U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet tot wijziging en opheffing van verschillende decreten inzake ontwikkelingssamenwerking.

De algemene bespreking is geopend.

De heer Verstreken, verslaggever, heeft het woord.

Johan Verstreken

Voorzitter, ik verwijs naar het schriftelijke verslag.

De voorzitter

De heer Roegiers heeft het woord.

Jan Roegiers

Voorzitter, minister-president, collega’s, ik wil het niet hebben over de artikelen die we hebben goedgekeurd en die vatbaar zijn voor wijziging, wel over twee andere aspecten die te maken hebben met de ontwikkelingssamenwerking en die in het kader van dit kaderdecreet wel ter sprake kunnen komen.

Minister-president, een eerste zaak die ik met u zou willen bespreken, is de tanende aandacht voor de Noordwerking. U weet dat er een onderzoek is uitgevoerd door het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA) waarvan de resultaten een paar weken geleden zijn bekendgemaakt. Daaruit blijkt dat niet minder dan 8 procent van de ondervraagden – er waren 1700 ondervraagden – nog vindt dat de middelen voor ontwikkelingssamenwerking goed worden besteed. In 2010 was dat nog dubbel zoveel. De groep die stelt dat de middelen voor ontwikkelingssamenwerking ronduit slecht worden besteed, bedraagt 29 procent of bijna een derde van de ondervraagden. Dat blijkt ook uit de giften voor ontwikkelingssamenwerking. In 2007 gaven nog zes op tien Belgen af en toe wat geld aan het goede doel. In 2012 is dat gehalveerd tot nog slechts één op de drie mensen. Bovendien vindt maar liefst 44 procent van de ondervraagden dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking moet verminderen. In 2002 was dat slechts 5 procent.

Redenen genoeg om ons zorgen te maken, vooral omdat u, minister-president, zelf in het Vlaams regeerakkoord aandacht voor die Noordwerking hebt opgenomen. Daar staat namelijk: “Ontwikkelingssamenwerking begint in het Noorden. Om deze reden blijven we ook investeren in Noordwerking (...).”

Minister-president, daarom wil ik in de bespreking van dit ontwerp van decreet daar aandacht voor vragen en wil ik u vragen of u maatregelen in petto hebt die de solidariteit met het Zuiden opnieuw moeten opkrikken.

Een tweede zaak die ik met u zou willen bespreken, is het feit dat in dit ontwerp van decreet de aandacht voor mensenrechten niet is opgenomen. We hebben in de commissie een goede bespreking gehad over de mensenrechten. Ze zijn al vaak aan bod gekomen. Maar ik probeer een lans te breken om het spoor te volgen van een aantal Scandinavische landen – Zweden en Noorwegen – maar ook de UK en de United States, die in hun ontwikkelingssamenwerking heel duidelijk een koppeling maken tussen de aandacht en het respect voor mensenrechten en de ontwikkelingssamenwerking. Ik en ook de heer Hendrickx hebben u in de commissie al een paar keer ondervraagd over de situatie in Malawi. U hebt toen initiatieven genomen om de ambassadeur van Malawi te contacteren. Het zijn een aantal zaken die gelinkt zijn aan de mensenrechten. Ik denk dat het goed zou zijn dat er ook in een kaderdecreet aandacht is voor mensenrechten en de koppeling met ontwikkelingssamenwerking.

We hebben nu dit ontwerp van wijzigingsdecreet. De mensenrechten zijn daar niet in opgenomen. Is dat een aangelegenheid die in de toekomst wel in een kaderdecreet zou kunnen worden opgenomen, die koppeling tussen de mensenrechten en de ontwikkelingssamenwerkingshulp?

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel

Minister-president, wij wensen nog even in herinnering te brengen dat het een gemiste kans is dat met dit ontwerp van kaderdecreet niet veeleer ingezet wordt op de synergieën tussen de verschillende niveaus waarop in ons land aan ontwikkelingssamenwerking wordt gedaan, zijnde de deelstaten, de federale overheid en ook het Europese niveau, waarin wij ons kunnen inschrijven.

Ik verwijs hierbij naar de ‘peer review’ door de OESO van de Belgische ontwikkelingssamenwerking, ongetwijfeld het belangrijkste evaluatierapport in dit domein. Zij stellen in hun aanbevelingen ten aanzien van België het volgende: “The DAC“ (Development Assistance Committee) “welcomes Belgium’s efforts to fulfil international commitments. Building on this, Belgium should develop a common vision of development co-operation through dialogue involving all the public actors delivering Belgian ODA.” Onder ‘all the public actors’ versta ik ook de deelstaten.

Verder luidt het: “A medium-term strategy should translate this vision into operational and strategic priorities for development programming.” Dit aangepaste kaderdecreet had inderdaad rekening moeten houden met een strategie op middellange termijn. Men had wat duidelijker moeten zijn met betrekking tot de strategieën.

Tijdens de bespreking in commissie heb ik ook gewezen op de geografische en sectorale concentratie. U hebt wel een nobele ingesteldheid wanneer u zegt te hopen dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking zal stijgen bij een eventuele volgende bevoegdheidsoverdracht, maar als u het aantal partnerlanden wilt uitbreiden en u neemt als referentie wat men nu bijvoorbeeld bij de federale overheid uitgeeft per partnerland, zou uw budget moeten verzevenvoudigen indien u er nog een partnerland bij wilt nemen.

Ik vind het spijtig dat onze suggesties niet werden goedgekeurd. Ik wil bij deze gelegenheid wel de vraag van de heer Roegiers steunen. Mensenrechten zijn inderdaad een criterium dat ter sprake komt in de commissie. We hebben het al gehad over schrijnende toestanden in Malawi. U bent daar dan op ingegaan, minister-president, en bent een gesprek aangegaan met de ambassadeur van Malawi. Het zou interessant zijn om alsnog een inspanning te doen, zoals de heer Roegiers vroeg, om de mensenrechten duidelijk als criterium te formuleren in het Vlaamse beleid rond ontwikkelingssamenwerking.

De voorzitter

Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters

Voorzitter, collega’s, ik wens de collega’s van de commissie, van zowel meerderheid als oppositie, te danken. Wij hebben in de commissie een uitgebreid debat gehad over dit ontwerp. Ik heb ook onze reactie op alle voorstellen en voorstellen van amendementen door onder andere mevrouw Brusseel uitvoerig toegelicht, alleen al uit respect voor het werk dat de oppositie heeft geleverd.

Mijnheer Roegiers, het onderzoek waar u het over had, was een online bevraging. Daar moeten we altijd een beetje mee opletten, omdat mensen dan vrij negatief reageren. Ook de representativiteit moet in de gaten worden gehouden. Er zijn nadien ook nog focusgroepsgesprekken gehouden. Daar bleek dat 92 procent van de deelnemers in de focusgroepen de kloof tussen het rijke noorden en het arme zuiden onaanvaardbaar vindt. Dat ging om 61 procent van de respondenten van de web survey.

Dit gezegd zijnde, uit dit onderzoek is heel duidelijk gebleken dat er een verregaande impact is op het geefgedrag en de attitudes van de Vlamingen ten opzichte van instellingen die met ontwikkelingsgelden werken. Heeft dat te maken met de economische crisis en de algemene malaise op dat vlak? Dat is een zeer interessante bedenking. Ik wil op basis van dit onderzoek concluderen dat er mogelijk een probleem is dat ons zorgen moet baren of waarop we antwoorden moeten geven.

We hebben een aantal initiatieven lopen om te proberen dat draagvlak te versterken. Ik verwijs naar: ontwikkelingseducatie, de gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking, de Vierde pijler-initiatieven, sensibilisering van de media, educatie voor duurzame ontwikkeling, om er maar enkele te noemen. En we mogen zeker de ngo’s niet vergeten.

De wijziging van dit kaderdecreet Ontwikkelingssamenwerking is juist ook een van de elementen om daar een nieuwe impuls aan te geven door een drastische vermindering van de administratieve overlast bij de behandeling van dossiers. We kunnen ook een aantal aspecten integreren. En er is de begroting die sinds kort is opgebouwd, zodat alle uitgaven in het kader van draagvlakversterking onder eenzelfde begrotingsartikel vallen. Dat zijn allemaal elementen die daar mogelijk toe kunnen bijdragen.

Mijnheer Roegiers, ik heb voor u maar ook voor alle andere collega’s het cijfermateriaal even op een rijtje gezet. In totaal ging in 2011 21,9 miljoen euro naar Noord-Zuidwerking. Het gaat om vormen van samenwerking waarbij de Vlaamse Regering zorgt voor de financiering of medefinanciering van de activiteiten in het kader van het ontwikkelingsbeleid van een indirecte actor. Ik kan u die informatie geven.

Het onderzoek naar methodologie moet juist geplaatst worden. Er is een probleem. Wij hebben al initiatieven genomen. Dit kaderdecreet moet daaraan een bijkomende impuls geven.

Mijnheer Roegiers, uw tweede vraag ging over de problematiek van de mensenrechten. Mevrouw Brusseel sloot zich daar bij aan. In de commissie hebben we daarover al meerdere keren gediscussieerd. U weet dat we zeer ambitieus zijn met de mensenrechten. De Vlaamse Regering heeft daarover duidelijke visies verwoord. Maar, collega’s, u geeft allebei het voorbeeld van Malawi. Daarover hebben wij ook al gesproken. Onze ontwikkelingshulp is bedoeld voor mensen die wij willen helpen. Als je wordt geconfronteerd met overheden die de mensenrechten niet respecteren en als je daarom stopt met ontwikkelingssamenwerking, dan tref je in eerste instantie de mensen voor wie het bedoeld is. Ik begrijp natuurlijk zeer goed dat je een signaal moet geven aan die overheden en dat je zegt: “Luister eens hier, wij geven heel wat ondersteuning. In het belang van de problematiek die leeft, moet men daar ook de mensenrechten respecteren.” Wij hebben dat op meerdere momenten gedaan. Het een sluit het ander niet uit. Het is niet omdat je middelen vrijmaakt voor ontwikkelingssamenwerking, dat je de mensenrechten niet onder de aandacht moet brengen. Zeker als ze geschonden worden, moet je daar initiatieven voor nemen. De vraag is of die binding in dit kaderdecreet, of later, nog sterker moet worden gemaakt. Sommige problemen zijn zeer complex. In Malawi hebben ze een cultuur waarin bepaalde rechten, die wij kennen, niet worden gerespecteerd. Uit mijn gesprekken met de ambassadrice en anderen blijkt dat men wel bereid is om stappen te zetten, maar ook dat de culturele geplogenheden spijtig genoeg al zoveel jaar zijn wat ze zijn.

We hebben nu een nieuwe presidente in Malawi, die daar werk van wil maken. Wij moeten die mensen aanmoedigen en ondersteunen zodat ze in die richting gaan. We moeten ze niet sanctioneren door het budget voor ontwikkelingssamenwerking op te schorten.

Er zijn andere situaties, zoals in Mozambique, waar er mogelijk geen goede opvolging is van gelden, zoals in het verleden bij de bouw van ziekenhuizen. De mensenrechten vormen dus een heel belangrijke problematiek. We hebben het echter al gehad over de uitdrukkelijke binding tussen het ene en het andere. Ik ben daar geen grote voorstander van.

We zullen in 2013 een conferentie organiseren in Malawi. We zullen trachten die problematiek daar breder aan te snijden en het verder aan te kaarten bij de deelnemers aan die conferentie. We zijn dus bezig met die problematiek. Maar over de uitdrukkelijke vraag om het ene met het andere te verbinden in een decreet, moeten we verder nog eens van gedachten wisselen.

Mevrouw Brusseel, de OESO is een heel belangrijke instelling, zeker wanneer die ‘peer reviews’ doet. Niemand betwijfelt dat. We zoeken altijd naar een synergie, ook met andere niveaus, zoals het Europese of het federale niveau. Dit mag geen competitie of, erger nog, een vechtsituatie met zich meebrengen. Wij zijn daar altijd zeer gevoelig voor. Zo is de samenwerking met het federale niveau in Mozambique verder uitgeklaard. Ook in Malawi is dat gebeurd. Wat mij betreft, is het altijd de bedoeling om een synergie te zoeken met het federale niveau, het Europese niveau en met andere donorlanden. Het is volgens mij dus niet een ‘gemiste kans’, zoals u het uitdrukt.

U kunt het natuurlijk betreuren dat alle amendementen die u hebt voorgesteld niet werden aangenomen. Ik heb in de commissie uitgebreid uitgelegd, onderbouwd met argumenten, waarom wij dat niet konden steunen. Iedereen heeft het recht om amendementen in te dienen. De meerderheid en ikzelf als minister hebben echter het recht om te zeggen waarom het volgens ons niet nodig is die te volgen.

Jan Roegiers

Minister-president, ik dank u voor uw antwoorden.

Ik waardeer de inspanningen die u levert in verband met mensenrechten, de nota die daarover werd geschreven en de consequentie die wij daaraan koppelen in heel ons buitenlands beleid ten zeerste. Dat wil ik heel duidelijk stellen.

Ik wil mij nog even op de vlakte houden wat het daadwerkelijk toestaan of opschorten van budgetten betreft. Ik denk dat er ook andere mogelijkheden zijn om aandacht te schenken aan die mensenrechten. Indien de koppeling tussen ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten alleen uit de Verenigde Staten of de UK zou komen, zou ik denken dat er wel andere redenen voor zijn. Maar dat ook landen die bij uitstek een zeer progressieve houding aannemen ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking, zoals Noorwegen en Zweden, die koppeling maken, geeft mij op een of andere manier de kracht en de overtuiging dat er wel goede redenen zullen zijn om beide aan elkaar te koppelen.

Maar goed, dit ontwerp van decreet is wat het is. Het is er nu niet in opgenomen. Gelet op het feit dat er een conferentie komt over mensenrechten die u – als ik het goed heb begrepen – mee organiseert in Malawi, lijkt het mij een goed idee om deze case, het koppelen van mensenrechten aan ontwikkelingssamenwerking, mee op de agenda te plaatsen. We zouden kunnen nagaan waarom landen als Noorwegen en Zweden dat effectief hebben opgenomen in hun kaderwetten of kaderdecreten. Ik denk dat we op die manier verder kunnen gaan. Ik dring er niet op aan om dit nu of op korte termijn op te nemen in een decreet.

Wat het deel over de verminderde aandacht voor Zuidwerking in het Noorden betreft, ben ik het met u eens dat het om een onlinebevraging gaat. Die onlinebevraging werd wel vergeleken met een onlinebevraging van het jaar voordien. Zelfs al zijn die onlinebevragingen relatief, is er dus wel een mogelijkheid om beide met elkaar te vergelijken.

Dan zie je wel dat die cijfers achteruit gaan, wat u trouwens erkent. U hebt zelf in uw beleidsnota geschreven dat er een integrale visie rond draagvlakversterking zou worden uitgewerkt. Het is misschien een goede reden om aan de hand van de resultaten van het HIVA, met al de relativiteit ervan, versneld werk te maken van die visie en daarmee naar het Vlaams Parlement te komen.

Ann Brusseel

Minister-president, begrijp me niet verkeerd, de koppeling kan inderdaad breed gaan, zoals de heer Roegiers vermeldt. Toch denk ik niet dat het zo breed moet zijn dat er rek zit op de toepassing van mensenrechten. We zien dat er naties zijn die helemaal niet bekommerd zijn om mensenrechten, die zaken doen met landen waar mensenrechten van geen tel zijn. Mochten we het been niet stijf houden, zal er in de 21e eeuw misschien nog weinig over mensenrechten gesproken worden, terwijl er de laatste decennia toch inspanningen geleverd zijn om het wel bespreekbaar te maken.

De koppeling is wel nodig, zonder meteen te moeten spreken over het intrekken van steun, zonder dat er een dialoog aan vooraf is gegaan. U kunt die koppeling gebruiken als een hefboom om mensenrechten hoog op de agenda te houden. Dat is heel belangrijk. Zoals in het geval van Malawi, is er dan nog altijd een gesprek mogelijk en vooruitgang mogelijk, als het staatshoofd er op een bepaald moment werk van wil maken.

Omdat de thematiek op de agenda zou blijven, vind ik het belangrijk dat u de koppeling durft te maken en niet te snel redeneert in de zin van wie er de dupe van wordt. Als er geen mensenrechten zijn in een land, zijn er heel veel gedupeerden. Daar moeten we aandacht voor hebben. En daarom steun ik de vraag van de sp.a-collega.

Minister-president Kris Peeters

Ik blijf erbij dat wij voor ontwikkelingssamenwerking in dit ontwerp van kaderdecreet de juiste accenten leggen, maar daarnaast bestaat er ook een heel duidelijke lijn voor de mensenrechten. Het belangrijkste is: hoe bereik je het beste resultaat? In Malawi en Mozambique hebben op een bepaald moment alle donorlanden beslist om het ‘on hold’ te zetten en te discussiëren.

Mijnheer Roegiers, u zegt dat er nu verder over moet worden nagedacht. Ik wil kijken naar andere landen waar volgens u die binding wel heel nadrukkelijk is gemaakt, ook in de wetgeving. Ik ga er ook van uit dat voor u de verbetering van de mensenrechten het belangrijkst is. Hoe we daartoe komen, is van secundaire orde. Ik wil rustig verder dat gesprek voeren en kijken hier en in Malawi hoe dat in de praktijk het best wordt toegepast.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 1423/4)

– De artikelen 1 tot en met 20 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.