemeenschap. Dat bemoeilijkt de uitwerking van concrete acties en maatregelen die leiden tot een betere verstandhouding. Er blijft een tekort aan Vlaamse imams die hier geboren zijn, de taal en de gewoonten beheersen en respecteren.

Nu kunnen we opnieuw de vraag stellen naar een opleiding islamitische wetenschappen, zodanig dat we een Vlaamse islam krijgen die perfect geïntegreerd kan zijn naast de andere erkende godsdiensten. Hierover worden trouwens morgen door collega’s vragen gesteld. We vragen dan ook aan de betrokken minister om hier werk van te maken. Er is in deze vergadering ook al een resolutie goedgekeurd van de heren Ludo Sannen, Ward Kennes en Kris Van Dijck, betreffende de inrichting van een universitaire opleiding Islamitische Godsdienstwetenschappen. Er is dus een duidelijke vraag van dit parlement. Deze opleiding is een academische, theologische opleiding, met de bedoeling dat Vlaamse moslim-jongvolwassenen een antwoord kunnen vinden op vele vragen over het leven als moslim in een westerse, geseculariseerde maatschappij.

Dit is al lang een thema, maar er komt weinig schot in de zaak. De actualiteit leert dat het noodzakelijk is om stappen te zetten.

Filip Dewinter

Collega, ik heb u horen pleiten voor een Vlaamse islam, ik heb de heer Kennes horen pleiten voor een Europese islam en een islamitische theologische faculteit. U doet dat nu nog eens. De heer Kennes heeft gezegd dat het kritisch denken binnen de islam moet worden aangemoedigd en dat we de islam moeten aanpassen aan onze geseculariseerde samenleving, en nog meer van dat soort naïeve onzin.

Wanneer gaan we met z’n allen begrijpen dat de islam haaks staat op onze Europese waarden en normen? Dat is zo voor wat betreft de scheiding tussen kerk en staat, de gelijkheid tussen man en vrouw, democratie, vrije meningsuiting. Als je dat allemaal wilt aanpassen aan onze manier van leven en aan onze waarden en normen ter zake, dan is de islam de islam niet meer, dan gooit de islam gewoonweg alles overboord waar hij in feite voor staat. De islam zal en wil dat nooit doen. Wel integendeel. Het is een illusie om dat alsmaar opnieuw te blijven herhalen, in de hoop daarmee de gemoederen van onze bevolking en de publieke opinie te sussen. U zult geen Europese of Vlaamse islam creëren, het enige wat u gaat creëren, is een geïslamiseerd Vlaanderen en een geïslamiseerd Europa. Dat zal het enige zijn wat u met al deze initiatieven tot stand zult brengen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Ik spreek ook een beetje uit ervaring. Tot enkele maanden geleden stond ik in een school. Ik heb daar ook islamleerlingen en islammeisjes gehad. Ik kan u zeggen dat ik nooit ervaren heb wat u daar vertelt. Ik heb ook met de ouders gesproken. Wat u zegt, is niet gangbaar. U dicht een kleine minderheid een enorm belang toe. Dat is niet zo. De meeste moslims hier wensen een vreedzame samenleving. De bakker wil zijn brood verkopen, de kapper wil kappen. Dat is hun bedoeling. En ik geloof dat ook. Ik geloof ook dat zij een betere toekomst willen voor hun kinderen. (Opmerkingen van de heer Wim Wienen)

Zeggen dat elke moslim een jihadi is, gaat te ver. (Applaus)

Dat moet ook eens worden gezegd. (Rumoer bij het Vlaams Belang)

Ofwel gelooft men in een samenleving waarin mensen kunnen samenleven, ofwel maakt men een gesegregeerde samenleving, waarvoor u pleit. (Rumoer)

Dat is niet datgene waarvoor wij pleiten.

Filip Dewinter

De gesegregeerde samenleving, dat apartheidsmodel, dat is nu juist wat de islam nastreeft, niet wij. U denkt dat u die mensen kunt integreren in onze samenleving en hen kunt laten afzien van alles wat voor hen essentieel en belangrijk is in hun eigen godsdienst. En dan komt altijd datzelfde voorbeeld van iemand die men kent op school, van die individuele moslim, van de buur, van de verre neef en dergelijke meer.

Wat die individuen willen, is eigenlijk niet eens relevant. Relevant is wat de islam als dusdanig wil. De islam wil geen integratie. Luister naar Erdogan, luister naar de imams, luister naar hun politieke en ideologische leiders, die er alleen maar voor pleiten dat moslims zichzelf zouden blijven, zich niet integreren en vooral de ware islam trouw blijven. Als u dat niet begrijpt, hebt u er in feite niets van begrepen en holt u maar verder in een betoog dat vooral onszelf ten gronde zal richten, op vrij korte termijn. Daar zijn we volop mee bezig. De situatie bewijst dat ten overvloede. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mijn en ons betoog is geen betoog dat alles mag. Ons betoog is er een van kansen bieden aan mensen. We vragen hen die kansen te grijpen, maar wijzen hen ook op de plichten en verantwoordelijkheden. Dat is ons betoog, het betoog waarin wij geloven.

Ik vervolg mijn uiteenzetting.

Deze opleiding is een academische, theologische opleiding, met de bedoeling dat Vlaamse moslimjongvolwassenen een antwoord kunnen vinden op de vele vragen over het leven als moslim in onze westerse, geseculariseerde maatschappij. Dit is reeds lang een thema, maar toch komt er geen schot in de zaak. De actualiteit leert dat het noodzakelijk is om stappen te zetten. Het is essentieel om een partner te hebben binnen de moslimgemeenschap die representatief is en kan spreken namens diverse stromingen binnen het beleden moslimgeloof in Vlaanderen. Het is dan ook hoopvol dat de moslimgemeenschap in dezen zelf al het initiatief heeft genomen om zich te verenigen, en de vraag heeft gesteld om met de Vlaamse Regering te kunnen overleggen.

Op dit ogenblik zullen een aantal Vlaamse moslimouders zich bang afvragen of ze hun kinderen ooit zullen terugzien, en in welke toestand. Hun wanhoop moet de erkende moslimorganen inspireren tot een actieplan, maar ook – dat zeg ik erbij – tot de nodige zelfreflectie en zelfevaluatie. Dit moet hen in staat stellen om dit krachtdadig en in intense samenwerking met de steden, gemeenten en de Vlaamse Regering op poten te zetten. Het blijft een verhaal van rechten en plichten, van verantwoordelijkheden die wij als overheid hebben, maar ook zij die zich in de onmiddellijke omgeving van deze jongeren bevinden. De overheid kan een maatschappij nastreven. Dat proberen we hier in Vlaanderen dag na dag te doen. Daarbij worden kansen geboden aan jongeren. We moeten echter ook toegeven dat we niet in het hoofd van elke jongere kunnen kruipen. Het is aan de onmiddellijke omgeving van de jongere, aan ouders, aan de school, aan vrienden, om op tijd in te grijpen en te signaleren. Dat is niet geheime politie spelen: het gaat om het vragen van de nodige hulp en advies. Natuurlijk hoort daar een dialoog met de jongere bij. Natuurlijk hoort daar een dialoog met de ouders bij. We mogen echter zeker en vast niet naïef zijn of gewoonweg de kop in het zand steken, om welke reden dan ook. Dit is in de eerste plaats in het belang van de jongere.

Als leerkracht streeft men de ontplooiing van de leerlingen na. Natuurlijk is er een vertrouwensband nodig, maar dat betekent niet dat men aan de kant moet gaan staan en de schouders ophalen. Blijft de vraag hoe het verder moet met jongeren die vertrokken zijn en terugkeren. Een terugkeer zonder verder vervolg lijkt uitgesloten. Maar hoe ga je dan verder? Het lijkt me dat eerst en vooral duidelijk moet worden van welke kanalen en welke contacten de jongere gebruik maakte, zodat we de lijnen duidelijk in kaart kunnen brengen. Wellicht zal er ook psychische bijstand nodig zijn, want het gaat immers om een zeer gewelddadig conflict. Blijft natuurlijk de vrees dat de jongere bepaalde ideeën aanhoudt of gevaarlijke contacten met extremistische groepen heeft. De veiligheid van de burgers primeert altijd. Dat moet de leidraad zijn. Alle beleidsniveaus zullen de nodige maatregelen moeten nemen op korte termijn, maar een aanhoudende inspanning op lange termijn zal des te belangrijk zijn.

Laat ons eerlijk zijn, we zullen moeten leren leven met het feit dat een voortdurende waakzaamheid van alle actoren broodnodig zal zijn. We hebben ook de plicht onze maatschappij te beschermen tegen deze uitwassen.

De toestand in Syrië is schrijnend. Onze rug draaien en doen alsof er niets aan de hand is, is niet onze optie. We zullen daarom ook humanitaire acties blijven ondersteunen die het leed van de getroffen burgerbevolking kunnen verzachten. De overheid heeft een verantwoordelijkheid om kansen te creëren voor jonge mensen om een zinvol leven uit te bouwen. Niet alleen de overheid maar ook zij die werken met jongeren, dragen daarin een verantwoordelijkheid. Ook de moslimgemeenschap kan en moet hierin een rol opnemen. Dat besef is nu ook aanwezig binnen die gemeenschap. We zullen in de toekomst dus niet naast elkaar maar met elkaar moeten samenwerken om via Vlaamse imams, via die nieuwe opleiding te komen tot het inzicht dat de Vlaamse samenleving met haar normen en waarden geen tegenstelling maar eerder complementair moet zijn. Waakzaamheid blijft geboden. Er wacht ons een moeilijke taak maar laat ons ook niet vervallen in simplisme of zwart-witdenken. We moeten het grotere kader voor ogen blijven houden. (Applaus bij de N-VA en sp.a)

De heer Verstrepen heeft het woord.

Jurgen Verstrepen

Huiszoekingen, aanhoudingen, Fouad Belkacem en drie andere leden van Sharia4Belgium zijn gisteren aangehouden bij een grootscheepse antiterreuractie. Toevallig ken ik Fouad Belkacem. Ik heb lang met hem koffie gedronken en hem overtuigd om een debat te voeren in mijn programma. Ik heb zijn discours evenwel tot de juiste proporties herleid. En ik kan u zeggen dat hij niet zo slim is als Dyab Abou Jahjah. Hij is wel leper en hij kent de media.

Mijn enig probleem met de grootscheepse terreuractie is dat Fouad Belkacems doel is bereikt: een martelaar en een held. Nog meer van dit en hij wordt een icoon waardoor hij nog meer jongeren kan motiveren om strijd te voeren.

Zijn wij tegen radicale speeches? Neen. Dat heet vrijheid van meningsuiting. Zijn wij tegen radicalen die naar Syrië vertrekken en gaan vechten? Neen, dat is hun eigen verantwoordelijkheid. Als ze dat zelf willen, dan moeten ze dat maar doen, behalve wanneer het minderjarigen zijn. Zijn wij tegen die Syrië-strijders die terugkeren naar ons land? Neen. Maar we moeten er wel voor opletten dat zij die terugkeren, onze maatschappij niet in gevaar brengen met het extremisme, het radicalisme of de kennis die ze hebben opgedaan in het oorlogsgebied.

Ik blijf in dezen voorstander van de vrije meningsuiting, behalve als die radicale meningen in de praktijk worden gebracht en als ze daardoor onze maatschappij ontwrichten. Pas dan heeft de overheid een taak. En net omdat ze een taak heeft, moeten we trachten deze situatie te voorkomen. In de vakliteratuur heet dat het opvangen van posttraumatische stress.

Over hoeveel jongeren gaat het hier? Tientallen. Een handvol. Voorlopig gaat het over 33 zogenaamde strijders. Het gaat hier niet over vliegtuigen vol met vechtjongeren onderweg naar het heilige land. Die tientallen die eventueel zullen terugkeren, moeten toch gemakkelijk te screenen zijn? Ik ga ervan uit dat Justitie een tandje bijsteekt en de grenzen in de gaten zal houden. En als ze terugkeren, dan kan het toch niet zo moeilijk zijn om die tientallen jongeren te begeleiden?

Deze kleine groep zogenaamde radicale jongeren krijgt de laatste tijd zeer veel aandacht, wat volgens mij een omgekeerd effect heeft. Wordt door zoveel media-aandacht niet net propaganda gemaakt voor de rekrutering van radicale islamitische strijders? Zeg tegen een puber dat hij niet mag roken en hij zal een sigaret opsteken.

Ik kan me inbeelden dat het voor een jonge allochtoon, op zoek naar identiteit, beïnvloed door religie, best wel aantrekkelijk kan zijn om naar Syrië te trekken en daar te gaan strijden in de overtuiging dat als hij terugkeert, hij de status als vrijheidsheld krijgt, met alle respect dat daarmee gepaard gaat.

Als mediaspecialist heb ik de indruk dat een aantal politici uit persoonlijke partijprofileringsdrang deze zaak bewust hebben opgeblazen. Pre-electoraal met maximale aandacht, Syrië-strijders als politiek propagandamiddel, glijmiddel naar de verkiezingen.

Radicalisering bij jongeren is niet nieuw, ook niet vanuit religieus standpunt. We worden daar al langer mee geconfronteerd in onze contreien, steden en gemeenten. Nieuw is wel dat een handvol jongeren, met pers en YouTube in hun kielzog, vertrekt naar een land waar gevochten wordt tegen een dictator, maar ook dat is van alle tijden. Extremisme en radicalisme met opleidingskampen is ook niet nieuw in Vlaanderen. Herinner u nog de militaire opleidingen die de Vlaams-extremisten gaven in de VMO-kampen (Vlaamse Militanten Orde).

Maar de strijd in Syrië is van een andere orde. Eigenlijk weten we niet wat die jongeren beweegt. Ik heb er nog geen gesproken, de pers ook niet, niemand in dit halfrond heeft een gesprek kunnen voeren met die jongeren. Zijn het vrijheidsstrijders? Terroristen? Islamstrijders? Idealisten? Pubers op zoek naar hun identiteit? Ik weet het niet. Veelal zijn het degenen die niets te verliezen hebben, die alles in de weegschaal gooien. Net omdat ze weinig of niets te verliezen hebben, zijn deze kansarme – in de werkelijke zin van het woord –jongeren vatbaar voor radicalisering. De manier waarop onze overheid dit probleem benadert, typeert het huidige, bijzonder oppervlakkige politieke klimaat.

Het politieke denken en handelen beperkt zich immers tot steekvlampolitiek, waarbij elke vorm van langetermijndenken straal wordt genegeerd omdat het zogenaamd niet electoraal lonend is. Op geen enkele manier wordt een oplossing geboden voor de complexe problematiek waar die jongeren vandaag mee te maken hebben.

Politici vragen zich blijkbaar niet af waarom deze jongeren naar Syrië vertrekken. Die aanpak is niet alleen kortzichtig, ze is ook niet zonder gevaar. Wetenschappelijk onderzoek toont immers aan dat de kiem van elk radicaliseringsproces veelal zijn oorsprong vindt in de sociale context van elk individu. Door gevoelens van nutteloosheid, onrechtvaardigheid of stigmatisering raken bepaalde personen steeds meer onthecht binnen onze samenleving.

Bijgevolg gaat men elders op zoek naar geborgenheid en net hier bieden extremistische groeperingen, extreem links, extreem rechts, katholiek of islamitisch, een fictief alternatief. Door mee te stappen in het creëren van een groepsidentiteit voelt men zich opnieuw nuttig, geborgen, geaccepteerd en stapt men zonder probleem op het vliegtuig richting Syrië. Willen we dit alles voorkomen, dan is een repressieve aanpak waarbij we jongeren net dat duwtje extra geven om hun vigerend gevoel van onbehagen en verlorenheid te stimuleren, zeker geen optie, dit in schril contrast met wat de eerste spreker in dit debat heeft gezegd.

Collega’s, steeds meer jongeren, niet alleen van allochtone afkomst, verdwalen in onze samenleving. We slagen er niet in om verschillende culturen, waarden en normen samen te brengen, waardoor segregatie en polarisatie voorop komen te staan. Dat is koren op de molen van bepaalde politieke partijen. Ze noemen dit het failliet van het integratiebeleid. Zo ver wil ik helemaal niet gaan.

Feit is wel dat er een probleem is. Het pamperen heeft niet geholpen en integratie heeft ook te maken met kansen en werk. We zitten met een grote groep jongeren van vreemde afkomst zonder perspectief, en een groot deel van degenen die wel slagen in hun integratie en opleiding, vertrekt naar betere oorden omdat ze de kennis en skills hebben om het internationaal te maken. Die blijven hier in veel gevallen niet achter.

Feit is wel dat politici dienen in te zetten op een kansenrijke samenleving, willen ze dergelijke uitspattingen van radicalisme in de toekomst vermijden. Dit is geen evidentie in crisistijden. In feite is dit debat net hetzelfde debat als het debat inzake het oplossen van de jeugdwerkloosheid, zeker wat betreft het oplossen van de jeugdwerkloosheid onder de allochtone jongeren.

Collega’s, politici hebben mogelijkheden, maar ook beperkingen. Hoe kunnen wij immers materieel beletten dat een naïeve jongeling op het vliegtuig stapt naar Turkije en daarna de grens met Syrië oversteekt? Ik heb nog geen voorstel gehoord. Mijn tweede vraag blijft ook onbeantwoord: is het onze taak om te beletten dat een naïeve jongeling op het vliegtuig stapt naar Turkije en daarna de grens met Syrië oversteekt? Ze zullen altijd wel een aantal wegen daarnaartoe vinden.

Wat kunnen we dan wel doen? Het is belangrijk om de jonge strijders die uit Syrië terugkeren, nadien van dichtbij te volgen en zo nodig te begeleiden. De kans is immers groot dat ze in Syrië nog verder geradicaliseerd zijn en hun extremistische gedachtegoed nadien hier uitdragen op een niet aanvaardbare manier. Bovendien kunnen ze de militaire expertise die ze ginder hebben opgedaan hier of elders in Europa gebruiken. Deze strijd winnen we niet alleen met een krachtig signaal of via de media of het voeren van een therapeutisch debat, maar door in overleg met de Federale Regering proactief te handelen. Hoog tijd dat iedereen in deze zaak zijn verantwoordelijkheid neemt en handelt. (Applaus bij LDD, Open Vld en sp.a)

De heer Van Der Taelen heeft het woord.

Luckas Van Der Taelen

Collega’s, beste toehoorders, wat mij in situaties als deze het meest bevreemdt, is hoe snel elk historisch besef verdwijnt. Men heeft het hier over een relatief beperkt probleem, en onze steekvlampolitiek werkt als nooit voorheen. Alsof men vergeten is dat dit een fenomeen is van alle tijden. Is men de kruistochten vergeten? Is men vergeten hoeveel honderdduizenden jongeren – zogezegd uit idealisme – vertrokken zijn naar het Heilige Land?

Trouwens, hoed je voor het woord idealisme. Voor mij zijn idealisten het grootste gevaar voor een samenleving omdat zij een ideaal gebruiken om iemand voor te spiegelen dat het geluk elders ligt. Dat idealisme hebben we toch ook gezien in de vorige eeuw. Wij hebben het gezien in WO I waar jonge Belgen uit puur idealisme logen over hun jonge leeftijd om toch maar te kunnen gaan vechten.

Valse profeten hebben we in WO II gezien. De mannen die naar het Oostfront trokken, dat waren idealisten en Cyriel Verschaeve was een groot idealist. Ik ben mij vorige week gaan vergewissen van de toestand van het graf van Cyriel Verschaeve. U zult me niet geloven, maar ik was aan het fietsen in de mooie Westhoek en ik ben gestopt in Alveringem. Daar zag ik dat het graf van die valse profeet nog recentelijk was bebloemd.

Misschien is Fouad Belkacem de hedendaagse Cyriel Verschaeve? Is het zo gek om erop te wijzen dat het idealisme waarmee men jongeren aanzet om te gaan strijden een fenomeen is van alle tijden? Men moet daar rekening mee houden, en als men dat niet doet, dan begint men om het even wat te vertellen.

Want, dames en heren, crisissen zijn uitdagingen en extreme maatschappelijke problemen bieden altijd kansen. Ik zie in deze zeer pijnlijke situatie een enorme kans. Waarom beroert dit fenomeen ons zo? Omdat het over kinderen gaat. U weet dat we het eerder hebben meeegemaakt in België, de pijnlijke herinnering aan Dutroux, u weet hoe dat ons allemaal heeft beroerd.

Maar waarover gaat het hier nu? Het gaat hier over heel jonge mensen, over kinderen. Wat er deze week is gebeurd vanuit de moslimgemeenschap is een kans die wij niet mogen laten voorbijgaan, of als u een modewoord wil het momentum dat we niet mogen laten voorbijgaan. Ik zou bijna zeggen – met enige zin voor kritische analyse – dat het de eerste keer was dat ik gehoord heb vanuit de moslimgemeenschap dat zij wezen op het gevaar van de radicalisering, dat zij bezorgd waren dat hun kinderen in de handen waren gevallen van malafide recruteurs. (Applaus van mevrouw Khadija Zamouri)

Dat is deze week gebeurd, en dat is een historisch momentum. En nu moeten wij – ik zeg wij, iedereen in Vlaanderen, alle beleidsvoerders – die kans niet laten liggen. Wij moeten naar die moslimgemeenschap gaan om over de problemen te spreken.

Ik denk dat ik relatief goed geplaatst ben om te weten dat er in het verleden regelmatig problemen waren met moslimjongeren. Ik heb erop gewezen en heb erover geschreven. Wat was het grote probleem? Dat er vanuit de moslimgemeenschap onvoldoende aandacht was voor de gevaren die hun eigen jeugd beloerden. Daaruit is een soort wederzijds onbegrip ontstaan, een onbegrip vanuit de allochtone bevolking die zich steeds benadeeld voelt, die gefrustreerd is. Maar er was ook een onbegrip vanuit de overheden die denken dat ze goed bezig zijn met onderwijs dat geen diploma’s aflevert en jongeren niet op weg zet naar een redelijke baan.

Waar ik toe oproep, is dat we eindelijk aan beide kanten blijk geven van een grote dosis empathie.

U kent misschien Robert McNamara nog, Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken tijdens de Vietnamoorlog. Hij heeft er onder John Kennedy voor gezorgd dat er geen derde wereldoorlog gekomen is tijdens de Cubacrisis, door de inspanning te doen om zijn tegenstanders niet steeds te diaboliseren, maar zich af te vragen wat er in hun hoofd gebeurt en hoe hij hen kon overtuigen. Hij plaatste zich in het hoofd van zijn Sovjet-tegenstanders. Hij heeft daarover een heel indrukwekkend interview gegeven, waarin hij zegt: “You have to empathize with the enemy.” Empathie betekent niet sympathie. En sympathie betekent niet liefde, dat wist Willy Sommers al.

Wij moeten nu blijk geven van empathie. Wij moeten beseffen wat er leeft in de hoofden van die jongeren. Daarover moeten wij kunnen gaan spreken met de moslimgemeenschap, die nu blijk heeft gegeven dat er misschien een moment is gekomen dat zij ook enige empathie kunnen opbrengen voor het beeld – het verkeerde beeld – dat wij soms hebben van die jongeren. Dan is misschien het moment gekomen om aan beide kanten eens in eigen hart te kijken voor het slapengaan, en ook om misschien eens naar ons integratiebeleid te kijken. Wij kunnen ons misschien afvragen hoe het komt dat zoveel jongeren afhaken in de scholen. Is ons onderwijs altijd aangepast? Hier in Brussel, de stad waar ik woon, zie ik dat men jaren heeft getolereerd dat er slecht onderwijs werd gegeven, dat jongeren zonder enige talenkennis afstudeerden, geen diploma haalden en zo gedoemd waren tot de werkloosheid. Dat is onze verantwoordelijkheid.

Ik zeg niet dat het allemaal onze fout is en dat wij die arme jongeren moeten helpen. Neen, wij moeten onze verantwoordelijkheid opnemen en nu gebruik maken van dat inzicht in de moslimgemeenschap dat het zeer fout kan gaan, dat hun jongeren misschien op een heel foute weg geraakt zijn. Van dat momentum moeten we profiteren om aan hen te vragen: vindt u dat het nu goed gaat? Zij hebben het antwoord al gegeven: het gaat niet goed. Laat ons proberen er samen voor te zorgen dat het wel goed gaat.

Je kunt hele theorieën opzetten over de ware natuur van de islam. We kunnen zeggen dat de multiculturele maatschappij failliet is. Maar dat brengt ons nergens. Gaan we de islam verbieden? Gaan we de helft van bepaalde Brusselse wijken deporteren? Of het nu gelukt is of niet, de multiculturele maatschappij is een feit, en wij moeten ervoor zorgen dat het geen drama wordt. En dat kunnen we alleen maar door communicatie, door samen te praten. Dat is wat ik de Vlaamse Regering ook vraag: dat de bevoegde ministers, net als alle burgemeesters en beleidsvoerders op alle niveaus, snel samen gaan zitten en praten met die gemeenschap. Het momentum is er. Het gaat over kinderen, over jonge mensen. Families die bezorgd zijn over het lot van hun kinderen, zullen luisteren naar wat hij hun te zeggen hebben. Ik hoop, ministers, dat u een bereidwillig oor wilt leggen bij die mensen die voor het eerst bereid zijn om toe te geven dat het misschien soms ook fout gelopen is in hun eigen gemeenschap.

Voorzitter, beste toehoorders, ik doe een oproep om deze situatie kalm in te schatten, en vooral om te luisteren naar wat de anderen te zeggen hebben, en dan proberen een politiek uit te werken die een heilzame uitweg biedt voor deze crisis. Ik dank u. (Applaus bij CD&V, Open Vld, sp.a, de N-VA, LDD en Groen)

Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister Geert Bourgeois

Voorzitter, collega’s, dit is een zeer moeilijk debat. Het gaat over een zeer complexe aangelegenheid – mevrouw Vanderpoorten heeft het woord ‘complex’ in de mond genomen. Het is een debat waar geen pasklare oplossingen uit zullen komen. Wie dus verwacht dat hier vandaag op de banken plots een aantal heel concrete oplossingen uit de bus zullen komen voor een zeer moeilijk fenomeen, moet zijn verwachtingen bijstellen.

Het is een debat over een complex probleem. Het is een debat over radicalisme, over fundamentalisme. Het is geen debat over integratie, het heeft er raakvlakken mee. Het is zeker geen debat dat ertoe mag leiden om te concluderen dat het integratiebeleid mislukt is. Daarvan zijn te veel bewijzen. Honderdduizenden en honderdduizenden mensen bewijzen dat ze wel geïntegreerd zijn.

Het mag ook geen debat zijn over de vraag of een islam inpasbaar is in onze samenleving. Het is een debat over fundamentalisten, over radicalen, waarvan een aantal zich afkeren van de fundamentele waarden van onze samenleving. Het is een debat over een kleine radicale groep van fundamentalisten, waarvan een aantal zorgwekkende houdingen etaleren.

Het is een debat ook, collega’s, dat meerdere overheden raakt. Het is een debat, zoals gezegd, dat de internationale gemeenschap aangaat, die alsnog niet optreedt in Syrië. Telkens als het gaat over de veiligheidsaspecten, is de federale overheid bevoegd. Daarvoor zijn wij niet bevoegd en daarover kunnen wij geen uitspraken doen. Het is ook een federale bevoegdheid als het gaat over de erkenning van erediensten. Het is ook een debat over federale bevoegdheden als het gaat over controle op de moskeeën. Dat is Staatsveiligheid, dat is federaal. Het is ook een debat dat het lokale niveau aangaat, waar al heel wat initiatieven zijn genomen. Het debat gaat ook het Vlaamse niveau aan.

Het is gezegd, collega’s, dit is geen nieuw fenomeen. Dat radicalen ten strijde trekken in het buitenland, is historisch nog gebeurd. Als we kijken naar de recente geschiedenis is dit, zoals al is aangehaald, gebeurd met de oostfronters. Het is kort daarvoor gebeurd met de burgeroorlog in Spanje. Recenter nog is het gebeurd met westerlingen die mee gingen vechten met de sandinisten in Nicaragua.

Het is geen nieuw fenomeen, collega’s, het is ook geen Vlaams fenomeen. Het is geen Belgisch fenomeen. Lees er de buitenlandse media op na. Dit fenomeen, waarbij jihadisten mee gaan vechten in Syrië, doet zich op dit ogenblik voor in Frankrijk, in Duitsland, in Nederland, in het Verenigd Koninkrijk, in zowat alle West-Europese democratieën. Spits het dus niet toe op of vereng het niet tot ons eigen probleem.

Over wie gaat het? Collega’s, we moeten heel ootmoedig zeggen dat we daar geen zicht op hebben. Die mensen zijn vertrokken of sommigen onder hen zijn aangehouden. Daar is geen onderzoek naar gedaan. We weten dat niet. We weten dat het over een beperkte groep gaat. Vandaag weten we uit de media dat er enkele tientallen mensen het voorwerp zijn van een gerechtelijk onderzoek en dat er een aantal aanhoudingen zijn. Enkele tientallen mensen uit Vlaanderen zijn gaan vechten in Syrië, staan op het punt om daar te gaan vechten of zijn al teruggekeerd uit Syrië. We hebben daar in Vlaanderen bijzonder weinig zicht op.

In Nederland is er wel onderzoek gebeurd, niettemin ziet men daar hetzelfde fenomeen van een aantal radicalen die nu in Syrië zijn. Uit Nederlands onderzoek blijkt dat het zou gaan, één, over zware fundamentalisten, twee, over jongeren die beïnvloedbaar zijn, zich laten meeslepen, ronselen of overtuigen, en drie, over avonturiers. Dat is klassiek in dergelijke gevallen, denk ik: dat er mensen worden aangetrokken door het avontuur en denken een of andere heldenrol te kunnen spelen.

Uit het onderzoek in Nederland en uit wat experten zeggen blijkt dat het niet uitsluitend over kansarmen zou gaan. Het gaat ook over hoogopgeleiden, zeker bij de ronselaars. Het gaat over mensen die kansen hebben gekregen, die diploma’s hebben behaald en werk hebben. En het gaat over mensen met achterstand en met achterstelling. Het is zeer complex en we hebben er weinig zicht op. Het gaat niet uitsluitend over mensen van vreemde herkomst of allochtone origine. Er zijn allochtone Vlamingen bij dat kleine groepje. Het gaat over hoogopgeleiden, vaak over jongeren ook.

Dames en heren, dit is wat mij betreft een zorgelijke evolutie, dit is wat de Vlaamse Regering betreft een zorgelijke evolutie, en wel om een aantal redenen. De eerste reden zijn de jongeren zelf. De jongeren gaan op avontuur, ze trekken ten strijde met een heilig doel. Ze weten niet waar ze aan beginnen, welke fysieke, morele en andere ellende hen te wachten staat. Ze keren terug als invalide, vol trauma’s en ze kunnen niet meer normaal functioneren in een samenleving. Dit is zorgelijk voor de ouders. Ze stellen vast dat hun kinderen, ondanks waarschuwingen, ondanks smeekbedes, toch vertrekken, toch naar het buitenland gaan.

Er werd hier gezegd dat die jonge mensen kunnen worden begeleid bij hun terugkeer. U weet hoe moeilijk het vaak is bij reguliere legers, bij mensen die in het buitenland zijn gaan vechten. U weet hoe moeilijk het vaak al is om ze in de reguliere legers achteraf te begeleiden, om die mensen psychiatrisch te begeleiden, om ze weer een rol in de samenleving te geven. Dit is een bijzonder geval, het is een heel ‘cruele’ burgeroorlog. Wat wij erover weten, wijst erop dat het gaat over folteringen, over onthoofdingen, over erg onmenselijke handelingen. Een aantal van hen zal terugkeren als een getrainde militair. Ze komen in onze samenleving terecht. Zeggen dat we die mensen wel zullen kunnen begeleiden, dat is misschien iets te optimistisch. Begeleiding zal bijzonder moeilijk worden. Federaal zal men moeten zien hoe men uit veiligheidsoogpunt omgaat met een aantal van die mensen, maar dat is niet ons punt.

Wat mij als minister van Integratie het meeste zorgen baart – dat hebt u ook kunnen lezen, er zijn citaten gepubliceerd – is dat er een kleine kern is die de fundamentele waarden van onze samenleving verwerpt, die zich niet inschrijft in de verlichte samenleving met rechten en vrijheden voor iedereen, met plaats voor elke religie, met plaats voor niet-religieuzen. Het is een kleine kern die vindt dat de islam de enige godsdienst moet zijn en dat de ongelovige honden daar geen plaats in hebben, dat ze moeten worden aangepakt. Dit is zorgelijk, want het zijn mensen die zich afkeren van de samenleving. En dit in tegenstelling tot de vele honderdduizenden, ook mensen van islamitische overtuiging, die zich wel in onze samenleving integreren, die wel die boodschappen geven, die wel opgeleid zijn, die tot in onze parlementen zitten en onze administraties, die functioneren op een manier zoals wij allen in deze samenleving: met respect voor anderen, met respect voor andermans overtuiging in een pluralistische samenleving die we sinds de Verlichtingswaarden hebben met erkenning van meerdere overtuigingen, van meerdere godsdiensten, meerdere religies, meerdere levensbeschouwingen, religieus of niet-religieus.

Wat kunnen wij doen? Ik heb al gezegd dat dit een meerlagige aangelegenheid is. Het is een zaak van de internationale gemeenschap. Dit is een zaak van de federale overheid, we hebben allemaal kunnen vaststellen dat het gerecht opgetreden is. Dit is ook een zaak van het lokale niveau. Ik was blij dat een aantal burgemeesters initiatieven genomen hebben, dat ze zijn gaan samenzitten en dat ze daar experts bij betrokken hebben die hun toelaten om de regierol op het lokale vlak ook uit te voeren en op te nemen. Er zijn steden waar men heel wat ervaren mensen heeft, denken we maar aan de Dienst Samen leven in Antwerpen.

Wat kunnen we doen op Vlaams niveau? Eerst en vooral moeten wij luisteren. De burgemeesters hebben aangekondigd dat ze ons hun aanbevelingen, hun zorgen en hun wensen zullen bezorgen. Wij moeten met hen in contact treden. Waar wij aan denken met de Vlaamse Regering, is aan het creëren van een referentiekader – dat bestaat ook in andere domeinen – voor het omgaan met de radicalisering. Wat doe je als je zulke signalen ziet? Hoe kun je die signalen opvangen? Welke zijn die signalen? Hoe ga je ermee om als ouder? Hoe ga je ermee om in het onderwijs? Hoe ga je ermee om in de samenleving?

In Nederland heeft men dat uitgewerkt in een drietrapssysteem: van preventie over detectie tot interventie. Het vergt samenleving. Het vergt een brede samenwerking in de samenleving. Het vergt evenzeer horizontale samenwerking.

Ten tweede, collega’s, zal ik de experten van de Vlaamse integratiecentra en van het Vlaams Minderhedenforum samenbrengen en zien welke hun expertise is die nuttig kan zijn in deze delicate kwestie. Ik weet bijvoorbeeld dat de Foyer, ODiCe en ook het Provinciaal Integratiecentrum van Limburg ervaringen hebben opgedaan in deze materie. We hebben te weinig expertise. Als wij ons agentschap zullen hebben opgericht, is het de bedoeling dat expertise daar wordt verzameld, samengebracht en dat er uitwisseling gebeurt van wat er op het terrein ervaren wordt door de diverse integratiediensten. Het is de bedoeling dat we één expertisecentrum hebben. Ondertussen gaan we waar nodig natuurlijk onverkort voort met maatwerk.

Ten derde zal de Vlaamse Regering in overleg treden met de moslimgemeenschap. Dat is niet om een momentum aan te grijpen, mijnheer Vander Taelen, want we hebben dat al eerder gedaan. We hebben allemaal de uitgestoken hand gezien van Brahim Laytouss, die publiekelijk gezegd heeft dat hij aan tafel wou gaan zitten. Voor diegenen die beweren dat het niet mogelijk is te integreren: de heer Laytouss is een overtuigd islamiet, met een universitair diploma, die momenteel doctoreert, uitgerekend op het thema van de radicalisering van de islam. Hij is ook imam en roept zijn gelovigen op om niet naar Syrië te trekken. Hij komt daar ook prominent voor uit. Hij is overigens niet de enige. We hebben contact opgenomen met hem. Hij stelt dat ze weten dat ze de dialoog moeten aangaan. Er moeten gesprekken plaatsvinden. We moeten elkaar de hand reiken. Deze mensen – zo blijkt uit mijn eigen ervaring – willen de islam inschrijven in een pluralistische samenleving, niet als enige levensbeschouwing of enige religie, maar met respect voor andere overtuigingen. We zullen rond de tafel zitten met deze mensen. Zij kunnen een zeer goed contact zijn om overleg te plegen over wat er kan en moet gebeuren, hoe je zulke fenomenen kunt detecteren en voorkomen en hoe je kunt interveniëren wanneer er zich zulke zaken aandienen.

Collega’s, we moeten ook uit de impasse geraken met betrekking tot de erkenning van de moskeeën. U weet dat dit geblokkeerd zit. De Executieve zit in voorlopige zaken. Minister Turtelboom heeft allang laten weten dat er geen erkenningen meer kunnen worden voorgedragen. Dat baart ons zorgen. Uit het onderzoek dat we hebben gevoerd, blijkt namelijk dat de erkende moskeeën bijdragen aan de integratie. Ze zijn ook een contactpunt voor de lokale overheid. Spreek met de burgemeesters, spreek met de betrokken schepenen. Ze zullen u bevestigen dat ze afspraken kunnen maken met erkende moskeeën en dat die ook aan buurtwerking doen. Het is een positieve bijdrage. Er zijn nauwelijks erkende moskeeën. In het geval zij niet meer voldoen aan de fundamentele eisen die wij hebben ingeschreven, zullen wij hun vergunning en erkenning terug intrekken, dat is evident.

Ik ken niet alle preken die in De Koepel worden gegeven, maar op YouTube circuleren er inderdaad filmpjes van preken van de heer Sulayman Van Ael uit Nederland. Op een bepaald moment trekt hij in een preek zeer hard, in zeer scherpe bewoordingen, van leer tegen de Mohammed-cartoons. Tegelijkertijd roept hij de gelovigen ertoe op om daar vreedzaam, verdraagzaam op te reageren. Gebeuren er andere zaken in De Koepel of in andere moskeeën die strijdig zijn met de waarden die ze hebben onderschreven, met name de rechten en vrijheden in onze Grondwet, de rechten en vrijheden zoals vastgelegd in het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)? Wel, signaleer het aan de Staatsveiligheid. Die zal het aan ons signaleren. Ik heb het niet één, maar meerdere keren gezegd: in zo’n geval trekken wij de erkenning van de moskeeën in. Er zijn ook tal van niet-erkende moskeeën. Dit is een zaak voor de staatsveiligheid.

Collega’s, ik denk dat het belangrijk is om de islamgemeenschap als een partner te beschouwen. We zullen het gesprek aangaan. Er zijn al heel wat contacten, maar nu hebben ze zichzelf uitgenodigd. Het verloopt zeer moeilijk omdat er geen overlegorgaan is. Er is een federale Executieve, maar die is geblokkeerd door allerlei problemen. Daar zal ik nu niet op ingaan.

We hebben op Vlaams vlak geen partner. We hebben wel tal van imams die bereid zijn om te praten, die zich inschrijven in de westerse verlichte samenleving. Zij willen partner zijn en samen gaan voor die verdraagzame samenleving.

De integratie is niet mislukt. We staan wel voor een zorgwekkende evolutie. We moeten ervoor zorgen dat we met dat debat geen afbreuk doen aan fundamentele waarden die we allemaal delen en koesteren, die voor ons belangrijk en heilig zijn. Aan nieuwkomers met om het even welk geloof zeggen we: dit zijn de waarden die u de kans geven om hier uw religie te beleven.

Ik geloof – na dit debat gevolgd te hebben – samen met de overgrote meerderheid van u in die samenleving, die pluralistische samenleving, gebaseerd op die rechten en vrijheden die de verlichting ons gebracht heeft, die verankerd zijn in onze Grondwet en in het EVRM en internationale verdragen.

Ik ontmoet mensen uit de islam, elke dag, elke week, die zich inschrijven in die samenleving. We moeten met hen in dialoog gaan. We moeten hen helpen waar het nodig is, waar het kan, zonder garantie op succes. Dit is een bijzonder – ik herhaal het – moeilijk en complex debat met heel veel factoren waarop we nog maar het begin van zicht beginnen te krijgen. We weten niet wat die mensen allemaal drijft, we kennen hen niet. We moeten daar nog heel veel over leren. Dat zal later gebeuren.

Het is een zaak van dit parlement, van de politieke wereld, om ervoor te zorgen dat dit geen afbreuk doet aan de samenleving die we met zijn allen willen. We moeten alle middelen inzetten, breed in de samenleving, in elke sector en elk beleidsdomein van de Vlaamse overheid, in elk bestuursniveau: lokaal, Vlaams en federaal. We moeten in overleg gaan met mensen zoals Brahim Laytouss, met mensen die het goed menen en die zich net als wij zorgen maken over die evolutie. We moeten proberen op bescheiden schaal oplossingen te zoeken. We moeten elkaar de hand reiken. (Applaus bij de N-VA, CD&V, Open Vld en sp.a)

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Voorzitter, uiteraard sluit ik me aan bij minister Bourgeois. Ik begin met enkele inleidende opmerkingen.

De heer Van Der Taelen en minister Bourgeois hebben gelijk, we zouden in het hoofd van die jongeren moeten kunnen kijken. Daar ligt het antwoord op de vraag waarom ze radicaliseren. De voorzitter vraagt ons altijd om nauw samen te werken met Schotland. Aan een heel oude Schotse universiteit, namelijk Saint-Andrews, heeft een professor zijn doctoraat en studies gemaakt over de radicalisering van Europese jongeren in het kader van collectief geweld.

Hij heeft een beetje in het hoofd van die jongeren kunnen kijken, want hij heeft gesproken met hen. Hij heeft een aantal redenen ontdekt. Opvallend, en dat haalt meteen uw thesis onderuit, mijnheer Dewinter, is dat veel van die jongeren op zoek zijn naar een ‘belonging rather than a strong belief’. Het ‘strong belief’ komt na de ‘belonging’ als ze de groep hebben vergezeld. Dat komt heel duidelijk tot uiting.

De jongeren zijn op zoek naar geborgenheid en identiteit. Ze zijn vooral op zoek om hun persoonlijke status te verbeteren. Die vinden ze, of denken ze te vinden, in een groep. Als ze tot die groep toetreden, zullen ze de overtuigingen en/of het geloof of wat dan ook van de groep overnemen. Er zijn heel wat redenen waarom jongeren dat doen. We mogen niet simplistisch denken.

Ik ben blij dat mijn collega het namens de Vlaamse Regering ook heel duidelijk heeft gemaakt: dit is geen debat over moslims. (Opmerkingen bij het Vlaams Belang)

Dat is het niet. Dat is heel duidelijk.

Ik ben het ook absoluut eens met de opmerking dat dit een verantwoordelijkheid is van iedereen. Dat betekent in de eerste plaats de ouders, dat betekent ook onderwijs, ik kom daarop terug. Dat betekent ook: iedereen die in de vrije tijd met die jongeren bezig is. Dat is een driehoek van ouders, onderwijs, jeugd- of sportvereniging. Daar moeten bruggen tussen zitten. Dat netwerk is het best geplaatst – en lokaal ingeplant – om jongeren die op weg zijn om te radicaliseren, tegen te houden.

Dat betekent meteen ook dat dit in eerste instantie een lokale verantwoordelijkheid is, waarbij de Vlaamse Regering ondersteunend moet optreden.

Mijnheer Dewinter, ik vind dat u over het onderwijs een heel groot intentieproces hebt gemaakt en een beschrijving hebt gegeven naar aanleiding van een concreet dossier dat ik niet ken en waar ik niet op wil ingaan. Ik zal nagaan wat daar gebeurd is. Ik zal helemaal niet zeggen dat in individuele scholen alles perfect verloopt, maar laten uitschijnen dat leerkrachten en schooldirecties niet geïnteresseerd zijn in het welbevinden van jongeren, doet enorm veel oneer aan wat vandaag in de scholen gebeurd. Nogmaals, er zullen uitzonderingen zijn, maar hoedt u om te veralgemenen en beschuldig de leerkrachten er niet van dat ze hun taak niet opnemen. Veel mensen in het onderwijs doen dat wel en zijn wel begaan met het lot en de evoluties van de kinderen in het onderwijs.

Morgen zal de beleidsraad van het ministerie van Onderwijs een afsprakenprotocol met de Staatsveiligheid afsluiten waarmee de samenwerking tussen het ministerie van Onderwijs en het gebruik van databanken op een georganiseerde en geregistreerde manier zal worden afgesproken. Dit proces is al een tijdje bezig en zal dus morgen definitief worden verankerd.

Er is een actieplan uitgewerkt voor de aan- en afwezigheden. Een van de grote pijlers van het plan is om niet alleen centraal te registreren wie zich in de school inschrijft, maar ook om de aan- en afwezigheden per dag bij te houden. Mevrouw Vanderpoorten, dat loopt. Over een paar maanden zal het ministerie van Onderwijs dag per dag de aanwezigheid van kinderen in de scholen kunnen nagaan. Twee jaar geleden hebben we vastgesteld dat dat niet bestond. We hebben er dus iets aan gedaan en op dit moment worden de data ingezameld.

Er zijn al vijf opleidingen voor gewone islamleerkrachten aan de hogescholen en ze zijn niet populair. Er zijn maar weinig studenten ingeschreven. Hopelijk zullen we voor de zomer het Onderwijsdecreet XXIII (OD XXIII) kunnen goedkeuren, want daar staat een bepaling in – die heel uitdrukkelijk is opgenomen – dat alle leerkrachten godsdienst – dus ook de islamleerkrachten – het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de eindtermen die door dit parlement bekrachtigd zijn, zullen moeten respecteren. OD XXIII wordt allicht deze vrijdag goedgekeurd door de Vlaamse Regering.

Enkelen hebben ook opmerkingen gemaakt over de opleiding van de imams. Denken – en ik zeg niet dat u dat doet – dat als we in Vlaanderen een opleiding voor imams hebben – en we moeten die hebben –, daarmee het proces van radicalisering is opgelost, is te kort door de bocht. We hebben zo’n opleiding nodig, maar het zal geen voldoende dam tegen de radicalisering zijn. We hebben gezegd dat die van start moet gaan in september 2014. We zullen er morgen in de commissie verder over uitweiden. Vanaf 29 april zal een werkgroep er heel intensief mee bezig zijn. Die werkgroep is heel breed samengesteld en goed voorbereid. Men is naar Nederland geweest. Een bepaalde krant heeft geschreven dat men het in Vlaanderen wil organiseren, maar dat men het in Nederland heeft afgeschaft en vraagt zich af of het dus wel wijs is om het in Vlaanderen te organiseren. We zijn naar Nederland geweest om van hen te leren en op basis daarvan zullen we hopelijk rond de zomer met een heel concreet voorstel komen. Meer nog, we hebben in de Vlaamse Regering al afgesproken dat we voor 2014 in 100.000 euro extra zullen voorzien om die opleiding op academisch niveau te kunnen aanbieden aan de universiteiten.

Ministers gaan af en toe naar het buitenland. Ik ben onlangs in Marokko geweest. Ik heb er heel lang gepraat met de minister van Religieuze Zaken. De radicalisering van moslimjongeren – niet altijd Marokkanen, maar soms wel – is er besproken evenals de problematiek van de imamopleiding.

Het was voor mij aangenaam om vast te stellen dat ook de Marokkaanse overheid, of we dat nu willen of niet, nog altijd een band heeft met de gemeenschap die hier leeft, daar mee begaan is en dat ook als een probleem beschouwde. Meer nog, ze was bereid om samen met ons te kijken hoe de imamopleidingen hier bij ons kunnen gebeuren. Ook zij zijn ervan overtuigd dat dat de beste manier is om te kunnen optreden. Die contacten zijn gelegd in navolging van mijn bezoek, toen de minister-president in Marokko was.

Wat moet onderwijs nog doen? De beste remedie is dat onderwijs onze jonge mensen opleidt tot veelzijdige, sterke persoonlijkheden die referentiekaders krijgen en kunnen nadenken. Dat is de hoofdtaak van onderwijs. De eerste verantwoordelijkheid voor opvoeden ligt bij de ouders. Het onderwijs moet die ondersteunen. Door een goede kennisoverdracht en het aanbrengen van vaardigheden en attitudes, kan onderwijs jonge mensen wapenen tegen verkeerde profeten.

Tot slot kom ik op de vraag hoe het zit met de samenwerking tussen onderwijs en politie. Het antwoord is heel simpel. Er is in 2006 een omzendbrief door de toenmalige minister van Binnenlandse Aangelegenheden, de heer Dewael, in overleg met de toenmalige minister van Onderwijs, uitgewerkt. Daarin zijn een aantal afspraken gemaakt. We hebben onlangs de toepassing van die omzendbrief vanuit Onderwijs en vanuit de politie geëvalueerd. Het blijkt dat in heel wat politiezones contactpersonen zijn waar de scholen naartoe kunnen gaan. Wij zullen opnieuw aan de scholen zeggen dat die personen, vaak de sociale dienst van de politie, de contactpersonen zijn.

Ik ben het eens met de onderwijsverstrekkers dat de taak van het onderwijs niet is om de grote verklikker te zijn. Dat is trouwens ook niet door de burgemeesters gevraagd. Het is nogal wiedes, wanneer leerkrachten of directies vaststellen dat er een probleem is, dat er gedragswijzigingen zijn bij jongeren, in bepaalde gevallen leidend tot radicalisering en in andere gevallen tot zelfdoding of andere dramatische situaties in het leven van mensen, dat daarop wordt gereageerd en dat het onderwijs een signaalfunctie opneemt. In eerste instantie is dat ten aanzien van de ouders, al of niet met inschakeling van de CLB’s als dat moet, maar ook met de sociale dienst van de politie waar een gespecialiseerd iemand is die weet wanneer er verder moet worden gegaan naar andere diensten van justitie en politie.

Mevrouw Vanderpoorten, ik ben heel duidelijk: onderwijs heeft een rol te spelen. Ik ben er ook van overtuigd dat dat de mening is van mevrouw Van Hecke en mevrouw Verdyck. Alles moet niet systematisch worden gemeld. Dat vraagt u niet, dat vraagt niemand, maar die indruk was ontstaan. Er is een systeem van escalatie dat moet worden gevolgd. Op een bepaald moment, wanneer je merkt dat bepaalde dingen heel erg worden en de normale reflexen om naar de ouders, de CLB’s of andere diensten te gaan, niet werken, dan moet je de sociale dienst van de politie inschakelen. Die is het best geplaatst om te weten of al of niet naar andere politiediensten of juridische diensten moet worden gegaan. Het lijkt me de belangrijkste weg dat we de omzendbrief herbevestigen. We zijn van plan om dat te doen en om er opnieuw de aandacht op te vestigen. Dat is de beste manier om ermee om te gaan.

Ten slotte, voorzitter, zoals mijn collega heeft gezegd, heeft dit debat aangetoond dat het enige antwoord dat we kunnen bieden een samenleving is die werkt, waar mensen voor elkaar opkomen, wanneer mensen merken dat andere mensen de weg dreigen te verliezen of dreigen te ontsporen, een netwerk in gang schiet om die mensen de mogelijkheid te geven om te blijven functioneren in de samenleving. We moeten daar niet naïef in zijn: dat is essentieel in een goed functionerende samenleving. Enkel op die manier kunnen we dergelijke fenomenen tegengaan. (Applaus bij CD&V, Open Vld, sp.a, de N-VA, LDD en Groen)

Filip Dewinter

Collega’s, het viel me op dat minister Bourgeois al onmiddellijk heeft geprobeerd om zichzelf en de Vlaamse Regering uit de wind te zetten naar aanleiding van de kwestie betreffende de radicalisering binnen islamitische middens en het rekruteren voor de jihad in Syrië. Hij zegt dat het geen debat is over migratie, dat het daar niets mee te maken heeft: het is geen debat over de islam, het gaat over een kleine groep van extremistische jongeren, en voor het overige draagt de Vlaamse Regering ter zake geen verantwoordelijkheid.

Over extremistische, zelfs gesubsidieerde, moskeeën verwijst hij in de richting van de Staatsveiligheid. Hij zegt aan mij: u moet dan maar aangifte doen bij de Staatsveiligheid. Ik zal een medewerker van mij verzoeken om het nodige te doen – wij hebben zoals u weet goede contacten wat dat betreft.

Alle gekheid op een stokje, uiteraard heeft de Vlaamse Regering verantwoordelijkheid, al was het maar omdat ook de mediaminister, die weliswaar niet aanwezig is, hierin betrokken is voor wat betreft het rekruteren via internet en haatwebsites, voor wat betreft satellietzenders zoals Nilesat en Arabsat vanuit Libanon en Egypte. Waar dit soort van sites en satellietzenders in Nederland wel kunnen worden afgesloten, kan dit hier blijkbaar niet.

Er is een verantwoordelijkheid binnen het domein Integratie. En er is zeker ook een verantwoordelijkheid voor onderwijs. Minister Smet, het verwondert mij enorm dat u met geen woord rept over het feit dat de woordvoerster van het Gemeenschapsonderwijs, mevrouw Sarina Simenon, in de krant heeft verklaard daar niet aan te zullen meedoen en geen informatie te zullen doorgeven. Zij zegt geen kliklijn te willen zijn: “Wij moeten een vertrouwensband tussen de jongeren en de leerkrachten in een veilige omgeving realiseren, en dus past het niet dat wij dit soort van informatie zouden doorgeven.” Ook daar hoor ik geen woord over.

En dan is er natuurlijk ook de bijzonder naïeve uitspraak van minister Bourgeois: “Kijk eens naar die vele moslims die op dit moment veroordelen dat er wordt gerekruteerd voor Syrië. We hebben er een goed contact mee. Die mensen streven naar hetzelfde doel als wij.”

Gelooft u dat nu echt? Ik heb zelfs in De Standaard een paginagroot interview gelezen met niemand minder dan Abou Jahjah, de gewezen leider van de Arabisch-Europese Liga. Hij zei: “Neen, het is een fout, die jongens mogen niet naar Syrië gaan vechten bij het verzet. Dat is compleet de verkeerde manier van handelen.”

Is dat omdat Abou Jahjah begaan is met de integratie? Is dat omdat hij vindt dat gaan vechten voor de jihad elders in de wereld niet zou kunnen? Maar bijlange niet! Dat heeft te maken met het feit dat Abou Jahjah uiteindelijk deel uitmaakt van Hezbollah! En aan welke kant staat Hezbollah in dit conflict? Aan de kant van Assad! Dit is om geopolitieke strategische redenen.

Hetzelfde met de imam in Antwerpen, de heer Taouil. We kennen hem toch? Hij is een salafist van de ergste soort! Herinnert u zich zijn uitspraken niet meer over de hoofddoeken en aanverwanten?

Wanneer dergelijke personen zeggen dat je niet moet gaan vechten met de jihadi in Syrië, is het omdat zij andere geopolitieke strategische belangen te verdedigen hebben in die regio, maar niet omdat zij uw doelstellingen ter zake genegen zouden zijn. Zoveel naïviteit had ik zelfs van iemand van de N-VA niet verwacht.

Het hoogtepunt van deze namiddag, zeker op literair vlak, kwam van de heer Luckas Van Der Taelen. Hij geraakte van Wim Sonneveld over Cyriel Verschaeve tot bij Alice Nahon. Mijnheer Van Der Taelen, u bent een belezen man. Maar ik raad u aan om naast deze Vlaamse en Europese dichters en auteurs – Cyriel Verschaeve heeft heel veel gedichten afgeleverd, maar niet allemaal van dezelfde kwaliteit als u het mij vraagt – eens iemand te lezen die niet van Europese oorsprong is. Zijn naam is Mohammed. En die man heeft ook wel wat geschreven. Enfin, hij heeft het laten schrijven want hij kon niet schrijven, maar dat is een ander paar mouwen. Hij heeft een fax, of een e-mail, van God uit de hemel gekregen.

Dat boek heet de Koran. Ik weet niet of u het kent. Het is ietsje verder verwijderd dan Alice Nahon en Wim Sonneveld. Maar het is niet onbelangrijk om dat boek eens te lezen in het licht van deze problematiek. Dan zult u misschien tot het inzicht komen waarnaar u zo vertwijfeld op zoek bent: wat leeft er in de hoofden van die jongeren die naar Syrië trekken om daar de jihad te gaan strijden en te sneuvelen als martelaren voor Allah? Lees die Koran. Lees eens een paar soera’s in die Koran.

Ik heb dat hele boek uitgelezen, wat niet zo evident is. Ik ben tot de conclusie gekomen dat daar de reden te vinden is waarom de islam zo gevaarlijk is en niet compatibel met onze westerse samenleving, waarom dit soort van conflicten overal in de wereld aan de orde zijn, en waarom moslims van overal uit solidariteit met de moslimgemeenschap, de oemma, dit soort van daden stellen, die voor ons vrij onbegrijpelijk zijn en een ver-van-ons-bedshow vormen.

Het gaat om de islam. Het gaat om de Koran, die geen interpretatie toelaat, die niet toelaat kritisch na te denken en die geen evolutie in de richting van de moderniteit en van een samenleving met onze normen en waarden toelaat. Het is net de naïviteit die hier zelfs door een minister verantwoordelijk voor de integratie aan de dag wordt gelegd die ervoor zal zorgen dat die integratie nooit zal slagen. De islam is de rem, de onvoorwaardelijke rem, bij wijze van spreken de handrem, op elke vorm van integratie in de richting van onze manier van leven en van onze waarden en normen, die zo fundamenteel voor onze Europese en Westerse samenleving zijn.

Ik vind wat minister Smet heeft gezegd bijzonder spijtig. Dit was het pijnlijke dieptepunt van het debat. Volgens hem is het geen debat over moslims of over de islam. Over wat gaat het debat dan wel? Zijn het boeddhisten, katholieken of protestanten die in Syrië voor de jihad gaan vechten? Zijn het overtuigde marxisten of nationalisten? Neen, het zijn geradicaliseerde moslims. Salafistische en fundamentalistische moslims gaan in Syrië vechten. Dit maakt integraal deel uit van de islam. Het debat gaat dan ook haast uitsluitend over de islam.

Zolang minister Smet dat niet inziet, vrees ik dat we een dovemansgesprek zullen blijven voeren. Het gaat van kwaad naar erger. Hij heeft de situatie nu al bijna niet meer in de hand. Dat zal in de toekomst zeker niet verbeteren.

Luckas Van Der Taelen

Mijnheer Dewinter, het verbaast me enigszins dat u met enig misprijzen in uw stem over dichters van hier, zoals Alice Nahon, spreekt. Anderzijds ben ik blij dat u het aandurft om de prozaïsche en poëtische kwaliteiten van Cyriel Verschaeve enigszins te ondermijnen. Indien dat in Vlaanderen wat vroeger was gebeurd, was er misschien minder onheil geweest. (Rumoer)

Ik wil het vooral hebben over wat u over de Koran hebt gezegd. U moet weten dat ik vrijzinnig ben. Ik geloof niet in godsdiensten. Volgens mij zijn godsdiensten schadelijk voor de mentale gezondheid en zijn ze opium voor het volk.

U hebt me gevraagd of ik de Koran heb gelezen. Ik wil best geloven dat u dat hebt gedaan. Ik feliciteer u met uw moed dergelijke werkstukken te doorworstelen. Ik wil evenwel gewoon vragen of u de Bijbel hebt gelezen. De Bijbel van het christendom vormt toch de basis van onze Westerse waarden. Indien u dat boek op uw nachttafeltje zou leggen en elke avond een paar pagina’s zou lezen, zou u niet bijkomen van de onzin die daarin wordt verteld. In de Bijbel staan wreedaardige verhalen die minstens even wreed zijn als wat in de Koran wordt verteld.

Mijnheer Dewinter, indien u aan godsdienstkritiek wil doen, moet u het hebben over alle godsdiensten, over alle boeken die de basis van een godsdienst vormen en niet enkel over de Koran.

Filip Dewinter

Mijnheer Van Der Taelen, we zullen hier geen theologische discussie voeren. We hebben blijkbaar een zaak gemeen: we zijn allebei vrijzinnig. Ik heb de Bijbel evenwel gelezen. Ik herinner me uit mijn katholieke opvoeding in het college van de Broeders Xaverianen dat de Bijbelteksten door exegeten worden geïnterpreteerd en gemoderniseerd. Ze baseren zich hiervoor op de actuele situatie.

Dat is nu net het grote verschil met de islam. De Koran wordt niet geïnterpreteerd. Dat is het letterlijke woord van allah, zoals het in de zevende eeuw na Christus door Mohammed is neergeschreven. Dat is het grote verschil met en het grote probleem van de islam. Die discussie zullen we hier echter niet voeren: dat moeten we elders doen.

Ik concludeer, en die conclusie is politiek, en niet theologisch. De conclusie is dat de Vlaamse Regering alle verantwoordelijkheid van zich afschudt en opnieuw als een struisvogel de kop in het zand steekt. Ik vind dat bijzonder pijnlijk en spijtig. Ik had ter zake meer verwacht van de Vlaamse Regering. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Wenst iemand tot besluit van dit actualiteitsdebat een motie of een motie van wantrouwen in te dienen?

– Het Vlaams Belang kondigt aan een motie te zullen indienen.

De motie moet uiterlijk om 16.40 uur zijn ingediend.

Het parlement zal zich daarover straks uitspreken.

Het debat is gesloten.

Ingekomen documenten en mededelingen
van Sas van Rouveroij aan minister Kris Peeters, beantwoord door minister Geert Bourgeois
285 (2012-2013)

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.