U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 27 juni 2012, 9.30u

van de Vlaamse Regering
1587 (2011-2012) nr. 1
De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet betreffende het Lokaal Cultuurbeleid.

De algemene bespreking is geopend.

De heer Verstreken heeft het woord.

Johan Verstreken

Voorzitter, minister, collega’s, mijn fractie zal dit decreet goedkeuren omdat het over het Planlastendecreet gaat, en ook omdat met respect voor de traditie en de verworvenheden van het bestaande decreet wordt omgegaan. Wij zullen de uitvoering ervan van nabij opvolgen, ook al omdat wij de overlegtraditie willen voortzetten. Wij vragen u om daar bij de uitwerking van het uitvoeringsbesluit rekening mee te houden. Ook de concretisering van de beleidsprioriteiten en de verdeling van de middelen over de prioriteiten en de vermindering van de planlasten voor het lokaal cultuurbeleid zijn goede zaken voor de lokale verenigingen.

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Wim Van Dijck

Voorzitter, minister, collega’s, onze fractie heeft met dit decreet en de aanpassingen aan het Planlastendecreet geen enkel probleem. Toch hebben wij, zoals in de commissie, een amendement ingediend om het provinciale niveau uit dit decreet te lichten. Vooreerst zijn wij een voorstander van de afschaffing van de provincies als bestuurlijk niveau. Bovendien was het de bedoeling van de Vlaamse Regering om de taken van de provincies te beperken tot grondgeboden aangelegenheden. Uiteindelijk is daar in het nieuwe Provinciedecreet van afgeweken, om in decreten zoals in het voorliggende en ook in de volgende decreten over het cultureel erfgoed en het sport- en jeugdbeleid het provinciale niveau te kunnen behouden.

Onze fractieleider heeft bij de bespreking van het Provinciedecreet gezegd dat er weinig is veranderd ten opzichte van vroeger, wat meteen betekent dat de discussies naar aanleiding van het witboek Interne Staatshervorming voor wat dit betreft nergens toe hebben geleid. Daarom zullen we ons over dit ontwerp van decreet onthouden.

De voorzitter

De heer De Gucht heeft het woord.

Open Vld heeft steeds gepleit voor meer autonomie voor de lokale besturen en voor planlastvermindering. Vanuit de lokale context kan de gemeente immers een kwaliteitsvol en duurzaam cultuurbeleid inhoud en vorm geven op eigen maat. Er ligt ook een uitdaging voor de gemeenten: de strategische meerjarenplanning geeft mogelijkheden om te linken met andere beleidsdomeinen zoals Onderwijs, Jeugd en Toerisme, waardoor meer samenwerking in de hand wordt gewerkt.

We zijn ons uiteraard ook bewust van de gevaren van de lokale autonomie inzake het lokaal cultuurbeleid. Het feit dat het nieuwe decreet Lokaal Cultuurbeleid, ingevolge uitvoering van het Planlastendecreet, niet langer verplicht inzet op personeel, maakt de sector enigszins ongerust en er wordt gevreesd dat de functie van beleidscoördinator op de wip zit en dit vooral in kleinere gemeenten. Het is inderdaad zo dat de introductie van de cultuurbeleidscoördinator en het cultuurbeleidsplan onmiskenbaar heeft bijgedragen tot de professionalisering van de sector.

Een tweede gevaar dat dikwijls werd aangekaart in de discussies in aanloop van dit ontwerp van decreet is dat door het opnemen van specifieke actieplannen in het strategisch beleidsplan van de gemeente, de kans zou bestaan dat de zichtbaarheid en het gewicht van Cultuur als beleidsdomein minder zou worden.

Belangrijk voor het slagen van dit ontwerp van decreet is dat het hele nieuwe plannings- en rapporteringsproces op het lokale niveau wordt begeleid en er voldoende wordt ingezet op sensibilisering en vooral informatie-uitwisseling. Kleinere gemeenten die geen lang voortraject hebben inzake cultuurbeleid zijn bijzonder kwetsbaar. Daarom is het net ook belangrijk dat wordt ingezet op het monitoren van de effecten. Door gegevens te registreren wordt het beleid geëvalueerd, kan het worden bijgesteld en kan het tevens aanleiding geven tot het ontwikkelen van nieuwe beleidsaccenten.

Wat de provincies betreft, is er een probleem in die zin dat er een verwijzing is naar het voeren van een kunstenbeleid, waar dit niet zo is voor de gemeenten. De geformuleerde beleidsprioriteiten voor het lokaal cultuurbeleid geven immers geen directe stimulans voor het voeren van een kunstenbeleid. Door het ruime initiatiefrecht van de provincies in deze materie kunnen tegengestelde belangen tussen het provinciaal en lokaal niveau voorkomen. Het is dan ook belangrijk dat provincies hun beleid zouden afstemmen op het gemeentelijk cultuurbeleid waardoor men tot een echt complementair beleid komt.

Hoewel door Groen en Open Vld desbetreffend een amendement werd ingediend, kan Open Vld zich scharen achter de uitleg van de minister om het maken van afspraken tussen provincie en gemeenten op hun grondgebied structureel in te bedden in de sectorale decreten. Open Vld houdt minister Schauvliege dan ook aan haar woord en zal hier bij de bespreking van de sectordecreten op terugkomen.

We zullen dit ontwerp van decreet mee goedkeuren.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron

Voorzitter, minister, collega’s, ik wil het belang van dit ontwerp van decreet onderstrepen door naar het spreekgestoelte te komen. Ik wil enkele bedenkingen geven over dit ontwerp van decreet en tegelijk op de rits decreten die betrekking hebben op de verhouding tussen Vlaanderen en het lokale beleid. Het gaat eigenlijk over een klavertjevier van cultuur, jeugd, sport en cultureel erfgoed – cultureel erfgoed is eigenlijk veel meer dan het lokale beleid – dat een belangrijke ontwikkeling markeert in de verhouding tussen Vlaanderen en de lokale besturen. Het is goed te onderstrepen dat het op zich een goede stap is dat we proberen cultuur, jeugd, sport enzovoort meer geïntegreerd en integraal in te bedden in het lokale beleid en niet meer als een aparte soort te bekijken die eigen beschermende maatregelen behoeft, want dat is de achtergrond van dit verhaal.

Laten we dus hopen dat die integraliteit haar weg vindt, dat het effectief gebeurt en niet leidt tot een achteruitgang voor een aantal gemeenten. Daar maak ik me wel enigszins ongerust over omdat we in sterke gemeenten met sterke besturen waar het geloof in cultuur, jeugd en sport en het belang ervan als beleidsdomein buiten kijf staat, we helemaal geen schrik moeten hebben, integendeel – we hopen dat die integraliteit hen vooruit zal helpen –, maar veeleer in gemeenten waar dat geloof minder sterk aanwezig was. Misschien zullen die een stapje achteruitzetten, en dat kan niet de bedoeling zijn.

Dus in principe een ja met de inschakeling in de beleids- en beheerscyclus, in principe een ja met het meerjarig strategisch beleidsplan en de integratie daarin. Dat is allemaal prima, maar de vraag is of we iedereen meenemen in dat verhaal en of er niet toch een aantal mensen achterblijven. Dat is de discussie.

De discussie wordt een beetje onderstreept door de al even nobele intentie van minister Bourgeois en zijn Planlastdecreet om niet meer te werken met ‘voorwaarden op het vlak van de middelen, personeel en gebouwen’ en die niet meer in decreten op te nemen, maar te werken met outputindicatoren. Collega’s, ik kan hier in alle eerlijkheid en zonder enige schaamte een rits outputindicatoren geven waar iedereen met groot gemak aan zal voldoen. Het is erg moeilijk om in een sector als cultuur te bepalen of men al dan niet zijn outputdoel heeft bereikt. Het gaat niet over kilometers fietswegen of over een hoeveelheid asfalt, maar over culturele en dus vaak waardegeladen en minder meetbare indicatoren.

Ik heb dus een gemengd gevoel bij die evolutie. Ook wel positief, omdat het voortbouwt op een pad dat we al 25 jaar of zelfs al langer in Vlaanderen bewandelen, namelijk het verantwoordelijk stellen en stimuleren van lokale besturen om dicht bij mensen, op het terrein, ook subsidiair denkend, een cultuur-, jeugd- en sportbeleid te ontwikkelen. Dat kunnen we alleen maar toejuichen. Die ontwikkeling wordt niet gestopt, behalve op de plaatsen waar er een minder krachtig beleid is.

Ik wil ook iets zeggen over de verschillen tussen de decreten. De diensten hebben ten behoeve van de parlementsleden een vergelijkende tabel gemaakt. Het is jammer dat minister Bourgeois hier niet aanwezig is – hij beantwoordt hier ergens een vraag over archeologie – en dat hij niet heeft opgemerkt dat er tussen die decreten zulke grote verschillen zijn dat ik zou durven te spreken van een gebrek aan consistentie. Mijnheer Van Dijck, u kunt dat misschien, als fractieleider van de N-VA, overmaken aan uw minister. Er is een gebrek aan consistentie tussen de drie domeinen over het bepalen van beleidsprioriteiten, over de financiële stromen en over de bevoegdheden. Ik zal het met één voorbeeldje illustreren. Bij Cultuur heeft men het over twee interveniërende overheden bij subsidiëring en geen drie meer. Bij Cultuur staat bijvoorbeeld ook dat de provincies mogen tussenkomen als het gaat over regionale culturele evenementen. Dat zijn bovenlokale evenementen maar niet van die aard dat ze eigenlijk onder Vlaamse vleugels zouden kunnen worden gesubsidieerd. Dat staat zo bij Cultuur, dat staat zo bij Sport, maar dat mag dan weer niet in Jeugd. Mijnheer Van Dijck, ik kan u die tabel die door de administratie is gemaakt, wel eens bezorgen. Hij is heel degelijk gemaakt.

Het is dus jammer dat er inconsistenties zijn. Als we dan toch voor een integraal beleid op het lokale niveau pleiten, zou ik ook voor een integrale aanpak op het provinciale niveau pleiten. Ik ga niet zover als de heer Van Dijck om voor de afschaffing van de provincies te pleiten.

Op vlak van cultuur, jeugd en sport is er een blijvende nood aan samenwerking tussen Vlaanderen en de lokale besturen. We mogen niet in een soort van fetisjisme van de absolute autonomie vervallen, maar we mogen ook niet in het fetisjisme van het keizer-kosterprincipe vervallen. Ik wil, als het over cultuur gaat, graag naar Nederland verwijzen. In Nederland is de grens heel hard gemaakt. Het lokale theater en de lokale bibliotheek hebben niets meer met het Nederlandse Rijk te maken. Dat merk je op het terrein. De achteruitgang van de lokale initiatieven, van de bibliotheken, van de theaters, de commercialisering en privatisering van het cultuurbeleid gaat er veel verder dan in Vlaanderen. De wisselwerking met nadenken over welke doelen we willen bereiken, is net de kracht van onze decreten.

Dat verhaal is niet van gisteren, maar van eergisteren, van meer dan dertig jaar. Die samenhang moeten we absoluut blijven bewaken en stimuleren.

Minister, ik vind het positief dat de beleidsprioriteiten in het decreet staan. Dat wil ik benadrukken. Het doet ook recht aan de parlementaire rol en de controlerol die wij hebben. Ik betreur een beetje dat de VVSG –­ mijn oude werkgever – daartegen heeft geprotesteerd en heeft gevraagd om dat uit het ontwerp van decreet te lichten. Sorry, maar het is niet enkel de uitvoerende macht die dergelijke dingen bepaalt. Ik vind het positief dat het in het ontwerp van decreet staat.

Daarentegen, minister, vind ik het jammer dat alle subsidiebepalingen, bedragen, toewijzingen en ordegroottes wel uit het ontwerp van decreet zijn verdwenen. Het is een traditie, vanuit het Cultuurpact aangedreven, om die dingen decretaal en dus parlementair te verankeren. Dat biedt enige stabiliteit voor onzekere sectoren. Ik kan niet anders dan erop rekenen dat u dat met heel veel liefde in de toekomst zult behartigen, zodat het lokale cultuurbeleid erop vooruitgaat.

De voorzitter

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Yamila Idrissi

Het ontwerp van decreet betreffende het Lokaal Cultuurbeleid dient zich in te passen in het Planlastendecreet en zo mee uitvoering te geven aan het witboek Interne Staatshervorming. Als we weten dat de Vlaamse overheid ongeveer 100 miljoen euro spendeert aan het lokaal cultuurbeleid, weten we dat het hier om een belangrijk decreet gaat.

Het ontwerp van decreet gaat uit van respect voor en partnerschap met de gemeenten. Het gaat uit van respect voor de aparte methodiek, geschiedenis en eigenheid van de lokale cultuursector. Heel wat zaken blijven ongewijzigd, maar waar nodig brengt het ontwerp van decreet verbeterpunten aan. Een voorbeeld hiervan is dat de gemeenten geen cultuurbeleidsplannen meer moeten schrijven, maar enkel moeten aangeven op welke van de Vlaamse beleidsprioriteiten ze zich wensen in te schrijven. Het is de taak van de Vlaamse overheid om bepaalde beleidsprioriteiten te formuleren, en het is aan de gemeenten om in alle vrijheid daarop in te pikken en te zorgen voor de eigen invulling. Er is duidelijk sprake van grotere autonomie en dus verantwoordelijkheid van de lokale besturen op het vlak van lokaal cultuurbeleid.

De specifieke regeling voor de grootsteden Gent en Antwerpen bleef bewaard. Beide steden kunnen ook in de toekomst, in overleg met de Vlaamse overheid, een cultuurbeleid op maat uittekenen.

In het nieuwe decreet zijn de personeelsverplichtingen geschrapt. Alle bestaande modaliteiten voor de functie van cultuurbeleidscoördinator, de diplomavereisten bijvoorbeeld, vervallen. De hoorzittingen gaven aan dat hier heel wat ongerustheid over heerst in de sector. Mijn fractie begrijpt de onrust bij de sector, maar lokale besturen hebben er zelf alle belang bij om kwalitatief personeel aan te trekken, ook zonder diplomaverplichtingen. Bovendien is uitdrukkelijk in het ontwerp van decreet opgenomen dat moet worden ingezet op een kwalitatief cultuurbeleid en dat impliceert uiteraard bekwaam personeel.

Positief is ook dat de rol van de provincies op het vlak van cultuurbeleid strak wordt omschreven. De taken die de provincies nog mogen uitvoeren in het cultuurbeleid worden in dit ontwerp van decreet nauwkeurig omschreven en vastgelegd. Sp.a is tevreden omdat verder wordt gebouwd op het gevoerde beleid en er wordt aangepast waar nodig, en zal daarom dit ontwerp van decreet goedkeuren.

De voorzitter

De heer Dehandschutter heeft het woord.

Lieven Dehandschutter

Excuseer me dat ik niet van bij het begin aanwezig was, ik had nog een vraag om uitleg over onroerend erfgoed aan minister Bourgeois.

Voorzitter, minister, collega’s, het ontwerp van decreet betreffende het Lokaal Cultuurbeleid is belangrijk voor de cultuursector. Dat blijkt ook uit het budget van 100 miljoen euro dat Vlaanderen hieraan spendeert. De totstandkoming van dit ontwerp is duidelijk. Het is geen besparingsoefening. Het ontwerp is het resultaat van de dynamiek die deze regering tot stand heeft gebracht rond de planlastenvermindering en de interne staatshervorming. Het lokaal cultuurbeleid wordt ingepast in het Planlastendecreet en geeft zo mee uitvoering aan het witboek Interne Staatshervorming.

Ik ben er steeds voorstander van geweest om lokale jeugd- of cultuurbeleidsplannen in een ruimer perspectief te plaatsen en onderdeel te laten zijn van een gemeentelijk of stedelijk meerjarenbeleidsplan. Met dit ontwerp van decreet wordt dat in de praktijk gebracht. Ik vind het dan ook een goede zaak dat de sectorale plannen worden opgenomen in de lokale meerjarenplanning. Dan is de plaats in het geheel duidelijk en is het ook zichtbaar hoe het zich verhoudt tot de belendende sectoren. Dan kan men vanuit de sector ook inspraak organiseren rond die belendende sectoren.

Bovendien krijgen de lokale besturen meer vrijheid om binnen de Vlaamse doelstellingen een eigen lokaal beleid vorm te geven. Het ontwerp van decreet gaat uit van respect en partnerschap met de gemeenten. De Vlaamse overheid krijgt uiteraard nog kansen om bepaalde beleidsprioriteiten te formuleren. De gemeenten hebben dan ook de vrijheid daarop in te pikken en de keuze te maken op welke wijze zij daar vorm aan geven.

Minister, vroeger was de Vlaamse regelgeving vooral toegespitst op infrastructuur en zeer detaillistisch. Ik denk bijvoorbeeld aan de regels voor cultuurcentra, bibliotheken en dergelijke. Daarna werden personeelssubsidies ingevoerd. Dat waren allemaal heel belangrijke etappes in het Vlaams cultuurbeleid, waarbij Vlaanderen op lokaal vlak een enorme dynamiek en stimulans op gang heeft gebracht.

Nu krijgen steden en gemeenten een pakket middelen dat ze zelf kunnen invullen. De Vlaamse betutteling – want zo werden die stimulansen uiteindelijk ervaren – die aanvankelijk verantwoord was, is wat door de feiten achterhaald. Dat is een gelukkige vaststelling.

De rode draad in het ontwerp is de continuïteit in het lokaal beleid. De verschuiving naar het sturen op hoofdlijnen en resultaten betekent ook voor de Vlaamse overheid een sterke mogelijkheid om interne efficiëntie en effectiviteit te verhogen.

Ik begrijp dat er in de sector een bepaalde onrust was door het wegvallen van de personeelsverplichtingen, maar het is zo dat de lokale besturen er zelf belang bij hebben om kwalitatief personeel aan te trekken, ook al is dat niet strikt verplicht. Ik vertrouw er dan ook op dat zij zelf zullen inzien dat ze dit moeten doen.

Tijdens de hoorzitting is de coördinerende rol van steden en gemeenten duidelijk naar voren gekomen. Voor de N-VA is die rol belangrijk. Zowel voor de lokale overheid als voor de culturele actoren moeten de principes kwaliteit, diversiteit, participatie en duurzaamheid vooropstaan. De lokale overheid moet coördineren, het particuliere initiatief ondersteunen, aanvullende initiatieven nemen en intergemeentelijk afstemmen met buurgemeenten.

De N-VA is tevreden over dit ontwerp van decreet. Er wordt voortgebouwd op het gevoerde beleid. Er wordt meer vertrouwen en autonomie gegeven aan de lokale besturen. Later zal dit dan moeten worden geëvalueerd en desnoods bijgestuurd. Hoe zal worden ingespeeld op de Vlaamse prioriteiten is nog onbekend. Dat er zal worden gemonitord, is dan ook een goede zaak. Positief is ook dat de rol van de provincies nu duidelijk decretaal wordt afgelijnd.

Toch is dit ontwerp van decreet vooral een nieuwe en geen laatste stap. Veel zal nog moeten worden uitgewerkt in de uitvoeringsbesluiten. Als het ontwerp van decreet vanmiddag of vanavond wordt goedgekeurd, moet u, minister, verder aan de slag. Wij kijken dan ook uit naar de uitvoeringsbesluiten die nog zullen volgen.

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, zoals hier reeds werd gezegd, heeft het ontwerp van decreet de bedoeling om de interne staatshervorming en het Planlastendecreet in het decreet Lokaal Cultuurbeleid te implementeren en toe te passen. We vertrekken heel expliciet van een complementair beleid. Zowel voor gemeenten en provincies als voor het Vlaamse niveau proberen wij heel duidelijk af te bakenen wie voor wat bevoegd is. Dat geldt ook, mijnheer De Gucht, voor het kunstenbeleid. Het is dus niet zo dat dit alleen bepaald wordt voor de provincies. Het geldt ook voor de lokale besturen die daar in de toekomst ook meer werk van zullen moeten maken.

Mijnheer Van Dijck, we hebben er heel expliciet voor gekozen om ook de provincies heel duidelijke taken toe te kennen. We geloven heel sterk in die complementariteit. We zijn ervan overtuigd dat dit het lokaal cultuurbeleid ten goede kan komen.

Het is ook goed – daar geloof ik heel sterk in – dat het lokaal cultuurbeleid volwaardig wordt ingebed in de strategische beleidsvoering, de strategische plannen van de lokale besturen. Nu was het nog te veel een apart lokaal cultuurbeleidsplan dat niet volwaardig was geïntegreerd in het totale beleid van een gemeente.

Dit is een kans die met beide handen moet worden gegrepen.

Uit dit ontwerp van decreet blijkt ook dat wij geloven in de autonomie en de kracht van de lokale besturen. Wij geven hun de verantwoordelijkheid om te werken aan een volwaardig kwalitatief lokaal cultuurbeleid. Dat wil niet zeggen, mijnheer Caron, dat we hen volledig aan hun lot overlaten. Via de steunpunten en, als dat nodig is, ook via de agentschappen, kunnen gemeenten op dat vlak volwaardige begeleiding krijgen. In het ontwerp van decreet staat heel uitdrukkelijk als een van de beleidspijlers dat er werk moet worden gemaakt van een sterk kwalitatief lokaal cultuurbeleid. Ook via de monitoring kunnen we opvolgen of er problemen zijn, en kunnen we bijsturen in het beleid, mocht dat nodig zijn. Het is een goede zaak dat dat uitdrukkelijk in het ontwerp van decreet is opgenomen.

Ik weet dat er heel wat bezorgdheid en ongerustheid is over het feit dat niet meer expliciet in het ontwerp van decreet staat dat er personeel moet worden ingezet dat aan bepaalde kwalificaties voldoet. Dat is natuurlijk een gevolg van het Planlastendecreet, dat hier in het parlement is goedgekeurd – ook door u, mevrouw Idrissi. Daar staat uitdrukkelijk in dat je geen verplichtingen met betrekking tot personeel meer kunt opleggen aan de lokale besturen.

Ook op dat vlak vertrouwen wij de lokale besturen. Wij gaan ervan uit dat zij verder zullen inzetten op een goed personeelsbeleid. Het feit dat we die kwaliteitsvereiste mee ingeschreven hebben in het ontwerp van decreet, is een garantie dat dat ook verder zal gebeuren. Natuurlijk zullen ook de lokale bestuurders – schepenen en burgemeesters, maar ook gemeenteraden – erop moeten toezien dat dit op een goede en volwaardige manier gebeurt. Ook daar hebben wij alle vertrouwen in.

Mijnheer Caron, u hebt een vergelijking gemaakt tussen een aantal ontwerpen van decreet wat betreft Jeugd, Sport en Cultuur. Het klopt dat daar verschillen zijn, maar dat was nu al zo. Doen alsof alles tot nu exact hetzelfde was, klopt dus niet. Die sectoren zijn elk vanuit hun eigenheid en voorgeschiedenis gegroeid. Het is dan ook logisch dat er een aantal verschillen zijn. In de bestaande decreten is dat nu al het geval. Met betrekking tot de provincies zie je bijvoorbeeld een verschil in hoe de middelen worden toegekend.

U wijst natuurlijk alleen op de verschillen, en ik begrijp dat, vanuit uw positie, maar er zijn ook heel wat gelijkenissen. Ik denk bijvoorbeeld aan de inspraak die georganiseerd wordt en het feit dat er gemonitord wordt. Er zijn dus absoluut gelijkenissen en rode draden te vinden tussen de verschillende ontwerpen van decreet, maar ik vind het ook positief dat elke sector in zijn eigenheid en verscheidenheid een aantal andere accenten heeft kunnen leggen.

Een laatste punt betreft het feit dat de grote beleidsprioriteiten opgenomen zijn in het ontwerp van decreet. We hebben op dat vlak ook goed geluisterd naar een aantal bezorgdheden vanuit het parlement. We hebben daar rekening mee gehouden en we hebben die bezorgdheden vertaald in het ontwerp van decreet.

Met het niet expliciet opnemen van de subsidiebedragen in het ontwerp van decreet schrijven wij ons in in wat gangbaar is en wat ook gevraagd wordt. Dat wil echter niet zeggen dat er geen controle meer is vanuit het parlement, integendeel. Het parlement keurt de begroting goed en geeft sturing wat betreft de bedragen. De democratische controle blijft dus absoluut gegarandeerd.

Voorzitter, collega’s, ik wil iedereen bedanken die deze oefening mee mogelijk heeft gemaakt. Het is een versterking van het lokale cultuurbeleid. We zijn erin geslaagd om de interne staatshervorming en het Planlastendecreet te vertalen in een ontwerp van decreet. Wat goed was en wat een versterking inhield van de lokale besturen, hebben we behouden. We hebben een aantal bijsturingen gedaan, wat toch nog een extra planlastvermindering met zich meebrengt, zonder daarom zaken die nu goed liepen, overboord te gooien. We hebben een goede oefening gemaakt. Er zal nu in de praktijk bewezen worden dat dit een goede oefening geweest is, die we hier allemaal samen gemaakt hebben. Ik wil alle collega’s dan ook danken voor de constructieve bijdrage en de manier waarop dit verlopen is in de commissie Cultuur van het parlement.

Bart Caron

Minister, er zijn rond een aantal puntjes kleine amendementen goedgekeurd in de commissie, die ik mee heb kunnen indienen, samen met de meerderheid. Ik dank de meerderheid voor die constructieve samenwerking. De amendementen hebben onder meer betrekking op het volgende. De woorden ‘deskundigheid’ en ‘deskundig personeel’ zijn toch opgenomen in het ontwerp van decreet, als principe, zonder stringente regels.

Dit moet wat vertrouwen schenken aan de sectoren die bang zijn dat het wegvallen van de precieze regels met betrekking tot het personeel tot kaalslag zou kunnen leiden.

Het is misschien niet onbelangrijk te onderstrepen dat het amendement het medebeheer van de lokale culturele instellingen in het ontwerp van decreet weer wat harder heeft vastgelegd. Hierdoor heeft het lokale middenveld een gegarandeerde stem in het cultuurbeleid. Ik denk dat we dit allemaal steunen.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 1587/5)

– De artikelen 1 tot en met 58 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement tot schrapping van titel 5, die bestaat uit de artikelen 59 en 60. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 1587/6)

De stemmingen over de artikelen worden aangehouden.

– De artikelen 61 tot en met 69 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.