U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 6 maart 2013, 14.02u

Actuele vraag van de heer Kurt De Loor tot de heer Geert Bourgeois, viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand, over de uitdagingen voor de gemeentelijke financiën tijdens de komende bestuursperiode
De voorzitter

De heer De Loor heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, de toekomst van de lokale financiën ziet er allesbehalve rooskleurig uit. De nieuwe legislatuur die net is aangevat, is dan ook in weinig benijdenswaardige financiële omstandigheden gestart. Dat blijkt ook uit de studie van Belfius die eind vorige week naar buiten is gebracht. Die studie werpt een blik op de financiële uitdagingen voor de komende bestuursperiode van 2013 tot 2018.

Er worden ook een aantal oorzaken van die weinig benijdenswaardige financiële toestand aangehaald. Er zijn de pensioenlasten van de medewerkers, terwijl door de harde economische crisis ook de OCMW’s veel meer uitgaven hebben. De prognoses dat de economie niet sterk zal groeien, zullen repercussies hebben op de belastinginkomsten. En zo kan ik nog enkele oorzaken noemen, gaande van politiezones tot brandweerhervorming, enzovoort.

Minister, we zijn er allemaal van overtuigd dat de lokale besturen heel belangrijke investeerders zijn. Zij nemen bijna 50 procent van de publieke investeringen voor hun rekening. Het is heel belangrijk om tijdens de economische crisis deze investeringsmachine op gang te houden, niettegenstaande onze lokale besturen zich in een ‘catch 22’-positie bevinden: enerzijds moeten zij een optimale, kwalitatieve dienstverlening trachten te verzekeren, anderzijds moeten zij ervoor zorgen dat zij hun begroting op orde krijgen of houden.

Minister, vanuit dat oogpunt zijn alle lokale besturen nu bezig om vanuit de beleids- en beheerscyclus (BBC) een meerjarenplanning voor 2104-2019 op te stellen. Bent u bereid om vanuit Vlaanderen initiatieven te nemen om de druk op de lokale financiën te verlichten?

De voorzitter

Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister Geert Bourgeois

Mijnheer De Loor, u stelt terecht een vraag over de evolutie van de gemeentelijke financiën. Wij bespreken dat hier niet de eerste keer. Het is ook niet de eerste keer dat ik zeg dat ik mij zorgen maak over die evolutie. Niet dat de cijfers en de indicatoren rood zijn, maar ze staan wel op oranje.

Ik heb recent nog gecommuniceerd naar aanleiding van het bekend worden van de rekeningen voor 2011. Daarin toonde ik aan dat het positieve saldo van de rekeningen gedaald was van 10 procent in 2006 tot 4 procent in het eigen dienstjaar. Voor alle dienstjaren samen is dat gelukkig nog beter.

De Vlaamse Regering heeft er in deze moeilijke tijden voor gezorgd dat het Gemeentefonds structureel recurrent blijft stijgen met 3,5 procent. Dat is op zich een prestatie gelet op de druk op onze financiën en gelet op de grote besparingen die wij hebben doorgevoerd. Ik heb ook instrumenten ontwikkeld die de gemeenten toelaten om beter en structureel te plannen.

Dit is een kantelmoment. We staan voor een nieuwe bestuursperiode, er moeten nieuwe meerjarenplannen worden gemaakt. Daarom komt de studie van Belfius op het goede moment. Met de nieuwe BBC vragen wij dat men aan langetermijnplanning doet en niet probeert om enkel het eerstvolgende jaar een evenwicht te bereiken. Men moet een structureel evenwicht bereiken. De klemtoon ligt bij de gemeentelijke autonomie, maar ook bij de gemeentelijke verantwoordelijkheid.

U zegt terecht dat gemeenten moeten blijven investeren. U zegt terecht dat de schuld, het aandeel dat de gemeenten betalen in schuld, maar 12 procent bedraagt van de gemeentelijke uitgaven. Het grootste deel van de uitgaven ligt bij het personeel: 42 tot 43 procent. De werkingskosten bedragen 17 procent. Personeel en werkingskosten samen zijn al goed voor om en bij 60 procent. Daarnaast is er een belangrijk en toenemend aandeel overdrachten naar OCMW en politie. In deze moeilijke tijden van verminderende belastingsopbrengsten moet iedereen efficiëntieoefeningen doen. Ook de gemeenten moeten proberen beter te doen met minder.

De grote uitgavenpakketten zitten niet bij de schuld en de investeringen, maar wel bij de gewone uitgaven voor personeel en werking. Daar kan veel gebeuren. Informatie is belangrijk. De studie van Belfius is heel goed. Ik zal in plaats van in juli nu al een omzendbrief versturen omdat veel gemeenten nu al aan die meerjarenbegroting werken. Ik zal nog eens wijzen op de problemen en op de nieuwe instrumenten die we ter beschikking hebben gesteld.

Het is inderdaad niet de eerste keer dat dit hier en in de commissie ter sprake komt. Ik was dan ook een beetje verwonderd dat ik hier vandaag de enige vraagsteller was.

Minister, de groeivoet van 3,5 procent op jaarbasis voor het Gemeentefonds is inderdaad decretaal verankerd. Dit werd de voorbije jaren nauw toegepast. Ik vind dat niet meer dan logisch. Er zijn al in heel veel besturen efficiëntieoefeningen gedaan en er zijn efficiëntiewinsten geboekt, samen met het creatief omspringen met de middelen. Dat zal ook in de toekomst het ordewoord blijven.

Maar ik ben er ook van overtuigd dat dat niet alle problemen zal oplossen. Ook Vlaanderen heeft hierin een rol te spelen. We mogen niet alle verantwoordelijkheid bij de lokale besturen leggen. Daarom pleit ik voor een taskforce, die zich inlaat met de lokale financiën, waar zowel u, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), het Agentschap voor Binnenlands Bestuur, het federale niveau als de lokale besturen deel van kunnen uitmaken.

De voorzitter

De heer Meremans heeft het woord.

Ik wil de heer De Loor zijn illusie niet ontnemen, maar ik had al een vraag om uitleg voorbereid over hetzelfde onderwerp. Dus hij is niet de enige die met die bezorgdheid zit.

De minister antwoordt dat de Vlaamse overheid maatregelen neemt. Het Gemeentefonds gaat niet achteruit, ondanks de moeilijke financiële situatie. De lokale autonomie speelt inderdaad een rol. Onze gemeentebesturen zullen daar creatief mee moeten omspringen. Ik denk bijvoorbeeld aan synergieën tussen OCMW-diensten en stadsdiensten. Maar we moeten ook het taboe van de gemeentegrenzen overstijgen en bekijken voor welke diensten we met verschillende gemeenten kunnen samenwerken. Zo kan men dezelfde dienstverlening efficiënter verzorgen. De gemeenten moeten daarover samenzitten, en dat moet inderdaad nu gebeuren, bij de meerjarenplanning.

De voorzitter

Mevrouw De Waele heeft het woord.

Patricia De Waele

Minister, u zegt terecht dat iedereen efficiëntieoefeningen moet doen. Ik heb u vorig jaar gevraagd wat de financiële impact zou zijn indien men met één schepen minder zou werken. Het decreet laat dat toe, weliswaar op vrijwillige basis. Bij de samenstelling van de nieuwe colleges zou men vooruitziend te werk kunnen gaan en de tering naar de nering zetten.

Steden en gemeenten die vandaag zeggen dat ze moeilijke budgettaire tijden tegemoetgaan en hun begroting moeilijk sluitend denken te krijgen, zouden mijns inziens de politieke moed moeten hebben om met één schepen minder te werken. Hebt u er enig zicht op hoeveel steden en gemeenten er al ingegaan zijn op die mogelijkheid van het decreet om met één schepen minder te werken?

De voorzitter

De heer Verfaillie heeft het woord.

Jan Verfaillie

De gemeentelijke financiën staan inderdaad onder druk, net zoals bij alle andere overheden. Er spelen heel wat externe factoren, bijvoorbeeld de pensioenlasten op termijn. Maar het klopt dat er nog heel wat synergieën te bereiken zijn, zoals samenwerking met OCMW, waar we het in de commissie al veelvuldig over gehad hebben.

Ik wil nog één element meegeven, minister. In de eerstkomende weken en maanden zult u moeten onderhandelen over een nieuwe cao voor de lokale besturen. Alle politieke partijen moeten beseffen dat de lokale besturen het niet gemakkelijk hebben. We moeten de verwachtingen, en wat personeelsvakbonden of anderen eventueel naar voren kunnen schuiven, temperen. Het is heel belangrijk om ervoor te zorgen dat de mensen die vandaag in dienst zijn bij de lokale besturen, in de mate van het mogelijke in dienst kunnen blijven, en dat die torenhoge verwachtingen wat achterwege blijven.

U hebt vorige week in de commissie een hervorming van het Gemeentefonds aangekondigd. U zit daarmee in de eindfase, en dus kijken wij reikhalzend uit naar het initiatief dat u zult nemen om daarmee van start te gaan.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron

Ook wij zijn voor een slanke overheid, maar als je de berichten van steden als de mijne of Mechelen hoort, waar een zevende tot een achtste van het aantal medewerkers moet afvloeien, is dat een pijnlijk verhaal.

Minister, ook Vlaanderen is hier voor een deel schuldig. Het schuift een aantal kosten door naar gemeenten, al gaat het niet altijd om reusachtige bedragen, het betaalt niet mee voor de toenemende last voor gemeenten van de vergrijzing, budgetbegeleiding en zo meer. Vorige week was er nog de vraag over de lokale sportdiensten, die met hun saldo in de wind gezet worden. Zo kunnen we optellen.

Ten tweede blijven we, ondanks uw eigen intentie om het bestuurlijke landschap in Vlaanderen intern te hervormen, met verschrikkelijk veel structuren van intercommunales, allerlei bovenlokale structuren, provincies en steden en gemeenten zitten, die allemaal een heel grote apparaatskost hebben, waar we, denk ik, mits goed bestuur heel veel op kunnen besparen. Dat zouden we kunnen inzetten voor inhoud in onze gemeenten.

De voorzitter

De heer Van Hauthem heeft het woord.

Joris Van Hauthem

Voorzitter, dit debat is eigenlijk al gevoerd, ook in de commissie. De minister heeft vandaag geantwoord zoals hij toen in de commissie heeft geantwoord.

Minister, u zegt dat u de dotaties aan het Gemeentefonds op 3,5 procent houdt en dat dat een verdienste van de regering is. Neen, dat is een verdienste van het parlement, want het is decretaal vastgelegd. Als u met een ontwerp van decreet naar het parlement zou komen om dat percentage te veranderen, dan liggen alle mogelijke evenwichten aan diggelen, denk ik.

We zouden ook eens de opdrachten die gemeenten van hogere overheden krijgen, moeten onderzoeken. Die brengen ook kosten met zich mee.

Men geraakt er niet uit, want men spreekt al twee legislaturen – ook uw voorganger Keulen deed dat – over de hervorming van het Gemeentefonds en meer bepaald de verdeling tussen de gemeenten. U zegt dat u ook een hervorming zult doorvoeren, maar niet meer deze legislatuur. Binnen de meerderheid zit men hierover blijkbaar in een politieke impasse.

De voorzitter

De heer De Meulemeester heeft het woord.

Marnic De Meulemeester

Voorzitter, de bekommernis van de heer De Loor is natuurlijk ons aller bekommernis. Uit de studie van Belfius, maar ook uit andere indicatoren is gebleken dat het in de toekomst financieel bijzonder moeilijk zal worden voor veel steden en gemeenten, in het bijzonder voor de kleine gemeenten en voor de plattelandsgemeenten.

Minister, als het in de toekomst nog slechter zou gaan met de gemeentelijke financiën, overweegt u dan om opnieuw een fiscaal pact te sluiten tussen de Vlaamse overheid en de steden en gemeenten zoals dit ook in de vorige legislatuur is gebeurd? Ik hoop ook dat u de vele verplichtingen van de steden en gemeenten in de hand zult houden en dat er minder verplichtingen zullen worden opgelegd die personeelskosten met zich meebrengen en de normale dienstverlening verzwaren.

Minister Geert Bourgeois

Er zijn een heleboel betogen geweest. Het is een probleem dat de gemoederen fel beroert. De essentie is dat de gemeentelijke ontvangsten minder snel stijgen dan de gemeentelijke uitgaven. De ontvangsten stijgen met 0,5 procent, de uitgaven gemiddeld met 1,3 procent. Elke goede huisvader of huismoeder moet maatregelen nemen als hij of zij daarmee wordt geconfronteerd. Je kunt niet zeggen dat een ander dat moet oplossen, want als je autonomie hebt, moet je ook verantwoordelijkheid nemen.

U kunt zeggen dat het de verdienste is van het parlement dat die 3,5 procent in het decreet staat. Dat is ook zo, maar deze meerderheid heeft, ondanks alle besparingen die moeten worden doorgevoerd, deze 3,5 procent onaangeroerd gelaten. Je ziet de discrepantie: 3,5 procent plus 3,5 procent plus 3,5 procent elk jaar. Kijk naar de enorme stijging van het Gemeentefonds versus de besparingen die hier zijn aangepakt en versus het cijfer van 0,5 procent stijging van de ontvangsten van de gemeenten. Het is voor de gemeenten dus een goede zaak.

Ik heb niet tot vandaag gewacht om de gemeenten te zeggen dat ze maatregelen moeten nemen omdat de evolutie gestaag minder goed is. Kijk naar het rekeningencijfer ‘eigen dienstjaar’, want dat is de beste indicator. Ik heb het cijfer voor 2011 nog niet, maar wel dat van 2010. Van 2006 tot 2010 is er een daling van overschot op eigen dienstjaar van 10 procent naar 4 procent. Ik vrees dat het voor 2011 nog minder goed zal zijn. Het zijn dus indicatoren die op oranje staan en waar je rekening mee moet houden.

Daarnaast zijn er wel maatregelen genomen om de gemeenten te helpen. Tal van gemeenten beginnen aan synergieën tussen gemeente en OCMW. Dat leidt effectief tot besparingen in personeel. Ik heb in de commissie het voorbeeld gegeven van de managementondersteunende dienst van mijn agentschap Toerisme Vlaanderen die opgegaan is in de managementondersteunende dienst van de Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid. Er zijn door die kleine operatie twaalf personeelsleden minder nodig. Ook op gemeentelijk vlak kun je die synergieën bereiken, ook door intergemeentelijke samenwerking zoals de heer Meremans zegt.

Er werd gevraagd wat we doen met betrekking tot die intergemeentelijke samenwerking. Dat is een zeer grote opdracht die we op ons hebben genomen. We hebben heel veel werk verricht ter zake. We hebben al die tussenstructuren in kaart gebracht. Op dit moment beginnen de gouverneurs daaraan, natuurlijk in samenspraak met de gemeenten, die zelf bottom-up beslissen, om dat intermediaire niveau transparanter te maken, om te komen tot een sterke vereenvoudiging, en ook tot synergieën. Sommige gemeenten hebben niet genoeg bestuurskracht om specialisten in dienst te nemen, of ze doen dat wel, maar die specialisten hebben onvoldoende opdrachten of taken. Twee, drie, vier of acht gemeenten samen kunnen dat wél aan, op een efficiënte manier. Ze kunnen een specialist leefmilieu op niveau aanwerven, of een specialist ruimtelijke ordening op niveau, of een specialist onroerend erfgoed op niveau.

Dit zijn allemaal sleutels die we hebben aangereikt, maar de gemeenten moeten die natuurlijk grijpen. Nogmaals, ze staan op hun autonomie, en verre van mij om daaraan te tornen.

Mevrouw De Waele, ik heb geen idee hoeveel steden en gemeenten gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om het aantal schepenen te verminderen. Een aantal hebben dat in de vorige periode al gedaan, en nu gebeurt dat ook opnieuw. Vanaf 2019 is dat verplicht. Dan komt er overal een schepen minder. Dat weet u. Dat maakt natuurlijk niet het grote verschil. Tellen we dat samen voor alle gemeenten, dan is dat een belangrijke kost, maar dat zal ook niet zorgen voor een structureel evenwicht in elke gemeente. U hoort me dit echter natuurlijk niet tegenspreken.

Mijnheer Verfaillie, personeelsmatig zal men inderdaad heel voorzichtig moeten zijn. De VVSG is de werkgever. Wij zijn de bemiddelaar ter zake. Wij patroneren de onderhandelingen. Het zijn echter de vakbonden en de VVSG die de onderhandelingen moeten voeren. Het is echter evident dat het moeilijke tijden zijn. Ook wij hebben offers gevraagd aan ons personeel, aan onze vakbonden. Vorig jaar ging dat over nog eens 100 miljoen euro extra. Ik denk dat iedereen wel duidelijk weet dat er niet veel ruimte is.

Mijnheer Caron, ik verzoek u vriendelijk het debat over de besparingen in uw eigen stad te voeren in uw eigen stad. Elke gemeente moet haar verantwoordelijkheid opnemen. Het college moet zich verantwoorden tegenover zijn gemeenteraad. Ik blijf erbij dat gemeenten dezelfde diensten kunnen verlenen met minder mensen, net zoals wij dat doen. Ik herhaal mijn vraag om niet te besparen op de investeringen. Anders belandt men in een vicieuze cirkel. Van de gemeentelijke uitgaven gaat 12 procent naar schuld. Het grote deel van de uitgaven wordt uitgemaakt door personeel, door werkingskosten en inderdaad ook steeds meer door overdrachten naar OCMW’s en politie.

Mijnheer De Loor, u hebt gelijk wat dat laatste betreft. Dat is een andere zaak. Dat heeft te maken met de vergrijzing, met de stijgende lasten voor de politiezones enzovoort. Op die structurele kosten, die de grootste uitgavenposten vormen, kan men echter inderdaad heel wat besparen. Men kan efficiënter werken, met behoud van dezelfde dienstverlening.

Mijnheer De Meulemeester, hoe los van de wereld kunt u zijn om nu te denken dat wij 600 à 800 miljoen euro ter beschikking zullen stellen om de gemeentelijke schulden te verminderen, in ruil voor een fiscaal pact? Wij vragen fiscale discipline aan de gemeenten. Maken we de optelsom van alles wat u vraagt. Alle wachtlijsten moeten natuurlijk weg. De jobkorting moet opnieuw worden ingevoerd. We moeten bijkomend dan nog eens 600 à 800 miljoen euro transfereren naar de gemeenten. Ik wil wel, maar ik vraag aan de gemeenten dat ze hun verantwoordelijkheid nemen en zorgen voor een structureel evenwicht, in een context die zeer moeilijk is voor iedereen. Wij scheppen een kader ter zake. We geven daar de middelen voor, met de nieuwe beleids- en beheerscyclus (BBC). Dat is een langetermijnplanning. Dat is het belangrijkste dat gebeurt, meen ik.

Ten slotte is er nog het Gemeentefonds. Ik hoor dat men mijn voorganger er ook bij haalt. Ik heb niet gezegd dat het Gemeentefonds daadwerkelijk hervormd zou zijn, in de zin van inwerkingtreding, maar dat we de oefening maken om dat fonds te hervormen. In deze periode van budgettaire moeilijkheden is dat een zeer moeilijke oefening. Los van die 3,5 procent zal het totaalbudget van dat Gemeentefonds eerstdaags echter niet stijgen. Dat weet u ook. In een dergelijke periode is het nog moeilijker om te hervormen dan in een periode van stijgende budgetten.

Minister, ik dank u voor dit uitgebreide antwoord. Dat leden van alle partijen in dit halfrond een betoog hebben gehouden, is er een blijk van dat dit probleem door alle partijen wordt erkend. Ik vind dat Vlaanderen dit niet volledig kan overlaten aan de verantwoordelijkheid van de lokale besturen. Daarom pleit ik voor een taskforce die zich zou buigen over de toekomst van die lokale financiën, met de vertegenwoordigers die ik daarnet heb opgenoemd.

De financiële dreiging waarmee lokale besturen kampen, is niet enkel een discussie over begrotingscijfers, dat wil ik nog eens onderstrepen. Het gaat effectief ook over beleidvoeren. Zal er geïnvesteerd worden in veiligheid, in onderwijs, in lokaal sociaal beleid, in kinderopvang, in openingsuren van de bibliotheek, in de aanleg van fiets- en voetpaden en zo meer? Daarom is dit zo’n belangrijke discussie.

De voorzitter

De actuele vraag is afgehandeld.

Actuele vraag van de heer Wilfried Vandaele tot mevrouw Ingrid Lieten, viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, over de wissel aan de top van Telenet en de gevolgen hiervan voor het medialandschap in Vlaanderen
Actuele vraag van mevrouw Lies Jans tot mevrouw Hilde Crevits, Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken, over de recente monsterfiles in en rond Brussel na een ongeval en een snellere afhandeling van incidenten door de takeldiensten

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.