U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, met het oog op de invoering van een deels op socio-economische leerlingenkenmerken gebaseerd omkaderingssysteem, waarbij het kleuteronderwijs evenwaardig omkaderd wordt als het lager onderwijs.

De algemene bespreking is geopend.

De heer De Meyer, verslaggever, heeft het woord.

Jos De Meyer

Voorzitter, minister, collega's, ik zal mij nu beperken tot het verslag, en straks nog namens mijn fractie spreken. Voor de hoorzittingen verwijzen de verslaggevers naar het schriftelijk verslag. Ik zal hier verslag uitbrengen over de inleiding van minister Smet, terwijl m evrouw Van Steenberge het debat zal samenvatten.

Samenvattend zijn de nieuwe krijtlijnen van het omkaderingssysteem volgens de minister de volgende. De huidige lestijdenschaal van het lager onderwijs wordt ook op het

kleuteronderwijs toegepast. Er is geen aanwendingspercentage meer. Er blijft om budgettaire redenen wel in de mogelijkheid voorzien om er één in te voeren. Er wordt een SES-percentage van 97,16 procent – SES staat voor sociaal-economische status – toegepast op de lestijden en volgens de schalen. De afgeroomde lestijden worden volledig terug aan het basisonderwijs gegeven, via de SES-lestijden, in tegenstelling met het aanwendingspercentage, dat het voorwerp van een besparing was.

De lestijden voor gelijke onderwijskansen GOK en GOK+, en brede Rand en Taal worden geïntegreerd in het nieuwe omkaderingssysteem. De drempel van 10 procent vervalt om recht te hebben op SES-lestijden. De SES-indicatoren zijn de opleiding van de moeder, het ontvangen van een schooltoelage en thuistaal niet-Nederlands. Thuistaal is een afzonderlijke en onafhankelijke indicator. De aparte en meer voordelige lestijdenschalen voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest vervallen, maar in de plaats daarvan komt een Brusselweging: elke leerling die school loopt in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is goed voor 1,11 eenheden. Er komt een nieuwe manier van aparte telling van vestigingsplaatsen: als een vestigingsplaats op ten minste 1,5 kilometer in vogelvlucht verwijderd is van een school of van een vestigingsplaats van dezelfde groep met hetzelfde niveau, dan telt ze apart.

Lestijden voor lichamelijke opvoeding worden geïntegreerd in het systeem. De instaplestijden tot en met de eerste schooldag van februari worden in het nieuwe systeem geïntegreerd. Instaplestijden zullen nog slechts vanaf de eerste schooldag na de krokusvakantie worden toegekend.

Als de leerling-leerkrachtratio van een niveau in een school boven 18,5 uitkomt, dan wordt die afgetopt naar 18,5 door het toekennen van additionele lestijden aan die school voor dat niveau.

Een beperkt aantal scholen verliest lestijden in het nieuwe systeem. Om voor hen de overgang te vergemakkelijken, wordt er voorzien in een sociale maatregel. Deze sociale maatregel wordt, afbouwend, toegekend voor drie schooljaren. Deze sociale maatregel wordt eenmalig berekend.

Het bestaansrecht van alle scholen is gewaarborgd, de normen worden niet gewijzigd. Tot zover de krachtlijnen die de minister heeft gegeven over dit ontwerp van decreet.

De voorzitter

Mevrouw Van Steenberge, verslaggever, heeft het woord.

Gerda Van Steenberge

Voorzitter, minister, collega’s, ik zal proberen een verslag te geven van een bespreking die toch wel heel uitgebreid is gevoerd in de commissie. Ik heb niet de pretentie volledig te zijn. Dat zou ons te ver leiden. Als de minister nog een interview wil geven of wil gaan lunchen straks, dan moet ik me beperken tot de algemene krijtlijnen. Ik heb geprobeerd de verschillende opmerkingen die de collega’s hebben geuit, te bundelen. Ik zal geen namen noemen, om te vermijden dat ik iemand zou vergeten.

De eerste opmerking die is gegeven bij de algemene bespreking door verschillende collega’s, is dat de minister met dit ontwerp van decreet verschillende doelstellingen wil bereiken die met de budgettaire krapte niet te realiseren zijn. Vóór de bespreking van het ontwerp van decreet en ook tijdens de hoorzitting is er in de pers zeer veel te doen geweest over de kleinere kleuterklassen. Er is minstens de perceptie geweest dat het vooral zou gaan over het creëren van die kleinere kleuterklassen. Hierover zijn verschillende doelstellingen geponeerd, waardoor de 50 miljoen euro die oorspronkelijk voor de kleinere kleuterklassen waren bedoeld, nu moeten worden verdeeld over verschillende doelstellingen, bijvoorbeeld ook voor de SES-lestijden (socio-economische status).

Een tweede probleem dat werd geuit, was dat van de leerkrachten en de infrastructuur. Het zijn twee problemen die niet worden opgenomen in dit ontwerp van decreet. Als er meer en kleinere kleuterklassen worden gerealiseerd, heeft dat ook een weerslag op leerkrachten en infrastructuur.

Een derde opmerking van verschillende leden was het aanwendingspercentage. Hiervoor zijn amendementen ingediend door mevrouw Vanderpoorten en andere commissieleden om dat artikel weg te nemen. De uitleg van de minister was niet echt voldoende. Hij zei dat het meer een virtuele bespreking was, dat Financiën had gezegd dat het beter werd ingezet waar het in feite niet moest. Over dat aanwendingspercentage is er uitvoerig gedebatteerd.

Een volgende opmerking was dat er, door verschillende doelstellingen bij elkaar te brengen, sommige doelstellingen niet in overeenstemming waren met elkaar. Ik verklaar me nader. Een doelstelling ging over het creëren van meer en kleinere kleuterklassen. Een andere doelstelling was het invoeren van de SES-lestijden in de reguliere financiering. Voor het ene zou een draagvlak bestaan, en voor het andere niet, waren opmerkingen van verschillende leden.

Over de SES-lestijden was er van verschillende commissieleden ook een opmerking waarom er alleen rekening werd gehouden met leerlingenkenmerken en niet met schoolkenmerken. De minister heeft daar uitgebreid op geantwoord dat het een politieke keuze was. Ook was er een vraag naar het gebrek aan verifieerbare en betrouwbare indicatoren in verband met de leerlingenkenmerken. Er was een consensus dat er een wetenschappelijke onderbouwing was van de leerlingenkenmerken. De minister heeft dat uitvoerig onderbouwd, maar er was een vraag waarom voor bepaalde kenmerken werd gekozen en voor andere niet, waarom er aan bepaalde leerlingenkenmerken een groter gewicht werd gegeven en aan andere niet. De vraag werd ook gesteld om dan een monitoring door te voeren over het gewicht van die kenmerken.

Een volgende opmerking waarover uitgebreid werd gediscussieerd, was de controle. Alle oppositiepartijen, maar ook leden van de meerderheid hadden vooral vragen bij het feit dat er geen garantie werd gegeven voor de controle van de aanwending van de SES-lestijden en de financiering ervan.

Er is nu een verschuiving van de controle naar de schoolinspectie, maar scholen worden maar om de zes tot acht jaar doorgelicht door de schoolinspectie. Een echte controle op de aanwending van die gelden door de scholen werd niet gegeven. De minister verwees naar de autonomie van de scholen en zei dat we vertrouwen moesten hebben in die scholen.

Een volgende opmerking ging over de gemiste kans om niet voor alle zorgkinderen in bijkomende financiering te voorzien. Het ontwerp van decreet verwijst naar leerlingen op basis van de SES-kenmerken, maar er werd algemeen opgemerkt dat er ook aandacht moest zijn voor kinderen met zorg die niet uit kansarme gezinnen komen.

Er was ook een opmerking over artikel 31, namelijk over de overheveling van lestijden tussen basisscholen en kleuterscholen. De minister heeft geantwoord dat er autonomie aan de schoolbesturen werd gegeven en dat dat het resultaat was van een compromis. Sommige leden van de commissie konden zich daarin vinden, anderen niet.

Een volgende opmerking ging over de ontkleuring van de lessen lichamelijke opvoeding. Sommige commissieleden vreesden dat door de ontkleuring van die lessen, lichamelijke opvoeding op de helling zou komen te staan. De minister heeft gezegd dat het niet opgenomen is in het ontwerp van decreet, maar dat er bevoegdheid wordt gegeven aan de Vlaamse Regering om dit te regelen. Ook hier werd een amendement ingediend door onder meer mevrouw Vanderpoorten om de lestijden voor lichamelijke opvoeding niet te ontkleuren. Het amendement werd niet goedgekeurd.

Er werd een opmerking gemaakt over de nauwkeurigheid van de GIS-meting (geografisch informatiesysteem) waarop het decreet is gebaseerd. De minister antwoordde dat dit de bevoegdheid van minister Bourgeois was, maar dat er geen garantie kon worden gegeven over de nauwkeurigheid. Er waren amendementen van de meerderheid.

Ik keer nu even terug naar het verslag, want de amendementen van onder meer de heer Durnez zijn heel technisch en ik wil geen fouten maken. Op pagina 22 van het verslag staat dat men de telling voor plattelandsscholen wil verhogen. Er is nu een telling van aparte vestigingsplaatsen met een beperking van 1,5 kilometer. Voor sommige scholen – de heer Durnez noemt dat de rug-aan-rugscholen – is er een probleem. Daarom werd er een amendement ingediend om de gemeentegrens als scheidingslijn te nemen en de 1,5 kilometervoorwaarde niet te laten gelden. Via amendement nummer 6 werd een tweede voorstel gedaan dat zich toespitst op de allerkleinste entiteiten in het landelijk gebied met een bevolkingsdichtheid van minder dan 100 inwoners per vierkante kilometer. Die amendementen zijn toegelicht door de heer Durnez. Door die amendementen voelden een aantal leden zich ongelukkig omdat het kiezen was tussen de cholera en de pest. Het geld dat ergens vandaan moet komen, was weggenomen bij de SES-lestijden om terug te geven aan de plattelandsscholen. Voor sommige collega’s was dat een zeer moeilijke keuze. Uiteindelijk zijn de amendementen van de meerderheid goedgekeurd.

De amendementen van mevrouw Vanderpoorten over het aanwervingspercentage werden dus niet goedgekeurd. Er was ook een amendement van de heer Bouckaert over de sociale correctie. Een aantal scholen zal nu minder lestijden krijgen. Het voorstel van decreet zegt dat er gedurende drie jaar een correctie zal zijn die jaar na jaar wordt afgebouwd. De heer Bouckaert wou dit behouden gedurende drie jaar. Dit werd ook niet goedgekeurd.

Het ontwerp van decreet werd uiteindelijk goedgekeurd met acht stemmen voor en drie stemmen tegen bij vier onthoudingen, dankzij de constructieve medewerking van iedereen omdat er werd beslist om niet naar de Raad van State te gaan met de amendementen zodat de scholen rechtszekerheid zouden hebben. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Ik zou beide verslaggevers willen bedanken voor de zinvolle en uitgebreide verslaggeving.

Mevrouw Vermeiren heeft het woord.

Goedele Vermeiren

Voorzitter, minister, collega’s, wij zijn heel tevreden met deze nieuwe regeling, die doordacht en evenwichtig is. Er is heel lang aan gewerkt en heel veel overleg over geweest. De regeling is een goede zaak voor de stedelijke en de landelijke gemeenten, en in de eerste plaats voor de leerlingen en de leerkrachten.

De voorgestelde regeling behelst een gelijke omkadering van kleuter- en lager onderwijs. De voorbije 25 jaar kregen kleuter- en lager onderwijs niet dezelfde financiering, omdat men ervan uitging dat kleuters niet maximaal participeerden aan het kleuteronderwijs. Dat is gelukkig voorbij, kleuters gaan heel vaak en al heel jong naar school. Daarom moest het systeem worden aangepast aan de nieuwe situatie en dat is dan ook gebeurd. Op die manier krijgt men ook de kans, als de mogelijkheid zich voordoet, om klassen te verkleinen of op een andere manier de draagkracht van de leerkrachten te versterken.

Heel belangrijk is ook wat de verslaggevers de SES-kenmerken hebben genoemd. Er worden extra kenmerken toegekend aan scholen per leerling van wie de onderwijscarrière zou kunnen worden bedreigd door zijn of haar sociaal-economische situatie. Thuistaal niet-Nederlands wordt als onafhankelijke indicator opgenomen. Daar zijn wij heel blij mee. Wij hebben daarvoor gepleit omdat een goede kennis van de taal de basis is voor goed onderwijs. Op deze manier krijgen leerkrachten, en ook leerlingen die de taal minder kennen, de kans om daaraan te werken. Dat steuntje in de rug is zeker geen overbodige luxe.

Het is ook een duurzame en rationele oplossing voor scholen in landelijke gemeenten. Er is al naar verwezen dat ze apart blijven tellen als er geen andere school van dezelfde groep en hetzelfde niveau in een straal van 1,5 kilometer in de buurt ligt. Dat is een goede zaak, omdat het sociale weefsel ook erg belangrijk is. Vaak is het voor ouders de enige plek van ontmoeting en leren zij daar nieuwe mensen kennen.

Wij vinden het nieuwe omkaderingssysteem heel rationeel en geïntegreerd. ‘Last but not least’: Vlaanderen maakt nu jaarlijks 52 miljoen euro extra vrij. Daar spreken we onze appreciatie voor uit. In deze financieel onrustige tijden is het een cruciale investering, in onze jongste kinderen, daar waar het het meest nodig is.

Scholen hebben een ruime autonomie. Wij verwachten dan ook van hen dat ze die middelen gebruiken waarvoor ze bedoeld zijn, namelijk de begeleiding van leerlingen en het verbeteren van het pedagogische comfort van leerlingen en leerkrachten. Wij vertrouwen erop en hopen er alleszins op. Tot besluit: wij zijn tevreden met de nieuwe regeling en steunen die daarom ook.

De voorzitter

Mevrouw De Knop heeft het woord.

Irina De Knop

Het is misschien niet nuttig dat ik alle standpunten van onze fractie herhaal, maar ik geef de belangrijkste elementen. Zoals wij dat in de commissie hebben bepleit, denken we dat de minister met dit ontwerp te veel heeft willen realiseren met te weinig geld en zo bestaat het risico dat er achter deze maatregelen geen duidelijke visie zit. Waar we erg veel zorgen over hebben, is dat het niet noodzakelijk zo zal zijn dat door dit ontwerp van decreet de kleuterklassen effectief zullen verkleinen, omdat scholen dat zelf kunnen bepalen.

Een andere fundamentele kritiek is het feit dat de GOK-middelen – de SES-lestijden – worden geïntegreerd. Die zullen dus niet langer gekleurd zijn. Op zich kunnen we ons wel vinden in dat principe. Toch denken we dat het belangrijk en cruciaal is dat blijvend aandacht wordt besteed aan die doelstelling en dat men die middelen niet voor iets anders zal gebruiken.

De controle zou gebeuren via de doorlichting van de inspectie, zo heeft de minister aangegeven. Dat lijkt ons een goede beleidsdoelstelling, die echter maar kan werken als dit echt doordrongen is in de scholen.

Daarom maak ik nu al meteen de link naar een amendement dat we zullen indien samen met de heer Bouckaert van LDD en mevrouw Meuleman van Groen. In dat extra amendement vragen we dat elke school uiterlijk op de laatste dag van het schooljaar aan het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming een gedetailleerd overzicht zou bezorgen van de specifieke aanwending van de omkadering. Het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming zou die overzichten dan kunnen gebruiken als onderdeel van de monitoring. We zouden met andere woorden concreet willen vragen dat elke school op het einde van elk schooljaar een duidelijk overzicht geeft van de aanwending van de nieuwe omkadering. We denken dat er op die manier voor kan worden gezorgd dat de nieuwe omkadering effectief wordt gebruikt voor de realisatie van de doelstellingen. Eigenlijk is dit een vervolg van onze argumentatie in de commissie.

Op basis van een aantal vragen en interventies van commissieleden hebben wij trouwens vastgesteld dat dit eigenlijk een kamerbreed gedragen bezorgdheid is. We gaan er dan ook van uit dat daar enige steun voor kan bestaan.

Naar aanleiding van de discussie hebben we ook opgemerkt dat de zorgpunten niet zijn opgenomen in de nieuwe financiering. Als scholen voortaan rijp genoeg geacht worden om hun GOK-beleid autonoom te bepalen, moeten ze toch ook hun eigen zorgbeleid kunnen ontwikkelen. We vrezen dat er een onevenwicht zou kunnen groeien in de aandacht die er is voor SES-kinderen en voor zorgkinderen.

Het geïntegreerde systeem geeft ook meer autonomie aan scholen. Op zich is dat een goede zaak, als scholen een voldoende beleidsvoerend vermogen hebben. We stellen ons echter wel de vraag of het de bedoeling is nog verder te gaan in die integratie van middelen en verder te evolueren naar een soort van enveloppenfinanciering, waardoor scholen binnen het kader van de eindtermen eenzelfde besteding van hun middelen kunnen kiezen.

Ik ga even in op een aantal amendementen die we reeds hadden ingediend in de commissie, maar die we vandaag opnieuw op tafel willen leggen, samen met de heer Bouckaert en mevrouw Meuleman.

In een eerste amendement stellen we voor de mogelijkheid van het hanteren van het aanwendingspercentage te schrappen. In een tweede amendement stellen we voor om de bestaande regeling van de gekleurde lestijden voor lichamelijke opvoeding te behouden.

– De heer Jan Peumans, voorzitter, treedt als voorzitter op.

De voorzitter

Mevrouw Deckx heeft het woord.

Kathleen Deckx

Minister, uiteraard gaan wij dit ontwerp van decreet goedkeuren. Wij vinden het een goed ontwerp van decreet. Het doel van het ontwerp is kinderen en jongeren gelijke kansen geven op kwaliteitsonderwijs. Elk onderzoek van Programme for International Student Assessment (PISA) wijst uit dat er nog steeds een hele discrepantie is tussen kinderen die uit sociaal zwakkere gezinnen komen en kinderen die uit sociaal sterkere gezinnen komen. We moeten er dan ook verder aan werken om die kloof te dichten.

Het is erg belangrijk dat het kleuteronderwijs evenwaardig omkaderd wordt als het lager onderwijs. De kleuterscholen zijn ook heel erg vragende partij naar meer omkadering. Met dit ontwerp van decreet gaan we dus in op hun vraag.

Positief vind ik dat de bandbreedte aan de hand van de wetenschappelijk bepaalde SES-indicatoren 8,85 procent blijft en dat we een specifieke oplossing hebben gevonden om de kleinere dorpsscholen overeind te houden.

Ik heb u bij de bespreking in de commissie twee bijkomende vragen gesteld, minister, over de garantie met betrekking tot lichamelijke opvoeding en over artikel 31, de overdracht van de lestijden tussen kleuter- en lager onderwijs en wat er ter zake eventueel met het personeel kan gebeuren. De vakbonden waren daar immers wat ongerust over. Uw antwoord was voor mij voldoende om het ontwerp van decreet vandaag goed te keuren. Ik neem aan dat er over dat laatste punt nog verder overleg zal worden gepleegd.

De collega’s van Open Vld stellen hier vandaag dat er nog geen kleinere kleuterklassen zullen komen. U geeft daar mijns inziens alle middelen voor, minister. De scholen kunnen nu hun eigen keuze maken. Ik wil er ten behoeve van de collega’s op wijzen dat uit de hoorzittingen duidelijk is gebleken dat de onderwijsverstrekkers, behoudens één koepel, zeggen dat alle middelen inzetten op kleinere klassen nefast is en dat men zelf moet kunnen kijken hoe de middelen het best kunnen worden ingezet, rekening houdend met de leerlingen. Daar wordt de klasgrootte gerelativeerd ten overstaan van de aandacht voor GOK- en zorgkinderen. Ook het GO! heeft dat heel duidelijk gesteld.

We moeten vertouwen hebben in de scholen en hun beleidsvoerende vermogen daaromtrent. Ik zou het niet raadzaam vinden om elk jaar gedetailleerde rapporten te vragen, want de scholen hebben al meer dan genoeg planlast te verwerken.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer

Voorzitter, minister, collega’s, het debat over de hervorming van het secundair onderwijs mag het bijzonder belangrijke ontwerp van decreet in verband met de omkadering van het lager onderwijs en zeker het kleuteronderwijs niet doen vergeten. Een bijkomende financiering van 52,7 miljoen euro is, zeker in tijden van besparingen, een belangrijk punt. Ook onze fractie heeft steeds gepleit voor bijkomende middelen voor het kleuteronderwijs.

Het compromis in verband met de invloed van de SES-leerlingenkenmerken op de omkadering is voor ons aanvaardbaar, zeker door het engagement van de minister, als antwoord op onze vraag in de commissie Onderwijs en de plenaire vergadering, om de werkingsmiddelen in het basisonderwijs te evalueren en nog deze legislatuur bij te sturen. Deze verschillen, op basis van leerlingenkenmerken, kunnen wij veel beter verantwoorden in de omkadering dan in de werkingsmiddelen.

Collega’s, onze fractie hecht zeer veel belang aan de dorpsscholen en de vestigingsplaatsen ervan. Dit is niet alleen pedagogisch belangrijk, het is ook belangrijk voor de leefbaarheid en het sociale weefsel in de lokale gemeenschappen. Er is op dat vlak een lange weg afgelegd sinds het eerste ontwerpdecreet van juli vorig jaar en de teksten die vandaag voorliggen.

De bijkomende en in de commissie reeds goedgekeurde amendementen om enerzijds de schooltjes in de landelijke gebieden met minder dan honderd inwoners per vierkante kilometer 5 procent extra omkadering te geven, en anderzijds de afstandsregel van anderhalve kilometer in vogelvlucht niet van toepassing te maken voor scholen die in een aanpalende gemeente liggen, onderlijnt die bezorgdheid nogmaals.

Dat neemt niet weg dat ik een beetje bezorgd blijf over de nauwkeurigheid en de identieke uitvoering van de zogenaamde GIS-metingen (geografische informatiesystemen). Minister Smet verwees hiervoor naar de bevoegdheid van minister Bourgeois, maar daar hebben de betrokken scholen uiteraard minder boodschap aan.

De zorg voor voldoende leerkrachten, door bijna alle fracties geformuleerd, leert dat versneld moet worden gewerkt aan het reeds lang aangekondigde loopbaanpact.

Minister, collega’s, onze fractie wil dit belangrijke ontwerp van decreet alle kansen geven. Wij zullen uiteraard de implementatie ervan waakzaam opvolgen, vandaar ook onze vraag, minister, om ons digitaal de berekening van de omkadering van de scholen te bezorgen. Collega’s, dat nog meer middelen, wat gemakkelijker te verantwoorden is in tijden dat het economisch en financieel beter gaat, de scholen nog meer kansen zou geven om nog doeltreffender in te spelen op de vele nieuwe uitdagingen, weten we uiteraard allemaal.

De voorzitter

Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Gerda Van Steenberge

Voorzitter, ik wil toch even het woord nemen. De vorige sprekers hebben de indruk gewekt dat het een vrij technisch ontwerp van decreet betreft. De minister heeft echter verklaard dat het een historisch ontwerp van decreet is. Het is trouwens ook veeleer een politiek dan een technisch ontwerp van decreet.

De vrij ingewikkelde titel van het ontwerp van decreet stelt dat een op socio-economische leerlingenkenmerken gebaseerd geïntegreerd omkaderingssysteem zal worden ingevoerd. Er zijn in feite twee doelstellingen. De eerste doelstelling houdt in dat het kleuter- en het basisonderwijs gelijk zullen worden gefinancierd. Daar kan geen mens tegen zijn. De tweede doelstelling houdt in dat het fameuze GOK-decreet betreffende de gelijke onderwijskansen in een nieuw kleedje wordt gestoken en een nieuwe naam krijgt. De benaming is nu sociaal-economische status. Hierdoor wordt de vroegere bijkomende GOK-financiering voortaan een onderdeel van de reguliere financiering van het kleuter- en basisonderwijs.

Vorige week hebben de heer De Meyer en mevrouw Pehlivan hierover actuele vragen gesteld. Ik vind dat mevrouw Pehlivan daarbij kort door de bocht is gegaan. Ze heeft geroepen dat ze weet wat ik wil en wat mijn doelstellingen zijn. Ik zou volgens haar de afschaffing van het GOK-decreet willen. Ik hoop dat uit mijn genuanceerde toespraak zal blijken dat we helemaal niet de afschaffing van de gelijke onderwijskansen willen. We willen de afschaffing van het GOK-decreet zoals het bestaat en zoals het volgens dit ontwerp van decreet in feite blijft bestaan.

De minister heeft die verschillende doelstellingen in het ontwerp van decreet niet toevallig vermengd. Door de invoering van de SES-financiering aan de gelijkwaardige omkadering van het kleuter- en basisonderwijs te koppelen, creëert hij een perceptie. Niemand kan tegen die gelijkwaardige omkadering zijn. Wie tegen dit ontwerp van decreet stemt, zou onmiddellijk de indruk wekken dat hij ook tegen de gelijke financiering van kleuterklassen stemt. Op het einde van de bespreking in de commissie heb ik verklaard dat niemand het moet aandurven te beweren dat het Vlaams Belang tegen de gelijke financiering van kleuterklassen en het basisonderwijs is. Wie dat durft, heeft me nog niet boos gezien en zal mij op zijn weg vinden. (Opmerkingen)

Dat is wat ik heb gezegd. Verschillende commissieleden hebben laten uitschijnen dat dit niet zou gebeuren. Indien iemand vindt dat dit niet waar is, moet hij me maar tegenspreken.

De minister heeft die twee doelstellingen opzettelijk vermengd. Niemand is tegen een gelijkwaardige omkadering van het kleuter- en basisonderwijs. Daar bestaat in het middenveld een brede consensus over. Over de invoering van de SES-lestijden bestaat echter minder consensus. Door dit punt in dit ontwerp van decreet te plaatsen, wordt het nu ook aanvaard.

Deze doelstellingen moeten politiek en maatschappelijk los van elkaar worden gezien. Het is belangrijk te weten dat de SES-lestijden worden toegekend voor kinderen wier ouders niet Nederlandstalig zijn, voor kinderen wier ouders een studietoelage ontvangen en voor kinderen wier moeder laaggeschoold is.

Het eerste gedeelte betreft de gelijke omkadering van kleuterklassen en het basisonderwijs. Volgens mevrouw Deckx mogen de kleinere kleuterklassen geen fetisj zijn. Sommige onderwijsnetten vinden dat ze zelf moeten kunnen beslissen of ze al dan niet kleinere kleuterklassen willen. De perceptie is echter dat de minister heeft beloofd 50 miljoen euro uit te trekken om kleinere kleuterklassen te creëren. Aangezien dit bedrag nu voor kleinere kleuterklassen en voor de SES-lestijden wordt uitgetrokken, moet dit worden gesplitst.

Kathleen Deckx

Ik zou mevrouw Van Steenberge er toch op willen wijzen dat 52 miljoen euro meer wordt geïnvesteerd. De scholen kunnen voor kleinere kleuterklassen kiezen. Ze kunnen die middelen echter ook aanwenden op wat volgens hen de beste manier is voor hun leerlingen. Volgens mij kan niemand daartegen gekant zijn.

Gerda Van Steenberge

Die extra financiering van 52 miljoen euro wordt nu gesplitst tussen de twee doelstellingen: gelijke omkadering voor kleuter- en basisonderwijs en de SES-lestijden. Die stijgen met bijna 20.000 lesuren, wat een kostprijs betekent van 33 miljoen euro. Hierdoor blijft er nog 17 miljoen euro over voor de gelijke omkadering van kleuterklassen en van het basisonderwijs.

De landelijke scholen zullen veel minder gebruik kunnen maken van SES-lestijden, waardoor zij minder geld zullen krijgen. Dat heeft te maken met de leerlingenkenmerken die worden gebruikt. De meeste leerlingen gaan naar stedelijke scholen. Het zijn dan ook vooral de stedelijke scholen die deze extra financiering zullen krijgen.

Wat die leerlingenkenmerken en de criteria betreft, vind ik het verslag van het Rekenhof heel belangrijk. Er was ook een opvolgingsverslag. De heer De Meyer heeft verwezen naar het schriftelijke verslag. Ik raad de collega’s aan om na te gaan wat daar allemaal is gezegd.

In het verslag van 2008 over de financiering van het basis- en secundair onderwijs heeft het Rekenhof gesteld dat de criteria van het GOK-decreet niet kunnen worden gebruikt voor de reguliere financiering wanneer die criteria niet gebaseerd zijn op objectieve maatstaven. Verder zei het Rekenhof dat eerst de effectiviteit van het GOK-decreet moet worden nagegaan door de leerwinst van leerlingen met GOK-kenmerken te meten.

Minister, vorige week heb ik tijdens de plenaire vergadering gezegd dat ik tevreden was met de vraag van de collega’s. Tijdens de commissievergadering van 7 juni zei u voor het eerst dat het belangrijk is om die leerwinst te meten. Tot op vandaag is dat nog altijd niet gebeurd. U zei ook in de commissie dat het niet zo eenvoudig is om dat te doen. Daarvoor moet u onderhandelen met de onderwijsnetten, die daar niet zo happig op zijn. Toch is het cruciaal om dat te doen. We stoppen immers geld in de SES-kenmerken. Na twaalf jaar GOK-beleid staat nog altijd niet vast wat de juiste leerwinst is en wat er is bereikt, vooral bij allochtone kinderen maar ook bij andere kinderen uit zwakkere milieus. Minister, u verwijst altijd naar de PISA-onderzoeken. Daaruit blijkt dat het onderscheid tussen die zwakkere en sterkere leerlingen nog altijd groot is. Ik besluit dat al die middelen die al twaalf jaar in GOK zijn gestopt, niet echt effectief zijn gebleken.

Volgens het Rekenhof moeten we nagaan of het GOK-beleid effectief is voor u dit inpast in de reguliere omkadering. Vooral van socialistische kant zegt men dat er geen leerwinst is geweest en dat er dus nog wat meer geld in gepompt moet worden. Dat is echt de wereld op zijn kop.

Wat de niet-objectieve criteria betreft, wordt nogal veel gebruik gemaakt van verklaringen op eer. U zegt dat u er alles aan zult doen om zoveel mogelijk objectieve criteria naar voren te brengen om de leerlingenkenmerken te staven. Behalve een aantal databanken voor vooral ouders van Vlaamse afkomst, moet u altijd terugverwijzen naar verklaringen op eer. Er is nog geen sluitend middel om echt objectieve criteria te hanteren die kunnen nagaan of er effectief wordt voldaan aan de SES-kenmerken.

Ondanks het feit dat het decretaal vastgesteld is, werd het GOK-decreet nooit geëvalueerd. Dat gebeurde niet na drie jaar en evenmin na negen jaar. Het is zelfs uitgesteld tot twaalf jaar. Tot op heden gebeurde deze evaluatie niet. Toch is de effectiviteit van het GOK-beleid heel belangrijk.

Tijdens de bespreking in de commissie hebben wij duidelijk gesteld dat gelijke kansen in het onderwijs voor ieder kind, van welke afkomst ook, de evidentie zelf zijn. Investeren in onze kinderen is belangrijk. Investeren in onze kinderen is immers investeren in onze maatschappij. De SES-financiering heeft deze doelstelling echter niet. De naam zegt het zelf: er wordt alleen bijkomende financiering gegeven voor kinderen die voldoen aan de SES-kenmerken. Kinderen met zorg, bijvoorbeeld met een hoog IQ, die toevallig uit een bemiddeld gezin komen, zullen geen bijkomende financiering krijgen. Op onze vraag of de garantie bestaat dat het geld dat scholen krijgen ook effectief ten goede komt aan die kinderen met SES-kenmerken antwoordde u ontkennend, minister. U zei dat we moeten vertrouwen op de scholen.

Mevrouw Vermeiren, ik vind dan dat u braaf bent als u zegt te hopen dat de minister erop zal toezien dat dit geld daadwerkelijk voor zorg voor kinderen met SES-kenmerken zal worden gebruikt. Minister, sta me toe te zeggen dat ik net zo veel hoop, maar wel minder vertrouwen heb in u. Blijkbaar moet de N-VA echter tegelijk zalven en slaan. Vandaag moet er eerst wat worden gezalfd.

Minister Pascal Smet

Mevrouw Van Steenberge, u hebt nu een logische redenering gemaakt. Dan moet u ook eerlijk zijn en stellen dat u geen vertrouwen hebt in de scholen. Dat hebt u nu immers gezegd.

Gerda Van Steenberge

Neen, in u.

Minister Pascal Smet

Ik heb daar niets mee te maken. Mevrouw Vermeiren en mevrouw Deckx hebben het al gezegd: het zijn de scholen die beslissen hoe ze dat geld besteden. Spoel de band maar even terug: de logische conclusie is dat u nu hebt gezegd geen vertrouwen te hebben in hoe de scholen dat geld zullen gebruiken om kinderen dat extra duwtje te geven dat ze nodig hebben.

De filosofie is dat alle kinderen voldoende omkadering krijgen, dat alle scholen voldoende basisomkadering krijgen. Ik heb de neiging om mijn onderwijsbeleid te steunen op wetenschappelijk onderzoek. Uit heel veel wetenschappelijk onderzoek blijkt dat die kenmerken, namelijk de opleiding van de moeder, de thuistaal en het gezinsinkomen, determineren of dat kind al dan niet een extra duwtje nodig heeft. Dat is de achterliggende reden. We gebruiken die kenmerken om een extra omkadering te geven aan scholen, om mogelijk te maken dat die kinderen een extra duwtje krijgen. Mevrouw Van Steenberge, de manier waarop die scholen dat doen, is in onze onderwijstraditie al zoveel jaren de verantwoordelijkheid van die scholen. Die kunnen dat zelf invullen. Ik heb in de commissie gezegd er voldoende vertrouwen in te hebben dat scholen dat zullen doen. U zegt hier vandaag dat u geen vertrouwen in me hebt. Ik begrijp dat u dat vanuit oppositieoogpunt wilt zeggen. U zegt dat, maar u denkt dat wellicht niet echt. Maar goed, dat is nog iets anders. U zegt dan met andere woorden dat u geen vertrouwen hebt in de scholen. Dat is uw redenering.

Goedele Vermeiren

Mevrouw Van Steenberge, ik kan misschien wel braaf zijn en slaan en zalven volgens u, maar ik heb wel heel veel vertrouwen in de scholen. Dat was mijn boodschap. Sommige scholen hebben die ondersteuning nodig, en dringend. Dat is de boodschap die ik wou brengen. We moeten erop toezien dat dit gebeurt.

Gerda Van Steenberge

Dat gebeurt nu niet.

Goedele Vermeiren

Dat gebeurt nu niet, maar er moet wel vertrouwen zijn in die scholen. Ze weten waarvoor ze dat geld zullen moeten gebruiken. Ik kom zelf uit de onderwijswereld. Er is nood aan die ondersteuning. Ik vertrouw erop dat ze dat dan ook goed zullen gebruiken.

Gerda Van Steenberge

Ik zal proberen het uit te leggen, na het gegoochel met woorden en redeneringen. Minister, als u stelt dat ik iets niet zeg, maar wel denk, dan ben ik wat bang. Kunt u misschien mijn gedachten lezen? Ik hoop dat u niet al mijn gedachten kunt lezen. (Gelach)

Het gaat over de controle. Blijkbaar ben ik niet de enige die niet echt vertrouwen heeft met betrekking tot die controle. Het is jammer dat mevrouw De Knop hier niet is, maar ze heeft daarnet haar amendement toegelicht, dat erop neerkomt dat scholen nu bijkomend een overzicht moeten geven van datgene waaraan ze hun geld zullen besteden. Dat is een extra controle. U zegt zelf dat er nu een verschuiving is van die controle. Vroeger, bij het GOK-beleid, moesten er plannen worden opgemaakt. Nu is er een verschuiving van die controle naar de schoolinspectie, maar die inspecteert een school slechts om de zes à acht jaar. Ik vraag me dus af op welke manier er kan worden gecontroleerd.

U hebt zelf al een paar keer gezegd dat sommige scholen zeer creatief kunnen omspringen met het geld dat ze krijgen. Waarom zouden ze dus niet creatief omspringen met het geld dat ze nu krijgen? Ik vind het net als iedereen belangrijk dat er extra geld wordt besteed aan zorgkinderen. Ik had dit graag uitgebreider gezien. Nu wordt dit beperkt tot kinderen met SES-kenmerken. Als er echter geen garantie bestaat dat dit geld ook daadwerkelijk wordt besteed aan die kinderen met SES-kenmerken, dan is dat een discriminatie tussen scholen met veel leerlingen met SES-kenmerken en scholen met weinig van dergelijke leerlingen. Die scholen met veel leerlingen zullen immers een extra financiering krijgen, die ze mogen aanwenden zonder dat er daarop controle is. Minister, dat is mijn punt. Men zal al evenmin verder kunnen bekijken of er leerwinst is als dat geld niet daadwerkelijk wordt besteed aan die speciale zorg.

Ik heb er altijd voor gepleit dat ieder kind dezelfde financiering moet krijgen. Er moet extra financiering zijn voor alle kinderen met zorg, en niet alleen voor kinderen met een specifieke zorg op basis van SES-kenmerken. Dat is altijd mijn punt geweest.

Minister, wat wij ook doen en hoezeer wij ook investeren in kinderen met zorg uit zwakkere milieus – en we moeten niet rond de pot draaien: de meeste kinderen met SES-kenmerken zijn kinderen van allochtone afkomst –, wij mogen zoveel geld pompen in die kinderen en in die scholen met veel kinderen met SES-kenmerken als we willen, als wij niet eerst inzetten op het wegwerken van de taalachterstand, zal die achterstand niet worden weggewerkt. Dat is ook uit de hoorzitting gebleken. Bovendien is die achterstand niet alleen toe te schrijven aan SES-kenmerken. Ook culturele kenmerken spelen een rol. Maar, minister, u had liever dat wij in de commissie de etnisch-culturele kenmerken niet vermeldden omdat het tegen het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens zou ingaan. Zo staat het in het verslag, het was de heer Bouckaert die dat opwierp. Er werd toen een beetje geschermd met wetenschappelijk onderzoek. De ene verwees naar het ene onderzoek en de andere naar een ander. Maar er spelen meer kenmerken dan enkel die SES-kenmerken. Dus, minister, als we niet alle kenmerken bekijken, hoe kunnen we dan een effectief beleid voeren? Ik noem dat eerder een struisvogelpolitiek.

Omdat er niet wordt ingezet op het wegwerken van de taalachterstand en omdat de bijkomende financiering beperkt blijft tot SES-kenmerken, vinden wij dat er een kans is gemist met dit ontwerp van decreet. Wij vinden ook dat de kans op echt gelijke kansen voor ieder kind met zorg niet werd gegrepen, evenmin als er kleine klasjes voor iedere kleuter worden gegarandeerd. Dat vinden wij jammer.

Het enige lichtpunt is dat de amendementen van de meerderheid ervoor hebben gezorgd dat er een betere berekening kwam voor plattelandsscholen. Wij vinden plattelandsscholen zeer belangrijk voor het sociale weefsel. Minister, de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat u dat ook vond. Maar het is door de amendementen van de meerderheid dat er een betere berekening kwam en een verbetering van het ontwerp van decreet. Dat stemt ons een beetje gelukkig, maar wij zullen toch tegen stemmen. Dat er niemand durft te zeggen dat wij tegen de plattelandsscholen zouden zijn. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Mevrouw Van Steenberge heeft op één punt absoluut gelijk: dit is een historisch decreet. Ook de heer De Meyer heeft gewezen op het belang van dit decreet. De regering heeft er niet voor gekozen om gewoon in een bestaande regelgeving extra geld te gieten. De regering heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om ervoor te zorgen dat de criteria op basis waarvan we dat verdelen grondig worden bekeken, en dat we dat transparanter en objectiever maken. Dat is in regelgeving heel belangrijk. Wij hebben ervoor gezorgd dat de regelgeving voor de scholen eerlijker is gemaakt. Ik ben er heel blij om dat we dat als meerderheid hebben kunnen doen.

Ook dit dossier heeft af en toe tot lichte vormen van turbulentie geleid. We zijn er in geslaagd om een zeer goede beslissing te nemen, die door heel veel mensen wordt gedragen.

In budgettair moeilijke tijden ervoor kiezen om, afgerond, 53 miljoen euro extra te investeren in het basisonderwijs, dat is niet niks. Dat is een heel bewuste keuze geweest. Ik hoor sommigen, onder andere mevrouw Van Steenberge, zeggen dat ik de perceptie creëer dat het allemaal kleine klassen zullen zijn. De Vlaamse overheid heeft haar verantwoordelijkheid genomen. We geven voldoende middelen opdat elke klas niet groter hoeft te zijn dan twintig leerlingen. Maar door de context of door de keuzes die de school maakt, al dan niet gebonden aan het pedagogisch project, kunnen er redenen zijn om de klassen groter te maken. Maar dat zijn keuzes die lokaal en niet door ons worden genomen. Wij geven voldoende middelen opdat er klassen zouden kunnen zijn van twintig. Hoe het dan verder wordt ingevuld, hangt af van de autonomie van de scholen. Zij moeten dat naar eigen wijsheid invullen. Ik hoop dat ze er dan ook de ouders bij betrekken. Er zijn voldoende overlegorganen om dat te bekijken.

Er wordt ook gezegd dat ik niet van de gelegenheid gebruik heb gemaakt om dat mee te nemen voor zorgkinderen. U vergeet er dan bij te zeggen dat ik in de commissie heb gezegd dat ik die bezorgdheid deel, maar dat we het niet deden omdat het gekoppeld is aan het hele Leerzorgdecreet. Het hangt daarmee samen. Het zou ook meer geld kosten, dat weet u. We hebben er de prioriteit aan gegeven om die kleinere klassen extra ondersteuning te geven. Er moet voldoende basisomkadering zijn voor elke school en voor elk kind in Vlaanderen. Dat is voor mij heel belangrijk. Voor de kinderen voor wie op wetenschappelijke wijze aangetoond is dat ze extra ondersteuning nodig hebben om het later te kunnen maken in het leven, kun je er niet tegen zijn. Dat wordt vertaald in de SES-kenmerken. Dat neemt niet weg dat we voor de toekomst moeten kijken hoe we de financiering van kinderen met zorgnoden kunnen aanpakken.

Ik ben het er niet mee eens om in het decreet in te schrijven dat er lichamelijke opvoeding moet komen. Ik begrijp de bezorgdheid, ze is ook de onze. Ik heb in de commissie duidelijk aangetoond dat het niet de gewoonte is om dergelijke dingen in decreten te schrijven. We kunnen dat wel in een besluit van de Vlaamse Regering doen, en we zullen dat ook doen. We hebben duidelijk met de onderwijsverstrekkers en de vakbonden afgesproken dat de lessen lichamelijke opvoeding blijven, want dat is heel belangrijk. Alleen druist de methode om het in een decreet te schrijven, in tegen onze traditie in Onderwijs, en dat is een goede traditie. Niet alle tradities moeten behouden blijven. Je moet tradities durven te veranderen als het in het belang is van het onderwijs en om het te verbeteren, alleen is dit een goede traditie.

Ik ben het niet eens met degenen die zeggen dat we met het ontwerp van decreet te veel hebben willen realiseren. We hebben een heel mooi evenwicht bereikt, dat is juist het historische, namelijk dat we de verschillende dingen hebben samengebracht: extra omkadering, integratie van de GOK-kenmerken, ontkleuring dus van de middelen. Dat was een heel belangrijke vraag van de scholen, men vergeet dat. Dat wordt hier wel gerealiseerd.

Mevrouw Van Steenberge, ik ben het absoluut niet met u eens dat u zegt dat de SES-kenmerken niet van toepassing zijn op landelijke scholen. Wat hebben we gedaan? We hebben de taalindicator, de thuistaal, die voor 35 procent telt, als een afzonderlijke aantikkende indicator genomen. Dat was vroeger niet het geval. We hebben ook de drempel van 10 procent laten vallen. Iedereen die Vlaanderen een beetje kent, weet dat overal in Vlaamse gemeenten, ook in de plattelandsgemeenten in de verste uithoeken van Vlaanderen, mensen komen wonen die de thuistaal Nederlands niet spreken. In de toekomst wordt dit in elke school in Vlaanderen meegeteld. Als je dan de verdeling bekijkt, dan zul je merken dat we dat niet ten voordele van de steden doen. Iedereen, zowel in de stad als op het platteland, gaat erop vooruit. Voor de weinige scholen die er niet op vooruitgaan, is er een heel objectieve reden waarom dat niet gebeurt, maar die blijven nog altijd met een heel gunstige ratio zitten. Ook dat is heel belangrijk om te zeggen.

Engineering met vestigingsplaatsen en instaplestijden is ook niet meer mogelijk. Ook dat is een belangrijk uitgangspunt van deze hervorming. Ik vind dat heel belangrijk, ook dat de verdeling netneutraal is. Ook dat is een belangrijk uitgangspunt waarover ik niets heb gehoord.

Voorzitter, tot slot wil ik zeggen dat ik heel blij ben met de samenwerking die we hebben kunnen uitbouwen met alle leden van de meerderheid, en op bepaalde momenten ook van de oppositie, dat wil ik wel degelijk erkennen. Ik wil ook andere leden bedanken, zoals de heer Durnez, die toch belangrijke inspanningen hebben gedaan om samen met ons goede analyses te maken en goede voorstellen te doen. Dit ontwerp van decreet is de vrucht van overleg. U ziet ook dat als je dat ernstig doet, je af en toe commotie krijgt, maar dat je uiteindelijk tot een heel goed ontwerp van decreet komt. Dat zal in de toekomst ook in andere dossiers zo zijn, dat kan ik u nu al zeggen.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 1591/4)

– De artikelen 1 tot en met 8 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement op artikel 9. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 1591/5)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen 10 tot en met 19 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement tot vervanging van artikel 20. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 1591/5)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen 21 tot en met 24 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement tot schrapping van artikel 25. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 1591/5)

De stemming over het artikel wordt aangehouden.

Er is een amendement op artikel 26. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 1591/5)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen 27 tot en met 33 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er zijn amendementen tot schrapping van de artikelen 34 en 35. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 1591/5)

De stemmingen over de artikelen worden aangehouden.

– De artikelen 36 tot en met 42 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.