U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking (Voortzetting)

Dames en heren, aan de orde is de voortzetting van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2013, het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2013 en het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2013.

De voorzitter

Cultuur, Jeugd, Sport en Media

We bespreken het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media. We verwelkomen de ministers Lieten, Schauvliege en Muyters. Is minister Smet onderweg? (Opmerkingen van minister Ingrid Lieten)

Ach zo, die is verontschuldigd. Dan moet hij het maar uitvechten met mevrouw Werbrouck, die het over Jeugd wou hebben.

De heer Vandaele heeft het woord.

Voorzitter, ministers, een jaar na het in werking treden van de nieuwe beheersovereenkomst met de VRT is het medialandschap nog steeds in volle beweging. De Vlaamse Regulator voor de Media zal in 2013 voor het eerst rapporteren over de uitvoering van de nieuwe beheersovereenkomst.

Minister, een stokpaardje van ons is de aandacht voor Vlaamse en Nederlandstalige muziek, en we hebben de indruk dat de VRT de nieuwe bepalingen echt ter harte wil nemen. De VRT zal in 2013 een aantal nieuwe maatregelen nemen, die doen vermoeden dat de openbare omroep echt wil inzetten op de ondersteuning van de hele Vlaamse muzieksector. Dat is belangrijk voor ons. En voor u blijkbaar ook.

Het probleem van de regionale omroepen is nog niet van de baan. Vorig jaar werden we in het kerstreces verblijd met de boodschap dat er onder uw impuls een akkoord werd bereikt tussen Telenet en de regionale omroepen over het conflict rond de auteursrechten. De betalingen van Telenet aan de omroepen zouden gradueel verminderen, waardoor er wat tijd was om een oplossing ten gronde te zoeken. Vandaag zijn we een jaar verder en wachten we nog steeds op de conclusies van de werkgroep en op een oplossing ten gronde.

De landelijke omroepen kijken ook weer naar dit parlement om de problemen die zij hebben met de distributeurs met betrekking tot de signaalintegriteit en het uitgesteld kijken, op te lossen. Distributeurs en omroepen kunnen niet zonder elkaar, dus je zou verwachten dat zij proberen om er samen uit te raken, elkaar te begrijpen, tot een gemeenschappelijk gedragen oplossing te komen. Maar niet dus. Ook het voorstel van decreet dat hier ter tafel ligt, waarvan we dachten dat het de partijen zou aanzetten tot enige spoed, volstaat blijkbaar niet. Ik neem aan dat de parlementaire bespreking van het voorstel van decreet in commissie zal komen, met hoorzittingen en gedachtewisselingen.

De voorbije jaren zijn er heel wat middelen gevonden voor nieuwe media-initiatieven, onder meer 4 miljoen euro voor het Mediafonds, 550.000 euro voor het Gamefonds, 700.000 euro voor projecten rond diversiteit. Zoals ik al in de commissie heb gezegd, vind ik het jammer dat er geen extraatje naar het Fonds Pascal Decroos kon gaan, dat de onderzoeksjournalistiek stimuleert.

In 2016 moet het nieuwe radiolandschap worden uitgetekend. Een grondige hervorming is noodzakelijk, minister. De meeste lokale radio’s zitten in een slechte situatie. De reclame-inkomsten zijn sterk teruggelopen, het zendgebied is vaak te klein om economisch rendabel te zijn en de radio’s worden geconfronteerd met storingen. Daarover hebben we het vorige week al gehad. Nu wordt er een behoefte- en marktanalyse van het Vlaamse radiolandschap uitgeschreven. Tegen midden volgend jaar wilt u de conclusies hiervan hebben. Het uitwerken van een nieuw frequentieplan zal een lange onderhandeling vergen met de buurlanden en met de Franse Gemeenschap. Er moet dus nog veel werk worden verzet tegen 2016. We vrezen een beetje, minister, dat u die deadline niet zult halen.

Nog iets over cultuur. De transitie van de opera en van het ballet naar een enkele instelling is aan de gang. Voor dit dossier wordt 2013 een belangrijk jaar. De veranderingen, begeleid door diverse werkgroepen, moeten nu echt vorm krijgen. We hopen dat het parlement hierover goed wordt ingelicht, want deze vrij complexe materie is belangrijk voor Vlaanderen.

Het afgelopen jaar was er een nieuwe subsidieronde in het kader van het Kunstendecreet. Daar komen we in 2013 op terug. Minister, u hebt gevraagd dat de steunpunten, de belangenbehartigers en de hele sector sneller een eigen evaluatie zouden maken van het Kunstendecreet. Hopelijk kan de commissie het decreetgevend werk baseren op deze evaluaties. U wilt daarbij ook de discussie over de verfondsing nog eens voeren. Ons standpunt over fondsen is intussen bekend. Wij vinden dat fondsen kunnen voor projecten en voor de ondersteuning van individuele kunstenaars. Als het er echt op aankomt, moet de politiek echter de eindverantwoordelijkheid blijven dragen.

Een volzin om te besluiten: vanuit de culturele hoek – of beter, vanuit een bepaalde culturele hoek – wordt de N-VA weleens verweten onvoldoende belang te hechten aan cultuur. Welnu, collega’s, ik denk dat onze houding in dit parlement, ook in de commissie, aantoont dat cultuur voor ons wel degelijk belangrijk is, meer zelfs, dat het een fundament is voor onze samenleving, die een warme samenleving dient te zijn.

De voorzitter

Mevrouw Werbrouck heeft het woord.

Ulla Werbrouck

Geachte ministers, collega’s, onze fractie gelooft in de kracht van een kritische en participerende jeugd. Daarom wil ik me ook wenden tot de minister van Jeugd. Hij is niet aanwezig, maar ik denk wel dat u hem dit zult overmaken. De beleidsbrief Jeugd op zich is onvoldoende om te kunnen spreken van een voldragen jeugdbeleid. Ook andere ministers hebben een bepaalde verantwoordelijkheid. Daarbij denk ik aan domeinen zoals jeugdwerkloosheid, opleiding en vorming en het aanleren van een gezonde en sportieve levensstijl. Samenwerking over de beleidsdomeinen heen is onontbeerlijk.

Met betrekking tot het herwerken en herdenken van de attesten voor jeugdwerkers, dienen in 2013 eindelijk knopen te worden doorgehakt. De huidige criteria dateren van 1995 en zijn sindsdien niet meer gewijzigd. Ondertussen is het jeugdwerk echter sterk veranderd.

De regelgeving en de administratieve last zijn de laatste jaren sterk toegenomen. Dit heeft natuurlijk invloed op het jeugdwerk. Voor veel van de zorgen van de Vlaamse Jeugdraad moeten oplossingen worden gezocht op het federale niveau. De federale ministers hebben voorlopig andere zorgen, maar oplossingen zoeken voor ons jeugdwerk en onze jeugd is ook heel belangrijk. Hopelijk nemen de bevoegde federale ministers ook hun verantwoordelijkheid op.

In 2012 werd De Ambrassade opgericht. Wij hebben dat huis voor de jeugd ondersteund, om een maximale clustering te hebben en overlappende functies weg te werken. Maar er komt een nieuw permanent platform naast De Ambrassade. Waarom is dat wenselijk?

Onze fractie hoopt dat in 2013 het werk aan het concept van de elders verworven competenties (EVC’s) afgerond kan worden en dat er eindelijk werk van wordt gemaakt. Belangrijk is ook dat er grondig werk wordt gemaakt van de samenstelling van de jeugdraden. Kinderen en jongeren dienen ook in de gemeenten hun stem te hebben. De participatie van kinderen en jongeren mag niet beperkt blijven tot de jeugdraad.

Met het verlenen van informatie is het tevens essentieel dat we als Vlaamse overheid meer zichtbaar zijn binnen de sociale media. Dat is de toekomst. Dat is de voertaal bij uitstek van jongeren en kinderen. Door hier sterk aanwezig te zijn, spreken we deels de taal van de jeugd.

De minister wil de jeugd betrekken bij het Vlaamse beleid. Hij wenst te bekijken op welke manier de opgebouwde kennis over participatie van jongeren ontsloten kan worden binnen de Vlaamse overheid. Ik denk dat dit inderdaad een reflex is die niet of te weinig wordt gehanteerd binnen de andere beleidsdomeinen.

De minister wil de lokale besturen sensibiliseren over het gebruik van GAS-boetes. U kent ons standpunt: mensen mogen slechts van hun vrijheid worden beroofd of worden beboet wanneer een rechter dat beslist. We zien dat nu ondergraven worden en vooral als het naar de jongeren vertaald wordt, is dat volgens onze fractie zeer zorgwekkend. Ik zou er dan ook minstens voor willen pleiten dat er voldoende wordt gesensibiliseerd rond het willekeurig gebruik van die GAS-boetes.

In 2011 werd eindelijk effectief werk gemaakt van de uitvoering van het actieplan jeugdverblijfcentra. Er moeten dringend oplossingen worden gezocht. Het is ook noodzakelijk dat we blijven investeren in duurzame jeugdinfrastructuur.

Een ander maatschappelijk probleem dat me verontrust, is de toenemende agressie van kinderen en jongeren. Minister Smet heeft hiervoor misschien niet de bevoegdheden, maar als minister van Jeugd kan hij wel overleggen met de ministers van Sport, Welzijn en Onderwijs.

We zijn blij dat er aandacht wordt besteed aan het Forum Kindermishandeling, dat meer open getrokken zal worden, want dat is de laatste tijd heel schrijnend.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron

Minister, ik wil het kort hebben over het domein Cultuur. Voor de andere domeinen zal ik geen tijd hebben. Ik zal een paar facetten van het cultuurbeleid onder ogen nemen. We leven niet in glorierijke financiële tijden. Daar draagt ook het cultuurbeleid sporen van en dat heeft het dus niet gemakkelijk met het inzetten van nieuwe middelen. Die zijn niet meteen te vinden en dat weegt op de keuzes die we moeten maken. Veel cultuurbeleid heeft te maken met subsidiebeleid.

Minister Muyters, we kunnen het waarderen dat er voor het Kunstendecreet en de toepassing vanaf 2013 inderdaad een fikse stijging is, gelet op de bescheiden middelen in Cultuur van 7,5 miljoen euro die worden ingezet. Ook de belofte van de projectsubsidie wordt nagekomen. Ik wil uitdrukkelijk zeggen dat dit een mooie stap is en dat dat ook in het veld wordt gewaardeerd. Die waardering wil ik ook meedragen.

Maar we staan nu voor de deur van een evaluatie en ik heb al een kleine bijdrage geleverd met het indienen van een conceptnota. Ik heb er een vraagje over. Ik ga niet in op de inhoud want daar hebben we nog tijd genoeg voor. Ik heb vernomen dat u naast de officiële adviesorganen zoals de Strategische Adviesraad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media (SARC), de adviescommissie voor het Kunstendecreet en de beoordelingscommissie, een soort aparte raad van wijzen hebt opgericht om u te adviseren over die wijziging. Klopt dat of klopt dat niet? Waarom doet u dat? Er is toch al een heel uitgebouwde adviesstructuur.

In de Vlaamse Opera is al een tijdje een transitieproces bezig. U wilt naar een fusie – of minstens een doorgedreven samenwerking – tussen het Ballet van Vlaanderen en de Vlaamse Opera. Ik zou u willen vragen of u al iets weet of de te verwachten meerkost van die fusie. Beide instellingen functioneren of met verlies of op de rand van het verlies. Is er een meerkost en wat houdt die in als je die vergelijkt met het buitenland? Ik durf te zeggen dat ons balletgezelschap en onze opera, in vergelijking met het buitenland, niet duur zijn, integendeel. Minister, als u dan toch doorzet met het fusieproces, zou ik er graag een zicht op krijgen of er middelen voor worden ingezet.

Minister, zijn er voor het internationaal cultuurbeleid nieuwe, aparte middelen in het vooruitzicht geoormerkt? Voor de kunsten zijn er aantal koerswijzigingen. Gebeurt dat ook voor het erfgoed? Die opmerking kwam op de hoorzitting rond het cultureel erfgoed uitdrukkelijk naar voren: bij het internationaal cultuurbeleid gaat het vooral over de kunsten en helemaal niet over het erfgoed.

Ik weet dat er een rapport van een visitatiecommissie van de Brakke Grond circuleert, maar ik ken de inhoud niet. Ik zou heel graag de grote lijnen van dat rapport kennen en weten welke beleidsintentie u ter zake hebt. Ik denk dat we een heel voorzichtige koers moeten varen. Ik zeg niet dat het gebouw en de instelling als dusdanig moeten blijven, maar ik ben wel bekommerd om een goede samenwerking.

Ik wil ook nog even vragen om voor 2013 minstens een aanzet te doen om voor de cultureel-erfgoedsector, die een heel trage inhaalbeweging heeft gedaan, die nu een interessant regelgevend kader heeft, de kunsten achterna te gaan. Ook erfgoed – musea, onroerend erfgoed, immaterieel erfgoed, orale geschiedenis – verdient onze waardering. Je kunt moeilijk eerst beleidsmatig een sector ontwikkelen, en dan zeggen dat het gedaan is omdat er geen middelen zijn. Er zijn fantastische organisaties met fantastische mensen.

Minister, ik denk dat ik met plezier mag overbrengen dat de sector die schreeuw om meer middelen vertaald wil zien na de ronde die op 1 april wordt beslist. Minister Muyters, ik wou graag hebben dat u dat steunt.

De voorzitter

De heer Arckens heeft het woord.

Erik Arckens

Voorzitter, minister, collega’s, ‘voor wie haar soms geweld aandoet’: de taal. Ik richt me dan ook tot de minister van Cultuur en de minister van Media.

Onze zomerse rust werd dit jaar bruusk verbroken door een vinnig persdebat over de toestand van onze standaardtaal. Aanleiding was een turf van meer dan 300 bladzijden, uitgebracht door drie universitaire vorsers, waaruit blijkt dat de zogenaamde tussentaal volop aan haar opmars bezig is. De hoop dat elke Vlaming zich op een dag van het Standaardnederlands zal kunnen bedienen, kunnen we maar beter opbergen.

Gelukkig ontwaakten tal van taalwetenschappers en Vlaamse schrijvers en samen leverden zij een mooi pleidooi af ten voordele van de standaardtaal. In de eerste plaats verwijzen de polemisten naar het onderwijs, dat steeds meer leerlingen aflevert met een zwakke kennis van het Nederlands. De kennis van de Nederlandse grammatica is bedroevend, er worden te veel foutieve zinsconstructies geschreven, het woordgebruik is niet zelden bizar enzovoort.

Men diftongeert nog altijd even slecht. De ‘aa’ wordt een ‘a’, de ‘i’ een ‘ie’, en omgekeerd, de ‘ij’ een ‘èè’. Keineig.

Eind november deed onderzoekster Hélène Vancompernolle nog een toevoeging aan dit alles, met een bijkomende wetenschappelijke vaststelling, ondertussen al te boek gesteld. Jongeren omarmen voornamelijk de Brabantse tussentaal, stelt zij. Jongeren kunnen dan al nostalgisch doen over de rijkdom van dialecten, in de praktijk spreken ze steeds meer wat mevrouw Vancompernolle het Brabants dialect noemt.

Wat is er volgens mij nu precies aan de hand, voorzitter? De tussentaal die gesproken wordt in Brabant, Antwerpen en intussen ook lappen van West-Vlaanderen en Limburg, is een nieuwsoortig ‘lingua fiaminca’ geworden waar het grootste deel van de bevolking van Vlaanderen zich op dit ogenblik mee voorthelpt.

Bekijken we de zaken goed, dan hebben we op dit ogenblik drie soorten taal: de standaardtaal, daaronder de dialecten, waarvan we de verdwijning of vervaging allemaal betreuren, en daartussen een soort tussentaal, die een nieuwsoortig Vlaams is geworden en zich heeft genesteld in talrijke televisiefeuilletons, ook op de VRT, en die zich momenteel ook in het sms-verkeer en het socialemediaverkeer onbeschaamd aandient als geschreven taal. Geen mens die er zich iets van aantrekt in Vlaanderen. Dat Franstaligen ons onomwonden vragen stellen of men in Vlaanderen en Nederland wel dezelfde taal spreekt, wordt in het algemeen schouderophalend aanhoord door ‘den Vlaam’. Kunt u zich indenken, collega’s, dat Franse feuilletons, dus feuilletons die gemaakt worden in Frankrijk, ondertiteld zouden worden als zij in Franstalig België zouden worden uitgezonden? En vice versa? Absoluut niet. En toch gebeurt het hier.

Collega’s, wat te doen met deze algemene verslapping van onze mores op taalvlak? Waarom gooien we het Groene Boekje niet gewoon in de vuilnisbak, net zoals de Van Dale? Waartoe dienen deze oudbakken utopische taalkundige leermiddelen nog? Waarom niet gewoon zoeken naar een nieuwe normatieve Vlaamse tussentaal – ik stel het ironisch – en daarmee de bedroevende taalkundige realiteit waarin we leven, niet verheffen tot norm?

Voorzitter, taalkundige evoluties laten zich wel degelijk sturen indien we daar echt in geloven. Ministers, onderwijs, media en cultuur – bij cultuur denk ik onder meer aan de instrumenten die ter beschikking staan als Taaltelefoon, Taaladvies.net en de Nederlandse Taalunie – zijn de terreinen bij uitstek waar we kunnen bijsturen, in dit parlement dan nog wel. Dat kan allemaal indien we ons bewust zijn van de ernst van de toestand. Ministers, ik hoop dat u mijn bezorgdheid meeneemt in uw respectieve beleidsdomeinen.

De voorzitter

De heer Yüksel heeft het woord.

Veli Yüksel

Minister, voorzitter, collega’s, het voorbije jaar zijn op het vlak van mediabeleid een aantal belangrijke zaken gerealiseerd. Zo werd de nieuwe beheersovereenkomst met de VRT van kracht, met daarin het veelbesproken derde kanaal. De CD&V-fractie is zeer tevreden over de oprichting van het Steunpunt Beleidsrelevant Onderzoek Media, de oprichting van de MediAcademie, het Media Innovatie Centrum, het Gamefonds en het Mediafonds binnen het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF).

Maar de ‘to do’-lijst voor de rest van de legislatuur is nog lang, minister. Ik wil enkele belangrijke dossiers kort aanhalen. Er moeten concrete maatregelen worden genomen ter verbetering van de werkomstandigheden in de journalistieke en audiovisuele sector. De resultaten van het onderzoek dat daarover werd gevoerd, en de beleidsaanbevelingen die eruit werden getrokken, liggen sinds midden 2011 klaar. Het langverwachte Kenniscentrum Mediawijsheid moet worden gerealiseerd. De opstart van het Digitaal Archief Vlaanderen moet een paar versnellingen hoger worden geschakeld. We hebben uiteraard begrip voor de beperkte financiële beleidsruimte van deze regering, maar het is van het grootste belang dat er op zeer korte termijn een beslissing wordt genomen over het voortzetten van het digitaliseringsproject van de VRT en de inschakeling ervan in het Digitaal Archief Vlaanderen.

Minister, het meest heikele dossier voor de komende maanden is ongetwijfeld dat van de investeringsplicht voor distributeurs, gekoppeld aan de vraag naar signaalintegriteit van de zenders. Door de innovatie van de digitale televisie en het kijkgedrag op andere platformen, is het bestaande businessmodel in de verdrukking gekomen. De reclame-inkomsten zijn gedaald en de mediabedrijven moeten op zoek naar andere inkomsten. De overheid zal erover moeten waken dat tv-kijken toegankelijk en betaalbaar blijft voor iedereen. Ook moeten we erop toezien dat de kwaliteit van het media-aanbod bewaard blijft. Naast het Mediafonds kunnen ook een investeringsplicht voor distributeurs en het invoeren van gedifferentieerde kijkerspakketten mogelijkheden bieden. Wij roepen u op om alle actoren in dit debat samen te brengen om te zoeken naar een compromis, want alle elementen lijken ons voorhanden om dit mogelijk te maken.

Tot slot, minister, wil ik u vragen om het dossier van de regionale televisieomroepen te bekijken. Bij de bespreking van de beleidsbrief zei u dat de gesprekken met de regionale omroepen worden voortgezet. Inmiddels bereiken ons echter steeds meer berichten van regionale omroepen die drastisch moeten besparen en medewerkers moeten ontslaan bij gebrek aan middelen. Er is nood aan een structurele oplossing om het tij te keren.

Minister, de conclusie van de CD&V-fractie is duidelijk. We staan op de drempel van het laatste volledige jaar van deze legislatuur. De voorbije jaren zijn in het beleidsdomein Media vooral onderzoeken gevoerd en analyses gemaakt. Het wordt tijd om over te gaan naar de volgende fase. U moet nu beslissingen nemen, in overleg met de mediasector. U zult daarbij in onze fractie een constructieve partner vinden.

De voorzitter

De heer Wienen heeft het woord.

Wim Wienen

Voorzitter, ministers, collega’s, het is met enige schroom dat ik deze tribune bestijg na het mooie taalgebruik van de heer Arckens, die terecht een pleidooi houdt voor de standaardtaal. Uiteraard zijn wij ook voor de standaardtaal, maar voor mij persoonlijk is dat altijd moeilijk omdat ik mijn afkomst heel moeilijk kan loochenen. Soms denk ik dat het voor mij gemakkelijker zou zijn als we allemaal in het ‘Antwaarps’ zouden ‘klappen’ en ik ‘mijne raison’ hier in het Antwerps zou kunnen doen. Maar dat past hier niet, de heer Arckens heeft gelijk en dus zal ik mij proberen te houden aan de standaardtaal.

Minister, ik had enkele zaken over media opgeschreven, maar ik wil eerst even ingaan op enkele opmerkingen die gemaakt zijn door collega’s die me hier zijn voorgegaan. Ik denk aan onze goede collega Vandaele, die hier kwam vertellen dat hij denkt en vermoedt dat, met de nieuwe beheersovereenkomst, de VRT ook gestand zal doen aan de bepalingen inzake Nederlandstalige muziek op de radio.

Ik stel ook vast, minister, dat er inderdaad meer Nederlandstalige muziek op de radio te horen is, maar ik stel eveneens vast dat het nog altijd Nederlandstalige muziek is van één bepaald genre. Ik vind het een beetje spijtig dat mijn ‘brother in arms’ op dit punt, de heer Verstreken, hier niet is, want ook hij heeft altijd al gepleit voor de nodige diversiteit binnen die Nederlandstalige muziek. Wij denken dan ook aan wat men al eens het levenslied noemt – als ik terugval op het Antwerps, dan is dat een smartlap. Ook dat heeft een redelijk grote markt. Heel wat zalen, bijvoorbeeld de Ethias Arena in Hasselt, worden gevuld met enthousiaste mensen die naar dat soort liederen komen luisteren. Ik vraag me dan af waarom ze geen kans krijgen op de VRT. Ik hoop, en ik houd een pleidooi ter zake, dat dit toch nog wat meer doordringt en dat ook de VRT en de samenstellers van de muzieklijsten doordrongen worden van het feit dat er ook voor dat soort muziek wel degelijk luisteraars zijn.

Wat mij nog meer verontrust heeft, en ik blijf even bij de goede collega Vandaele, is wat hij hier verteld heeft over de discussie tussen de distributeurs en de omroepen.

Hij zegt dat het parlement een initiatief genomen heeft en een voorstel van decreet heeft ingediend. Maar dat is niet genoeg geweest om die twee partijen bij elkaar te brengen, dus gaan we dat moeten behandelen.

Mijnheer Vandaele, moet ik daaruit afleiden dat het nooit de bedoeling was om dit voorstel van decreet te behandelen? Dat zou me enigszins choqueren, want het voorstel van decreet waarin we de omroepen eigenaar maken van hun eigen signaal, is cruciaal. We geven de omroepen de nodige zuurstof om de zeer concurrentiële markt en de technologische evoluties aan te kunnen. De advertenties en de inkomsten ervan dalen. Ik vond dat alleszins een zeer opmerkelijke stellingname.

Mijnheer Yüksel, u moet weten wat u wilt. U zegt dat u best tevreden bent over wat er intussen gerealiseerd is, zoals het Mediafonds, het Gamefonds enzovoort.

Mijnheer Wienen, als een voorstel van decreet wordt ingediend, is het de bedoeling om het te behandelen. Daarover zijn we het eens. U kent de materie voldoende om toe te geven dat het veel makkelijker zou zijn geweest als het dossier al wat meer ontdooid was en waren de spelers zelf al een eind gevorderd in de richting van een overeenkomst. Dan zou het veel gemakkelijker geweest zijn voor dit parlement om de zaak te gronde te behandelen.

We zullen dat in de commissie doen. Aan de hand van hoorzittingen zullen we nagaan waar de politieke tussenkomst in dit dossier begint en eindigt.

Wim Wienen

Ik vind dat een beetje laatdunkend tegenover dit gremium. Wij zijn een wetgevende macht. Wij maken decreten en regelgeving. Het is niet de bedoeling dat het parlement regelgeving ontwikkelt om bepaalde dossiers te ontdooien en bepaalde partijen dichter bij elkaar te brengen. Neen, als we een voorstel van decreet indienen of de minister brengt een ontwerp van decreet naar het parlement, dan is het de bedoeling om de regelgeving te verbeteren of nieuwe regelgeving te maken die beantwoordt aan de technologische en andere evoluties in de mediasector. Ik denk niet dat het de bedoeling kan zijn om met wetgevend werk bepaalde partijen te ontdooien. Dat zou minachting zijn voor het werk dat we hier doen. Dat is mijn mening.

Mijnheer Yüksel, ik had het over uw tevredenheid over de verwezenlijkingen van de minister. U moet weten welk verhaal u vertelt. Het is niet aan mij om de minister te gaan verdedigen. Die is daar sterk genoeg voor. Het moet me toch van het hart dat ik u in de commissie hoorde zeggen: er is geen beleid, nog altijd niet, er is niets gebeurd, er staat niets in die beleidsnota van de minister … Nu blijkbaar wel?

In de filmwereld zouden we dit ‘Decaluwé, the sequel’ noemen. Carl Decaluwé was meestal heel streng voor de minister en haar beleid in de commissie. Maar als puntje bij paaltje kwam, kwam hij hier mee op de groene stemknop drukken. Het is het een of het ander. Als u in de commissie vindt dat de minister geen beleid heeft, dan moet u met uw fractie een motie van wantrouwen indienen want dan is die minister slecht voor de Vlaamse Regering. Ik vind het raar dat u nu hier de lof komt zwaaien van de minister terwijl u dat in de commissie niet doet. Qua rechtlijnigheid kan dat tellen!

Veli Yüksel

Voorzitter, mijnheer Wienen, u hebt mij slecht gehoord. Ik heb in de commissie juist hetzelfde gezegd als wat ik hier zeg. We hebben de voorbije jaren inderdaad een aantal belangrijke beslissingen en realisaties op tafel gelegd. Er liggen nog belangrijke dossiers te wachten. Ik heb er juist een opsomming van gegeven. Ik zie absoluut geen inconsistentie in mijn uitleg. Als u mij in de voetstappen van mijn voorganger Carl Decaluwé ziet stappen, moet ik mij gelukkig prijzen.

Ik kom even terug op uw opmerking over die signaalsterkte en de integriteit van het signaal bij de omroepen. Heel wat experts, en ik denk dan onder andere aan Erik Dejonghe van de Universiteit Gent, zeggen vandaag dat het dossier via een wederzijdse dialoog kan worden opgelost en dat er onderhandeld moet worden, dat er gepraat moet worden. Dat is wat de heer Dewaele, excuseer, de heerVandaele zegt.

Wim Wienen

Dat is nu de tweede keer op één week tijd dat hij probeert me uit mijn evenwicht te krijgen. Het is een lepe vos.

Maar, mijnheer Yüksel, als ik zeg dat u in de voetsporen trad van de heer Decaluwe, dan is dat wat ironisch bedoeld. Ik had het over Decaluwe - The Sequel. U weet dat een vervolgfilm altijd veel slechter is dan de eerste. Eigenlijk is dat dus niet zo’n groot compliment. U hebt dat blijkbaar anders geïnterpreteerd. Maar dat laat ik volledig voor uw rekening. (Gelach)

Minister, laat het me nog even kort hebben over uw beleid. 2013 wordt voor een deel het jaar van de waarheid. De oppositiepartijen, maar af en toe ook de meerheid, hebben u verweten heel wat onderzoeken te laten uitvoeren. Maar ik heb in de commissie ook gezegd dat dit eigenlijk de eerste beleidsbrief is waarin heel wat nieuw beleid wordt aangekondigd. Ik denk dan aan Mediacademie, het Mediafonds en het Kenniscentrum Mediawijsheid. (Opmerkingen van minister Ingrid Lieten)

U hebt daarover verslag uitgebracht in de beleidsbrief van dit jaar. Daarom haal ik het even aan. Ik vraag me echter toch nog altijd af in hoeverre dat het allemaal budgettair haalbaar is. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het Kenniscentrum Mediawijsheid. Ik stel vast dat het nu moet worden opgestart. Het zit in een vertrekfase. Op die begrotingsposten zie ik echter geen budgetverhogingen. Ofwel maakt u extra budget vrij om het op te starten. Dat kost natuurlijk wel wat geld. Dan denk ik wel dat andere projecten zullen sneuvelen. Dat lijkt me toch moeilijk. Als zoiets nieuws wordt opgestart, moeten daar de nodige budgetten tegenover staan.

De collega’s hebben gelijk dat er nog heel wat werk op de plank ligt. Ik kijk altijd uit naar de beheersovereenkomsten met de regionale omroep. Die lijken me zeer belangrijk. Op dit moment liggen die bij de Europese Commissie, waar wordt nagegaan of een en ander in regel is met de Europese regelgeving. Ik heb die beheersovereenkomsten niet gezien. We moeten er ons wel voor hoeden dat we die regionale omroepen in de beheersovereenkomst, waaraan we ook een financiering koppelen, niet te veel extra taken opleggen waardoor die financiering volledig wordt opgesoupeerd. Want dan worden die regionale omroepen niet structureel geholpen.

Ik heb ook budgettaire vragen bij de werking van de Vlaamse Regulator voor de Media (VRM). In de laatste wijziging van het Mediadecreet hebben we een paar extra taken opgelegd aan de VRM. Ik stel echter vast dat het budget voor de VRM maar wordt verhoogd met 3000 euro. Is dat voldoende om zich van die taken te kwijten?

Er is inderdaad een conflict tussen omroepen en distributeurs. In tegenstelling tot de collega’s vind ik niet dat het onmiddellijk uw zaak is om daarin te bemiddelen. U bent minister van Media. Het is beter dat u zich daar niet te veel mee bemoeit. Dat is geen taak van de minister. Ik hoop wel, mijnheer Vandaele, dat we inderdaad verder gaan met dat voorstel van decreet. We staan op een cruciale fase om aan die omroepen de nodige zuurstof te geven om de komende vijf, zeven, acht jaar te overleven in deze snelveranderende sector, waardoor die omroepen ook de kans krijgen om nieuwe businessmodellen te ontwikkelen, om de nieuwe uitdagingen die gepaard gaan met de veranderende mediawereld, aan te gaan.

Minister, er blijft dus veel werk op de plank. Er blijven ook wel wat problemen. Ik denk aan de besparingen bij de VRT. Ik heb u in mijn interpellatie ook gezegd dat ik het niet zo wijs vond van de VRT om de besparingen te doen die zij nu doet. De heer Tommelein zal het met mij eens zijn dat het derde kanaal een luxeproduct is. We stellen vast dat er onvoldoende inhoud is om het voort te zetten. Het was de bedoeling om in 2013 te zorgen voor een echt volwaardige zender. Dat is het op dit moment nog niet. Ik vrees dat door de budgettaire krapte ook de VRT geen middelen zal hebben om die zender te vullen met programma’s die recht doen aan een sterke openbare omroep.

De voorzitter

De heer Van Rompuy heeft het woord.

Eric Van Rompuy

U maakt een balans op van 2012. Het was voor de VRT een cruciaal jaar. Iedereen had voorspeld dat dit het jaar zou worden van de grote teruggang. Maar ik lees in het bilan van 2012 dat de VRT het schitterend doet. Ik maak geen deel uit van de commissie maar wel van de plenaire vergadering. Ik heb u hier heel negatief horen spreken over de VRT, over de aanstelling van de nieuwe gedelegeerd bestuurder, over de beheersovereenkomst. Maar ze doen het schitterend! Maar ik hoor hierover niets, mijnheer Wienen. Zo negatief! Dat derde net is van start gegaan. Het moet groeien. De criteria daarvoor zijn hier naar voren geschoven. Ik vind uw discours zeer negatief. Het meest positieve vermeldt u niet.

Wim Wienen

Mijnheer Van Rompuy, voor het geval u daaraan zou twijfelen, ik ben over het algemeen zeer positief over de VRT. Maar u gooit alles een beetje op een hoop. Ik ben nooit negatief geweest over de aanstelling van mevrouw De Preter. Ik was iets negatiever over de manier waarop de vorige CEO het pand moest verlaten. Dat is een andere discussie. Minister, u weet dat ik nooit negatief ben geweest over de aanstelling van mevrouw De Preter. U was er getuige van dat ik in de commissie heb gezegd dat mevrouw De Preter een frisse wind heeft doen waaien door de Reyerslaan. De voorzitter van de raad van bestuur, de heer Luc Van den Brande, zegt dat ook. We hebben meer transparantie gekregen in wat daar gebeurt en in wat er daar aan de hand is.

Maar met betrekking tot bepaalde zaken ben ik het nog altijd niet eens met het beleid dat gevoerd wordt aan de Reyerslaan. Ik vind dat derde kanaal nog altijd een luxezender. De VRT moet weten wat zij wil. Als je een derde kanaal maakt, moet je ervoor zorgen dat je programma’s hebt om het te vullen. Dat is op dit moment nog altijd niet het geval. Het moet groeien. Maar, mijnheer Van Rompuy, men had vooropgesteld dat dat ging gebeuren in 2013. Ik hoor nu dat het eind 2013 wordt, dat het allemaal niet zo zeker is gezien de budgettaire krapte. Als voormalig mediaminister kent u de sector zeer goed. U weet ook dat koken geld kost. Een programma maken kost betrekkelijk veel geld. Ik heb dus nog altijd mijn vraag: zal men die zender kunnen invullen? Als je dat niet kan wegens budgettaire krapte, vraag ik me af waarom dat derde kanaal nodig is. Volgens mij is dat nog altijd een luxeproduct. Zo heb je sommige gezinnen waar de vrouw een stadswagentje heeft en de man een grotere wagen omdat hij verder weg werkt. (Opmerkingen van minister Ingrid Lieten)

Het is niet pejoratief bedoeld, minister. Ik zal het veranderen. De man werkt in de buurt van zijn huis en heeft een stadswagentje, en de vrouw is CEO van een groot bedrijf verder weg en heeft een grotere auto. Minister, ik denk dat dit een betere vergelijking is waarmee u het eens kunt zijn. Maar in de zomer zeggen ze, wanneer het tijdens de vakantie mooi weer is en de zon schijnt: “Laten we er nog een cabrio bij nemen.” Dat kan toch niet de bedoeling zijn van de openbare omroep?

Bart Caron

Mijnheer Wienen, ik probeer te volgen. Ik heb het erg moeilijk, dat geef ik toe. (Opmerkingen van de heer Wim Wienen)

Ik weet niet waar het aan ligt. Ik zou van u eens graag weten of u de openbare omroep een belangrijke instelling vindt. Vandaag geeft u af op het derde net. Ik heb u nog nooit een positief woord over de VRT horen zeggen. Vindt u de openbare omroep nuttig?

Vindt u dat de kinderen en jonge mensen recht hebben op afgeschermde uitzendingen, die dus niet door voetbal of politiek worden gehinderd?

Wim Wienen

Ik dacht dat ik dat al meerdere keren had gedaan, maar laat mij mijn geloofsbelijdenis over de VRT afleggen. Ik ben van mening – en dat wordt ook verwacht van een Vlaams-nationale partij als de mijne – dat een sterke openbare omroep nodig is, al was het maar om er inderdaad voor te zorgen dat er de nodige Nederlandstalige en Vlaamse programma’s te zien zijn, dat er series en fictie worden gemaakt, dat er gedegen sportprogramma’s zijn, net als gedegen nieuws en duiding en dat we ons daarvoor niet moeten beroepen op buitenlandse programma’s, die we dan zeer goedkoop op de buis gooien. Op het gebied van cultuur, nieuws en duiding heeft de VRT een heel belangrijke rol te spelen.

Voor het derde net moeten we af en toe wat verder kijken dan de uitleg die de VRT brengt. Het was inderdaad het argument van de VRT dat ze die kinderprogramma’s ononderbroken wilden brengen. Maar we weten goed genoeg waarom dat derde kanaal er begin vorig jaar moest zijn: er waren Olympische Spelen. Men heeft zo’n groot gamma aan sportrechten dat men het niet meer op de buis krijgt. Dat is een van de belangrijke redenen dat het derde kanaal is gemaakt: om die sportprogramma’s met rechten op het net te krijgen. Was dat in het belang van de kinderen? Dat denk ik niet. We moeten af en toe tussen de regels kunnen lezen van de verklaringen die aan het parlement worden afgelegd.

Minister, over het diversiteitsbeleid kunnen we het niet hebben, door de beperkte tijd die mij is toegewezen. We hebben die discussie al meermaals in de commissie gevoerd. Ik weet dat we het daarover nooit eens zullen zijn. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer De Gucht heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, in tegenstelling tot wat men wel eens durft te beweren over deze regering, is er wel degelijk een lijn merkbaar, namelijk zo weinig mogelijk visie tentoonspreiden. En dat komt perfect tot uiting in de beleidsbrief en de begroting Cultuur. De meerderheid zal er pertinent op wijzen dat er een begroting in evenwicht ligt. Met de middelen die in Vlaanderen voor handen zijn, is dit trouwens niet meer dan normaal.

Mijn vraag is: wat doet u met een begroting in evenwicht? Hoe hanteert u dit instrument om een beleid uit te tekenen waar de sector toekomstgericht kan op voortbouwen? Waar is de visie die van inzicht getuigt in een sector die niet vraagt om rond te dobberen in de zee, maar die de oceanen wil bevaren? Hoe komt het dat u er maar niet in slaagt om een echte stempel te drukken op het cultuurbeleid?

Wat u zou moeten doen, is hefbomen creëren die de sector moeten behoeden voor nieuwe, onvoorziene besparingsrondes. Minister, u hebt al heel wat studies laten uitvoeren. Wel, gebruik dan misschien ook eens deze resultaten. Neem nu het onderzoek uitgevoerd door IDEA Consult naar de aanvullende financiering in de kunstensector. Daarin staan heel wat bruikbare aanbevelingen. Zo moet er dringend werk worden gemaakt van een geoptimaliseerde en efficiëntere implementatie van de minitoelage. Dat is een belangrijk instrument om het individuele ondernemerschap te stimuleren. Naast de optimalisering van dit instrument moet het ook veel efficiënter worden gecommuniceerd naar de gewenste doelgroepen.

U kunt binnen uw beleidsdomein werken aan de drempels die bij private financiering komen kijken. Waarom neemt u de simpele aanbeveling van IDEA Consult – ik ben trouwens niet door hen gesponsord – om een centrale databank van instrumenten en aanbieders uit te bouwen, waardoor kan er duidelijk overleg plaatsvinden tussen de sector en de private ondernemingen, niet over in uw beleid? Dit kost u bijna geen geld.

En niet enkel bestelde studies blijven na publicatie dode letter, ook vele voorstellen gerezen op het Cultuurforum blijven links liggen, bijvoorbeeld wat betreft het atelier ‘cultuurmanagement en culturele economie’. Want geef nu toe, het faciliteren van een pool van ondernemers met een rijke ervaring en met een grote affiniteit voor de kunstensector kan voor iedere betrokken partner een meerwaarde tot stand brengen, ook voor uzelf.

Minister, concreet: er is, jawel, eindelijk een cultureel akkoord met de Franse Gemeenschap. In het akkoord zelf is er nergens sprake van financiële middelen, maar in de pers konden we wel vernemen dat hier middelen voor opzij gezet zullen worden. En terecht, want koken kost nu eenmaal geld en iedereen wil uiteraard dat dit cultureel akkoord wel degelijk de grondslag kan vormen voor een succesvolle samenwerking. Al zal dat laatste natuurlijk wel deels bepaald worden door de financiële ademruimte die eraan gegeven zal worden. Ik hoop, mevrouw de minister, dat u ondertussen al enig zicht hebt op de bedragen die hiervoor vrijgemaakt zullen worden.

Een andere maatregel waar al heel wat studiewerk is rond verricht betreft het uitwerken van een decretale regeling voor de voorwaardelijke vrijstelling van successierechten om topstukken uit privébezit in Vlaanderen te houden. De Kunstkoopregeling die een eerste aanzet was van u om tot alternatieve vormen van financiering over te gaan, is in de beleidsbrief 2013 op miraculeuze wijze verdwenen.

Collega’s, wat betreft de herziening van het Kunstendecreet willen wij erop wijzen dat er nood is aan een duidelijk richtinggevend beleidskader waarin alle actoren betrokken worden. Wij kijken dan ook uit naar een breed maatschappelijk debat, zowel binnen de muren van dit huis als erbuiten.

Minister, wij roepen u op om deze denkoefening in het belang van de sector te houden en niet zomaar breekpunten te maken van eigen voorstellen. Het is ondertussen al duidelijk geworden dat het idee van verfondsing helemaal niet zo breed wordt gedragen, al helemaal niet in de sector zelf. Laat ons kijken naar wat goed is, laat ons aanpassen wat beter kan.

Maar ook hier zullen bepaalde keuzes gemaakt moeten worden die bijna zeker ook op financieel vlak in de volgende begrotingsjaren repercussies zullen hebben. Mijn fractie heeft in het verleden steeds het belang van alternatieve financieringsmechanismen onderlijnd. Ook nu wensen wij dit te doen, ook al weten wij heel goed dat bepaalde bevoegdheden zich op het federale niveau bevinden. De denkoefening moet dan ook worden gemaakt hoe binnen het Kunstendecreet de diverse instellingen en organisaties verantwoordelijk zullen gesteld worden om alternatieve manieren van financiering binnen te halen.

Minister, uw inloopperiode is al enige tijd afgelopen. Wilt u nu echt dat uw grote verwezenlijking is dat het schip is blijven dobberen zonder enige richting te kiezen? (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Yamila Idrissi

Voorzitter, ministers, collega’s, de beleidsbrief Cultuur 2013 is in vele opzichten een doorslag en verderzetting van 2012. Het is uitkijken naar resultaten van initiatieven die het afgelopen jaar zijn opgestart of afgerond. Denken we maar aan de evaluatie van het Kunstendecreet, de aanpassingen naar aanleiding van het Participatiedecreet, de eerste resultaten van de lancering van de UiTPAS in de pilootregio rond Aalst, de implementatie van de nota rond cultuureducatie, groei in cultuur, implementatie van de kaderstructuur zoals voorgesteld door de transitiemanager, om maar enkele voorbeelden te geven.

Daarnaast bouwt u verder aan de ingeslagen weg aan de hand van nieuwe initiatieven, waar ik er enkele wil uitlichten. In uw beleidsbrief stelt u “het door vernieuwing verankeren van participatie en diversiteit” voorop. Binnen het Participatiedecreet is het dus uitkijken naar de aanpassingen die u samen met uw collega’s van Jeugd en Sport de eerste helft van volgend jaar zult voorstellen.

Een van de speerpunten in uw participatiebeleid is de ontwikkeling van de UiTPAS. Ik kijk uit naar de evaluatie van de lancering van de UiTPAS en een eventuele verdere uitrol naar andere steden en gemeenten. Op vlak van het diversiteitsbeleid blijf ik echter toch op mijn honger. Graag had ik iets meer verduidelijking over de passage in uw beleidsbrief waarin u stelt dat u voortbouwt aan diverse instrumenten voor dat diversiteitsbeleid, namelijk de uitrol van de engagementsverklaring etnisch-culturele diversiteit en de opvolging en monitoring van de kandidaten en de vacaturedatabank door het Kennisknooppunt Interculturaliseren. Wat houdt die opvolging in qua cijfers en hoe wordt in monitoring van kandidaten voorzien? Wat zult u doen met organisaties die zich niet scharen achter de engagementsverklaring? Op die vragen zou ik graag een antwoord krijgen.

Op het vlak van het internationaal cultuurbeleid kijk ik met grote aandacht uit naar de uitwerking van uw nota Internationaal Cultuurbeleid. Alleen is het jammer dat het erfgoed daar niet in is opgenomen. Minister, we hebben er lang op moeten wachten, maar het is zeer verheugend dat er eindelijk een akkoord van samenwerking is tussen de Franse en de Vlaamse Gemeenschap. Ik ben zeer blij dat er eindelijk een akkoord is gekomen in dit dossier, maar er blijven natuurlijk wel een aantal vragen, onder meer over de financiering en de vraag wie in een dergelijk platform zal zetelen. Ik hoop dat we daarover uitgebreid zullen kunnen discussiëren in de commissie.

In het kader van het Kunstendecreet en de aangekondigde evaluatie is het uitkijken naar de evaluaties door de steunpunten, het agentschap en de Universiteit Antwerpen. In de aanloop naar de toekenning van de subsidies in het kader van het Kunstendecreet hebt u daarover enkele opvallende uitspraken gedaan. De heer Vandaele heeft er daarnet ook naar verwezen. U kent ons standpunt ter zake. Dat is zeer duidelijk. Ik hoop vooral dat we binnen de commissie, maar vooral ook daarbuiten, een voldoende groot draagvlak zullen vinden en voldoende debat zullen kunnen hebben over die noodzakelijke hervormingen.

Met het oog op de ontwikkeling van initiatieven voor de verbreding van het financieringsinstrumentarium voor de kunstsector verheugt het me zeer dat u bereid bent om de mogelijkheden van crowdfunding voor de kunst- en cultuursector in Vlaanderen te onderzoeken. Ik heb hierover samen met een aantal collega’s een conceptnota ingediend in dit parlement. Toch heb ik een aantal vragen. Ik heb toch wel wat vragen bij de formuleringen met betrekking tot de timing en het budget voor het gericht experiment dat u samen met het Vlaams Fonds voor de Letteren zou doen. Het zou goed zijn mochten we daar duidelijkheid over krijgen.

Tot slot wil ik nog even stilstaan bij de synergieoefening van de Vlaamse kunstinstellingen. De opdracht van de transitiemanager loopt dit jaar af, en 2013 staat in het teken van de implementatie van de kaderstructuur. De doelstelling blijft dat de nieuwe overkoepelende organisatie tegen het seizoen 2013-2014 een eerste gezamenlijk programma zou kunnen voorleggen. Denkt u dat die timing kan worden aangehouden? Kunt u een stand van zaken geven met betrekking tot deze synergieoefening? Is er ondertussen duidelijkheid over het financiële plaatje? (Applaus bij sp.a en van de heer Bart Caron)

Wim Wienen

Voorzitter, mijn vragen zijn niet zozeer aan mevrouw Idrissi gericht, maar aan de minister. Die synergie tussen de opera en het Ballet van Vlaanderen is inderdaad zeer belangrijk. Ook die transitierapporten zijn natuurlijk zeer belangrijk in dezen. Minister, ik heb vernomen dat het tweede rapport nog niet in uw bezit is. Dat handelt onder meer over de financiële situatie van deze synergie. Een ander lid – ik herinner me niet meer of het de heer Caron of de heer Vandaele was – heeft ook al gewezen op de meerkost van die synergie. Van de intendant van de Vlaamse Opera heb ik immers begrepen dat hij met de budgettaire middelen die hij op dit moment nog heeft, de werking van die opera nog maar een à twee jaar kan garanderen, en daarna niet meer.

Mevrouw de minister, kunt u me het tweede transitierapport vooralsnog bezorgen? Welke conclusies staan erin? Kan ik aldus inzicht krijgen in de huidige financiële situatie?

De voorzitter

Collega’s, de heer Verstrepen is afwezig. Dan verleen ik nu het woord aan mevrouw Rombouts die spreekt namens mevrouw Schryvers. Zij vraagt het woord gedurende vier minuten, maar hoeft zich niet ongerust te maken. Ik zal haar zeker niet benadelen.

Sta me toe het even uit te leggen. Mevrouw Schryvers zou normaal het woord voeren bij het onderdeel Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, en dat gedurende drie minuten. Samen met de twee minuten voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media had zij dus recht op vijf minuten.

U hebt vier minuten nodig? Welnu, u gebruikt zelfs een minuut minder dan de vijf waarop mevrouw Schryvers eigenlijk recht had.

Ik geef bij deze graag een uiteenzetting namens mevrouw Schryvers over het beleidsdomein Jeugd waarbij ik me graag had gericht tot minister Smet, maar ik heb begrepen dat minister Lieten hem mijn boodschap zal overbrengen. Het verslag zal ongetwijfeld goed door hem worden nagelezen.

Waarom richt ik me tot minister Smet en wil ik tegelijk het verhaal van Welzijn brengen? Omdat wij Jeugd en Welzijn onlosmakelijk met elkaar verbonden zien.

Hoe vaak horen we niet zeggen dat onze kinderen onze toekomst zijn? Maar in welke mate bouwen wij effectief aan die toekomst en creëren we goede toekomstkansen voor onze kinderen? En hoe voelen jongeren hun toekomst zelf aan?

Jong zijn. Het hoort een zorgeloze tijd te zijn. Kinderen moeten kunnen opgroeien in de geborgenheid van een gezin en de ruimte hebben om te spelen. Als adolescent je weg maken op school, gesteund door je omgeving, een vriendenkring opbouwen, kansen krijgen voor ontplooiing. Een vorming genieten die je nadien ook kansen geeft op de arbeidsmarkt, want ook dat is van groot belang voor je toekomst.

Wie er het afgelopen jaar de media op nasloeg, krijgt allesbehalve het beeld dat wij in Vlaanderen onze kinderen en jongeren zorgeloos kunnen laten opgroeien tot zelfstandige en kritische volwassenen, die hun weg vinden in de samenleving. Integendeel, als onze jongeren deze dagen als jongeren onder de aandacht komen in de media, is het in negen gevallen op tien in het kader van slecht nieuws. Zo werden we recent nog opgeschrikt door tragische voorvallen van zelfdodingen bij toch wel erg jonge kinderen. Ook verschijnen er berichten over slechte eetgewoontes bij kinderen, hun verontrustend gebruik van antipsychotica, dramatische gevallen van pesten op school, GAS-boetes die weinig voeling lijken te hebben met de leefwereld van jongeren, stijgende werkloosheidscijfers bij onze jongeren, leerlingen die vroegtijdig op school afhaken zonder diploma, kinderarmoede, enz. Het lijstje kan helaas nog veel langer worden gemaakt.

Collega’s, als wij het welzijn van onze kinderen en onze jeugd ernstig nemen, dan betekent dit dat op elk beleidsdomein deze groep, dit thema, de nodige aandacht moet krijgen. Het welzijn van onze jeugd is een verantwoordelijkheid die niet enkel behoort bij de beleidsdomeinen jeugd en welzijn. Een positief en ondersteunend klimaat voor onze jeugd vereist een aandachtige samenwerking met en tussen onderwijs, vorming, tewerkstelling, ruimtelijke ordening, sport, cultuur, inburgering, woonbeleid, milieubeleid – eigenlijk alle beleidsdomeinen dus.

Een positief en ondersteunend klimaat voor onze jeugd vereist een duidelijke en gemeenschappelijke visie, niet alleen op verschillende beleidsdomeinen, maar ook op verschillende beleidsniveaus. Kwetsbare kinderen en jongeren hebben extra steun nodig op alle terreinen. Het is niet voor niets dat we in juni 2011 een motie van aanbeveling goedkeurden naar aanleiding van de maatschappelijke beleidsnota Jeugdzorg. Deze motie hamert op een beleidsoverschrijdende en bevoegdheidsoverschrijdende aanpak voor het welzijn van onze jongeren.

We hebben moeten vaststellen dat er op heel wat gebieden en binnen verschillende beleidsdomeinen hiertoe al heel wat acties zijn ondernomen. Er is echter nog heel wat werk aan de winkel, vandaar deze oproep.

Er is ook het instrument van JoKER (jongeren- en kindeffectenrapportage). Dat instrument geeft een materiële verplichting om een effectenrapport te maken. Maar als er niet zowel de intentie als de reflex is bij iedereen die met of voor kinderen en jongeren werkt en bij iedereen die beleid maakt voor onze jeugd, als er niet voldoende middelen zijn om vooropgestelde doelen waar te maken, dan blijft de JoKER louter een formeel instrument. Ik vrees dat we dan de komende jaren nog vaak alarmerende berichten zullen lezen in de kranten over welzijn en het welbevinden van onze kinderen en jongeren. Vandaar de oproep naar een sterke JoKER-inzet.

Laat ons de verantwoordelijkheid om voor kinderen en jongeren een klimaat te creëren waarin zij zorgeloos kunnen opgroeien tot sterke volwassenen niet uit de weg gaan, evenmin als de verantwoordelijkheid om zij die het vanwege verschillende omstandigheden moeilijk hebben, de nodige ondersteuning en opvang te bieden. Laat ons samen een sterkere omgeving maken voor kinderen en jongeren. (Applaus bij CD&V en de N-VA)

De voorzitter

De heer Wienen heeft het woord.

Wim Wienen

Mevrouw Rombouts, ik wil u feliciteren met uw warm pleidooi in het belang van onze kinderen en jongeren. U hebt het ook gehad over de problemen die jongeren kunnen hebben zoals zelfmoord en dergelijke. Als beleidsmakers moeten wij daar aandacht voor hebben.

Ik vind wel een zaak spijtig. U zegt dat de GAS-sancties weinig voeling hebben met de jongeren. Die GAS-sancties zijn heus niet in het leven geroepen om jongeren te pesten door een overheid die tiranniek wil optreden tegenover jongeren. Die GAS-sancties zijn er gekomen om justitie enigszins te ontlasten en om gevolg te geven in de aanpak van heel wat overlast. Zeker in de stedelijke gebieden zijn er heel wat jongeren die, om uw taal te gebruiken, weinig voeling hebben met de waarden en normen van onze samenleving. En dan denk ik dat zo’n GAS-boete weleens op zijn plaats kan zijn. Mij lijkt een GAS-boete veel interessanter dan zo’n jongere onmiddellijk voor de jeugdrechter te brengen. Een GAS-sanctie is de betere methode. Als men die toepast zoals dat in Antwerpen gebeurt, waar een GAS-sanctie bij een minderjarige altijd gepaard gaat met een begeleidings- en een verbeteringstraject, dan denk ik dit nog altijd, ook voor jongeren, een interessant instrument kan zijn. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mijnheer Wienen, ik heb het gehad over GAS-boetes die weinig voeling lijken te hebben met de leefwereld van jongeren. Daarmee wil ik zeggen dat de discussie over GAS-boetes vandaag soms wordt weergegeven alsof er geen voeling is met de jongeren. Ik heb niet gezegd dat GAS-boetes te allen tijde een negatief instrument zijn en geen meerwaarde kunnen bieden. Vraag is wel op welke manier we samen met jongeren de discussie aangaan over de wijze waarop hun leefwereld daarmee omgaat en over de wijze waarop dit een positief effect kan hebben en dus als een positief instrument kan worden aanvaard bij de jongeren om samen te zorgen voor een betere leefwereld.

De voorzitter

De heer Gysbrechts is niet aanwezig.

De heer Mahassine heeft het woord.

Chokri Mahassine

Voorzitter, leden van de regering, collega’s, stel je voor: je bent geboren in 1995, je wordt 18 jaar in 2013 en elke dag hoor of lees je dat we in 2013 de grootste crisis zullen meemaken sinds de jaren 30.

Wij kunnen ons dit misschien moeilijk voorstellen, maar geloof mij: zulke boodschappen komen wel degelijk stevig aan bij jongeren. Uiteraard zal niet iedere achttienjarige de crisis op dezelfde manier ervaren. Er zijn jongeren – en volgens de meest recente armoedecijfers is dat in Vlaanderen een grote groep – die echt op hun centen moeten letten om te overleven. Er zijn ook jongeren die de crisis minder voelen, doordat hun familie voldoende buffers heeft, en een zeer klein, te verwaarlozen percentage heeft er helemaal geen of veel minder last van.

Over het algemeen leven Vlaamse jongeren, zeker in vergelijking met andere landen, in materiële rijkdom. Niettegenstaande is ook bij ons de jeugdwerkloosheid in november met maar liefst 20 procent gestegen. Die lage conjunctuur is nefast voor jongenen die op zoek gaan naar een eerste job. We moeten oppassen, collega’s, want de dualiteit van die situatie heeft zware gevolgen. De midden- en hogere klasse voelen de crisis minder, doordat ze thuis een vangnet hebben. Bij de laagopgeleide jongeren ligt het anders. Zij vinden sowieso moeilijker werk. En als ze werk vinden, is de verloning vaak laag. Daar broeit en groeit frustratie.

Laat het duidelijk zijn: kinderen en jongeren die in armoede leven, dat is volstrekt onaanvaardbaar. Een begroting in evenwicht is de eerste stap om er over enkele jaren weer bovenop te raken. Een kindpremie, investeren in Onderwijs, Welzijn of Wonen, de plannen van de regering liggen klaar, maar het geld is er voorlopig niet. Maar jonge mensen moeten in de tussentijd wel ergens hoop, moed en enthousiasme uit kunnen putten. En wij, politici, moeten hun dat perspectief op verbetering bieden. Wij moeten het spreekwoordelijke goede voorbeeld zijn voor de huidige generatie. Negativisme, wantrouwen, vrees voor de toekomst kan iedereen treffen, rijk en arm. De ‘no future’-gedachte is van alle tijden. Denk maar aan de punkperiode: toen was het ‘no future all the way’. Het pessimisme waarin we zowaar ondergedompeld lijken, begint zeer onrustwekkende vormen aan te nemen.

Beste collega’s, ons optimisme kan jongeren er weer bovenop helpen. Veel jongeren hebben weinig of zelfs geen vertrouwen in de overheid en in ondernemingen, maar wel in zichzelf. Driekwart van de jongeren tussen veertien en zeventien jaar is actief in een of andere vereniging. En een rijk sociaal leven is, zoals we allemaal weten, een goede garantie tegen onder andere moedeloosheid. De grootste bedreiging van de crisis voor onze samenleving is niet materieel, maar sociaal, psychologisch en moreel. We moeten de crisis dus niet alleen materieel oplossen, maar ook op psychologisch, moreel en sociaal niveau.

Collega’s, de jongeren hebben zelf aangegeven in welke richting de maatschappij moet evolueren. In juni hebben de regering, de vertegenwoordigers van de Vlaamse Jeugdraad en de Vlaamse Scholierenkoepel hier, in de Lokettenzaal van het parlement, in aanwezigheid van de parlementsvoorzitter, het Jongerenpact 2020 ondertekend. Wij hebben toen met de jongeren een pact gesloten met duidelijke doelstellingen voor 2020. Jongeren willen het onderwijs verlaten met waardering voor hun competenties op de arbeidsmarkt. Er moet meer samenwerking zijn tussen onderwijs en het bedrijfsleven. Jongeren willen dat meer middelen gaan naar de bestrijding van de armoede, op het terrein, de begeleiding van de armen. Zij willen meer respect tussen mensen van verscheidene culturen, en pesten mag geen plaats hebben. Jongeren willen meer en beter openbaar vervoer en minder verplaatsingen met de auto. Ik kan zo nog een tijdje doorgaan. Jongeren hebben duidelijke en ambitieuze doelstellingen vastgelegd op het vlak van werk, armoede, verdraagzaamheid en mobiliteit.

Trendwatchers zeggen dat jongeren realistisch zijn. Ze weten wat er in de wereld te koop is. Als je de wereld wilt veranderen, zo geloven ze, moet je beginnen bij jezelf en bij de eigen omgeving. Optimisme is de nieuwe rebellie, titelde De Morgen een paar maanden geleden nog. Dat klopt als een bus. Een crisis kan alleen worden opgelost door er samen aan te werken, door jongeren bij elkaar te brengen, door te praten, te werken, te helpen, door iedereen aan boord te houden en door positief en optimistisch te zijn en te blijven. Het idee samen de wereld aan te kunnen leeft heel sterk bij de jongere generaties. Ik weet het, want ik maak het dagelijks mee. Het is de plicht van de Vlaamse Regering om de vernieuwingsideeën die jongeren aanreiken, met beide handen aan te grijpen. Dat is onze opdracht, waar we ook zitten, in de oppositie of in de meerderheid. We moeten stoppen met elkaar de zwartepiet toe te schuiven en we moeten eraan beginnen. Dat is in het belang van iedereen en zeker van onze jongeren. (Applaus)

De voorzitter

De heer Delva heeft het woord.

Paul Delva

Minister, collega’s, in budgettair krappe tijden betekent één plus één vaak meer dan twee. Het komt er dus op aan om samen te werken en verbanden te leggen. Dat geldt ook voor de bevoegdheid Cultuur. Het is niet altijd gemakkelijk, maar op een aantal domeinen geeft de minister de richting aan. Voor de erfgoeddepots wordt er bijvoorbeeld gezocht naar samenwerking met private partners. Binnen het Mediafonds vinden cultuur en media elkaar om de audiovisuele sector te ondersteunen via het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF), dat voortaan de taken zal overnemen die vroeger door het departement werden uitgevoerd. Het geïntegreerde letterenbeleid wordt gerealiseerd in samenwerking met het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL). Er is ook het synergie- en transitietraject bij de grote culturele instellingen, waarop een aantal collega’s al gealludeerd hebben. Met een aantal beleidskeuzes bewijst de minister dat men ook zonder bijkomende financiële middelen een ondersteunend en innovatief cultuurbeleid kan voeren. Er zijn ook de ecocultuurprojecten, die ook worden ondersteund vanuit de bevoegdheid Leefmilieu, de e-cultuurprojecten en een aantal onderzoeken die inspirerend kunnen werken voor de hele sector, zoals de bibliotheek van de toekomst of de bibliotheekportalen.

De minister kiest dus voor een complementair beleid. Daarbij voorziet ze in gerichte budgetverhogingen, in functie van de gekozen prioriteiten. Ik som ze op, want ze zijn belangrijk. Er zijn een aantal miljoenen euro extra voor de uitvoering van de laatste ronde van het Kunstendecreet, er is meer geld voor de Luisterpuntbibliotheek en voor de Zorgbib, er is een budgetverhoging voor de amateurkunstenorganisaties en er is ook voldoende budget voor de uitvoering van de ViA-akkoorden. Dat gaat over grote bedragen. De minister gebruikt daarbij steeds dezelfde methodiek: een bottom-upbeleid, in overleg met de sector. Het cultuurforum, een jaarlijkse ontmoetings- en reflectieplaats, is een goede traditie aan het worden. De evaluatie van het Kunstendecreet gebeurt momenteel volgens dezelfde methodiek. Dat is cruciaal. Alle geledingen van de sector – de beoordelingscommissies, wetenschappers en experten – worden om hun evaluatie en beleidsaanbevelingen gevraagd. Op basis daarvan moeten de minister en het parlement in 2013 een breed gedragen beslissing kunnen nemen. De sector maakt daar trouwens werk van: de debatten en de studiedagen volgen elkaar op. Er wordt in de diepte en in alle openheid gedialogeerd. Hiervoor wil ik de hele kunstensector vandaag een pluim geven. Ik kijk ernaar uit om dit debat aan te gaan in ons parlement.

Een tweetal elementen om af te sluiten, ten eerste omdat ze actueel zijn en ten tweede omdat ik er grote belangstelling voor heb. Ten eerste is er het samenwerkingsakkoord met de Franse Gemeenschap, waarover een aantal collega’s het al hebben gehad. Ik wil de minister hiervoor feliciteren. De verwachtingen liggen hoog, ook in Brussel, waar de Vlaamse en de Franse gemeenschap elkaar nog meer ontmoeten dan elders. Ik denk dat dit een belangrijk nieuw cultureel beleidsinstrument is. Ik hoop dit te kunnen gebruiken als een hefboom om de twee gemeenschappen van dit land beter en meer te laten dialogeren, ook op cultureel vlak.

Het Vlaams regeerakkoord legt ook de nadruk op cultuureducatie. Er is werk van gemaakt. Het is goed dat de betrokken ministers van Onderwijs en Cultuur een beleid ‘Groeien in cultuur’ hebben opgezet, en dat er een vervolgnota komt ‘Doorgroeien in cultuur bij volwassenen’.

In de maand november vond een Kunstdag voor Kinderen, een nieuwigheid, plaats. Dat was een groot succes. Ik hoop dat het een jaarlijkse traditie zal worden die gezinnen zal prikkelen meer aan cultuur te participeren, en die ook cultuurorganisaties kan aanzetten nog meer in te zetten op een gevarieerd en gezinsvriendelijk cultuuraanbod. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Tommelein heeft het woord.

Minister, er ligt, wat het beleidsdomein Media betreft, nog heel wat werk op uw plank: werk dat is blijven liggen of waar tot nog toe weinig vooruitgang werd geboekt, of zelfs werk waar u nog niet eens aan bent begonnen.

De mediasector is een bijzonder dynamische omgeving, die bij uitstek wordt geconfronteerd met de toenemende globalisering. Het is dan ook uw opdracht om in Vlaanderen een kader te maken, waarbinnen gezonde en leefbare mediabedrijven kunnen opereren in die globale context. Tot nog toe en in de eerste plaats werd er vooral aandacht gegeven aan het vrijwaren van de dominante positie van de publieke omroep. Het derde net is hier het voorbeeld bij uitstek.

Minister, het wordt ook tijd om de rest van de sector wat aandacht te schenken, zonder daarbij de onafhankelijkheid en het private karakter van de verschillende ondernemingen te doorkruisen. Ik beperk me tot drie voorbeelden. Ik vraag me af hoe lang een mediaminister aan de zijlijn kan staan toekijken terwijl twee van de grootste mediaspelers niet meer on speaking terms zijn en zo een serieuze hypotheek leggen op de verdere ontwikkeling van het medialandschap. U spreekt altijd over uw faciliterende rol, maar de realiteit toont aan dat dit niet meer is dan een holle slogan. Kunt u zich voorstellen dat twee topspelers die elkaar nodig hebben, al maanden niet meer met elkaar spreken, laat staan samen aan tafel zitten? Het wordt hoog tijd dat dit conflict opgelost raakt, want ik kan me niet van de indruk ontdoen dat dit dossier aan het escaleren is. En uiteindelijk zal de kijker, de Vlaamse belastingbetaler, hiervan het slachtoffer worden.

Een tweede voorbeeld is het radiolandschap. Als we in 2016 een nieuw radiofrequentieplan in de steigers willen zetten, moeten we dringend nadenken over de vraag waar we naartoe willen met het Vlaams radiolandschap. Ook hier worden we geconfronteerd met de globalisering. Ik denk aan YouTube, internetradio of Spotify. Hoe willen we een economisch leefbare en kwalitatief hoogstaande radiosector organiseren? We staan vandaag helaas nog nergens. Nochtans lezen we elk jaar opnieuw dat er zal worden gestart met de voorbereidingen. Maar dit lijkt niet meer te zijn dan aankondigingspolitiek. Ik vrees, minister, dat over anderhalf jaar een nieuwe mediaminister in dit dossier van nul zal moeten starten. Dan zal het plots zeer snel 2016 zijn. In de voorbije jaren heb ik daar meermaals voor gewaarschuwd.

Een laatste voorbeeld is er een dat het beleidsdomein Media overschrijdt: de audiovisuele productiesector. Het federale tax-sheltersysteem en het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF) hebben sterk bijgedragen aan de professionalisering van de sector. Ik ben tevreden dat de minister-president uiteindelijk toch oor heeft gehad voor onze verzuchting over het concurrerende Wallimagefonds, door een gelijkaardig economisch investeringsfonds op te richten. Als het goed is, zeggen we het ook.

Binnen onze Vlaamse bevoegdheid moeten we verder durven na te gaan hoe we onze producten zoveel mogelijk kunnen commercialiseren in het buitenland om op die manier schaalvergroting en nieuwe jobs mogelijk te maken, uiteraard in samenwerking met de ministers van Cultuur en Economie. Dit moet een prioriteit worden.

Naast deze drie voorbeelden, voorzitter, wil ik het toch nog even hebben over onze publieke omroep. Die gaat tenslotte met 94 procent van de totale mediabegroting aan de haal. Bovendien staat de VRT voor een nieuwe besparingsopdracht gedurende de volgende drie jaar. En daar kwam toch interessante informatie naar boven.

De VRT, collega’s, bewijst immers dat deze begroting die we morgen moeten goedkeuren, totaal virtueel en achterhaald is. Terwijl we in het begrotingsdocument lezen dat het de goede kant opgaat met de eigen inkomsten van de VRT, stuurt de directie het tegenovergestelde signaal de wereld in. Dalende reclame-inkomsten worden immers als een van de hoofdoorzaken bestempeld van de bijkomende besparingen, die ervoor moeten zorgen dat de omroep het in 2015 met bijna 14 miljoen euro en 120 mensen minder kan doen. Niet alleen deze begroting is virtueel, ook de financiële afspraken die in de beheersovereenkomst werden vastgelegd, zijn amper na te komen.

Wat wel overeind blijft is het derde net: duur en totaal overbodig. Minstens 4 miljoen euro extra voor iets waar niemand op zat te wachten, en als we de kijkcijfers vandaag bekijken, is dat laatste nog niet veranderd. Het derde net, minister, kan worden gecatalogeerd onder die zogenaamde extra accessoires bij de wagen waar mijn fractievoorzitter het deze morgen over had. Zoals we allen voorspeld hadden, werd de VRT bang toen ze zag dat haar Ketnet-marktaandeel terrein verloor aan de private omroepen. Tegelijkertijd wou de VRT maximale ruimte voor een drukke sportzomer. Een extra kanaal was de perfecte oplossing. En u kwam ertussen fietsen met extra opdrachten voor jongeren en expats.

Dit plan lijkt grotendeels te mislukken. Misschien maar goed ook, want als we dan zien dat de VRT zelfs met een derde net extra efficiëntiemaatregelen kan nemen, moeten we toch durven vast te stellen dat er bij de VRT nog heel wat vet op de soep zit. En dat op een moment dat het water bij heel wat regionale omroepen steeds hoger aan de lippen komt. Het is misschien tijd, minister, om uw prioriteiten te herzien. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten

Collega’s, ik wil nog wat aanvullen en een paar antwoorden geven.

Het is inderdaad zo dat bij de distributeurs en de zenders het water nog altijd diep is. Dat is ook een gevolg van alle veranderende omstandigheden die zich in het televisielandschap aanbieden. Ik ben het eigenlijk volledig eens met de heer Vandaele die zegt dat het tijd is dat de commissie het voorstel van decreet dat is ingediend, kan worden besproken. Misschien zorgt het dat de partijen meer naar elkaar toe komen. U weet dat ik de indieners van dat voorstel volledig steun.

Voor de regionale zenders hebben we al heel wat stappen gezet. Een eerste stap is zorgen dat er een langere overgangsperiode is wat de terugbetaling betreft van de middelen die ze van de distributeurs krijgen. Een tweede stap is henzelf meekrijgen in het transformatieproject van hun eigen werking. Dat is uitgeschreven in de samenwerkingsovereenkomsten die intussen groen licht van Europa hebben gekregen. Ze zijn ook ondertekend en de regionale zenders zijn er momenteel allemaal mee bezig. Ik steun hen volledig in het transformatieproject.

Daarmee is nog niet het volledige probleem opgelost. Ik heb ook een studie besteld om de zendgebieden te onderzoeken. We zijn ook samen met hen een behoefteanalyse van de financiering van de zenders aan het maken. Dat werk gaat gestaag verder en ik zal in het voorjaar initiatieven nemen om die gesprekken tot een goed einde te brengen.

De heer Yüksel vroeg naar de werkomstandigheden. Die studie is niet blijven liggen. We hebben er integendeel een heel participatief project met de verschillende partners in de sector – werkgevers, werknemers – mee opgezet om na te gaan hoe er een draagvlak kan worden gevonden om die aanbevelingen ook effectief toe te passen. Ik ben eigenlijk heel tevreden. De verschillende werkgroepen hebben er hard rond gewerkt en zijn aan het concluderen. We zullen nagaan op welke manier sommige aanbevelingen door de werkgevers en de werknemers zelf in de praktijk moeten worden omgezet en met welke aanbevelingen wij als overheid initiatieven moeten of mogen nemen.

De regering is ook volop aan het werken rond het digitaal archief. We zijn bijna klaar met een concreet voorstel. De grote uitdaging voor deze regering is om alle ideeën die in het regeerakkoord staan, uit te voeren met de beperkte budgettaire mogelijkheden. We zijn dus aan het zoeken hoe we dat kunnen opstarten. Ook daar werken we dus gestaag aan verder.

Wat betreft het Kenniscentrum Mediawijsheid, is er een oproep gelanceerd. Ook dat zal snel worden opgestart en binnen het budget, collega Wienen. U moet zich geen zorgen maken, in dat budget is wel degelijk voorzien. Alles wat in mijn beleidsbrief staat, is gebudgetteerd.

Mijnheer Tommelein probeert me altijd in de hoek te duwen van de minister van de VRT, terwijl ik nochtans heel hard mijn best doe om dat niet te zijn.

Men probeert mij ook altijd in de hoek te duwen van anti-VRT. Ik doe ook mijn best om daar niet in te geraken.

Minister Ingrid Lieten

Dat is ook zo.

Ik wil dit even illustreren. In de beheersovereenkomst met de VRT hebben wij heel duidelijk de focus gelegd om de VRT te vragen en te stimuleren om op zo veel mogelijk terreinen samenwerking te zoeken en niet in een conflictsituatie te komen met collega’s concurrenten. Dat gebeurt ook. Ik weet niet of u dat gevoelen hebt, maar de signalen die mij bereiken, zijn dat er een goed overleg is en dat men probeert elkaar te vinden, ook in het licht van de grotere uitdagingen waar men voor staat.

Op de tweede plaats hebben we heel wat initiatieven genomen die helemaal niet naar de VRT gaan maar die ik nadrukkelijk naar de hele sector heb georiënteerd. Zo is er bijvoorbeeld de oprichting van het Media Innovatie Centrum (MIX), waarvoor we in middelen voorzien voor wat u terecht vraagt, namelijk te onderzoeken hoe een kader kan worden gecreëerd om de mediasector binnen de globale omstandigheden, die heel fel wijzigen ten aanzien van technologie en markten, levensvatbaar te houden en nieuwe initiatieven te ontwikkelen. Ook daar zie je dat verschillende partners elkaar vinden met respect en in gelijkwaardigheid.

Hetzelfde geldt voor het Mediafonds, waarvoor we heel specifiek middelen hebben vrijgemaakt. We hebben die niet bij de VRT gezet, maar bij het Mediafonds en het VAF, zodat ze voor alle zenders zouden kunnen worden gebruikt in volle onafhankelijkheid. Hetzelfde kan ik zeggen voor het Gamefonds, hetzelfde kan ik zeggen voor de Mediacademie. Telkens heb ik uitdrukkelijk de keuze gemaakt om voor de sector te gaan en geen middelen aan de VRT te geven. U zult het met me eens zijn dat ik sinds mijn aantreden het pad heb bewandeld van het steunen van de VRT in haar efficiëntieoefening. Een van de eerste dingen die ik heb gezegd, was dat we geen publieke omroep kunnen hebben die permanent in het rood staat. De VRT heeft de voorbije jaren fantastisch werk geleverd. Ze blijft op het pad van de efficiëntieoefening voortgaan om zo middelen vrij te maken om de nieuwe opdrachten en strategische keuzes die ze zelf maakt, te kunnen betalen.

In die optiek heeft men opnieuw een meerjarenplan gemaakt. Mijnheer Tommelein, weet u dat er verschillende ramingen waren van de reclame-inkomsten? De eerste was de raming voor 2012. Die blijkt mee te vallen. De reclame-inkomsten blijken nog altijd goed te zijn en iets boven de raming te liggen. Van de tweede raming, voor 2013, denkt men op basis van 2012 dat het misschien nog meevalt. Het derde cijfer is de raming in het meerjarenprogramma voor de jaren 2014-2015. Daar bouwt men de nodige reserves in omdat men denkt dat men die inkomsten misschien niet zal halen. In plaats van gewoon te blijven zitten en af te wachten, gaat men nu al in het meerjarenplan in de nodige besparingen en efficiëntieoefeningen voorzien om eventuele tegenvallers in reclame-inkomsten te kunnen opvangen.

Er is dus helemaal geen hypothetische begroting. De cijfers zijn duidelijk, als je ze tenminste in het juiste tijdskader bekijkt, namelijk de cijfers voor 2012, de cijfers voor 2013 en de cijfers in de meerjarenbegroting voor de jaren nadien.

Minister, u hebt een aantal dingen aangehaald die goed zijn. Ik erken dat ook. U weet dat ik in de commissie altijd de eerste ben om te zeggen dat we u steunen in de efficiëntiemaatregelen. Maar u moet me nog altijd uitleggen hoe die efficiëntiemaatregelen kunnen worden bereikt met het starten van een derde net. Ik heb het in de commissie vergeleken met een mama die twee kinderen heeft en die haar man probeert te overtuigen om een derde kind te nemen door te zeggen dat dat goedkoper is dan twee kinderen. Dat kan niet. Op het einde van de rit is drie kinderen duurder dan twee kinderen.

Wim Wienen

Voorzitter, ik heb er geen idee van hoe duur de kinderen van collega Tommelein zijn, ik wil me daar ook niet mee moeien. Maar over de kostprijs van het derde net blijft nog altijd heel wat mist hangen.

We hebben indertijd schattingen gekregen, onder meer van de directeur Media van de VRT, en toen ging het over 4,5 miljoen euro. Later is dat 7,5 miljoen euro geworden. We weten het nu nog niet. We stellen vast dat de VRT ter zake ook geen inzage geeft. De VRT zegt dat we maar moeten wachten op het jaarverslag 2012. Ik vind dat weinig redelijk omdat het op dit moment nuttig en wenselijk is dat er een evaluatie van het derde net wordt gemaakt. Ik herinner me nog een resolutie van bepaalde collega’s van de meerderheid naar aanleiding van de te onderhandelen beheersovereenkomst, waarin stond dat de regering eerst de nuttigheid, de wenselijkheid en de betaalbaarheid van het derde net moest kunnen beoordelen alvorens over te gaan tot de beslissing. Dat is toen niet gebeurd, en ik wil daarvoor nog vergiffenis schenken, maar ondertussen weten we nog altijd niet wat de concrete kostprijs van het derde net is en dat stoort me een beetje meer.

Ik heb nog een paar bijkomende vragen. Het eerste betreft uw voorstel. De regering is klaar inzake de archivering van het audiovisueel erfgoed. Ik had graag van u vernomen wat de houding van de VRT intussen is. We weten allemaal dat met het audiovisueel archief van de VRT, de VRT de grootste speler zal zijn in dat Vlaams instituut, maar de laatste keer dat de mensen van de VRT hier te gast waren, kon ik toch niet zeggen dat ze er enthousiast over waren. Ze twijfelden erover om tot dat instituut toe te treden.

Mijn laatste vraag gaat over het gamefonds. U hebt destijds een voortrekkersrol gespeeld, ook inzake educatieve games, samen met de minister van Onderwijs, wat betreft het zogenaamde PING (Poverty Is Not a Game!). Ik heb daar informatie over opgevraagd aan de kant van Onderwijs, en ik heb vastgesteld dat het educatieve game niet echt is doorgedrongen tot bij de leerkrachten en dus ook niet echt werd uitgerold in de scholen. Welke maatregelen zijn er intussen genomen om nieuwe educatieve games wel ingang te doen vinden in het onderwijs?

Minister Ingrid Lieten

Dames en heren, wat betreft het derde net blijven we met een aantal onder u van mening verschillen. Ik wil nog eens uitdrukkelijk stellen dat mijn beleidsprioriteit en die van de Vlaamse Regering is dat onze kinderen voldoende op een ongestoorde manier naar hun programma’s moeten kunnen kijken en dat de VRT ook aandacht besteed aan jongeren. Er is een traject over afgesproken dat ten aanzien van jongeren tegen de tweede helft van 2013 een invulling zal vinden. De VRT is daar nu volop mee bezig en krijgt daartoe mijn steun. De VRT krijgt belastingsmiddelen om voor elke Vlaming te werken en dus ook voor de kinderen en de jongeren.

Mijnheer Wienen, wat betreft de gaming, in de nieuwe oproep die we hebben gedaan, en het gamefonds, waarvoor we in middelen voorzien samen met minister Smet voor ‘serious games’ die ook educatief zijn, worden heel specifiek de distributie en de manier waarop een afgewerkte game naar de sector worden gebracht, meegenomen. Dat is inderdaad een van de zwakke punten. We moeten dit op de juiste manier doen zodat de leerkrachten er ook kennis van nemen en gemotiveerd worden om ze te gebruiken. Dat gaat niet door een game alleen maar op te sturen. We nemen dit nu ook mee op in de criteria om de projecten goed te keuren.

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Ik wil iedereen bedanken die een constructieve bijdrage heeft geleverd. Vooral ook vanuit de oppositie heb ik een aantal woorden van appreciatie ontvangen voor de aanpak van het Kunstendecreet, waarvoor dank. Er werden ook een aantal heel concrete vragen gesteld.

Een aantal collega’s hebben gevraagd naar de stand van zaken in de fusie van opera en ballet. We zitten op schema. Er is ondertussen een eengemaakte raad van bestuur en er werd ook een nieuwe artistieke directeur aangesteld voor het ballet. De vraag naar het financiële plaatje is terecht, net als de vraag naar de bevinding van de transitiemanager inzake de opportuniteit van de fusie en de vraag hoeveel extra middelen dit zal vergen. Gisteren is het rapport voorgesteld aan de raad van bestuur. De transitiemanager stond erop om dat eerst daar voor te leggen. Het is de bedoeling dat ik in de loop van de week dat financieel rapport ontvang en op basis daarvan een aantal conclusie trek.

Het is natuurlijk niet de bedoeling geweest dat die fusie, die samenwerking, een besparingsoperatie is, dat heb ik altijd al aangehaald. Maar het is ook niet de initiële bedoeling geweest dat dit een groot kostenplaatje zou hebben. Als de situatie blijft zoals vandaag, zal de opera in de financiële problemen komen. Dat geldt evengoed voor het ballet.

Die fusie was dus wel nodig om de toekomst van beide belangrijke instellingen veilig te stellen. Dat is een verantwoording voor die fusie. Wij wachten de financiële analyse af. Zoals we met dat eerste rapport van de transitiemanager gedaan hebben, kunnen we dit ook in de commissie bespreken en verder van gedachten wisselen.

Het was een engagement van de voltallige Vlaamse Regering om voor het Kunstendecreet substantiële middelen vrij te maken. Mijnheer De Gucht, we hebben veel meer projectmiddelen weten vrij te maken. We hebben ze naar 10 procent gebracht. Daar zit absoluut een visie achter. De bedoeling is dat we meer dynamiek in het veld mogelijk maken. We hebben daarom een sterk signaal gegeven aan de sector. We zullen dat inderdaad herzien. We hebben advies gevraagd aan de verschillende organen en steunpunten.

Mijnheer Caron, er is inderdaad een expertengroep aangeduid. Ik heb aan enkele onafhankelijke experten gevraagd om hun visie daarop te geven. Dat wil niet zeggen dat onze officiële adviesorganen geen advies uitbrengen; integendeel, ook zij zullen hun inbreng hebben. Het lijkt me positief om een ruimer debat te kunnen voeren samen met dit parlement.

Ik vind het heel positief dat de sector zelf samenkomt, zoals vorige week vrijdag, om te praten over de richting die ze willen inslaan. In januari komen we met de resultaten van de bevragingen naar buiten en starten we het debat hier in het parlement.

Ja, mijnheer Caron, er zijn meer middelen vrijgemaakt voor het internationaal cultuurbeleid. Het feit dat er binnen het Kunstendecreet 3 miljoen euro extra is, lijkt me in deze tijden een belangrijk signaal. Daardoor zijn er voor de internationale projecten ook meer middelen.

Ook buiten het Kunstendecreet hebben we in de voorbije twee jaar de internationale budgetten opgetrokken. Dat geldt uiteraard ook voor erfgoed. Ik weet dat de sector een beetje triest is omdat ze niet aanwezig zijn in de nota Internationaal Cultuurbeleid. Ik heb al in de commissie kunnen duiden dat dat niet de bedoeling is. Ook erfgoed heeft een heel belangrijke rol in dat internationaal beleid. Dat kunt u ook merken aan de middelen voor een residentieel erfgoedbeleid. Dat is nieuw. We hebben internationale projecten vrijgesteld voor erfgoedorganisaties die structureel worden ondersteund. Dat is nieuw. Dat is verankerd in het decreet. Dat wordt opengetrokken. Er is 1,2 miljoen euro ter beschikking in de begroting. Daarnaast hebben we de mogelijkheid om Europese ‘matching funds’ ter beschikking te stellen. Dat is allemaal specifiek voor het internationaal erfgoedbeleid. U ziet dat we daar werk van maken.

Mijnheer Caron, er is een visitatieverslag van de Brakke Grond. We hebben een internationale visitatiecommissie aangesteld. De experten hebben een verslag gemaakt. De conclusie is dat er nood is aan een update van het concept. Er is een uitgebreide bevraging geweest. We zullen het traject van de update samen met de Brakke Grond bekijken. Ik stel voor dat het rapport aan de commissie wordt bezorgd zodat we het daar verder kunnen bespreken.

Het is jammer dat mevrouw Idrissi hier niet meer is, ze heeft enkele interessante vragen gesteld.

De voorzitter

Die hoeft u volgens het reglement niet te beantwoorden. Wie vragen stelt, moet maar het geduld opbrengen om te wachten op een antwoord.

Dan stel ik voor dat we daar in de commissie op terugkomen, op een moment dat mevrouw Idrissi wel aanwezig kan zijn.

Mijnheer De Gucht, u verwijt me dat ik aan het dobberen ben, dat er niets vooruitgaat. Ik heb een lijstje gemaakt van de zaken die we in 2012 hebben gerealiseerd. Ik zal het u opsommen. We hebben het Kunstendecreet, 3 miljoen euro extra, een nota Cultuureducatie, een cultureel akkoord met de Franse Gemeenschap en een nota Internationaal Cultuurbeleid. de UiTPAS is ingevoerd. We hebben een geïntegreerd letterenbeleid sinds 2012. we hebben het Muziekoverleg en het Boekenoverleg officieel erkend. We hebben voor het eerst in de geschiedenis een sociaal akkoord met de sector, waardoor de koopkracht van de mensen tewerkgesteld in de culturele sector, versterkt wordt. We hebben meer middelen kunnen vrijmaken voor de amateurkunsten. We hebben de overlegcultuur opengetrokken met het Kunstendecreet en het Cultuurforum. We hebben de Kunstendag voor Kinderen ingericht, wat een groot succes is.

U noemt dat dobberen. Ik vind dat we heel hard roeien en sterk vooruitgaan. (Applaus bij CD&V en sp.a)

Wat u zegt over de projectmiddelen, dat klopt. U hebt inderdaad een keuze gemaakt. Dat is inderdaad positief. Maar de samenwerking met de privésector, daar zorgt u nog altijd niet voor. U hebt nog altijd geen mecenaatregeling. Er is nog altijd geen kunstkoopregeling. Die is verdwenen uit uw beleidsbrief. U hebt nog altijd geen contacten gelegd met de federale overheid om te kijken wat mogelijk is voor de uitbreiding van de tax shelter. U hebt trouwens ook niet geantwoord op de vraag over de financiële middelen die nodig zijn voor de samenwerking met de Franse Gemeenschap. Waarin voorziet u daarvoor?

Minister, onze vraag is of het mogelijk is om stappen te zetten tijdens deze laatste rechte lijn naar de verkiezingen van 2014 om ervoor te zorgen dat de weerbaarheid van de actoren in het culturele werkveld wordt vergroot door ervoor te zorgen dat ze minder afhankelijk zijn van subsidies dankzij mogelijkheden om privémiddelen binnen te halen. We weten allemaal dat ze voor een groot deel afhankelijk zullen zijn van subsidies. Ik denk aan het oormerken van bepaalde delen van de subsidie, waardoor de culturele sector verplicht wordt om op zoek te gaan naar privémiddelen, waardoor hij minder afhankelijk is van de conjunctuur en de gevolgen voor de subsidies, en hij over een paar jaar niet te horen krijgen dat er een kaasschaaf zonder enige visie passeert.

Mijnheer Tommelein, u had een vraag over film. Ik heb u onrecht aangedaan door er niet op in te gaan. Ik kan u zeggen dat we een nieuw instrument hebben ingevoerd, de distributieondersteuning, zodat de films die bij ons worden gemaakt, veel beter naar het buitenland kunnen worden gestuurd en bekeken, wat zowel voor de cultuur- als de economische sector een grote vooruitgang betekent.

Mijnheer De Gucht, u verwijt me altijd dat ik niet genoeg overleg pleeg met de federale overheid. Uw partij is natuurlijk ook zelf vertegenwoordigd in de Federale Regering. Wat uw opmerking ter zake betreft, niets is minder waar. We hebben al resultaten geboekt. Ik verwijs naar het leenrecht, dat in overleg met de Federale Regering is aangepast. We hebben kunnen bijsturen waar een aantal vrijstellingen zijn. Er is een substantiële verhoging van het leenrecht dat ook aan de auteurs wordt toegekend.

U verwijst ook altijd naar de tax shelter. U zou moeten weten dat er een akkoord is, dat er een bijsturing is gebeurd, dat er een aantal verfijningen zijn doorgevoerd, die ervoor zorgen dat het instrument beter werkt. Een aantal andere onderhandelingen zijn nog aan de gang. U kent echter ook de federale budgettaire context. U bent zelf vertegenwoordigd in de Federale Regering. Het is niet het moment om aan de federale overheid grote extra budgetten te vragen samen met een aantal grote fiscale vrijstellingen. U moet beseffen dat dat de dag van vandaag niet evident is. We blijven echter overleggen en zoeken naar mogelijkheden om het in deze financieel-economische situatie mogelijk te maken extra stappen te zetten.

Bart Caron

Minister, ik noteer met plezier dat u zegt dat de transitie Opera-Ballet van Vlaanderen geen besparingstraject is. U hebt dat al een paar keer gezegd, maar in deze tijden zou een mens daar wel bang voor worden.

Ik nodig u daarnaast uit om in het kader van de evaluatie en de herziening van het Kunstendecreet de discussie in grote openheid, ook met het parlement en het veld, te voeren. We worden vaak opgevoerd in discussies. Het zou een dossier kunnen zijn dat de klassieke tweedeling tussen meerderheid en oppositie overstijgt. De kunst- en cultuursector zou er een enorm belang bij hebben dat er een zo breed mogelijk draagvlak ontstaat. Dit is een uitnodiging om daar zo open mogelijk met ons aan te werken.

Ik heb ook een vraag gesteld over de gelden met betrekking tot het samenwerkingsakkoord tussen de Franse en de Vlaamse Gemeenschap.

Mijnheer De Gucht, we hebben nog maar net het akkoord afgesloten. In de begroting voor 2013 is er geen aparte post voor dat cultureel akkoord. We hebben altijd gezegd dat we dat via de middelen die we hebben, zullen doen. Onder andere in het Kunstendecreet hebben we meer middelen ter beschikking voor projecten. Van daaruit zullen we initiatieven die passen in dat akkoord met de Franse Gemeenschap extra ondersteunen. Het is niet zo dat er op dit moment een groter, ruimer, nieuw budget is vrijgemaakt. Ik denk niet dat het nu moment is om die middelen te vinden.

Dat neemt niet weg dat die initiatieven zullen worden genomen, dat er ook effectief vormen van samenwerking van start zullen gaan. Die middelen zullen zowel in de Franse Gemeenschap als bij ons worden geput uit de middelen die nu ter beschikking staan, bijvoorbeeld in het Kunstendecreet maar ook daarbuiten.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Voorzitter, ik stel vast dat niemand iets heeft gezegd over de beleidsbrief Sport. Ik kan u zeggen dat we daarover een heel goede bespreking hebben gehad. Ik ga ervan uit dat ik met de opmerkingen die daar werden gemaakt mijn beleid inzake Sport verder kan uitvoeren. Maar zo vinden we in de Handelingen toch iets terug over Sport. (Gelach)

De heer Gysbrechts, die voor ons dat dossier opvolgt, kon spijtig genoeg deze avond niet aanwezig zijn aangezien hij in Putte moest zijn. Hij heeft mij gevraagd hem hiervoor te verontschuldigen.

De voorzitter

Zijn er nog antwoorden voor de afwezige minister Smet? Er waren drie uiteenzettingen, als ik mij goed herinner.

Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten

Collega’s, er was toch een misverstand. Minister Smet had de indruk gekregen dat niemand iets zou zeggen over Jeugd. Ik zal in elk geval alle opmerkingen die hier werden gemaakt aan hem overbrengen.

De voorzitter

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Dan gaan we nu over naar het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Mevrouw Van der Borght heeft het woord.

Vera Van der Borght

Voorzitter, ministers, collega’s, een goede avond. Ik hoop dat jullie nog de energie kunnen opbrengen om toch nog even te luisteren. Bij plenaire begrotingsbesprekingen komt het er voor elke spreker traditiegetrouw op aan om in luttele minuten een zo ruim mogelijke kritische beschouwing te brengen over de beleidsmaatregelen. Dat leidt er vaak toe dat we tegelijkertijd veel en weinig gezegd hebben. Daarom zal ik een beetje afwijken van die aanpak.

Ik wil jullie confronteren met de harde realiteit. Ik doe dit naar aanleiding van de vele mails die wij bijna dagelijks krijgen van mensen die het uitschreeuwen van machteloosheid en die ten einde raad zijn.

Zo is er de schrijnende situatie van twee werkende ouders met vier kinderen, waarvan twee met een zeer zware handicap en een grote zorgnood. Ik wil dit brengen als voorbeeld van hoe het eraan toe gaat in de Vlaamse zorgsector. In het gezin waarover ik het wil hebben, leed de moeder aan een depressie en heeft ze momenteel het chronische pijn- en vermoeidheidssyndroom. Door de zorg ontwikkelde de vader rugklachten door overbelasting van zijn rug. De oudste dochter heeft een zware mentale beperking, kan niet alleen gelaten worden, eist voortdurende aandacht op, is incontinent en kan enkel binnenshuis stappen, met heel veel aandacht voor valpreventie. Zij zit eigenlijk meestal in een rolstoel. Op dit ogenblik loopt ze school in het bijzonder onderwijs en verblijft ze in een internaat voor minderjarigen. Ieder weekend gaat ze naar huis samen met haar zus, het tweede kind met een handicap.

De weekends zijn al ingekort, omdat het gezin het niet meer aankon. Voor hun oudste dochter kregen de ouders al twee keer een afwijzing om hun dossier te kwalificeren als een prioritair te behandelen dossier. Vorig jaar nog werd die kwalificatie geweigerd. Collega’s, weet u om welke reden? Omdat het netwerk te sterk is. Dit jaar viel de dochter onder de nieuwe regeling waarbij voor meerderjarigen die nog in een internaat verblijven, een overgang wordt georganiseerd naar een volwassenenvoorziening. Maar helaas, de regionale prioriteitencommissie van West-Vlaanderen erkende wel de vraag naar zorgcontinuering, maar is van mening dat de dochter van 22 jaar te jong is ten opzichte van de andere zorgvragers met een zorgvraag voor nursing. In andere provincies beslisten de regionale prioriteitencommissies nochtans anders.

We wisten al langer, minister, dat de regionale prioriteitencommissies er verschillende werkwijzen op nahouden. Je zou verwachten dat het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) dan bijstuurt, maar nee, zo’n commissie kan afwijken van de algemene regel en daarmee elk perspectief voor een gezin aan diggelen slaan. Deze beslissing komt heel hard aan bij de ouders, zeker als we weten dat West-Vlaanderen zijn contingent aan convenanten voor nursing niet eens volledig heeft ingevuld. Er was dus nog ruimte om hulp te bieden.

Zoals ik al zei, collega’s, ontvangen we vaak dergelijke verhalen, van mensen die de wanhoop nabij zijn. Ik kan voorbeelden geven voor elk van onze zorgsectoren. Minister, we weten allemaal dat er geen toverformule bestaat om wachtlijsten weg te werken, tenzij door massaal extra middelen in te zetten. U hebt de afgelopen jaren echter verkondigd dat alle heil zou komen van ‘de vermaatschappelijking van de zorg’. Mensen moeten zelf meer doen, een beroep doen op het eigen netwerk en op de reguliere zorg, de rechtstreeks toegankelijke hulp. Daarna, ja, als al het vorige niet volstaat, kan specifieke hulp worden ingezet.

Met het einde van deze legislatuur in zicht, dacht ik dat het moment gekomen was dat we een en ander zouden zien in de begroting. Maar behalve veel plannen tegen 2020 zie ik geen ommekeer in de aanpak, veeleer een verschuiving van de verantwoordelijkheden. Het concept ‘vermaatschappelijking van de zorg’ wordt bij gebrek aan versterking van de belendende sectoren een heel duur woord voor de simpele Vlaamse uitdrukking: ‘Trek uw plan.’ Het voorbeeld waarmee ik ben begonnen, illustreert dat. Mensen zijn aan het einde van hun Latijn. Ze zijn fysiek en geestelijk uitgeput. En wat zegt men dan? Het netwerk is voldoende sterk. Doe gewoon voort!

Minister, hier komen drama’s van. Uw pleidooi voor een vermaatschappelijking van de zorg is geënt op een maatschappij die niet meer bestaat. Vrouwen zijn niet meer de hele dag thuis. En waar gezinnen vroeger meerdere generaties telden en drie, vier, vijf of zes kinderen hadden, zijn die vandaag zeer uitgedund. Men kan zich bijgevolg afvragen wat nog de waarde is van de zorggarantie die tegen 2020 beloofd wordt. Voor elk gezin dat een engagement opneemt voor zijn gehandicapt familielid zal er niets zijn. Voor wie het in de steek laat, zal alles mogelijk zijn. Daar komt het eigenlijk op neer.

Het persoonsgebonden budget (PGB) is nog altijd niet in uitvoering. Ik vraag me af of het nog zal gebeuren deze legislatuur. Let op, het is wel van naam veranderd, namelijk van persoonsgebonden budget naar persoonsvolgend budget. Dat vond men blijkbaar noodzakelijk, ook al kan niemand mij uitleggen waarom. Men blijft beweren dat er geen verschil is tussen beide. Wel, minister en collega’s van de meerderheid, als er geen verschil is, kunt u mij dan eens vertellen waarom die naamswijziging er per se moest komen? Voor de gemoedsrust van velen in de sector zou het veel beter zijn om het gewoon te houden bij PGB.

Hoeft het te verwonderen dat uiteindelijk een aantal mensen, uit onvrede met wat er bestaat, en vaak ook uit pure miserie, al hun hebben en houden investeren in een eigen kleinschalige residentie voor personen met een handicap, veelal hun eigen kinderen? Deze particuliere initiatiefnemers nemen met eigen middelen een stuk van de huisvestingsverantwoordelijkheid van de falende overheid over, maar worden in uw beleid miskend. Voor dergelijke projecten wilt u immers nog altijd geen persoonlijke zorg- of assistentiebudgetten voorbehouden, terwijl de VIPA-buffers voor de instellingen en voorzieningen daarentegen geen probleem vormen.

Ik vraag me dan af: waar is de ‘change’, de verandering? Mevrouw Stevens, uw partij verkondigt steeds dat het Vlaamse niveau het zoveel beter doet dan het federale. Het spijt me, maar ikzelf noch de wachtenden zien hier ‘de kracht van de verandering’. Is dit dan de grote durf die uw partij telkens promoot?

We hebben de voorbije jaren gezien dat er een immens aantal private initiatiefnemers zijn gaan investeren in de zorgsector: in de kinderopvang, in de ouderenzorg, en nu ook meer en meer in de zorg voor personen met een handicap. Dat, minister, is de realiteit vandaag, en zo zal dat morgen nog meer zijn. Wie de zorg aanbiedt – overheid of privé –, is niet zo belangrijk voor de mensen die zorg nodig hebben, wel dat die kwalitatief is, beschikbaar en financieel toegankelijk.

Minister, wij van Open Vld pleiten voor een echte verandering. Open Vld pleit voor de financiering van mensen in plaats van voorzieningen, zodat we een echt vraaggestuurd beleid krijgen. Open Vld pleit voor een administratie die verder kijkt dan het papieren dossier, voor een vermaatschappelijking van de zorg waarbij écht wordt gekeken naar de draagkracht van mensen en naar de inspanningen die mantelzorgers leveren voor hun ziek, oud, gehandicapt familielid. Ik bezweer u dat we die inspanningen zwaar onderschatten. Open Vld pleit voor een zware investering in de belendende sectoren die mensen écht zullen kunnen bijstaan wanneer men kiest voor zorg thuis, dus niet alleen tijdens de kantooruren maar ook op zon- en feestdagen, en ook na 17 uur, zeker als het gaat om zwaar zorgbehoevende bejaarden

Open Vld pleit voor realiteitszin voor de opvang thuis van dementerenden. Dat lijkt mooi, maar ga in godsnaam eens praten met wie met die realiteit in een thuiszorgsituatie geconfronteerd wordt. Open Vld pleit voor transparantie voor iedereen die geconfronteerd wordt met een zware zorgsituatie en het bos door de bomen niet meer ziet. Ook dat is een probleem.

Het verzoekschrift van een aantal verantwoordelijken van voorzieningen én ouders van kinderen met een handicap, dat we enkele weken geleden behandelden in de commissie, heeft mij geleerd dat de mensen niet meer geloven in een perspectief, ook niet tegen 2020.

Minister, leden van deze Vlaamse Regering, collega’s uit de meerderheid, ik weet niet hoe jullie hiermee nog vrede kunnen nemen, en wat jullie aan al die mensen nog antwoorden. Ikzelf weet het niet meer, ik weet alleen dat ik naar al deze mensen toe een zeker gevoel van schaamte heb. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

Mevrouw Vogels heeft het woord.

Mieke Vogels

Voorzitter, ministers, collega’s, ik wil voor de vijf minuten die mijn fractie mij gegeven heeft, gebruikmaken het feit dat er hier zoveel ‘schoon volk’ aanwezig is. Ik denk dan aan u, voorzitter, aan de minister van Begroting, en aan de fractieleiders.

Ik wil namelijk mijn bezorgdheid uiten over het feit dat de begrotingen steeds minder leesbaar zijn. Ik zit hier al een tijdje, en tot pakweg vier jaar geleden had men in elke begroting de zogenaamde prestatiedrijvers die een overzicht gaven van in hoeverre de doelstellingen van de regering waren uitgevoerd. In hoeverre was de programmatie uitgevoerd? Daarna kreeg men per programma een tabel met een duidelijk overzicht van de verschillende jaren en een duidelijke uitleg over de oorsprong van het verschil.

Voorzitter, collega’s, fractieleiders, vandaag hebben wij begrotingen die vooral veel woorden bevatten – veel blabla – over strategische en operationele doelstellingen, maar die steeds minder cijfers inhouden.

Voorzitter, ik maak me daar zorgen over. In het laatste jaar van deze legislatuur zou men dat eens moeten bekijken. De taak van een parlementslid van het evalueren en bespreken van begrotingen wordt steeds moeilijker.

Mevrouw Vogels, ik begrijp uw zorg, maar we bevinden ons natuurlijk enigszins in een overgangsfase. Op vraag van het parlement gaan we naar een prestatiebegroting. In het Rekendecreet is ook voorzien in de mogelijkheid om meer binnen een lijn te schuiven, waardoor het natuurlijk minder zinvol is om bepaalde details te geven, terwijl dat vroeger wel zinvol was. Dat zou immers betekenen dat we u details geven, waarna het departement zelf rustig kan schuiven. Dat is de filosofie van het Rekendecreet.

Ik ben het wel met u eens dat we nog verdere stappen moeten zetten bij de verdere evolutie naar een prestatiebegroting. Dat heb ik ook gezegd naar aanleiding van de bespreking met het Rekenhof. Dat zal elk jaar beter zijn. Het Rekenhof heeft overigens al aangegeven dat de stap tegenover vorig jaar duidelijk zichtbaar was. We zullen daar verder aan werken.

Mieke Vogels

Dan heeft het Rekenhof meer gezien dan ik. Ik heb niet veel verschil gezien.

Marijke Dillen

Minister, ik heb aandachtig naar uw uitleg geluisterd, maar eigenlijk geeft u geen concreet antwoord op de terechte opmerkingen van mevrouw Vogels. Zij en ik hebben al heel veel ervaring in dit Vlaams Parlement. In het verleden waren de begrotingen werkelijk leesbaar. Zoals iemand daarnet zei, het is de taak van de oppositie om de regering te controleren, maar vandaag is het voor ons echt heel moeilijk om die opdracht nog te vervullen. Zowel mevrouw Vogels als ikzelf en mevrouw Van der Borght klagen dat al meerdere jaren na elkaar aan. Elk jaar wordt er beterschap beloofd, maar tot op heden is die beterschap er niet. Ik wil van u nu echt eens concreet vernemen wanneer we opnieuw een leesbare en begrijpelijke begroting krijgen.

Mevrouw Dillen, ik heb wél geantwoord. Ik heb heel duidelijk gezegd dat het niveau, dus tot welke details we moeten gaan, hoger ligt dan in het verleden, ook omdat er binnen een departement kan worden verschoven tussen begrotingsartikelen. Het Rekendecreet heeft daar duidelijk in voorzien. Daarom is het gedetailleerde dat in het verleden bestond, vandaag niet meer zinvol. Als men kan schuiven van het ene naar het andere, wat is dan nog de zin van het doorgeven van het lagere niveau dat in het verleden werd gegeven? Dat gebeurt dus niet meer, conform het Rekendecreet. Dat decreet stelt heel duidelijk tot op welk niveau we details moeten geven. Mevrouw Smaers heeft deze ochtend in haar verslag weergegeven dat het Rekenhof de vooruitgang ziet en dat er nog verder vooruitgang kan zijn. We bevinden ons echter in een overgang naar een ander soort begroting dan in het verleden, een begroting die beter aansluit bij wat ook in het bedrijfsleven bestaat.

Mieke Vogels

Deze beleidsbrieven en de begrotingen werken ook met strategische en operationele doelstellingen. We zouden kunnen veronderstellen dat men jaar na jaar toetst hoever men is geraakt met die operationele doelstellingen, maar dat is niet het geval. Doe dat dan al minstens. Vroeger was dat wel zo.

Ik wil de rest van mijn tijd gebruiken om enigszins te illustreren dat de verregaande macht van administraties om met bepaalde kredieten te schuiven, ook wel zijn gevolgen heeft. Een aantal leden hebben het al gezegd: dit is de laatste echte begroting. Als de wereld niet vergaat op 21 december, vrijdag dus, dan zullen wij hier volgend jaar rond dezelfde periode opnieuw staan met de verkiezingen in het oog.

Ik richt me tot de minister van Welzijn. Minister, ik zou me eigenlijk kunnen beperken tot de verklaring dat de wachtlijsten alleen maar langer worden. Mevrouw Van der Borght heeft dat ook al gezegd. Dat is zo in de gehandicaptensector, in de bijzondere jeugdzorg, in de ouderenzorg, in de geestelijke gezondheidszorg.

Uw partij heeft er nog niet zo lang geleden een punt van gemaakt om die wachtlijsten weg te werken. In de beslotenheid en intimiteit van deze ‘schelp’ wil ik niet populistisch gaan doen en ga ik u ook niet afrekenen. Ik heb dat trouwens in de afgelopen jaren ook niet gedaan. Ik sta niet, zoals destijds CD&V deed, met de ransel op die wachtlijsten kloppen.

Waarom niet? Omdat ik het samen met u eens ben dat meer van hetzelfde geen oplossing zal bieden. Zorg zal op een ander manier georganiseerd moeten worden. Ik denk dat we elkaar op dat vlak vrij goed vinden. We moeten evolueren, althans in theorie, naar een vraaggestuurde werking. We moeten uitgaan van de sterkte van iemand die hulp vraagt, in plaats van zijn zwakte. We moeten kijken naar wat hij nog wel kan. En ook – en misschien vooral – naar wat zijn omgeving nog kan. We moeten proberen die omgeving te versterken. Ik denk dat we het daar in theorie over eens zijn.

Tijdens deze legislatuur is dat vertaald in de term – zoals reeds aangehaald door mevrouw Van der Borght – ‘vermaatschappelijking van de zorg’. Ik ben het daarmee eens en beaam dat het een bijzonder kwetsbaar begrip is. Vermaatschappelijking van de zorg betekent eigenlijk dat je aan de omgeving van iemand die om hulp vraagt, vraagt om opnieuw meer in te zetten, waarbij je die omgeving helpt versterken. Je maakt die omgeving dus sterker. Doe je dat niet, minister, dan zeg je aan de dienst vermaatschappelijking van de zorg: “trek uw plan”.

Als ik terugblik op de voorbije jaren van deze legislatuur, dan stel ik vast dat u dit idee van vermaatschappelijking van de zorg op een zelfs wervende manier hebt kunnen vertalen in de gehandicaptensector in het Perspectief 2020, en in de bijzondere jeugdzorg, daarbij enigszins in de richting ‘integrale’. Dit hebt u gedaan door aan de mensen te zeggen dat die vermaatschappelijking van de zorg, die zorgvernieuwing het zal moeten waarmaken. Dit moet het worden! Alleen het spagaat tussen enerzijds de mooie plannen die de mensen op het terrein nieuwe zuurstof en hoop geven en anderzijds de realiteit van het beleid wordt steeds groter. Ik maak me daar gigantisch veel zorgen om.

Enerzijds is er Perspectief 2020 en vermaatschappelijking van de zorg, maar aan de andere kant zie je dat de uitbreidingsmiddelen worden toegekend op basis van dossiers en formulieren zonder rekening te houden met de context.

Mevrouw Van der Borght zei het reeds: als je in een nog schrijnender dan schrijnende situatie zit en dat blijkt uit uw dossier, dan kun je hulp krijgen. De toegangspoort tot de integrale jeugdhulpverlening is net hetzelfde verhaal.

Minister, er is zo’n groot verschil aan het groeien tussen droom en daad, dat de motivatie in uw sector steeds verder wegsmelt.

U hebt nog één jaar de tijd om die kloof te dichten. Ik doe daarom hier een emotionele oproep om te kiezen voor de vele hulpverleners in alle sectoren die echt bereid zijn om het anders te doen. Geef hun alstublieft de ruimte en de vrijheid om hulp te verlenen en stop alstublieft om alles in formulieren, hokjes en modules te stoppen, zoals uw verzelfstandigde administraties helaas al te vaak doen. Het is uw laatste kans: grijp ze.

De voorzitter

Mevrouw Vogels, ik nodig u bij deze van harte uit lid te worden van de werkgroep die zich over de leesbaarheid van de begroting zal buigen, en stel tot mijn tevredenheid vast dat u mijn uitnodiging aanvaardt. Ik houd u aan uw belofte.

Mevrouw Jans heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, de beleidsbrief en de begroting zijn in de commissie uitgebreid toegelicht en besproken. Voor CD&V is het belangrijkste en meest positieve punt dat, ondanks de budgettaire beperkingen, het uitbreidingsbeleid volledig gevrijwaard is gebleven. Er zijn duidelijke en ons inziens juiste keuzes gemaakt. Zo gaat er dit jaar meer dan 27 miljoen euro extra naar uitbreidingen in de sector van personen met een handicap. Zo blijven we, ondanks de besparingen, op schema om deze legislatuur meer dan 145 miljoen euro uit te trekken voor extra plaatsen.

Dat is een budget bovenop de dotatie die jaarlijks naar het Vlaams agentschap gaat. Het gaat om een dotatie van 1 miljard euro en bijna 400 miljoen euro. Dit bedrag stijgt dit jaar met meer dan 44 miljoen euro.

Een andere duidelijke keuze is de kinderopvang.

Marijke Dillen

Mevrouw Jans, er zijn inderdaad bijkomende middelen vrijgemaakt voor het uitbreidingsbeleid. Ik heb dat tijdens de besprekingen in de commissie ook toegegeven. Maar hoewel er bijkomende plaatsen komen, kunt u er toch niet omheen dat het aantal mensen op de wachtlijsten blijft stijgen. Onlangs zijn de cijfers opnieuw bekendgemaakt. Die cijfers nemen werkelijk dramatische vormen aan. Wat zult u en uw regering doen om ervoor te zorgen dat daar tegen het eind van deze legislatuur verandering in komt?

Deze regering, en dat siert de minister, heeft bij haar aantreden niet beloofd om tegen het einde van de legislatuur de wachtlijsten weg te werken. In het verleden hebben we daar andere beloftes over gehoord die nooit zijn gerealiseerd. U kunt er echter niet omheen dat er meer dan een tandje moet worden bijgestoken. Mevrouw Van der Borght heeft daarstraks op een mooie wijze duidelijk gemaakt dat de wachtlijsten blijven stijgen. Wat zult u daaraan doen?

Bart Van Malderen

Ik had daarnet een beetje schroom om mevrouw Van der Borght te onderbreken, maar nu de vraag zo duidelijk wordt gesteld en mevrouw Jans duidelijk heeft geschetst welke inspanningen deze legislatuur gebeuren, wil ik toch even het woord nemen.

Als we de lijn doortrekken en we hebben de intentie om dat te doen, dan zullen we deze legislatuur meer dan 1 procent bijkomende middelen in deze sector pompen. Dat is een heel belangrijke inspanning. We hebben van meet af aan gezegd dat alleen meer middelen geen antwoord zullen bieden op een stijgende vraag en waarbij de noden voordien al veel groter waren dan de antwoorden die we daarop kunnen bieden.

Ik heb het voortgangsrapport bij me dat een paar weken geleden in de commissie is toegelicht. Een veranderingsmanager is toen heel fijn komen toelichten waar we deze legislatuur al vorderingen hebben gemaakt om niet 145 miljoen euro, maar wel het voltallige bedrag anders te besteden. We zullen er deze legislatuur nog niet zijn, want het eerlijke engagement dat aan het begin van deze legislatuur is aangegaan, is dat we naar een Perspectief 2020 gaan. Mevrouw Dillen, u was aanwezig bij de voorstelling van die voortgangsrapportage. Ik kan u alleen maar zeggen dat daar keihard aan verder gewerkt wordt.

We hebben altijd gezegd dat we deze legislatuur de omslag wilden. Ik heb tot nu toe alle indicaties dat dit ook zal gebeuren.

Marijke Dillen

Mijnheer Van Malderen, eigenlijk bevestigt u wat ik heb gezegd.

Minister, de regering levert inspanningen, maar tegelijkertijd kunnen we niet rond de vaststelling heen dat het aantal wachtenden blijft stijgen. U moet daar iets aan doen. Ik heb ook geen pasklaar antwoord, want anders had ik het u al lang gegeven. U moet echter proberen om tegen het eind van de legislatuur een bepaalde ombuiging te realiseren in die wachtlijsten.

Dat is net waar we mee bezig zijn. Er zijn twee zaken vooropgesteld deze legislatuur. Een daarvan is een vrij ambitieus financieel meerjarenplan. We zaten, we zitten en we blijven op schema. Daarnaast gaat het om een inhoudelijk project waarbij we die grote tanker proberen te keren. Ook daarvan heeft de rapportage een aantal weken geleden aangetoond dat we op schema zitten. En ja, elk schrijnend geval is er een te veel. En ja, de cijfers van de Centrale Registratie van Zorgvragen nemen toe. Maar de uitvoering van het vooropgestelde financiële plan en het inhoudelijke traject dat we hebben vastgelegd afwerken, lijkt me gezien de budgettaire omstandigheden een sterk ankerpunt om aan vast te houden.

De budgettaire keuze is gemaakt: in eerste instantie voor personen met een handicap en in tweede instantie voor kinderopvang. De dotatie aan Kind en Gezin stijgt. Ook daar is er ruimte voor uitbreiding, voor nieuw beleid en voor extra plaatsen. Verder wordt ook nadruk gelegd op de ouderenzorg en op de urencontingenten die met 2,5 procent stijgen.

Vera Van der Borght

Mevrouw Jans, de budgetten zijn inderdaad gestegen. Het klopt dat Welzijn de sector is die het minst heeft moeten inleveren. Maar we moeten met zijn allen erkennen dat sinds 2004 de wachtlijsten alsmaar blijven aangroeien, ondanks alle inspanningen. Wij proberen nu al jaren duidelijk te maken dat er een ommekeer moet komen. Er moet iets anders komen. Men wil dat blijkbaar niet inzien. Men heeft nu een groot plan tegen 2020. Wie van ons zal hier in 2020 nog zitten? Wie zal er verantwoording afleggen? (Opmerkingen. Gelach)

U kunt ermee lachen, maar ik vind dat niet om te lachen. Wij maken plannen voor 2020. Dat is allemaal voor degenen die na ons komen. Maar mensen die vandaag problemen hebben, hebben geen baat bij een plan voor 2020.

Mevrouw Van der Borght, het is geen plan voor 2020. Het is een plan met perspectief 2020. Het is dus ook een plan voor 2012, 2013, 2014. Er is een traject, en dat wordt gevolgd. Het klopt dat het moeilijk is om die tanker te keren, maar het vooropgestelde traject wordt gevolgd. De ambitieuze financiële meerjarenplanning, die de sector extra budgetten geeft, wordt uitgevoerd. Als niemand de pasklare oplossing heeft, moeten we elkaar durven aan te kijken en zeggen: durven we hiervan af te wijken? Heeft iemand een alternatief dan de middelen die zijn vrijgemaakt, aan die sector te verschaffen?

Het Perspectiefplan 2020 ademt een persoonsgebonden financiering uit: mensen meer kracht en middelen geven om op maat van hun situatie zorg in te kopen en het ideale te doen voor hun situatie. De minister is daar heel duidelijk in geweest. Wij hebben ons daar als commissie achter geschaard. De keuze is hier genomen om in te zetten op gehandicaptenzorg, kinderopvang en de uitbreiding van de uren. Wij vinden dat, gezien de budgettaire situatie op dit moment, juiste keuzes.

Opvallend ook in de beleidsbrief van de minister, en daardoor ook in de begroting, is de aandacht voor mantelzorgers en vrijwilligers, maar ook voor de sociaal zwakkeren: mensen in armoede, dak- en thuislozen, zwaar zorgbehoevenden, slachtoffers van misbruik en mishandeling, personen met een handicap, kwetsbare kinderen en jongeren. Dat blijkt bijvoorbeeld in het beleid aangaande de geestelijke gezondheidszorg. We werken daar niet alleen rond bijvoorbeeld suïcidepreventie, maar zetten ook echt in op de doelgroepwerking.

Op basis van de gezondheidsdoelstellingen wordt de verdere uitbouw van de preventieve gezondheidszorg in het vooruitzicht gesteld. Het meest opvallende punt daar is de nieuwe gezondheidsdoelstelling inzake kanker.

De minister moedigt de verschillende beleidssectoren ook expliciet aan tot innovatie, zowel op technologisch vlak als in de organisatie van de zorg. En er is natuurlijk ook het kwaliteitsdenken. Echte kwaliteit komt echter in de eerste plaats van de mensen die in de sector werken en daar elke dag het verschil maken. Positief en uiterst belangrijk is dat er wederom duidelijk wordt ingezet op werken in de zorg. Samen met de sector zien wij een voorzichtige, doch positieve trend. Meer mensen kiezen vandaag voor een zorgberoep. Maar we blijven pleiten voor een doorgedreven zoektocht naar voldoende goede mensen voor de sector.

Minister, het beleid en de budgetten die u daarvoor vrijmaakt, tonen aan dat ook u die zoektocht verder zult zetten. Het zijn die mensen die het verschil maken. Voor die werkers in de zorg en hun cliënten en patiënten vinden wij voldoende goede keuzes in dit vooropgestelde beleid. (Applaus bij CD&V en de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw De Wachter heeft het woord.

Else De Wachter

Voorzitter, collega’s, leden van de regering, het wordt stilaan wat later op de avond, maar de kwaliteit blijft aanwezig tijdens de debatten. En dat is uiteraard het voornaamste.

Minister, de beleidsbrief Welzijn, en de daaraan gekoppelde begroting, geeft net als de vorige beleidsbrieven uitvoering aan de beleidsnota. Uiteraard moeten we daarbij rekening houden met de situatie van vandaag. Als we kijken naar de economische toestand, kunnen we zeggen dat die niet al te rooskleurig is.

We moeten dus zoals iedereen de tering naar de nering zetten en onze uitgaven nauwgezet in de gaten houden. Ik heb met mevrouw De Vits afgesproken dat ik haar vragen en bekommernissen zou meegeven. Het is belangrijk, als je weet dat je rekening moet houden met de economische situatie, dat je maatregelen neemt en dat je vragen krijgt van de verschillende sectoren.

Mevrouw De Vits wilde het hebben over de niet-indexering van de werkingsmiddelen, het on hold zetten van de inwerkingtreding van de kindpremie, het extra forfait in de zorgverzekering voor de zwaarst zorgbehoevenden met een verhoogde tegemoetkoming en de maximumfactuur in de thuiszorg, de generieke besparing in het kader van de vermindering van het aantal voltijdsequivalenten met 6 procent. Het is logisch dat vanuit Welzijn ook een steentje wordt bijgedragen om de begrotingsdoelstellingen te halen. Het is niet meer dan normaal dat we vanuit de sector toch een aantal vragen en opmerkingen krijgen. Minister, kunt u daarop een antwoord formuleren?

Minister, hebt u al een zicht op hoe u die 6 procent besparing zult halen? Werden hierover al afspraken gemaakt met de bonden? Voor het derde jaar op rij kiest men voor een niet- indexering van de werkingsmiddelen. Een deel van de reële kostenstijging of de volledige prijs van een kostenstijging komt dus bij de voorzieningen en ondernemers te liggen. De Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid (SAR WGG) vreest dat dit zal worden doorgerekend aan de gebruiker, en zo komt de toegankelijkheid van de zorg in het gedrang. Dit is iets dat we absoluut moeten vermijden. Hebben wij trouwens nu al zicht op de impact van deze beslissing op de voorbije twee jaren? Merken we dat de gebruikers meer moeten betalen?

Er is het decreet Vlaamse Sociale Bescherming. We kunnen begrijpen dat men de beslissingen on hold zet, maar dit maakt de impact des te groter op de volgende jaren, doordat we de bestaande decreetgeving nog in werking moeten laten treden. We moeten werk maken van bijvoorbeeld het extra forfait in de zorgverzekering of de betaalbaarheid van de thuiszorg. De financiële impact van deze beslissing mag niet worden onderschat.

Tegelijkertijd moeten er nog een aantal hoofdstukken aan de Vlaamse sociale bescherming worden toegevoegd, zoals bijvoorbeeld de begrenzing van de kosten in de residentiële ouderenzorg. Minister, het is een goede zaak dat u ervoor opteert om ook hier het voorbereidende decretale werk al te starten, maar de crisis is er niet alleen op overheidsniveau, steeds meer mensen hebben moeite om de eindjes aan elkaar te knopen.

Dit jaar zullen we ook duidelijkheid krijgen over de uitvoeringsbesluiten van het decreet Kinderopvang. Mijn fractie kijkt alvast uit naar deze besluiten. Ik denk dat het aangewezen is om zo snel mogelijk duidelijke invulling te geven aan het nieuwe vergunningenstelsel, de kwalificaties van de begeleiding. We hebben daarover al voldoende gediscussieerd in de commissie. Bovendien wil de sector ook snel inzicht in de nieuwe trapsgewijze subsidiëring en het lokaal loket.

We wensen ook duidelijkheid over het uitbreidingsbeleid in 2013. 2013 zal in het teken staan van het kind voor wat Welzijn betreft. U zult het decreet op de Huizen van het Kind willen indienen in dit parlement. Minister, we hebben u hierover al meermaals ondervraagd in de commissie. Voor ons is het alvast belangrijk dat men voldoende flexibiliteit geeft aan de partners op het terrein, zodat ze op lokaal niveau de beste invulling kunnen geven aan deze Huizen van het Kind.

Voor ons is het belangrijk dat u bepaalde projecten structureel kunt verankeren. Er moet worden gewerkt aan gezinsondersteuning. Voor integrale jeugdhulp wordt het een belangrijk jaar. We kunnen een enorm belangrijk dossier verder uitwerken.

Ik sluit mijn tussenkomst af met mijn stokpaardje, adoptie. Vandaag hebben we vernomen dat de laatste uitvoeringsbesluiten werden goedgekeurd. Dat is een heel belangrijk gegeven vanaf 2013, maar er is op federaal niveau nog heel wat werk op het vlak van interlandelijke adoptie. Minister, ik kan alleen maar vragen om met de federale minister te bekijken hoe u dat verder kunt aanpakken, vooral inzake volle adoptie.

De voorzitter

Mevrouw Stevens heeft het woord.

Helga Stevens

Voorzitter, minister, collega’s, de beleidsbrief voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin kan rekenen op de goedkeuring van onze fractie. Ingaan op alles, zou ons veel te ver leiden. Ik ga er enkele zaken uit lichten die voor onze fractie belangrijk zijn. Voor de globale bespreking kunt u het verslag van de commissie lezen.

Een belangrijke beslissing waar we niet rond kunnen, is uiteraard het ‘on hold’ zetten van de Vlaamse sociale bescherming. We vinden dat jammer, maar een begroting in evenwicht is in economisch moeilijke tijden van groot belang. Een nieuw Vlaams sociaal beleid, inclusief de kindpremie, had er dit jaar enkel kunnen komen als we zouden snoeien in groeibevorderende maatregelen of als we de belastingen zouden verhogen. Dat wilden wij niet. Ook de N-VA kan compromissen sluiten, maar uitstel zal zeker geen afstel zijn.

Afgelopen jaar keurden wij in dit parlement het kaderdecreet Kinderopvang goed, dat de hele kinderopvangsector op een nieuwe leest zal schoeien, zowel in Vlaanderen als in Brussel en de Vlaamse Rand. Hiermee willen we de combinatie tussen arbeid en gezin voor werkende en werkzoekende ouders gemakkelijker maken. Tegelijkertijd zijn we blij met het engagement dat ook in de verdere uitbreiding van het aantal kinderopvangplaatsen geïnvesteerd zal worden. Een en-enverhaal dus: niet alleen de kwaliteit maar ook de kwantiteit gaat naar omhoog.

Inzake jeugdhulp staan we voor een belangrijke uitdaging. Het decreet Integrale Jeugdhulp staat op stapel en zal een stevige impact hebben op de sector. Het decreet moet naast een nieuwe intersectorale toegangspoort voorzien in een belangrijke uitbreiding van de toegang tot de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp. Hierin past ook het nieuwe Pleegzorgdecreet waarbij er meer ruimte wordt gelaten voor combinatie met andere vormen van hulpverlening.

In 2012 werd in het kader van Perspectief 2020 heel wat voorbereidend werk verricht in de sector van personen met een handicap. Dat zal in 2013 worden voortgezet en geëvalueerd en waar nodig bijgestuurd. De N-VA wil deze transitie van aanbod- naar vraaggestuurde ondersteuning zo snel mogelijk gerealiseerd zien en kijkt ernaar uit om mee de decretale basis te leggen van deze omslag. 2013 moet daarom een point of no return in de zorgvernieuwing worden.

Daarnaast wordt ook opnieuw geïnvesteerd in extra plaatsen. De sector personen met een handicap is een van de weinige sectoren die elk jaar extra geld krijgt toebedeeld. Dat is daarnet al besproken. We beseffen ook dat de noden zeer groot blijven en we proberen een antwoord te bieden op die noden. We proberen dat te formuleren via zorgvernieuwing, via zorg op maat en via persoonsgebonden budgetten, maar wat in het verleden is gebeurd, kunnen we niet op een-twee-drie veranderen. We willen wel transitie, maar verandering gaat soms langzaam en de persoon met een handicap moet centraal blijven staan. We zijn het volledig eens met die visie, maar er is nog heel veel werk aan de winkel. Wij gaan er in elk geval mee door.

Wat betreft de voorbereiding van de zesde staatshervorming, kijken we met spanning uit naar het aangekondigde groenboek Staatshervorming.

Ik spreek nu namens mevrouw Lies Jans. Minister, onze fractie kan ook de beleidsbrief Armoede goedkeuren. De cijfers over armoede die met de regelmaat van de klok terugkeren, tonen aan dat er op het vlak van armoede nog gigantische uitdagingen liggen.

Armoede is een probleem dat zich op vele domeinen afspeelt. Dat kunnen we niet voldoende benadrukken. Daarom zijn de uitrol van de armoedetoets en de automatische toekenning van sociale rechten prioritair. Ook moet er een grotere focus liggen op kinderarmoede. We zijn tevreden dat op sommige van die domeinen concrete vooruitgang te zien is, zoals de automatisch toegekende huurpremie. Iedereen die vijf jaar op een wachtlijst staat voor een sociale woning, kan een dergelijke huurpremie krijgen.

Daarnaast is de beheersing van de ziektekosten ook belangrijk. Daarom moet deze regering blijven aandringen bij de Federale Regering om ook het Omnio-statuut automatisch toe te kennen. Ook kan een eigen Vlaamse hospitalisatieverzekering een zeer nuttig instrument zijn om de ziektekosten onder controle te houden.

Hier en daar mag het zeker wat sneller gaan, maar belangrijke stappen zijn intussen gezet en zullen hopelijk voor een verschil zorgen in het leven van de mensen die dat nodig hebben.

Ministers, collega’s, onze fractie is best tevreden met de twee beleidsbrieven. Binnen en samen met de Vlaamse Regering maakte de N-VA duidelijke keuzes. Samen maken we werk van een solidair en warm Vlaanderen. (Applaus bij de meerderheid)

Marijke Dillen

Mevrouw Stevens, ik vind dat u er nogal vlotjes overheen stapt dat de fameuze kindpremie on hold is gezet, waarbij u fier opmerkt dat de N-VA hiermee het bewijs levert dat ze compromissen kan afsluiten. Compromissen afsluiten is allemaal goed en wel, maar ik ben zo vrij u erop te wijzen dat de kindpremie een van de grote beloftes was naar aanleiding van de verkiezingen in 2009. Die kindpremie on hold zetten heeft absoluut niets te maken met de kunst om compromissen af te sluiten maar meer met kiezersbedrog. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Helga Stevens

De tijd is heel beperkt, dus moet ik het kort houden.

Mevrouw Dillen, u hebt een punt, maar wij denken dat een begroting in evenwicht de beste kindpremie is voor onze kinderen. Onze kinderen en kleinkinderen met een staatsschuld opzadelen, is misdadig. Ik denk dat het begrotingsevenwicht bewaren, de beste investering is die we kunnen doen voor onze kinderen en kleinkinderen. Daarom ga ik ermee akkoord om die kindpremie eventjes on hold te zetten.

Mevrouw Dillen, ik dacht daarstraks hierover een punt te hebben gemaakt. Het gegeven van de kindpremie heb ik ook in mijn inleidend discours geformuleerd.

Zoals collega Stevens terecht aanhaalt, is een budget in evenwicht voor ons belangrijk. Wij menen ook dat we beleidsopties die in het verleden zijn genomen en beleidsopties die we nu nemen, moeten uitvoeren op een consequente en consistente manier. Dat is trouwens de reden waarom de betalingskredieten op dit moment hoger zijn dan de beleidskredieten, juist om de engagementen van het verleden na te komen. Deze regering heeft na heel wat wikken en wegen gezegd dat dit moet worden uitgesteld om de doelstellingen te bereiken die ik daarnet heb verwoord, namelijk niet alleen wat is aangekondigd maar ook wat al beslist is, uitvoeren en het budget in evenwicht houden. Zo simpel is dat.

Marijke Dillen

Mijnheer Van Dijck, ik heb u daarstraks ook gehoord en u bent daar inderdaad op ingegaan. U kunt hier toch niet omheen. Een begroting in evenwicht is belangrijk, maar misschien kunt u binnen de totaliteit van de begroting een en ander herschikken. De minister kent mijn discours ter zake, want ik herhaal dat jaarlijks in de commissiebespreking, om misschien eens te gaan kijken of er binnen het hele pakket van de begroting niet kan worden geschoven tussen de verschillende departementen.

Er zijn departementen van deze Vlaamse Regering die absoluut nog kunnen besparen, waardoor middelen kunnen vrijkomen voor de noden die echt belangrijk zijn. Als één zaak voor mij bijzonder belangrijk is, dan is dat het lenigen van menselijke noden.

Mijnheer Van Dijck, u mag één ding niet vergeten. Nog geen half jaar geleden, vlak voor het zomerreces, werd hier over de kindpremie gestemd, we hebben u daarbij gesteund, dat weet u ook. De premie werd hier toen heel fier aangekondigd. Op dat ogenblik kende u de budgettaire situatie van Vlaanderen. Op dat ogenblik zaten we hier in Vlaanderen in een zware economische crisis, steeg de werkloosheid en gingen steeds meer bedrijven over de kop. We zullen dat hele financiële discours nu niet houden, maar ik wil het graag eens houden.

Minister, als we de hele begroting overlopen, zijn er nog posten waarop kan worden bespaard. Die middelen kunnen dan vrijkomen voor het lenigen van menselijke noden. Dat is voor onze fractie een absolute prioriteit.

Dat is het hem juist, mevrouw Dillen, dat de economische groeiverwachtingen niet zijn zoals ze in de zomer waren. We moeten die bijstellingen telkenmale doen. Dat was ook zo bij de begrotingopmaak van 2012. We zetten inderdaad, binnen de contouren die ik daarnet geschetst heb, steeds de tering naar de nering.

Mevrouw Dillen, ik heb vanuit uw fractie geen enkel betoog gehoord waarin werd gezegd op welke departementen nog veel geschrapt zou kunnen worden.

Marijke Dillen

Minister, ik zou heel graag met iedereen hier eens samen rond de tafel gaan zitten om de begroting eens echt onder de loep te nemen, want er zijn middelen vrij te maken. (Rumoer)

Dat doen we gedurende weken in de commissie.

Marijke Dillen

Minister, ik heb hier andere prioriteiten. De commissies die ik volg, volg ik ook heel nauwgezet op. U moet nu niet doen alsof ik nu eens eventjes een opmerking maak, maar daarnaast niets doe.

Ik zal er geen karikatuur van maken. Als ik er een karikatuur van zou maken, zou ik kunnen verwijzen – minister Lieten zit hier nog – naar de middelen die vrijgemaakt worden voor de studie van de bonobo’s, maar dat zal ik dus niet doen. Ik stel voor om eens elk departement te bekijken, want er zijn een aantal departementen waar op posten kan worden bespaard.

Uw partij was aanwezig op de begrotingsbesprekingen. Wij hebben gedurende uren de begroting besproken. Ik heb ook toen geen enkel voorstel gehoord van zaken die kunnen worden geschrapt.

De voorzitter

De tijd van mevrouw Schryvers is gebruikt door mevrouw Rombouts, en de tijd van mevrouw Jans is gebruikt door mevrouw Stevens.

Mevrouw Franssen heeft het woord.

Cindy Franssen

Voorzitter, geachte leden van de Vlaamse Regering, beste collega’s, op 1 januari gaat ons laatste volledige werkjaar van start. Met de regelmaat van de klok zijn we met zijn allen collectief verontwaardigd bij het verschijnen van jaarboeken, OESO-rapporten, armoedebarometers en heel zeker ook elk jaar op 17 oktober. We monitoren veel, heel veel, en de cijfers inzake armoede zijn wat ze zijn.

Het armoederisico in Vlaanderen bedraagt 9,8 procent. Hiermee doen we het gelukkig een stuk beter dan in Duitsland, zo bleek ook uit het laatste debat over de economische conjunctuur.

Het armoedecijfer op zich blijft relatief stabiel. En u had gelijk, mevrouw de coördinerende minister, dat de cijfers lichtjes dalen. Dat bleek toen u de laatste cijfers van de FOD Economie aan uw powerpoint had toegevoegd. Ook mevrouw Van der Borght haalde dit aan in de commissie.

Wat ons meer zorgen moet baren, is de kloof tussen arm en rijk, want die is toegenomen de laatste twintig jaar. Onderzoekers, onder meer van OASeS (Onderzoeksgroep Armoede, Sociale Uitsluiting en de Stad) stellen terecht dat hoe groter de ongelijkheid is in een regio, hoe lager de levensverwachting en de sociale mobiliteit, hoe meer mentale ziektes, tienerzwangerschappen, obesitas, kindersterfte en hoe hoger de misdaadcijfers en het aantal gevangenen.

Het is onzes inziens dan ook belangrijk om de Vlaamse budgetstandaards als onze leidraad te maken in al onze Vlaamse beleidsmaatregelen. Investeren in armoedebestrijding is een goede belegging voor deze regering. Voor onze fractie is het uitermate belangrijk dat er blijvend wordt ingezet op een recurrent beleid, dat door de regering aangegane engagementen worden nagekomen en dat de vooropgestelde doelstellingen worden gerealiseerd.

Ik hoef de beloftes niet te herhalen die vervat zijn in het Vlaams hervormingsprogramma van de EU 2020-strategie, het Vlaams regeerakkoord, het Pact 2020, de sectorgebonden beleidsnota’s en uiteraard het Vlaanderen in Actie (ViA). Hier dringt de tijd. We gaan met 2013 ons laatste volledig werkjaar in. Er zijn al tal van goede stappen in de goede richting gezet om de armoede te proberen ombuigen. Deze worden ook positief geëvalueerd door Decenniumdoelen 2017. Er is hier al verwezen naar een aantal goedlopende projecten.

Ik wil ook even stilstaan bij een zaak die van groot belang is voor mijn fractie. Dat is de automatische toekenning van rechten en het daaraan gekoppelde proactief handelen en de armoedetoets. Deze twee belangrijke hefbomen staan in de startblokken. Alles mag nu wel wat concreter worden, zoals de betrokkenheid van het middenveld en het verticale permanente armoedeoverleg.

Sommige leerlingen van de Vlaamse Regering scoren zeer goed: Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Onderwijs en Vorming, Jeugd, Cultuur, Stedenbeleid en Sociale Economie. Andere moeten een tandje bij steken, zoals Financiën en Begroting en Toerisme. Met betrekking tot werk en tewerkstellingsmaatregelen kunnen we nog meer focussen op de binnenkant van armoede door de WAW-methodiek – een geïntegreerde aanpak van Werk, Armoede en Welzijn – te implementeren in de tewerkstellingsmaatregelen specifiek voor mensen in armoede. Op het vlak van gekleurde armoede zijn we tevreden met het kennisplatform ‘Actieve inclusie van vrouwen van buitenlandse afkomst’.

Een goed beleid voeren betekent natuurlijk ook bijsturen waar nodig. De streefcijfers in het Vlaams Hervormingsprogramma en het Pact 2020 zijn ambitieuze engagementen. Ik blijf erop hameren dat er tegen het einde van deze legislatuur – en dat is niet zolang meer – de ombuiging al duidelijk moet zijn. We kunnen de cijfers niet voor ons uitschuiven tot 2020.

Om de armoedekloof te dichten, hebben we drie draagvlakken nodig. Dit reikt veel verder dan dit halfrond. Het is een maatschappelijke uitdaging waar alle maatschappelijke actoren bij betrokken moeten zijn. Ik noem de drie draagvlakken: een sociaal draagvlak of het vermogen om mensen te mobiliseren, een ethisch draagvlak of de bereidheid om te delen, en een spiritueel draagvlak of de innerlijke motivatie om te herverdelen. Laten we dit laatste werkjaar gebruiken om te doen wat moet. (Applaus bij de meerderheid)

Minister Jo Vandeurzen

Ik wil alle sprekers bedanken voor hun eerlijkheid en voor hun kritische bedenkingen. Die kunnen wat mij betreft niet zomaar van de tafel worden geveegd.

Mevrouw Van der Borght, ik wil uw bemerkingen zeker niet afdoen als goedkope oppositiepraat. Enkele punten waren terecht. U vertrok van een reële situatie. Niemand in het parlement – en ik zeker niet – zal betwisten dat we helaas nog geconfronteerd worden met schrijnende toestanden. Het aanbod van handicapspecifieke ondersteuning is nog ondermaats. We kunnen niet op alle vragen een adequaat antwoord bieden. Het is moeilijk om uit een levensechte situatie beleidsreflecties af te leiden of eraan te koppelen. Ik ken niet alle elementen. Dat is niet eenvoudig. Daartegenover kan ik trouwens getuigen van verhalen die eindigden met tranen van vreugde. Die mensen schrijven ook brieven en mails. Dat bestaat ook.

Ik zal geen massa cijfers geven. Ik wil u alleen een idee geven. Toen we in 2009 dossiers afsloten, konden we in Vlaanderen per jaar 2627 vragen van personen met een handicap afronden. In 2012 zijn dat er 5465 geworden. We hebben dus een enorme versnelling genomen. Het is nog niet genoeg, maar in termen van volume van aanbod is er een enorme dynamiek ontwikkeld. Dat merken we aan het aantal vragen dat wordt afgesloten.

Natuurlijk, zolang er schaarste is in die sector, zitten we met een vraag van regie en met een situatie dat prioriteiten moeten worden vastgelegd. We hebben die deuren ook allemaal gesloten om het zo ook heel rechtvaardig te organiseren. En inderdaad, daar heeft mevrouw Vogels ook naar verwezen en haar bekommernis over geuit. Er is het verschil in benadering dat soms tussen de regionale prioriteitencommissies kan worden vastgesteld en de vrees dat een aantal zaken niet voldoende in hun context worden beoordeeld.

Ik kan u zeggen dat ik toevallig deze week een uitvoerige vergadering met de mensen uit de regionale prioriteitencommissies heb meegemaakt. We zijn natuurlijk bezig aan een evaluatie van die werking. Die zal ook moeten gebeuren in 2013. Er zal meer uniformiteit moeten ontstaan. We zullen voor een aantal zaken de aandacht moeten vragen van de betrokkenen. De betrokkenen zijn wel verschillende stakeholders die bijeenzitten. Ze hebben de niet-benijdenswaardige verantwoordelijkheid om keuzes te maken zolang we met schaarste geconfronteerd worden.

Mevrouw Stevens en anderen hebben ernaar verwezen. Als we naar een concept van zorggarantie willen evolueren, dan moet er natuurlijk een systeem zijn waarbij aan degenen die door de overheid ondersteund en gewaardeerd worden wanneer ze zelf zorg opnemen, wanneer ze een sociaal netwerk kunnen aanspreken – en daarmee zijn de diensten ondersteuningsplan al echt aan de slag –, wordt gezegd dat op het moment dat aan de draagkracht een einde komt, ze erop kunnen rekenen dat reguliere en handicapspecifieke ondersteuning aanwezig zal zijn. Dat is natuurlijk het concept waarnaar we moeten evolueren. Dat is de logica van het systeem.

Je kunt niet spreken van zorggarantie op zich als een soort juridische afdwingbaar recht aan de ene kant zonder aan de andere kant de ondersteuning door ouders, kinderen, buren enzovoort die een deel van de verantwoordelijkheid opnemen, fundamenteel te waarderen, erkennen en versterken als dat nog mogelijk is. Die twee gaan samen.

Het verbaast me telkens weer hoe gemakkelijk de term ‘garantie’ in de mond wordt genomen. Als je dat beleidsmatig wilt doen, dan moet dat gebeuren in een context waarbij ook degenen worden gewaardeerd die niet het recht vanaf het eerste moment uitputten, en als ouders, kinderen enorme offers brengen. Wat ik heel jammer vind, is dat er een soort verenging van begrippen ontstaat, waarbij de vermaatschappelijking van de zorg eigenlijk wil zeggen dat de overheid de verantwoordelijkheid tracht te verschuiven naar het individu, een microsamenleving die fragmentair wordt, waar die solidariteit steeds minder aanwezig is. Neen, het is juist het tegenovergestelde. Het is de overtuiging dat we maar een goede zorg kunnen verlenen in een samenleving als we die niet systematisch als het issue van de professionelen beschouwen, achter de muren van het woonzorgcentrum enzovoort. Die zorg moet er in de gewone, dagelijkse werkelijkheid zijn.

Mevrouw Vogels en anderen zeggen dan dat tegelijkertijd langer moet worden gewerkt. Ja, dat is juist. Op dat vlak zijn er inderdaad keuzes die daarvoor moeten worden gemaakt. Het idee van vermaatschappelijking betekent juist dat mensen die kiezen om de verantwoordelijkheid voor hun kind met een beperking op te nemen, fundamenteel gewaardeerd moeten worden. Het paradigma waar we naartoe moeten, is dat als dat in alle redelijkheid niet meer mogelijk is, die mensen weten dat er gezinszorg is waar ze terechtkunnen als er een partner is met een beperking, dat er kinderopvang is waar ze ook terechtkunnen als het kind geconfronteerd wordt met een beperking. Als reguliere zorg niet mogelijk is, is er de garantie op handicapspecifieke ondersteuning. En dat is het verhaal.

De budgettaire bekommernis komt niet op de eerste plaats. Ze is er echter wel. Het louter juridiseren van rechten zonder die warme samenleving, waarin mensen echt het gevoel hebben dat als ze zorgen voor hun buur, dat ook gewaardeerd wordt door de samenleving, dat zou bijzonder schraal zijn. Bovendien zou het budgettair ook totaal onbeheersbaar zijn.

Die twee moeten dus in één beweging gaan. De eerste concentrische cirkels moeten worden ondersteund en als het in de verdere cirkels komt, moet de overheid een garantie geven. Je moet dus een onderscheid maken tussen een situatie waar een regie nodig is en waar er dringende keuzes moeten worden gemaakt omdat de middelen nog altijd niet adequaat zijn, en een situatie waar we naartoe moeten, waar er garantie is. Maar dat veronderstelt ook dat we daarin de context kunnen honoreren en betrekken. Anders zal dat niet leiden tot een inclusieve samenleving.

Mevrouw Van der Borght, ja, laat de mensen zelf investeren in de wooninfrastructuur. De overheid heeft via de Participatiemaatschappij Vlaanderen (PMV) een participatie genomen in Inclusie Invest omdat we inderdaad denken dat we in de samenleving zoveel mogelijk middelen moeten mobiliseren om voor die sector de droom van de inclusieve samenleving waar te maken. In de omzendbrief voor 2013 naar de sector van personen met een handicap wordt, in tegenstelling tot wat u beweert, wél ruimte gecreëerd voor experimenten waarbij men zegt: “We hebben nu een infrastructuur, nu moet u ervoor zorgen dat mensen die daar komen verblijven een ondersteuning krijgen.” Dat is iets anders dan vraaggestuurd werken, want de ondersteuningsgarantie moet op dat moment worden gekoppeld aan de infrastructuur. Als je een project hebt, mogen de prioriteitencommissies inderdaad zeggen dat je daarvoor mag gaan en mag je zelfs mensen die niet de meest dringende noden hebben daarin opnemen – zolang je er maar voor zorgt dat het totale project een maatschappelijk rendement heeft. Dat wil zeggen dat je door de collectivisering van de rugzakjes van alle personen die daar gaan wonen en verblijven meer zorg kunt verlenen dan bij de afzonderlijke optelling van alle individuele situaties en hun ondersteuning. Wij zullen daar wél mogelijkheden verstrekken.

Er worden al twee jaar lang geen extra VIPA-buffers (Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden) georganiseerd. Ik vind het jammer dat ik dat telkens moet herhalen. Met VIPA-buffers wordt bedoeld dat de overheid jaren geleden heeft gezegd dat je als rechtspersoon een voorziening mag bouwen. Dat kan zelfs een zeer normaliserende thuissituatie zijn en dus helemaal niet een collectieve voorziening. Als je dat doet met investeringssubsidie, mag je erop rekenen dat, wanneer het in exploitatie moet gaan, de nodige vergunningen er zullen zijn. We zullen de volgende jaren de investeringssubsidies honoreren die we hebben toegezegd omdat we overtuigd waren – en de praktijk van elke dag bewijst dat – dat we in de capaciteit nog altijd ook in voorzieningen met een deel collectiviteit permanenties organiseren. Dat kun je niet doen voor een kleine groep van drie personen. Dat heeft een bepaalde kritische massa nodig opdat het verantwoord zou zijn dat daarin nog dingen moeten gebeuren.

Is het belangrijk wie de zorg aanbiedt? Uw standpunt is juist: kwaliteit en ‘outcome’ zijn het meest relevant. Waarom denkt u dat de overheid nu alles inzet op kwaliteitsindicatoren in de ziekenhuizen, die ook nog zullen worden gepubliceerd? Waarom denkt u dat er inspanningen gebeuren om in de sector van de woonzorg overeen te komen dat zij vijftien parameters van kwaliteit zullen registreren, en dat we de sector zullen aanmoedigen om die voor elke voorziening publiek te maken? Wij doen dat omdat we goed weten dat je op een bepaald moment zult moeten kunnen zien welke kwaliteit er wordt aangeboden. We zijn daar in een aantal sectoren echt mee bezig.

Mevrouw Vogels, ik weet dat u bezorgd bent over de manier waarop het begrip van vermaatschappelijking zou kunnen vervreemden van zijn oorspronkelijke idealistische inhoud. We spreken in een complex werkveld van sectoren die we intersectoraal moeten laten samenwerken. Als je wilt werken op basis van methoden van begeleiding die een zekere wetenschappelijkheid hebben of een zeker resultaat hebben bewezen, als je wilt werken met zorgcontinuïteit en partners die met elkaar moeten spreken, als multidisciplinariteit in de zorg en de hulpverlening belangrijk is, moet je een aantal standaarden hebben. Je moet juist diagnosticeren en inschalen en inzetten op de context. Het kan best zijn dat dat daarin wel noodzakelijk is. Ik ben de eerste om te zeggen dat als het daarin derailleert of als het daartoe beperkt wordt of als er daaraan een absolute waarde wordt gegeven die loskomt van de rijkdom of de unieke waarde van elk persoon, dat je dan een verkeerd systeem hebt. Maar zeggen dat je in een moderne samenleving niet met die zaken moet werken, dat is werkelijk niet correct. Ik weet dat ik u niet zal overtuigen, maar we proberen toch echt op een aantal vlakken daaromtrent inspanningen te doen.

Ik richt me tot mevrouw De Wachter en de collega’s die in het parlement hebben meegewerkt aan het decreet op de interlandelijke adoptie: daarover is veel gezegd. Het is vaak het voorwerp geweest van debatten. De eer moet gaan naar de indieners van het voorstel van decreet. We zijn nu aan de vooravond van de start van het decreet. Er zal nog veel lering nodig zijn, maar we hebben nu een context en uitvoeringsbesluiten. Het laatste is vorige week door de regering goedgekeurd, zoals u in de krant hebt gezien. De hele interlandelijke adoptie is in een nieuwe context terechtgekomen. Als het parlement een initiatief neemt dat leidt tot dit soort resultaten, mag dat ook worden gezegd.

Natuurlijk zijn er zorgen over het driemaal op rij niet indexeren van de werkingsmiddelen, zoals u hebt geuit namens mevrouw De Vits. De koepels zijn bij mij geweest om hun zorgen daarover te uiten. De indruk die soms ontstaat dat de welzijnssector de dans van alle mogelijke besparingen is ontsprongen, is niet juist. Ook deze diensten en voorzieningen hebben een inspanning moeten doen. We gaan zoeken met hen hoe we efficiëntiewinsten kunnen faciliteren en hen kunnen ondersteunen.

Ik heb nog geen echo’s van het feit dat het een factuur is richting gebruiker, maar ik heb in de commissie ook al geantwoord dat ik daarnaar geen onderzoek heb. Op dit moment heb ik daarover geen duidelijke indicaties.

Het decreet over de kinderopvang, dames en heren, is goedgekeurd. Ik kan bevestigen dat de uitvoeringsbesluiten nu relatief snel moeten komen. Tijdens de bespreking van de begroting heb ik aangegeven dat een van de cruciale elementen om de besluiten echt te kunnen finaliseren, de vraag was hoe het zou lopen voor de niet-gesubsidieerde kinderopvang. Dat vatten wij samen onder de noemer ‘zelfstandige kinderopvang’, maar eigenlijk gaat dat heel breed van vzw’s en cvba’s tot zelfstandigen en samenwerkende zelfstandigen. Er zijn heel veel inspanningen geleverd, ook door de voorzitter van het paritair comité en de sociale partners. Ook minister De Coninck heeft daarin een goede rol gespeeld, waarvoor dank. Zo is er is een cao afgesloten in die sector, om toch rechtszekerheid en een minimumloon te garanderen. Dat zal ons toelaten om het verhaal te ijken: hoe moet je de financiering en de levensvatbaarheid van de sector zien?

Mevrouw Stevens, ik zeg ja op uitbreiden en kwaliteit, maar we weten allemaal dat er voor de niet-erkende gesubsidieerde sector moet worden gekeken naar de levensvatbaarheid van de sector. Ook dat deel van het verhaal zullen we de komende jaren moeten aanpakken. Het feit dat men op het vlak van de arbeidsvoorwaarden minstens een basissokkel zou hebben, was daarvoor belangrijk. Dat is de laatste weken gerealiseerd. Nu kunnen wij met onze besluiten enige voortgang maken.

U verwijst naar de integrale jeugdhulp. Het is inderdaad een belangrijk decreet. Het heeft alle adviezen gepasseerd en is nu door de regering naar de Raad van State gestuurd. U zult het in de commissie begin volgend jaar mogen ontvangen. Het zal een belangrijke hervorming zijn voor heel de sector en de belendende sectoren. De benadering is intersectoraal.

U vraagt naar de Huizen van het Kind en het decreet op de preventieve gezinsondersteuning. Dat is door de regering vorige week goedgekeurd. Het zit nu in de adviesronde. Ik denk dat we ermee kunnen doorgaan. U mag mevrouw De Vits geruststellen: continuering en flexibilisering zijn belangrijke elementen. Het wordt geen eenheidsworst. Dat kan ook niet, daarvoor zijn de situaties en de lokale partners te verschillend. Ik hoef niet naar minister Lieten te kijken om te weten dat ze nu instemmend knikt: in het kader van de strijd tegen kinderarmoede is dit een zeer belangrijke evolutie. Uit studies van highlevelgroepen die daarover bijeenkomen, weten we dat deze benadering heel belangrijk is. Ik hoop heel erg dat het legistieke werk snel kan starten, zodat we nog kunnen beginnen met de implementatie en de uitvoering.

Wat de staatshervorming betreft, werkt de regering aan een groenboek. We proberen alle stakeholders en organisaties te horen, om hun zorgen en verwachtingen te kennen. Dat is een behoorlijke lijst: alle sectoren van zorg, kinderbijslag, conventies met het RIZIV, de justitiehuizen. Het is de bedoeling dat na die consultatie mogelijke sporen van benadering in het groenboek worden opgenomen. (Applaus bij de meerderheid)

Maar het is inderdaad de bedoeling dat na die consultaties een aantal pistes en een aantal mogelijke sporen van benadering in dat groenboek mee worden opgenomen. Voorzitter, ik hoop dat ik daarmee de voornaamste zaken heb beantwoord die in de uiteenzettingen aan bod zijn gekomen.

Vera Van der Borght

Minister, bedankt voor uw antwoord. Ik stel vast dat u een stuk meegaat in de redenering die we nu al vele jaren opbouwen, maar ik heb in het aangehaalde voorbeeld heel duidelijk gemaakt wat het verhaal van de vermaatschappelijking van de zorg betekent. U zegt dat we dat moeten koesteren, en dat we dat moeten ondersteunen. Uiteraard moeten we dat koesteren en ondersteunen, maar we moeten ook erkennen dat er grenzen aan zijn, en dat er op een bepaald moment de mensen zeggen: “Nu is het genoeg, we kunnen niet meer!” En dan hebben die mensen van vandaag op morgen geen antwoord.

In het voorbeeld dat ik heb gegeven, hebben die ouders – met vier kinderen in totaal – twee kinderen vele jaren thuis gehouden, tot op het moment dat het niet meer ging. Dan hebben ze de kinderen moeten overbrengen naar een internaat. De oudste is nu 21 jaar, en u hebt deze zomer, naar aanleiding van de problemen die er waren en naar aanleiding van de betogingen, een engagement opgenomen dat u de leeftijd zult verhogen tot 25 jaar. We stellen vandaag vast dat daar in heel wat voorzieningen niet op ingegaan wordt.

Maar die mensen zitten met het probleem, en zitten tussen hamer en aambeeld. Die mensen zitten met de schrijnende situaties. De financiering van het persoonsvolgende convenant, ik hoor het u graag zeggen, maar wat is de realiteit vandaag? Die financiering gebeurt niet op basis van de zorgzwaarte die de persoon heeft in die voorziening, maar die gebeurt op basis van de kostprijs in die voorziening per persoon. Dat weet u, en dat is geen correct verhaal. In ons verhaal gaat het over een persoonsgebonden financiering, en dat is iets anders dan een persoonsvolgende financiering, want daar gaat het over een financiering op basis van de kostprijs in de voorziening.

Else De Wachter

Minister, ik wil u danken voor uw uitgebreid antwoord op alle vragen die u gekregen hebt over welzijn.

Ik wil nog even een kleine zaak toevoegen, ik heb dat al gedaan in mijn tussenkomst, maar ik wil mijn bekommernis erover uiten: minister, is het mogelijk om in de nabije toekomst samen met uw federale collega de problematiek van de interlandelijke adoptie te bekijken? Het gegevensstatuut van volle en gewone adoptie. Het is een technische term, maar het heeft alles te maken met erfenisrechten en met het statuut van het geadopteerde kind in het geval dat de adoptieouders om een of andere reden zouden wegvallen. Dit heeft een enorme impact op het statuur van het kind, en we moeten vanuit Welzijn toch aandringen op het federale niveau om daar in de toekomst aan tegemoet te komen.

De voorzitter

Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid

Dames en heren, we bespreken nu het beleidsdomein Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid.

De heer Kennes is afwezig.

De heer Roegiers heeft zijn tijd afgestaan aan de heer Mahassine.

De heer Delva heeft het woord.

Paul Delva

Collega’s, ik wil kort het woord voeren over onze hoofdstad die toch niet mag ontbreken in onze begrotingsbesprekingen.

Het regeerakkoord en de beleidsnota Brussel worden in de beleidsbrief en de begroting 2013 onverkort uitgevoerd. We weten dat Vlaanderen heel wat meer investeert in zijn hoofdstad, en dat is goed zo. De Vlaamse Regering moet haar verantwoordelijkheid ook blijven opnemen in Brussel. We weten dat Brussel een explosieve demografische groei kent – onze collega Luckas Van Der Taelen maakt ons daar regelmatig attent op –, en dat tegelijkertijd de kansarmoede en de werkloosheid hoge toppen scheren.

Cruciaal en visionair in het Brusselbeleid is natuurlijk de Brusselnorm. Ik wil die toch heel kort uit de doeken doen. Die bestaat uit twee delen. Ten eerste moet 5 procent van de totaliteit van de middelen voor de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap naar Brussel gaan. Ten tweede beschouwt de Vlaamse Regering 30 procent van de inwoners van Brussel als het doelpubliek voor het gevoerde beleid. Belangrijk is dat de beide componenten naast elkaar blijven bestaan, omdat die 30 procentnorm en de middelen die daaraan zijn gekoppeld, natuurlijk mee evolueren met de groei van het aantal inwoners in Brussel. Dat wil ik vandaag eens heel duidelijk benadrukken. Met andere woorden, het handhaven van de Brusselnorm zoals die vandaag bestaat, brengt eigenlijk vandaag en op termijn een verhoging van de middelen voor Brussel met zich mee. Dat is zo. Dat is een keuze van de regering, waar we volledig achter staan. Ik denk dat het een belangrijke taak is voor ons, en zeker voor de Vlaamse Brusselaars in dit parlement en voor iedereen die een hart heeft voor Brussel, om dit punt goed in de gaten te houden.

Dan is er ook de Brusseltoets. Ik heb het volgende al een paar keer gezegd, maar ik zal daarop blijven hameren. Ik heb dat onder meer al gedaan in de vergadering van de Samenwerkingscommissie Vlaams Parlement-VGC verleden week. Onze voorzitter was toen ook aanwezig. Het is belangrijk om deze Brusseltoets te kunnen toepassen, niet alleen in het decreetgevend werk van het parlement, maar ook in een aantal uitvoerende elementen, zoals convenanten. Dat is vandaag nog altijd niet zo geregeld. Hoe dichter een beleidsinstrument, zoals een convenant, bij het Brusselse werkveld staat, hoe tastbaarder de positieve effecten van de Brusseltoets worden. Ik doe dus een warme oproep om die Brusseltoets ook door te voeren bij instrumenten zoals convenanten.

Concreet wordt volgend jaar een belangrijk jaar in het Brusselbeleid, met de opening van Muntpunt en de start van het kerntakendebat met de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC). Dat debat wordt bijzonder belangrijk dit jaar. Ook is er een vernieuwd concept voor de 11 juliviering enzovoort, te veel om op te noemen.

Geachte leden, al deze belangrijke projecten kunnen slechts slagen dankzij een intensieve en constructieve samenwerking tussen alle partners in Brussel, en het zijn er heel veel, dat besef ik. Het spreekt echter vanzelf dat de VGC hierbij meer dan ooit een cruciale sleutelrol zal spelen.

De voorzitter

Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters

Voorzitter, ik dank de heer Delva voor zijn betoog. Hij is een vaste waarde, die ons er telkens aan herinnert dat we Brussel niet los mogen laten. Met zijn betoog vandaag heeft hij nog eens bewezen dat dit terecht is. We nemen dit ook ter harte. Voor de rest behoeft dit geen verdere commentaar.

De voorzitter

Internationaal Vlaanderen

Dames en heren, we gaan nu over naar het beleidsdomein Internationaal Vlaanderen.

Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Sabine Poleyn

Voorzitter, minister-president, geachte leden, de voorbije vier, vijf, zes jaar is de frase dat onze wereld geglobaliseerd is, een understatement geworden. De economische en financiële crisis en de klimaatverandering zijn vandaag meer dan ooit voelbaar bij alle mensen. Dit vraagt voor het kleine Vlaanderen een sterk buitenlands en Europees beleid. Ik ben heel tevreden dat de minister-president voor het komende jaar dan ook tracht een dergelijk sterk beleid te ontwikkelen.

Budgettair maakt hij volgens onze fractie de juiste keuzes, met de beperkte middelen die er zijn. Zo wordt Flanders Investment & Trade (F.I.T.) versterkt. We investeren in het stimuleren van de Vlaamse export. Ook wordt er niet bespaard op Vlaamse ontwikkelingssamenwerking.

In naam van onze fractie wil ik een aantal accenten leggen met betrekking tot de aangekondigde beleidsinitiatieven.

Minister-president, we houden u aan uw belofte om Brussel als sterk merk – de heer Delva is nog aanwezig – meer te gebruiken in ons Vlaams buitenlands beleid. Ik ben er ook van overtuigd dat daar heel wat kansen liggen.

We verwachten ook wel een extra push bij F.I.T. om buitenlandse investeringen aan te trekken. Ook nu het economisch moeilijk is, moeten we meer dan ooit niet alleen behouden wat hier is, maar ook nieuwe buitenlandse investeerders aantrekken.

We steunen u in een buitenlandbeleid waarbij Vlaanderen als kleine partner op het wereldtoneel toch wat verschil tracht te maken, een meerwaarde tracht te realiseren. We waarderen daarom bijvoorbeeld het initiatief om in Malawi een congres over mensenrechten te organiseren, op zuidniveau. Dat is een heel knap voorbeeld van hoe we als kleine partner toch iets kunnen realiseren qua ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten.

Ten vierde is er mijn persoonlijke dada, namelijk een coherent ontwikkelingsbeleid binnen Vlaanderen, waarvan we de aanzetten nu bijvoorbeeld zien in de samenwerking tussen Onderwijs en Ontwikkelingssamenwerking. Ik verwijs ook naar de beleidscoherentienota met het federale niveau. Ik hoop dat die aanzetten een structureel vervolg kunnen krijgen.

Ik ben ervan overtuigd dat de huidige ploeg ongeveer op dezelfde lijn zit wat die coherentie betreft. Dat neemt niet weg dat dit ook een structureel vervolg kan krijgen bij een volgende regering.

Bij de aanvang van de legislatuur heb ik u symbolisch een aantal voorwerpen overhandigd bij de start van uw reis als buitenlandminister: een verrekijker om ver te kijken met visie, een paar stevige stapschoenen om met beide voeten op de grond te blijven en een creatieve portefeuille om met zo weinig mogelijk geld zo veel mogelijk te doen. Ik denk dat die voorwerpen al goed van pas zijn gekomen en dat vooral de portefeuille ondertussen vrijwel versleten zal zijn. Misschien moet we eens bekijken wat we u voor volgend jaar nog kunnen geven. En misschien moeten we in plaats van stapschoenen wel denken aan een vliegtuig om uw 49 dagen volgend jaar in het buitenland te vervolmaken.

De voorzitter

De heer Vandenbussche is reeds vertrokken en de heer Van Overmeire is afwezig. Dit is uiteraard betreurenswaardig en getuigt van een gebrek aan stijl. Men schrijft zich in, maar dan gaat men andere oorden opzoeken.

Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters

Ik stel vast dat mijn beleid in deze geen enkele reactie uitlokt, behalve die van mevrouw Poleyn die ik ten zeerste waardeer. Zij heeft gesteld dat we zeer goed bezig zijn en ik wil haar nogmaals bedanken voor die verrekijker, die schoenen en die portefeuille die ik in het begin van de legislatuur mocht ontvangen. Ik denk dat de schoenen na al die reizen ondertussen ook al versleten zullen zijn. Ik meen echter begrepen te hebben dat reeds nieuwe schoenen klaarstaan.

De voorzitter

Landbouw en Visserij

We bespreken nu het beleidsdomein Landbouw en Visserij.

De heer Callens, ouderdomsdeken van ons parlement, heeft het woord.

Karlos Callens

Voorzitter, collega’s, het is reeds laat op de avond, maar dat stoort me niet. Landbouwers deinzen er immers niet voor terug om laat te werken en vroeg op te staan. Iedereen hier aanwezig zal het met mij eens zijn dat een landbouwer heel hard moet werken.

Op 13 december kwam het Landbouwrapport uit. In de media werd daarbij vooral de nadruk gelegd op de daling van het aantal landbouwbedrijven, maar dat cijfer mag geen afbreuk doen aan de eindproductiewaarde van maar liefst 5,7 miljard euro die werd gerealiseerd in 2011, waarvan 81 procent in Vlaanderen. Daarvoor mogen we onze Vlaamse boeren feliciteren. Ze staan garant voor 8,4 procent van de totale Belgische export. Afgelopen jaar steeg het inkomen van de boeren met 47 procent. Helaas maakt één zwaluw de lente niet, zeker niet na een zware winter.

Volgend jaar zullen twee cruciale begrippen onze volle aandacht opeisen: het gemeenschappelijk landbouwbeleid en plattelandsontwikkeling. Er is nog een derde begrip: het gemeenschappelijk visserijbeleid, waar eveneens belangrijke hervormingen op til zijn. Ik begin doelbewust met het visserijbeleid om mijn respect te betuigen voor het zware beroep van zeevisser. Het is niet godslasterlijk bedoeld, maar de visserij zou wereldwijd een nieuwe Christus moeten vinden die er in slaagt om het slinkend aantal vissen te vermenigvuldigen voor de snel, groeiende mensenmassa.

Het heil zal wellicht niet komen van ons geloof maar van de wetenschap en de politiek. Dit is pure noodzaak. Zonder vis geen visserij.

Als we de gevolgen van het teruggooiverbod en de aanlandingsverplichting willen minimaliseren, is een rationeel beheer van onze visbestanden een eerste stap die moet worden gevolgd door het optimaliseren van selectieve vangtechnieken. Meten is weten, zegt men, en in dit geval misschien wel overleven. We pleiten dan ook voor maatwerk voor onze vissers. Hetzelfde geldt voor de vissen zelf. Daarom moet ook de ontwikkeling van de aquacultuur een duwtje in de rug krijgen. Intensieve viskwekerij moet complementair zijn aan het rationeel beheer van de visbestanden, dit om te voldoen aan de stijgende vraag.

Het budget van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moet binnen de Europese meerjarenbegroting heel sterk worden bewaakt. Dat weet iedereen. Vlaanderen lust de uitvoeringsmodaliteiten van de vergroeningsvoorstellen van Europees landbouwcommissaris Ciolos niet. Ik wil erop aandringen om er alles aan te doen om het specifieke karakter van de peri-urbane landbouw in Vlaanderen op de Europese agenda te plaatsen zodat onze boeren de vergroeningsobjectieven op een flexibele manier kunnen invullen.

Wat het platteland betreft, moeten we op Europees niveau op onze qui-vive zijn. Uit het verslag van het Rekenhof over de gebiedsgerichte werking in de Vlaamse provincies van het huidige PDPO-programma (Programma voor Plattelandsontwikkeling) zijn enkele conclusies getrokken die we ter harte moeten nemen bij de implementatie van het volgende PDPO. Ik heb het dan onder meer over de wederzijdse territoriale exclusiviteit tussen assen drie en vier.

De voorzitter

Mijnheer Callens, wilt u afronden?

Sas van Rouveroij

De heer Vanden Bussche heeft zijn tijd afgestaan aan de heer Callens. Dat was ik vergeten te zeggen.

De voorzitter

Mijnheer Callens, laat u gaan.

Karlos Callens

Wat het platteland betreft, is het uitblijven van het Vlaams Plattelandsfonds een verkeerde keuze. Het gaat om een gebroken belofte, het schrappen van een budget waarvan men al sinds 2009 wist dat men daarin moest voorzien en waar heel wat lokale besturen letterlijk op gerekend, correctie, zich aan misrekend hebben. Onze fractie heeft bedenkingen bij het concrete opzet van het Plattelandsfonds maar wil, gezien de hoogdringendheid, vandaag al een amendement indienen om over te gaan tot de principiële oprichting ervan. In afwachting van een definitieve regeling stellen we voor om in een eerste fase 250.000 euro toe te kennen aan de Vlaamse gemeenten die beantwoorden aan de OESO-definitie van maximaal 150 inwoners per vierkante kilometer.

Open Vld is ook druk bezig met de opmaak van een conceptnota die we binnenkort zullen indienen.

Minister-president, in de commissie heeft Open Vld zich onthouden bij de stemming van de begroting. Ik heb u toen uitgelegd dat dit niet mocht worden beschouwd als een motie van wantrouwen, maar als een constructief signaal om alert te blijven bij de nakende hervorming van het Europees landbouw-, plattelands- en visserijbeleid.

Op korte termijn zitten uw en onze spreekwoordelijke demonen niet in Vlaanderen, maar daar. Onze opmerkingen over het Vlaamse beleid zult u terugvinden in twee moties, maar op Europees vlak vraag ik u om, gesterkt door de resoluties die we in het Vlaams Parlement samen hebben goedgekeurd, alle zeilen bol te zetten en de huid van onze boeren en vissers zeer duur te verkopen. (Applaus bij Open Vld en het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Vanlerberghe heeft het woord.

Jurgen Vanlerberghe

Voorzitter, minister-president, we kunnen er niet omheen: landbouw is een van de economische sectoren die zich in zwaar weer bevinden. Een aantal factoren maken dat, ondanks de intensieve productie en een hoge toegevoegde waarde, de land- en tuinbouwsector nog steeds te kampen heeft met een grote achterstand op het vlak van arbeidsinkomen.

We kunnen een aantal factoren detecteren die aan de oorzaak liggen van die problematiek. Ik denk in eerste instantie aan een groot, soms te groot geloof in de vrije markt, met een hoge prijsvolatiliteit tot gevolg. Het ontbreekt aan een ‘level playing field’, waardoor niet-Europese producenten aan een aantal strenge normeringen ontsnappen. Al moeten we ook vaststellen dat een onvoldoende afstemming tussen vraag en aanbod en een bijna moordende druk vanuit de distributiesector mee aan de basis liggen van een niet-aflatende stroom aan alarmberichten.

Ten tweede is er de extra aandacht voor dierenwelzijn, die de kosten opdrijft. Die extra aandacht komt er in heel wat gevallen overigens onder druk van de publieke opinie. Ten derde: de nog altijd hoge milieudruk van onze Vlaamse, zeer intensieve land- en tuinbouw. Ook hier spelen de publieke opinie en het maatschappelijke verlangen naar een kwalitatieve leefomgeving mee. Ten vierde stellen we vast dat de sector alsmaar kapitaalintensiever wordt, waardoor niet enkel hogere eisen gesteld worden aan de managementscapaciteiten van de individuele bedrijfsleiders, maar waardoor ook ons model, gebaseerd op familiale bedrijven, onder druk komt te staan.

Al die evoluties spelen zich af tegen de achtergrond van een grootschalige Europese landbouwhervorming. De details mogen dan nog deels onbekend zijn, de rode draad is duidelijk: we moeten het straks met minder geld doen, terwijl de eisen inzake vergroening en het terugdringen van de milieudruk hoger worden.

Minister-president, de uitdagingen om de Vlaamse landbouw te wapenen voor de toekomst zijn dus niet minnetjes. Uw beleidsbrief maakt ter zake wel een aantal juiste keuzes, al mogen ze hier en daar misschien ietsje scherper. Er loert trouwens ook een gevaar om de hoek. Hier en daar worden al eens pogingen ondernomen om de problematiek te minimaliseren en een te groot aandeel in de bak van de overheid te schuiven. De Vlaamse overheid moet beducht zijn voor die valkuil. Tot nader order zijn struisvogels nog altijd geen inheemse diersoort. We mogen de problemen niet onder de mat vegen.

Een krimpend Europees landbouwbudget mag en kan geen excuus zijn om niet verder in te zetten op de transitie van de Vlaamse land- en tuinbouwsector. Enkel door de uitdagingen met een open vizier aan te gaan, bouwen we aan een performante landbouweconomie, die met respect voor mens, dier en omgeving kan uitgroeien tot een gezonde en stabiele economische sector in Vlaanderen.

De voorzitter

De heer Sintobin heeft het woord.

U bent mijns inziens nogal defaitistisch, mijnheer Vanlerberghe. Natuurlijk moeten we rekening houden met de budgettaire omstandigheden, maar u gaat er sowieso van uit dat het Europese budget voor de landbouw zal dalen, en misschien wel spectaculair zal dalen. Nochtans is er een van de voorbije dagen een rapport verschenen waarin de consument zich eindelijk uitspreekt over en zich akkoord verklaart met subsidies voor de landbouw.

Vlaanderen is dan wel een kleine speler op het Europese toneel, maar we moeten er toch alles aan doen om het Europese budget zo hoog mogelijk te houden, en er niet al meteen van uitgaan dat het zal verminderen.

Ik vind dat geen correcte houding ten opzichte van onze landbouwer die de laatste jaren aan tal van verplichtingen moet voldoen. In de toespraak van de heer Callens miste ik de kritische noot. Landbouw wordt vooral gestuurd door Europese regelgeving, maar men kan moeilijk zeggen dat de landbouw het goed gedaan heeft in het afgelopen jaar. We hebben onlangs de protesten gehad van de melkveehouders en de varkenshouders.

Ondanks de actieplannen die de afgelopen jaren zijn gestart en operationeel geworden, is de toestand van onze landbouw, hoe jammer ook, niet zo rooskleurig. Als we dan nog beleidsvoerders of meerderheidspartijen hebben die er sowieso van uitgaan dat het budget voor landbouw zal verminderen, dan heb ik daar wel wat kritiek op.

Jurgen Vanlerberghe

Mijnheer Sintobin, ik ben niet defaitistisch, maar ik geloof ook niet in Sinterklaas. U weet evengoed als ik dat de kans dat het landbouwbudget op hetzelfde peil blijft wel op een dag zal gebeuren, maar dan zal Kerstmis toch op Pasen vallen.

De basisgedachte van wat ik heb gezegd, is een strijdvaardige gedachte. Ik had het heel bewust over struisvogels. We proberen onze landbouwers te veel wijs te maken dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen, dat het allemaal zal worden bijgestuurd. Ik verwijs naar de discussie over de legbatterijen, waar sommige mensen noodzakelijk investeringen zijn blijven uitstellen omdat ze dachten dat het wel in orde zou komen, met nieuwe problemen tot gevolg.

Er zijn een aantal uitdagingen scherp gedefinieerd. In de commissie gaan we binnenkort het transitierapport bespreken. Wat ik wil zeggen, is dit: zie de uitdaging onder ogen en ga er op een realistische manier mee om. We moeten niet alles van vandaag op morgen omkeren. Stop je niet weg achter allerhande scenario’s waarbij extra budget zou worden gegenereerd.

Mijnheer Vanlerberghe, u hebt gelijk inzake de leghenbatterijen. Er zijn mensen die alles hebben uitgesteld. Er was al een uitstel geweest. Dan eis ik van Europa dat het dezelfde regels oplegt aan andere landen. Vandaag verschijnt er een artikel dat bijvoorbeeld in Oekraïne de leghenbatterijen wel zijn toegelaten en dat er massaal wordt geïmporteerd. Het is toch een probleem, niet alleen op het Europese vlak, maar zeker ook op wereldvlak, dat er allerlei voedsel wordt geïmporteerd dat niet aan veiligheids- en kwaliteitsnormen voldoet. We zitten erbij en we kijken ernaar, en we laten dat allemaal maar gebeuren.

Jurgen Vanlerberghe

Ik had het over het ontbreken van een level playing field. Er zijn nog wel wat economische sectoren die ons zijn voorgegaan, die met die problematiek te kampen hebben gehad. Denk maar aan de textielindustrie in West-Vlaanderen, de confectie van jeansbroeken om maar iets te noemen. Daarom heb ik dat ook gekoppeld aan het onvoldoende afstemmen op de markt van vraag en aanbod.

Ik ben het met u eens dat de regels voor de niet-Europese producenten zouden moeten worden afgestemd op de Europese regelgeving als er moet worden ingevoerd. We kunnen daar alleen maar hard ons best voor doen. Zolang het zover niet is, is het niet verstandig blind te zijn voor die feitelijkheden. De markt zou zich daar wat sterker aan moeten aanpassen.

Karlos Callens

Ik wil nog iets zeggen over de invoer van kippen die niet aan de Belgische en Europese regels beantwoorden. Ik pleit ervoor om een tandje bij te steken voor wat betreft onze publiciteit en ons imago, en de kwaliteit van onze producten die we op de markt brengen, zodat we geen probleem hebben met de prijsvolatiliteit. Zo kunnen we onze producten eventueel gemakkelijk op een kleine schaal aanbieden aan consumenten die echt kwaliteit willen.

Jurgen Vanlerberghe

Collega Callens, ik ben het volledig met u eens. Ik denk dat er op het vlak van de korte keten een aantal dingen gebeurd zijn. Ik hoop enkel dat het tandje bij steken er niet toe leidt dat er straks kippen met tanden rondlopen, want die krijgen we allicht onmogelijk verkocht. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Mevrouw Eerlingen heeft het woord.

Tine Eerlingen

Voorzitter, minister-president, collega’s, ook in de landbouwsector staan er de komende jaren veel uitdagingen op het programma, maar daar kom ik straks op terug.

Laat ik starten met positief nieuws. Uit de vijfjaarlijkse studie rond het imago van de Vlaamse land- en tuinbouwers – uitgevoerd door de universiteit van Gent in opdracht van het Vlaams Infocentrum Land- en Tuinbouw (VILT) – blijkt dat 85 procent van de Vlamingen bewondering heeft voor de landbouwer. Steeds meer Vlamingen zijn ook overtuigd van het belang van landbouw voor onze voedselproductie en voor het onderhoud van het platteland. Uit de beleidsbrief Landbouw blijkt bovendien dat de Vlaamse landbouw zeer productief blijft. Ondanks de daling van het landbouwareaal met 3 procent, kan eenzelfde eindproductiewaarde als die van 2010 behouden blijven. De verdere professionalisering en schaalvergroting zijn hier niet vreemd aan.

In zijn Pact 2020 gaat Vlaanderen het engagement aan om ook wat landbouw betreft, de toets met andere Europese topregio’s te doorstaan. De cruciale vraag die we ons daarbij stellen, is hoe we dit moeten bewerkstelligen. Blijven we inzetten op de klassieke remedies en instrumenten? Of kiezen we voor een geleidelijke omschakeling en nieuwe invulling van deze sectoren? Daarvoor verwijs ik naar het transitieproject waarbij stakeholders nadenken over de toekomst van de Vlaamse landbouw en het agrovoedingssysteem.

Voor de N-VA is het duidelijk: de landbouw moet evolueren naar een nog duurzamere sector waarbij sterk wordt ingezet op innovatie. Belangrijk daarbij is dat uit het transitieproject op relatief korte termijn concrete aanbevelingen gedistilleerd kunnen worden, die dan kunnen worden opgenomen in het Vlaams beleid.

De Vlaamse landbouwer wordt vandaag geconfronteerd met vele uitdagingen, zoals stijgende energiekosten, stijgende voederprijzen en schommelende marktprijzen. Tegelijkertijd stijgt ook de vraag naar voedsel en moet ook de milieu-impact van de landbouwactiviteiten naar beneden.

Al deze evoluties maken het voor landbouwers niet altijd eenvoudig. Vlaanderen tracht hen hierbij te ondersteunen via de opmaak van sectorale actieplannen die oplossingen op maat trachten te bieden; via initiatieven rond vermarkting van producten met onder meer het strategisch plan korte keten; door het stimuleren van duurzame investeringen die onze landbouwers in de toekomst beter moeten wapenen. En ten slotte is er het initiatief ‘Boeren op een kruispunt’, dat landbouwers die ondanks alle inspanningen in moeilijkheden verkeren, persoonlijk begeleidt en adviseert. Volgend jaar zal ook het nieuwe Europese kader voor het landbouwbeleid (gemeenschappelijk landbouwbeleid) in zijn plooi vallen. Hoewel de sector zich kan vinden in de geest van het nieuwe beleid, wordt er eerder sceptisch gereageerd over hoe de voorstellen inzake verduurzaming concreet geïmplementeerd kunnen worden. Ze vragen terecht aandacht voor de inpasbaarheid van de maatregelen. Dit is ook voor de N-VA een noodzaak, zonder evenwel te tornen aan de feitelijke doelstelling.

Ook de daling van het Europese landbouwbudget wordt door de landbouwers erg negatief onthaald. De N-VA pleit voor een leefbare landbouw, maar wil dit niet enkel toetsen aan het absolute budget dat hiertegenover staat. De hoeveelheid middelen is niet per se een goede maatstaf voor een leefbare landbouw, veel belangrijker is de wijze waarop de middelen besteed worden. De N-VA wil dat landbouwers voor hun activiteit kunnen rekenen op een correcte vergoeding. In Vlaanderen worden de middelen momenteel grotendeels ter beschikking gesteld onder de vorm van directe inkomenssteun. Op termijn moet dit volgens de N-VA evolueren naar een grotere steun via de tweede pijler. Landbouwers moeten voldoende vergoed worden voor inspanningen die het algemeen belang dienen. Daarnaast vinden we het belangrijk dat landbouwers ook kunnen blijven investeren. Het stemt ons dan ook tevreden dat de middelen aan het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) in 2013 blijven toenemen.

Wat betreft de relatie met het leefmilieu, heeft de landbouwsector al veel inspanningen geleverd om zijn milieu-impact te beperken. Toch is er nog ruimte voor verbetering. Met betrekking tot de verdere reductie van de broeikasgassen kijken we uit naar de bijkomende maatregelen die de sector in het kader van het nieuwe Vlaamse Klimaatsbeleidsplan nog zal nemen.

En ook wat betreft erosiebestrijding laat u nu de opening om ook een aantal maatregelen verplicht op te leggen in zones die systematisch aanleiding geven tot modderoverlast. Belangrijk hierbij is te stellen dat erosiebestrijding niet alleen een groot maatschappelijk belang heeft, maar dat ook landbouwers er wel bij varen omdat de bodems van hun akkers op die manier hun vruchtbare karakter behouden. Aan het tempo waarop we nu bezig zijn, duurt het nog negentig jaar eer we de erosieproblematiek hebben teruggedrongen.

Er zijn intussen erosiecoördinatoren aangesteld. Ik hoop dat de trein die nu vertrokken is, ook snelheid kan nemen zodat we een inhaalbeweging kunnen doen. Ik reken erop dat u de vinger aan de pols houdt en bijkomende maatregelen neemt wanneer die nodig zijn.

De discussie over het Plattelandsfonds heeft volop gewoed, ook in de commissie. Het voorstel krijgt stilaan vorm, hoewel het fonds om budgettaire redenen nog niet in werking kan treden. De financiering kan natuurlijk voor een deel ook gebeuren vanuit pijler II van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Ook in het nieuwe Programma voor Plattelandsontwikkeling (PDPO III) zal de mogelijkheid blijven bestaan om plattelandsgemeenten financieel te ondersteunen. We kijken uit naar de concrete invulling daarvan hoewel het budgettaire kader daartoe niet volledig duidelijk is.

De voorliggende beleidsbrief en de bijhorende begroting leggen volgens ons de juiste klemtonen en krijgen dan ook onze goedkeuring. (Applaus bij de meerderheid)

Voorzitter, ik wil even terugkomen op het Plattelandsfonds dat, als ik me goed herinner, mede dankzij u werd ingeschreven in het regeerakkoord 2009. Dat heb ik me toch altijd laten wijsmaken. Nu zeggen dat het niet doorgaat om budgettaire redenen: wel, we hebben dat verhaal daarjuist ook al gehoord over de kindpremie. Het is natuurlijk een kwestie van het stellen van prioriteiten.

Ik herinner me dat bij ons in de streek de aankondiging van het Plattelandsfonds in 2009 heel goed werd onthaald. Heel wat kleinere plattelandsgemeenten hebben zich erop ingesteld en menen dat ze in de loop van de legislatuur een aanzienlijk hoger budget zullen krijgen voor hun gemeenten. Iedereen was het daarover eens. Ik heb van in het begin van de legislatuur gezegd: het komt er niet. Toen was er nog geen sprake van budgettair moeilijke omstandigheden, minister-president. Het is al die jaren aan een stuk op de lange baan geschoven. Ik wil hier even over tussenkomen omdat jullie daar nogal gemakkelijk overgaan. Straks zal mevrouw Rombouts misschien niets vertellen over het Plattelandsfonds. Van een gebroken verkiezingsbelofte gesproken in dit beleidsdomein! Dat kan tellen! (Applaus bij het Vlaams Belang)

Tine Eerlingen

Wij zijn ook vragende partij voor het Plattelandsfonds. Ik denk dat we dat allemaal zijn. Maar er moeten nu eenmaal keuzes worden gemaakt. Ik stel voor dat u een aantal voorstellen doet.

Ik heb er een aantal. We hebben daarjuist de discussie al gevoerd met uw fractieleider, de heer Kris Van Dijck en met de minister van Begroting. Ik ben geen specialist in alle beleidsdomeinen en misschien zal ik domme dingen vertellen, maar ik dacht aan Cultuur, De Lijn, integratie, subsidies aan de islam en zo kan ik nog wel even doorgaan. Om niet populistisch te gaan doen, kan ik het hebben over de 4,5 miljoen euro, de helft van het Plattelandsfonds, voor de bonobo’s in Antwerpen. Zo zijn er wel een aantal zaken waarmee we gemakkelijk het Plattelandsfonds voor 10 miljoen euro zouden kunnen vullen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De laatste uiteenzetting van vandaag is voorbehouden aan de toekomstige burgemeester van Hoogstraten, mevrouw Rombouts.

Voorzitter, ministers, collega’s, de kranten kopten enkele weken geleden fier de cijfers van Eurostat: het landbouwinkomen is in 2012 met 30 procent gestegen. Iedereen die de landbouwsector een beetje kent, interpreteert deze cijfers spijtig genoeg maar als een kleine positieve evolutie in de moeilijke economische situatie van de hele sector en van heel wat bedrijven.

Anderzijds stemde de volgende berichtgeving me wel vrolijk, en blijkbaar collega Eerlingen ook. Ik citeer graag even uit het bericht: “Landbouw wordt aanzien als een sector die belangrijk is voor de economie en de voedselvoorziening. De kwaliteit en veiligheid van de landbouwproducten is in de ogen van de Vlaming goed, en beter in vergelijking met de ingevoerde producten. De landbouwer zelf krijgt een positieve evaluatie omwille van zijn knowhow en zijn zorgzame omgang met dieren.” Zo stelt het imago-onderzoek van de Universiteit Gent.

Waarom stemt mij dat vrolijk? Omdat dit het rapport is dat onze landbouwers verdienen. Natuurlijk blijft wel de uitdaging om diezelfde consument die dit rapport heeft opgemaakt, ook te laten handelen naar de geest van dit rapport op het moment dat hij of zij voor het winkelrek staat.

Het vrijwaren van de middelen voor het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM) om een sterk promotie- en merkbeleid te kunnen voeren, is dan ook heel belangrijk. Daarnaast hoop ik dat ook dit imago-onderzoek en de resultaten van het landbouwrapport 2012 de collega’s en de ministers die nog niet overtuigd zouden zijn, nu overtuigd hebben om onze Vlaamse landbouw maximale kansen te geven om zich te organiseren als economische sector of als bedrijf om nieuwe uitdagingen aan te gaan.

De bestendiging van een krachtig VLIF-beleid is dan ook onontbeerlijk, alsook een krachtig Europees landbouwbeleid. Minister-president, we zijn het over een ding eens in verband met het Europees landbouwbeleid – dat dacht ik althans hier in het Vlaams Parlement –: er moet voldoende budget zijn. Hopelijk krijgt u voldoende gehoor bij Europese partnerlanden om dit mee te verdedigen.

Ik ben ervan overtuigd dat als er geen Europese middelen zijn, de middelen eventueel van elders moeten komen, of dat de acties moeten worden bijgestuurd. Alleszins kan ik niet koken als ik geen geld heb om groenten in de pot te doen. Ik denk dat dit toch een belangrijk gegeven is. (Opmerkingen van de heer Bart Van Malderen. Gelach)

Als u het er maar mee eens bent, collega, dat er voldoende budget moet zijn voor het Europees landbouwbeleid, dan zitten we op dezelfde golflengte.

Zoals ik daarstraks gepleit heb voor een beleidsoverschrijdende aanpak voor het welzijn van onze kinderen en jongeren, wil ik dat nu evenzeer doen voor het landbouwbeleid. Heel wat risico’s en uitdagingen ten aanzien van landbouw komen uit andere beleidsdomeinen: mestbeleid, klimaat, instandhoudingsdoelstellingen (IHD’s), ankerplaatsen, ruimtelijke processen. Die ruimtelijke processen leiden soms werkelijk tot oorlogen tussen pacmannetjes die effectief vechten om hectaren.

Aan u als coördinerende minister voor Landbouw vraag ik graag om deze processen nauwlettend op te volgen en om de landbouwadministratie maximaal te versterken om in al deze processen de sector te versterken en te duiden. In dat kader ben ik dan ook blij met de aangepaste LIS-procedure (landbouwimpactstudie) en hoop ik ook dat belangrijke financiële instrumenten een sterke juridische basis krijgen.

Om af te sluiten en om collega Sintobin toch een plezier te doen, nog het volgende. Ik hoop, minister-president, dat we de komende maanden ook positief nieuws kunnen horen in verband met het Plattelandsfonds en dat we ook daar de discussie over kunnen voortzetten. Als ik alle collega’s goed gehoord heb, dan hoor ik heel duidelijk de roep van iedereen over de verschillende fracties heen, om middelen vrij te maken voor het Plattelandsfonds. Ik hoop dat u ook die ondersteuning krijgt binnen de Vlaamse Regering. U weet, minister, dat mijn bezorgdheid verder reikt dan het Plattelandsfonds. Ik hoop dat we deze discussie niet uit de weg gaan in de verdere toekomst. (Applaus)

De voorzitter

Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters

Voorzitter, collega’s, met het oog op het gevorderde uur houd ik het kort. Ik wil alle sprekers danken. Er is verwezen naar het recente landbouwrapport en het imagorapport of de studie van Eurostat. Er zijn terecht zaken onderstreept. Het inkomen in 2012 is sterk gestegen, maar 2011 was echt een rampjaar, dus die stijging moeten we inderdaad relativeren. Ook het imago-onderzoek is vrij positief.

Ik verwijs naar het consumentenonderzoek van het VLAM. Daaruit blijkt dat onze landbouwers enerzijds qua duurzaamheid zwaar investeren in verbeterende maatregelen voor het leefmilieu en dierenwelzijn, want 41 procent van de subsidies van het VLIF gaan daar naartoe. Anderzijds hecht de consument belang aan versheid en aan de laagste prijs. Er zit een grote kloof tussen die twee. De landbouwers moeten steeds meer investeringen doen voor duurzaamheid, maar de consument heeft voor die duurzaamheid weinig of niets over en kijkt enkel naar de laagste prijs. Er is nog een hele weg af te leggen. Ik hoop dat alle organisaties, niet alleen voor landbouw maar ook leefmilieu, vanuit die vaststelling zaken mee verder uitbouwen.

Dan hebben een aantal collega’s terecht verwezen naar het gemeenschappelijke landbouwbeleid. In februari zullen we, gelet op het financieel meerjarig kader, bekijken hoeveel budget er op Europees niveau nog naar landbouw gaat.

Mijnheer Vanlerberghe, op Twitter staat dat u nog naar het verre Poperinge moet en dat u er nog altijd goed uit ziet. (Gelach. Opmerkingen van de heer Bart Van Malderen)

Mijnheer Van Malderen, ik zeg alleen maar wat er getweet is.

Het is juist dat we realistisch moeten zijn: een verbetering van het budget voor Landbouw op Europees niveau zit er naar alle waarschijnlijkheid niet in. We moeten dat maximaal op peil houden. Het komt er vooral op aan om de vermindering binnen aanvaardbare perken te houden. Mevrouw Eerlingen, de heer Callens en mevrouw Rombouts hebben daar allemaal terecht op gewezen. Het budget moet voldoende draagbaar zijn als dat zou verminderen, en het ziet er zo naar uit.

Dan is er het plattelandsbeleid, met in het bijzonder het Plattelandsfonds. Collega’s, ik heb gemerkt dat men, over oppositie en meerderheid heen, dat Plattelandsfonds zeer belangrijk vindt. Ik kan mij daar alleen maar bij aansluiten. We zullen daarvoor decretaal de goedkeuring en de uitvoering verkrijgen of proberen te verkrijgen in het Vlaams Parlement. Als de budgettaire ruimte het toelaat, zal ik er alles aan doen om dat fonds te spijzen, zodat de gemeenten die erop rekenen ervan kunnen genieten. Dat is niet gelukt in de begroting 2013. Ik heb met de collega’s afgesproken dat dit bij de begrotingscontrole in februari opnieuw op tafel zal liggen. We zullen dan zien wat ervan komt.

Mijnheer Callens, u weet dat de Europese Visserijraad vandaag en morgen samenkomt. Ik ben tussen dit parlement en de Europese Visserijraad de hele dag over en weer gegaan. Morgen wordt daar verder naar een oplossing gezocht voor de quota. Hopelijk is het resultaat voor onze vissers aanvaardbaar. U hebt terecht verwezen naar de aquacultuur. Ik heb het initiatief genomen om samen met alle betrokkenen een platform op te richten om de aquacultuur in Vlaanderen van de grond te krijgen. Dat is niet eenvoudig. Dat heeft onder andere te maken met de rentabiliteit van de sector, met ruimte, met de vergunningen enzovoort.

Mevrouw Eerlingen, u hebt terecht de erosiebestrijding aangekaart. Daar moeten we nog iets aan doen. U hebt verwezen naar mijn beleidsbrief, dat is zeer terecht.

Mevrouw Rombouts, we zetten het VLIF-beleid onverkort verder. Ik kan met recht en reden zeggen dat we een zeer dynamische en strijdvaardige sector hebben. Dat is de verdienste van onze land- en tuinbouw. Ze verdienen ons respect en een goed beleid. We zullen dat voortzetten.

Ik heb zonet een tweet verstuurd om te zeggen dat de heer Vanlerberghe gelogen heeft in zijn tweet. Ik heb begrepen dat hij hier blijft overnachten. Ik weet niet of dat voor zijn vrouw is of voor zijn kiezers. Ik vraag de opheffing van de onschendbaarheid van de heer Vanlerberghe.

Jurgen Vanlerberghe

Ik heb er geen probleem mee dat mijn onschendbaarheid wordt opgeheven. Misschien kan die van de heer Sintobin dan ook onmiddellijk worden opgeheven wegens het verspreiden van valse informatie. Ik heb helemaal niet gelogen. Ik zit nog niet lang op Twitter, ik ben het nog aan het ontdekken. Ik heb zelf getwitterd dat ik, in tegenstelling tot wat sommigen dachten niet naar Poperinge moet, maar in het Zaventem van de heer Van Rompuy blijf overnachten.

De voorzitter

Ik wil in het bijzonder minister Muyters en minister-president Peeters bedanken voor deze lange vergadering, maar ook mezelf omdat wij het sinds deze morgen al volhouden. (Applaus)

We zitten hier vanaf 9 uur en het is nu 23 uur. Mevrouw Dillen heeft mij maar één keer moeten vervangen. Dat bewijst dat mijn blaas nog heel goed is.

Ik wil in het bijzonder de fractievoorzitters en mevrouw Dillen bedanken. Ik heb het vandaag toch een beetje in de gaten gehouden. Ik moet zeggen dat de fractievoorzitters en mevrouw Dillen, die ondervoorzitter is, het zeer goed volgehouden hebben. Ik bedank ook de overige aanwezigen.

Ik wens degenen die terugkeren naar Poperinge, Ardooie of waar dan ook, een behouden thuiskomst.

Politieke fracties
Regeling van de werkzaamheden

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.