U bent hier

Plenaire vergadering

donderdag 5 juli 2012, 9.00u

van Lieven Dehandschutter, Karin Brouwers, Els Robeyns, Sas van Rouveroij, Boudewijn Bouckaert en Bart Caron
1658 (2011-2012) nr. 1
De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het voorstel van decreet van de heer Lieven Dehandschutter, de dames Karin Brouwers en Els Robeyns en de heren Sas van Rouveroij, Boudewijn Bouckaert en Bart Caron houdende wijziging en opheffing van het decreet van 2 maart 2007 houdende het statuut van de reisbureaus.

De algemene bespreking is geopend.

De heer Verstreken, verslaggever, heeft het woord.

Johan Verstreken

Voorzitter, collega’s, ook de heer De Meulemeester was verslaggever, maar hij kon hier niet tijdig aanwezig zijn. Hij zou verslag doen van de pleidooien van de meerderheid in de commissievergadering, maar de leden van de meerderheid kunnen ook zo dadelijk nog hun standpunten voorleggen.

De Commissie voor Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Decreetsevaluatie, Inburgering en Toerisme besprak op 12 juni 2012 het voorstel van decreet houdende wijziging en opheffing van het decreet van 2 maart 2007 houdende het statuut van de reisbureaus.

Er werd een toelichting gegeven door de heer Dehandschutter. Hij verwees naar de conclusies van het evaluatierapport van het Departement internationaal Vlaanderen, dat het niet wenselijk achtte om het decreet op de reisbureaus in zijn huidige vorm te laten bestaan. Er lagen twee opties voor: drastisch afslanken of afschaffen.

De indieners hebben gekozen voor een gefaseerde afschaffing. In een eerste fase wordt er voorgesteld om de definitie van reisbureau drastisch te beperken en om de vrijstellingen beter te omschrijven en te definiëren. Uiteindelijk zal het decreet ophouden te bestaan. In de tussentijd krijgt de sector de kans om zich voor te bereiden op autoregulering. Daarbij wenste men enerzijds rekening te houden met de belangen en de bescherming van de consument, anderzijds wenste men oog te hebben voor de kwaliteit van de dienstverlening en de aangeboden producten door de sector. De indieners zijn tot de conclusie gekomen dat de federale en Europese regelgeving voldoende sterk zijn om de nodige waarborgen te bieden.

Tijdens de bespreking hekelde de heer Sintobin van het Vlaams Belang de snelheid en verbetenheid waarmee dit dossier werd behandeld. Hij kent geen enkele belangenvereniging die zo door de politiek werd verguisd als de Vereniging Vlaamse Reisbureaus (VVR). Volgens de heer Sintobin is er zowel bij de minister als bij de politieke fracties sprake van een staaltje van ‘voortschrijdend inzicht’. Het Reisbureaudecreet kwam er niet alleen op vraag van de reissector, maar ook op vraag van de politieke fracties, aldus de heer Sintobin. Het gaat om decreetgeving op maat, waarbij vooral de zuilen het gehaald hebben. De heer Sintobin was voorstander van een evaluatie van het initiële decreet en van eventuele aanpassingen. Maar het decreet afschaffen heeft volgens het Vlaams Belang te veel negatieve gevolgen voor de sector en de consument. Het Vlaams Belang heeft het voorstel van decreet dan ook niet goedgekeurd.

Namens Open Vld stelde de heer van Rouveroij dat het Reisbureaudecreet van 2007 is gerealiseerd met de beste bedoelingen, maar dat het een aantal onbedoelde gevolgen heeft gehad. Hij verwees naar de rechtszaken met de VVR. In 2012 heeft de heer van Rouveroij een parlementair initiatief genomen met betrekking tot de affiliate websites. Bij de hoogdringende behandeling in de plenaire vergadering van het voorstel van decreet dat de zogenaamde Bongobons moest uitsluiten van de vergunningsplicht, diende hij een amendement in teneinde de vergunningsplicht eveneens op te heffen voor de affiliate websites. Dat amendement werd toen verworpen met het argument dat men niet te ver mag gaan met het doorvoeren van uitzonderingen. Intussen werden de affiliate websites het slachtoffer van vonnissen met dwangsommen. Daarom heeft de heer van Rouveroij samen met anderen een voorstel van decreet ingediend, waarin werd voorzien in een bijkomende uitzondering op de vergunningsplicht. Op dat ogenblik was het reeds duidelijk dat de meerderheid bereid was het probleem open te trekken.

Door het voorstel van decreet dat nu voorligt, wordt het Reisbureaudecreet per 1 januari 2014 afgeschaft. De sector krijgt dus ruim anderhalf jaar de tijd om zichzelf te organiseren. Een dergelijke zelfregulering bestaat in de ons omringende landen, en dat is ook de optie van Open Vld. Een onmiddellijke afschaffing zou wellicht een vacuüm creëren. Op korte termijn moest de bemiddelingsopdracht echter uit het decreet worden gehaald.

Voor Open Vld is dit een goed voorbeeld van decreetsevaluatie. Daarom werden zowel in de meerderheid als in de oppositie partijen bereid gevonden om het voorstel van decreet te steunen.

De heer Boudewijn Bouckaert ontkende de stelling dat de afschaffing van het decreet het werk is van machtige verzuilde groepen. De administratie organiseerde een eerlijke bevraging en evaluatie over het nut en de effecten van de regelgeving. Dat heeft geleid tot correcte politieke conclusies. De afschaffing van het decreet heeft het voordeel dat alle actoren die actief zijn in de reissector, op een gelijke manier worden behandeld. Met de afschaffing van dit vergunningenstelsel geeft de minister ook uitvoering aan de Europese Dienstenrichtlijn en aan de verdere eenmaking van de interne markt. Het decreet wordt niet onmiddellijk afgeschaft. Zo krijgen de organisaties binnen de sector de tijd voor het uitwerken van een kwaliteitslabel.

Op dat vlak is er ook een taak voor de Vlaamse overheid weggelegd. De Vlaamse overheid moet ervoor zorgen dat de betrokken actoren elkaar vinden en erop toezien dat de VVR haar dominante positie niet misbruikt om het kwaliteitslabel naar haar eigen hand te zetten.

LDD is blij dat het Vlaams Parlement eens wat regelgeving afschaft en hoopt dat dit het begin van een nieuwe cultuur is. De spreker wil dit punt ook in de commissie Economie bepleiten. Dit is afgelopen week naar aanleiding van een discussie over de Europese Dienstenrichtlijn ook gebeurd.

Volgens de heer Caron van Groen moest het decreet een aantal misbruiken uit het verleden bestrijden. Op dit ogenblik misbruikt de beroepsvereniging het decreet evenwel om de eigen positie te versterken en om de markt af te schermen. De geviseerde concurrenten maken gebruik van de nieuwe technologische ontwikkelingen en van de veranderende rol van het sociaal-cultureel werk. In het merendeel van de gevallen doet het sociaal-cultureel werk een beroep op allerlei actoren uit de reissector zelf. Ondertussen hebben veel sociaal-culturele verenigingen hun reisactiviteiten uit schrik voor een rechtsgeding afgebouwd.

De heer Caron vraagt zich af welk voordeel de reissector erbij heeft dat een gedeelte van het cliënteel geen activiteiten meer onderneemt. De grens tussen commerciële en niet-commerciële activiteiten is misschien wat vager geworden. Dat hoeft echter niet tot een heksenjacht op de vrijetijdssector te leiden. Indien de VVR zich de afgelopen jaren anders had gedragen, zou het decreet allicht niet worden afgeschaft.

Deze kwestie heeft volgens de heer Caron niets met de verzuiling te maken. Het gaat om de belangen van verenigingen die een bijdrage tot een warme samenleving leveren. Aangezien bepaalde evoluties de werking van die verenigingen bemoeilijken, pleit hij voor de afschaffing van het decreet. Hij doet dit samen met andere verenigingen en partijen die zogezegd verzuilde belangen dienen.

De heer Caron roept op een zelfregulering uit te werken die de consument als belangrijkste zorg heeft. Hij vraagt de minister de sector te begeleiden en ervan te overtuigen dat een goede zelfregulering in het voordeel van de sector is.

De heer Vanden Bussche heeft verklaard dat de Open Vld de afschaffing van het decreet met overtuiging zal goedkeuren. Hij heeft ook opgemerkt dat de arrogante houding van de vertegenwoordigers van de VVR hierin een belangrijke rol heeft gespeeld. De meer diplomatische houding die hij van hen had verwacht, had er misschien toe kunnen leiden dat een andere oplossing uit de bus was gekomen.

Tijdens de eindstemming is het voorstel van decreet houdende wijziging en opheffing van het decreet van 2 maart 2007 houdende het statuut van de reisbureaus met negen stemmen voor en drie stemmen tegen aangenomen.

Namens de meerderheid hebben ook mevrouw Brouwers, de heer Kennes, de heer Roegiers, mevrouw Robeyns en de heer De Meulemeester het woord genomen.(Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Dehandschutter heeft het woord.

Lieven Dehandschutter

Voorzitter, ik dank de heer Verstreken voor zijn volgens mij zeer volledige samenvatting van de commissiebesprekingen.

Dit voorstel van decreet heeft een lange voorgeschiedenis gekend. In het voorjaar hebben we tijdens plenaire vergaderingen enkele keren over het decreet houdende het statuut van de reisbureaus gediscussieerd. Die discussies zijn ontstaan naar aanleiding van de problematiek van de Bongobonnen en van de affiliated websites. Toen is steevast verklaard dat we later dit jaar over een globale evaluatie van het decreet zouden discussiëren.

Die evaluatie is ondertussen op grondige wijze gevoerd. Het door de administratie opgesteld rapport is zeer uitvoerig en gedetailleerd. Het is een zakelijke en objectieve evaluatie, ontdaan van alle emotie en commotie van de afgelopen maanden. Het rapport biedt een uitgebreid beeld van de problemen die met betrekking tot het decreet zijn opgedoken. Iedereen in de commissie Toerisme heeft erkend dat deze decreetsevaluatie bijzonder voorbeeldig is verlopen en in andere terreinen zou kunnen worden gebruikt.

Na de evaluatie is de politiek weer aan zet voor de besluitvorming. De leden van de commissie Toerisme hebben zich hierover gebogen. Ik ben tevreden dat de meerderheid en bijna de volledige oppositie elkaar met dit voorstel van decreet hebben gevonden.

De conclusie van het rapport luidt dat het niet wenselijk is het decreet in zijn huidige vorm te laten voortbestaan. Er lagen dan ook twee opties voor. Het decreet moest drastisch worden afgeslankt of worden afgeschaft. De commissie heeft lang over de beste formule nagedacht. Daarbij zijn twee bekommernissen vooropgesteld.

We willen rekening houden met de belangen en de bescherming van de consument. Daarnaast willen we ook rekening houden met de kwaliteit van de door de sector aangeboden dienstverlening en producten.

De indieners hebben uiteindelijk gekozen voor een gefaseerde afschaffing. In een eerste fase wordt voorgesteld om de definitie van reisbureau drastisch te beperken en om de vrijstellingen beter te omschrijven en te definiëren. In een tweede fase, met ingang van 1 januari 2014, zal het decreet worden opgeheven. In de tussentijd krijgt de sector de kans om zich voor te bereiden op zelfregulering. De consumentenbescherming en de eerlijke concurrentie tussen de reisbureaus zullen daarbij gegarandeerd blijven door enerzijds het bestaan van de geschillencommissie reizen, een initiatief van de beroepsverenigingen en de consumentenverenigingen, en anderzijds de federale wetgeving inzake de bescherming van de gebruiker, het mededingingsrecht en de handelspraktijken.

Collega’s, het werken met vergunningen heeft lange tijd zijn nut bewezen voor het bewaken van de kwaliteit van de reissector en het beschermen van de consument. Maar de voorbije vijf jaar is er veel veranderd: er worden meer en meer reizen voorbereid en geboekt via het internet. De vergunningsplicht, zoals omschreven in het Reisbureaudecreet, is nauwelijks te handhaven. De discussies van de voorbije maanden bewijzen dat.

Het valt ook niet te ontkennen dat de geschillen en het dreigen met geschillen voor de rechtbank het draagvlak voor het decreet en het vergunningensysteem hebben ondermijnd. Terwijl de wetgeving duidelijkheid moet scheppen over de spelregels die gelden in de samenleving, was het decreet zelf een bron van twist en misverstanden geworden.

Ik denk dan ook dat wij als indieners de juiste keuze hebben gemaakt met dit voorstel van decreet. Mijn fractie zal het uiteraard eenparig goedkeuren.

De voorzitter

Mevrouw Brouwers heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, de zomervakantie is begonnen. Dat is natuurlijk de ideale tijd om ons in deze plenaire vergadering te buigen over toerisme, en meer bepaald over het Reisbureaudecreet. Het is nochtans niet de eerste keer dat dit decreet hier aan bod komt. In maart ondervroeg ik de minister liefst tweemaal over de onbedoelde effecten van het Reisbureaudecreet na een aantal rechterlijke uitspraken. Ook in de bevoegde commissie kwam het Reisbureaudecreet regelmatig aan bod. We hebben discussies gehad over reiscadeaucheques, ‘affiliate websites’, het OKRA-arrest, de vermeende belangenvermenging tussen de Vereniging van Vlaamse Reisbureaus (VVR) en het Adviescomité Reisbureaus, enzovoort. Op 31 januari 2012 pleitte ik in de commissie voor een grondige evaluatie en indien nodig een afschaffing van dit decreet.

Het Reisbureaudecreet is ondertussen vijf jaar oud en had indertijd een betere kwaliteitsbewaking en de bescherming van de consument voor ogen. Met nieuwe ontwikkelingen als de cadeaubons en de ‘affiliate websites’ hield het decreet echter geen rekening. Daarbovenop gaf vooral de ruime interpretatie van het begrip ‘reisbemiddeling’ ongewenste effecten en werd de vrijstellingsregeling voor de socioculturele en onderwijsorganisaties die doelgroepspecifieke uitstappen organiseren, permanent aangevochten via juridische procedures en dreigbrieven van de VVR. Daarom drong ik aan op een versnelde evaluatie van het Reisbureaudecreet. Die is er ook snel gekomen, op 19 april 2012.

Het Departement internationaal Vlaanderen presenteerde een lijvig en goed onderbouwd evaluatierapport, met belangrijke conclusies en beleidsaanbevelingen. Ik neem even mijn tijd om de twee belangrijke conclusies letterlijk te citeren.

De eerste conclusie die men aan het parlement voorstelde, luidt: “Indien er voor zou gekozen worden om het toepassingsgebied van het decreet bij te stellen via een amendering van zijn artikelen 2 en 3, wordt aanbevolen a priori te evalueren in welke mate de nieuwe regeling voldoende algemeen is gedefinieerd en resistent kan worden geacht tegen nieuwe ontwikkelingen in de reisbemiddelingssector en, daaruit voortvloeiend, de nieuwe vragen tot een verruiming van de uitzonderingsgronden. Zoniet bestaat de kans dat de wetgever in de toekomst met regelmaat wordt uitgenodigd om het decreet opnieuw te actualiseren, waardoor het normerend effect dreigt te verwateren.”

Tweede belangrijke conclusie: “Ingeval de wetgever: a, zou vaststellen dat het toepassingsgebied van de door het decreet opgelegde vergunningsplicht, zoals geïnterpreteerd door de rechterlijke macht veel ruimer is dan door hem bedoeld; b, een terugkeer naar de situatie van voor het Reisbureaudecreet van 2007 niet wenselijk acht; c, moeilijkheden zou ondervinden bij de uitwerking van een nieuwe en afdoende definitie van het begrip reisbemiddeling en/of een reeks algemene en stabiele uitzonderingsgronden voor opname in de te amenderen artikelen 2 en 3 van het decreet, wordt aanbevolen dat ook de opheffing van het Reisbureaudecreet als beleidsalternatief zou worden overwogen. De opheffing van het decreet zou de reisbureau- en reisbemiddelingssector van een verplicht vergunningssysteem ontslaan en voor de uitdaging plaatsen om te voorzien in een mechanisme van zelfregulering zoals in vele Noordwest-Europese landen al het geval is. Die beleidsoptie zou aansluiting kunnen vinden bij de algemenere beleidsdoelstelling van de Vlaamse Regering inzake wetsmatiging en deregulering van het economisch leven en een meer doorgedreven omzetting van de Europese dienstenrichtlijn.”

Dat vonden wij toch duidelijke conclusies. We hebben met de meerderheidsfracties naar een oplossing gezocht om de in het rapport vastgestelde problemen te remediëren. We botsten daarbij echter telkens op hetzelfde probleem: het is geen sinecure om sluitende definities op te stellen voor een sector die zo sterk in beweging is. Bovendien bleek de meerwaarde van zo’n aangepast decreet nog veel minder relevant. Het decreet zou dan immers enkel nog dienen om de sector van de reisbureaus af te schermen door een strenge vestigingswetgeving. Dit zou het risico op juridische procedures echter helemaal niet doen afnemen. Dat zou betekenen dat we binnen de kortste keren opnieuw vragen zouden moeten stellen aan de bevoegde minister.

De meerderheid heeft dan samen met Open Vld, Groen en LDD het besluit genomen om het Reisbureaudecreet af te schaffen, mits een voldoende overgangsperiode van anderhalf jaar. Tijdens die overgangsperiode wordt het decreet toch nog aangepast om onduidelijkheden onmiddellijk weg te werken. Zo zal het woord ‘bemiddelen’ uit het decreet verdwijnen, waardoor de affiliate websites niet meer kunnen worden beschouwd als reisbureaus. Ook wordt de vrijstelling voor de socioculturele sector beter gedefinieerd, daar heeft de CD&V-fractie steeds sterk op gehamerd.

Wat verandert er nu concreet? Ik wil dat toch nog even duidelijk stellen, omdat daar toch nog bewust of onbewust heel veel mist wordt gespuid, getuige alle mails die wij de laatste weken ontvingen.

Wat verandert er voor de consument, de verenigingen en de reisbureaus zelf? Voor de consument verandert er eigenlijk weinig. De bescherming van de consument blijft onverkort bestaan door de federale Reiscontractenwet die zowel de reisbureaus – meestal de reisbemiddelaars – als de touroperators – meestal de reisorganisatoren – verplichtingen oplegt die de consument bescherming bieden. De belangrijkste hiervan zijn de verkoopsvoorwaarden voor een reis, de verzekering tegen faillissement en de verzekering tegen beroepsaansprakelijkheid, de Geschillencommissie Reizen, de rechten van de luchtreiziger en de verkoop op afstand. Consumentenbescherming is immers geen Vlaamse bevoegdheid. Bovendien geldt er in deze sector een grote mate van zelfregulering. De touroperators gaan niet met om het even welk reisbureau in zee. Zij eisen ook garanties inzake solvabiliteit en verzekeringen bovenop de wettelijke verplichtingen.

De voorzitter

De heer Sintobin heeft het woord.

Mevrouw Brouwers, u zegt dat de consument nog altijd beschermd wordt door de federale wetten. In de memorie van toelichting van het Reisbureaudecreet van 2007, de uiteenzettingen van de collega’s-parlementsleden en de toelichting van de minister bij de totstandkoming van het decreet was een van de argumenten om een Reisbureaudecreet op te stellen net dat de consument niet of niet voldoende werd beschermd door de federale wetgeving.

Ik begrijp die plotse ommezwaai dus niet goed.

De voorzitter

De heer van Rouveroij heeft het woord.

Sas van Rouveroij

Collega, als u zich daar zorgen over maakt, waarom heeft uw fractie in 2007 het decreet dan niet goedgekeurd?

U probeert dezelfde truc toe te passen waarmee in de commissie ook de minister uitpakte. Wij hebben in 2007 het decreet niet goedgekeurd omdat daarover in de sector ongerustheid heerste. Als u het verslag van de debatten van toen zou hebben nagelezen, dan zou u weten dat wij ons hebben onthouden omdat wij er niet van overtuigd waren dat het begrip ‘hoofdbezigheid’ niet in de tekst van het decreet kon worden ingeschreven. Toen vreesde men al dat supermarkten zoals Carrefour of Delhaize reizen als nevenactiviteit zouden kunnen aanbieden. Zoals de sector waren wij er daarom voorstander van om het aanbieden van reizen als hoofdbezigheid in de tekst op te nemen. Hier doen uitschijnen dat wij het decreet niet hebben goedgekeurd omdat wij het niet goed vonden, is de waarheid geweld aandoen. Ik raad u aan het verslag van toen er nog eens op na te lezen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Het klopt dat het decreet dat wij vandaag willen afschaffen, twee hoofddoelstellingen had: de kwaliteitsbewaking van de sector en een betere bescherming van de consument. Uit de evaluatie blijkt dat het decreet de verwezenlijking van die doelstellingen niet echt veel heeft

bijgebracht. Op het vlak van de kwaliteitsbewaking is dat misschien wel het geval, maar de sector kan daar perfect zelf voor zorgen. Ik kom op die zelfregulering nog terug. Wat de bescherming van de consument betreft, is er een heel goede federale wetgeving van kracht, en ook op Europees vlak beweegt er het een en ander. Dit decreet handhaven is een vorm van overreglementering. Wij willen al zo lang de overreglementering bestrijden. Elke week opnieuw keuren wij hier veel decreten goed. Maar er eentje afschaffen, is blijkbaar een heikele taak. Ik hoop dat het vandaag lukt. Wij hebben dit goed bestudeerd en goed nagekeken of de consument hier geen nadeel van ondervindt.

Ik begrijp natuurlijk uw bedoeling. Maar ik krijg geen antwoord op mijn vraag: waarom hebben in 2007 de minister en een aantal fracties gesteld dat de federale wetgeving niet voldoet om de consument te beschermen, maar vandaag is dat blijkbaar wel het geval? U draait wat rond de pot, en ik krijg geen duidelijk antwoord.

De voorzitter

De heer Kennes heeft het woord.

Ward Kennes

Terugkijkend op de afgelopen vijf jaar kunnen wij vaststellen dat het decreet van 2007 een illustratie is van het gezegde ‘de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens’. In 2007 bestond bij de indieners en diegenen die het decreet hebben goedgekeurd, de intentie om extra bescherming aan te bieden als dat nodig zou zijn geweest. Achteraf bekeken bleek dat niet het goede instrument te zijn geweest. Wellicht heeft men zich vergist, al gebeurde dat ongetwijfeld met de beste bedoelingen. Vandaag moeten wij dat gewoon rechtzetten.

De voorzitter

De heer Bouckaert heeft het woord.

Boudewijn Bouckaert

Mijnheer Sintobin, regelgeving zorgt steeds voor kosten en baten. Ongetwijfeld is het zo dat het decreet van 2007 wellicht een aantal baten heeft opgeleverd. Misschien zijn er hier en daar ‘cowboys’ – zoals dat in anglofobe kringen wordt genoemd – verwijderd die misschien wel consumenten schade hebben berokkend. Maar een decreet zorgt ook voor veel kosten. Het legt een bureaucratische vergunningsplicht op. Er zijn wachtkosten. Ik ga daar straks op in, want er zijn daarover studies aan de universiteit van Hasselt gemaakt. Bovendien kan een decreet worden misbruikt om doelstellingen na te streven die er niets mee hebben te maken.

De wetgever is geen alziende god. De wetgever kan fouten maken, kan foute inschattingen doen en kan leren uit de praktijk. Het is niet erg om fouten te maken, maar het is heel erg om niet te leren uit fouten.

Wat we gezien hebben in de vijf jaar dat het decreet heeft gefunctioneerd, is dat de kosten op het veld de baten grotendeels begonnen te overstijgen. Ik denk dat de uitspraak van de minister en ook van de meeste fracties hier in het Vlaams Parlement, van een voortschrijdend inzicht getuigt. Er werd gezegd dat het decreet eigenlijk geen meerwaarde meer heeft, maar eerder een minwaarde, dat het zorgt voor juridisch gestook op het veld en dat het een bijkomende bureaucratisering is. Daarom werd voorgesteld om het decreet op te heffen en om te bekijken of een ander systeem, dat van labelling, niet beter werkt.

De voorzitter

De heer Roegiers heeft het woord.

Jan Roegiers

Voorzitter, ik wil me graag aansluiten bij de twee vorige sprekers. Als de heer Bouckaert zegt dat er kosten op het veld waren, dan wil ik dat graag nog een beetje versterken. Er waren geen kosten op het veld, het veld is een slagveld geworden. Het slagveld werd veroorzaakt door één wellusteling. Er was één wellustige organisatie die, alle goede bedoelingen van het decreet ten spijt, dit decreet heeft misbruikt en er een waar slagveld van heeft gemaakt.

Ik wil het heel kort overlopen. Een niet-onbelangrijk ziekenfonds heeft vorig jaar een dading aanvaard, er is de bedreiging geweest en de vervolging van een aantal sociaal-culturele verenigingen, er is de Travelbox-affaire geweest, er is het OKRA-arrest geweest en er zijn de ‘affiliated websites’ geweest.

Mijnheer Sintobin, ik wil u eraan herinneren dat de mensen van de ‘affiliated websites’ zijn komen spreken op de hoorzitting en dat de man van de VVR tijdens die hoorzitting nog maar eens gedreigd heeft met nieuwe rechtszaken. Er zijn veroordelingen gekomen en ondanks het feit dat de minister hier zei dat er afspraken waren rond de betekening, is er niet minder lang geleden dan vorige week nog een betekenis geweest van een vonnis en een veroordeling. Ik heb de grootste verachting voor de vereniging die dit decreet heeft misbruikt en een echt slagveld heeft achtergelaten.

Lieven Dehandschutter

Ik wil niet opnieuw de emoties van de voorbije maanden oproepen, maar het antwoord op de vraag van de heer Sintobin zit besloten in het evaluatierapport zelf. Het is een heel grondig en gedetailleerd evaluatierapport waarin een vijftal criteria worden gehanteerd om de vraag te stellen of het decreet nu, na vijf jaar werking, nog een meerwaarde heeft. Het antwoord was telkens “neen”.

Mijnheer Sintobin, ik denk dat daarin het antwoord op uw vraag besloten zit.

De voorzitter

De heer Sintobin heeft het woord.

Voor alle duidelijkheid, ik heb nooit gezegd, noch in de commissie noch hier in de plenaire vergadering, dat wij het Reisbureaudecreet als dusdanig wilden behouden. We zijn altijd, net zoals de minister trouwens, voorstander geweest van een grondige evaluatie en een aanpassing, niet van een afschaffing van het decreet. Tot maart, april, mei – ik weet het niet meer precies – was zelfs de minister er nog altijd van overtuigd dat er een aanpassing van het decreet kon komen.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron

Ik wil in dit onfrisse verhaal de collega’s en het parlement even wijzen op de discussie die daarover gevoerd werd, via mail en in de commissie. Ik heb nog nooit zo’n moddergevecht in de politiek meegemaakt als over dit decreet. De tonaliteit, het woordgebruik, de houding, de attitude en de stijl: alsof het parlement een bende – ik houd me heel erg in nu – onbenullen is. We werden behandeld vanuit de houding: wij kennen de wereld, jullie zijn te dom om te oordelen over wat goed en wat slecht is. Ik heb nog nooit zo’n taalgebruik gelezen en gehoord, maar ook nog nooit zo’n grote opluchting bij mensen in de samenleving toen er initiatieven kwamen om ermee te stoppen.

Het moet ons tot nadenken stemmen over de rol van de politiek. Of we nu voor zijn of tegen, mijnheer Sintobin, als een discussie op die manier wordt gevoerd, moeten we zo’n voorstel van decreet meteen in de vuilnisbak gooien. (Applaus bij sp.a, Groen en LDD)

Ook ik heb in de commissie gesteld – en de collega’s kunnen dat getuigen – dat de woordvoerders van de VVR niet altijd even diplomatisch waren, maar ik vind het geen argument om een decreet al dan niet af te schaffen. U hebt dat taalgebruik misschien nog nooit meegemaakt, mijnheer Caron, maar ik heb in dit parlement ook nog nooit meegemaakt dat een belangenvereniging, die niets anders doet dan de belangen van haar leden verdedigen en trachten een decreet te laten toepassen door de rechtbank, zo door politici aan de schandpaal wordt genageld, zoals daarnet nog door de heer Roegiers.

Wat kosten betreft, mijnheer Bouckaert, heeft ook de reissector zelf zware financiële inspanningen moeten doen om zich aan te passen aan het Reisbureaudecreet dat werd goedgekeurd in 2007 en dat nu wordt afgeschaft. Dat is een beetje zoals de cafés verplichten om een rookafzuigingsinstallatie te installeren en nadien een rookverbod afkondigen.

Wat het slagveld betreft, hebt u voor een stuk gelijk, mijnheer Roegiers, maar u moet wel alles vermelden. Ik heb het ook gezegd aan mevrouw Brouwers in de commissie en hier in de plenaire vergadering. De reizen van OKRA waren niet zomaar busreisjes naar Lourdes. OKRA is nu op veertiendaagse rondreis in India. Het is toch logisch dat dergelijk reizen conform moesten zijn aan het Reisbureaudecreet.

U zegt dat de VVR de sector wil beschermen. In de commissie heb ik ook gevraagd of dat betekent dat u er voorstander van bent dat ik morgen zomaar een immobiliënkantoor open, een restaurant begin of om het even welke economische activiteit begin, zonder te moeten voldoen aan regelgeving? Dat gebeurt nu. Vanaf morgen kan iedereen reizen aanbieden, of hij nu voldoet aan een of ander reglement of niet. Dat is mijn punt van kritiek. Ik was voor een aanpassing, maar ik begrijp echt niet dat jullie zomaar zeggen dat vanaf morgen iedereen een reisbureau kan openen.

Afscherming van de markt en afscherming van de sector gebeuren toch in alle economische sectoren. Ik begrijp niet waarom de reisbureausector per se moest worden uitgeroepen tot publieke vijand nummer één. Als het argument enkel gaat over de houding van de woordvoerders van de VVR, vind ik dat geen argument.

Johan Verstreken

Mijnheer Sintobin, het is ten onrechte dat u ernaar verwijst dat OKRA nu in India zou zitten. Om te beginnen is dat wel geboekt met een officiële touroperator in Vlaamse handen. Het steunt dus de Vlaamse economie. Ten tweede heeft men een erkend nummer. Dat is nu volledig in orde. Ten derde boekten alle regionale afdelingen al hun reizen bij lokale reiskantoren, bij de kleine zelfstandigen.

Beseffen de leden van de VVR dat procederen contraproductief heeft gewerkt? Daardoor is de vereniging die u hebt genoemd, een van grotere touroperators en reiskantoren geworden van Vlaanderen en van België. Daardoor gaan die lokale afdelingen van die sociaal-culturele vereniging niet meer boeken bij de kleine zelfstandigen. Dit Reisdecreet werkt contraproductief en heeft net het tegenovergestelde gerealiseerd, door het voeren van die processen, dan wat men voor ogen had.

Wij hebben respect voor de kleine zelfstandige reiskantoren. Die zijn van ontzettend groot belang. Ik wil iedereen aanmoedigen om daar in de mate van het mogelijke te boeken. Als je dat privé via een website doet, is dat geen enkel probleem, dat moet je voor jezelf uitmaken. Maar je weet dat je safe bent. In plaats van te procederen tegen sociaal-culturele verenigingen, had de VVR de financiële middelen veel beter gebruikt om een positief imago te creëren voor de reissector en de kleine zelfstandigen. Men had persconferenties kunnen geven en positieve en constructieve dingen kunnen doen.

Maar nee, ze hebben het geld van hun leden voor andere dingen gebruikt. Ik hoop dat de ogen van de kleine reiskantoren die zelfstandig reizen organiseren, opengaan. Nu hebben ze de kans om aan zelfregulering te doen.

De voorzitter

De heer van Rouveroij heeft het woord.

Sas van Rouveroij

Mijnheer Sintobin, ik mag redelijkerwijze vermoeden dat u en uw fractie pleitbezorger bent voor een actieve, dynamische, Vlaamse kmo-wereld. Daartoe behoren onmiskenbaar ook de kleine bedrijfjes die zich ontwikkelen in de e-commerce en e-business. In die sector zitten ook heel wat ‘affiliated websites’. Ik heb het in de commissie al gezegd en wil het hier herhalen, dat zou toch ook uw bezorgdheid moeten zijn?

Door dit voorstel van decreet over de reisbureaus worden onze Vlaamse affiliated websites, de e-commerce en e-marketing actief en acuut gediscrimineerd ten opzichte van de rest van de wereld omdat ze aan een vergunningsplicht werden onderworpen. De rest van de wereld kunnen we letterlijk nemen: e-business beslaat de hele wereld. We moeten het ook niet ver zoeken. Het was voldoende om de activiteiten te verplaatsen naar Brussel of Wallonië, waar de Vlaamse regelgeving niet geldt, om in een totaal andere context te kunnen werken. In goed Nederlands: dit is geen ‘level playing field’. Dit speelde in het nadeel van een heel belangrijke, innoverende, groeiende Vlaamse sector. Ik begrijp niet dat u daar de belangen niet van inziet en niet wilt verdedigen.

Mijnheer Verstreken, de houding van de VVR kan toch onmogelijk een argument zijn om aan decreetgeving te doen, om decreten af te schaffen, te evalueren of aan te passen. Dat is volgens mij geen argument waardig in dit parlement.

Mijnheer van Rouveroij, u hebt gelijk, de Vlaamse affiliated websites werden gediscrimineerd tegenover de internationale. Ik blijf nog altijd bezorgd en ik stel me vragen bij de bescherming van de consument die reizen boekt via de affiliated websites. Ik hoop, voorzitter, dat er na dit reces geen actuele vragen of vragen om uitleg worden ingediend over gedupeerde reizigers en hun bescherming in de reiswereld.

Het gaat hier niet alleen over de houding van de VVR – ik heb het al gezegd. Het gaat ook over de rechterlijke uitspraken, die natuurlijk het gevolg waren van procedures die zij hebben gestart. Het zijn de gerechtelijke uitspraken die ons deden concluderen dat het voorstel van decreet anders wordt geïnterpreteerd door die rechters dan dat wij het ooit bedoeld hadden. Daar gaat het over. Ik vind het belangrijk genoeg om hier een laatste keer over door te bomen.

Meer en meer consumenten boeken trouwens hun vakantie rechtstreeks via internet, en in die context is regelgeving die enkel in Vlaanderen van toepassing is, toch wel heel erg beperkt qua opzet, zoals de heer van Rouveroij net zegde. Het is trouwens net daarom dat de Europese richtlijn over de pakketreizen momenteel in herziening is. Nadien zal dan de federale wet daaraan aangepast moeten worden zodat de moderne reisconsument afdoende bescherming blijft genieten ongeacht de wijze waarop hij reizen of logies boekt. Mogelijk kan de consument zelfs genieten van een betere individuele dienstverlening want de concurrentie tussen reisbureaus en touroperators zal iets sterker worden door de komst van nieuwe marktspelers. Bestaande reisbureaus zullen dus goede service moeten blijven leveren om klanten te houden en klanten te winnen.

Hoewel ze al ten overvloede werden genoemd, zal ik nog even de voordelen voor de socio-culturele verenigingen, de onderwijssector, de sportverenigingen opsommen. Ze zullen meer vrijheid krijgen om zelf reizen te organiseren en te verkopen. Dat spreekt vanzelf. Opgelet echter: de Reiscontractenwet en de federale wet op de handelspraktijken blijven natuurlijk ook op die reizen van toepassing. Men zal alle aangesloten verenigingen en afdelingen dus goed moeten informeren over hun verantwoordelijkheid bij het organiseren van reizen. We gooien dat hier niet zomaar weg. Die federale wetten bestaan nog.

Er zal hopelijk ook minder risico zijn op een rechtsgeding van de VVR, al gaf de VVR al wel aan voortaan te zullen blijven dagvaarden op basis van die Reiscontractenwet. We zijn er nog niet vanaf, maar het opstapje van ons decreet verdwijnt dan toch. Dat werd immers telkens door de rechters mee in overweging genomen bij hun beoordeling. Ook zullen die verenigingen gemakkelijker kunnen samenwerken met reisbureaus en touroperators. Nu was dat zelfs verboden. Een van die rechterlijke uitspraken heeft immers ons begrip ‘reisbemiddeling’ zo ruim geïnterpreteerd dat zelfs een voorzitter van een vereniging geen reis voor zijn vereniging mocht gaan boeken bij een reiskantoor. Hoe absurd kan dit zijn? Het is goed dat we dit afschaffen, en dat dit opnieuw op een normale manier kan.

De heer Verstreken heeft er al op gewezen dat in de reisbureausector heel veel kleine zelfstandigen actief zijn. De CD&V-fractie waardeert hen zeker voor hun kwaliteitsvol werk. Voor hen zijn er ook voordelen. Het lijkt me belangrijk dat hier te zeggen, en die voordelen op te sommen. Ze krijgen minder financiële en administratieve lasten.

In dit verband wil ik wel een kleine bezorgdheid uiten. Gelukkig is minister Smet aanwezig. Die kan dat dan aan de minister van Toerisme overbrengen. Momenteel bepaalt het uitvoeringsbesluit dat het eigen vermogen waarvan reiskantoren moeten bewijzen dat ze het hebben, na drie jaar moet worden opgetrokken van 25.000 euro naar 50.000 euro. De vraag is natuurlijk of het nog nodig is die verdubbeling op te leggen voor vergunningen waarvoor die drie jaar nog moeten verstrijken. Ik wil de minister vragen dat toch eens te bekijken bij de aanpassing van het uitvoeringsbesluit, en daarover ook zo snel mogelijk te communiceren ten aanzien van de betrokken reisbureaus.

Een ander voordeel is dat reisbureaus een grotere vrijheid tot ondernemen krijgen en dat samenwerking met derden en verenigingen gemakkelijker wordt. Als de beroepsverenigingen erin slagen om zelf een instrument tot zelfregulering te ontwikkelen, dan kunnen de voorheen vergunde reisbureaus daar vermoedelijk gemakkelijk mee instappen en genieten van de voordelen die dit met zich meebrengt. Mogelijk zullen de reisbureaus meer concurrentie ondervinden van nieuwe spelers, maar daardoor zullen ze zich misschien extra inzetten om klanten te winnen. Dat is toch eigenlijk ook een voordeel. Ze zullen ook zelf meer gebruik kunnen maken van promotiekanalen, tussenkanalen zoals die affiliated websites, reisbons enzovoort.

De sector van de reisbureaus krijgt dus tot 1 januari 2014 de tijd om een systeem van zelfregulering op te zetten, zoals dat nu al bestaat in noordelijke Europese landen. We zullen dat natuurlijk niet opleggen. Misschien kan er begeleiding komen. Het zal van de minister afhangen in welke mate hij dat verder wil opvolgen. Er zou bijvoorbeeld een kwaliteitslabel kunnen worden ontwikkeld voor reisagenten die een specifieke beroepsopleiding of specialisatie hebben. Dat zullen ze echter zelf enigszins moeten uitzoeken.

Ik wil er bij de minister ook nog eens op aandringen, zoals ik dat in de commissie deed, dat een dergelijk kwaliteitslabel, als dat dan wordt ontwikkeld, via een door de Vlaamse overheid ondersteunde informatiecampagne bekend zou worden gemaakt bij het grote publiek, bij de consument. Dat zou gebeuren naar analogie met andere campagnes die de Vlaamse overheid voert om kwaliteitslabels te promoten. Ik heb het eerder ook al gezegd: ik hoop echt dat de reisbureausector deze kans grijpt om zichzelf nu opnieuw uit te vinden en zich te richten op een cliënteel dat nog wel bereid is om te betalen voor die goede service, dicht bij de klant, voor reizen op maat, reizen voor specifieke doelgroepen enzovoort.

Mevrouw Brouwers, u probeert hier weer te geven hoe goed het wel is voor de reisbureausector dat het Reisbureaudecreet wordt afgeschaft. Ik heb daar mijn twijfels bij. Ik ben geen economist van opleiding maar ik denk toch dat het een economische wetmatigheid is dat wanneer men een markt open gooit, de concurrentie groter wordt. De taart die moet worden verdeeld, blijft echter even groot. Soms is die iets groter of kleiner afhankelijk van bijvoorbeeld een crisisperiode. U bent het toch met me eens dat door de afschaffing van het Reisbureaudecreet, honderden jobs op de helling komen te staan, vooral binnen de kleinere sector van de reisbureaus. U spreekt ook over zelfregulering alsof dat de beste oplossing zou zijn. Ik heb in een rapport gelezen dat die zelfregulering, bijvoorbeeld in Nederland, niet zo geslaagd is. De kleinere reisbureaus worden weggedrongen door de grote touroperators. Dat is een van de grote nadelen. Ik heb geen aandelen in de Vereniging van Vlaamse Reisbureaus maar ik wil vooral de belangen verdedigen van de kleine reisbureaus. Met de afschaffing van het decreet zullen zij stelselmatig verdwijnen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Jan Roegiers

Mijnheer Sintobin, waar baseert u zich op om hier in deze plenaire zitting boudweg te zeggen dat er honderden jobs zullen verdwijnen in de reissector?

Sas van Rouveroij

Mijnheer Sintobin, samen met de heer Roegiers ben ik er niet van overtuigd dat wat u zegt, juist is. Ik heb daarnet verwezen naar de affiliated websites. Ik weet dat u enerzijds begrip opbrengt voor de argumenten die ik heb ontwikkeld maar dat u anderzijds vraagt over hoeveel arbeidsplaatsen het gaat. Het gaat over enkele tientallen, zelfs over honderden. Vergis u niet, dit een groeisector.

Ik geef een ander voorbeeld over de professionele congresorganisatoren (PCO’s). Er zijn er zeventien in België. Zij staan samen in voor een omzet van 60 miljard euro. Van die zeventien Belgische PCO’s zijn er zes gevestigd in Vlaanderen. Zij behoren tot de top van Europa. Het resultaat daarvan is dat deze zes Vlaamse PCO’s bijna alle congressen in Brussel organiseren en bijna alle Europese ministerraden. Deze Vlaamse PCO’s zijn aangeschreven in het kader van het decreet, met de mededeling dat zij illegaal bezig zijn. De reactie van de PCO’s is dat zij zich zullen herlokaliseren naar Brussel of Wallonië als de situatie niet verandert. Is dat wat u wenst met uw fractie, mijnheer Sintobin?

Lieven Dehandschutter

Mijnheer Sintobin, ik moet formeel tegenspreken wat u zegt. Het doembeeld dat u ophangt van honderden jobs die zouden sneuvelen, is niet juist. De cijfers bewijzen het tegendeel. Ondanks de crisis sinds de herfst van 2008 en ondanks de moeilijke markt, is de reissector in Vlaanderen er de jongste jaren op vooruitgegaan, zowel kwalitatief als inzake omzet.

De voorzitter

De heer Kennes heeft het woord.

Ward Kennes

Mijnheer Sintobin, u gelooft niet in de zelfregulering. Ik wil een citaat voorlezen van de Algemene Nederlandse Vereniging van Reisondernemingen (ANVR): “Wij leven al jaren zonder vestigingswet en wij zouden ook niet anders willen.”

De directeur van die vereniging is wel iets meer vertrouwvol dan de heer Sintobin, want hij zegt: “Ik denk echt dat het een hele interessante uitdaging voor onze vrienden in België” – hij bedoelt natuurlijk in Vlaanderen – “gaat worden. Met name ook omdat ik een sterk geloof heb in samenwerking tussen bedrijven op branche niveau. Dat kan leiden tot het reduceren van kosten, het vergroten van de efficiency en het verhogen van de kwaliteit. Als je dit als sector en als beroepsorganisatie goed oppakt, dan kan je een wezenlijke extra toegevoegde waarde voor je sector creëren. Dan kan je een extra bijdrage leveren aan het verder versterken van je sector. Wie wil dat nou niet.”

We kunnen af en toe wel eens naar het Noorden kijken omdat daar heel goede voorbeelden te vinden zijn.

Mijnheer van Rouveroij, blijkbaar luistert er niemand als ik iets zeg. Ook ik heb mij niet akkoord verklaard met de houding van de vertegenwoordigers van de VVR. Ik heb nooit gezegd dat ik de manier waarop zij het decreet wilden laten toepassen, steun.

Ik heb alleen gezegd dat de VVR een belangenvereniging is en dat een belangenvereniging niets anders doet dan de belangen van haar leden verdedigen, net zoals de Boerenbond dat doet, net zoals het Algemeen Boerensyndicaat (ABS) dat doet, net zoals tal van andere verenigingen dat doen. Wij waren ook voorstander van een evaluatie en een aanpassing van het decreet, maar niet met een afschaffing. Dat is het kind met het badwater weggooien.

Mijnheer Dehandschutter, u hebt gelijk. Ik zeg niet dat de reissector in zijn totaliteit kleiner wordt, integendeel. Ik weet ook wel dat mensen, misschien nog wel meer in crisisperioden dan anders, een reis boeken. Ik zeg alleen dat de afschaffing van het Reisbureaudecreet voor de kleine reisbureaus niet goed zal zijn. U zult op termijn wel zien hoeveel van die kleine kmo’s zullen sluiten, failliet gaan of iets dergelijks.

Mijnheer Kennes, wat betreft zelfregulering, zeggen, afhankelijk van de bron, de enen dat het wel geslaagd is in Nederland, en de anderen dan weer dat het niet geslaagd is. Ik heb hier een tekstje bij, ik wil het gerust voorlezen. Het is zoals met wetenschappelijke onderzoeken: er is altijd wel een wetenschappelijk onderzoek dat een ander wetenschappelijk onderzoek weerlegt.

Ik wilde het net over Nederland hebben, maar collega Kennes heeft de Nederlanders al geciteerd. Ik kan dus een hele bladzijde overslaan. We kunnen inderdaad leren van de zelfregulering daar, maar ze heeft ook haar nadelen. Het is echt afwachten hoe die zelfregulering in Vlaanderen zal worden aangepakt.

Ik heb gisteren een studie gekregen van de denktank van de heer Bouckaert: ‘Het Vlaams Reisbureaudecreet gewikt, gewogen en te licht bevonden”. Vanaf pagina 68 wordt er diep ingegaan op hoe men dat in Nederland allemaal aanpakt. Het is daar inderdaad niet van een leien dakje gelopen. Er is inderdaad wat heibel tussen de grote en de kleintjes geweest. De conclusie is heel duidelijk dat we er heel veel van kunnen leren, ook in de positieve zin. Het is nu afwachten hoe het in Vlaanderen zal worden aangepakt. Als we de adjunct-directeur en directeur van de ANVR mogen geloven, dan zit er wel toekomstmuziek in die sector door de zelfregulering op een goede manier aan te pakken.

Wat betreft zelfregulering en verwijzen naar Nederland en andere landen, had u beter wat meer tijd genomen. Nu gebruikt u dat als argument om het Reisbureaudecreet af te schaffen. Misschien had u beter wat meer tijd genomen. Ik begrijp trouwens nog altijd niet waarom dit Reisbureaudecreet op een drafje moest worden afgeschaft. Wij hadden evengoed wat meer tijd genomen.

Mevrouw Brouwers, ook de minister heeft gezegd dat het evaluatierapport op zich een goed rapport was, maar dat een van de tekortkomingen van dit rapport was dat er geen vergelijkende studie werd gemaakt met onze buurlanden. Nu gebruikt u dit als argument. Had u wat meer tijd genomen, dan wisten we dat ook. Nu zwaait iedereen maar met rapporten en beweringen, het ene pro, het andere contra, en dat is niet echt wetenschappelijk.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.