U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking (Voortzetting)

Dames en heren, aan de orde is de voortzetting van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2013, het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2013 en het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2013.

De voorzitter

Bestuurszaken

We bespreken het beleidsdomein Bestuurszaken.

De heer De Meulemeester heeft het woord.

Marnic De Meulemeester

Voorzitter, gelet op het beperkt tijdsbestek dat ons is toegemeten, wil ik drie onderwerpen aansnijden. Die onderwerpen zijn het personeelsbeleid van de Vlaamse overheid, de administratieve vereenvoudiging en de kennisdeling met de steden en gemeenten alsook de voorbereiding van de zesde staatshervorming.

Net als alle overheden moet de Vlaamse overheid slanker worden. We staan voor een moeilijke uitdaging. We moeten ons overheidsapparaat afslanken en in 2013 besparingen op het personeel realiseren. Tegelijkertijd moeten we onze mensen langer aan het werk houden, meer diversiteit tot stand brengen en de komst van duizenden ambtenaren van de federale overheid voorbereiden.

De afslanking van het personeelsbestand zit op koers. Van de besparingen met 60 miljoen euro hebben we nog 40 miljoen euro te gaan. Over de besparing met 100 miljoen euro is met de vakbonden een deal gesloten. Die deal lijkt echter meer op een verschuivingsoperatie dan op een echte besparing. Er is duidelijk niet voor afslanking gekozen. Dit onderwerp is overigens gisterenvoormiddag al ten overvloede aan bod gekomen. Ook onze fractievoorzitter, de heer van Rouveroij, heeft dit punt toen aangekaart.

Waar moet de Vlaamse Regering duidelijk nog een tandje bijsteken? Ik denk: op twee vlakken. Ten eerste op het vlak van diversiteit. Inzake de tewerkstelling van mensen met een handicap of chronische ziekte scoren we absoluut ondermaats. Met 1,3 procent halen we niet eens de helft van het streefdoel van 3 procent, dat eerder al met anderhalf procent naar beneden toe was bijgesteld. In de 21e eeuw halen we ook nog steeds niet het streefcijfer van 33 procent vrouwen in het topmanagement en we halen ook niet ons streefdoel voor medewerkers met een migratieachtergrond. Voor al deze groepen is het zeer twijfelachtig dat we tegen 2015 onze doelstellingen wel halen. Nochtans hebben we als overheid een voorbeeldfunctie. Hoe kunnen we werkgevers met de vinger wijzen, als we zelf in gebreke blijven?

Waarom is dit zo belangrijk? Omdat we het kamerbreed eens zijn over het feit dat de uitdaging van de komende jaren erin bestaat meer mensen aan het werk te krijgen en langer aan het werk te houden. En dat impliceert ook – en misschien wel vooral – deze drie groepen. Dat veronderstelt dat we meer investeren in het handhaven en heroriënteren van mensen naar een geschikte job binnen de overheid, wanneer die handicap of chronische ziekte zich voordoet tijdens hun tewerkstelling voor de Vlaamse overheid en dat we minder vlug overgaan tot hun pensionering wegens lichamelijke ongeschiktheid.

Dat sluit naadloos aan bij de tweede uitdaging, namelijk mensen langer aan het werk houden. Op federaal niveau werden op het vlak van pensioenen de nodige maatregelen genomen. Volgens de beleidsbrief was de gemiddelde leeftijd in 2011 61,6 jaar. Minister, u verklaarde in de commissie dat Vlaanderen voor zijn personeel eigenlijk zo al de norm haalt. Dat is zo voor de leeftijd voor het vervroegd pensioen, maar de pensioenleeftijd is nog steeds 65 jaar. Dat haalt Vlaanderen nog niet, zelfs niet in de administraties die hier het best scoren. Minister, ik verneem dus nog altijd graag hoe u de randvoorwaarden wilt creëren waardoor werken tot 65 jaar bij de Vlaamse administratie een evidentie wordt. In dat kader past ook het streven naar een grotere personeelsmobiliteit. Een studie toont aan dat die te weinig aanwezig is. Ik verwacht daarvoor zeer concrete voorstellen en acties.

Vlaanderen streeft naar administratieve vereenvoudiging, naar een versnelling en vereenvoudiging van procedures. Het zijn stuk voor stuk dossiers waarmee, naast de Vlaamse overheidsdiensten, ook ondergeschikte besturen hun voordeel kunnen doen. Ik wil aandringen op een snelle realisatie van de digitale bouwaanvraag. Ik heb vernomen dat die weer uitgesteld zou zijn. Normaal moest dat ingaan vanaf 1 januari 2013. Minister, gaat dat al dan niet door? Het is belangrijk voor de steden en gemeenten.

Ik wil herinneren aan het advies van de Vlaamse Adviesraad voor Bestuurszaken (VLABEST), dat Vlaanderen vraagt na te denken over welke nieuwe bevoegdheden door welk bestuursniveau het best kunnen worden uitgeoefend. Dat sluit aan bij het debat van gisteren, toen onze fractieleider ook heeft gesteld dat een nieuw kerntakendebat zich opdringt. Open Vld vraagt dat we over een en ander ook in het parlement de discussie kunnen voeren. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

De heer Vanlerberghe heeft het woord.

Jurgen Vanlerberghe

De interne staatshervorming die eerder tijdens deze legislatuur werd opgestart, wil via meerdere sporen komen tot een meer efficiënte en effectieve dienstverlening voor burgers en bedrijven. Dat is een lovenswaardige doelstelling die we zeker onderschrijven. Een belangrijk spoor spitst zich toe op het lokale beleid. In de analyse van het witboek is er sprake van bestuurlijke verrommeling, die dan leidt tot weinig transparante beslissingsprocessen en dus een democratisch deficit. Bovendien worden heel wat kanttekeningen geplaatst bij de efficiëntie en effectiviteit van deze organen.

Aan de andere kant van het bestuurlijk spectrum woeden dan weer discussies over bestuurskracht en schaalgrootte, over de vraag of intergemeentelijke samenwerking zich moet beperken tot verlengd lokaal beleid, dan wel zich ook mag toeleggen op bovenlokaal, regionaal beleid. In 2013 moet de analysefase van de regioscreening een aantal oplossingen aanreiken. We pleiten ervoor om deze oefening alle kansen te geven. We verwachten van de Vlaamse Regering dat ze de vinger aan de pols zal houden, zodat het eindrapport van deze regioscreening geen algemene theoretische beschouwing wordt waarvan de actualiteitswaarde al te gemakkelijk onderuit kan worden gehaald. We hopen integendeel op een doorleefd rapport, waarbij effectief bottom-up voorstellen gedaan worden. Die voorstellen verdienen het dan uiteraard om een mature behandeling te krijgen, ook indien ze misschien niet volledig passen binnen een aantal gangbare denkbeelden over de organisatie van de gemeentelijke en intergemeentelijke samenwerking.

Geen hervorming om de hervorming dus, maar wel degelijk een oefening om daadwerkelijk te komen tot een meer efficiënte en effectieve dienstverlening voor burgers en bedrijven. Elke actie heeft dan ook pas zin als ze deze algemene doelstelling dient. Er worden met deze regioscreening grote inspanningen gevraagd van de lokale besturen, waar we uiteraard de nodige waardering moeten voor opbrengen. We rekenen er overigens op dat de Vlaamse overheid blijft investeren in een vertrouwensrelatie met de lokale besturen: een relatie die gebaseerd is op wederzijds respect, en die ook in voldoende mate de vinger aan de pols houdt. We moeten nog meer dan in het verleden zeker zijn dat de decretale hervormingen op het terrein ook effectief kunnen worden vertaald.

Als ik vaststel dat bijvoorbeeld de evaluatie van de decretale graden eerder een papieren operatie blijkt te zijn, dan houd ik toch een beetje mijn hart vast hoe het gesteld is met de rest van de evaluatiecyclus. Dat is een maatregel waar toch heel veel discussie over geweest is. Als er een ontslag volgt van een statutair ambtenaar na twee negatieve evaluaties, dan lijkt dit veeleer uit te groeien tot een papieren tijger. Het zou ook spijtig zijn dat de aangekondigde externe audit in hetzelfde bedje ziek zou worden. Mocht dit nodig zijn, dan hoop ik dat de lokale besturen die worstelen met interne controle of procesbeschrijvingen niet enkel een Vlaams vingertje op hun weg zullen vinden, maar veeleer een stevige helpende hand.

Minister, inzake bestuurszaken kijken we vol verwachting uit naar de evaluatie van de vermindering van de managementondersteunende functies. Ik hoop van ganser harte dat hieruit inderdaad zal blijken dat outsourcing altijd verantwoord was en ik hoop dat indien het tegendeel mocht blijken, de doelstelling om te komen tot maximum 10 procent managementondersteunende functies geen hinderpaal zal zijn om opnieuw te insourcen.

Tot slot benadruk ik nogmaals dat het voor onze fractie van cruciaal belang is dat het op te richten VBRCO (Vlaams Bestuursrechtcollege) niet in hetzelfde bedje ziek zal zijn als de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Geen stuwmeer dus aan achterstallige dossiers, maar een goed functionerend rechtscollege dat alle betrokkenen een optimale rechtsbescherming en rechtszekerheid biedt.

De voorzitter

De heer Segers heeft het woord.

Willy Segers

Voorzitter, minister, collega’s, in het mij toegemeten tijdsbestek zal ik het over Inburgering hebben, de heer Dehandschutter zal straks spreken over Binnenlands Bestuur.

Integratie van nieuwkomers is en blijft een moeilijke maar belangrijke opgave. Diverse rapporten, onder meer van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Nationale Bank, tonen aan dat de huidige integratie van immigranten niet goed lukt, zeker in vergelijking met andere Europese landen. Daar kunnen wij uiteraard ons steentje toe bijdragen. Een gebrek aan een degelijk federaal – en ik durf hier het woord ‘federaal’ uit te spreken ondanks de afwezigheid van de heer Van Rompuy – migratiebeleid is daar toch wel de schuld van. Wij moeten dat proberen recht te trekken. Er zijn wat dat betreft al heel wat inspanningen geleverd. Ook langs Franstalige kant groeit het besef dat inburgering een noodzakelijke factor vormt in een succesvol integratieproces. Inburgering wordt bekeken als een belangrijke opstap naar integratie.

De hervorming van de Huizen van het Nederlands vormt een belangrijk aspect in deze materie. In combinatie met een aangepast NT2-aanbod op maat zal dit de integratiekansen van anderstaligen ontegensprekelijk kunnen verhogen. Samen met werk en arbeid vormt het Nederlands immers dé sleutel tot onze samenleving.

Minister, om een stevig uitgebouwd beleid te verzekeren, hebt u een doorgedreven hervorming van de sector uitgetekend, met onder meer een verregaande professionalisering. Mijn fractie kan zich volmondig achter deze stap scharen. De belangrijkste doelstellingen van de hervorming – het versterken van de samenwerking tussen de verschillende actoren, het wegwerken van de versnippering om tot een betere efficiëntie te komen, het realiseren van maatwerk – zijn daarin de sleutelpunten. Bovendien wilt u het civiel effect verhogen door de invoering van het inburgeringscertificaat, dat gekoppeld wordt aan een hoger taalniveau. U maakt ook werk van een evaluatietest Maatschappelijke Oriëntatie. Al die zaken verdienen uiteraard de aandacht.

Integratie is vanuit uw beleidsvisie ook een aangelegenheid waarin lokale besturen een belangrijke regierol opnemen. Met het aantreden van de nieuwe gemeente- en stadsbesturen kan ik mij inbeelden dat heel veel schepenen deze doorgeschoven verantwoordelijkheid toejuichen. Zij verwachten natuurlijk dat de nodige ondersteuning, de goede praktijken en dergelijke, hun zullen worden aangereikt. Zo kunnen zij vanuit het lokale niveau een succesvol integratiebeleid vormgeven. Het is ook een horizontale aangelegenheid, waarvoor samenwerking tussen de verschillende betrokken niveaus uiteraard een must is.

Ten slotte laat het nieuwe decreet de ruimte om te verschuiven naar een meer resultaatsgerichte aanpak in plaats van de huidige inspanningsverbintenis. De huidige regeling, waarin de inburgeraar enkel moet aantonen of hij of zij regelmatig heeft deelgenomen, voldoet immers niet. Om tot een succesvolle integratie te komen, is het beter dat de inburgeraar kan aantonen dat hij of zij de doelstellingen van het vormingsprogramma heeft bereikt. Minister, het parlement moet hierin zijn verantwoordelijkheid opnemen.

Uit de discussie in de commissie over het nakende voorstel van decreet van mevrouw Homans over de resultaatsverbintenis blijkt dat er een politieke consensus bestaat om hierin de nodige aanpassingen door te voeren. We kunnen deze ontwikkeling alleen maar toejuichen. De bespreking en de behandeling van het nieuwe decreet bieden, wat ons betreft, een uitgelezen kans om hierin een grote stap vooruit te zetten. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Brouwers heeft het woord.

Collega’s, een slagkrachtige overheid is fundamenteel om de beleidsvisie van regering en parlement in de realiteit om te zetten. Zowel bij de voorbereiding als bij de uitvoering van de politieke beslissingen is een kwalitatief overheidsapparaat van essentieel belang.

Als de minister van Bestuurszaken niet goed werkt – maar ik zie dat hij wel hard aan het werken is –, kunnen zijn collega’s ook niet vooruit. Zo eenvoudig is dat. Er wordt gelukkig dag na dag hard gewerkt aan een performante, efficiënte Vlaamse overheid. De besparingen die ook het Vlaamse overheidspersoneel treffen, dwingen ons echter ook om te blijven nadenken over hoe we onze kernopdrachten verder vervullen. Zo kunnen de managementondersteunende diensten (MOD) die per beleidsdomein werden ingericht in uitvoering van het Beter Bestuurlijk Beleid (BBB), nog meer worden gefuseerd. Minister, zelf hebt u binnen uw bevoegdheidsdomein het goede voorbeeld gegeven door de MOD Toerisme Vlaanderen te laten opgaan in de MOD Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid. De CD&V-fractie vraagt dat het niet bij dit ene voorbeeld blijft en dat verder wordt gezocht naar MOD’s die kunnen worden gefuseerd.

Ook door sterk in te zetten op ICT kunnen we informatie beter verzamelen en delen. Onze klanten kunnen we sneller bedienen. We blijven echter ook waarschuwen voor de gevaren. U verklaarde in de commissie dat de Vlaamse overheid maandelijks twee à drie cyberaanvallen kent. Die worden afgeweerd, maar het optrekken van de nodige verdedigingswallen moet een constant aandachtspunt blijven.

Een goed werkende administratie heeft ook veel te maken met de attitude en de mentaliteit van onze ambtenaren. De grote meerderheid zijn correcte, hardwerkende en klantvriendelijke personeelsleden. Ambtenaren die de waardigheid van het ambt te grabbel gooien, bijvoorbeeld voor commerciële doeleinden, horen hier niet thuis. Ook horen we steden en gemeenten al eens klagen over bepaalde ambtenaren die zich verschuilen achter de letterlijke toepassing van regeltjes in plaats van oplossingsgericht te werken. Een grotere personeelsmobiliteit tussen besturen zou het wederzijdse begrip kunnen vergroten. De maatregelen om de personeelsmobiliteit, zowel horizontaal als verticaal, te vergroten, zijn nog vrij nieuw. We hopen dat in de toekomst meer ambtenaren gebruik zullen maken van die mogelijkheden. Ook de talentendatabank die u wilt opstarten, biedt perspectief op het inzetten van talenten uit onverwachte hoek. Het kan de creativiteit alleen maar ten goede komen.

Maar niet alleen op ambtenaren, maar ook op leden van raden van bestuur en van administratieve rechtscolleges rust een grote verantwoordelijkheid. Onze fractie kijkt uit naar de verdere uitwerking van de conceptnota inzake deugdelijk bestuur. Het toepassingsgebied, de verloning en een definitie van wat nu precies onafhankelijke bestuurders zijn, verdienen toch nog wat meer verduidelijking.

Ook de oprichting van het Vlaams Bestuursrechtscollege vergt onze bijzondere aandacht. Dit dossier loopt duidelijk niet van een leien dakje. In uw beleidsbrief stelt u daarover nog steeds het volgende: “Het blijft mijn ambitie om uiterlijk tegen het einde van de regeerperiode over een geïntegreerde werking en gestroomlijnde arbeidsvoorwaarden te beschikken van een aantal administratieve rechtscolleges die op een efficiënte wijze een optimale rechtsbedeling en een maximale rechtsbescherming bieden.” De snelheid waarmee dit ‘vooruitgaat’, is zelfs naar de normen van Echternach traag. Ondertussen hoorden we vorige week nog in de commissie Ruimtelijke Ordening dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen een dramatische achterstand heeft. De CD&V-fractie zal erop toezien dat ook op het administratiefrechtelijke vlak Vlaanderen zich ontplooit tot een efficiënte overheid. Ter zake is er dus nog wat werk. (Applaus bij CD&V en sp.a)

De voorzitter

Mevrouw Pehlivan heeft het woord.

Fatma Pehlivan

Voorzitter, minister, geachte leden, mijn betoog zal gaan over het onderdeel inburgering. Tegenover 2011 stijgt de uitgavenbegroting 2012 voor het inburgerings- en integratiebeleid met een kleine 6 procent. Dat is een wezenlijke stijging, die ruimschoots de indexaanpassing overstijgt. Er wordt 7,7 miljoen euro uitgetrokken voor de werkingsmiddelen voor integratie en inburgering, de cofinanciering van een nieuw steunpunt voor beleidsrelevant onderzoek en de Kruispuntbank Inburgering. De Huizen van het Nederlands kunnen voor hun werking rekenen op circa 5 miljoen euro.

Tot zover is dit een positief en bemoedigend verhaal, waarvoor de minister van Inburgering onze waardering verdient. Maar – en hier begint mijn verhaal van ‘ja, maar’ – in het inburgerings- en integratiebeleid wordt het accent verhoudingsgewijs te veel gelegd bij inburgering en minder bij integratie. Inburgeren is inderdaad een noodzakelijke toegangspoort tot integratie. Kennis van het Nederlands en toeleiding tot werk zijn essentiële hefbomen voor een succesvolle integratie. Het inburgeringstraject is weliswaar noodzakelijk, maar niet voldoende om nieuwe Vlamingen het gevoel te geven dat zij erbij horen als burger in onze samenleving.

Dat zegt u zelf ook, minister. Ik citeer uit uw toelichting bij de beleidsbrief: “Integratie stopt niet na inburgering en echte integratie vindt plaats in de straat, de buurt, de wijk.” ‘Samen inburgeren’ als Vlaams model van inburgeringscoaching is bijgevolg een goed initiatief om de inburgeraar een steun in de rug te geven op weg naar volwaardige deelname aan het maatschappelijke leven. Terzelfder tijd moet u helaas ook vaststellen dat de ontvangende samenleving daarin nog steeds tekortschiet. Daarmee zegt u min noch meer dat er dringend een mentaliteitsverandering moet plaatsvinden. Ik zou dan verwacht hebben dat u meer initiatieven op dit vlak zou hebben genomen.

De volwaardige deelname aan het maatschappelijke leven van personen van een andere afkomst, jong en oud, verloopt immers nog steeds zeer moeizaam. Uitsluiting en achterstelling in wonen, werk, onderwijs en welzijn zijn helaas nog steeds meer regel dan uitzondering. Ik trek uw goede bedoelingen zeker niet in twijfel en ik besef ook dat een mentaliteitsverandering een proces van lange duur is. Als echter de ontvangende samenleving – ik heb het dan niet enkel en alleen over officiële instanties allerhande, maar ook over het Vlaamse middenveld en de man in de straat – niet op een of andere manier actief betrokken wordt bij de integratie als het ‘leren leven in diversiteit’, dreigt integratie een eenzijdig verhaal te worden. De wederkerigheid is dan ver zoek.

Het integratiebeleid is een collectieve verantwoordelijkheid van de Vlaamse Regering, met uzelf als coördinerende minister. Ik verwacht dan ook veel van de actieplannen die door de commissie Integratiebeleid voor elke minister worden uitgewerkt en in concrete acties vertaald zullen worden.

Minister, namens mijn fractie spreek ik mijn steun uit voor uw beleid, weliswaar niet onvoorwaardelijk. In de komende weken en maanden zal er meer dan voldoende gelegenheid zijn om met elkaar in debat te gaan over de hervorming van de integratie- en inburgeringssector. Ik zal daarbij blijven hameren op de noodzaak van een breed begrepen integratiebeleid, ruimer dus dan inburgering. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Collega’s, de heer Van Hauthem spreekt namens mevrouw Vissers. Mevrouw Vissers is in het ziekenhuis opgenomen.

De heer Van Hauthem heeft het woord.

Joris Van Hauthem

Minister, ik zal geen geheim verklappen als ik u vertel dat wij niet bepaald enthousiast zijn over uw inburgeringsbeleid, zeker niet wanneer u in uw beleidsbrief boudweg stelt dat Vlaanderen baat heeft bij immigratie. Dat is nog maar de vraag. Het is evenzeer de vraag of het inderdaad om een echt inburgeringsbeleid gaat, dan wel veeleer om een onthaalbeleid. Dat laatste is mijns inziens het geval. Het hele inburgeringsbeleid baadt in een sfeer van politiek correct denken, waarbij men ervan uitgaat – dat hebben we zonet ook nog van mevrouw Pehlivan mogen horen – dat de ontvangende gemeenschap volledig verantwoordelijk is voor het feit dat nieuwkomers, die zich hier overigens vrijwillig komen vestigen, de taal niet kennen, eventueel geen job hebben en dergelijke meer.

Welnu, dat is een manier van denken waar wij het absoluut niet mee eens zijn. De vraag is trouwens of tot nu toe de integratie of hoe we het ook gaan noemen, eigenlijk wel zo geslaagd is. U zegt zelf, minister, dan van de hele migratiestroom slechts 15 procent naar hier komt omwille van economische redenen. Bij 85 procent gaat het om passieve migratie. U stelt ook in uw beleidsbrief – en daar legt u de vinger op de wonde – dat u merkt dat ook de derde en de vierde generatie allochtonen, niet allemaal, de neiging hebben om zich op hun eigen gemeenschap terug te plooien. Dat zou kunnen leiden tot sociale segregatie. Dat stelt toch wat problemen. Of om het met de woorden van gewezen premier Leterme te zeggen, de multiculturele samenleving is mislukt.

Minister, ik weet dat wij niet bevoegd zijn voor het migratiebeleid als dusdanig en voor de nationaliteitswetgeving in het bijzonder. Wij zijn alleen bevoegd voor de eventuele gevolgen van welk migratiebeleid dan ook.

Het was uw partijvoorzitter die naar aanleiding van de Antwerpse gemeenteraadsverkiezingen heeft gezegd dat er een sterke burgemeester aan het bewind moest komen die met kracht en met voldoende gezag in Brussel op tafel kan kloppen omdat men in Antwerpen, ook op sociaal vlak, de gevolgen draagt van het laks migratiebeleid dat de Federale Regering voert, namelijk de ontwrichting van het sociaal weefsel en dergelijke meer. En hij had gelijk. En dan is mijn vraag waar de Vlaamse Regering op wacht om op tafel te kloppen. We zijn hier in Brussel en kunnen hier op tafel kloppen. Het wordt hoog tijd, naar aanleiding van de vele knipperlichten die we in de samenleving zien opduiken, dat de Vlaamse Regering inzake het migratiebeleid waarvan wij in heel Vlaanderen de gevolgen dragen, bij de Federale Regering op de tafel gaat kloppen. Ik roep u op om het thema van de migratiepolitiek op de agenda van het Overlegcomité te plaatsen. Dat orgaan is gecreëerd om overleg te plegen tussen de verschillende entiteiten die het land rijk is. Het kan niet zijn dat wij gedwongen zijn een bepaald beleid te voeren, en dan heb ik het nog niet over de inhoud, dat het gevolg is van een migratiepolitiek die elders wordt bepaald. Als we dat niet doen, dan dweilen wij hier in Vlaanderen met de kraan open. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Dehandschutter heeft het woord.

Lieven Dehandschutter

Voorzitter, heren ministers, collega’s, 2012 was een belangrijk jaar voor het beleidsdomein Binnenlands Bestuur. Er werd veel werk verzet. Ik denk aan de organisatie van de gemeente- en provincieraadsverkiezingen en de verdere hervorming van het bestuurlijk landschap in Vlaanderen.

Ik wil eerst even stilstaan bij het proces van de interne staatshervorming dat als een rode draad doorheen deze legislatuur loopt. De laatste rapportage die daarover aan dit parlement werd gegeven, toont aan dat we voor dat proces op schema zitten. We zijn daar tevreden mee, het is immers een belangrijke stap om orde op zaken te stellen in de bestuurlijke verrommeling in Vlaanderen.

In dit verhaal speelt natuurlijk ook de provinciale taakstelling. 2013 wordt wat dat betreft een overgangsjaar. We hopen dat deze overgang vlot kan verlopen zodat men op 1 januari 2014 met een correcte taakinvulling aan de slag kan gaan in de provincies.

Uiteraard kijken wij ook uit naar de verdere uitwerking van de regioscreening. Zowel voor de provincies als voor de steden en gemeenten en de intergemeentelijke samenwerkingsorganen is dat een belangrijk proces.

Een andere belangrijke mijlpaal dit jaar is de goedkeuring van de organieke decreten, het resultaat van een lang en volgehouden proces. Halfweg dit jaar is die oefening succesvol afgesloten. Die decreten moeten de steden en gemeenten meer zuurstof geven om zich aan te passen aan het veranderende bestuurlijke landschap. Zij moeten de gemeenten ook toelaten om op een moderne, efficiënte, democratische en transparante manier verder te werken.

Belangrijk in deze decreten is dat ze de mogelijkheid inhouden de lokale democratie te versterken. De samenroeping van de gemeenteraad wordt versoepeld, eventuele onbestuurbaarheden kunnen ongedaan worden gemaakt en er wordt ook gewerkt aan de rol van de mandatarissen.

Daarnaast – en daar moet de N-VA de nodige aandacht aan geven – is er de problematiek van de Vlaamse Rand rond Brussel. Daar wordt het verder onmogelijk gemaakt om een tweede voordracht te doen van een kandidaat-burgemeester. Een ander punt dat onze aandacht gaande houdt, is de verdere samenwerking en de stimulering van de synergieën tussen gemeente en OCMW. Dit moet niet alleen het sociaal beleid verbeteren, maar ook tot efficiëntiewinsten leiden.

Voor de nieuwe besturen is uiteraard de goedkeuring van het Planlasten- en Rapportagedecreet heel belangrijk. Dit moet ons toelaten de nodige zuurstof te krijgen en de kostbare tijd die we in de steden en gemeenten hebben, op een meer efficiënte manier aan te wenden.

Minister, niet alleen voor Vlaanderen, maar ook voor de steden en gemeenten is een van de grote uitdagingen het financiële vraagstuk. De steden en gemeenten zullen zelf heel wat inspanningen moeten leveren – als toekomstig burgemeester van Sint-Niklaas kan ik daarover meespreken. We zullen een kerntakendebat moeten voeren, we zullen moeten werken aan de optimalisatie van onze organisatie. Wat dat betreft, heeft Vlaanderen zijn verantwoordelijkheid genomen door ons te verzekeren dat het Gemeentefonds in de komende jaren met 3,5 procent zal stijgen.

De voorbije twaalf maanden hebben we ons ook beziggehouden met de gemeente- en provincieraadsverkiezingen. De vernieuwingen die zijn ingevoerd, zijn succesvol geweest, waarvoor we de minister en het agentschap willen bedanken.

Ten slotte, minister, vertrouwen we erop dat u in uw beleid met betrekking tot de Vlaamse Rand, de lijn die u de voorbije jaren hebt getrokken, zult voortzetten. Ik denk aan het proactief versturen van de oproepingsbrieven, het vernietigen van beslissingen die in strijd zijn met de taalwetgeving en de niet-benoeming van burgemeesters, zoals u dat in de voorbije jaren hebt gedaan. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Yüksel heeft het woord.

Veli Yüksel

Voorzitter, minister, collega’s, steden zijn centra van vernieuwing en innovatie. CD&V streeft naar steden in balans: steden die het evenwicht tussen kwaliteit, duurzaamheid en betrokkenheid vooropstellen. Dat vereist onder meer investeren in kwaliteitsvolle projecten als het gaat over architectuur, openbare ruimte en groen. Duurzaamheid duidt op de ambitie om in de stad bewuster te leven, te wonen, te werken en te ondernemen met minimale impact op het leefmilieu. Betrokkenheid stelt de mens in de stad centraal en heeft betrekking op inspraak en betrokkenheid.

Een sterk stedenbeleid uittekenen kan natuurlijk niet zonder de nodige financiële middelen. Vorig jaar was het aanhouden van de groei van het Stedenfonds met 3,5 procent niet evident. We moeten nu, een jaar later, vaststellen dat de algemene financieel-economische situatie er niet veel rooskleuriger op geworden is, integendeel.

Maar de regering is er toch in geslaagd om de financiering van de steden via het Stedenfonds ook voor 2013 op peil te houden. 142 miljoen euro zal volgend begrotingsjaar naar de groot- en centrumsteden gaan.

Minister, onze steden moeten zich kunnen voorbereiden op de toekomst en de bevolkingsprognoses tonen aan dat er aanzienlijke uitdagingen op ons afkomen. De stedelijke bevolking zal de komende jaren gevoelig toenemen, maar tegelijkertijd zal de bevolking ook ouder worden. Het realiseren van bijkomende infrastructuur zal met dat alles rekening moeten houden. Een nieuwe school zal misschien zo geconcipieerd moeten worden dat ze later gemakkelijk kan worden omgebouwd tot een rust- en verzorgingstehuis.

In de motie die wij als meerderheid hebben ingediend, pleiten wij ervoor om de kennis rond multi-inzetbare infrastructuur de komende jaren dan ook in beleid om te zetten.

Minister, ik heb het tijdens de commissiebespreking al even gehad over de stadsvlucht. Dat is een materie die mij na aan het hart ligt. Ik ben dan ook verheugd dat deze trend zich lijkt te keren en dat jonge gezinnen er meer en meer de voorkeur aan geven om in de stad te blijven. Ik wil blijven aandringen op de uitwerking van maatregelen die deze trend in de toekomst bevestigen. Ik denk dan aan de huiskorting – waar ook minister Muyters zijn schouders onder dient te zetten – en de mogelijke differentiëring van de onroerende voorheffing om de aantrekkingskracht van bepaalde wijken te vergroten.

Collega’s, de voorbije jaren heeft het instrument van de stadscontracten al zijn nut bewezen. De opvolger van deze contracten, de zogenaamde ‘stadsprogramma’s’, moeten eenzelfde bundeling van krachten mogelijk maken.

Minister, de beleidsbrief Steden stelt voor de komende jaren een brede waaier aan initiatieven in het vooruitzicht. De CD&V-fractie zal zich daarbij alvast kritisch en constructief opstellen.

De voorzitter

De heer Wienen heeft het woord.

Wim Wienen

Collega, u haalt natuurlijk een aantal prangende punten aan over de aangroei van de steden. Ik weet ook dat het stedenbeleid van de minister een horizontaal beleid is, maar ik denk dat de grote uitdaging de verarming van de steden is. De welvaartindex van de federale overheid toont aan dat de welvaart in de steden daalt. De bevolking verarmt of de mindergegoeden blijven in de steden wonen terwijl de betere tweeverdieners de steden verlaten. Het is belangrijk dat vanuit Stedenbeleid dus stevig op armoede wordt ingezet en dat er een zeer hechte samenwerking komt tussen de minister van Stedenbeleid en de minister van Armoede van de Vlaamse Regering.

Veli Yüksel

Ik kan dat volledig beamen. Ik denk dat de regering er volop op inzet.

De voorzitter

Minister Van den Bossche heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, de armoedeproblematiek is iets wat velen onder ons zorgen baart. In steden is er een concentratie van armoede, en het meest droevige is dat ze vaak van generatie op generatie wordt overgedragen. De Vlaamse Regering doet veel inspanningen op vele domeinen. Ik denk aan de middelen die minister Muyters en ikzelf inzetten om die mensen toe te leiden naar arbeid zodat ze uit de armoedespiraal geraken. Ik blijf geloven dat onderwijs de allerbeste manier en de grootste garantie is om uit de armoedespiraal te geraken en om kinderen kansen te geven op basis van hun talenten en niet op basis van de scholingsgraad of de mogelijkheden van hun ouders. Het spreekt voor zich dat er ook een heel grote groep van mensen in armoede is die nu eenmaal niet zo gemakkelijk te activeren zijn, die ook kinderen hebben en die ook nood hebben aan hulp.

Ik kan u verzekeren – en ik hoop dat u dat ook merkt aan de initiatieven die ik neem – dat ik armoede een verschrikkelijk belangrijk aandachtspunt vind. Als we willen dat steden die armoede terdege kunnen aanpakken, dan is het noodzakelijk dat in die steden een belangrijk aandeel van de bevolking fiscale draagkracht heeft opdat die steden voldoende inkomsten zouden kunnen genereren. Zo kunnen ze doen wat ze moeten doen om de mensen die het moeilijker hebben, te helpen. Er is nog steeds een belangrijke taak voor ons allen weggelegd om steden aantrekkelijk te maken, ook voor jonge gezinnen met meer financiële mogelijkheden. Je kunt dat doen door de stad voldoende kindvriendelijk te maken, zodat mensen met meer middelen bereid zijn om in de stad te blijven eens ze kinderen hebben en niet wegtrekken naar de groene rand.

De voorzitter

Mevrouw Brouwers heeft het woord namens de heer Verfaillie.

Collega’s, op 2 januari zullen de nieuwe lokale besturen aantreden en ze zullen dat kunnen doen in een sterk aangepast kader. De OCMW-voorzitter zal de facto deel uitmaken van het schepencollege, de planlasten worden teruggedrongen en een nieuwe beleids- en beheerscyclus staan in het vooruitzicht.

Waar geen verandering in komt – en dit is positief bedoeld – is in de gestage groei van het Gemeentefonds. Ook voor volgend jaar zullen er via dit fonds 3,5 procent extra middelen ter beschikking gesteld worden van de Vlaamse steden en gemeenten, in totaal een bedrag van meer dan 2,1 miljard euro. Het is een belangrijke financieringsbron voor de lokale besturen, maar dat neemt natuurlijk niet weg dat de komende jaren voor de lokale besturen financieel moeilijk zullen zijn. De eerste berichten van toekomstige belastingverhogingen duiken al op. De uitdagingen waarvoor ze zich gesteld zien, zijn dan ook niet min. Ik denk onder meer aan het pensioendossier.

Grote uitdagingen maken een grondige denkoefening met betrekking tot de structurele financiering van de lokale besturen noodzakelijk. Dergelijke oefening houdt onder meer in dat niet alleen verder gewerkt wordt aan een verhoging van de middelen uit het Gemeentefonds, maar dat de werking van het fonds op zich grondig tegen het licht gehouden wordt.

Minister, de eerste twee jaar van deze regeerperiode werd veel tijd geïnvesteerd in het uitwerken van een interne staatshervorming. Die discussie is geëindigd in de opstelling van 69 doorbraken. We stellen met genoegen vast dat de concrete uitvoering van de in dit kader gemaakte afspraken globaal op schema zit.

Een direct gevolg van deze interne staatshervorming is alvast dat de nieuwe besturen niet langer zullen worden geconfronteerd met een veelvoud aan planningsverplichtingen. Ten aanzien van de planlasten werden immers belangrijke beslissingen genomen. Dit luidt een nieuwe manier van werken in, waarbij betutteling vervangen wordt door vertrouwen. Ik ben ervan overtuigd dat het de slagkracht van de lokale besturen ten goede zal komen.

Hierbij nauw aansluitend wil ik ook verwijzen naar de nakende uitdunning van het specifiek toezicht. De redenen waarom deze verschillende vormen van specifiek toezicht door de jaren heen tot stand zijn gekomen, zijn immers niet altijd even duidelijk. Wat het toezicht betreft, werd een duidelijke algemene toezichtsprocedure uitgewerkt en het is die procedure die zoveel mogelijk van toepassing moet zijn. Het algemeen toezicht zou moeten volstaan en ik ben dan ook verheugd met de toezegging van de minister dat slecht gemotiveerde vormen van specifiek toezicht in 2013 effectief zullen worden afgeschaft.

Minister, vorige week hebben wij in de bevoegde commissie een aanpassing goedgekeurd van het decreet op de intergemeentelijke samenwerking. Het ging om een noodzakelijke, maar niettemin beperkte aanpassing. Naar mijn mening kan het daar evenwel niet bij blijven. De werkzaamheden die moeten leiden naar een meer grondige aanpassing van dit decreet moeten de komende periode worden opgestart. Van die gelegenheid moet dan tevens gebruik worden gemaakt om de mogelijkheid van een goed uitgebouwde interbestuurlijke samenwerking decretaal te verankeren. CD&V is ervan overtuigd dat een decreet op interbestuurlijke samenwerking een belangrijk instrument kan worden voor het oplossen van een aantal maatschappelijke problemen en noden, waarop geen afdoend antwoord kan worden gegeven door één bestuursniveau alleen.

Minister, wij hebben met veel plezier in uw beleidsbrief gelezen dat de samenwerking tussen gemeenten en OCMW’s verder gestimuleerd zal worden. Over deze aangelegenheid werd gedurende de eerste jaarhelft, naar aanleiding van de aanpassing van de organieke decreten, reeds uitvoerig zowel in de commissie als in de plenaire vergadering gediscussieerd. CD&V blijft een groot voorstander van een zo groot mogelijke samenwerking tussen beide besturen. Zonder de sociale dienstverlening op lokaal vlak in het gedrang te brengen, moet meer samenwerking leiden tot meer efficiëntie en een verhoogde slagkracht. Dat moet uiteindelijk alle inwoners van de stad of gemeente ten goede komen. In die zin is het goed dat gemeenten en OCMW’s een praktische handleiding ter beschikking hebben gekregen om op een correcte manier de samenwerking tussen de ondersteunende diensten vorm te geven.

Een ander gegeven dat voortdurende aandacht vereist, is het verdere verloop van de regioscreening. Van die oefening wordt heel wat verwacht, maar blijkbaar komt er op vraag van de gouverneurs nog een bijkomende studie. Volgens de minister zou deze klaar zijn in maart. Wij willen in dezen collega Caron bijtreden. Hij stelde in de commissie dat de regioscreening niet mag leiden tot een opgelegd rigide systeem, maar wel tot een systeem met veel vrije beleidsruimte.

Minister, we hadden nog iets willen zeggen over de provincies, maar dat punt zal ik niet meer behandelen.

Collega’s, de lokale besturen zijn de belangrijkste besturen van het land. Ze staan dicht bij de mensen, genieten een groot vertrouwen en wij pleiten ervoor om hen toch de nodige bewegingsvrijheid te geven om de volgende legislatuur goed te kunnen werken voor de mensen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister Geert Bourgeois

Voorzitter, dames en heren, bedankt voor alle betogen. Ik zal proberen om op een aantal belangrijke zaken in te gaan.

Mijnheer De Meulemeester, u hebt nog eens in mindere mate het debat van gisteren over de afslanking overgedaan. Ik kan u bevestigen dat de afslankingsoperatie wel degelijk recurrent is. Ook die van de 100 miljoen euro – u kent de cijfers – die de VRT bespaart, gaat in mindering van de dotatie. Wat De Lijn bespaart, gaat in mindering van de dotatie. Bij onze ambtenaren houdt onder andere een deel van het pakket besparingen in dat 6 miljoen euro van de cao niet opgenomen wordt: een recurrente besparing. Hetzelfde geldt bij het onderwijs met de vermindering van het vakantiegeld.

Ik deel uw bezorgdheid over diversiteit. Ik denk dat we die allemaal delen. Wat mij betreft, mag het sneller gaan. Ik plaats ook de leidend ambtenaren voor hun verantwoordelijkheid. U weet dat zij aanwerven. Ik vraag ook aan mijn collega-ministers om hun leidend ambtenaren daarop te evalueren, te beoordelen.

Niettemin heb ik nog twee opmerkingen hierbij: we leven in een tijd van reductie van het personeelsbestand en we leggen geen quota op. Ik lees daarover een beetje verwarrende dingen federaal. De ene keer heeft men het over quota, de andere keer over streefcijfers. Laat het duidelijk zijn: quota mogen niet van het Europees Hof, en daar houden we ons aan. Het is alleen bij een gelijke kwalificatie dat we mensen uit de doelgroep nemen. Daarop is één uitzondering: voor mensen met een heel zware handicap die niet in staat zijn om in gelijke mate te concurreren, hebben we 1 procent voorbehouden.

Ik verwacht veel van de invoering van de maatregel van elders verworven competenties. U weet dat het een moeilijk gevecht geweest is om tot een akkoord te komen met de vakbonden. Dat is heel bizar. De vakbonden binnen de SERV hebben de hele tijd aangedrongen op het invoeren van elders verworven competenties. De overheidsvakbonden hebben het op dat vlak veel moeilijker gehad, maar het is een bijkomend instrument voor onze leidende ambtenaren.

U zegt dat inzake ‘langer aan het werk’ de federale overheid de nodige maatregelen genomen heeft. Ik wil er geen polemiek over openen, maar federaal werd enkel beslist dat in 2016 de rustpensioenleeftijd – dus niet de wettelijke leeftijd – 62 jaar wordt. U kunt niet tegelijk zeggen dat Vlaanderen nu al 65 jaar moet bereiken als u zegt dat de federale overheid de nodige maatregelen heeft genomen. Laat ons wel wezen, de enige effectieve maatregel op dat vlak is de maatregel met betrekking tot de minimum rustpensioenleeftijd. Al de rest bestaat uit proberen om de mensen met een goed HR-beleid, met een goed personeelsbeleid en met goede stimulansen langer aan het werk te houden. Ik stel vast dat we daar in meerdere mate in slagen op een aantal domeinen en in mindere mate op een aantal andere domeinen. Bijvoorbeeld in het beleidsdomein Onderwijs komen we nauwelijks boven de 60 jaar. In andere komen we aan 63 jaar. Ik heb aan het College van Ambtenaren-Generaal (CAG) gevraagd om die goede praktijken te delen onder elkaar en om te proberen op alle niveaus een tandje bij te steken. Maar nogmaals, de sleutel zit natuurlijk in de wettelijke maatregel. Op het moment dat wordt bepaald dat de minimumleeftijd 63, 64 of 65 jaar wordt, dan is dat zo voor iedereen.

Inzake de administratieve vereenvoudiging wil ik nogmaals herhalen dat we met deze regering al heel wat hebben ondernomen. U had het over gedeconcentreerde diensten en ambtenaren in buitendiensten die soms problemen zouden veroorzaken ten aanzien van initiatieven van gemeentebesturen of privé-initiatieven. Zij kunnen niet langer beroep aantekenen. Het is de leidend ambtenaar die beroep aantekent met betrekking tot bouwvergunningen. U weet dat – ik heb de cijfers gegeven – medio dit jaar het aantal beroepen daardoor gedaald was tot 10 procent. Er zijn 90 procent minder beroepen, gewoon omdat we gezegd hebben dat het beroep op een uniforme manier wordt aangetekend door één leidend ambtenaar.

We schaffen het bindend advies af. Dat betekent ook dat er een grote verantwoordelijkheid komt, ook bij de lokale besturen. Ambtenaren adviseren, politici beslissen en nemen de verantwoordelijkheid. De coördinerende functie van de gouverneurs werkt op het terrein. Ik kom alleen maar enthousiaste steden en gemeentebesturen tegen, die zeggen dat de gouverneurs zeven, acht, negen buitendiensten coördineren. We vragen hun om projectvergaderingen te houden en om één advies te verlenen, eventueel met een ‘dissenting’ opinie – tot daaraan toe, dan ligt de bal weer in het kamp van de politiek. We hebben nu met de turboambtenaar hetzelfde gedaan voor wat betreft de privé-investeringen. Ministers Muyters en Schauvliege zitten op schema voor wat betreft het terugdringen van de elf stappen bij de grote investeringen tot drie stappen, ook met betrekking tot de omgevingsvergunning. We zetten wel degelijk grote stappen vooruit met deze regering.

Mijnheer Vanlerberghe, mevrouw Brouwers, mijnheer Verfaillie, het is inderdaad de bedoeling om de regioscreening bottom-up te laten gebeuren. De gouverneurs zullen daar een sturende en coördinerende rol spelen. Ze zijn daar klaar voor.

De audit wordt niet opgericht tegen de lokale besturen, maar in consensus met de lokale besturen. Het gebeurt samen met de VVSG, zij willen dat instrument echt hebben, los van eventuele onderzoeken van klachten. Als er malversaties zijn, kan de audit helpen om processen te verbeteren en de gemeenten helpen om tot betere resultaten te komen.

Onze doelstelling is 10 procent managementondersteunende diensten. Ik heb het College van Ambtenaren-Generaal (CAG) daar nog eens mee geconfronteerd. We zitten heel dicht bij die 10 procent. Er moet meer initiatief worden genomen om meer managementondersteunende diensten samen te voegen. We hebben dat overgelaten aan het CAG. Dit is tot nu toe niet al te best gelukt. Ik heb daar zelf een bescheiden voorbeeldrol in gespeeld met Toerisme Vlaanderen, ik doe dat ook met het Agentschap Facilitair Management. Het is mijn overtuiging dat er meer horizontale samenwerking moet komen, dat we naar een grotere schaal moeten. Daar is enige reticentie. Ik ga zelf kijken of ik daar in samenspraak met het CAG tot een oplossing kan komen en schaalvoordelen kan creëren. De 10 procentnorm blijft overeind.

U hebt uw bezorgdheid geuit over het bestuursrechtscollege. U weet dat ik daar bots op een bevoegdheidsprobleem. De aanvankelijke ambitie kunnen we niet waarmaken. We gaan dit college wel tot stand brengen door het samenbrengen van de diverse colleges. Dit zal gebeuren aan de hand van zeer moderne principes inzake managementrechtspraak, strijd tegen formalisme enzovoort. We rekenen op de verantwoordelijkheid en de multi-inzetbaarheid van de rechters.

Ondertussen werkt minister Muyters samen met minister Schauvliege aan het terugdringen van de achterstand. De rechters die tot nu toe zetelen inzake Milieu zijn onderbezet, en dat is een eufemisme. Ik durf geen straffer woord gebruiken, want dat is iets waar we met ons allen beschaamd over moeten zijn. Goed, zij kunnen ook niets doen aan de instroom. Maar een van de maatregelen is dat ze nu ook worden ingezet voor het wegwerken van de achterstand inzake Ruimtelijke Ordening.

Mijnheer Dehandschutter, wat de provincies betreft, zitten we op schema. De nieuwe bestuursakkoorden worden in het voorjaar gesloten met de nieuwe deputaties. Ze treden in werking vanaf 2014. Er zal ongeveer 50 miljoen euro worden afgenomen van het Provinciefonds voor taken die Vlaanderen nu doet in plaats van de provincie.

Ik ben het met u eens dat de gemeentelijke financiën voor een grote uitdaging staan. Ook mevrouw Brouwers heeft daarop gewezen. Het zal in de eerste plaats een verantwoordelijkheid zijn van de gemeenten zelf om efficiëntieoefeningen te doen. Natuurlijk, we hebben daartoe heel wat instrumenten aangereikt om die mogelijkheden te creëren. Ik hoop dat de gemeenten hun verantwoordelijkheid opnemen.

De hervorming van het Gemeentefonds moet theoretisch af zijn in de loop van deze periode. U weet dat er niet meer geld is, dat het al een hele krachttoer is dat de groei van 3,5 procent gehaald wordt. De grootste uitdaging is de hervorming van het Gemeentefonds zonder brokken te maken met betrekking tot de huidige verdeling en met een meer rechtvaardige en correcte verdeling.

Mevrouw Brouwers, we krijgen ettelijke duizenden ICT-aanvallen per maand te verwerken. Er zijn er twee à drie echt grote, maar dagelijks zijn er ontzettend veel kleinere. Tot nu toe slagen we erin om die af te weren. Hoeveel firewalls we ook oprichten, niemand kan garanderen dat er nooit iets fout loopt. U hebt al gehoord in de commissie dat we proberen daar maatregelen tegen te nemen.

Een heel grote uitdaging is de personeelsmobiliteit. Ik heb het genoegen gehad te mogen spreken op de jaarlijkse bijeenkomst van het college van ambtenaren-generaal en het Netwerk voor Management in de Vlaamse Overheid (MOVI). Daar is het goede initiatief genomen om een van de komende dagen met de leidende ambtenaren van de lokale besturen te communiceren. Die leidende ambtenaren zijn in groten getale afgekomen. Ik heb het voorstel gedaan proefprojecten inzake een verticale uitwisseling tussen de steden en gemeenten en onze administratie te laten lopen.

Volgens mij moeten we de horizontale en de verticale mobiliteit stimuleren. Dit is een kwestie van cultuur. Alle nodige maatregelen zijn genomen. Indien iemand vindt dat er nog wat regelgeving moet veranderen, moet hij het maar laten weten. De federale overheid en de Vlaamse overheid hebben de nodige maatregelen genomen. Naar mijn smaak is er echter nog te weinig verticale en horizontale mobiliteit.

Ik begrijp dit niet. We zullen in onze samenleving met zijn allen nog iets langer moeten werken. Het is dan toch een bijzondere uitdaging na tien jaar eens een andere job te aanvaarden. De mensen die dat wel hebben gedaan, zijn daar bijzonder tevreden over. De tijd dat iemand 45 jaar bij dezelfde werkgever bleef en dan een gouden polshorloge kreeg, is voorbij. We moeten hier met zijn allen werk van maken. Dat moet natuurlijk niet om de vier of de vijf jaar gebeuren. We hebben geen jobhoppers nodig. Volgens mij kunnen we dit vlak nog terrein winnen.

De mobiliteit is leerzaam voor elke organisatie. De steden en de gemeenten kunnen hier enkel bij winnen. Ik hoop dan ook dat een paar grote steden zich misschien bereid zullen verklaren aan een proefproject deel te nemen en hier werk van te maken.

Ik zal nu even op de vraag van de heer Segers ingaan.

De voorzitter

Minister, u hoeft die vraag niet te beantwoorden. De heer Segers is niet aanwezig. Indien iemand hier vragen komt stellen en niet de moeite doet naar het antwoord te luisteren, hoeft een minister ook niet te antwoorden.

Minister Geert Bourgeois

Mevrouw Pehlivan, ik ben het er niet mee eens dat we de klemtoon niet op integratie zouden leggen. De stelling dat we veel meer op integratie moeten inzetten, is net de klemtoon van mijn nieuw beleid. We moeten veel meer doen. Na het inburgeringscontract, dat een contract tussen de overheid en de inburgeraar is, moeten we met zijn allen op integratie inzetten. Daarvoor is het noodzakelijk dat ook op het vlak van de inburgering een tandje wordt bijgestoken. Indien ik me niet vergis, voert het Vlaams Parlement hierover een discussie.

Ik hoop echt dat we er zullen in slagen om het taalniveau tot het niveau A2 te brengen. We zitten immers met allerlei rapporten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Allerlei internationale instanties wijzen op de grote achterstand in dit land. Hoewel het dan om heel België gaat en wij iets beter dan Brussel en Wallonië scoren, moeten we geen hoera roepen. We zitten met een grote achterstand.

Dit heeft alles met opleiding en met taal te maken. Zolang we op het vlak van de inburgering bij het basisniveau blijven, zullen we er niet in slagen die mensen sterk te maken. Daar gaat het immers om. We moeten die mensen sterk maken in de samenleving. Ik weet dat bij de oppositie, meer bepaald bij Open Vld, die idee leeft. Ik stel voor dit niet te forceren. Ik hoop in elk geval dat we eruit geraken.

Het juiste debat draait om de vraag hoe we die mensen sterk in de samenleving kunnen maken. We kunnen dat doen tijdens de inburgering, die enorm onder druk staat. Gelukkig merken we dit jaar voor het eerst een stagnatie van het aantal mensen. Ook op het vlak van de integratie kunnen we heel veel winnen. Dat is de klemtoon die ik wil leggen.

Ik ben het niet eens met de heer Van Hauthem, die vindt dat ik de verantwoordelijkheid volledig bij de ontvangende samenleving leg. Dit is wederzijds. Er zijn rechten en plichten. We stellen die mensen ook eisen. Ik vind echter dat we als ontvangende samenleving ook meer kunnen doen. Dit moet vooral lokaal gebeuren. Het is daar dat de mensen wonen, werken, in het buurtleven rondlopen, hun kinderen naar school laten gaan en aan het verenigingsleven kunnen deelnemen.

Het gaat hier echter ook om een horizontaal beleid. Op dat punt ben ik het eens met mevrouw Pehlivan. Afgelopen vrijdag heeft de Vlaamse Regering het ontwerp van Onderwijsdecreet XXIII goedgekeurd. Dat decreet bevat een aantal maatregelen voor mensen die onvoldoende Nederlands kennen. Dit omvat onder meer taalbaden en bijlessen.

Ik vind dit bijzonder belangrijk. Ons onderwijs kent een dramatische uitval van mensen die geen diploma halen. Ik geloof niet dat het aan onze leerkrachten ligt. Die mensen zijn steeds zeer sociaal geweest. Ze hebben altijd inspanningen geleverd om mensen mee te trekken. We zitten echter met een instroom waarvan 50 procent enkel het basisniveau van het onderwijs haalt. Op dat vlak heeft de heer Van Hauthem een punt. Die mensen bevinden zich op het niveau van de basiseducatie. We moeten die mensen helpen. Indien dat niet lukt voor de eerste generatie, moet het zeker lukken voor de tweede generatie.

Het is belangrijk dat we hier horizontaal op inzetten. Ik heb enkel het onderwijs vermeld. Het is een echter een zaak die alle ministers van de Vlaamse Regering aanbelangt. Dat is de nieuwe klemtoon die we leggen. Wat integratie betreft, steken we een tandje bij. Het gaat zelfs om een grote tand. We dragen met zijn allen grote verantwoordelijkheden. Dit is echter niet vrijblijvend voor de nieuwkomers. Waar mogelijk moeten zij ook hun verantwoordelijkheid opnemen.

Collega Van Hauthem, u hebt herhaald wat in de commissie is gezegd. Ik heb dat tegengesproken. U leest een deel van die bewuste zin in de beleidsbrief, een zin die veel ruimer is. Ik heb op alle punten op gepaste manier geantwoord in de commissie.

Mevrouw Brouwers, er zijn nieuwe besturen met nieuwe uitdagingen. Ze krijgen lokaal heel veel nieuwe instrumenten. Het zal zaak zijn een nieuwe cultuur te creëren in de gemeenten. Er is meer autonomie, er zijn meer bevoegdheden, er is minder planlast, er is minder bevoogding, er is een mogelijkheid tot samenwerking met het OCMW. De Universiteit Antwerpen heeft een studie gemaakt waaruit blijkt dat alle hinderpalen nu zijn weggenomen. Elke gemeente kan daartoe beslissen. We hebben een handleiding uitgewerkt. Er zal meer democratische controle mogelijk zijn op de satellieten, zowel de autonome gemeentebedrijven als de intercommunales.

Ik ontmoet burgemeesters van grote steden die me zeggen dat ze niet weten wat er gebeurt in hun satellieten en dat ze hun hart vasthouden. We creëren nu die instrumenten. Ik heb secretarissen ontmoet die blij zijn met die maatregel. Ik weet dat er terughoudendheid was bij de VVSG, maar ook de ambtenaren zeggen dat ze blij zijn dat ze zich eindelijk zelf verplicht zullen bezighouden met wat er intergemeentelijk gebeurt en welke belangrijke beslissingen daar worden genomen. Ik verwijs naar zaken die fout gelopen zijn in het verleden. Die kent u allemaal. Hetzelfde geldt voor de autonome gemeentebedrijven.

Wij hebben instrumenten gecreëerd, maar het zullen de verkozenen zijn die het nu zelf invullen. In de commissie zeggen we herhaaldelijk dat de debatten verschralen in de gemeenteraden en dat die nog weinig om het lijf hebben. Wel, wij brengen alles in lijn om die gemeenteraden ertoe te brengen te discussiëren over de grote strategische beslissingen. Die gemeenteraden gaan niet meer over de leningen, dat zit bij het college van burgemeester en schepenen, maar ze hebben nu instrumenten om over het sociaal beleid te discussiëren. Ik herinner me de tijd dat over het OCMW werd gepraat in termen van tekorten die moesten worden aangevuld. Nu de voorzitter deel uitmaakt van het college, wordt er gepraat over het algemene sociaal beleid. Uiteraard moeten in het OCMW de individuele dienstverlening, steunverlening en het beheer aan bod komen.

Hetzelfde geldt voor de democratische controle op de satellieten en de intergemeentelijke verbanden. De Beleids- en Beheerscyclus (BBC) biedt de mogelijkheid voor de gemeenten om meer verantwoordelijkheid te nemen. Men zal in bepaalde gevallen niet meer kunnen wijzen naar de Vlaamse overheid, maar zelf zijn verantwoordelijkheid moeten nemen.

Het zit hem vooral in de cultuur. We doen al wat we kunnen om die mensen te vormen. Ik hoop dat we sterke bestuurders en gemeenteraadsleden krijgen, met interesse, ook al is het vaak moeilijk en gaat het over zware dossiers. Ik hoop dat ze de inspanning doen om het debat op te tillen. Het is tenslotte de basisdemocratie dicht bij de mensen. We kunnen enkel hopen dat die cultuur verandert.

Jurgen Vanlerberghe

Bedankt voor uw antwoord, minister. Bedankt voor de mooie non-verbale communicatie tijdens het antwoord, voorzitter.

Minister, wat de managementondersteunende functies betreft, legt u de nadruk op de noodzaak van verdere integratie van bepaalde diensten, maar ik had mijn vraag anders georiënteerd. In de commissie hebben we het er ook al over gehad dat we samen met de daling van de managementondersteunende functies een toch wel significante stijging zien van het aantal geoutsourcete functies. Er moet eens goed worden nagekeken dat die outsourcing niet gebeurt omdat men minder personeel op de tabellen heeft staan en men koste wat het kost gaat outsourcen. Die outsourcing moet kostenefficiënt gebeuren. We mogen geen zaken uitbesteden aan de privésector die we goedkoper zelf doen, want dan wordt die 10 procent een fetisj, al vind ik het een lovenswaardige doelstelling. Er moet worden gekeken of het goedkoper en beter is op die manier en als blijkt dat het niet het geval is, moeten we de fetisj – als het dat is – loslaten en die zaken weer insourcen.

Misschien nog even een reactie op uw antwoord. Het is juist dat er heel wat mogelijkheden gecreëerd zijn om de werking van de gemeenteraad te versterken, maar u weet evengoed als wij allemaal dat het altijd mensenwerk zal blijven. We kunnen de gemeenteraadsleden ook niet gelukkig maken tegen hun zin in.

De voorzitter

Mijnheer Vanlerberghe, de non-verbale communicatie langs u was ook duidelijk.

Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister Geert Bourgeois

Voorzitter, ik heb niet het genoegen gehad uw non-verbale communicatie op te merken tijdens mijn antwoord, maar ik kan er mij een en ander bij voorstelen.

Mijnheer Vanlerberghe, wat de outsourcing betreft: u weet dat ik gezegd heb dat we de 10 procent moeten halen, outsourcing inbegrepen. Maar ik ben het met u eens: het gaat niet op om te zeggen dat we minder ondersteunende diensten zullen hebben en dat dan gaan compenseren door uitbesteding. Voor een aantal zaken is dat wel belangrijk. Ik denk daarbij aan de bewaking van onze overheidsgebouwen: dat is geoutsourcet aan gespecialiseerde bedrijven. We hebben, ook in de discussie met de vakbonden, dat punt besproken met de regering en we hebben afgesproken om dat pragmatisch te bekijken. Er zijn daar geen dogma’s in: een aantal zaken doen we beter zelf, een aantal andere niet.

Ik geef het voorbeeld van ICT. We hebben in de jaren 80 te veel uitbesteed, er is nu te weinig knowhow binnen de Vlaamse overheid. Met het extern verzelfstandigd agentschap (EVA) dat we nu oprichten, gaan we op jaarbasis 8 tot 9 miljoen euro besparen. We gaan de programmeurs niet binnenhalen, dat laten we flexibel bij de privésector. Maar de architectuur, de projectbegeleiding enzovoort moeten we wel zelf in handen hebben. En daar gaan we een forse besparing op doen, die we kunnen herinvesteren in ICT. We moeten dus telkens opnieuw pragmatisch bekijken wat we het beste zelf doen en wat niet.

Maar ik ben het fundamenteel wel met u eens. Een leidend ambtenaar die 6 procent moet besparen, mag de zaken die hij met eigen mensen deed, nu niet uitbesteden. Dat is niet de bedoeling van de extensieoefening, en dat weten de leidend ambtenaren natuurlijk ook.

Fatma Pehlivan

Minister, ik ben het volledig eens met uw beleid. Maar ik mis wat – en dat heb ik in mijn betoog willen aanhalen, net als in de commissie trouwens. Integratie is wederzijds: je kunt niet in een samenleving integreren als die samenleving er ook niet voor openstaat. En dat mis ik een beetje in uw beleid: openheid. Ik weet dat een aantal collega’s daar een andere mening over hebben, maar we moeten dat beleid uittekenen en we zijn daar verantwoordelijk voor. Ik betwist niet dat inburgeraars en personen die hier komen wonen de plicht hebben om Nederlands te leren, om te integreren. Maar men kan maar in de samenleving integreren als er ook een openheid bestaat binnen de samenleving. Als beleidsverantwoordelijken moeten wij die openheid ook kunnen vertalen in een beleidsvisie tegenover de Vlaming, tegenover de autochtone bevolking, de middenveldorganisaties Dat zit een beetje te weinig in uw beleid.

Minister van Onderwijs Smet heeft nu 4 miljoen euro vrijgemaakt voor concentratiescholen. Op die manier kunnen we de kinderen en ook de volwassenen betrekken in een leefwereld waar ze nu geen deel van uitmaken. Daar moeten we meer op inzetten: wederkerigheid, leven in een open samenleving, leven in diversiteit en met respect voor elkaar.

Minister Geert Bourgeois

Ik ben het met u eens, het is wederzijds. Ik ben het wel niet met u eens als u zegt dat ik in mijn beleid daar geen klemtoon op leg. Ik leg juist wel de nieuwe klemtoon, het is ook de klemtoon in het nieuwe decreet: alle middelen die we inzetten voor het lokale niveau, voor het verenigingsleven, voor het onderwijs zijn daarop gericht. Concrete suggesties zijn altijd welkom, maar ik denk dat we 100 procent dezelfde visie delen.

Fatma Pehlivan

Ik kijk uit naar het nieuwe decreet. We zullen de discussie verder voeren in de commissie.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Ik zal het kort houden. De heer De Meulemeester vroeg naar de stand van zaken van de digitale bouwaanvragen. Tijdens het eerste kwartaal van 2013 wordt zeer intens getest. Dat is belangrijk. We moeten de gemeenten een systeem kunnen bezorgen dat valabel is, dat duurzaam is, dat werkt. Bij het intensieve testen kunnen we zien hoe snel de verdere uitvoering kan gebeuren. Wat we ondertussen kunnen doen, is de voorbereidingen treffen om de omgevingsvergunning daarin mee op te nemen. Dat is essentieel. Nu met een systeem starten voor de bouwvergunning, maar daarna zorgen voor de wijziging inzake de omgevingsvergunning zou een slechte zaak zijn.

In de commissie is ook aan bod gekomen dat we ondertussen kunnen werken aan een subsidiebesluit om de gemeenten te overhalen de nodige inspanningen te leveren inzake de soft- en hardware om in te stappen in het digitaal bouwaanvraag- of omgevingsaanvraagdossier. Dat zijn dus de punten waaraan we werken.

Mevrouw Brouwers, u had het over de dramatische achterstand van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Minister Bourgeois is daar al even op ingegaan. We hebben daarover uitvoerig gediscussieerd in de commissie, ook met de voorzitter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Ik haal enkele elementen aan. Het klopt dat de dramatische achterstand er was, maar er zijn ook heel wat maatregelen genomen. De aanwervingsvoorwaarden zijn verminderd, er is in extra middelen voorzien, er is een vierde rechter aangesteld, het parlement heeft procedurele aanpassingen goedgekeurd die ik ondertussen in uitvoeringsbesluiten heb gegoten. Ik denk ook aan de bestuurlijke lus. Het parlement heeft de mogelijkheid gecreëerd van een tijdelijke rechter. Minister Bourgeois heeft onder meer verwezen naar rechters van het Milieuhandhavingscollege. Het uitvoeringsbesluit daaromtrent is principieel goedgekeurd door de regering. Het moet nu nog naar het sectoraal overleg gaan.

We gaan ervan uit dat al deze maatregelen ervoor zorgen dat de huidige dossierinstroom verwerkt kan worden. Dankzij de tijdelijke rechters, maar zeker ook door de inschakeling van ons departement, gaan we er ook van uit dat we de historische achterstand kunnen verwerken. Met de commissie is afgesproken om halfweg volgend jaar een tussentijdse evaluatie door te voeren.

De voorzitter

Werk en Sociale Economie

We gaan over tot de bespreking van het beleidsdomein Werk en Sociale Economie.

Mevrouw Turan heeft het woord.

Güler Turan

Collega’s, Werk is een zeer belangrijk thema. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom de respectieve fractieleiders er al verscheidene keren op zijn ingegaan. Ik zal het kort houden en een aantal aandachtspunten aanhalen. Aanpak op maat, begeleiding van loopbanen, zowel interne als externe begeleiding, activering van werklozen en persoonlijke ontwikkelingsplannen, dat vat in het kort het algemeen beleid samen. De aanpak op maat is wel het belangrijkste.

Een aantal bekommernissen die dit jaar extra aandacht verdienen, zijn die over onder andere de 50-plussers. Minister, het afgelopen weekend hebt u een premiesysteem voor de 50-plussers gelanceerd. Een steeds betere werkzaamheidsgraad van deze groep maakt ons uiteraard optimistisch voor de toekomst, maar ook voor andere kansengroepen.

Als we het hebben over de andere kansengroepen, dan weet minister Muyters dat ik onmiddellijk zal overgaan naar de jeugdwerkloosheid in Vlaanderen, in grote steden, in centrumsteden. Het is al enkele keren aangehaald: 14 procent in het algemeen, in enkele centrumsteden 20 procent jeugdwerkloosheid. In Antwerpen zitten we al aan 29,4 procent werkloosheid. Het is nog geen Grieks drama, maar we moeten toch wel zeer waakzaam blijven. Minister, er werden wel verscheidene initiatieven genomen. Werkplekleren en werkervaring blijven hierbij essentieel. De afgelopen periode hebben we de Werkateliers een kans gegeven. De instroom bleek niet probleemloos. Dat is ook de reden dat we ze nu wat zullen aanpassen en er werkinlevingsprojecten van zullen maken.

In samenspraak met federaal minister De Coninck zullen er 4400 stageplaatsen naar Vlaanderen komen. Ook dat geeft wat hoop op ervaring. De invulling ervan moet vanaf januari op kruissnelheid komen.

De NEET-jongeren (Neither in Education, Employment nor Training) moeten een blijvend aandachtspunt blijven.

Ook over de allochtone werkzoekenden hadden we het de vorige keer al uitvoerig, en ook in de commissies. Rapporten van de OESO en de Nationale Bank bevestigen dat wij in België/Vlaanderen achterop hinken wat betreft de tewerkstelling van niet in België geboren onderdanen. We mogen die rapporten niet als routine beschouwen. Wij zijn de voorlaatste van de klas: wij moeten daaraan werken. Een non-discriminatiebeleid is, samen met alle andere initiatieven die worden genomen, heel belangrijk. U hebt daar weinig troeven in handen. Maar de troeven die u wel hebt, zullen volledig moeten worden benut, zodat we een duidelijk signaal geven dat we langs de ene kant de kansen bieden, maar langs de andere kant de discriminatie niet tolereren.

Minister, voor wat betreft het torenhoge armoederisico bij gezinnen zonder beroepsinkomen vraag ik u om daar verder op in te zetten. Dat vormt de beste buffer tegen armoede. Er moet ook aandacht zijn voor de gefailleerde ondernemers en kleine zelfstandigen die na een drama hun weg niet terugvinden. Daarover hadden we het vorige week al.

Minister, wij hebben de voorbije jaren al heel veel gedaan. Maar nu, in 2013, staat alles eindelijk klaar om uitgerold te worden. Het moet het jaar van de waarheid worden. Het Loopbaanakkoord komt op kruissnelheid. We hebben echt geen tijd meer te verliezen. We moeten niet alleen de crisis bestrijden, het is ook het einde van de legislatuur. Ik wil u namens mijn fractie het vertrouwen schenken om wat er nu op papier staat in de praktijk volledig waar te maken.

Minister, de hervorming van de sociale economie wordt nu concreet. Ik vraag u om erover te waken dat deze hervorming effectief een meerwaarde wordt voor de sociale economie, en dat de hervormingen worden doorgevoerd, met als finaliteit een duurzame inschakeling voor de sociaal zwaksten onder ons. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Diependaele heeft het woord.

Matthias Diependaele

Voorzitter, collega’s, ik spits mij ook toe op het beleidsdomein Werk. Niet omdat wij sociale economie minder belangrijk vinden: de drie specifieke uitdagingen waarover ik het wil hebben, zijn voor een groot deel van toepassing op de sociale economie.

Ministers, onze arbeidsmarkt staat onder druk. Daarover zijn wij het eens. De economische crisis slaat wild om zich heen, met de gekende cijfers tot gevolg. Op een jaar tijd steeg de werkloosheid met 11,2 procent naar 207.000 werklozen – met die nuance natuurlijk dat de berekening van het aantal werklozen licht is aangepast. Het aantal vacatures daalde met net geen 13 procent.

We zijn het er allemaal over eens dat onze arbeidsmarkt zeer complex is. We moeten dan ook op verschillende vlakken tegelijk maatregelen nemen. Ik zou graag drie uitdagingen specifiek kort belichten.

Eerst en vooral is er het gegeven dat we met z’n allen langer moeten werken. Op dit punt kunnen we in Vlaanderen goede cijfers voorleggen. De inspanningen beginnen geleidelijk aan vruchten af te werpen. Sinds juni werd in overeenstemming met de sociale partners de systematische aanpak uitgebreid tot 58 jaar. In de werkloosheidscijfers zien we dan ook dat de tewerkstellingsgraad van de 50-plussers licht verbetert. Maar onze aandacht hiervoor blijft zeker nodig aangezien we hier nog altijd een heel eind onder het Europese gemiddelde zitten.

In de doorgevoerde hervorming van de 50-pluspremies is het zeer belangrijk dat er aandacht wordt geschonken aan de langdurig werklozen. Arbeidsmarktexperts zijn het er absoluut over eens dat we moeten vermijden dat mensen klem geraken in de werkloosheid. Het is veel moeilijker om een langdurig werkloze opnieuw op de arbeidsmarkt te krijgen. Daarom moeten we onze maatregelen zo organiseren dat zij betrokken blijven in het arbeidscircuit. In de verwijzingen naar de hervormingen in Duitsland, die hier regelmatig aan bod komen, is dat een van de weinig genoemde punten. Maar men heeft in Duitsland wel degelijk de keuze gemaakt om niet te raken aan de vrij strenge ontslagbescherming. Dat is zeker een van de punten die iedereen mee kan onderschrijven.

Een tweede uitdaging betreft veeleer een mentaliteitswijziging. We moeten gaan van jobzekerheid naar werkzekerheid. Dat houdt in dat mensen meer controle moeten krijgen over hun eigen loopbaan, maar we weten allemaal dat dit niet zo evident is. Dat is ook begrijpelijk. Mensen houden liever vast aan de zekerheid van hun huidige baan dan het risico te nemen en de inspanning te leveren om zich om te scholen en de stap te zetten naar een nieuwe werkgever. Ik verwijs naar de studie die vorige week nog aan bod kwam in de commissie en die aantoonde dat, als men met een baan onder zijn opleidingsniveau begint, men daar dan moeilijk nog uit geraakt, hoewel er nog heel wat nuances aan bod zijn gekomen in dit debat. Minister, het loopbaanbeleid dat u het komende jaar met de sociale partners wilt uitwerken, is dan ook een grote uitdaging.

Een derde uitdaging is de ongekwalificeerde uitstroom. Ik ga daar niet verder op in, maar we moeten wat dat betreft absoluut inzetten op werkplekleren en stages, waarover nu een overeenkomst bestaat met de federale overheid.

Ministers, ik hoop dat we in 2013 het vertrouwen in onze arbeidsmarkt opnieuw kunnen herstellen. Dat zal niet alleen afhangen van het opnieuw aantrekken van de economie, waarop we allemaal hopen, maar net zo goed van het consequent doorzetten van het ingezette beleid. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Sabbe heeft het woord.

Ivan Sabbe

Voorzitter, minister, geachte leden, werk is welvaart. Ik zal me dan ook beperken tot een paar concrete actiepunten die we hier een tijdje geleden ook al hebben besproken naar aanleiding van de dramatische cijfers van bedrijven die over de kop gaan in Vlaanderen.

De werkzaamheidsgraad van de 55-plussers bedroeg in 2011 38,6 procent. Nochtans hebben we ons als doel gesteld dat dit 50 procent moet worden tegen 2020. Dat is het Pact 2020. Er is dus nog heel wat werk aan de winkel: we moeten een vooruitgang van 30 procent boeken. De campagne ‘De juiste stoel’ mist zijn doel. Het is een mager beestje: in de eerste 16 maanden waren er amper 55 bezoeken per dag. Toen ik dit hier al eens aanhaalde, waren het er nog 88, en dat vond men toen al ondermaats. We gaan er dus verder op achteruit.

Dan zijn er de Vlaamse aanmoedigingspremies. We hebben het daarover gehad. Het is tijd dat Vlaanderen stopt met niet-werken te betalen, de thematische verloven uitgezonderd. We moeten iets doen aan die rekening van 54 miljoen euro voor aanmoedigingspremies voor loopbaanonderbreking.

Een ander punt is de herinschakeling van de bruggepensioneerden. Recent heb ik dit nog naar voren gebracht naar aanleiding van een antwoord op een schriftelijke vraag over Opel Antwerpen en Ford Genk. Van de 514 bruggepensioneerden bij Opel Antwerpen zijn er, ondanks intense begeleiding door de VDAB, slechts 84 opnieuw aan de slag, na 2 jaar. Ik wil dus waarschuwen voor het dossier van Ford Genk. We moeten ervoor zorgen dat we daar niet in hetzelfde straatje verzeild geraken. Het brugpensioen mag dan wel federale materie zijn, maar we moeten ons durven af te vragen of ons activeringsbeleid de juiste middelen heeft en op de juiste manier werkt.

Ik heb de regelgeving met betrekking tot de passende dienstbetrekking hier ook al aangehaald. Een baan is passend als die binnen een straal van 60 kilometer valt. Vroeger was dat 25 kilometer. Ik wil vragen dat dit heel strikt zou worden toegepast, met het oog op de shift van werklozen binnen Vlaanderen, want dan heb ik het nog niet over Brussel en Wallonië. Hiervoor zijn we volledig zelf bevoegd. Dan gaat het bijvoorbeeld over werklozen uit het Gentse laten werken in Zuid-West-Vlaanderen, maar ook over de 6000 werklozen in Oostende laten werken in Ieper en de Westhoek. Men zou actiever bezig moeten zijn met die aantrekking en het toepassen van die regelgeving.

Het werkplekleren is ook een manier om jongeren nog meer en sneller in te schakelen in de economie. Het is een goed initiatief. Men heeft het ook over het deeltijds beroepsonderwijs (dbso). We stellen echter vast dat van de 8241 leerlingen in het dbso, er nog maar 2500 echt werken. Dat cijfer is veel te laag. We moeten streven naar een veel hoger percentage. De jeugd moet veel sneller vertrouwd worden met de economie en het reilen en zeilen van een bedrijf.

Last but not least: met het oog op het verminderen van de lasten op arbeid had Vlaanderen in 2012 een historische kans om de provincies af te schaffen en zo de overheid te ontvetten, goed voor een factuurbesparing van 900 miljoen euro recurrent. Het is spijtig dat die opportuniteit gemist is en dat we ons beperkt hebben tot een facelift in plaats van fundamenteel te gaan.

Minister, er is nog heel wat werk aan de winkel. Ik wil het, in tegenstelling tot de heer Diependaele, niet hebben over mooie intentieverklaringen, maar over concrete punten, hic et nunc. We moeten nu werken en welvaart in de praktijk omzetten en daar massaal en massief op inzetten.

Matthias Diependaele

Ik wou het niet hebben over mooie intentieverklaringen, mijnheer Sabbe. Ik wou enkel reageren op uw opmerking over de provincies. U kent onze mening daarover. We liggen op dat vlak niet zo ver uit elkaar. Ik heb het er wel moeilijk mee dat altijd beweerd wordt dat er zomaar 900 miljoen euro bespaard wordt. Dat is niet helemaal waar. Als je de provincies afschaft, betekent dat niet dat de taken die zij vervullen, niet ergens anders moeten worden gedaan. Dan kom je al aan een veel lager bedrag.

Ik spreek niet tegen dat je zeer veel kunt besparen, maar dat gaat niet om 900 miljoen euro. Je kunt het als politiek vertegenwoordigend orgaan afschaffen, maar de taken die zij uitvoeren, zouden nog altijd vervuld moeten worden. Het kan waarschijnlijk op een efficiëntere manier, dus daar kun je ook nog eens besparen, maar het verhaal dat je daar gewoon 900 miljoen euro uitknipt, klopt niet.

Ivan Sabbe

Mijnheer Diependaele, 7 parlementen en 6 regeringen zijn meer dan genoeg om 11 miljoen mensen aan te sturen op politiek niveau. Dan heb je geen provincies meer nodig. Met 600 parlementsleden en meer dan 60 ministers en regeringscommissarissen heb je geen tussenniveau meer nodig. Van die 1,5 miljard euro, waarvan 900 miljoen euro in Vlaanderen, heb ik Onderwijs al uitgeknipt, want de totale factuur is 2,1 miljard euro. We moeten gewoon efficiënter zijn, met minder regulitis. Dan heb je dat tussenniveau niet meer nodig.

Je kunt je op provinciaal niveau wel bezighouden met Ontwikkelingssamenwerking, maar dat is een doublure met een ander niveau. Je kunt bezig zijn met Ruimtelijke Ordening, maar dat is dan weer een doublure met Vlaanderen. Vlaanderen moet daar gewoon beter en efficiënter zijn huiswerk doen. Dan is dat provinciale niveau volledig overbodig. Dat is de conclusie. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Watteeuw heeft het woord.

Filip Watteeuw

Minister, ik wil het nogmaals over uw uitbestedingsbeleid hebben. Het is opvallend hoe in de voorbije tien jaar, dus al van voor u minister werd, de VDAB is beginnen uit te besteden. De bedragen die de VDAB betaalt aan derden, is in tien jaar tijd verzevenvoudigd.

Dat de privésector daarop inspeelt, is vrij logisch. De uitzendkantoren bijvoorbeeld spelen heel sterk in op de tenders rond trajectbegeleiding. Dat is normaal, want zij hebben daar goede financiële redenen voor. Ze krijgen de betaling die opgenomen is in de resultaatsverbintenis, en bovendien kunnen ze, als ze zelf voor de tewerkstelling zorgen, een beroep doen op de tewerkstellingspremies en op de kostenvergoeding die ze in hun normale werking aan klanten vragen. Dat is dus zeer lucratief voor hen, maar als ze daarvoor kwaliteit bieden, is dat op zich geen probleem.

Waar ik wel bezorgd om ben, is de kwaliteitsgarantie voor die tenders. Ik geef u een voorbeeld. Bij de meest recente tender ‘intensieve begeleiding en bemiddeling’ werd een beoordeling gedaan van alle organisaties en inzendkantoren die hadden ingeschreven. Eén uitzendkantoor werd in die tender zelfs niet gerangschikt, omdat de begeleiding en de opvolging niet voldoende waren. Maar in een gelijkaardige tender, even voordien, heeft diezelfde organisatie wél een opdracht toegewezen gekregen, met exact dezelfde motivering.

Een dienstverlener wordt dus op het ene moment zeer geschikt bevonden en krijgt de opdracht toegewezen, en even later wordt hij zelfs niet meer gerangschikt en krijgt hij een onvoldoende. Dan moet je je afvragen of die dienstverlener op dat moment nog in staat is om de lopende tender te vervullen.

Als we zo’n tenderintensieve begeleiding en bemiddeling laten lopen, dan doen we dat om een duurzaam effect te creëren op de tewerkstelling. Ik heb daarnet verwezen naar de resultaatsverbintenis waarop de dienstverleners een beroep kunnen doen. Ze worden dan betaald wanneer ze iemand kunnen tewerkstellen. Uitzendkantoren hebben de luxe dat ze zelf kunnen bepalen wanneer ze iemand tewerkstellen. Wanneer men enerzijds begeleidt en anderzijds tewerkstelt, zelfs in een kort contract, dan krijgt men een resultaatsverbintenis. We moeten nadenken of er niet meer controle nodig is op het duurzaam effect van tewerkstelling. Dat moet niet een of twee keer gebeuren, maar blijvend, gedurende een langere periode.

Ik ben ook bezorgd over de gevolgen voor de VDAB zelf. Daar heeft het Rekenhof voor gewaarschuwd. Eigenlijk zou de VDAB die zaken zelf kunnen doen. De non-profitorganisaties die daar tot nu toe op inspeelden, worden nu eigenlijk uit de markt geduwd. Zij kunnen hun werking ten aanzien van de meest kwetsbare werkzoekenden niet meer garanderen omdat ze die tenders nodig hadden om hun werking, die verlieslatend was, te financieren.

Er is een vzw waarbij de VDAB en Federgon samenwerken. Nu blijkt echter dat die vzw op geen enkele manier voldoet aan de statutaire verplichtingen. Ze komt zelfs niet meer samen, hoewel dat verplicht is.

Ik ben ook bezorgd over het personeelsbeleid van de VDAB. In januari 2012 stelde het Rekenhof dat dat beleid objectiever, transparanter en efficiënter moest. Een jaar later zijn er nog altijd geen signalen dat dat personeelsbeleid beter verloopt, integendeel. Volgens het ABVV moeten we ons afvragen of de VDAB op dat vlak wel goed bezig is.

Minister, ik ben zeer bezorgd over de toekomst van de VDAB. Ik ben daar niet alleen mee. De heer Van Malderen is het daar volmondig mee eens. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Claes heeft het woord.

Sonja Claes

Minister, ik zal het alleen hebben over sociale economie, mijn collega zal het zo dadelijk hebben over tewerkstelling en werk in het algemeen.

Spijtig genoeg heeft niet iedereen in onze samenleving het gemakkelijk om aan werk te geraken. Heel wat mensen hebben een rendementsverlies. In Vlaanderen zijn er daarom in het verleden heel wat initiatieven ontwikkeld, gaande van arbeidszorg voor de zwaksten tot invoegmaatregelen voor de sterksten. Daartussen zitten de sociale werkplaatsen, de beschutte werkplaatsen, de lokale diensteneconomie. Dat was allemaal nogal chaotisch geworden. Vandaar dat het initiatief is genomen om via een aantal nieuwe decreten duidelijkheid te verschaffen.

2012 is cruciaal op wetgevend vlak. Er komen twee nieuwe decreten over maatwerk en lokale diensteneconomie. Een aantal uitgangspunten zijn daarbij van belang voor CD&V. We willen dat er een betere afstemming is tussen sociale economie en gewone economie. De verschillende maatregelen moeten dan ook vereenvoudigd worden. We willen ook dat er transparantie is, waardoor veel duidelijker wordt waarom bepaalde mensen in de sociale economie tewerkgesteld blijven.

We willen dat er werkzekerheid is, want dat is ook een heel belangrijk element, zeker voor mensen die het moeilijk hebben om aan een job te geraken. Ook zekerheid van financiering is belangrijk, want uiteindelijk zal heel die hervorming geld kosten, zowel voor de collectieve voorzieningen als voor de VDAB, die de screening van de mensen moet doen. Vandaar dus nieuwe decreten voor duidelijkheid en vereenvoudiging, maar ook financiering zodat het in de praktijk kan worden gebracht. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Janssens heeft het woord.

Voorzitter, ministers, collega’s, op het einde van het kalenderjaar staan kranten en tijdschriften vol met eindejaarslijstjes. Ook inzake werkgelegenheid en faillissementen zijn er de voorbije dagen en weken heel wat lijstjes verschenen. Dat waren helaas niet bepaald berichten om vrolijk van te worden, wel integendeel.

Het aantal faillissementen en ontslagen breekt dit jaar heel wat records. De werkloosheid neemt sterk toe. Als dus het werkgelegenheidsbeleid het voorbije jaar al vele uitdagingen kende, dan belooft het volgend jaar zeker niet gemakkelijker te worden. En, minister, als Genkenaar en Limburger kan ik er niet omheen, de aangekondigde sluiting van de Ford-fabriek in Genk deed Limburg op z’n grondvesten daveren. De grootste economische motor van de provincie wordt in een klap weggerukt met een niet te onderschatten en niet te voorspellen sneeuwbaleffect als gevolg. De taskforce en de expertengroep om het Strategisch Actieplan voor Limburg in het Kwadraat uit te werken, zullen acties lanceren om deze economische klap, deze opdoffer van formaat te verwerken.

Niet enkel in Limburg, maar in heel Vlaanderen zijn de uitdagingen gekend, maar daarom niet gemakkelijk realiseerbaar – des te meer gezien de precaire economische situatie in heel wat sectoren. Belangrijk is alleszins dat we blijven inzetten op de versterking van talenten, competenties en loopbanen, op een betere aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt, op minder ongekwalificeerde uitstroom, op het aanboren van de arbeidsmarktreserve en dus ook op knelpuntvacatures. Blijven inzetten ook op opleidingen, voorkomen van langdurige werkloosheid, wegwerken van taalachterstand, te veel thema’s om in dit beknopt tijdsbestek uitvoerig te behandelen.

Behalve aan een doeltreffend werkgelegenheidsbeleid hebben onze Vlaamse ondernemingen nood aan een krachtdadige ingreep om vooral het vergunningenbeleid snel en efficiënt te organiseren. Een snelle uitvoering van grote noodzakelijke infrastructuurwerken is eveneens van groot belang. Als bijvoorbeeld de Raad van State het dossier van de Limburgse Noord-Zuidverbinding vernietigt, dreigt de niet-realisatie of het verder uitstel alweer een bijkomende hypotheek te leggen op de economische heropstanding van Limburg.

Minister, tijdens de besprekingen van de beleidsnota en de beleidsbrief Werk, waren we het er met z’n allen bijna unaniem over eens dat u als Vlaams minister van Werk over te weinig bevoegdheden en middelen beschikt om een voldoende efficiënt beleid te kunnen voeren. Onder meer over de vaak gehekelde loonkosten hebt u bijvoorbeeld geen zeggenschap. Het blijft willens nillens en dus zonder oneerbiedig te willen zijn, te veel morrelen in de marge van het federale sociaal-economische en financiële kader.

Om de voorbereiding van de regionalisering van enkele aspecten van het arbeidsmarktbeleid op te starten, zal de Vlaamse administratie in het voorjaar van 2013 een ontwerp van groenboek van implementatie zesde staatshervorming opmaken. Wij kijken er alvast naar uit.

Ik zeg er voor alle duidelijkheid wel bij dat deze regionalisering voor ons slechts een tussenstap kan en mag zijn, op weg naar de volledige regionalisering van het arbeidsmarktbeleid. Want minister, we hebben het hier al eerder gezegd, maar het is nu acuter dan ooit tevoren, er is dringend nood aan de volledige overheveling van het beleid ter zake. Niet voor de symboliek, niet regionaliseren om te regionaliseren, maar wel omdat Vlaanderen met meer beslissingsmacht een betere concurrentiepositie kan bewerkstelligen en zodoende de plaats kan innemen waar het thuishoort: in de top van het Europese peloton. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Lydia Peeters

Voorzitter, minister, collega’s, de heer Bothuyne vroeg me daarnet of mijn betoog een bloemlezing zou zijn van zijn website. Om gekende redenen zal ik mij daartoe zeker niet verlagen, want we weten dat op die website heel wat fouten staan.

Voorzitter, minister, Vlaanderen staat er. We wijken niet af van het pad naar een ‘Vlaanderen in Actie’. Dat stond in de jongste Septemberverklaring van de minister-president. In de beleidsbrief van minister Muyters lezen we dat hij de ambitie koestert om van Vlaanderen een topregio te maken. We moeten toch vaststellen dat een beetje bescheidenheid op z’n plaats zou zijn want van een topregio is nog lang geen sprake. We zijn eerder een bescheiden middenmoter.

‘Vlaanderen in Actie’ geldt alvast niet voor de bruggepensioneerden voor wie de activering grotendeels dode letter blijft. Het geldt evenmin voor de 50-plussers van wie de laatste twee jaar amper 10 procent door de VDAB werd begeleid en van wie amper 3 procent binnen de zes maanden uitstroomde naar werk. Het geldt ook niet voor de oudere werkzoekenden die al lange tijd in de werkloosheid verzeild zijn geraakt want voor hen zijn er bijna geen activeringsmiddelen.

Er zijn de desastreuze cijfers van de jeugdwerkloosheid waarvan de stijging het dubbele bedraagt van de algemene werkloosheid. De minister zegt dat het crisis is en dat hetzelfde fenomeen zich ook elders in Europa voordoet. Voor ons is zo’n fatalistische houding zeer moeilijk te rijmen met het streven om van Vlaanderen een topregio te maken.

Minister, u hebt ook een paar keer gezegd: “We doen wat we kunnen. We laten de vraag en het aanbod op de arbeidsmarkt beter matchen.” Toch blijkt uit een rapport van de Nationale Bank dat in geen enkel ander Europees land de vacatures en de werklozen zo slecht op elkaar zijn afgestemd als bij ons.

Matthias Diependaele

Mevrouw Peeters, het spijt me verschrikkelijk, maar ik vind het bijzonder klein dat u die studie opnieuw aanhaalt. We hebben het er in de commissie al over gehad en minister Muyters heeft uitgelegd hoe ze precies in elkaar zit. Om een voorbeeld te geven: de landen die het slechtst scoren, waren onder meer Zweden, Duitsland en wij. De landen die het best scoren – en ik doe het uit het hoofd – zijn Spanje, Portugal en Griekenland. Ze scoorden het best op de match. Laat ons eerlijke zijn: de studie heeft waarschijnlijk op een bepaald domein wel haar waarde, maar niet om hier aan te tonen dat de mismatch in Vlaanderen zo slecht is. Ook professor Sels heeft een bijdrage geschreven waarin hij die studie onderuithaalt. Hij toont aan dat er een paar factoren zijn die de mismatch verklaren, onder andere de demografische groei, waar we jammer genoeg zeer weinig impact op hebben.

Lydia Peeters

Mijnheer Diependaele, ik ga niet herhalen wat in de commissie is gezegd, maar het is toch wel markant dat u zowel de studie van de Nationale Bank als de studie van de KBC die onlangs verschenen is en waaruit blijkt dat een en ander verkeerd loopt, blijft ontkennen.

De schuld hiervoor in de schoenen van de Federale Regering schuiven – wat hier meermaals gebeurt –, is niet aan de orde. Het is aan Vlaanderen om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter te matchen, om werkzoekenden te bemiddelen en te activeren, om laaggeschoolden of jongeren zonder diploma een opleiding te geven, om migranten in te burgeren, om kansengroepen via de sociale economie aan de slag te helpen.

Ik wil duidelijk stellen dat ik niet beweer dat Vlaanderen niets doet. Ik wil ook duidelijk stellen dat het VESOC-akkoord (Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité) over het loopbaanbeleid terechte prioriteiten naar voren brengt. We vinden de 50-plussers-regeling die de minister onlangs nog naar voren brengt, ook positief. Een aantal acties zijn dus positief, maar ze stillen niet de grote honger. Er is nog nood aan bijkomende maatregelen.

Ter afronding van mijn betoog wil ik nog iets zeggen over twee zaken die niet alleen betrekking hebben op het domein Werk maar ook op Sociale Economie en Welzijn. We kijken met zijn allen uit naar het langverwachte Maatwerkdecreet. 2013 wordt een cruciaal jaar voor de sociale economie en voor het principe van de doorstroming. De minister van Werk heeft te kennen gegeven dat de 50-pluspremie zal worden opengesteld voor doorstromers uit de sociale economie. Dat vinden we uiteraard positief. We willen ook aandringen op een goede terugkeergarantie. Minister Van den Bossche heeft al gesteld dat ze deze garantie ziet als een stage van een zestal maanden. Dat vinden we zeker een verdienstelijke denkpiste.

Wel wil ik nog aandacht vragen voor het W2-decreet of het decreet Werk en Welzijn. Het uitblijven van de conceptnota hiervan verontrust ons. Ook hebben we wat schrik dat de taken van de OCMW’s, die nu al een wettelijke activeringsplicht hebben, ietwat worden uitgehold terwijl de VDAB steen en been blijft klagen dat hij met steeds minder middelen en minder personeel meer taken moet uitvoeren en meer klanten ter hulp moet snellen.

Onze belangrijkste beleidsbekommernissen en voorstellen staan in onze motie van aanbeveling. Vandaag wil ik vooral de nadruk leggen op het nemen van verantwoordelijkheid. Niemand heeft nog een boodschap aan rondjes parapluutje opentrekken naar het federaal niveau, naar de sociale partners of naar wie dan ook. Als we van Vlaanderen effectief een topregio willen maken, als we effectief willen spreken van Vlaanderen in Actie, dat horen wij heel graag, maar dan willen wij wel zeggen: minister, doe het nu, neem nu de nodige maatregelen zodat we inderdaad van Vlaanderen een topregio kunnen maken.

De voorzitter

De heer Laurys heeft het woord.

Jan Laurys

Minister, u weet dat wij ons globaal kunnen vinden in uw beleid inzake arbeidsmarkt. Het is altijd een beetje zoeken naar een evenwicht tussen enerzijds solidariteit en anderzijds verantwoordelijkheid. Als christendemocraten voelen wij ons bij die evenwichtsoefening altijd goed, zij het dat we soms wat schuiven van links naar rechts. Het blijft natuurlijk een evenwichtsoefening.

Er is ook goed nieuws. Er is inderdaad een kentering gekomen in de werkgelegenheidsgraad van 50-plussers, met weliswaar een toename van 0,1 procent. Globaal is dat toch wel goed nieuws. In vergelijking met de rest van Europa blijkt echter dat we nog niet zo ver staan. Dat goed nieuws is uiteraard te wijten aan de maatregelen die zijn genomen en wellicht ook door de mentaliteitsverandering die door die maatregelen wordt gestimuleerd.

De vernieuwde tewerkstellingspremie die vorige week werd aangekondigd, is een goede stap. Het is een premie op maat geworden. Hoe dan ook hebben generalistische maatregelen altijd veel ‘deadweight’ waarbij veel geld verloren gaat. Wanneer men focust op beperkte doelgroepen, zijn maatregelen altijd veel efficiënter. Hopelijk zal die tewerkstelling daardoor ook groeien want het heeft weinig zin om een sluitend maatpak te maken voor de oudere werknemers, maar dat, wanneer ze dan komen solliciteren, ze geen kans maken.

Wat betreft jeugdwerkloosheid volg ik eerlijk gezegd mevrouw Turan niet helemaal. Er is wel een sterke stijging met 19,8 procent, en daar zitten we wel goed in vergelijking met de rest van Europa. Jeugdwerkloosheid is conjunctuurgebonden. De jeugd zal de eerste groep zijn die zal profiteren wanneer de conjunctuur aanzwengelt. Zij zullen dan als eersten opnieuw werk vinden. Niet dat men daar geen aandacht aan moet besteden, maar ik denk niet dat dat een echt probleem is.

Güler Turan

Mijnheer Laurys, ik zie niet in waar u het niet eens bent met mij wat betreft de aanpak van de jeugdwerkloosheid of de cijfers die ik geef. Ik verzin die cijfers niet. Er is absoluut een toename van jeugdwerkloosheid, en die is uiteraard deels conjunctureel. We hebben het er echter ook constant over dat in bepaalde centrumsteden en grootsteden zoals Antwerpen er wel degelijk een structureel probleem is. Ook al is er in Vlaanderen een daling van de jeugdwerkloosheid, dan zien we nog dat er in Antwerpen structureel meer jeugdwerkloosheid is van ongeveer 10 procent, die inderdaad ook conjunctuurgevoelig is. Daar moeten we een tandje bij steken, en de minister bevestigt dat. Ik zie niet in waar u het met mij niet eens bent.

Jan Laurys

Het gaat over de algemene opmerking. Ik volg u wanneer u de term structurele jeugdwerkloosheid noemt. Die hoge cijfers in de centrumsteden zijn te wijten aan een andere problematiek dan de jeugdwerkloosheid in het algemeen. Wat dat betreft, zitten we inderdaad op dezelfde lijn.

Bij de tewerkstelling van allochtonen zitten we inderdaad misschien met een probleem. Er is een toename met 15,6 procent. In de Septemberverklaring heeft de minister-president voldoende aandacht gevraagd voor de nieuwe Belgen, maar toch vinden we dat hier misschien nog iets te weinig aandacht aan wordt besteed. In de beleidsbrief wordt het binnen een breed humanresourcesbeleid gestoken. Ik meen dat er misschien iets meer aandacht aan gegeven mag worden.

Fundamenteel is natuurlijk de taal. U schrijft zelf dat een sluitend taalbeleid op basis van het NT2-afsprakenkader (Nederlands als tweede taal) moet worden gevoerd. Maar we hebben een probleem, in de commissie hebben we er ook al naar verwezen. De samenwerking met onderwijs – en daarmee bedoel ik niet met uw collega-minister, maar wel met de administraties – verloopt soms moeilijk. Soms worden een aantal territoriumgevechten geleverd. Onderwijs heeft op sommige domeinen wat moeite met het erkennen van de regierol van de VDAB. Een en ander kan nog beter op elkaar worden afgestemd.

Ik kom nog even terug op het HR-beleid. In het loopbaanbeleid worden bedrijven aangezet om een strategisch loopbaan- en competentiebeleid uit te bouwen en competentieversterkende acties op te zetten. U noemt ze bedrijfsontwikkelingsplannen (BOP’s). U weet dat er niet al te veel enthousiasme voor is bij de werkgevers, het is ook weer een bijkomende last, maar ik denk dat ze, naar het voorbeeld van Nederland, toch wat extra kunnen worden gestimuleerd.

Minister, wij blijven hevig voorstander van de opleidingen op de werkvloer, daar is vandaag nog al naar verwezen. We staan maximaal achter het idee van het optimaliseren van de leertijd. Wij zijn daar altijd voorstander van geweest, zeker sinds de misbruiken wat teruggedrongen zijn. Misschien kan dit inderdaad gekoppeld worden aan de overdracht van het Industrieel Leerlingenwezen in het kader van de zesde staatshervorming. Misschien kan dit planmatig gebeuren?

Ik verwijs hier ook naar de individuele beroepsopleidingen (IBO’s), zelfs naar de IBO’s-Deeltijds Onderwijs (IBODO’s), die wat passen in het Vlaams beleid dat moet worden afgestemd op de federale maatregel ‘stages voor jongeren’.

Ik heb nog een algemene waarschuwing. We moeten oppassen dat het activerend maatpak geen Armani maatpak wordt. Uit budgettaire overwegingen en wellicht ook uit pragmatische overwegingen worden heel veel tools in het arbeidsmarktbeleid via computerprogramma’s gestuurd. Het is echter wel zo dat vooral laaggeschoolden nog altijd behoefte hebben aan een menselijke begeleiding en een menselijke aanpak. Arbeidsmarktbeleid wordt heel technisch. Als we even bekijken hoe op de website ‘Competent’ de competenties en attitudes kunnen worden ingebracht, dan is dat ontzettend moeilijk. Ik vraag me soms af hoe mensen zichzelf zo kunnen inschatten dat ze het perfect kunnen doen. Het is een probleem. We moeten oppassen dat we niet naar een arbeidsmarktbeleid met twee snelheden gaan.

Het levenslang leren komt iets te weinig aan bod, het zou nochtans prioriteit moeten krijgen. Wij scoren laag in vergelijking met andere landen. Wij scoren 7,1 procent, Nederland 16,7 procent en het Verenigd Koninkrijk 15,8 procent. We kunnen op dit vlak nog een tandje bij steken.

Ik herhaal dat we ons algemeen perfect kunnen terugvinden in de beleidsbrief. We sluiten ons aan bij de doelstellingen die erin geformuleerd zijn.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Voorzitter, op de opmerkingen van de heer Sabbe hoef ik dus al niet in te gaan.

Ik begrijp dat de grote meerderheid zich kan terugvinden in de basisfilosofie die terug te vinden is in het arbeidsmarktbeleid. Het gaat om competentiebeleid, loopbaanbeleid, de aanpak van ongekwalificeerde uitstroom, 50+, samengevat loopbaanakkoord en inzetten op knelpunten. Ik ben eigenlijk bijzonder blij dat het zo ruim gedragen wordt.

En mevrouw Peeters, u vraagt me om iets te doen, maar op elk van die vlakken werden beslissingen genomen. Ze zijn al in uitrol of worden uitgerold vanaf 1 januari 2013. U weet dat, maar u blijft de vraag herhalen om iets te doen. Ik heb geen paraplusysteem. Binnen mijn bevoegdheden doe ik wat ik kan. Ik denk dat we met de maatregelen in Vlaanderen de crisis niet kunnen oplossen. Als u denkt dat dat wel het geval is, dan ben ik fout en dan moet u mij die maatregelen maar eens voorstellen.

Ik denk dat we een beleid voeren dat in de juiste richting gaat. En zo begrijp ik ook dat het gesteund wordt. Ik ben het er helemaal mee eens dat we een aantal accenten zeker moeten blijven volgen.

Mijnheer Laurys, mevrouw Turan, u hebt het gehad over de allochtonen. Het is juist dat het element van sensibiliseren zeker aan bod moet blijven komen. Ik noem de allochtonen niet altijd bij naam, ik meen dat dat niet hoeft. Als we bijvoorbeeld voor de ongekwalificeerde uitstroom werkinlevingsprojecten doen in de dertien centrumsteden, dan is dat natuurlijk ook voor een groot deel naar die bevolkingsgroep gericht. Ik moet ze niet noemen, want als er Vlamingen zijn die ook ongekwalificeerd uitstromen, dan ga ik ervan uit dat ze evengoed kans kunnen maken. Ik ga dus liever uit van een beleid dat voor iedereen nuttig en zinvol kan zijn, maar waarbij die doelgroepen effectief wel meer aan bod komen. Ik ben het hierover helemaal met u eens.

Ik ben het ook met u eens, mijnheer Laurys, dat we inzake het loopbaanbeleid naar bedrijven een stimulans kunnen geven. Ik wil dat met de sociale partners bespreken. Ik ben ervan overtuigd dat er nog wat werk kan en moet gebeuren naar die doelgroepen.

Ik neem uw opmerking over het Armani-maatpak ernstig. Ik heb niets voor of tegen het merk. Ik heb de boodschap begrepen. Ik ben het helemaal met u eens dat we die betere, verdere werking rond competenties en talenten moeten voortzetten. We moeten ervoor zorgen dat iedereen daarmee meekan. Ik wil daar zeker verder op ingaan.

Mijnheer Watteeuw, ik vind het nogal raar – en ik doe daar niet aan mee – om de VDAB-werking te beoordelen op casuïstiek. U haalt uit het tenderbeleid, dat eigenlijk heel ruim is, een paar gevallen om te beweren dat het allemaal niet goed werkt. De raad van bestuur van de VDAB, waar sociale partners, onder meer het door u geciteerde ABVV, aanwezig zijn, beslist over de kwalitatieve opvolging maar ook de uitbesteding. De raad van bestuur beslist over wat en hoe er wordt uitbesteed. We hebben het vorige week nog aangehaald. Het gaat over flexibiliteit, tijdelijkheid en de kennis van de markt.

In een grote portefeuille gebeuren er natuurlijk fouten. Daar moet de VDAB dan de nodige lessen uit trekken. Daarvoor heel het tenderbeleid weggooien, zou een enorme vergissing zijn. De raad van bestuur heeft vandaag – of dat denk ik toch, vroeger kwamen ze altijd op woensdag samen – een reflectiedag over het tenderbeleid. Zoals we vorige week zeiden, zijn we benieuwd naar het resultaat daarvan.

Mijnheer Watteeuw, u vindt dat de VDAB al dat uitbestede werk zelf kan doen. Ik ben het daar zeker niet mee eens. Als dat wel het geval zou zijn, is er echt iets mis met de VDAB. U moet mij dan maar zeggen hoe we dat moeten oplossen. Dat zou willen zeggen dat er nu heel wat mensen met hun vingers zitten te draaien, of dat moeten we dan toch veronderstellen. En, echt waar, dat stemt niet overeen met de andere signalen die ik krijg. Die signalen zeggen dat die mensen echt hard en stevig werken om de crisis op te vangen. Die stelling onderschrijf ik zeker niet. We zouden daar bijkomend mensen kunnen aanwerven, maar dat is nu juist een van de elementen waarvoor het tenderbeleid nodig is.

De vzw VDAB-Federgon valt onder die casuïstiek. Ik zal dat eens navragen en bekijken.

Twee weken geleden, op een vrijdag, is Fons Leroy samen met de personeelsverantwoordelijke nog bij mij geweest om de stand van zaken op elk van de kritische punten van het Rekenhof te geven. Volgens mij worden de juiste beslissingen genomen of staan ze in de steigers.

De commissie Economie kan de VDAB altijd uitnodigen. Mevrouw Ceysens zal daar zeker mee akkoord gaan. Ik denk dat ik trouwens met de VDAB heb afgesproken dat we dat het best in het voorjaar nog eens doen, als er nog een bijkomende stap is gezet. Als u het goed vindt, zorg ik ervoor dat we dat in de commissie kunnen bespreken als de VDAB ver genoeg gevorderd is. Er moeten dan geen vragen worden ingediend, het zal automatisch gebeuren. Ik neem aan dat we dat dan zonder u zullen behandelen.

Filip Watteeuw

Minister, u hebt gelijk, we mogen niet vervallen in casuïstiek. We hebben natuurlijk signalen gekregen dat het niet goed gaat met het personeelsbeleid. Die signalen komen van het Rekenhof, toch niet de minste. Dan moeten we ons toch zorgen maken?

Het tenderbeleid behoort natuurlijk tot de kern van wat de VDAB doet. We moeten dan ook sowieso kritisch zijn voor wat er gebeurt. Ik zeg niet dat alles per definitie slecht is. We moeten echter voortdurend vragen stellen. Ik ben overigens niet de enige die hierom vraagt. De heer Van Malderen heeft ook gevraagd het tenderbeleid kritisch te evalueren. Volgens de minister gebeurt dit ook. Volgens mij moeten we dit blijven doen. Het Rekenhof heeft met betrekking tot de VDAB laten weten dat te weinig wordt nagegaan of het tenderbeleid echt nodig is. Als we de kosten en de baten afwegen, is de vraag of dit beleid wel voldoende de moeite loont. We moeten die oefening voortdurend maken. Dat is mijn oproep. We moeten het tenderbeleid blijvend kritisch bekijken. Soms zal het goed zijn. Soms zal het misschien niet zo zinvol zijn en dan moeten we dat ook durven zeggen.

Lydia Peeters

In zijn reacties stelt de minister steeds opnieuw dat de verslechtering van de arbeidsmarkt aan de crisis te wijten is. Ik zou er opnieuw op willen hameren dat heel wat vacatures, ondanks de stijging van het aantal werklozen in absolute cijfers, totaal niet worden ingevuld. De minister vraagt telkens hoe mijn fractie dit dan zou oplossen. We hebben al een paar keren suggesties naar voren gebracht. Ik zal die suggesties nog eens herhalen.

We hebben al een paar keren gevraagd dat de minister ook de oudere 50-plussers die al lange tijd werkloos zijn te activeren. Daarnaast hebben we steeds op het knelpuntprobleem in onze arbeidsmarkt gehamerd. We zijn overigens niet de enigen. Uit heel wat studies blijkt dat de spanningsindicator blijft dalen. We doen dan ook opnieuw de oproep de mogelijkheden van een knelpuntpremie te onderzoeken. Ondanks de stijging van het aantal werklozen worden heel wat vacatures niet ingevuld. Die premie zou hiervoor kunnen zorgen.

Minister, we vragen u opnieuw de mogelijkheden van de knelpuntpremie, die in het verleden al eens is ingevoerd, te onderzoeken en op die manier ervoor te zorgen dat de openstaande vacatures ingevuld geraken.

Mijnheer Watteeuw, wat het tenderbeleid betreft, sta ik hier zeker voor open. Momenteel neemt de raad van bestuur echter dergelijke beslissingen. Ik ben voor het behoud van een tenderbeleid om de kennis van de markt in te schakelen en om de flexibiliteit te organiseren. Dat zijn de gekende elementen. We moeten dit echter punt per punt blijven bekijken. Indien dit uw vraag was, kan ik die onderschrijven. Dat is evenwel de rol van de raad van bestuur.

Mevrouw Peeters, de premie voor 50-plussers bestaat al langer en wordt nu verfijnd. Dat is, zoals u overigens ook zelf hebt verklaard, een element van de activering van de 50-plussers.

Wat de knelpuntpremie betreft, ben ik het helemaal niet eens met u. Er zijn voldoende opleidingen voor knelpuntberoepen. Uit de cijfers blijkt dat dit groeit. Nu leidt 70 procent van de gevolgde knelpuntopleidingen naar werk. Na een bevraging van de mensen die na een opleiding niet aan het werk zijn gegaan, is gebleken dat dit vooral om hun gebrek aan ervaring gaat. Dat betekent dat 70 procent aan het werk gaat en dat 30 procent, naar eigen zeggen vanwege een gebrek aan ervaring, niet aan het werk gaat. Die mensen willen echter nog steeds werken. Blijkbaar wil de werkgever hen vanwege hun gebrek aan ervaring niet aanwerven. Volgens mij zijn we beter met een individuele beroepsopleiding dan met een premie. Dat is dan ook wat we momenteel doen.

We mogen overigens niet vergeten dat een premie heel wat dead weight met zich zou meebrengen. Ik ben het dan ook helemaal oneens met uw voorstel met betrekking tot een knelpuntloonpremie die allicht zelfs de Europese discriminatietoets niet zou doorstaan. Maar ook inhoudelijk ben ik het hier fundamenteel mee oneens.

Güler Turan

Minister, ik wil nog even inpikken op wat de heer Laurys over de tewerkstelling van allochtonen heeft gezegd en wat u hierop hebt geantwoord. Het klopt dat u de allochtonen te weinig vermeldt. Maatregelen met betrekking tot de ongekwalificeerde uitstroom, het werkplekleren en de IBO’s zijn op zich van toepassing op iedereen. De realiteit is echter dat we volgens de OESO rapport na rapport de slechtste van de klas blijven. In 2010 hebben we een slecht rapport gekregen en in 2012 hebben we er weer eentje gekregen.

Ik volg u dat u dat voorlopig nog niet specifiek wilt benoemen, maar ik vraag uw bijzondere aandacht om erop toe te zien dat het resultaat er wel komt en we de tewerkstelling van een deel van onze bevolking, niet geboren in België, ook voor ogen hebben. Als u uw doelstelling van het Pact 2020 wilt halen, moeten we daarvoor specifiek oog hebben. Dank u wel.

In verband met de sociale economie is het Maatwerkdecreet helemaal klaar om goedgekeurd te worden dor de regering. Dat zal op heel korte termijn gebeuren. We zullen de timing kunnen halen die we drie jaar geleden hebben vooropgesteld, als we de komende weken en maanden even hard blijven doorwerken, en dat zal zeker mogelijk zijn.

De doelstelling van duurzame tewerkstelling wordt benadrukt door dat decreet. Dan heb ik het zowel over tewerkstelling in maatwerkbedrijven, wat voor sommige mensen een finaliteit zal zijn, als over doorstroom. We geven mensen de kans om in te stromen via de sociale economie, maar dankzij die rugzak die het rendementsverlies zal opvangen, kunnen ze ook in een onderneming buiten de traditionele sociale economie aan de slag, met terugkeergarantie. Heel belangrijk is dat we de mensen duidelijk maken dat voor beide opties plaats is in het nieuwe decreet: we geloven zowel in kansen op doorstroom als in duurzame tewerkstelling op de plek zelf voor mensen voor wie doorstroom geen echte mogelijkheid is.

Ik moet daarvoor mijn collega’s in de regering en het parlement, meerderheid en oppositie, danken. Het gaat om een bijzonder grote hervorming, die al jaren in de steigers staat en al door de vorige regering werd geambieerd. Ik ben er echt van overtuigd dat we er deze legislatuur, over de grenzen van de partijen heen, in zullen slagen die hervorming te laten lukken. Dat zal veel mensen met moeilijke kansen op de arbeidsmarkt veel meer kansen geven. Ik beloof u er verder hard aan te werken en wil u danken voor uw medewerking.

De voorzitter

Leefmilieu, Natuur en Energie

We bespreken nu het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie.

Mevrouw Eerlingen heeft het woord.

Tine Eerlingen

Voorzitter, ministers, collega’s, Vlaanderen stelt ambitieuze doelstellingen voorop wat betreft zijn milieu- en natuurbeleid. De realisatie ervan is voor Vlaanderen echter niet altijd evident. Vlaanderen is, zoals we allemaal weten, zeer productief en sterk geïndustrialiseerd, en is daardoor ook een materiaal- en energie-intensieve regio. Daarnaast hebben we een hoge bevolkingsdichtheid. Ondanks deze factoren valt op dat het milieu- en natuurbeleid doorheen de jaren op een aantal vlakken toch serieuze stappen vooruit heeft gezet. Het is niet altijd snel meetbaar, soms duurt het langer, maar er worden wel degelijk stappen vooruit gezet. De minister schuift voor het komende werkjaar opnieuw een aantal belangrijke werkpunten naar voren. Ik wil een viertal punten aanhalen.

De komende jaren zal de opmaak en de implementatie van het Vlaams klimaatbeleidsplan 2013-2020 sterk in het oog springen. Alle betrokken beleidsdomeinen zullen concrete maatregelen moeten implementeren om de Vlaamse uitstoot van broeikasgassen te beperken. Daarnaast moeten in het adaptatieplan strategieën uitgetekend worden die ons voorbereiden op de onvermijdelijke gevolgen van de klimaatopwarming. Ik verwijs naar de studie van het onderzoeksteam CcASPAR die recent is verschenen, waarin wordt bevestigd dat er meer stormen zullen komen, meer en hevigere regenval, lange periodes van droogte en een stijgende zeespiegel.

Voor de N-VA moeten de reductiedoelstellingen inzake klimaat binnen België eerlijk verdeeld worden op basis van kostenefficiëntie en potentieel. Ook de bijkomende maatregelen die in de betrokken beleidsdomeinen zullen worden uitgetekend, moeten daarop worden getoetst. Ik stel vast dat de minister uitgaat van dezelfde principes, wat ons uiteraard tevreden stemt.

De geplande aanpassing van het decreet Integraal Waterbeleid (DIWB) zal in 2013 gefinaliseerd worden. Daarmee moet een decretale basis gelegd worden om de weerkerende overstromingsproblemen beter te kunnen aanpakken. Aanpassingen inzake planning en beheer van het waterbeleid dringen zich op. Daarnaast moet er ook voor gezorgd worden dat overstromingsgevoelige gebieden maximaal gevrijwaard worden, zodat de buffercapaciteit voor water op peil blijft en, waar nodig, zelfs vergroot.

Ik wil hier toch ook even het lokale milieubeleid aanhalen en vooral de vorm die dat na 2013, bij het aflopen van de huidige samenwerkingsovereenkomst met de lokale besturen, moet krijgen. Er heerst grote onduidelijkheid bij de lokale besturen over welke taken van hen nog verwacht worden en in welke mate zij op het vlak van het milieubeleid nog ondersteund zullen worden. Ik wil de discussie die we hierover in de commissie voerden, niet overdoen, maar ik wil de minister wel uitdrukkelijk vragen om snel duidelijkheid te verschaffen naar de steden en gemeenten.

Inzake het thema geluid zijn er volgend jaar enkele belangrijke wijzigingen. Vanaf 1 januari 2013 zijn de nieuwe geluidsnormen bij muziekactiviteiten van kracht. Daarnaast zullen ook de geluidsactieplannen voor het weg- en het spoorwegverkeer en het luchtverkeer binnen afzienbare tijd afgerond worden. Voor de uitvoering van die plannen zullen – in samenspraak met uw collega’s – prioriteiten moeten worden gesteld.

Minister, het budget is ook voor het domein Leefmilieu en Natuur beperkt. We zitten in moeilijke tijden, en er wachten ons grote uitdagingen. Het is daarom des te belangrijker om de juiste keuzes te maken, de juiste prioriteiten te bepalen met maximaal rendement. We rekenen daarvoor op u, minister.

De voorzitter

De heer Reekmans heeft het woord.

Peter Reekmans

Voorzitter, minister, collega’s, eindejaars- en begrotingstijd: dat is kort achterom en vooral vooruit kijken. Wat in verband met het thema energie opvalt, is dat het zo actueel is – al maanden, eigenlijk het hele voorbije jaar. En we weten allen dat het item het komend kalenderjaar niet van de agenda zal verdwijnen in ons halfrond. Want ja, er loopt een en ander mis met betrekking tot energie in ons land.

Om te beginnen kun je nog steeds amper spreken van een energiebeleid in dit land. Ja, er zijn aanzetten daartoe vanuit deze regering, maar ook de Federale Regering spreekt op diverse onderdelen nog meer dan een stevig woordje mee. Dan zijn er al die typisch Belgische constructies van de intercommunales, die zogezegd de consecratie van de gemeentelijke democratie zijn. Laat ons in dit verhaal ook Europa niet vergeten: de regulatoren van divers pluimage en gewicht. Natuurlijk laten ook die relicten van Bonaparte zich niet onbetuigd: ook het provinciale bestuursniveau moeit zich met energie. En dan zouden we nog bijna vergeten dat er in een vrije economie nog andere spelers zijn: de producenten, de verkopers en de consumenten.

Collega’s, niet alleen de fel gestegen energieprijzen van de voorbije jaren nopen ons het energiethema strikter op te volgen. Het energiebeleid in dit land moet grondig en betekenisvol anders: helderder, met homogene bevoegdheidspakketten die logisch aaneensluiten, zonder overbodige bemoeiallen of procentenpakkers, maar met doortastendheid, met instellingen en diensten die aan de kant van de consument staan, en oog hebben voor duurzaamheid en lange termijn. Totaal anders dan vandaag dus. Eén gelijk distributietarief voor heel Vlaanderen, op een zo laag mogelijk peil: dat is de logica zelve, maar ook in 2013 zal dit alweer dode letter blijven. Netbeheerders die kostenbewust en efficiënt werken: ik kijk ernaar uit. Minister, ik apprecieer uw demarche in verband met het reduceren van het aantal beheersmandaten bij Eandis en Infrax zeer en oprecht, maar deze oefening kan nog beter. We hebben nood aan transparantie, en vooral maximale aandacht, aan zo goedkoop mogelijke consumentenprijzen.

Minister, isoleren en groen produceren krijgen terecht uw aandacht, en op een aantal aspecten is daar zeker nog veel ruimte tot verbetering, maar er zijn in onze regio ook grenzen. De internationale realiteit ligt ook al niet in handen van dit Vlaams Parlement. We moeten met andere woorden inzetten op wat we wél zelf kunnen doen, en dat beter doen! We moeten overtollige beheers- en bestuursstructuren niet alleen afbouwen, maar volledig elimineren. We moeten een eenvormig beleid uitwerken met overheden die op één lijn staan en zich niet uit elkaar laten spelen. We moeten haalbare voorstellen doen, en die intenties ook waarmaken. Niet waar, Vlaams Energiebedrijf?

Collega’s, nu de temperaturen buiten zakken, neemt de aandacht voor energiearmoede weer toe, maar die bekommernis zou permanent moeten zijn. Enkele jaren geleden bestond dat woord niet eens. Energiearmoede zou onze voorgangers compleet vreemd in de oren geklonken hebben. Vandaag zitten de wachtzalen van de OCMW’s vol, en de lokale adviescommissies (LAC’s) draaien overuren.

Er duiken telkens weer mensen op die nooit eerder in aanraking kwamen met betalingsmoeilijkheden en die nu kopje onder worden geduwd door ontsporende energiefacturen.

Minister, tijdens de laatste 30 seconden van mijn spreektijd wil ik ingaan op het probleem van mensen die vandaag gedropt worden bij de netwerkbeheerder omdat ze hun facturen niet betalen en uiteindelijk bij die netbeheerder terechtkomen en daar meer moeten betalen dan indien ze op de vrije markt terecht zouden kunnen. Ik dring erop aan dat er snel een beleidswijziging wordt doorgevoerd, zeker nu in de winter, als het allemaal heel cruciaal wordt, zodat die mensen, als ze gedropt worden, mee gebruik kunnen maken van de laagste prijs. Het is immers totaal irreëel dat mensen die hun facturen niet kunnen betalen, gedropt worden omdat ze niet kunnen betalen, en daarenboven niet kunnen genieten van de goedkoopste prijs. Minister, dat is mijn inbreng in dit debat. Mijn concrete vraag aan u is om aandacht te schenken aan die mensen en die problemen voor eens en voor altijd op te lossen.

De voorzitter

De heer Sanctorum is afwezig. Mevrouw Rombouts legt op dit moment de eed af als burgemeester van Hoogstraten bij de gouverneur van de provincie Antwerpen en wordt vervangen door de heer Bothuyne.

Voorzitter, ik stel voor straks de beide onderwerpen samen te bespreken.

De voorzitter

Ik wil u nu het woord geven omdat u de eerste CD&V-spreker bent. Tenzij u even wilt wachten.

Mevrouw De Vroe is afwezig wegens ziekte.

De heer Bothuyne heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, ik zal de twee onderdelen bundelen en beginnen met Leefmilieu en Natuur, een heel ruim beleidsdomein. Zorgen voor continuïteit is daarbij belangrijk, naast een aantal belangrijke nieuwe prioriteiten die moeten worden uitgewerkt tijdens de komende maanden en het komende jaar. Zoals mevrouw Eerlingen heeft aangehaald, is het nieuwe Vlaamse Klimaatbeleidsplan 2013-2020 belangrijk, met mitigatie- en adaptatiemaatregelen. We vinden het belangrijk en goed dat overleg werd gepleegd met alle stakeholders om een maatschappelijk draagvlak te creëren. Dat is een belangrijke sleutel tot succes.

Uiteraard verwachten we nu ook een concreet plan met concrete maatregelen. We vinden het alvast positief dat de basis is gelegd voor de oprichting van een Vlaams Klimaatfonds. Uiteraard is er heel wat werk op de plank. Alleen al de lasten- en lustenverdeling in de Belgische context is een belangrijk aandachtspunt en een prioriteit voor de komende weken en maanden.

Een tweede element inzake Leefmilieu is het waterbeleid. Ook daar heeft mevrouw Eerlingen al naar verwezen. De uitdagingen op dat vlak zijn groot. De vraag naar middelen is zo mogelijk nog veel groter. Het is niet evident om aan alle vragen tegemoet te komen. Vandaag is Vlaanderen al in orde met de richtlijn inzake stedelijk afvalwater. Om te voldoen aan de verplichtingen van de kaderrichtlijn Water moeten voldoende middelen verder worden ingezet. Voor de kleinere landelijke gemeenten is dat niet altijd evident. De minister heeft toegezegd om blijvend de gemeenten te ondersteunen voor de bouw van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) en collectoren. De vraag blijft echter heel groot.

Het is ook belangrijk vast te stellen dat uitvoering wordt gegeven aan de resolutie betreffende het beheersen van de wateroverlast. Zo is er een extra budget voor de aanleg van wachtbekkens. Ook wordt verder werk gemaakt van de erosiebestrijding. Er is echter nog een weg te gaan. We kijken dan ook uit naar de vereenvoudiging van de plannen en procedures in het kader van de herziening van het decreet Integraal Waterbeleid. Om alert te kunnen reageren en in te spelen op de noden mogen er geen logge structuren en instrumenten zijn, maar moet ook daadkrachtige inspraak en uitspraak georganiseerd worden.

Een laatste element van aandacht voor de komende maanden is voor onze fractie het mestbeleid. Uiteraard moeten we onze engagementen ten aanzien van Europa blijven nakomen. Tegelijkertijd moeten we ook de engagementen ten aanzien van de sector nakomen. In die zin is het positief dat jaarlijks 2,5 miljoen euro wordt vrijgemaakt voor de werking van het Coördinatiecentrum Voorlichting en Begeleiding Duurzame Bemesting, dat focust op de verbetering van de waterkwaliteit via de waterkwaliteitsgroepen.

2013 wordt een belangrijk jaar, met de tussentijdse evaluatie die zal plaatsvinden en die meteen de voorbereiding zal zijn voor de opmaak van het volgende, vijfde, Mestactieplan.

Er moet voor de lokale besturen duidelijkheid komen voor wat betreft de samenwerkingsovereenkomsten. De minister heeft hierover in de commissie al heel wat gezegd. Wij ondersteunen de fundamentele keuze om een aantal van die middelen te verschuiven naar de noodzakelijke investeringen in rioleringen.

Op het vlak van energie is er het voorbije jaar een en ander gebeurd, zoals de heer Reekmans al zei. Het is een zeer actueel onderwerp, ook in dit huis. Met het decreet op groene stroom en warmte-krachtkoppeling (WKK) is een goed investeringskader gecreëerd voor groene stroom vanaf 1 januari 2013. We kijken dan ook uit naar de concrete realisaties op het terrein.

Op dat terrein zien we een aantal gunstige evoluties. Er wordt steeds rationeler met energie omgegaan, zowel in de gezinnen als in de bedrijven. Op dat vlak is de nieuwe generatie convenanten, die de minister samen met de minister van Economie heeft aangekondigd, een heel belangrijk signaal.

Ook op het vlak van groene stroom was 2012, ondanks alle commotie, een vruchtbaar jaar. Uiteraard was er het probleem met de bubbel die was ontstaan rond de zonnepanelen. Alle andere groenestroomsectoren hebben in 2012 een zeer vruchtbaar jaar gekend. We hopen uiteraard dat dat zich doorzet.

Het energiearmoedebeleid bewijst zijn nut gezien het dalende aantal afsluitingen van elektriciteit en aardgas. Uiteraard zijn er nog aandachtpunten, de heer Reekmans verwees er terecht naar.

De marktwerking evolueert in positieve zin, met een lagere concentratiegraad en een stijgend aantal consumenten die bewust omgaan met de energiefactuur. De V-test en het Vlaamse beleid op dat vlak zijn daar een heel belangrijke oorzaak van.

Er zijn uiteraard nog een aantal uitdagingen voor de komende maanden en jaren. Ik noem er enkele, wij hebben er in de commissie al veel meer over kunnen zeggen.

We moeten ons voorbereiden op de nieuwe bevoegdheid inzake tarieven. Zowel organisatorisch als inhoudelijk moeten er dringend knopen worden doorgehakt, zodat we, als Vlaanderen vanaf 2015 bevoegd wordt voor de nieuwe tariefstructuur, daar volledig klaar voor zijn. We moeten gebruik maken van de federale voorhoede die eventueel naar Vlaanderen kan komen om de staatshervorming te realiseren als het gaat over energie.

Ook de groene warmte is een prioriteit. Ook daar blijft in Vlaanderen nog heel veel potentieel onbenut. U wilt het ondersteuningsmechanisme voor grootschalige groenewarmteprojecten van de grond krijgen. De Europese houding in dezen – we worden een beetje geboycot – valt te betreuren. De vraag kan worden gesteld of we via investeringssteun niet veel sneller de groenewarmteprojecten van de grond kunnen krijgen en daarin vooruitgang boeken.

De studie over de onthaalcapaciteit van de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) concludeert dat wij onze doelstellingen op het vlak van groene stroom tegen 2020 kunnen verwezenlijken. Wij kunnen op dat vlak ook heel wat kosten besparen bij de uitbouw van onze netinfrastructuur. We moeten met die studie rekening houden in ons groenestroombeleid maar ook in ons beleid inzake ruimtelijke ordening.

Ook energie-efficiëntie wordt in 2013 een heel belangrijk onderwerp. We moeten op Vlaams niveau uitvoering geven aan de Europese richtlijn. Er zijn de problemen inzake energiedeskundigen en het centraal examen. Wij hebben begrepen dat u op onze lijn zit wat betreft het openstellen van dat examen voor actieve energiedeskundigen. Wij moeten ervoor zorgen dat ons energie-efficiëntiebeleid bij de gezinnen de nodige geloofwaardigheid heeft.

Voor het laatste element verwijs ik naar de discussie over de studie over 100 procent hernieuwbare energie in 2050 die we ook gisteren al voerden. Jammer genoeg is de heer Sanctorum er nu niet. De. Het is technisch haalbaar, zij het, volgens VITO, in een extreem scenario. We moeten enerzijds niet focussen op de ideologische fetisj van 100 procent groen, maar anderzijds ook niet op de kosten die dat met zich meebrengt.

Het lijkt me belangrijk dat we in Vlaanderen nu werk maken van een positieve businesscase voor groene stroom op lange termijn, verder dan 2020. Uiteraard moet het aandeel van groene stroom en groene warmte in onze energievoorziening sterk toenemen. De gemaakte studie is op dat vlak een eerste, goede voorzet. Minister, ik kijk ernaar uit te vernemen hoe u verder werk wilt maken van dat kader op langere termijn, hoe u die discussie vorm zult geven.

Uw beleidsbrief is veelbelovend en ambitieus. Er ligt heel veel werk op de plank. U zult in de CD&V-fractie een partner vinden om daar effectief werk van te maken. (Applaus bij CD&V)

De voorzitter

De heer Martens heeft het woord.

Bart Martens

Voorzitter, minister, geachte leden, laat me beginnen met het onderdeel energie. Minister, daar hebben we belangrijke hervormingen doorgevoerd. Wat hernieuwbare energie en decentrale opwekking betreft, wordt 2013 het jaar van de uitvoering. Ik denk ook dat de resultaten daar zijn. Ondanks de hervormingen die we hebben doorgevoerd, zijn de investeringen in 2012 immers niet stilgevallen. Integendeel, er is nog nooit zoveel hernieuwbare energie, groene stroom in Vlaanderen geproduceerd als vandaag.

We kijken ook uit naar het beleid dat wordt ontwikkeld qua groene warmte. Europa moet inderdaad nog toestemming geven voor de exploitatiesteun die we voor groene warmte in het vooruitzicht hebben gesteld, ook voor het recupereren van restwarmte in de industrie die vandaag verloren gaat in de atmosfeer. Belangrijk is in dit verband ook dat de ecologiepremie is aangepast, zodat ook warmtenetten in aanmerking kunnen komen voor investeringssteun. Belangrijk is ook de Europese Energie-efficiëntierichtlijn, die alle lidstaten oplegt om tegen 2015 het potentieel van restwarmtebenutting, van warmtenetten in kaart te brengen. Minister, we moeten daar niet op wachten. Volgend jaar en het jaar daarop kunnen we al een soort warmteatlas maken, naar Nederlands voorbeeld, om het aanbod aan restwarmte en de vraag naar warmte ruimtelijk in kaart te brengen en te bekijken waar er potentieel is voor warmtenetten.

Ook met betrekking tot het leefmilieu ligt er heel wat op de plank. Dan richt ik me tot minister Schauvliege. Ook voor Leefmilieu wordt 2013 het jaar van de waarheid, denk ik. Mevrouw Eerlingen had het al over het klimaatbeleidsplan. Dat moet een vervolg krijgen. Minister, u weet dat dit plan dit jaar afloopt. We hopen op een snel vervolg, waardoor we er, vooral door interne maatregelen, in zullen kunnen slagen om de CO2-reductiedoelstellingen die ons werden opgelegd, te kunnen halen. In onze commissie hebben we daarover een zeer goede discussie gehad. De diverse vakministers die instaan voor de gebouwensector, voor de landbouwsector, voor de mobiliteits- en transportsector hebben er uiteengezet welke aanvullende maatregelen zij eventueel kunnen nemen om die kloof die er nog altijd is, te dichten. We hopen dat de Vlaamse Regering snel een akkoord bereikt over die aanvullende maatregelen en dit in een nieuw klimaatbeleidsplan giet, dat een vervolg kan zijn op het huidige plan.

Ook op het vlak van de natuur ligt er nog heel wat werk op de plank. Heel wat engagementen uit het Vlaamse regeerakkoord zijn nog niet ingevuld. We moesten instandhoudingsdoelstellingen opmaken voor de Europees beschermde habitats. Van Europa moest dat eigenlijk al twee jaar geleden zijn gebeurd. We menen toch dat de instandhoudingsdoelstellingen voor de 46 Europees beschermde habitats voor het zomerreces moeten zijn goedgekeurd, temeer daar we zien dat men vandaag slechts voor 3 van de 46 habitats al een goede staat van instandhouding heeft. Het regeerakkoord stelt dat tegen 2015 het grootste deel van de maatregelen moet zijn gerealiseerd om al de habitats in een goede staat van instandhouding te brengen. Dat betekent dus dat er toch een aanzienlijke versnelling nodig is van het beleid ter zake.

Een betere bescherming van historisch permanente poldergraslanden was ook een verbintenis uit het regeerakkoord die nog moet worden uitgevoerd. Er zijn de bijkomende stadsrandbossen: ook dat wacht nog op uitvoering. Als ik de nieuwe Bosbarometer lees die vandaag is uitgekomen, dan meen ik dat we ter zake niet langer mogen wachten. Als ik die Bosbarometer mag geloven, dan is het bosareaal er in 2011 zelfs op achteruitgegaan in plaats van vooruit. Dat betekent dat we ook wat dit betreft een tandje zullen moeten bijsteken om de doelstellingen van het regeerakkoord te halen en de beloftes van stadsrandbossen waar te maken. Ook wachten we nog altijd op het actieplan met betrekking tot zonevreemde bossen.

In het regeerakkoord stond dat de gebieden onder effectief natuurbeheer zouden toenemen met 3000 hectare per jaar. Maar dat ritme halen we niet. Dat betekent dat ook hier een inhaalbeweging nodig is. Er moesten per jaar voor minstens 1000 hectare erkende reservaten bij komen. We zitten nu gemiddeld aan ongeveer 400 hectare per jaar. Dat betekent dat we ook die doelstelling niet halen. En dat is niet omdat er geen wachtlijsten zijn, minister. Er ligt 2300 hectare te wachten op erkenning. We hopen dat u snel tot beslissingen kunt overgaan, om het regeerakkoord ook op dat vlak te kunnen realiseren.

Tot slot wil ik het nog over water hebben. In onze resolutie rond de wateroverlastproblematiek hebben wij bewarende maatregelen gevraagd om het waterbergende vermogen in overstromingsgevoelige gebieden te garanderen. Wij hopen dat dat in het nieuwe decreet op het integrale waterbeleid wordt uitgevoerd.

Marleen Van den Eynde

Minister, u bent een kampioen in het gekke bekken trekken. Ik heb het u in de commissie al eens gezegd: wij kunnen zo aan uw gezicht aflezen of u ergens mee akkoord gaat of niet. En daarnet trok u nogal een gek gezicht toen de heer Martens verwees naar de Boswijzer. Ik weet dat u de cijfers en bevindingen van de Boswijzer niet ernstig neemt. U verwijst zelf altijd naar de Bosbarometer, die op een andere manier meet dan de Boswijzer. Misschien kunt u die twee instellingen eens met elkaar in contact brengen, want ze komen blijkbaar tot andere resultaten.

Feit blijft dat u nog een zeer grote achterstand hebt in te halen inzake bosuitbreiding. Behalve het meer toegankelijk maken van bossen en dergelijke meer, zie ik hierover weinig initiatieven in uw beleidsbrief.

Mijnheer Reekmans, er zijn twee zaken uit uw betoog waar ik evenzeer bezorgd om ben, maar waar ik niet bevoegd voor ben. Ik treed er wel over in overleg met de federale overheid. Het gaat over hoe de nettarieven precies worden gevormd. U pleit al een tijdje voor één tarief. Zoiets zou geleidelijk aan inderdaad kunnen op een aantal vlakken. REG-premies zouden gelijk kunnen worden uitgevlakt over heel Vlaanderen. Na de zesde staatshervorming krijgt Vlaanderen daar meer bevoegdheden. Stel dat de federale overheid daar nu geen werk van maakt – wat ik mij kan inbeelden, wanneer zij weten dat die bevoegdheid wordt overgedragen – dan kan Vlaanderen dat over enige tijd wel zelf doen.

U deed ook een voorstel met betrekking tot gedropte klanten. U weet dat ook daar het tarief dat netbeheerders moeten aanrekenen, wordt vastgelegd door de CREG. De CREG doet dat op basis van een besluit van de Federale Regering. Mijn collega Johan Vande Lanotte heeft mij beloofd om daar een aantal wijzigingen in aan te brengen. Hij zal daarbij op zoek gaan naar het midden tussen een zo laag mogelijk tarief voor mensen die gedropt worden, zonder evenwel het tarief het laagste van de markt te maken, omdat dat mensen zou kunnen uitnodigen om rekeningen niet te betalen, om zo gedropt te worden, om zo gebruik te kunnen maken van dat tarief. Daar moeten we verstandig mee omgaan. Maar ik heb het altijd een aberratie gevonden dat men nu het gemiddelde neemt van de hoogste tarieven en de duurste contracten.

Mijnheer Bothuyne, er zijn vorig jaar grote stappen gezet met betrekking tot de marktwerking. Veel mensen zijn veranderd van leverancier. Maar er zijn toch nog redelijk wat historische klanten. Mensen die ten tijde van de vrijmaking van de markt aan een energieleverancier zijn toegewezen en die nog nooit van contract zijn veranderd, kunnen nog steeds een aanzienlijk voordeel doen door de voor hen meest voordelige leverancier te kiezen. Ik zoek momenteel uit op welke manier wij daarvoor zouden kunnen zorgen. Ik overweeg om die mensen op maat een V-test te bezorgen, opdat zij perfect zouden kunnen inschatten welk voordeel zij kunnen doen per jaar als ze wisselen. Daar is dus nog wat activering op de markt mogelijk. De vraag is hoe we dat precies kunnen doen, maar ik wil daar zeker nog werk van maken in de komende periode.

Ik wil zeer graag de staatshervorming voorbereiden met de federale voorhoede. Persoonlijk hoop ik ook op een aantal mensen uit de CREG. U weet dat de verloning bij de CREG anders ligt dan bij de VREG. Dat zal dus misschien niet zo eenvoudig zijn, maar misschien kunnen we daar met collega Bourgeois en de federale overheid tot een vergelijk komen, opdat dat toch mogelijk zou zijn.

Groene warmte is een belangrijke bezorgdheid van de heer Martens. Dat vind ik terecht. We kunnen enorme winst boeken op zoveel vlakken, zowel economisch als ecologisch, als we daar echt vorm aan geven.

De houding van Europa in dit dossier valt te betreuren, maar hoe dan ook gaan wij door.

Mijnheer Botuyne, u suggereert om exploitatiesteun om te vormen naar investeringssteun. Het voordeel van exploitatiesteun is natuurlijk dubbel. Men kan redelijk wat projecten opstarten en gedurende tien jaar die steun dan toekennen. De budgetten zijn daarop voorzien. Verder kan men er met exploitatiesteun voor zorgen dat iets geëxploiteerd blijft. Met investeringssteun kan men opstarten, maar heeft men veel minder vat op wat er daarna gebeurt met een installatie. Als het dus enigszins kan, houd ik graag vast aan de exploitatiesteun. We zullen doen wat nodig is om groene warmte te kunnen opstarten.

U vraagt hoe we omgaan met de studie die is gemaakt over hernieuwbare energie op lange termijn. Het Vlaams Energieagentschap (VEA) maakt volgend jaar een actieplan hernieuwbare energie zodat we ook concrete stappen kunnen zetten. Studies zijn interessant en belangrijk en het beleid kan erop gebaseerd worden, maar er is nog een belangrijke stap tussen studie en beleid, en dat is een concreet actieplan van een administratie.

Peter Reekmans

Minister, ik heb die opmerking een tijdje geleden gemaakt in het kader van een actuele vraag. Het is inderdaad zo dat de Vlaamse Regering vandaag niet bevoegd is voor de nettarieven. De Vlaamse Regering kan vandaag wel sturen in het verhaal van de nieuwe netvergoeding met betrekking tot de zonnepanelen.

Minister, ik wil u vragen om vanuit de Vlaamse Regering een signaal te geven aan de CREG dat het niet opgaat dat ze de netvergoedingen gedurende twee jaar laat voortgaan aan de huidige tarifering op een ogenblik dat er een bijkomende netvergoeding komt door de zonnepanelen. Ze kan onmogelijk blijven zeggen dat ze de netvergoedingen die ze vandaag hanteert, nog altijd nodig heeft omwille van de hoge kost van zonnepanelen als ze net dat afwimpelt door een aparte netvergoeding voor zonnepanelen in te voeren. Het komt erop neer dat Eandis en Infrax bijkomende vergoedingen genereren op de kap van de modale consument. Ik weet dat u daar niet voor bevoegd bent, maar als deelstaatminister moet u een duidelijk signaal geven aan de CREG dat beide samen niet kunnen.

Mijnheer Reekmans, ik ben het deels met u eens. De distributienetbeheerders dienen een voorstel in voor die netvergoeding. De CREG heeft een afwijkend voorstel goedgekeurd. Het verschilt per netgebied. Het is echter verdedigbaar in die zin dat het voordeel dat men doet met die zonnepanelen in die duurdere netgebieden, ook groter is. U weet dat men steeds op voorhand inschat hoeveel extra zonnepanelen er bijkomen. Dat verrekent men in het meerjarentarief dat al een tijdlang loopt. Men onderschat dat altijd waardoor er achteraf geld moet worden bijgehaald, enkel en alleen bij mensen zonder zonnepanelen. Dat is niet rechtvaardig. We spreiden die kost in de toekomst eerlijker. Door die kost door te rekenen aan zonnepaneelbezitters zorgen wij er minstens voor dat de niet-zonnepaneelbezitters niet opnieuw worden geconfronteerd met een tariefstijging voor een daaraan voorafgaande periode.

Mogelijks – en ik hoop dat maar durf dat niet te voorspellen – kan dat ook zorgen voor een daling van de facturen. Als Eandis of Infrax daardoor meer inkomsten zouden hebben dan nodig om de werkelijke kost te dekken, dan moeten zij dat teruggeven aan de consumenten. Wie meer heeft betaald gedurende de afgelopen periode, moet een terugstorting krijgen. Ik durf u niet te beloven dat dat gebeurt omdat ik denk dat zelfs met die extra vergoeding van de zonnepaneelbezitters nog altijd de historische kost uit het verleden niet gemakkelijk om dragen zal zijn. Maar als er over is, dan moeten zij dit terugstorten aan de consument.

Peter Reekmans

Het is logisch dat het bij een daling naar de consument moet gaan. Het gaat dan weer over de historische kosten van Eandis en Infrax. Minister, uw partijgenoot, federaal minister Vande Lanotte, heeft op 1 mei gezegd dat de dividenden die aan de gemeenten zijn uitgekeerd, gigantisch hoog waren. Eandis en Infrax kunnen niet blijven schermen met de historische kosten die ze moeten inhalen. Dan hadden ze de voorbije jaren maar iets minder vergoedingen moeten uitbetalen en daarmee hun historische kosten moeten betalen. Het gaat hier over verdoken gemeentebelastingen, waar de modale consument steeds meer onder kreunt. Ik ben het beu dat Eandis en Infrax blijven afkomen met historische kosten die ze hebben gemaakt en die ze nog moeten ruimen. Ik ben benieuwd naar de dividenden die er nu aankomen voor de gemeentebesturen.

Over de samenwerkingsovereenkomst hebben we een gedachtewisseling gehad in de commissie. Ik heb de prioriteiten na 2013, dus vanaf 1 januari 2014, bekendgemaakt. Het gaat over CO2-uitstoot, over lucht, geluid, materialenbeheer, bodemerosie en biodiversiteit. Gemeenten kunnen op basis daarvan projecten voorstellen. Er is een budget vrijgemaakt van 9 miljoen euro waar de gemeenten kunnen op intekenen. 1 miljoen euro zal ter beschikking staan van de provincie. De rest van het budget dat nu is gepland, 13 miljoen euro, zal naar de rioleringen gaan. Dat is zo opgenomen in het witboek Interne Staatshervorming.

Sommigen hebben erop gewezen dat het belangrijk is dat er in een aantal dossiers in 2013 vooruitgang wordt geboekt. De heer Martens heeft die opgesomd. De regering heeft al enkele van die dossiers behandeld, zoals de instandhoudingsdoelstellingen (IHD), die op kruissnelheid zitten. Europa ziet ons als een voorbeeld. De commissie heeft uitdrukkelijk bevestigd dat de manier waarop we de IHD’s aanpakken een voorbeeld is voor de rest van Europa, omdat we alle stakeholders samenbrengen en zo een groter draagvlak creëren. Eens de IHD’s er zijn, zullen die ook beter worden gedragen en sneller worden uitgevoerd.

We werken ook verder aan de stadsrandbossen. We hebben er al veel middelen in geïnvesteerd, en dat begin je te merken. Ik verwijs naar het Parkbos in Gent, maar ook de Vinderhoutse bossen, waar absoluut vooruitgang wordt geboekt.

Iets anders dat werd aangehaald, is de erkenning van reservaten. Daar hangt een kostenplaatje aan. Op dit ogenblik is er geen overschot aan middelen in de Vlaamse Regering, integendeel. We zijn allemaal op zoek naar middelen. Als u daarvoor oplossingen hebt, mijnheer Martens, dan zou dat zeer welkom zijn en zouden we meer stappen vooruit kunnen zetten.

Mevrouw Van den Eynde, ik vind het opmerkelijk dat u vanuit de oppositie zegt dat ik te veel bekken zou trekken, terwijl Groen, meer bepaald de heer Caron, altijd zegt dat ik te weinig emotie toon. Ik veronderstel dat de waarheid ergens in het midden ligt. Misschien kunnen we daarover straks van gedachten wisselen.

U vraagt hoe het zit met de Bosbarometer. Ik ben het inderdaad niet eens met de conclusie van BOS+ in verband met de Bosbarometer omdat de cijfers die ze gebruiken, niet correct zijn. Wat zit er niet in die cijfers? De spontane bebossing, bebossing op militaire domeinen, de beekvalleien, bebossing zonder subsidies, bebossing die we zelf doen met het Agentschap Natuur en Bos, maar ook bebossing die gebeurt door terreinbeherende verenigingen. Dat is allemaal niet opgenomen in de Bosbarometer.

Hoe willen we dat verhelpen? Er is nooit een nulmeting geweest. Ik heb dat aangepakt van bij de start van deze legislatuur. Ik heb in 2011 een Boswijzer laten opstellen. We hebben met het Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen (AGIV) een cartering opgemaakt. Voor het volledige grondgebied in Vlaanderen hebben we uitgezocht hoeveel bos er ligt. Er werd rekening gehouden met de hoogte van de bomen om zeker te zijn dat het om echte bossen gaat. We hebben dus een nulmeting van 2011. Om de twee jaar, dus eind 2013, zullen we voor de eerste keer op een volledig objectieve en neutrale manier kunnen zeggen hoe het staat met de bebossing, wat het verschil is tussen 2011 en 2013. Die Bosbarometer moeten we met veel omzichtigheid benaderen. Ik maak me sterk dat de Boswijzer het welles-nietesspelltje tussen wat BOS+ zegt en wat wij zeggen, voor eens en voor altijd ophoudt. Vanaf dan zullen we voor eens en voor altijd objectieve gegevens hebben.

We hebben veel gedaan voor het bos. We hebben het Boscompensatiefonds vrijgemaakt. Er zit 39 miljoen euro in. 32 miljoen euro daarvan is geïnvesteerd in herbebossing, nieuw aangelegde bossen dus. We hebben de lokale besturen gevraagd om projecten in te dienen en ze hebben dat massaal gedaan. We stellen dit ook open voor verenigingen. We hebben het soepeler gemaakt voor privé-eigenaars zodat ze geen vergunning meer moeten hebben om zelf hun terreinen te bebossen. We hebben ook ingezet op extra stadsrandbossen.

Ik wil er ook op wijzen dat er in Vlaanderen niet massaal veel ruimte is om alles te doen. We hebben zowel natuurdoelstellingen als bebossingsdoelstellingen. Er is soms spanning tussen die twee doelstellingen. Voor het creëren van heide moet soms ontbost worden. Deze doelstellingen zijn ook opgenomen in het natuurbeleid en worden opgelegd vanuit Europa.

Mevrouw Van den Eynde, ik betreur een beetje de communicatie van BOS+. Ze zijn een van onze partners, samen met een aantal natuur- en bosverenigingen, die subsidies krijgen om zelf mee te bebossen. Ik vind het bijzonder betreurenswaardig dat ze nu communiceren alsof er niets gebeurt, terwijl ze zelf een partner zijn die er iets aan kan doen op het terrein.

Bart Martens

Minister, hun persbericht is wel degelijk genuanceerd. Wat er goed is, geven ze aan met groene smileys. Het feit dat het Boscompensatiefonds is opengesteld voor lokale overheden, het feit dat het bebossen van landbouwgebieden gemakkelijker is gemaakt door het wegvallen van het bindend advies van Landbouw, vinden ze goed. Ze geven dus zeer genuanceerde berichten.

De discussie over hoe groot het bosareaal nu is, moeten we eens in de commissie voeren, op basis van uw Boswijzer. Wat mij betreft, kan dat samen met de mensen van BOS+. Op basis van officiële gegevens – en we kunnen die cijfers toch niet ontkennen –, stelt BOS+ toch vast dat er de voorbije 11 jaar 2610 hectare legaal ontbost werd waarvan 1102 hectare via ministeriële ontheffing. Men kan toch niet naast die cijfers kijken. Als je die cijfers legt naast de 10.000 hectare bijkomende bosgebieden die in het regeerakkoord stonden, dan is dat toch een groot verschil. We kunnen toch ook niet naast het feit kijken dat die 10.000 hectare bijkomende bosgebieden op de bestemmingsplannen, niet gehaald worden. We hebben nog een enorme achterstand in te halen. Dat is toch een nuchtere vaststelling die we samen met de bossector kunnen maken. Ik stel voor dat we die discussie verder uitdiepen in de commissie op het moment dat ook de Boswijzer, uw karteringsoefening, klaar is en dat we dan vaststellen welke achterstand we nog moeten inhalen.

We hebben ook alle kansen gegeven om op een meer consensuele manier met alle betrokken actoren te komen tot een gedragen invulling van de instandhoudingsdoelstellingen. Ik heb gemerkt dat voor 14 van de 46 habitatgebieden de Vlaamse Regering een eerste principiële goedkeuring heeft gegeven. We hopen dat we met die 46 instandhoudingsdoelstellingen voor het zomerreces ook kunnen landen. Het is een aanmoediging voor uw beleid. We hopen dat de landing kan worden ingezet voor alle Europees beschermde habitats.

Collega Martens, u verwijst naar de ontheffing en de cijfers die vandaag door BOS+ zijn gelanceerd. Ik wil benadrukken dat de ontheffing vooral in woongebieden gebeurt voor bouwgronden waarop mensen willen bouwen. Als u aangeeft dat het in de toekomst niet meer mag, dan moet daar wel iets tegenover staan. Het gaat ook over industriegebieden en natuurlijk ook landbouwgebieden. Bedrijven willen investeren in gebieden die zijn ingekleurd als industriegebied, ook al ontstaat er spontane bebossing. Hetzelfde geldt voor landbouwgebieden. Als er een landbouwactiviteit moet plaatsvinden, is het logisch dat er ook toestemming komt om die bebossing te verwijderen.

Als men over ontheffing spreekt, moet men ook genuanceerd zijn en moet men zeggen dat het vooral over bouwgrond gaat, industrieterreinen en landbouwgrond. Ik vind het bijzonder normaal dat als er een vraag van een particulier komt om daar te bouwen – uw fractie pleit voor betaalbaar wonen, mijnheer Martens – dat die bouwgronden dan kunnen worden gebruikt. Voor woongebied, industrie en landbouw denk ik dat het normaal is dat daar ook een ontheffing op wordt verleend.

De voorzitter

Economie, Wetenschap en Innovatie

Dames en heren, we bespreken nu het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie.

De heer Watteeuw heeft voor de laatste keer het woord.

Filip Watteeuw

Mijnheer Van Rompuy, ik heb me laten inspireren door de positieve kerstsfeer in de toespraak van de heer Vereeck. Ik heb me ook voorgenomen om positief te zijn in mijn betoog. Ik ga geen liedjes zingen van ‘De goede tijden zijn daar’.

Minister-president, ik heb de voorbije drieënhalf jaar genoeg gefulmineerd, ik ga dat nu niet doen. Ik wil wel een aantal zaken naar voren brengen waarop ik terugkijk en ook zaken voor de toekomst.

Ik meen dat de voorbije drieënhalf jaar in de commissie Economie de boeiendste debatten zijn gevoerd over het industrieel beleid. Er was het witboek, het groenboek en een conceptnota van mijn fractie waarover goede debatten zijn gevoerd. De industrie is zo belangrijk voor Vlaanderen. We moeten daar echt oplossingen voor vinden. Ik vind dat we dat debat niet intensief genoeg hebben gevoerd. Dat is niet uw verantwoordelijkheid, maar evenzeer onze verantwoordelijkheid. We laten ons natuurlijk heel graag als parlementsleden onder druk zetten om te scoren in de media. Ook ik heb daaraan meegedaan en dat zal in de toekomst niet veranderen. Ik maak me daar geen begoochelingen over. Voorzitter, we laten ons ook dikwijls te veel opsluiten in het carcan van het Reglement. Als we echt willen gaan voor het Nieuw Industrieel Beleid in Vlaanderen, dan moeten we dergelijke debatten meer en intensiever voeren. Eigenlijk zouden we in de commissie Economie bijna om de twee weken echt intensief over die zaken moeten kunnen debatteren.

Er dienen zich nu ook een aantal thema’s aan waarover we die debatten moeten voeren. Ik heb vorige week in de commissie Economie een voorstel van resolutie over nanotechnologie besproken, dat ikzelf heb ingediend. Het debat is toen niet volledig uitgeput. Dat is ook weer een zodanig veelbelovend iets waar we het debat over moeten voeren. We moeten vermijden dat we in een patstelling terechtkomen zoals met de genetisch gemanipuleerde organismen, waarbij we in een stellingenoorlog komen met voorstanders en tegenstanders en waar geen uitkomen meer aan is. Dat moeten we vermijden voor zoiets veelbelovends als nanotechnologie, waar ongelooflijk veel voordelen aan verbonden zijn, maar waar ook een aantal zaken aan verbonden zijn waar we bezorgd over moeten zijn. We moeten dat debat nu voeren, om te vermijden dat we die opportuniteiten missen.

Een tweede thema waarvan we het debat heel intens moeten voeren in het parlement is de biogebaseerde economie. Mijn voorstel van resolutie is klaar. Ik weet niet of ik het zelf nog zal indienen of het zal gunnen aan mijn opvolger, maar het maatschappelijk debat is in ieder geval begonnen. Er zijn al een aantal debatten gevoerd, maar ook hier in het parlement moeten we, regering en parlementsleden, daarover durven spreken. Het is niet omdat het woordje bio wordt gebruikt, dat het per definitie duurzaam is en per definitie CO2-neutraal. Voor alles wat te maken heeft met biomassa zou je eigenlijk een soort regeling moeten hebben waarbij je biomassa eerst gebruikt voor voedsel, dan voor grondstoffen en dan pas voor energie, waarbij energie nog eerst gaat voor zaken als vergisting en dan pas verbranding. Dat moet je goed in het oog houden, maar je moet dat debat wel voeren. Als je dat debat niet voert, dan krijg je weer die patstelling en die stellingenoorlog waarbij er wordt geworsteld voor het eigen grote gelijk. Daar zijn wij in Vlaanderen niet mee gediend.

Sas van Rouveroij

Voorzitter, ik laat de kans niet aan mij voorbijgaan om de heer Watteeuw hier voor de laatste keer te onderbreken. In Gent zal dat iets moeilijker zijn, daar behoren we tot dezelfde meerderheid.

Mijnheer Watteeuw, u zei dat in de beslissingsladder de eerste vraag is of we biomassa gebruiken voor voedsel. Dat betekent dus dat de tweede en derde generatie de goedkeuring van Groen wegdragen, als het bijvoorbeeld gaat over stro?

Filip Watteeuw

Als die niet in concurrentie treedt met de voedselvoorziening en met het voorzien in grondstoffen, dan kan het inderdaad. Absoluut. Nu is dit in de praktijk vaak niet het geval, dat weet u ook. Het is niet omdat wordt geschermd met termen zoals tweede, derde en vierde generatie, dat het in orde is. Het is noodzakelijk om er heel voorzichtig mee om te gaan. Ook wat nu wordt verkocht als biomassacentrales en verbrandingscentrales en waarvan men zegt dat ze niet voor voedselvoorziening noch voor grondstoffenresten zijn, resten van bijvoorbeeld bossen die gebruikt worden voor papier, heeft ecologische implicaties. We moeten die ecologische implicaties iedere keer bekijken. Het beste zou zijn om deze discussie nu, vooraf, te voeren en dat we alles vooraf duidelijk maken, dat is mijn punt.

We moeten ook bezig zijn met alles wat te maken heeft met de economie van de nabijheid. Ik heb het dan niet over de klassieke verankering, maar over hoe we een economie kunnen omschakelen zodat die gericht is op de lokale gemeenschap – dit is natuurlijk breder dan het dorp, het gaat over regio’s – zodat de transporten kunnen verminderen en alles wat ecologischer wordt. Dit is ook economisch interessant, kijken we maar naar wat de firma Melotte doet in Zonhoven. De firma kwam onlangs nog spreken op een congres van Voka. De firma richt zich echt op de eigen regio en concurreert niet met producenten in Amerika of Azië. De firma gaat puur voor Europa, dat levert ook voordelen op in de kostenstructuur. Er is wel een en ander mogelijk.

Als we echt willen inzetten op de transformatie van de Vlaamse economie naar een duurzame economie, moeten we daar op alle vlakken intensiever mee bezig zijn: op het vlak van budgetten, op het vlak van concepten, maar eerst en vooral op het vlak van debatten. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Fournier is niet aanwezig.

De heer Deckmyn heeft het woord.

Voorzitter, minister-president, collega’s, volgens het IMF zal Duitsland, de grootste economie van Europa, in 2013 een jaarlijkse groei optekenen van 0,9 procent. Zoals iedereen weet, is dat minder dan oorspronkelijk verwacht werd. Hetzelfde geldt voor verschillende landen in de eurozone, de groeiverwachtingen werden overal naar beneden bijgesteld. Ook bij ons zijn de cijfers alvast niet erg hoopvol. Daarom vraag ik me ook dit jaar af of onze groeiverwachtingen niet te positief werden ingeschat.

U bent ook bijzonder optimistisch met uw stelling dat het aantal ondernemingen in het Vlaamse Gewest verder toeneemt. U vergelijkt 2012 met 2005 en stelt een stijging van 16 procent vast. Ik heb dit in de commissie reeds gezegd: met cijfers kan men veel bewijzen, maar ik stel vast dat we de laatste jaren vooral geconfronteerd worden met een heel sterke stijging van het aantal faillissementen, met trouwens een erg grote piek in het najaar van 2012. Een stijging van het aantal ondernemers die gepaard gaat met een nog grotere stijging van het aantal faillissementen, is wat mij betreft echt geen goede zaak te noemen.

Naar aanleiding van de recente federale begroting stelde de ondernemerswereld trouwens in koor dat hier zeker geen bijkomende jobs zullen worden gecreëerd en dat het aantal faillissementen zeker niet zal dalen, wel integendeel. Het zijn trouwens niet meer de directe, consumentgerichte sectoren die de eerste klappen opvangen, het zijn vooral de sectoren die daaraan leveren, die volop de gevolgen voelen.

Vlaanderen beschikt over te weinig bevoegdheden om een performant beleid in het voordeel van de ondernemers te voeren – het is niet de eerste keer dat ik dit zeg. Het is jammer dat diverse partijen in deze regering, die in het kader van de zesde staatshervorming nochtans betrokken partij waren, veel te weinig essentiële bevoegdheden voor het economisch beleid naar Vlaanderen wisten te trekken. Vooral op het vlak van de loonlasten vertoont Vlaanderen een serieuze handicap.

En ondertussen zakt het ondernemersvertrouwen. Volgens een studie van human resourcesbedrijf Tempo Team zegt een derde van de kmo’s in ons land onvoldoende sterk te staan om de crisis te overleven. Twee op de drie zegt ook dat het “barslecht” gesteld is met het ondernemingsklimaat in België.

Ook UNIZO deed dit jaar een rondvraag bij meer dan duizend zelfstandigen, kmo’s en vrije beroepen. Daaruit bleek dat nog geen 20 procent van de kmo’s zich optimistisch durft uit te spreken over wat komen gaat. Hun verwachtingen voor 2013 zijn verre van rooskleurig. Dit zijn vaststellingen die we al een tijdje maken, maar te gronde verandert er niet veel.

Ik stelde vorig jaar reeds dat ik het positief vind dat men aandacht heeft voor het stigma dat zelfstandigen krijgen bij faillissementen. Iedereen verdient een tweede kans, maar bij zelfstandigen is dat vaak niet het geval. Armoede bij (ex-)zelfstandigen is daar vaak het gevolg van. Het initiatief rond de vzw Zenitor toont bijgevolg aan dat dit een probleem is dat blijvend moet worden opgevolgd.

Ook dit jaar worden bijkomende investeringen gedaan. De steun aan vzw Tussenstap wordt verhoogd tot 200.000 euro en de vzw EFREM krijgt een werkingssubsidie van 100.000 euro. Dat is zeker positief. Ook het feit dat er wordt gestreefd naar een fusie van beide vzw’s kan de slagkracht alleen maar ten goede komen. Toch zag de vzw Tussenstap, die bedrijven in moeilijkheden helpt, de hulpvraag dit jaar met maar liefst 40 procent stijgen. Van 1346 dossiers vorig jaar stegen deze dit jaar naar 1727. Het kan dus zeker beter als het hulp aan zelfstandigen betreft. Ik ben trouwens niet alleen met mijn zienswijze. Ook mevrouw Turan stelde naar aanleiding van een actuele vraag vorige week, vanuit de meerderheid, dat inzake armoedebestrijding bij zelfstandigen de regering toch wat steken laat vallen.

Over Gigarant hebben we de afgelopen maanden al enkele debatten gevoerd, onder meer omtrent het dossier rond Alfacam en de discussie die de Vlaamse Regering hieromtrent voerde met de bankensector en met de werkgeversorganisaties. Kmo’s en startende ondernemingen blijven het moeilijk hebben met het financieren van hun investering. De waarborgregeling is dus zeker een nuttig instrument dat op een doordachte manier moet worden ingezet.

De beleidsbrief stelt terecht dat de vele maatregelen die de overheid ter beschikking stelt om de financiering van kmo’s te ondersteunen, nog steeds te weinig gekend zijn bij ondernemers. Wat me hierbij stoort, is dat men die vaststelling al jaren maakt, maar dat er ter zake niet echt veel verandert. Ik vrees dus dat we deze vaststelling de komende jaren nog vaak zullen horen zonder veel verandering.

Inzake meer en sterker ondernemerschap wilt u maatregelen nemen die prestarters en starters goed voorbereiden op het opstarten van een onderneming. Op zich vind ik dat zeker een goede zaak. Ik heb in het verleden trouwens al vaak gewezen op het feit dat we ter zake tot een betere wisselwerking tussen onder andere ondernemingen en het onderwijs moeten komen.

Toch scoren we ook op het vlak van starters slecht. De eerste tien maanden van 2012 telde UNIZO in Vlaanderen liefst 7,5 procent minder starters dan in dezelfde periode vorig jaar. Dit is de sterkste daling sinds het begin van deze meting in 2005. Opnieuw ligt het gebrek aan vertrouwen in de economie aan de basis van de aarzeling van kandidaat-ondernemers om een nieuwe zaak op te starten.

Over de strategische investeringssteun, die ook in deze beleidsbrief besproken wordt, wil ik nog eens herhalen dat we een constante evaluatie willen van het huidige kader waarin de Vlaamse Regering beslist om strategische investeringssteun toe te kennen aan Vlaamse bedrijven. We hebben hieromtrent in het verleden naar aanleiding van concrete dossiers reeds debatten gevoerd.

We moeten dus het systeem van strategische investeringssteun blijvend opvolgen en waar nodig bijsturen. We moeten trouwens ook blijvend nagaan of de strategische investeringssteun in Vlaanderen voldoende inspeelt op de krachtlijnen van het Nieuw Industrieel Beleid. Dat nieuwe beleid slaat trouwens nog niet echt aan. De heer Watteeuw heeft gelijk: we moeten hieromtrent doeltreffender debatten aangaan.

In het hoofdstuk omtrent een efficiënte en effectieve overheid komt het federale bestuursniveau uiteraard ter sprake. Daar zien we dat men het heeft over de zesde staatshervorming en over een aantal economische bevoegdheden die aan de deelstaten zullen worden overgedragen. Over hoe dit allemaal concreet zal gebeuren, qua timing en inhoud bestaat er nog grote onduidelijkheid. Dat werd vorige week trouwens bevestigd naar aanleiding van een actuele vraag van collega Van Hauthem omtrent elementen uit die zesde staatshervorming. Zoals ik hier vaak moet herhalen, blijft het Vlaams Belang voorstander van de maximale regionalisering van de economische bevoegdheden, zodat we een beleid kunnen voeren dat perfect aansluit bij de noden die er in Vlaanderen ter zake bestaan.

De zesde staatshervorming is op dat vlak opnieuw een gemiste kans. Indien we een performant economisch beleid willen voeren dat op maat van onze Vlaamse bedrijven en hun werknemers is gesneden, zal die staatshervorming een pak verder moeten gaan. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Ceysens is verontschuldigd.

Mevrouw Turan heeft het woord.

Güler Turan

Voorzitter, wat het innovatiebeleid betreft, kan ik enkel stellen dat we blij waren dat tijdens de begrotingscontrole voor een groeipad is gekozen. Ondanks de verschillende moeilijkheden wordt dat groeipad aangehouden. Investeringen in innovatie zijn des te belangrijker in economisch moeilijke tijden. In een concurrentieel en geglobaliseerd Europa is het heel belangrijk de ondernemingen de mogelijkheden te bieden om nieuwe markten te veroveren of om de concurrentie het hoofd te bieden. Dit is belangrijk voor Vlaanderen in de huidige wereld.

De beleidsbrief Economie van de minister-president bevat een aantal grote onderdelen. Spijtig genoeg, komt het er elk jaar op neer de bedrijven door de crisis te leiden. Daarnaast gaat het om meer en sterker ondernemerschap, om meer groene economie, om groeiende ondernemingen en om meer innovatieve en kennisintensieve economie. Die punten dragen uiteraard onze steun weg. Een aantal van de aandachtspunten die ik had genoteerd, zijn al door voorgaande sprekers aangekaart. Het zijn moeilijke tijden. De ondernemers bevinden zich in moeilijkheden.

De minister-president heeft verklaard dat al mijn wensen in feite zijn vervuld. Op papier is dat voorlopig het geval. Ik vind het belangrijk dat beleidsmakers een visie ontwikkelen en goed op papier zetten. We moeten natuurlijk ook naar de uitvoering kijken. De hulpaanvragen van ondernemers in moeilijkheden nemen toe. Dit heeft de Vlaamse Regering ertoe gebracht na te denken over wat ze meer zou kunnen doen.

Ten eerste is er het bankenplan. De conceptnota is goedgekeurd. We hebben hier in de verenigde commissies uitvoerig over gediscussieerd. Globaal beschouwd, lijkt het me een goed en nuttig plan. Het is cruciaal dat de bedrijven de middelen niet krijgen, maar de middelen wel kunnen vinden om te investeren.

Voorstellen die groei en banen kunnen bevorderen, bieden hoop. Dit geldt niet enkel voor de ondernemers zelf, maar ook voor de duizenden jongeren die zonder werk zitten en voor de mensen die net zijn ontslagen. Ik denk hierbij aan de werknemers van Ford Genk, maar ook aan de werknemers van de toeleveringsbedrijven. We krijgen elke dag slecht nieuws over hen.

Een tweede actie die de minister-president recent heeft genomen en die ons zeer tevreden stemt, is het faillisementspreventiebeleid. De crisis blijft aanslepen. Het aantal faillissementen ligt hoog. Eindelijk wordt nu werk gemaakt van een ernstig faillissementspreventiebeleid. In januari 2013 volgt een projectoproep. Er is in niet minder dan 5 miljoen euro voor de ondernemers in nood voorzien.

Ik heb het vorige week met minister Muyters over het sociaal interventiefonds gehad. Dat fonds is bedoeld om ondernemers naar werk te begeleiden. Dit slaat op een ander deelaspect dan de preventie van faillissementen.

Volgens mij zijn een aantal goede keuzes gemaakt. We moeten al die plannen nu ook uitvoeren. Ik wil echter nog een klein puntje aanhalen. Ook in verband met het bankenplan en het preventief bedrijfsbeleid wil ik de minister-president vragen de werknemersorganisaties niet te vergeten. Een faillissement brengt niet enkel voor de ondernemers drama’s met zich mee. Er zijn telkens ook duizenden werknemers bij betrokken.

Om af te sluiten wil ik nog op een blijvend pijnpunt wijzen. We beschikken over verschillende maatregelen, waaronder de flankerende maatregelen om ondernemers te steunen. Ik zal alle maatregelen in de beleidsbrief niet opsommen. De goede maatregelen die zijn genomen, zijn een zaak. Dit alles effectief tot bij de ondernemer en de gebruiker brengen, is een andere zaak.

De voorzitter

De heer Diependaele heeft het woord.

Matthias Diependaele

Minister-president, minister, ik beperk mij tot de algemene lijnen. Ik heb ook maar vier minuten, dan is het moeilijk om in detail te gaan.

Economie en innovatie zijn zonder twijfel de grootste uitdagingen voor onze Vlaamse welvaart de komende jaren. Niet enkel de Vlaamse, maar de hele Europese economie staat onder druk. Gisteren kreeg ik het tweede cahier Industrie en Innovatie in Europa, dat het Vlaams-Europees Verbindingsagentschap (Vleva) uitwerkte, met onder andere een bijdrage van de minister-president en de Europese commissaris voor industrie Tajani. Het cahier probeert de synergieën duidelijk te maken tussen ons Vlaamse beleid en het Europese beleid.

Ik heb het in alle eerlijkheid nog niet helemaal gelezen, maar het is duidelijk dat die twee beleidsniveaus op elkaar afgestemd moeten worden. Ook het federale beleid zou er een plaats in moeten krijgen. Ik ben nog altijd ontgoocheld dat werd geweigerd om in te gaan op het voorstel van de minister-president om rond de tafel te gaan zitten over een gedragen relancebeleid.

Het Europese beleid vraagt, ondanks de besparingen, om te blijven investeren in die domeinen waar we groei nodig hebben. Deze Vlaamse Regering doet dat ook. We blijven investeren in innovatie met het groeipad, waarnaar mevrouw Turan heeft verwezen, in onderwijs, in infrastructuur en nog enkele zaken.

De inpassing in het Europese beleid heeft twee gevolgen voor uw beide beleidsdomeinen. Voor Innovatie betekent het vooral dat we niet het warm water moeten uitvinden. We moeten wel duidelijke keuzes maken, waarbij we uitgaan van de sterktes die nu al aanwezig zijn in ons Vlaamse innovatielandschap. Die keuzes zijn gemaakt, onder andere in de conceptnota Innovatiecentrum Vlaanderen, en daar moeten we aan vasthouden.

Ten tweede moeten we ook zorgen dat we voldoende flexibel blijven. De snelle veranderingen en nieuwe economische en maatschappelijke uitdagingen die op ons afkomen, vragen een grote wendbaarheid van ons beleid. We moeten onszelf dan ook voortdurend in vraag stellen en durven bij te sturen als de omstandigheden daarom vragen. Het invoeren van de lichte structuren moet hier een antwoord op bieden. Ik besef maar al te goed dat het niet altijd even evident is voor de organisaties die daardoor worden getroffen, maar het houdt ons ook alert in de competitieve omgeving die innovatie per definitie is.

In het kader van die flexibiliteit herhaal ik mijn opmerking die ik in de commissie maakte dat het jammer is dat we zo lang hebben gewacht op de aanbevelingen van het tweede rapport-Soete om te beginnen aan de uitvoering, terwijl we dat ook al voor een deel konden op basis van de conclusies van het eerste rapport.

Als laatste punt wil ik het nog even hebben over het bankenplan. Mevrouw Turan heeft het er ook al overgehad. Vorige week hadden we een zeer interessante hoorzitting in de commissie. Het grootste deel van de discussie ging over de vraag of er al dan niet een credit crunch is, of er al dan niet moeilijkheden zijn voor ondernemingen om kredieten te krijgen. We hebben verschillende cijfers gezien, maar eigenlijk doet maar één cijfer er echt toe: de weigeringsgraad die Febelfin zelf naar voren heeft gebracht. Dat hebben ze niet tijdens de hoorzitting gedaan, maar op het moment van de hoorzitting hebben ze een persmededeling gestuurd. In vergelijking met december vorig jaar worden 40 procent meer aanvragen tot kredieten geweigerd. Dat rechtvaardigt natuurlijk de inspanning van de Vlaamse Regering om het bankenplan op poten te zetten.

Ik wil een belangrijke nuance geven: het gaat niet om een schuldvraag. Het punt is helemaal niet of de banken hieraan schuld hebben. De banken worden op dit moment overspoeld door heel strenge maatregelen die ze moeten volgen van Europa. Dat zorgt voor een moeilijke follow-through. We hebben het wel degelijk nodig.

Economie en innovatie zijn beleidsdomeinen met een verpletterende verantwoordelijkheid voor onze Vlaamse welvaart. Het is hier dat we moeten zorgen voor manieren om mensen aan het werk te houden, voldoende welvaart moeten creëren om te voldoen aan de welzijnsnoden van onze mensen, om kwalitatief onderwijs te kunnen aanbieden enzovoort. Het komende jaar moeten we absoluut verder gaan met het beleid dat is ingezet, om de nodige hervormingen door te voeren, zodat we ongeschonden of zo weinig mogelijk geschonden uit de crisis geraken. Dank u wel.

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Ik moet beginnen met collega Fournier te verontschuldigen in dit debat. Ze legt vandaag de eed af als burgemeester in Menen. Ik zal aspecten van haar uiteenzetting meenemen in mijn betoog. Het gaat over economie en innovatie, en de toestand is inderdaad ernstig, maar negativiteit helpt ons hierbij niet vooruit. Op basis van de uiteenzetting van collega Deckmyn lijkt vanuit het Vlaams Belang alles, op een aantal aspecten na, te bestaan uit doemberichten over onze economie. Nochtans is het net belangrijk dat we – ook vanuit dit huis – een stuk vertrouwen proberen te creëren.

Ik denk dus dat doemdenken hier niet op zijn plaats is, en vertrouwen net heel belangrijk. Daarom begin ik mijn betoog met erop te wijzen dat we wel degelijk resultaten boeken met dit beleid. Als ik kijk naar de economie, dan zien we het succes van de kmo-portefeuille, van de Winwinlening, van ARKimedes en van de waarborgregelingen. Keer op keer zijn het instrumenten die duidelijk hun nut bewijzen, en die vorig jaar meer dan ooit zijn gebruikt.

Dit neemt niet weg dat er heel wat uitdagingen zijn. Collega Watteeuw verwees al naar het noodzakelijke debat over het Nieuw Industrieel Beleid. Ik denk dat we inderdaad in 2013, na twee jaar Nieuw Industrieel Beleid, een ernstige evaluatie moeten maken van waar we staan, en wat we de komende maanden en jaren prioritair willen verwezenlijken met deze Vlaamse Regering. De industrie heeft een toekomst in Vlaanderen en wij hebben een belangrijke verantwoordelijkheid om die maximaal te ondersteunen.

De Vlaamse Regering heeft duidelijk al maatregelen op het spoor voor het bankenplan. Kmo-financiering is een probleem, en collega Diependaele verwees er al naar. Bestaande instrumenten worden geoptimaliseerd, worden verbeterd ingezet, en er worden een aantal nieuwe instrumenten in stelling gebracht. Ik kijk bijvoorbeeld uit naar wat crowdfunding kan betekenen voor onze Vlaamse kmo’s.

Er zijn uiteraard een aantal ondernemers en ondernemingen in moeilijkheden – hier sluit ik aan bij het betoog van collega Turan. De Vlaamse Regering en de Vlaamse minister van Economie maken extra middelen vrij, voor onze fractie is dat heel belangrijk. EFREM en Tussenstap hebben ondertussen bewezen dat zij een belangrijke rol kunnen vervullen voor ondernemers in moeilijkheden en dat ze kunnen zorgen voor een doorstart voor die mensen in hun carriere als ondernemer of als werknemer, en dat is een heel belangrijke beleidsdoelstelling.

Het laatste punt betreffende de economie is de winkelnota, waarbij we uitkijken naar de beslissing die de Vlaamse Regering deze week zal nemen. Daarbij wordt financiële ondersteuning vrijgemaakt, en de lokale besturen zullen de nodige instrumenten in handen krijgen om een ruimtelijk economisch winkelbeleid te voeren. Ik denk dat dit een heel belangrijk en positief aspect is van ons economisch beleid in Vlaanderen.

Wat Innovatie betreft, kreeg ik de voorbije weken vrij positieve signalen. Ik ga u drie signalen geven. De Europese Commissie schatte Vlaanderen in als een hoog innovatieve, leidende regio in Onderzoek en Ontwikkeling. Ik kreeg gisteren de cijfers op een schriftelijke vraag aan u minister, en daaruit blijkt dat de aanvragen van bedrijven voor O&O-steun bij het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) eigenlijk op recordniveau zitten. Op 2009 na, zal 2012 het jaar worden waarin bedrijven meer dan ooit de weg vinden naar het IWT en meer dan ooit ondersteund worden om innovatieprojecten op te starten.

Vorige week was er het VRWI-colloquium. Er wordt soms smalend gedaan over de innovatieregiegroepen en de grote overlegrondes die over innovatie worden georganiseerd, maar ik stel toch vast dat die sectoren daar heel tevreden over zijn. Dat leidt meteen tot de uitdaging voor deze Vlaamse Regering en voor u, minister, om de conclusies die zij hebben ingediend om te zetten in concrete projecten en in concrete acties die voelbaar zijn op het terrein. Aangezien deze Vlaamse Regering consequent blijft kiezen voor een groeipad in middelen voor O&O, zijn wij alleszins van plan om ook het komende jaar een partner te zijn in dit beleid. We hebben actie op het terrein nodig, en we zijn ervan overtuigd dat die er ook zal komen. (Applaus)

De voorzitter

Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters

Ik wil collega Watteeuw feliciteren met zijn schitterende uiteenzetting. Ik heb dat de afgelopen 3,5 niet zo vaak gezegd – ik denk nog nooit. (Gelach)

Ik wil dit hier toch uitdrukkelijk doen. Niet omdat hij weggaat – of zoals u suggereert, voorzitter, dat ik applaudiseer omdat hij weg is, neen –, maar wel omdat hij zeer pertinente dingen heeft gezegd die ik zeer apprecieer.

Het belangrijkste is dat hij een oproep heeft gedaan om over heel belangrijke dossiers heel uitgebreid te discussiëren. Ik ga daar heel graag op in. Hij heeft het Nieuw Industrieel Beleid vernoemd, de biogebaseerde economie, de economie van de nabijheid enzovoort. Dat zijn heel belangrijke thema’s, waarover de Vlaamse Regering en ikzelf heel graag van gedachten wisselen met het parlement omdat het zo’n belangrijke impact heeft op de toekomst van Vlaanderen. Dat daarover verschillen zijn tussen de oppositie en de meerderheid, maar ook binnen de meerderheid, dat moet kunnen, zeker als het gaat over dergelijke belangrijke dossiers. Mijnheer Watteeuw, ik hoop dat u ook in Gent kunt oproepen tot dialoog. Zoals u weet, zijn we graag bereid om vanuit Vlaanderen met Gent in debat te treden, zeker als het over domeinen gaat waarover we iets te zeggen hebben.

Mijnheer Deckmyn, u hebt een aantal zaken herhaald die u in de commissie hebt gezegd. Naar aanleiding van een vraag van de heer Sannen heb ik vorige week onderstreept dat het aantal faillissementen, spijtig genoeg, een recordhoogte heeft bereikt in 2012. Het ziet ernaar uit dat in 2013 het aantal faillissementen sterk zal toenemen. Dat moet echter ook worden afgezet tegen het aantal starters, het aantal bedrijven. Dat is natuurlijk iets dat we in de gaten moeten houden. Als ik me niet vergis, heeft de man van Graydon gisteren of eergisteren onderstreept dat het stijgend aantal faillissementen ook samenhangt met het aantal nieuwe ondernemingen, dat bijvoorbeeld in 2011 zeer aanzienlijk was. Dat is een eerste bedenking die ik hier nog eens wil herhalen.

Dat wil niet zeggen dat we het aantal starters niet als absoluut uitgangspunt moeten nemen. We moeten sterke starters hebben, die ook crisissen kunnen doorstaan. Ze moeten goed zijn opgeleid, ze moeten een goede vorming krijgen. Ik ben deze week naar de avant-première van ‘Crème de la Crème’ gaan kijken. Op 7 januari wordt de serie op VTM uitgezonden. Drie vrouwen worden ondernemer. Ik hoop dat ze als rolmodel kunnen dienen. We hebben ook nood aan meer vrouwelijke ondernemers. Nu is dat één op drie. Dat moet minstens op 50 procent worden gebracht.

Mevrouw Turan heeft terecht verwezen naar EFREM en Tussenstap, maar ook naar het recente initiatief, de oproep die in januari wordt gelanceerd, waarbij we proberen ondernemingen die in moeilijkheden dreigen te komen, bij te staan en te voorkomen dat ze failliet gaan. Dat heeft natuurlijk ook betrekking op de werknemers. Mevrouw Turan, ik heb het nagevraagd. Ik heb begrepen dat de werknemersorganisaties ook bij deze oproep werden betrokken en dat daarover geen misverstand bestaat dat ze dat ondersteunen.

Dan is er de problematiek van waarborgen enzovoort. U hebt nogmaals verwezen naar Alfacam. Laten we hopen dat het dossier op het einde van het jaar wordt opgelost, zodat u het niet meer moet citeren. Wat dat betreft, is het hout vasthouden, want het is niet allemaal zo evident en gemakkelijk.

De belangrijkste inbreng was die over de zesde staatshervorming. Daarover verschillen we van mening. De Vlaamse Regering bereidt zich volop voor om die in Vlaanderen te implementeren. Ze zal een bijkomende boost geven aan de mogelijkheden die we hebben om een goed beleid te voeren. Ik ken uw stelling. Ik zal ze niet herhalen. Daarover is een duidelijk verschil, wat op zich geen probleem is.

Mevrouw Turan en de heer Bothuyne zijn ingegaan op het bankenplan. Ook de heer Vereeck, die er nu niet is, heeft dat gedaan met de tot nu toe de sterkste uiteenzetting over het bankenplan. Er is ruimte gelaten, ook voor de voorzitter van de commissie, om daarover te spreken.

Daarover was wat commotie. Wij hadden een conceptnota goedgekeurd, en het parlement had zich daarover nog niet gebogen. Maar ik vind dit een goede manier van werken. De Vlaamse Regering keurt een conceptnota goed. Dat is de visie van de Vlaamse Regering, die vervolgens het onderwerp kan uitmaken van een debat in de commissie en in het Vlaams Parlement. Bij de verdere afhandeling houden wij met die elementen rekening. Dat is een goede werkwijze, die ook in andere domeinen kan worden voortgezet. Het gebeurt niet vaak dat wij felicitaties krijgen. Dat gebeurde in het commentaarstuk van De Tijd. U herinnert zich dat nog allemaal. De journalist van De Tijd was lovend. Dat is iets om in te lijsten. Dat hebben wij dan ook gedaan. (Gelach)

Dat valt nog mee. Ik heb ook een grote muur. (Gelach)

Het bankenplan moet natuurlijk aantonen dat het ook op het terrein werkt. We hebben de discussie of er nu al dan niet een ‘credit crunch’ is. We zitten in economisch barre tijden. Als we de kmo’s aan langetermijnkredieten kunnen helpen, is dat een bijkomend instrument. Er is natuurlijk geld genoeg, maar als je er niet aan geraakt omdat de voorwaarden streng zijn, is er een kredietenschaarste voor kmo’s. Laat ons de discussie of er nu al dan niet een ‘credit crunch’ is achter ons laten. Ik roep daartoe op. Laat ons kijken of we de instrumenten die wij inzetten, effectief werken. Als een instrument niet werkt, moeten wij het herzien. Dat is zo gegaan met de groene waarborg. Ik heb daar geen probleem mee. Een silverbulletmaatregel voor de situatie waarin vooral de kmo’s zitten, is er niet. Wij moeten elke keer in goed overleg trachten te kijken hoe we dat aanpakken.

Mevrouw Turan, voor heel wat maatregelen is de communicatie inderdaad belangrijk. Zeker als het gaat over kmo’s. Het Agentschap Ondernemen heeft bijkomende maatregelen getroffen. Een van de mogelijkheden is het 0800-nummer. Wij hebben al een 1700-nummer. We zijn volop aan het onderzoeken hoe we de communicatie ten aanzien van die doelgroep nog beter kunnen stroomlijnen.

Mijnheer Bothuyne, u had het terecht over de winkelnota. Ook daarover zullen we in de schoot van de Vlaamse Regering beslissingen nemen en daar dan over communiceren.

De voorzitter

Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten

Collega’s, ik dank jullie voor jullie aandachtspunten. Ik wil in de commissie zeker ook bekijken hoever we staan met de uitvoering van de rapporten-Soete I en II. Ook met het rapport-Soete II zijn er heel wat zaken opgestart. We kunnen in de commissie zeker tijd vrijmaken om daarover met elkaar te praten.

Mijnheer Bothuyne, de innovatieregiegroepen beginnen inderdaad goed te werken. Er zijn nu heel wat suggesties aangedragen voor het beleid, niet alleen voor mij maar ook voor mijn collega-vakministers. We zullen bekijken hoe we zo goed mogelijk met die suggesties kunnen omgaan. Er is in de sectoren een groot draagvlak. We moeten daarop voortbouwen om de vergroening van onze economie voort te zetten.

De voorzitter

Collega’s, we gaan vanmiddag – na de actuele vragen – verder met het beleidsdomein Financiën en Begroting.

Samenstelling van de commissies
Regeling van de werkzaamheden

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.