U bent hier

Plenaire vergadering

donderdag 5 juli 2012, 9.00u

van Ludo Sannen, Veerle Heeren, Goedele Vermeiren, Fientje Moerman, Vera Celis, Kathleen Deckx en Kathleen Helsen
1576 (2011-2012) nr. 1
van Kathleen Deckx, Kathleen Helsen, Vera Celis, Fatma Pehlivan, Jan Durnez, Goedele Vermeiren en Fientje Moerman
1577 (2011-2012) nr. 1
van Kathleen Deckx, Kathleen Helsen, Vera Celis, Fatma Pehlivan, Jan Durnez, Willy Segers en Fientje Moerman
1578 (2011-2012) nr. 1
van Kathleen Deckx, Kathleen Helsen, Vera Celis, Fatma Pehlivan, Jan Durnez, Willy Segers en Fientje Moerman
1579 (2011-2012) nr. 1
De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet betreffende de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten.

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Moerman heeft het woord.

Fientje Moerman

We hebben dit ontwerp van decreet en de volgende voorstellen van decreet in de commissie samen in één debat behandeld. Het lijkt me logischer als we dat hier in de plenaire vergadering ook zouden doen, als de collega’s daarmee akkoord gaan.

De voorzitter

Is de vergadering het daarmee eens? (Instemming)

Dan is aldus besloten.

De heer Van Dijck heeft het woord.

Wim Van Dijck

Voorzitter, zoals beloofd neem ik, net als in de commissie, het woord om de taalregeling die in dit ontwerp van decreet vervat zit, op de korrel te nemen. Ik zei ‘vervat’, maar ik zou evengoed kunnen zeggen ‘verstopt’, want de taalregeling heeft an sich weinig van doen met de basis van het ontwerp van decreet, zijnde de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten en de daarmee samenhangende rechtspositieregeling van de personeelsleden die hun werkzaamheden uitoefenen in het kader van die academische hogeschoolopleidingen. Van die integratie zijn wij voorstander. Mevrouw Van Steenberge heeft tijdens de totstandkoming van dit ontwerp van decreet meer dan haar steentje bijgedragen in de verschillende vergaderingen en hoorzittingen die hierover in dit huis werden gehouden. Het is eigenlijk spijtig dat de taalregeling niet als een apart ontwerp werd ingediend: het zou voor de duidelijkheid alvast een goede zaak zijn geweest.

Dit gezegd zijnde, herhaal ik dat onze fractie – we hebben gemerkt dat we daarin blijkbaar alleen staan in dit Vlaams Parlement – niet gelukkig is met de voorgestelde wijzigingen. We zijn van oordeel dat het niet nodig is de bestaande taalregeling te wijzigen omdat ze een voldoende evenwicht bevat tussen het gebruik van het Nederlands als onderwijstaal en de zogenaamde noodzaak van het gebruik van andere talen – in de praktijk bijna steeds het Engels – omwille van de internationalisering. Men had die regeling eventueel kunnen verfijnen, zeer zeker, maar toch niet versoepelen.

In dit parlement staan we alleen met dit standpunt. Maar hierbuiten, ik zou bijna zeggen in de echte wereld, zijn we zeker niet alleen. In de hele Nederlandssprekende ruimte zijn de tegenstanders van een toenemende verengelsing van ons hoger onderwijs wel iets talrijker. En wat meer is, ze kunnen niet zomaar worden weggezet als geborneerde reactionairen, die van de vooruitgang mordicus niet willen weten. Ik noem wat namen: Geert van Istendael, Marc Reynebeau – wie had ooit gedacht dat we die naam nog in ons voordeel zouden kunnen gebruiken. (Opmerkingen van de heer Ludwig Caluwé)

‘ Une fois ne fait pas coutume’, mijnheer Caluwé. Verder noem ik nog: onze voormalige collega Dirk De Cock, Ludo Abicht en Gita Deneckere: toch niet het soort mensen dat op donkere vrijdagen samenklit in rechtse provincialistische theekransjes. Er is dus een vrij brede tegenbeweging tegen de toenemende verengelsing en dus ontnederlandsing van ons hoger onderwijs.

“Maar het is”, zo stelt hoofdredacteur Peter Debrabandere van Neerlandia niet onterecht, “geen voordeel een tegenbeweging te zijn.” Ik citeer: “Het oogt namelijk altijd gunstiger om ergens voor te zijn dan om ergens tegen te zijn. Bovendien heeft de tegenbeweging het nadeel dat ze nauwelijks vanuit de instellingen zelf ageert, maar vooral vanuit cultuurverenigingen. Het is dus al twintig jaar lang vechten tegen een niet te stuiten aanzwellende roep om meer Engels. De tegenbeweging kan alleen maar proberen de grootste bressen te dichten die door weer eens een nieuw voorstel in het bastion van de Nederlandse taal geslagen dreigen te worden. Daardoor kan het onheil misschien weer even worden afgewend, maar de Engelse lobby is geduldig. Bij de volgende kans komen die grote bressen er toch. Het is zoals met zoveel maatschappelijke ontwikkelingen, die de tijd mee hebben en drijven op de waan van de dag: zinnige argumenten hebben er geen vat op. De culturele tsunami van het Engels drijft ook comfortabel op het mainstream denken dat we nu eenmaal moeten internationaliseren omdat we anders de boot zullen missen en provincialistisch zullen verkommeren. Het is een gemakkelijke bewering, die kennelijk niet beargumenteerd hoeft te worden. Dat refrein wordt ondertussen wel lustig meegezongen door instemmende koren.”

Collega’s, deze situatieschets slaat nagels met koppen, maar helaas ook gaten in Debrabanderes eigen verzetsijver, want in het slot van zijn stukje pleit hij ervoor om er het bijltje bij neer te leggen, iets wat onze fractie in geen geval zal doen, al lijkt het tegen beter weten in. Ons verzet en onze bezwaren tegen een verdere verengelsing zijn van principiële aard, zeer zeker. Mag het nog even? Mogen we een kwestie als de taal waarin in onze gemeenschap onderwijs wordt gegeven, nog even weghouden van die waan van de weg, van modetrends of populistische ingevingen, of van het pragmatisme?

Dat laatste woord las ik in een artikel in Knack van december vorig jaar. Het werd gebruikt door de ‘líder máximo’ van de N-VA, om de koerswijziging van zijn partij te verantwoorden. Hij geeft toe dat het een moeilijk dossier is voor de N-VA. “Maar”, zegt hij, blijkbaar niet geheel zonder trots, “ik heb in de partij een koerswijziging naar het pragmatisme ingezet.” Waarom is dat pragmatisme dan plots zo nodig? “Je mensen moeten ook kansen krijgen om mee te gaan in de wereld zoals hij is. Je instellingen moeten de mogelijkheid krijgen om competitief te zijn en buitenlandse studenten aan te trekken”, stelt hij.

Pragmatisch zijn, luidt het nieuwe ordewoord. Principes zijn misschien wel voor oubollige nostalgici. Velen in de N-VA zullen het graag horen, als ze het ten minste willen horen, uiteraard.

Qua argumentatie pro verengelsing is de heer De Wever overigens niet bijster origineel. Zijn mantraatje past perfect binnen de steeds maar weer herhaalde lippendienst aan de internationalisering en hoe die onvermijdelijk zou zijn. Politiek correct verwoord ook, zoals dat hoort bij pragmatici: ‘meegaan in de wereld zoals hij is’. Verder geen vragen bij stellen, zeker niet over zin en onzin. Of gaan we moeilijk doen?

Ja, collega’s, wij gaan moeilijk doen. En ons, met bijvoorbeeld professor doctor Alex Vanneste in een bijzonder lezenswaardig artikel in het ‘Tijdschrift voor onderwijsrecht en onderwijsbeleid’, de hamvraag stellen ten behoeve van wie en van wat er geïnternationaliseerd moet worden, en dan nog in die mate dat het Nederlands als onderwijs- en academische taal onder druk komt te staan.

Laten we het eerst over het aantrekken van buitenlandse studenten hebben. Het lijkt het hoofdargument van de anglofielen te zijn. Vanneste stelt terecht dat universiteiten niet verbergen dat zij, door meer in het Engels te doceren, meer buitenlandse studenten willen aantrekken, wat dan weer goed zou moeten zijn voor de financiering. “Wel”, vraagt de professor zich af, “gesteld dat de Engelstalige colleges en/of opleidingen inderdaad wel degelijk meer buitenlandse studenten zullen aantrekken, is het vooral de vraag of dat goede of excellente studenten zullen zijn.”

Ik citeer hem nog: “Vlaamse universiteiten lopen het risico in belangrijke mate studenten te krijgen die geen plaats meer vinden in Engelstalige topuniversiteiten in Amerika en Groot-Brittannië.” Onderzoek aan de universiteiten van Nijmegen en Maastricht, beide haantje-de-voorste in opperste verengelsing, leert dat Engelstalige opleidingen veelal minder goede buitenlandse studenten aantrekken. De competenties van die studenten zijn soms zo bedroevend laag dat het leidt tot protest van Nederlandse studenten.

Maar laat dat toch allemaal geen beletsel zijn: de kassa rinkelt! Zelfs dat is volgens Vanneste geen uitgemaakte zaak, omdat de Vlaamse universiteiten in de eerste plaats nog altijd met elkaar concurreren, als gevolg van de enveloppenfinanciering. Als ze proportioneel evenveel buitenlandse studenten aantrekken, maakt het voor de financiering, onderling bekeken, weinig uit. Maar de concurrentie zorgt wel voor een druk om buitenlandse studenten aan te trekken, waaraan geen enkele instelling ontsnapt. Vanneste, maar ook professor emeritus Jozef Devreese en Marc Reynebeau, stellen dat excellentie, veel meer dan verengelsing, universiteiten kan opstuwen in de o zo belangrijk geachte ‘rankings’. Universiteiten die excelleren, trekken automatisch buitenlandse studenten aan, en wel de goede. In het buitenland zijn er voorbeelden te over van eminente wetenschappers die niet in het Engels publiceren en zelfs weigeren dat te doen, maar die wel wereldvermaard zijn, precies door hun intrinsieke excellentie.

Waarom zouden de buitenlandse studenten overigens niet kennismaken met onze taal en cultuur, in plaats van met geradbraakt Engels? Het is de kerngedachte van filosoof Ger Groot, die zelf zijn horizon gevoelig vergroot zag, nadat hij in Parijs was gaan studeren. Een taal, zegt hij, is een manier van denken. “Onvervangbaar is wel de ontdekking van een ander land, een andere mentaliteit, een andere cultuur en dus vrijwel altijd een andere taal. En daar laten onze universiteiten, in hun enthousiasme voor het binnenhalen van buitenlandse studenten, het plotseling afweten.”

Groot stelt dat de weigering om buitenlandse studenten onder te dompelen in onze taal en cultuur, berust op twee hardnekkige vooroordelen. “Ten eerste: Nederlands is zo’n moeilijke taal dat van vrijwel niemand geëist kan worden haar te leren. Ten tweede: alle Nederlanders en Vlamingen spreken uitstekend Engels – of althans in voldoende mate om met een buitenlander te kunnen communiceren. Beide veronderstellingen zijn onjuist. De eerste wordt weerlegd door onze krasse hypocrisie: wat wij van nauwelijks geletterde allochtonen op hoge toon zijn gaan eisen, wordt voor academici bijna een onneembaar obstakel geacht.” Geef toe, in dit ontwerp van decreet is dat in ruime mate wel voorzien. Ik ga verder met het citaat: “En dan ons eigen Engels. Wie zijn oor te luisteren legt heeft geen verdere toelichting nodig. Maar zelfs wanneer het gros van de Nederlanders die taal wél behoorlijk zou spreken, dan nog zouden ze het in de praktijk nauwelijks doen.”

Buitenlandse studenten worden dus algauw buitenstaanders in onze samenleving waarin ze kort verblijven, en steken hier nauwelijks iets op van onze cultuur, onze manier van denken of onze mentaliteit. De meerwaarde van het studeren in het buitenland valt zo goed als helemaal weg. Nochtans is precies dat de filosofie van Erasmus: de uitwisseling van studenten promoten met als expliciet doel ook elkaars taal en cultuur te leren kennen. Hoe rijmt men dat met het feit dat de meeste Erasmusprogramma’s Engelstalig zijn? De studentenmobiliteit wordt hierdoor wel verhoogd, maar in naam waarvan? Dat is een vraag van de immer nadenkende, en dus eerder vervelende professor Vanneste. Veel antwoorden heb ik daarop nog niet gehoord.

Via Erasmus komen we bij onze eigen studenten. Zij moeten dus “meegaan in de wereld zoals hij is”. In de eerste plaats dus door les te krijgen in steenkolenengels omdat er in hun opleidingsonderdeel een aantal Chinezen, een Portugees en twee Italianen zitten. Ik trek het wat op flessen, ik geef het toe.

In het ontwerp van decreet worden aan de kwaliteit van dat Engels eisen gesteld, maar, zoals ik in de commissie al heb gezegd, vrees ik toch dat het niet al te veel zoden aan de dijk zal zetten. Het Engels is ondertussen gefragmenteerd in Englishes of vermalen tot Globish of Broken English. Engelse moedertaalsprekers worden tegenwoordig de finesses van dat Globish of continentaal Engels bijgebracht, omdat ze van die taal – die wemelt van de letterlijke vertalingen uit de respectieve moedertalen van de sprekers – toch niets meer begrijpen. Meertaligheid lijkt plaats te maken voor een verarmde tweetaligheid: de moedertaal, die minder en minder geschikt wordt voor academisch gebruik, en een soort van basis-Engels.

Dat staat – ik zeg het nogmaals – haaks op de Erasmusgedachte. Het levert Europa bovendien uit aan een eenzijdig Angelsaksische kijk op de wereld. Hoogleraar en psycholoog Douwe Draaisma noemt het kernachtig “het verdriet van de kosmopoliet”: de veronderstelde weidse blik op de wereld wordt door het gemakkelijke gebruik van een basis-Engels eerder ondermijnd dan gepraktiseerd. Andere culturen, denkstijlen en tradities dan de Angelsaksische worden simpelweg niet meer ontsloten.

Goed, zult u zeggen, maar meegaan in de wereld betekent ook zoveel als weggaan uit Vlaanderen en ergens in het buitenland gaan studeren. Zeer zeker, op voorwaarde dat het niet alweer in hetzelfde steenkolenengels is, uiteraard. Laat onze jeugd zich laven aan het academisch Frans, Duits, Italiaans, Spaans, Engels – in Groot-Brittannië of Amerika, zeer zeker – of Russisch. Of voor mijn part ook Deens, Litouws, Slovaaks of IJslands. Als het maar niet de Angelsaksische nivellerende eenheidsbrij is die vandaag al te dikwijls wordt opgediend.

Voorzitter, er valt veel te zeggen over dit onderwerp, veel meer dan mogelijk is in het tijdsbestek dat mij is toegelaten.

De voorzitter

De heer Caluwé heeft het woord.

Ludwig Caluwé

Mijnheer Van Dijck, ik kan in heel wat van uw argumenten inkomen. Het is inderdaad een heel moeilijke en delicate discussie. Het is echter niet de eerste keer dat we die discussie voeren. Twee jaar geleden werd hier een motie van aanbeveling voorgelegd. Daar stonden de versoepelingen – of alleszins toch de belangrijkste – die nu via dit ontwerp van decreet worden aangebracht in de taalregeling eigenlijk al in. Ze waren niet uitgewerkt. Sommige punten werden letterlijk overgenomen; andere principes werden omgezet.

U was destijds een periode geen parlementslid en bent pas teruggekeerd begin oktober 2010. Maar uw fractie heeft destijds die motie van aanbeveling goedgekeurd. Een aantal andere fracties hebben die motie niet goedgekeurd, omdat ze in de ogen van die fracties niet ver genoeg ging in de taalregeling. U hebt u aangesloten bij het compromis. Dat is eervol. Alleen begrijp ik uw houding nu niet. Nu het moet worden uitgewerkt en omgezet in een ontwerp van decreet, valt u het plots af. Ik begrijp dat uw fractie u naar het spreekgestoelte stuurt. Aangezien u hier destijds niet was, bent u ongeveer de enige die de motie niet persoonlijk heeft goedgekeurd. Al uw collega’s hebben dat wel gedaan. (Opmerkingen bij het Vlaams Belang)

Het is op basis van die motie dat de uitwerking heeft plaatsgevonden.

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, het is inderdaad een heel belangrijk debat. Er is niet over één nacht ijs gegaan bij de uitwerking van dit ontwerp van decreet. Er is heel veel over gesproken. Tijdens de hoorzittingen kwam het heel uitvoerig aan bod. Je moet ook niet doen uitschijnen dat men datgene wat kan ook verplicht moet doen. Misschien kunnen we er straks wat dieper op ingaan tijdens ons betoog.

De volgende beeldspraak illustreert wat ik bedoel. In de oude regeling stond de voordeur open, niet ver, maar er waren toch heel wat achterpoortjes. De voordeur is inderdaad iets verder opengegaan, maar we hebben ook getracht – ik deel die bekommernis volmondig – onze anderstalige opleidingen op een goed niveau te geven, ze kwaliteitsvol te maken. Dat is eenieders betrachting.

Wij willen alleen anderstalige opleidingen als ze voor een meerwaarde zorgen. Dat mag dan niet in steenkolenengels gebeuren. Dat is de betrachting van de decreetgever. Een aantal punten waar kritiek op was, is weggelaten. Zo is het equivalent per provincie weggevallen, en wordt dat equivalent op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap bekeken.

Diegenen die ons betichten van provincialisme, vinden nu dat dit antidemocratisch is. Ik ben mij bewust van de opdracht van Vlaanderen, maar wij moeten er ons ook van bewust zijn dat Vlaanderen op mondiaal vlak niet groot is. Wij hebben het provinciaal equivalent voor een aantal opleidingen die dikwijls enkel op papier bestaan – vaak betreft het masters na masters – weggewerkt. Het equivalent wordt op Vlaams niveau bekeken.

Uw bekommernis is ook die van de meerderheid en van de Open Vld-fractie, al zullen straks de Open Vld’ers zelf wel spreken. Uitgaande daarvan hebben wij een billijke oplossing uitgewerkt waar voldoende eten en drinken in zit voor iedereen die het universitair en hoger onderwijs kwaliteitsvol wil uitbouwen.

De voorzitter

Mevrouw Moerman heeft het woord.

Fientje Moerman

Voorzitter, minister, collega's, ik heb twee opmerkingen. Een: ik zal het straks nog hebben over de taalregeling. Ik zou het ook spijtig vinden dat het debat over een ontwerp van decreet als dit, dat zo essentieel is voor de hertekening van het onderwijslandschap in Vlaanderen, wordt beperkt tot een debat over het gebruik van andere talen dan het Nederlands. U hebt aangekondigd dat u daarover uitgebreid zou tussenkomen, en dat is ook uw goed recht. Maar u mag niet laten uitschijnen dat het Vlaams Parlement over één nacht ijs is gegaan. Integendeel: wij hebben hoorzittingen over alle aspecten van het ontwerp van Integratiedecreet georganiseerd, met inbegrip van debatten over de taalregeling. Voor- en tegenstanders – ook rabiate tegenstanders – zijn aan het woord gekomen.

Wij hebben ervoor gekozen om niet de weg van Nederland op te gaan, waar iemand die een masteropleiding wil beginnen de TOEFL-test moet afleggen: Test Of English as a Foreign Language. Daar wordt gedoceerd in het Dunglish, een Hollandse, weinig kwaliteitsvolle variant van het Engels. En aan die kwaliteit en omkadering hebben wij ook iets willen doen. Daarom is het goed dat mensen van verschillende politieke families samen zitten en elkaar proberen te vinden. Sommige collega’s wilden verder gaan. In de publieke opinie zijn er zo nog wel. Anderen, zoals u, vinden dat dit te ver gaat. Maar wij hebben elkaar gevonden op het vlak van de kwaliteitseisen.

Wie wil lesgeven in een andere taal – zeg maar het Engels – en zijn master of doctoraat niet aan een universiteit heeft behaald waar die vreemde taal de voertaal is, zal moeten bewijzen dat hij die taal machtig is op het C1-niveau van het Europees referentiekader. Dat is een zeer hoog niveau, al denk ik niet dat het voor professoren onhaalbaar is. Als domme politica heb ik het vorige week in een andere vreemde taal goed gedaan, dankzij ons excellent volwassenenonderwijs. De mensen van het volwassenenonderwijs staan klaar om de professoren erg consequent en consciëntieus te testen op hun kennis van het Engels.

En ten slotte, om ervoor te zorgen dat wie nu les geeft in wat u ‘steenkolenengels’ noemt of ‘Vlengels’, dat niet blijft doen, is de uitzonderingsregel geschrapt die de heren professoren voor zichzelf hadden ingeschreven waarin stond dat wie al drie jaar les gaf in slecht Engels, dat ad vitam aeternam kon blijven doen.

Wat onze cultuur betreft, wie hier komt doceren en geen Nederlands beheerst, zal vooraleer hij of zij kan worden benoemd, moeten bewijzen dat hij of zij een B2 heeft op het Europese referentiekader en dus in staat is om op een onafhankelijk niveau als een onafhankelijk gebruiker in het Nederlands te communiceren met zowel studenten als met collega’s als met andere mensen in de maatschappij.

We hebben echt een heel evenwichtige regeling uitgewerkt waarbij we de Hollandse val wetens en willens hebben vermeden. (Applaus bij de meerderheid en bij Open Vld)

De voorzitter

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Eigenlijk heeft de heer Van Dijck zelf het argument gegeven waarom we in het Engels moeten lesgeven. Als we ervoor willen zorgen dat in de toekomst onze kinderen goed Engels spreken en inderdaad niet in het ‘Globish’ of zo vervallen, is het beter dat ze de taal in hun opleiding leren.

Mijnheer Van Dijck, ik heb u ook enorm horen fulmineren tegen het Engels, maar nergens in de regelgeving staat dat het het Engels moet zijn. De facto zal het wel het Engels worden, daarmee ben ik het eens, maar het is niet uitgesloten dat er opleidingen in andere talen kunnen komen. Ik vind dat volledigheidshalve ook mag worden gezegd dat dit kan als er behoefte aan is. Ik kan me voorstellen dat dit in de toekomst het geval is voor het Duits, want we zijn enorm verweven met de Duitse economie. Het is dus niet alleen mogelijk voor het Angelsaksisch, ook voor andere talen, ook al is het het Engels nu en zeker de komende twintig jaar, zoals het Latijn destijds. We zullen zien hoelang het nog zal duren.

Zoals anderen al hebben gezegd, is dit een heel evenwichtige regeling. Het is intellectueel oneerlijk om te verwijzen naar Nederland. We hebben juist de Nederlandse valkuilen vermeden en we hebben lessen getrokken uit Nederland. Wat hier voorligt, is een mooie verzoening van enerzijds het behoud van het Nederlands als wetenschappelijke taal en van anderzijds de behoefte en de noodzaak aan het kunnen studeren in het Engels, daar waar het relevant is en de democratisering van ons onderwijs niet in het gevaar brengt.

De voorzitter

De heer Verstreken heeft het woord.

Johan Verstreken

Voorzitter, het is ook nuttig om even te verwijzen naar een heel boeiende gedachtewisseling die we daarover hebben gehad met de Interparlementaire Commissie van de Nederlandse Taalunie (IPC) op 11 juni in Den Haag met de Vlaamse en de Nederlandse collega’s. Het debat lag in de lijn van de zaken die we hier hebben verteld. Ik vond het nuttig voor het verslag om er even naar te verwijzen.

Wim Van Dijck

Ik ga even in op de interventie. Het spijt me ook dat de taalregeling geen apart ontwerp is. Dan hadden wij daar inderdaad apart over kunnen discussiëren en dan hadden we de discussie over de integratie niet moeten ‘bevuilen’ met deze nevendiscussie – een discussie die mij, voor alle duidelijkheid, heel veel waard is. Het was inderdaad beter geweest indien ze apart waren. Dan had mevrouw Moerman de opmerking niet moeten maken.

Iets over de vergelijking met Nederland. Ik vergelijk ons niet helemaal met Nederland, maar ik vind de verwijzing naar Nederland die u maakt, eigenlijk ook geen topargument. Het is zoals reageren op “uw hof ligt er slecht bij”, met “ja, maar die van mijn buurman is helemaal een ramp”. Zo kunt u natuurlijk alles beargumenteren.

Ik vind onze regeling nu te ver gaan. En het is waar: het is een compromis. Het is een doorwrocht compromis. Mevrouw Moerman gebruikte in de commissie een mooie beeldspraak voor onderdelen van de taalregeling. Ze zei dat als een ontwerp door de interkabinettenwerkgroep passeert, het begint als een Arabische volbloed en eindigt als een kameel. Voor stukken daarvan is dat inderdaad zo. U zegt dat een compromis eerbaar is, en dat zal wel zijn. Het is ook zo dat de deur misschien wat meer opengezet werd, maar er staan ook meer grendels op en kwaliteitseisen. Op zich zijn wij daar niet tegen, maar het is een bijzonder ingewikkelde regeling geworden. Een kat vindt er haar jongen echt niet in terug. Voor ons is het een slechte vertaling van wat in de motie stond. Ik verheel ook niet dat we de discussie intern hebben gevoerd, en er is zoiets als voortschrijdend inzicht, elke fractie kent dat wel.

Wij hebben deze discussie ook eens teruggeplaatst in de tijd en bekeken wat wij hebben gedaan bij elke stap waarbij ‘verengelsing’ opdook en wat toen de argumenten waren, van verschillende fracties. Het is elke keer een beetje meer en ik denk dat het zeker niet de laatste keer is dat we in dit huis – al zal het wellicht zonder mij zijn – over dit onderwerp zullen discussiëren. (Opmerkingen)

Het kan over vijf of tien jaar zijn, dat weet je nooit. Menig tegenstander van de verengelsing heeft de vrees uitgedrukt dat aan de einder een duale samenleving wacht. Dat lijkt vandaag een overtrokken gedachte, en toch. Onze geschiedenis is er één van strijd om in onze eigen moedertaal onderwijs te krijgen tot op het hoogste niveau. Het is bijna een wonder dat dat ons gelukt is. Die emancipatie wordt steeds meer op de helling gezet.

De verwijzing naar Nederland, ‘waar het nog veel erger is’, klinkt daarbij wat al te gemakkelijk, wel wetend dat ook na deze wijziging de instellingen niet zullen aflaten om meer te eisen. De verdediging van het Nederlands wordt steeds meer als een achterhoedegevecht bestempeld en men vergeet dat 90 procent van onze studenten nog altijd in eigen land werk zal vinden en daarbij in overgrote mate het Nederlands zal gebruiken.

Er dreigt functie- en prestigeverlies voor onze taal en dan moeten toch de alarmbellen beginnen te schellen. Functie- en prestigeverlies leiden immers tot achteruitgang van een taal. Het lijkt er sterk op dat veel Vlaamse en Nederlandse beleidsmakers dat prestigeverlies al voor lief nemen, meer zelfs: ze zijn ervan overtuigd dat onze taal inderdaad minder weegt dan andere talen.

En daar komt Marc Reynebeau om het hoekje kijken: hij waarschuwt dat kardinaal Mercier straks postuum nog gelijk krijgt, een eeuw na de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Lachwekkend? Nu wellicht nog wel, maar in de toekomst misschien niet meer.

Overal in de wereld schermden, en schermen nog, de elites zich af van het gewone volk door het spreken van een andere taal. Het bevrijdde hen van democratische controle door een volk dat hen toch niet begreep. De ware ‘misdaad’ van Galilei was niet dat hij betoogde dat de aarde rond de zon draait, want dat had Copernicus al voor hem gedaan. Zijn misstap was dat hij dat in de volkstaal deed, zodat het gemene volk er kennis van kon nemen. Dat was in de ogen van de kerkelijke elite toen een groot gevaar.

Minister Pascal Smet

Mijnheer Van Dijck, nu lijkt het toch of u op een andere planeet begint te leven. Als we het dan toch over Galilei hebben, vraag ik me af of u het onderzoek hebt gelezen, ik neem aan van wel. De kennis van het Engels bij onze scholieren, voor wie het Engels de derde taal is of de tweede vreemde taal, is in vergelijking met de rest van Europa, waar het Engels de tweede taal is of de eerste vreemde taal, heel goed.

U probeert nu te doen alsof het Engels een taal van de elite zou worden, doordat we aan onze universiteiten en hogescholen in beperkte mate het Engels willen toelaten waar het relevant is. Ik heb dat ook gehoord bij sommige commentatoren. Dat vind ik een bijzonder merkwaardig argument.

Ten eerste spreken veel Vlaamse kinderen tout court – dat zeg ik nu in het Frans – Engels. Er is al niet zo veel elitairs aan. Gelukkig dubben wij onze televisieprogramma’s niet, zodat ze er al heel snel mee in contact komen en het Engels gaandeweg leren.

Ten tweede, als u dat argument toch zou willen gebruiken, hebt u er alle belang bij om het mogelijk te maken dat iedereen aan de universiteit in het Engels kan studeren. Als we al mee zouden gaan in uw redenering dat het Engels een taal voor de elite is – wat het niet is –, hebben we er toch alle belang bij om die taal open te trekken voor iedereen. Dus moet u er toch voor pleiten om juist via het onderwijs die taal aan te leren en te zorgen dat iedereen in die taal kan studeren.

Uw argument snijdt geen hout. Het is niet eens logisch. U hebt er alle belang bij om dat voor die kinderen aan te bieden. Als u het Engels komt afschilderen als een taal voor de elite, leeft u toch op een andere planeet.

Wim Van Dijck

Minister, u ziet het gevaar niet echt. Ik leef niet op een andere planeet. Ik schets misschien een toekomstbeeld. Er is overigens een verschil tussen een taal aanleren en vakken doceren in die taal. Fysica en chemie doceren in het Engels, dat is nog iets anders. Ik ben het ermee eens dat taalkennis zeer belangrijk is voor onze jeugd die alleen Engels kent; ook Duits en Frans zijn belangrijk. Dat is waar. Het niveau van de Vlaamse leerlingen is wat dat betreft zeer goed.

Luther was in de eerste plaats een ketter omdat hij de Bijbel in het Duits vertaalde. De triomf van de Verlichting was minder de wetenschap dan het delen van kennis met het volk. Met de huidige verengelsingsgolf is een mechanisme in gang gezet dat vanuit democratisch oogpunt niet te legitimeren is. De nooit geziene emancipatie die de vernederlandsing van ons onderwijs heeft teweeggebracht, wordt op de helling gezet. De zo geroemde tweede democratiseringsgolf dreigt uiteen te spatten op de Engelse golfbrekers die men ondertussen verwoed heeft aangelegd.

Het was onze voormalige collega Dirk De Cock die in 2008 al opmerkte in De Standaard dat de keuze voor het Nederlands voor hem een progressieve keuze betekende. Gesteld tegen het pleidooi pro Engels van de conservatieve pragmaticus De Wever, zou je hem nog gelijk geven ook. Voor de Cock was “spielerei met de decreten voor het hoger onderwijs niet aangewezen en al helemaal niet met betrekking tot de onderwijstaal”.

Wel, collega’s, voor ons ook niet. Vandaar dat wij net als in de commissie amendementen hebben ingediend. Het amendement in hoofdorde schraagt mijn betoog en schrapt de hele taalregeling uit het ontwerp. De amendementen in bijkomende orde hebben tot doel de voorgestelde versoepeling af te zwakken. Ze laten de grendels en de vereisten aan docenten helemaal intact. Ze hebben een afzwakking tot doel. Die amendementen komen – ik herhaal het maar ten behoeve van de N-VA-collega’s – uit de brede schoot van de Vlaamse beweging.

Voorzitter, ik besluit met een citaat van de dikwijls dwarsliggende epidemioloog Luc Bonneux: “Scientia vincerit tenebras, kennis verdrijft de duisternis. Dat kan slechts als de mensen je begrijpen. De taal van de ware kennis is niet het Engels, maar de taal van je moeder.” Ik kan dat alleen maar beamen. Ik dank u. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Moerman heeft het woord.

Fientje Moerman

Voorzitter, minister, dames en heren, het is vandaag bijna dag op dag twee jaar geleden: op 8 juli 2010 keurde het parlement in dit halfrond een aanbeveling goed over de toekomst van het Vlaams hoger onderwijs. De Vlaamse Regering besliste daarop, net voor het zomerreces, om die aanbevelingen uit te voeren.

Wat hier nu voor ons ligt, is het resultaat van twee jaar overleg met de hogeronderwijsinstellingen, met de associaties, met de studenten, het personeel en zijn vertegenwoordigers over de implementatie van deze hervorming. En ook, laat het ons niet vergeten, het financieel kostenplaatje dat daaraan is verbonden.

Hoofdmoot vandaag is de integratie. Het is te zeggen: de overdracht van de academische hogeschoolopleidingen naar de universiteiten met ingang van het academiejaar 2013-2014. Dat geeft iedereen een academiejaar de tijd om zich aan te passen en alle praktische en reglementaire schikkingen te treffen. Dat betekent in mensentaal dat 22.000 studenten in dat academiejaar zullen overgaan van de hogescholen naar de universiteiten. Er zijn uitzonderingen: een heel specifieke is de Hogere Zeevaartschool, maar er zijn ook de hogere kunstopleidingen.

Daar wordt gekozen voor het oprichten van ‘schools of arts’, en dat eveneens in navolging van onze aanbevelingen, die organisatorisch geënt zijn op de hogescholen, maar een gezamenlijk bestuur met de universiteiten hebben. Het omgekeerde geldt ook: de vertegenwoordiger van die school of arts zal ook in de onderzoeksraad van de universiteit zetelen.

Is deze hervorming nu een eindpunt? Misschien niet, maar alvast wordt een stabiel kader gecreëerd voor de komende tien jaar. Daarmee gaan we verder op de weg die al werd ingeslagen in 2003, met het zogenaamde Structuurdecreet. Door de integratie van die academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten wordt de versnippering van mensen en middelen vermeden. Er is sprake van een verdere kwalitatieve inbedding in het wetenschappelijk onderzoek, die ook al was ingezet met het Structuurdecreet. Zo krijgen we een volledig binaire structuur, inhoudelijk, maar ook institutioneel-structureel.

Voor bepaalde hogescholen die konden bogen op een hoogstaand academisch track record – het spijt me dat ik dit woord gebruik, ik bedoel een palmares, maar dat is dan ook weer geen Nederlands woord, maar u weet wat ik bedoel – was het even slikken. Soms was het meer dan dat en was er wat protest omdat ze hun kinderen, hun academische opleidingen, moesten overdragen aan de universiteiten. Zo gaat het echter ook met echte kinderen: op een bepaald moment moet men kunnen en durven loslaten.

Ook de profilering en de plaats van de professionele bacheloropleidingen zullen er nu duidelijker op worden. In dat verband wil ik erop wijzen dat de plaats en de rol van de associaties zo mogelijk nog belangrijker zal worden. Als we immers ook in het hoger onderwijs echt af willen van de waterval, dan moet het mogelijk zijn om, met het oog op het zalmprincipe, waarbij men tegen de stroom in zwemt, van de hogeschool – en eventueel ook na hbo5 – naar academische opleidingen te kunnen gaan. We moeten er dan dus voor zorgen dat die op- en overstappen optimaal worden ontwikkeld, om die bovenwaartse mobiliteit te stimuleren. Het is aan de associaties om ter zake hun rol te spelen.

Wat we niet willen is een cesuur, het doorknippen van de navelstreng tussen hogescholen – of moet ik nu university colleges zeggen – en universiteiten, noch qua opleiding, noch qua onderzoek. Het is wel zo dat heel deze hervorming er, zelfs na de goedkeuring van dit ontwerp van decreet door dit parlement, pas zal komen als er ook in het federale parlement een aanpassing komt van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs. Het is immers nog altijd de federale wetgever die de grondwettelijke geregelde bevoegdheid heeft voor de minimale studieduur op een bepaald niveau. Daarom bepaalt het ontwerp expliciet dat het pas in werking zal treden wanneer die federale wet is aangepast. Minister, hoewel ik heb vernomen dat twee van onze collega’s ter zake in het federale parlement nog voor het zomerreces het nodige zullen doen, zou ik toch willen vragen hoe ver het daar nu mee staat, zodat we niet worden gegijzeld door een stilstand.

Minister Pascal Smet

We hebben de afgelopen weken heel intens overlegd met de Duitstalige en de Franse Gemeenschap, en ook met de federale overheid. Er is een akkoord tussen de diverse gemeenschappen over een tekst, die vandaag zal worden ingediend in de Senaat. Die tekst is ondertekend door de Vlaamse partijen die dat willen, en ook door de Franstaligen. Uiteraard hebben diegenen die dit hier hebben geregeld, al gezegd dat ze dat willen doen. Het is de heer Durnez die die handtekeningen verzamelt in het federale parlement. We hebben hoop dat dit misschien nog voor het zomerreces zou kunnen worden goedgekeurd. U weet immers dat men ter zake wat overuren moet maken deze zomer. Als dit niet voor de zomer kan, dan zal er kort na het zomerreces over worden gestemd. Ik zou zeggen: no worries.

Fientje Moerman

Als u dat zegt, dan maak ik me voor één keer ook geen zorgen.

Minister Pascal Smet

Niet overtuigend. (Gelach)

Fientje Moerman

Ik heb zo al veel ongelukken zien gebeuren bij mensen die zeker waren dat iets zou worden goedgekeurd, terwijl dat uiteindelijk door onvoorziene omstandigheden niet gebeurde. Zoals Popper echter zei: “Optimism is a moral duty.” Ik aarzel echter om te citeren, want vorige week heb ik een groot liberaal politicus op de radio horen spreken over de badkuip van Aristoteles, en ik durf me zeker niet op hetzelfde niveau te plaatsen.

Er wordt voor deze hervorming ook geld uitgetrokken, een klein kwart miljard euro of een groot kwart miljard euro tot 2023. Om precies te zijn gaat het om 229,5 miljoen euro. Dat is nodig, niet alleen om de integratie te bewerkstelligen, maar ook om de omkadering van studenten door academisch personeel opnieuw op een hoger peil te brengen. We hebben in de afgelopen decennia gezien dat die omkadering gezakt is door de groei van het aantal studenten. Het aantal wetenschappelijke personeelsleden is gestegen, maar het academisch personeel wordt steeds zwaarder belast.

Ik wil het nog even hebben over de taalregeling omdat die heel gevoelig lag en bij sommigen nog altijd gevoelig ligt. Het Vlaams Parlement, en met name de Commissie ad hoc Hoger Onderwijs, heeft dit item op de agenda gezet. Dat gebeurde niet zomaar, maar omdat in de academische wereld al voorbereidend werk was verricht in het kader van de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR). Men vroeg op basis van gepercipieerde noodzaak vanuit het veld om een aanpassing te doen. We hebben hier uitgebreide hoorzittingen over georganiseerd waaronder een specifieke hoorzitting over de taalregeling. Ik denk dat we de juiste weg hebben gekozen, geen Nederlandse piste met een ongebreidelde verengelsing van het hoger onderwijs, maar wel een evenwichtige oplossing waarbij het Nederlands de onderwijs- en de bestuurstaal blijft in het hoger onderwijs. Er komt echter wel ruimte voor anderstalige opleidingsonderdelen zowel op bachelor- als op masterniveau. Sommigen hebben opgeworpen dat dit niet noodzakelijk was op bachelorniveau of zoals nu ook een amendement ter tafel ligt, dat dit beperkt moest worden tot bijvoorbeeld het laatste jaar.

Zowel het ene als het andere is onjuist. Ingrijpen in de bacheloropleiding zou voor de wetgever getuigen van weinig vertrouwen in het hoger onderwijsveld. Zij zijn het best geplaatst om in de veelheid van opleidingen die we hebben, te kiezen waar dat in een bepaald opleidingsonderdeel past. Dat is niet aan het parlement, het parlement moet wel de ruimte scheppen. Als we het omgekeerde doen, gaan we overreguleren.

We moeten dit ook doen op bachelorniveau. Er is een Europese doelstelling die bepaalt dat studenten de kans moeten hebben om elders in Europa te gaan studeren. Daar staat ook een streefcijfer op. We moeten ons echter niet verstoppen achter Europese doelstellingen, we moeten nadenken over de vraag of het wenselijk zou zijn dat we een polyglotte academische elite hebben die in heel Europa studeert en daarnaast een hoog opgeleide professioneel geschoolde massa werkkrachten die gevormd wordt in de professionele bacheloropleiding en aan wie we deze internationale contacten zouden ontzeggen. Dan zouden we pas elitair bezig zijn.

De voorzitter

De heer Wienen heeft het woord.

Wim Wienen

Mevrouw Moerman, u zegt dat internationale contacten mogelijk moeten zijn en dat die leerlingen overal in Europa moeten kunnen studeren. Dat was al gedeeltelijk het geval met Erasmus. Bij die Erasmusopleiding was het wel essentieel dat men de taal kende. Ik heb veel collega’s gehad die destijds naar Italië gingen studeren, maar die zorgden er dan wel voor dat ze Italiaans kenden. Gingen ze naar Duitsland, dan zorgden die studenten ervoor dat ze de Duitse taal voldoende machtig waren. Dat lijkt me essentieel in die internationale contacten. Waarom moeten wij dan Engelstalige opleidingen organiseren voor studenten die hier komen studeren?

Fientje Moerman

In het decreet is er geen sprake van Engels, maar van anderstalige opleidingsonderdelen.

Wim Wienen

De minister heeft ook duidelijk gezegd dat dat de facto het Engels zal worden.

Fientje Moerman

In de realiteit zal het vaak het Engels zijn, maar wij laten ook ruimte voor andere talen. U zult toch niet ontkennen, mijnheer Wienen, dat men ook in het buitenland, waar men mogelijk de lessen volgt in de taal van het land, andere lessen volgt in een lingua franca die door velen, ook de studenten van dat land, wordt gedeeld.

Het is belangrijk voor ons dat onze studenten ergens anders gaan, maar niet iedereen leert de taal van het land waar hij of zij gaat studeren. Soms gaat men studeren in landen met een taal die men niet geredelijk oppikt. Mocht ik voor zes maanden naar Finland mogen gaan om in het kader van Erasmus aan een Finse universiteit te studeren, dan zou ik dat echt niet kunnen in het Fins, ik mag dan nog een zomercursus hebben gevolgd – hoewel een Finse vriend van mij zegt dat het heel simpel is en dat zij het allemaal als kind leren. We weten natuurlijk allemaal wat we bedoelen, het is helemaal niet zo eenvoudig. Dus ja, we moeten die mogelijkheid scheppen voor onze eigen studenten, en voor andere studenten die naar hier komen. En het moet ook kunnen op bachelorniveau.

Er is hier gezegd dat de regeling ingewikkeld is. Het controlemechanisme was bij ons in het parlement vrij simpel uitgewerkt. We gingen ervan uit dat als je iets moet controleren, je gewoon kunt zien of er niet te veel in een andere taal wordt gedoceerd, aangezien je het programma hebt van elke student. Ik heb de minister inderdaad verweten dat het controlemechanisme geen Arabische volbloed meer is – of moet ik zeggen een Belgisch warmbloedpaard, want die zijn heel gegeerd in de wereld en zijn economisch heel belangrijk –, maar een kameel, en niet zomaar een kameel, maar een lelijke kameel.

Het controlemechanisme is inderdaad ingewikkeld geworden. Dat is de eigenheid van een onderhandeling in een interkabinettenwerkgroep (IKW). Maar dat zal er ons niet toe brengen het geheel te verwerpen. Met het controlemechanisme op zich heeft uiteindelijk, behalve de overheid en de instellingen, niemand te maken. Daar is de individuele student niet door geschaad op dit moment.

Het systeem zelf is vrij simpel. In de bachelors mag er maximum 6 procent anderstalig zijn over heel Vlaanderen, en mag 18,33 procent van de opleidingsonderdelen over de 180 studiepunten, in studiepunten worden uitgedrukt in een andere taal. Op masterniveau zijn er twee mogelijkheden. Ofwel komt er een anderstalige masteropleiding. Dat is als je meer dan 50 procent van de opleidingsonderdelen in een andere taal geeft. Dan moet je langs de erkenningscommissie passeren, en dan mag in heel Vlaanderen niet meer dan 35 procent van de masteropleidingen als dusdanig zijn gekwalificeerd.

Voor de andere masteropleidingen geldt dat er een kwaliteitscontrole is door de regeringscommissarissen en de instellingen zelf, en dan mag niet meer dan 50 procent van de master, bij sommige 60, bij de meesten 120 studiepunten, in een andere taal zijn. Dat is een equitabel compromis, waarbij compromis hier geen vies woord is. Er zijn collega’s die iets reticenter zijn dan anderen, en zij hebben aangedrongen op kwaliteitscontrole en omkadering, niet tot grote vreugde van de universiteiten, die het helemaal niet zagen zitten dat ze moesten zorgen voor taalopleidingen voor studenten die dat willen. Ze doen dat wel, maar ze wilden niet dat hen dat werd gezegd.

Wij hebben gezegd: nee, als je wilt doceren in een andere taal, dan moet je toekijken op de kwaliteit van je lesgevers en ook nagaan of je studenten dat wel kunnen. En de kwaliteit van de lesgevers is essentieel. Veel mensen denken: mijn professoren hebben een C1 in vakliteratuur, maar misschien maar een B2 in het Engels. Een C1 in vakjargon, wat is dat? Lood, plumbum, dat is Pb in het Chinees, in het Engels, in het Frans, in het Nederlands, maar kun je daarom een les doceren aan een universiteit in een verstaanbaar Engels? Neen. Daarom hebben we gezegd: we moeten de kwaliteit van professoren controleren.

Ik zal u een anekdote vertellen over de Nederlandse ervaring, die helaas waar is. Vorig jaar ben ik op opleiding geweest voor de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) in Nederland. Daar laat men proffen doceren in iets wat voor Engels doorgaat. Bij sommigen is het dat ook.

Als er dan bottum-upevaluaties komen van de studenten en die beklagen zich over de kwaliteit van dat Engels, dan is het normaal dat het instellingsbestuur de professoren roept en zegt: heren, zou u zich niet een beetje bijscholen? Die instellingsbesturen kregen toen echter het volgende te horen: wij zijn professoren, wij weten wat we kunnen en wij moeten niet worden bijgeschoold.

Dat hebben we proberen te vermijden, mijnheer Van Dijck. Het zal misschien lastig zijn voor professoren om een testje af te leggen, maar ze nemen constant examens af van anderen. Ik denk dat ze ook wel een testje moeten kunnen ondergaan, en dan nog over Engels. Dat zal hen wel lukken. We hebben excellent onderzoekspersoneel, excellent academisch personeel. Ik denk niet dat er in Vlaanderen nog veel problemen zullen zijn.

De equivalentieregel blijft bestaan, niet meer op het niveau van de provincie maar op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap. Uit de hoorzittingen is gebleken dat ook dat noodzakelijk is. We hebben getuigenissen gehoord over opleidingen waar men vraagt om de opleiding gemeenschappelijk te organiseren met een ander land, met Nederland, als er voor Vlaanderen en Nederland samen, acht of tien kandidaten zijn op één jaar voor heel gespecialiseerde gebieden. Op zo’n moment een equivalentieregel behouden, is absurd op provinciaal niveau en ook op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap. Op dat moment kan ook een afwijking worden gevraagd waarbij het politieke en het academische niveau hun zeg hebben.

In het algemeen hebben we een evenwichtige taalregeling uitgewerkt. Ik sta daar compleet achter. We hebben de meningen van de enen en de anderen gecombineerd. Trouwens, mijnheer Van Dijck, het is niet de bedoeling om het Nederlands te amputeren van de academische component. Als je dat stuk wegneemt uit een taal, begint het verval van die taal, daar hebt u 100 procent gelijk in. Dat willen wij niet. Daarom blijft het Nederlands de onderwijstaal. Dat betekent niet dat we ons van de rest van de wereld moeten afzonderen.

Ik sluit hiermee het hoofdstuk taalregeling af. Ik wil nog wel iets zeggen over degenen die het moeten verwezenlijken, het personeel. De grote verdienste van die twee jaar is dat men bevredigende regelingen heeft uitgewerkt voor iedereen, zowel het academisch personeel als het Administratief en Technisch Personeel (ATP), waarbij het ontstaan van een onproductief sociaal passief werd vermeden via de creatie van het zogenaamde integratiekader. Inzake pensioenregelingen werden de noodzakelijke federale aanpassingen al in de wet doorgevoerd, dat is een lichtpunt.

Collega’s, naast dit grote ontwerp van decreet, het ontwerp van Integratiedecreet, liggen er ook een aantal kleinere voorstellen van decreet voor waarvan sommige met een bijzondere meerderheid moeten worden goedgekeurd. Een aantal aspecten van de integratie zelf moeten via een bijzonder decreet worden geregeld. Het betreft de deelname van publiekrechtelijke hogescholen in associaties en bepaalde aspecten van de schools of arts. Er worden ook nieuwe publiekrechtelijke hogescholen in het leven geroepen via omvorming of fusie van bestaande Vlaamse, autonome en provinciale hogescholen en de bestuurlijke werking en organisatie van de overige publiekrechtelijke hogescholen wordt ook gestroomlijnd. We hebben ook een 21e-eeuwse invulling gegeven aan het begrip pluralisme in de zin van een actief pluralisme. Dat is maar goed ook.

Ten slotte, collega’s, nog enkele woorden over de wijzigingen van het statuut van de universiteiten van Gent, Antwerpen en Hasselt. Reeds jaren is de Universiteit Gent vragende partij voor de aanpassing van haar rigide geregeld statuut. Ook de ad-hoccommissie had zich in haar aanbevelingen uitgesproken om: “een vergelijkbare autonomie en beheerstructuur toe te kennen als die waarover de vrije instellingen vandaag reeds beschikken.” Ze wil dat toekennen aan de publiekrechtelijke instellingen zoals de UGent en de Vlaamseautonome hogescholen.

Wat betreft de UGent heeft het parlement maximaal rekening gehouden met de wensen van de instelling zelf, waarvan met stip op één en twee: de wens naar grotere delegatiemogelijkheden van de raad van bestuur naar het bestuurscollege en het behoud van het participatiemodel dat eigen is aan het pluralisme van de UGent. Dat was de expliciete wens van de universiteit, en we hebben die gerespecteerd.

We hebben het participatiemodel echter uitgebreid tot ook de meest fundamentele tweedeling in onze samenleving, namelijk die tussen de geslachten. Het moet me van het hart: de UGent is er als enige in ‘geslaagd’ – al is dat niet het juiste woord – om in 2011 het aantal nieuwe vrouwelijke docenten te zien dalen, in plaats van te zien stijgen. De UGent heeft bovendien drie maanden geleden een raad van bestuur verkozen die uiteindelijk in totaal 38 man zal tellen, en dat is bijna letterlijk te nemen, want er is maar 1 vrouw verkozen. Dat is niet meer van deze tijd, collega’s.

Vandaar de expliciete wens van de wetgever – en dat betreft ook de wijzigingen die worden doorgetrokken naar Antwerpen en Hasselt – om de in Vlaanderen reeds algemeen bekend zijnde tweederde-eenderderegel als een minimum te hanteren, en voor het overige aan de instelling te vragen om een beleid rond evenwichtige vertegenwoordiging van beide geslachten uit te werken op alle niveaus.

Met 56 procent vrouwelijke studenten en bijna 50 procent vrouwelijke doctorandi en doctoraten, is het in de 21e eeuw onbegrijpelijk te noemen dat vandaag slechts 9 van de 175 gewone hoogleraren van de Universiteit Gent vrouwen zijn. Ook de rector van de UGent sprak zich uit voor het doorstoten van vrouwen naar alle niveaus van de universiteit, maar hij leefde – aldus een kranteninterview van 2 maart dit jaar, dat hij niet heeft ontkend – in de veronderstelling dat de regelgeving hem dat verbood. Wel, collega’s, met dit voorstel van bijzonder decreet wordt hij op zijn wenken bediend.

Dat heeft er ook toe geleid dat we even onderzocht hebben wie nu wettelijk in aanmerking komt om de leiding te nemen van een universiteit. En, ook in het licht van het loopbaanbeleid dat tegenwoordig wordt uitgetekend, hebben we geconstateerd dat het de zeer beperkte leeftijdscategorie van 55- tot 61-jarigen is. Rond 55 wordt men nu immers gewoon hoogleraar, en men mag tijdens zijn mandaat van rector of vicerector ook niet met pensioen gaan. Men mag met andere woorden niet ouder zijn dan 61 als men kandidaat is.

Wij dachten dat het voor dynamische kennisinstellingen misschien geen goede oplossing was om ze bij uitsluiting over te laten aan de gerontocratie van de gewone hoogleraren; vandaar dat we in Antwerpen, Hasselt en Gent ook toelaten dat hoogleraren – een trapje daar net onder, maar heel gekwalificeerde mensen, die weliswaar niet zo oud zijn – zich kandidaat stellen voor deze topambten in het bestuur van een universiteit.

Collega’s, er is een heel goed principe in ons hogeronderwijslandschap in Vlaanderen. Vlaanderen is niet groot, iedereen kent iedereen, en dat leidt tot een grote mate van overleg en zelfregulering. Maar die boodschap wil ik toch meegeven aan de academische wereld: maak nooit de fout om te denken dat het parlement er alleen is om een stempeltje te zetten op wat u beslist. (Applaus bij CD&V, Open Vld, sp.a en de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Vera Celis

Voorzitter, minister, collega’s, ik zou vanuit onze fractie nog enkele klemtonen willen leggen. Mevrouw Moerman heeft vanmorgen al zeer goed de klemtonen aangegeven van de discussie in de commissie, en ook in de ad-hoccommissie, die ze heeft voorgezeten, heeft ze het met brio gedaan.

Het eerste punt dat ik wil aanhalen, is het doel van de integratie. Er wordt geopteerd voor een integratie van de academiserende opleidingen, behalve de kunstopleidingen. Die integratieoefening moet de transparantie van ons hogeronderwijslandschap ten goede komen, maar daarnaast ook de kwaliteit van deze academiserende opleidingen verbeteren. De integratie is geen doel op zich, maar een middel om de onderzoekcomponent in deze opleidingen te versterken.

Er is natuurlijk ook een plaats voor de professionele bacheloropleidingen. Zij mogen aan onze hogescholen absoluut geen tweederangsopleidingen worden. Ze bekleden een specifieke plaats in het hoger onderwijs. Ze zijn bij uitstek geschikt om de problematiek van de knelpuntberoepen aan te pakken. De afgestudeerden zijn bekwame, flexibele en onmiddellijk inzetbare beroepsbeoefenaars. Daarom moeten deze opleidingen in nauw contact met het beroepenveld en met het regionaal maatschappelijk en economisch weefsel staan. We moeten erover waken dat de hoogwaardige kwaliteit van deze opleidingen gegarandeerd blijft.

Wat de profilering van de academiserende opleidingen in de nieuwe structuur betreft, is het belangrijk dat deze opleidingen in de universitaire context hun specifieke rol kunnen behouden. Dit geldt ook voor de meer toepassingsgerichte vormen van wetenschappelijk onderzoek. Onderzoek en onderwijs moeten in de universiteit hun eigen plaats hebben.

Ik verwijs in dit verband graag naar de ingenieursopleidingen. Enerzijds is er de meer toepassingsgerichte industrieel ingenieur. Anderzijds is er ook de meer conceptueel denkende burgerlijk ingenieur. Dit zijn twee duidelijk verschillende, maar toch complementaire profielen die echt aan een vraag van de bedrijfswereld beantwoorden. We moeten dit ook zo houden. De industrieel ingenieurs mogen na het academiseringsproces geen pseudo-burgerlijke ingenieurs worden.

Wat de creatie van de schools of arts en de hogere kunstopleidingen betreft, wordt voor een aparte structuur in de vorm van kunstenscholen of schools of arts gekozen. Die scholen beschikken over heel wat eigen bevoegdheden. Dit sluit aan bij de eigenheid van de kunstopleidingen. We moeten er echter over waken dat de kunstenscholen geen eilanden in het hoger onderwijs worden. De samenwerking met andere instellingen en organisaties binnen en buiten het onderwijs moet mogelijk blijven en liefst worden gestimuleerd.

Over de talenregeling is al heel veel gezegd. De verschillende standpunten zijn duidelijk. Volgens ons ligt hier een zeer goed compromis voor. We bouwen wat meer soepelheid in. We geven de scholen wat meer ruimte. Tegelijkertijd bouwen we, in het belang van de studenten en van de hele samenleving, ook stevige kwalitatieve garanties in.

De nieuwe talenregeling biedt het voordeel van de duidelijkheid. We zetten misschien de voordeur wat verder open. De achterdeuren worden echter met grendels afgesloten. De studenten, de instellingen, de vakbonden, de ondernemersorganisaties en de geraadpleegde adviesraden verkondigen unisono dat de nieuwe regeling de facto een verstrenging inhoudt. Dit toont aan dat we in ons opzet geslaagd zijn.

De inkanteling van de academiserende opleidingen is een enorm complexe en grootschalige operatie. Een dergelijke oefening kan enkel succes hebben indien er voldoende draagvlak in het werkveld en bij het personeel is. We hopen dan ook dat zeer veel belang aan de begeleiding van het personeel doorheen het veranderingstraject zal worden gehecht. Er moet naar hun bekommernissen worden geluisterd en er moet zeer duidelijk over hun situatie worden gecommuniceerd. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Heeren heeft het woord.

Veerle Heeren

Voorzitter, dit voorstel van bijzonder decreet is zeer belangrijk voor het universitair onderwijs. Ik wil het hier dan ook even hebben over mijn eigen provincie, waar ik uiteindelijk al jaren word verkozen. Samen met de heer Sannen en destijds met de heer Van Baelen heb ik in verband met het onderwijsdossier een hele weg afgelegd. Ik houd daar de beste herinneringen aan over. (Opmerkingen)

Dat is een publieke bekentenis.

Het inkantelingsverhaal biedt de universiteit in mijn provincie de mogelijkheden om zich tegelijkertijd verder te ontwikkelen en te verankeren. Dit gebeurt in goede samenwerking met de twee hogescholen en met de KU Leuven, met wie voor verschillende studierichtingen samenwerkingsverbanden zijn aangegaan.

Dat is enerzijds een hele uitdaging maar anderzijds toch ook een opportuniteit voor de universiteit, maar ook voor de studenten en voor de jongeren waarvan wij dromen dat zij zoveel mogelijk zouden kiezen voor dat hoger onderwijs. Of het nu voor een hogeschoolopleiding is of voor een universiteit: het moet de uitdaging zijn om zoveel mogelijk jongeren te laten participeren. Dat blijft een uitdaging voor mijn regio. Tot op vandaag participeert daar een vrij laag percentage van de jongeren.

Met het voorstel van bijzonder decreet over de bestuurlijke organisatie en de werking van de twee fusiehogescholen ben ik ervan overtuigd dat we anticiperen op datgene wat zich maatschappelijk op het vlak van hoger onderwijs in onze provincie aan het ontwikkelen was en nog altijd aan het ontwikkelen is. Voor ons is het cruciaal dat het open pluralistisch karakter kan worden verankerd in de nieuw op te richten fusiehogeschool. Wij hebben daar, ook met de heer Jan Durnez, zeer lang over gepraat.

Met dit voorstel van decreet geven we die nieuwe fusiehogeschool alle kansen, met basisregels over de samenstelling, de werking, de bestuursorganen en de vormen van controle en toezicht. Hij krijgt die faciliteiten van ons als wetgever. Ik hoop dat hij met die autonomie op een verstandige manier zal omgaan.

Ik sluit mij aan bij het betoog van mevrouw Moerman en zeker bij haar laatste zinnen: wij zijn hier in dit parlement niet zomaar diegenen die op de stemknop duwen, wij verrichten uiteindelijk ook dat wetgevende werk. Voorzitter, parlementair werk wordt vaak onderschat. Voor mezelf is het vandaag een sluitstuk van de weg die we de voorbije jaren hebben afgelegd. De ad-hoccommissie Hoger Onderwijs, door mevrouw Moerman geleid, was een staaltje van goed parlementair werk. Meerderheid en oppositie vonden er elkaar. Ik dank mevrouw Moerman voor dat werk. We hebben heel veel jaren geleden het initiatief genomen voor de oprichting van de Transnationale Universiteit. We hebben een decreetgevend initiatief genomen met betrekking tot de hervorming van het Limburgs Universitair Centrum tot de Universiteit Hasselt op het bestuurlijk vlak, en vandaag tot de oprichting van de Fusiehogeschool Limburg.

Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om een dankjewel te zeggen. Dat gebeurt niet dikwijls in de politiek en zeker niet in dit parlement. Ik wil de collega’s Jan Durnez en Ludo Sannen bedanken. Jan, die vooral heeft geleerd dat Limburg niet West- of Oost-Vlaanderen is, dat er in dat kleine Vlaanderen heel veel verschillen zijn in het hoger onderwijs en dat iedereen daarin zijn accenten wil leggen. Ik dank ook Ludo Sannen. Ludo, we zijn samen in 1995 begonnen als vast lid van de commissie Onderwijs, samen met de heer Gilbert Van Baelen, die vandaag gedeputeerde is in onze provincie. We mogen als volksvertegenwoordiger best fier zijn op het wetgevende werk dat we de voorbije jaren hebben geleverd.

Nu is het aan het werkveld om ermee aan de slag te gaan. Ik hoop dat ze daarmee in alle provincies, maar in het bijzonder in mijn provincie, op weg gaan. De basis is gelegd voor een universiteit. Zij moet zich nu, in samenwerking met anderen, positioneren, om ervoor te zorgen dat zij verder kunnen investeren in wetenschappelijk onderzoek. Langs de andere kant zijn er ook twee hogescholen, die heel divers zijn maar die elkaar ook kunnen versterken in het aanbod van studierichtingen. Zij moeten er vooral voor zorgen dat zoveel mogelijk Limburgse jongeren participeren aan het hoger onderwijs. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Deckx heeft het woord.

Kathleen Deckx

Voorzitter, eerst en vooral mijn excuses omdat ik wat later binnenkwam. Dat kwam door de enorme files naar Brussel.

Ook ik stel er prijs op vandaag aan een woordje te zeggen over het Integratiedecreet dat vandaag voorligt. Ik vind, net als mevrouw Heeren, dat de ad-hoccommissie heel belangrijk werk heeft verricht in dezen. Ook de commissie-Soete en het Vlor-advies (Vlaamse Onderwijsraad) waren van heel groot belang. De maatschappelijke beleidsnota en de motie van aanbeveling waren een volgende stap in het proces. Vandaag ligt dan het ontwerp van decreet voor, waar het werkveld mee aan de slag kan.

Ik ben heel tevreden over de maatregelen voor het personeel die daarin opgenomen zijn, zeker over de creatie van het overgangskader voor de personeelsleden. We hebben even geworsteld met de kunsten. Conform de motie voorziet het ontwerp van het decreet in de oprichting van schools of arts. Het gaat om een gescheiden structuur binnen de hogeschool. Gezien het specifieke karakter van de kunstopleidingen aan de Vlaamse hogescholen is het heel belangrijk dat die opleidingen over voldoende autonomie blijven beschikken.

Er is heel wat gepalaverd en gediscussieerd over de taalregeling. Onze fractie vindt het positief dat de taalregeling in het hoger onderwijs versoepeld wordt. Wij zijn absoluut niet voor een verengelsing van ons onderwijs, maar we hebben uit de hoorzittingen kunnen afleiden dat het gebruik van andere talen in de opleidingen erg belangrijk is, onder andere voor de studentenmobiliteit, voor de toeleiding van onze afgestudeerden naar de internationale markt, voor het aantrekken van goede studenten en ook als basis voor het voeren van goed onderzoek.

Uiteraard vergt de operatie die vandaag voorligt, heel wat bijkomende financiële middelen. De minister heeft er dan ook voor gezorgd dat er tussen 2012 en 2025 een belangrijke extra investering zal komen in het budgettaire kader.

Wat mij erg bekommerd heeft, zijn de profielen van de opleiding. In het ontwerp van decreet is er erg op gelet dat we burgerlijk ingenieurs en industrieel ingenieurs blijven behouden en dat de samenwerking met de kmo’s en het bedrijfsleven optimaal blijft.

Voor de voorstellen van decreet verwijs ik graag naar de uiteenzettingen van mevrouw Moerman en mevrouw Heeren. Ik kan daar weinig nieuws aan toevoegen. (Applaus)

De voorzitter

De heer Bouckaert heeft het woord. Hij is consequent om 10 uur aangekomen.

Boudewijn Bouckaert

Inderdaad, volgens mijn rationele zelfnormering ben ik op tijd aangekomen. Ik heb de lat van de irrationele, ineffectieve planning niet gehaald.

Misschien moet u er ook eens rekening mee houden dat er in dit parlement eenoudergezinnen zijn, waarvan de kinderen naar de opvang moeten worden gebracht. Goed, dat is allemaal niet van belang.

Ik zal niet vervallen in rituele herhaling. We hebben in de ad-hoccommissie, efficiënt geleid door mevrouw Moerman – hoeft dat nog gezegd? –, lang gediscussieerd over het Integratiedecreet. Tijdens een plenaire vergadering in de zomer van 2010 hebben we daar ook een diepgaand debat over gevoerd. Dit ontwerp van decreet is een heel correcte legistieke vertaling van de opties die genomen zijn in de resolutie die de werkzaamheden van de ad-hoccommissie afsloot.

Ik herhaal kort dat onze fractie wat dissident was ten opzichte van de andere fracties. Wij vonden een dusdanige drastische ingreep van inkanteling niet nodig om het voornaamste probleem dat zich stelde met de academisering van de hogeschoolopleidingen op te lossen. Het grootste probleem is de niet-erkenning in het buitenland van de academische diploma’s die worden afgeleverd door onze hogescholen. Volgens ons kon dit worden opgelost door die diploma’s een duidelijk universitair karakter te geven in het kader van de associaties.

Het lijkt onrechtvaardig dat de hogescholen, die fantastische inspanningen hebben geleverd om hun academiserende opleidingen op een academisch niveau op te tillen, daar nu een beetje voor worden gestraft. Het kind dat zij hebben grootgebracht, wordt hen afgenomen.

Voorts moet ik erop wijzen dat onze hogescholen wellicht de meest efficiënte vehikels van de democratisering van het onderwijs zijn. Dat mag wel eens worden gezegd. Ik hoop dat zij door de amputatie die op stapel staat, in dit streven niet worden gefnuikt. Wij houden evenwel niet vast aan ons groot gelijk. Het is best mogelijk dat deze formule van inkanteling goed zal werken. Ik wens de gegroeide universiteiten na de inkanteling een goede vaart. Ik hoop dat zij nog veel diensten kunnen leveren aan de wetenschap, de opleidingen en de Vlaamse samenleving. Wij zullen ons daarom bij de stemming onthouden.

Wat de taalregeling betreft, moeten wij dat in een historisch perspectief plaatsen. Tot aan de Franse Revolutie was er geen nationale taal aan de universiteiten. Er was alleen maar een internationale taal: het Latijn was de lingua franca. Dat zorgde voor een kloof tussen de elite en het volk. Na de Franse Revolutie zijn de universiteiten geleidelijk ‘genationaliseerd’, want de volkstaal werd ook de taal aan de universiteiten. Dat had als groot voordeel dat de elite dichter bij het volk kwam te staan. In Vlaanderen moesten wij daarvoor wachten tot 1930, stel je voor. Het grote nadeel was dat dit de internationale uitwisseling belemmerde.

Er is nu een nieuwe lingua franca: het Engels. Die taal wordt in verschillende delen van de wereld op verschillende manieren gesproken, maar toch is het een vehikel van internationale communicatie. Wij belanden nu in een nieuwe historische fase. Enerzijds moet aan de universiteiten de volkstaal behouden blijven, maar anderzijds moet internationalisering mogelijk worden dankzij de kennismaking van onze wetenschappers met het Engels. Zij moeten immers de literatuur goed beheersen en carrièrekansen in de hele wereld krijgen. Wetenschap is immers niet aan landsgrenzen gebonden.

Ik vind de taalregeling in het decreet een goed evenwicht. Maar ik leg er de nadruk op dat wij dat niet zien als een stap naar een verdere verengelsing. Sommige fracties lijken dat wel te doen. Het evenwicht is goed tussen wat ik het Simon Stevinprincipe noem – wetenschapstaal en volkstaal moeten samengaan – en het doel om Vlaanderen zijn zonen en dochters uit te zenden, wat betekent dat onze wetenschap een internationale dimensie moet krijgen.

Wim Wienen

U hebt het over de nieuwe lingua franca: het Engels. U zegt dat het heel belangrijk is dat onze professoren en studenten kennisnemen van de Engelstalige wetenschappelijke literatuur. Wel, vorige maand organiseerden wij met de Taalunie een heel interessante hoorzitting. Daar stelde een professor dat de invoering van het Engels als lingua franca de inhoud zal beïnvloeden. Hij zei dat politicologie in het Engels, met een focus op de Engelse literatuur, ervoor zal zorgen dat het Angelsaksische model en de manier van werken daar wordt overgenomen. Wat doen wij dan bijvoorbeeld met de Duitse literatuur? Ik ben zelf socioloog van opleiding. Samen met mij stellen veel professoren vast dat veel studenten er niet meer in slagen om een Duits boek te lezen. Klassieke auteurs als Habermas of Horkheimer dreigen overboord te worden gegooid, want de studenten kunnen het toch niet meer lezen.

Ik heb de indruk dat de taalregeling in dit decreet de bestaande evolutie wat ondergaat. De minister zei dat de kinderen goed Engels spreken, en dat dit ingeslagen pad verder kan worden bewandeld.

Ik ben daar niet zo voor te vinden omdat er inderdaad ook wetenschappelijk-inhoudelijke wijzigingen zullen zijn in het curriculum. Ik vraag me af of u ook niet die mening toegedaan bent.

Boudewijn Bouckaert

Ik deel die mening niet. Marc Reynebeau heeft destijds een column geschreven in De Standaard waarin hij ook uitvoer tegen het Engels. Hij zei dat het doorbreken van het Engels eigenlijk de uitdrukking is van de Angelsaksische neoliberale cultuur en dat men via het verspreiden van het Engels het neoliberale denken bij de mensen wil bevorderen. Dat is klinkklare onzin. U redeneert eigenlijk een beetje in dezelfde zin als de heer Reynebeau; u stelt dat in een taal een soort ideologie, een soort levenswijze opgesloten zou zitten. Ik denk niet dat dit wetenschappelijk kan worden ondersteund.

Een taal is en blijft een communicatiemiddel. Dankzij de lingua franca kunnen miljoenen mensen in de wereld met elkaar communiceren. Dat is een stap voorwaarts in de internationalisering en het besef dat wij allemaal in eenzelfde wereld leven.

De lingua franca mag echter de volkstaal, de taal waarin men opgegroeid is, de taal waarin men zich heel specifiek en intiem kan uitdrukken, niet wegcijferen. De lingua franca mag ook niet teweegbrengen dat er een kloof komt tussen hoogopgeleiden en de rest van de bevolking. Daarom moet men naar een evenwicht streven. Dat evenwicht is in deze regeling, die opgenomen is in het Integratiedecreet, goed tot uitdrukking gekomen door het feit dat men de bachelor grotendeels in het Nederlands behoudt. Onze jongens en meisjes zullen dus tot 21 of 22 jaar in het Nederlands les krijgen, in het Nederlands discuteren en Nederlandstalige papers schrijven. Het is pas op masterniveau dat er meer Engelstalige richtingen kunnen worden gecreëerd, en dan nog moet er een equivalent worden gemaakt in Vlaanderen. Ik denk dat hier een goed evenwicht werd bereikt, maar ik herhaal nogmaals dat het niet gezien mag worden als een stap naar de totale verengelsing.

Ik meen dat we nu voor een aantal jaren, tien jaar, met deze regeling moeten blijven verder werken. En dan moeten we natuurlijk verder evolueren. Tegen dan is misschien het Esperanto de lingua franca geworden, dat kunnen we niet voorspellen.

Wim Wienen

Ik denk dat de professor zich enigszins vergist. Ik begrijp dat ook, omdat de professor natuurlijk redeneert vanuit zijn bekendste vakgebied, het recht. En inderdaad, in recht is dat onderscheid er niet zozeer; daar is die ideologische ondertoon van bijvoorbeeld de Angelsaksische wereld er niet. Idem dito voor fysica. Fysica is overal ter wereld hetzelfde. De wet van Newton zal niet veranderen omdat die toevallig in het Engels of in het Frans of in het Swahili wordt gedoceerd. De wet van Newton blijft de wet van Newton.

Maar in andere wetenschappelijke gebieden is die ideologische ondertoon, of toch zeker de finesses die in de taal verweven zijn, wel van belang. Ik denk dan aan sociologie – toevallig mijn vakgebied –, maar evenzeer aan filosofie en andere vakken. Je hebt altijd verschillende stromingen gehad en die zijn heel dikwijls, zeker in de sociologie, ook taalgebonden. Als we op alles de lingua franca toepassen, zullen we heel veel wetenschappelijke waarde verliezen, vooral in dat soort vakken.

Fientje Moerman

Dit debat bewijst andermaal dat taal nauw verweven is met identiteit en steeds gevoelig ligt, zeker hier in Vlaanderen.

Ik heb ook een vraagje voor de heer Wienen. Gisteren was ik nog net op tijd thuis om de laatste nieuwsuitzending te zien. Er was een uittreksel van de persconferentie die werd gegeven in het CERN over de ontdekking van het Higgs-boson. De directeur van het CERN is, te oordelen op basis van zijn accent, Duitstalig. Hij gaf de persconferentie in het Engels. Gelukkig maar, want op die manier is in nauwelijks een dag tijd heel de wereld op de hoogte gebracht van iets dat misschien ver ligt van de realiteit van het Vlaams Parlement, maar dat misschien voor een stuk de echte realiteit is.

De voorzitter

De heer Sannen heeft het woord.

Ludo Sannen

Ik wil even iets zeggen over hoe de taal het denken beïnvloedt. Als je enige kennis van taalfilosofie hebt, weet je dat taal het denken beïnvloedt en dat denken en taal met elkaar verbonden zijn. In de structuur waarin je denkt, word je ook een beetje bepaald door de structuur van de taal die je hanteert. Ik kan me voorstellen dat bepaalde wetenschappen op dat vlak minder beïnvloed worden dan andere. Ik geef toe, mijnheer Wienen, dat dat een element is. Maar de rijkdom die je creëert doordat je samen denkt met anderen in totaal andere culturen, en de confrontatie die daaruit ontstaat, weegt veel zwaarder dan het feit dat je een stukje wordt opgeslorpt in een meer Angelsaksische taaldynamiek. De confrontatie met andere culturen zal het gemakkelijk neutraliseren en ver overstijgen.

Boudewijn Bouckaert

De opmerkingen van de heer Wienen en de kritische bedenkingen die soms werden geuit door de N-VA, begrijp ik volkomen vanuit de Vlaamse situatie. Vlaanderen heeft heel hard moeten vechten om zijn taal, de taal van de bevolking, erkend te zien als een wetenschappelijke taal. De Gentse universiteit was de eerste vernederlandste universiteit. Mijn vader was een van de eerste studenten om aan die vernederlandste universiteit te kunnen studeren. We moeten dat erfgoed echt bewaken. Het Nederlands moet voortleven als universitaire instructietaal.

Onze onderzoekers moeten worden aangespoord om in het Nederlands te blijven publiceren, naast het Engels. Zij moeten die twee talen vlot hanteren. Ook moeten we ervoor zorgen dat bijvoorbeeld de Vlaamse Bibliotheek het publiceren van doctoraten in het Nederlands blijft stimuleren. Dat is een probleem. Vele Vlaamse uitgevers hebben niet de grootte van de Engelstalige uitgevers, en moeten daarom, naast wetenschappelijke boeken, dikwijls ook romans, strips en dergelijke publiceren. We moeten zorgen dat deze situatie niet in het nadeel speelt. Daar moeten we oog voor hebben in het beleid, zodat het Nederlands als instructietaal wordt gehandhaafd.

Maar we mogen geen deuren sluiten voor onze onderzoekers en ook de deuren van onze Vlaamse universiteiten niet sluiten voor vreemde studenten. Ik geef les in het Engels in een master-na-master (manama). Ik moet zeggen dat ik dan echt het gevoel heb een academicus te zijn, de nationale context te overschrijden en met mensen van de hele wereld wetenschappelijk te kunnen communiceren. Die dimensie moet u zeker ook aan de universiteit houden.

Wim Wienen

Als Freud van toepassing is op professor Bouckaert, was het ook wel zeer duidelijk in zijn betoog. Hij zegt wel dat het Nederlands als instructietaal bewaard moet blijven, maar als hij het heeft over het Nederlands als wetenschappelijke taal, stelt hij dat dat belangrijk erfgoed is. Erfgoed, dus van het verleden. Blijkbaar is het Nederlands als wetenschappelijke taal voor de heer Bouckaert een historisch gegeven, iets archeologisch. Ik ben het daar niet mee eens. Ik denk dat het Nederlands als wetenschappelijke taal nog een heel belangrijke rol te spelen heeft en zal moeten spelen.

Boudewijn Bouckaert

Mijnheer Wienen, ik bedoel met dat woord ‘erfgoed’ dat het iets is dat bewaard moet blijven en gekoesterd moet worden. We moeten er ook in ons beleid aandacht voor hebben. Er is geen lineaire stroom in de richting van de verengelsing. Verengelsing en vooruitgang vallen niet samen. Het evenwicht telt. In dit ontwerp van decreet wordt een goed evenwicht gevonden. Ik stel voor om het daar een aantal jaren bij te houden.

Ik wil nog een opmerking maken bij de voorstellen van bijzonder decreet, die gaan over de nieuwe structuren in de hogescholen en de Universiteit Gent. Voor een bijzonder decreet is een tweederdemeerderheid nodig. Ik sluit me volledig aan bij het pleidooi van mevrouw Moerman. De hervormingen die hier worden voorgesteld, zijn er echt van het gezond verstand. Die instellingen hebben die rationalisering van hun structuren nodig. Ik zou verheugd zijn als daarover unanimiteit kan zijn in dit parlement.

De voorzitter

Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Gerda Van Steenberge

Voorzitter, u hebt intussen al begrepen dat de taalregeling voor mijn fractie vrij belangrijk is. Ik zou dit toch willen inpassen in een groter geheel. De taalregeling is tot stand gekomen in de ad-hoccommissie vorig jaar. Mede door mijn toedoen is het meerderheidsprincipe van Open Vld en LDD, die toen verder wilden gaan, omgedraaid is naar het minderheidsprincipe. Voor mij was dat zeker een reden om het voorstel van decreet goed te keuren, maar de taalregeling is slechts een onderdeel. De werkgroep heeft vorig jaar echt een goed werkstuk afgeleverd. De sfeer was ook goed.

Mijn fractie zal tegen het ontwerp van decreet stemmen. Ik zal me onthouden. Ik wil het signaal geven dat het ontwerp van decreet in zijn geheel wel goed decreetgevend werk is. Het is een onderdeel. De voorstellen van bijzonder decreet zullen wij goedkeuren.

Vorig jaar kreeg de voorzitter al lofbetuigingen en nu ook van de verslaggevers. Ik wil nog eens herhalen dat mevrouw Moerman dat uitstekend heeft gedaan.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Voorzitter, heel veel is al gezegd bij vorige besprekingen. Op het moment van de maatschappelijke beleidsnota hebben wij ons onthouden en hebben we een eigen nota ingediend. We hadden nog een aantal fundamentele bemerkingen, ook bij dit voorstel van decreet. We zullen het dus niet goedkeuren. De opmerkingen ten tijde van de maatschappelijke beleidsnota gelden nu ook nog bij dit voorstel van decreet. Ik ben daar uitgebreid op ingegaan in de commissie. Wij vinden dit een gemiste kans. Het voorstel focust nogal op de structuurhervorming. Die was nodig. Maar aan sommige zaken die voor ons essentieel zijn, wordt voorbij gefietst. Er wordt geen antwoord gegeven.

De echte problemen gaan over het efficiënt inzetten van de middelen. Het voorstel van decreet had de mogelijkheid kunnen bieden om het universitaire landschap te rationaliseren en om regionale samenwerkingen te versterken. Daar is eigenlijk niets mee gebeurd. Op die manier wordt een deel van de middelen niet zo efficiënt ingezet. We hebben ten tijde van de beleidsnota – en ik heb dat nog herhaald – voorgesteld om eens een doorlichting te laten doen door het Rekenhof om na te gaan of we niet efficiënter zouden kunnen omgaan met die middelen. Er zijn enorm grote noden in het onderwijs, op alle niveaus. We mogen geen geld verspillen door zaken dubbel of te veel aan te bieden. De rationalisering is belangrijk. We doen daar te weinig aan.

Een ander probleem is de verdere democratisering. De cijfers van de laatste ViA-meeting (Vlaanderen in Actie) toonden aan dat het aantal dertigers met een hoger diploma blijft dalen terwijl de doelstelling was dat het zou stijgen. De vraag naar mensen met een diploma is nog nooit zo hoog geweest op de arbeidsmarkt. Mensen zonder diploma hoger onderwijs zijn een beetje sociaal gedetermineerd. Ons onderwijs slaagt er nog steeds onvoldoende in om allochtonen te laten doorstromen naar het hoger onderwijs. De aandacht voor een tweede democratiseringsgolf staat al vermeld in de randvoorwaarden maar komt volgens ons te weinig aan bod. Ook daar hadden we moeten dieper gaan en diepgaander moeten kijken naar de aanmoediging. Dat sluit aan bij de financiering. Dit was dé gelegenheid om dit fundamenteel aan te pakken.

Dit waren twee fundamentele opmerkingen.

Ik wil ook iets zeggen over de taalregeling. Ik denk dat de posities inhoudelijk niet zo ver uit elkaar liggen. We hebben daar veel over gediscussieerd. Ik denk dat alle fracties zich, weliswaar in mindere of meerdere mate, willen inzetten voor het bewaken van het Nederlands als wetenschappelijke taal. We willen echter ook mee kunnen met de internationalisering. We vonden dus allemaal, denk ik, dat er een goede balans moest worden gevonden. De ene helde wat door naar de ene kant, de andere wat meer naar de andere. Dat heeft dan geleid tot een compromis.

Dat zou goed zijn geweest, maar nu is er sprake van een controlemechanisme dat zo complex is geworden dat men ervoor vreest dat de lichte versoepeling die we nu realiseren, in feite zal worden tenietgedaan door de administratieve en andere lasten die dit met zich zal meebrengen voor de instellingen. Niet alleen ik zeg dat. Ook de Vlaamse Onderwijsraad zegt dat, net als de vereniging voor de studenten, de onderwijsinstellingen en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV).

Men vreest dus dat dit misschien een maat voor niets is. Dat zou jammer zijn, en een gemiste kans. Ik hoop dus dat we tijdig daadwerkelijk zullen evalueren of dit geen te grote hinderpaal is om die versoepeling op het vlak van de internationalisering te realiseren.

Minister, ik roep u ertoe op om dat op tijd en stond te bekijken, en het te herzien als zou blijken dat die controlemechanismen een te grote rem vormen voor die noodzakelijke internationalisering van het onderwijs.

Voor het overige verwijs ik naar ons eigen voorstel van resolutie dat we ten tijde van de beleidsnota hebben ingediend en dat uitgebreid ingaat op die punten die ik kort heb aangehaald.

De voorzitter

De heer Sannen heeft het woord.

Ludo Sannen

Voorzitter, wat het eigenlijke ontwerp van Integratiedecreet en de voorstellen van bijzonder decreet die daaruit voortvloeien betreft, heeft mevrouw Moerman een heel compleet en mooi overzicht gegeven van de redenen waarom die nodig zijn. In het kader van het ontwerp van Integratiedecreet wil ik echter toch ook even aandacht vragen voor de hogescholen. Ik vind dit een hele prestatie van de hogescholen die hebben meegewerkt aan deze constructieve dialoog om, zoals de heer Bouckaert stelde, zich te laten amputeren. We mogen de meerwaarde van deze opleidingen van het lange type, van deze academische opleidingen in hogescholen niet onderschatten. Ik ben er zelf een paar keer getuige van geweest: dit is een kwalitatieve aanwezigheid in een hogeschool, die de totale kwaliteit van de hogeschool op een bepaald niveau helpt tillen. Nu we die nu enigszins amputeren, moeten we aandacht hebben voor de toekomstige evoluties in hogescholen en de toekomstkansen van die hogescholen.

Ik weet dat de associaties blijven bestaan, maar ik wil de universiteiten ertoe oproepen zich mee verantwoordelijk te blijven voelen voor de kwaliteit en het onderwijsaanbod in de hogescholen. Ze hebben daar ook een rol te vervullen, zodat onze hogescholen, vooral dan als professionele hogescholen, toch kwalitatief onderwijs kunnen aanbieden, en dat ook met enige ruimte voor wetenschappelijk onderzoek. Dat lijkt me immers ook nodig in professioneel onderwijs. Daarom is het natuurlijk ook nodig dat de hogescholen zelf over voldoende schoolgrootte en kritische massa beschikken: vandaar de bijkomende voorstellen van bijzonder decreet, waarin ook de fusiehogescholen van Antwerpen en Limburg zijn opgenomen. Dat lijkt me een logische stap, zodat die hogescholen ook nog kansen krijgen nadat er zoveel van hun opleidingen naar de universiteiten overgaan.

Ten slotte wil ik natuurlijk ook mijn fijne collega, mevrouw Heeren, bedanken voor de collegiale samenwerking van de voorbije jaren in diverse hogeronderwijsdossiers. Ik dank haar voor haar lieve woorden.

De voorzitter

Dat is toch mooi dat dat gebeurt, zeker bij Limburgers onder elkaar.

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Voorzitter, het wordt heel ontroerend.

Als dit parlement dit straks goedkeurt, en zo te horen zal dat gebeuren, dan zijn we daar uiteraard heel blij mee. Dit is immers het sluitstuk van een heel lang proces, dat is begonnen met Bologna in de jaren 90. Diverse sprekers hebben erop gewezen dat daar de afgelopen twee jaar heel hard aan is gewerkt. Ik meen dat dit inderdaad ook zo is. Uiteraard is er ook in dit parlement hard aan gewerkt, onder leiding van mevrouw Moerman en vele anderen.

Maar er zijn ook mensen die we niet mogen vergeten en die ik toch ook wil bedanken. Ik heb het over mijn vorige medewerker, Tom Dekeyzer, die nu in Gent zit en die ook heeft meegewerkt aan het proces. Ik wil ook mijn huidige medewerkers danken en het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen, dat de afgelopen twee jaar samen met mij, niet altijd even zichtbaar, veel voorbereidend werk, waaronder het cijferwerk, heeft verricht. Ook het parlement en de regering hebben veel werk verzet maar het is belangrijk dat we vandaag ook de mensen die achter de schermen het beste van zichzelf hebben gegeven, bedanken. Het is mede dankzij hen dat we hier in een brede consensus tussen de universiteiten, de hogescholen en dit parlement dit voorstel van decreet met een tweederdemeerderheid kunnen goedkeuren. Ik wil alle partijen danken, ook de oppositie waaronder vooral Open Vld – mevrouw Van Steenberge zal me dat niet kwalijk nemen – die daar samen met de meerderheid heel constructief aan heeft gewerkt. (Opmerkingen van mevrouw Gerda Van Steenberge)

We geven afgerond 226 miljoen euro over tien jaar, gespreid over de universiteiten en hogescholen. Dat is heel veel geld. Sommigen onderschatten dat. De regering engageert zich voor de volgende jaren om dat te doen. Tijdens deze legislatuur zal er al 42 miljoen euro uitsluitend gaan naar die integratie. Minister Lieten en ikzelf hebben daarin voorzien in onze begroting. Dat is ingeschreven in de begrotingsdecreten. Daarnaast zullen we door het kliksysteem extra geld geven. Dat betekent dat er tijdens deze legislatuur 110 miljoen euro extra gaat naar de hogescholen en universiteiten.

Ik wil nog een aantal punten vermelden die vandaag niet aan bod zijn gekomen maar die wel in de regeling vervat zitten. Ik begin met Brussel. Het is voor de Vlaamse aanwezigheid in Brussel van strategisch belang dat er Nederlandstalige studenten naar de hogescholen en universiteiten komen. Vanaf 2014 zijn we op kruissnelheid en investeren we 9,5 miljoen extra in de Brusselse Nederlandstalige instellingen voor hoger onderwijs.

Mijnheer Delva zal blij zijn te horen dat ook de protestantse faculteiten in de toekomst worden gefinancierd voor onderzoek. Vanaf 2014 is er ook voorzien in budget voor de imamopleiding, mijnheer Sannen.

Er is al verwezen naar die 22.000 studenten die vanaf 2013 virtueel zullen verschuiven van de hogescholen naar de universiteiten. Dat betekent meer middelen, minder versnippering, een versterking van de verwevenheid, het onderzoek en het onderwijs, een betere herkenbaarheid van de opleidingen, en associaties die daarover moeten waken en die bruggen moeten leggen tussen de professionele bachelors en de academische bachelors. Ook de creatie binnen de hogescholen van de schools of arts, is daarbij een belangrijk mechanisme.

Er is al uitvoerig gepraat over de taalregeling. Ik denk dat de meesten het erover eens zijn dat dit een heel evenwichtige regeling is, die deuren opent en sommige achterpoortjes sluit. Ik vind het helemaal niet verkeerd dat de Vlaamse Regering aan die instellingen vraagt om te verantwoorden waarom ze dat doen. Het uitgangspunt is dat het Nederlands een wetenschappelijke taal, onderzoekstaal en onderwijstaal moet blijven. We geven die instellingen vrijheid en verantwoordelijkheid maar vragen hen ook om verantwoording.

Wellicht was er een eenvoudigere controleregeling mogelijk. We moeten echter niet overdrijven. Plannen en verantwoording afleggen zijn op zich geen last maar een normaal middel. De vraag is alleen hoe men dat in de praktijk uitvoert. Dat zullen we samen met de instellingen nagaan.

Wat we hier op tafel hebben liggen, is een hele stap voorwaarts. Ik meen te weten dat de verstandige mensen uit de hogeschoolwereld dat ondertussen ook al wel hebben begrepen.

Wat betreft het personeel, waar we heel wat tijd in hebben gestoken, mevrouw Moerman, hebben we de federale overheid zo ver gekregen om de federale wet aan te passen, wat een moeilijker dossier was dan het dossier dat ze de komende weken moeten behandelen over het aanpassen van de wet van 1970. Er is geen sociaal passief, ook dat is belangrijk. Universiteiten en hogescholen worden verplicht om overeenkomsten te maken. Slagen ze daar niet in, dan zal de overheid tussenkomen, maar we gaan ervan uit dat ze daarin slagen.

Voorzitter, het is heel belangrijk om vandaag te herhalen dat we vanaf 2013 110 miljoen euro extra uittrekken. Dat betekent dat we 1000 extra professoren in Vlaanderen zullen krijgen. 1000 extra professoren! Als we niet oppassen, wordt het een knelpuntberoep in Vlaanderen. We zullen de komende jaren 1000 extra professoren moeten aantrekken. Het zal een hele oefening zijn om de kwaliteitsbewaking te doen. Dat wordt in de toekomst een heel belangrijk gevolg van de beslissing die we vandaag nemen.

Ik sluit me aan bij mevrouw Heeren en anderen die het hebben gehad over de oprichting van de nieuwe pluralistische hogescholen, waarbij ze een grotere autonomie inzake samenwerking en werking krijgen. Ook dat is een heel belangrijke stap die we vandaag in ons hogeronderwijslandschap zetten. Ik ben niet alleen als minister van Onderwijs maar ook als minister van Gelijke Kansen bijzonder blij dat we samen, meerderheid en oppositie, de gelijkheid tussen man en vrouw ook in de academische wereld doorgang doen vinden. Ik sluit me aan bij mevrouw Moerman dat het een beetje merkwaardig is dat we dat moeten doen met een decretale interventie. Ook hier worden vandaag belangrijke historische stappen gezet naar gendergelijkheid in het hoger onderwijs, iets wat in de wereld van vandaag niet meer dan een evidentie zou moeten zijn.

Voorzitter, tot slot wil ik eindigen met woorden van dank. In dit dossier was er een heel mooie samenwerking tussen enerzijds de regering in al haar geledingen, administratie, kabinet en andere leden van de regering, en anderzijds het parlement, meerderheid en oppositie. Mevrouw Moerman heeft daarin een belangrijke rol gespeeld. Het is voor ons allen een zeer positieve, aangename ervaring geweest. Ook dat is belangrijk in het leven. Als je aangename ervaringen hebt in het leven, kan je dikwijls mensen gelukkig maken. Ik wil ook ontroerend eindigen. Laat ons maar de zon in huis brengen. (Opmerkingen van de heer Lode Vereeck)

Voorzitter, op twee weken tijd keurt dit parlement historische decreten goed, vorige week over de omkadering basisonderwijs en vandaag over het hoger onderwijs. Deze regering toont aan dat ze op het vlak van onderwijs wel degelijk iets kan realiseren, wat hoger onderwijs betreft, samen met een belangrijke partner. Ik wens u nogmaals te danken voor de constructieve houding. Dat belooft voor de toekomst. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Zamouri heeft het woord.

Khadija Zamouri

Minister, ik dank u voor uw positieve woorden. In uw betoog hebt u iets aangehaald dat straks op de agenda staat, namelijk het voorstel van resolutie over de universitaire opleiding Islamitische Godsdienstwetenschappen. U blijft herhalen: imamopleiding. Indien het een imamopleiding is, dan gaan wij daar niet mee akkoord.

Minister Pascal Smet

Dat was even te kort door de bocht.

Khadija Zamouri

Dank u wel.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.