U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Pehlivan heeft het woord.

Fatma Pehlivan

Voorzitter, minister, collega’s, De Morgen pakt uit met cijfers van kansarme leerlingen. Het zijn meestal leerlingen die GOK-onderwijs (gelijke onderwijskansen) hebben gevolgd of in GOK-scholen hebben gezeten. 70 procent van hen stroomt door naar tso en bso.

Minister, een maand geleden heb ik u een schriftelijke vraag gesteld en ik heb daarop hetzelfde antwoord gekregen. Ik had de vraag gesteld waar die leerlingen nu eigenlijk zitten. U antwoordde dat er in 2008 13.700 leerlingen van het GOK-onderwijs zich hadden ingeschreven in de A-richting van het secundair onderwijs. Vandaag zien we dat die leerlingen dan in tso en bso terechtkomen. Er is niets mis met tso en bso, maar het is toch alarmerend dat we zien dat 70 procent van de kansarme kinderen in die richtingen terechtkomen.

Met het Omkaderingsdecreet krijgen scholen nieuwe middelen bij, juist om de kwaliteit van de scholen en de doorstroom van die groep leerlingen te bevorderen. Minister, ik heb u er in de commissie herhaaldelijk over ondervraagd, en ik blijf op dezelfde nagel kloppen: waar blijven de resultaten? Wij kunnen wel middelen geven aan scholen, maar als we niet meten en niet weten hoe die middelen worden gebruikt en als we de effecten ervan niet kunnen nagaan, dan stel ik me toch vragen bij de GOK-middelen die we aan scholen toekennen. Die zijn nodig, we moeten ze ook blijven geven, maar hoe gaan we het effect ervan meten? Hoe zullen we nagaan welke resultaten die middelen hebben?

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer

Voorzitter, minister, collega’s, in de weekendeditie van De Morgen konden we inderdaad een interessant artikel lezen in verband met de problematiek van de GOK-leerlingen in het middelbaar onderwijs.

Bijna 40 procent van de middelbare scholieren krijgt extra middelen via de GOK-regeling, vooral in de grootsteden Brussel, Antwerpen, maar ook in andere steden. Zo krijgt in Genk bijna 60 procent van de leerlingen extra middelen.

Minister, vorig jaar waren er voor 38 miljoen euro extra middelen uitgetrokken voor de GOK-leerlingen. Dat is een hoog bedrag.

Mevrouw Pehlivan heeft een aantal cijfers aangehaald, waar ik kort op wil ingaan. Minister, het aanpakken van de GOK-problemen hangt zeer sterk samen met de motivatie van de leerkrachten en met de omkadering. Als ik het statistisch jaarboek van het onderwijs analyseer, start 85 procent van de leerlingen in de A-stroom. Na vier jaar zit 70 procent van de leerlingen in het tso of bso. Van de GOK-leerlingen start 81 procent in de A-stroom. Na vier jaar zit 65 procent – dus 5 procent minder dan de anderen – in het tso of bso. Eenzelfde verschuiving doet zich dus voor.

Minister, wanneer zult u de effectiviteit, de grootte van de bedragen en de realisaties die effectief geboekt worden in het veld meten zodat er eventueel een aanpassing kan gebeuren van de criteria? Ik heb diezelfde vraag al gesteld in verband met het basisonderwijs.

De voorzitter

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Voorzitter, de afgelopen jaren zijn er heel wat nieuwe kinderen bij gekomen door migratie. Dat mogen we niet vergeten. Het is geen statisch gegeven, je moet telkens opnieuw beginnen. Er komen telkens nieuwe kinderen bij, vaak met meerdere problematieken. Dat mogen we niet vergeten. Het is heel belangrijk dat we een onderscheid maken tussen de werkingsmiddelen en de omkaderingsmiddelen. Bij beide wordt rekening gehouden met leerlingenkenmerken.

We zullen de werkingsmiddelen evalueren in 2013, zowel voor het basisonderwijs als voor het secundair onderwijs. Het is de bedoeling dat we daar deze legislatuur nog remediërend in optreden, althans als de evaluatie tijdig rond is.

In het Omkaderingsdecreet basisonderwijs hebben we nieuwe criteria bepaald die een wetenschappelijke basis hebben. We hebben ook een bepaald percentage op de bandbreedte bepaald.

Mijnheer De Meyer, u haalt de 38 miljoen euro aan die we uittrekken voor de GOK-middelen in het secundair onderwijs. Dat is heel veel geld. We mogen echter niet vergeten dat dat 1,7 procent van de totale middelen is. Er gaat dus ‘maar’ 1,7 procent van de middelen naar die leerlingen. Je kunt dus niet zeggen dat er overdreven is in de hoeveelheid van de middelen.

Mijnheer De Meyer, ik ben blij dat u hier vandaag bevestigt dat we meer moeten meten. Ik denk dat iedereen het ermee eens is dat dat de afgelopen jaren niet in de traditie lag van het onderwijs. Men was daar eerder terughoudend in. Ik denk dat we nu stappen vooruit aan het zetten zijn. Ook in dit parlement is er een verandering opgetreden in de gedachten. Ook het Rekenhof zegt dat heel duidelijk. We mogen dat niet verwaarlozen.

Voorzitter, ik heb in de commissie een hand uitgestoken naar de commissieleden om er samen, uiteraard ook met de onderwijsverstrekkers, in de beleidsvoorbereiding over na te denken hoe we dat meten meer kunnen doen, ook naar de GOK-middelen toe. Het is belangrijk dat we dat debat voeren.

Uiteraard doen we op dit moment al bepaalde zaken. Zo is er de doorlichting. Sinds 2010 heb ik de inspectie uitdrukkelijk gevraagd om het GOK-beleid mee te nemen bij de doorlichtingen van de scholen. Na die eerste doorlichting hebben bijvoorbeeld 36 scholen een negatief advies gekregen en moeten die een verbeteringstraject voor een GOK-beleid opstellen. Dat zal jaarlijks worden herhaald. De inspectie zal in de kwaliteitszorg dus nagaan wat de scholen doen met de middelen voor hun GOK-beleid. Dat is toch een belangrijke stap voorwaarts die we in deze legislatuur hebben gezet.

Daarnaast hebben we de paralleltoetsen die we ter beschikking stellen van de scholen die niet werden geselecteerd voor de peilingtoetsen. We hebben in de toekomst nog mogelijkheden om scholen de middelen te geven zich te testen en zich daarbij te vergelijken met andere scholen, niet om slechte punten te geven of om negatief te zijn, maar om op een positieve, kwaliteitsbevorderende wijze op te treden.

Dat is de richting die we verder moeten volgen. We moeten nieuwe instrumenten ontwikkelen. De heer De Meyer is goed geplaatst om te weten dat het in het verleden niet altijd gemakkelijk was om dat debat te voeren. Ik ben heel blij dat er een ‘change of mind’ is bij iedereen om die weg in te slaan. We moeten dat op een verstandige manier doen, in nauw overleg met de onderwijsverstrekkers, niet alleen in zijn algemeenheid, maar ook heel specifiek met betrekking tot de GOK-middelen.

In het verleden werd ook altijd de klemtoon gelegd dat die middelen niet alleen de GOK-kinderen ten goede moesten komen, maar ook het algemene schoolbeleid. Ook dat is iets dat we moeten meenemen.

Fatma Pehlivan

Minister, bedankt voor uw antwoord. Het is hoopgevend. De genoemde cijfers zijn van het verleden. Ik hoop dat we hier over vijf of tien jaar niet opnieuw moeten staan. Meten is weten, hebt u altijd gezegd. Ik wil u op uw woord geloven dat dat zo vlug mogelijk zal gebeuren.

Als we vanaf september bijkomende middelen geven, zouden we naar eind volgend schooljaar toch al iets van resultaat moeten kunnen constateren – of het jaar nadien, systematisch. Als u het niet systematisch doet, zullen we hier over vijf jaar opnieuw staan voor hetzelfde.

De schoolpopulatie verandert, dat klopt. Het gaat hier om kansarme kinderen. Van welke origine ze zijn, doet er niet toe. Ik hoop dat we hier niet meer moeten terugkomen, maar ik vrees van wel. Ik hoop dat we in de commissie Onderwijs systematisch die cijfers kunnen krijgen en systematisch een evaluatie kunnen maken, en hopelijk ook positief, want wij kunnen ons dit als maatschappij niet veroorloven.

Jos De Meyer

Minister, uw antwoord spoort ons aan tot grote waakzaamheid. Terecht maakt u een onderscheid tussen enerzijds de omkadering en anderzijds de werkingsmiddelen. U hebt ons al meegedeeld dat de evaluatie zal gebeuren in 2013. Die moest eigenlijk gebeurd zijn in 2012. U zegt ook: “Hopelijk zullen we in deze legislatuur…” Minister, ik vraag u heel uitdrukkelijk dat er nog deze legislatuur een evaluatie en een aanpassing komt.

Collega’s, toen ik enkele weken geleden aan alle ministers naar de middelen vroeg die in deze legislatuur reeds besteed zijn aan minderheidsgroepen, kwam ik tot de constatering, uit een antwoord van dertig à veertig bladzijden, dat er bijzonder veel voluntarisme is. Als ik dan vroeg wat er effectief gebeurt met die middelen en hoe dat wordt opgevolgd, bleven de ministers het antwoord schuldig. Wij willen dat voor Onderwijs van nabij opvolgen. Met het pedagogische proces, minister, hebt u eigenlijk niets te maken, wel met de resultaten.

De voorzitter

Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Gerda Van Steenberge

Minister, ik ben vanmorgen wakker geworden in een nieuwe wereld. Ik ben echt gelukkig. U zult wel begrijpen waarom. Toen ik u zaterdag in een interview op vtm zag, zei u precies wat ik al twee jaar betoog. En nu hoor ik de collega’s hetzelfde doen. Al twee jaar houd ik interpellaties en stel ik vragen om uitleg, vraag ik opvolgingsaudits en een verslag van het Rekenhof over de effectiviteit van het GOK-beleid. Al jaren vraag ik hoe u kunt oordelen dat er meer middelen naar GOK moeten gaan als er geen effectiviteit of leerwinst wordt gemeten.

Niemand is mij gevolgd, twee jaar lang. En nu heeft iedereen plots het licht gezien. En ik ben blij, minister. Hoe gaat u nu eindelijk, na twaalf jaar, de decretale verplichting nakomen om de effectiviteit van het GOK te meten, zoals ik al twee jaar vraag? (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Zamouri heeft het woord.

Khadija Zamouri

Voorzitter, ik vind gelijke onderwijskansen voor iedereen zeer belangrijk. De investeringen staan in mijn ogen buiten kijf. Dat moet blijven gebeuren om kinderen uit de armoede te houden.

Minister, hebt u er zicht op wat de scholen effectief met deze middelen doen? Ik vind dat een zeer terechte vraag. Er wordt geïnvesteerd. We pompen hier geld in. Wat zijn de resultaten? Wordt dit iets als de diversiteitsplannen in de sectoren? Daar zien we ook weinig tot geen resultaten van.

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Vera Celis

Voorzitter, het lijkt ons nodig een bijkomende inspanning voor kansarme leerlingen te leveren. Dat kan zeker nuttig zijn. Ik heb het artikel in De Morgen gelezen. De kop is ’40 procent kansarme kinderen in het middelbaar’. Ik schrik enorm van dat cijfer. Dat is al bijna de helft. Blijft dat beheersbaar?

Ik sluit me graag aan bij de vragen die reeds zijn gesteld. Hoe kunnen we de criteria voldoende transparant maken om de leerbedreigde leerlingen te detecteren en voor hen een inspanning te leveren?

Het doet me deugd dat de minister heeft aangekondigd dat er in 2013 een evaluatie volgt. Ik vermoed echter dat hij, zeker in budgettair moeilijke tijden, tot een permanente monitoring van de ingezette middelen zal moeten komen. Er zijn immers meer vragende partijen voor die middelen.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Voorzitter, mij zijn in het rapport vooral de grote regionale en stedelijke verschillen opgevallen. In een stad als Sint-Truiden, die een groot percentage kansarmen telt, liggen de slaagkansen toch hoog. Daartegenover staat dan de stad Antwerpen. De resultaten zijn daar zeer slecht. Er is een hoog percentage kansarmen. Het slaagpercentage is echter laag en de uitstroom is zeer groot.

Minister, zult u hier in uw verder onderzoek rekening mee houden? Bent u van plan te onderzoeken wat de oorzaak van die verschillen is en wat we eventueel uit bepaalde succesverhalen kunnen leren? Ik vraag me af wat nu in feite de succesfactoren zijn.

Minister Pascal Smet

De succesfactoren in een school zijn altijd afhankelijk van de context waarin de school en de leerlingen zich bevinden. Ik heb dat vandaag ook in een interview in De Morgen verklaard. We mogen ons niet enkel op de A-attesten fixeren. Hoe wordt er geattesteerd? Hoe wordt de leerlingenbegeleiding verzorgd? Wat is de behaalde leerwinst? In welke context bevinden die kinderen zich? Hebben veel kinderen een thuistaal die niet het Nederlands is? Zitten die kinderen in een school geconcentreerd? Al die factoren zullen mee bepalen of al dan niet voldoende leerwinst kan worden geboekt.

Het uitgangspunt is dat elke school voldoende basisfinanciering voor elk kind moet ontvangen. Het betreft hier dan de werkingsmiddelen en de omkadering. Indien we vaststellen dat een aantal kinderen een bijkomend duwtje in de rug nodig hebben en er bijgevolg nood is aan bijkomende ondersteuning, verstrekken we hiervoor bijkomende middelen.

We hebben wetenschappelijke, objectieve en duidelijk bepaalde criteria. Wat is het diploma van de moeder? Heeft zij al dan niet een diploma van het secundair onderwijs? Spreekt het gezin thuis al dan niet Nederlands? Wat is het gezinsinkomen? Daarover bestaat wetenschappelijke zekerheid – of toch bijna. In de nieuwe omkadering van het basisonderwijs gebruiken we de buurt niet langer als criterium. Hier is immers een hele discussie over ontstaan.

We beschikken over de criteria. Ik heb echter uit alle betogen kunnen afleiden dat een heel belangrijke paradigmaverschuiving heeft plaatsgevonden. Het Vlaams Parlement stelt in het algemeen dat er meer moet worden gemeten. Dit geldt niet enkel voor de GOK-problematiek: er moet in het algemeen meer worden gemeten. Mevrouw Van Steenberge heeft dit in het verleden al meermaals gesteld. Het verbaast haar dat ik vanaf mijn aantreding als minister ook op die nagel heb geklopt.

Het debat bevindt zich momenteel in een maatschappelijke evolutie. Na drie jaar kunnen we allen samen die conclusie trekken. Dit wordt nu aanvaard. Dat was drie jaar geleden niet zo evident. De intellectuele eerlijkheid gebiedt ons dit te erkennen.

Hoe we dit doen, is nog een ander paar mouwen. Ik wil herhalen wat ik in de commissie uit respect voor het parlementair werk uitdrukkelijk heb aangeboden. Ik heb altijd respect voor het parlementair werk. In sommige gevallen heb ik dat nog net iets meer. Ik wil iedereen in het Vlaams Parlement bij de beleidsvoorbereiding betrekken. Dit betekent dat we samen kunnen nagaan welke criteria dit kunnen bepalen en hoe we dit kunnen meten.

Dat ligt gevoelig in de scholen en de onderwijsstructuren. We moeten dat uitwerken.

Sinds 2010 heb ik de inspectie uitdrukkelijk de opdracht gegeven om het GOK-beleid te bekijken. De vraag is wat de scholen daarmee doen. Zij moeten aantonen wat ze doen en waar ze die middelen voor gebruiken, voor de kinderen en voor het algemeen schoolbeleid.

Mijnheer De Meyer, u hoeft zich geen zorgen te maken. Als ik iets beloof, dan kom ik die belofte ook na. Ik wil inderdaad dat we dit evalueren. Ik heb vorige week in de commissie duidelijk gezegd dat we dat in 2013 willen doen. Het is mijn bedoeling om voor het einde van de legislatuur eventuele aanpassingen door te voeren. Ik wil dat hier opnieuw bevestigen in deze plenaire vergadering, want ik denk dat het dat is wat u wilt horen.

Tot slot noteer ik dat de heer De Meyer waakzaam is ten aanzien van hoop.

Fatma Pehlivan

Mevrouw Van Steenberge, u moet wel toegeven dat u niet de enige bent geweest. Ik zit hier drie jaar en ik heb er al die tijd op aangedrongen. U moet intellectueel eerlijk zijn. Ik heb ook altijd gevraagd naar de effectiviteit van de GOK-middelen, maar dan met andere doelstellingen. Het doel is niet de afschaffing maar de bijsturing indien dat nodig blijkt. Als er middelen nodig zijn om kansarme leerlingen te laten doorstromen in het hoger onderwijs, dan moeten die worden toegekend. Uw doelstelling is helemaal niet dezelfde als de mijne. (Applaus van mevrouw Khadija Zamouri)

Minister, er is een bereidheid in dit parlement. Wij moeten kunnen meten, wij moeten resultaten hebben. Laten we dat zo snel mogelijk doen. Ik hoor bij de democratische partijen dat die bereidheid er is.

Jos De Meyer

Minister, ik ben tevreden met uw engagement, maar u weet dat ik dit zal opvolgen. Het is ook mogelijk dat de GOK-criteria nog verder moeten worden verfijnd.

In de discussie over het eerstegeboorterecht van de evaluatie van de werkingsmiddelen, wil ik verwijzen naar het decreet dat tijdens de vorige legislatuur is goedgekeurd. Toen was er nog een andere minister en spraken sommige fracties een andere taal.

De voorzitter

De actuele vragen zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.