U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde zijn het ontwerp van decreet betreffende de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie en het voorstel van decreet van de heren Bart Caron en Filip Watteeuw en mevrouw Mieke Vogels houdende de overdracht, in-, uit-, en doorvoer, transit en tussenhandel van vuurwapens voor civiel gebruik, defensiegerelateerde producten en ander voor militair gebruik of ordehandhaving dienstig materiaal en daaraan verbonden technologie, die door de commissie in samenhang zijn behandeld, met dien verstande dat het ontwerp van decreet als basis voor de bespreking werd genomen. Wij volgen hier dezelfde werkwijze.

De algemene bespreking is geopend.

De heer Caluwé heeft het woord.

Ludwig Caluwé

Ik kan daar bijzonder kort over zijn. We hebben daar uitgebreid werk aan besteed. Ik heb er daarnet al het woord over gevoerd tijdens het debat.

Het is goed dat er eindelijk een Vlaamse regelgeving is waarin de Europese richtlijnen geïmplementeerd zijn. Het werd tijd dat dit decreet er kwam, want de problematiek is al een hele tijd geregionaliseerd. We schrijven ons op een goede manier in in de Europese afspraken. Tegelijk zorgen we ervoor dat een aantal administratieve lasten voor bedrijven verminderen, maar ook dat de nodige garanties voor controle blijven. Op een aantal punten zijn we zelfs strenger geworden.

De voorzitter

De heer Creyelman heeft het woord. Hij is niet aanwezig.

Mevrouw Brusseel heeft het woord. Zij is niet aanwezig.

De heer Roegiers heeft het woord.

Jan Roegiers

Voorzitter, collega’s, ik had gezegd dat ik verslag zou uitbrengen, maar dat ga ik niet doen omdat het al laat is. Ik ga toch een iets langer betoog houden dan een betoogje van op de bank.

Dit ontwerp van decreet is een sluitstuk van een materie die reeds lang aansleept en die haar oorsprong kent – wat het Vlaams luik betreft – tien jaar geleden. De meesten onder u zullen zich herinneren dat de bevoegdheid over wapenhandel tot tien jaar geleden een federale bevoegdheid was, hoewel er toen reeds een vorm van regionalisering bestond. Het was zo dat Franstalige wapenuitvoerlicenties ondertekend werden door een Franstalige federale minister en dat Nederlandstalige uitvoerlicenties toen al werden ondertekend door een Vlaamse federale minister. Toen kwam de Nepalcrisis en raakte alles in een redelijke stroomversnelling: de definitieve regionalisering van de wapenhandel was een feit.

Het was meteen het startschot voor een aantal initiatieven met betrekking tot een wetgevend kader rond de wapenhandel, maar het was ook de aanleiding om een Vlaams Vredesinstituut op te richten. Er was in het parlement een afspraak om een Vlaams Vredesinstituut op te richten om de Vlaamse Regering bij te staan in deze materie. Het instituut bestaat nog altijd en ik ben blij dat ik een van de stichters en oprichters was.

In de vorige legislatuur zijn een aantal voorstellen van decreten gedaan door diverse partijen. Er zijn toen ook pogingen ondernomen door de regering om een decreet te maken. Geen enkel van die initiatieven heeft de hele procedure doorlopen wat erop wijst dat dit ook niet de meest eenvoudige materie is en waar ook de ideologische verschillen vaak groter zijn dan men op het eerste gezicht zou denken.

Minister-president, het is ook uw grote verdienste in deze legislatuur dat we er na tien jaar eindelijk in geslaagd zijn om, ondanks die ideologische verschillen, te komen tot een ontwerp van decreet. Het is een evenwichtig ontwerp van decreet waarover de gesprekken binnen de meerderheid niet altijd even gemakkelijk zijn geweest, maar ze zijn altijd binnenskamers gebleven. Ook dat lukt de meerderheid. Ik denk dat we dit ontwerp van decreet op een goede manier tot stand hebben gebracht, waarbij de regering haar rol heeft gespeeld, waarbij het parlement zijn rol heeft gespeeld. De gesprekken waren niet altijd gemakkelijk, maar verliepen wel in een constructieve sfeer.

Er is inderdaad aanvaard dat ook Vlaamse technologische bedrijven handel kunnen drijven met het buitenland. Maar er is ook een ethisch kader geschapen waarbinnen die handel mogelijk blijft. Dat ethisch kader, gekoppeld aan de economische belangen, staat ook in het regeerakkoord ingeschreven.

Collega’s, het zal u niet verbazen dat ik toch even de nadruk wil leggen op dat ethisch kader en de criteria. Er is een belangrijk kader geschapen waarbij rekening wordt gehouden met belangrijke criteria. Ik som er enkele op. Er is de eerbiediging van de mensenrechten in het land van eindgebruik en de naleving van het internationaal humanitair recht door dat land. Er wordt rekening gehouden met de interne situatie van het land van eindgebruik ten gevolge van spanningen of gewapende conflicten, de handhaving van vrede, veiligheid en stabiliteit in de ontvangende regio; het gedrag van het land dat de goederen of technologie in kwestie koopt tegenover de internationale gemeenschap; de houding van dat land tegenover terrorisme; de aard van zijn bondgenootschappen en de eerbiediging van het internationaal recht; het gevaar dat de goederen of technologie in kwestie in het land van bestemming of het land van eindgebruik een andere bestemming krijgen of onder ongewenste voorwaarden opnieuw worden uitgevoerd.

Daar blijft het niet bij. Er zijn nog een aantal bijkomende criteria gemaakt die trouwens bij amendement nog wat zijn verzwaard. Dan beginnen we te spreken over een aantal uitsluitingsgronden. De rechten van het kind in het land van eindgebruik worden in rekening gebracht. De aanvraag wordt in ieder geval geweigerd als vaststaat dat kindsoldaten worden ingezet in het geregelde leger. Er wordt rekening gehouden met de houding van het land van eindgebruik ten opzichte van de doodstraf. Er wordt rekening gehouden met vuurwapengeweld in het land van eindgebruik en met gendergerelateerd geweld. Het is de verdienste van dit ontwerp van decreet dat het uitvoerig rekening houdt met al deze zaken.

Dat dit ontwerp van decreet evenwichtig is, collega’s, wordt ook erkend door het Vlaams Vredesinstituut. Daarom heb ik het daarstraks ook naar voren gebracht. Het is het instituut par exellence dat het parlement en de regering in deze materie moet bijstaan en adviseren. Het Vlaams Vredesinstituut zegt letterlijk: “In het geheel beschouwd is het decreet een evenwichtig decreet waarin verschillende aspecten van exportcontrole op coherente wijze geïntegreerd worden.” Ik denk dat dit weinig aan de verbeelding overlaat.

Ik heb daarjuist gezegd dat ook het parlement volop zijn rol heeft gespeeld. Dat mag ook blijken uit de 52 amendementen die zijn ingediend en stuk voor stuk werden besproken. Heel wat amendementen zijn ook in de commissie aanvaard, zowel amendementen van de meerderheid als van de oppositie.

Collega’s, minister-president, of dit decreet de toets van de duurzaamheid zal doorstaan, zal de toekomst uitwijzen. Wapenhandel is nu eenmaal geen exacte wetenschap en er zal altijd ruimte zijn voor interpretatie en afweging. Als sp.a’er wil en durf ik ervoor pleiten om steeds het voorzorgsprincipe te hanteren. Dat betekent dat als er twijfel is, er wat ons betreft geen handel kan bestaan. Het ontwerp van decreet geeft u, minister-president, of wie daar in de toekomst voor bevoegd is, daarvoor een handig kader. Dat heb ik daarjuist al gezegd.

Ik rond langzaam af. Minister-president, ik denk dat wij in de nabije toekomst nog twee afspraken met elkaar hebben. De eerste afspraak betreft transparantie. We hebben vorige week het jaarlijks verslag in de commissie behandeld. We hebben het deze keer zeer kort gedaan, maar het was meteen de laatste keer dat we het hebben gedaan op de manier waarop we het tot nu toe deden. Het volgende verslag zal aan de hand van de bepalingen in dit ontwerp van decreet gebeuren. Ik hoop in elk geval dat we de weg van transparantie die reeds onder de ministers Ceysens en Moerman werd ingezet en door u werd voortgezet, almaar kunnen verbeteren. Ik denk dat niemand er belang bij heeft om geheim te doen over al dan niet vergunde wapentransacties.

Een tweede afspraak die we hebben, minister-president, gaat over de uitvoeringsbesluiten. Het ontwerp van decreet geeft heel veel macht – als ik het zo mag uitdrukken – aan de Vlaamse Regering. Die uitvoeringsbesluiten zijn er op dit moment niet. Ze zullen uiteraard een en ander van het ontwerp van decreet verder bepalen. Ik kijk daar samen met u naar uit.

Minister-president, collega’s, ik denk dat we over dit werkstuk best tevreden mogen zijn. Tien jaar na de regionalisering van de wapenhandel hebben we een eigen Vlaams ontwerp van decreet. Alle regeringspartners kunnen zich erin vinden. Dat is een goede zaak. Ik ben blij dat we daar op een constructieve manier aan hebben kunnen werken en dat we nu een eigen Vlaams regelkader hebben om deze moeilijke materie te behandelen. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

De heer Hendrickx heeft het woord.

Marc Hendrickx

Voorzitter, ik heb na de heren Caluwé en Roegiers niet zoveel relevants meer toe te voegen. Ik ga de collega’s daar ook niet mee lastig vallen. (Applaus)

De voorzitter

De heer Reekmans is er niet. De heer Caron komt nu aan de beurt en dan de heer Creyelman. Men moet maar tijdig aanwezig zijn als men wil spreken.

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron

Collega’s, we hebben in de commissie inderdaad een zeer grondig en uitgebreid debat gehouden. We hebben gepraat over het ontwerp van decreet, over de bepalingen en de amendementen enzovoort. Ik wil de discussie niet hervatten. Ik zal mijn kritische bedenkingen uiten.

Wie het volgt, weet het: dit soort thema’s balanceert tussen economische en humanitaire belangen. Aan de ene kant staat het Vlaamse bedrijfsleven, de producenten van defensiegerelateerde materialen, en aan de andere kant humanitaire belangen zoals het vermijden van internationale conflicten en burgeroorlog, van onderdrukking en repressie en van het schenden van mensenrechten. Die moeilijke evenwichtsoefening moet elk land maken. Vlaanderen maakt ze nu ook eindelijk en vervangt de federale wet door Vlaamse regelgeving. Vlaanderen moet dat ook doen. Er is een Europese aanbeveling die ons verplicht om voor 30 juni de Europese richtlijn in eigen wetgeving om te zetten. Dat doen we ook.

Het ontwerp van decreet is niet allemaal kommer en kwel. Voor wie het niet weet: Groen heeft zelf een voorstel van decreet geschreven. Dat staat ook geagendeerd. We hebben daar heel veel energie en werk ingestopt. We hebben daar samen met de vredesbeweging over nagedacht. Wij gaan verder op een aantal terreinen. Ik zal daar nog op terugkomen.

Het is niet allemaal kommer en kwel omdat we onderhevig zijn aan de Europese regels. Die bevatten een aantal palingen waardoor onze bevoegdheid intracommunautair wordt in Vlaanderen; ze wordt daardoor beperkt. Doordat sommige zaken Europees worden geregeld, wordt onder meer het systeem van algemene en globale vergunningen ingevoerd, waardoor we export naar Europese landen en derde verantwoordelijkheid aan onze buurlanden of andere Europese landen moeten overdragen. Dat belet ons gedeeltelijk om eigen controle verder toe te passen.

Minister-president, daar bent u straks voor verantwoordelijk. Hoe zwaar of licht die kommer en kwel is, zoals de heer Roegiers zei, er is heel veel interpretatieruimte over voor de uitvoeringsbesluiten, voor u en uw diensten. Ik roep u op om die ruimte niet te breed te maken. Ik weet het, we verschillen op een aantal punten van mening, onder meer over de evenwichtsoefening tussen economische en humanitaire belangen. We zijn het er wel over eens dat export moet kunnen indien nodig. Als dat niet gevaarlijk is voor andere mensen hebben we daar geen probleem mee, en voor zover, en dat is het meest precaire punt, wij vanuit Vlaanderen maar zicht hebben op de bestemming en toepassing van mogelijke wapensystemen. Dat is de sleutel van het geheel. Beleid voeren kan maar als we weten waar het defensiegerelateerde materiaal naartoe gaat, ook als het wordt ingevoerd, hoe het verscheept en verhandeld wordt, waar dan ook, als we weten of het over tussenhandel of transit gaat. Pas dan kunnen we dat inzicht krijgen.

Het probleem is dat we vandaag voor ruim de helft niet hebben en morgen nog voor veel meer. Wij voeren immers heel veel uit met als eindbestemming het bedrijfsleven, de industrie. Zo staat het ook in de verslagen die aan het parlement worden bezorgd. Morgen zal er ook nog staan dat er bijvoorbeeld uitgevoerd is naar Frankrijk. Wij kennen dan de eindbestemming niet omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is. Ik durf hardop te zeggen, minister-president, dat wij morgen van 70 procent van het Vlaams defensiegerelateerd materiaal de eindbestemming en toepassing niet zullen kennen. We zullen nog meer dan vandaag verbaasd zijn wanneer bijvoorbeeld een vliegsimulator voor Israël is opgesteld in Amerika maar gemaakt is door een bedrijf bij ons dat ik liever even niet noem. Dergelijke situaties zullen in aantal toenemen.

Datzelfde bedrijf levert visualisatieschermen voor kernonderzeeërs van het Amerikaanse leger. Dat stond in het jaarrapport. Mijnheer Roegiers, u verwijst graag naar het Vredesinstituut dat een zinvol instituut is. U ligt mee aan de basis daarvan. In hun jaarverslag lees ik echter dit soort zaken.

Minister-president, ik wil u op vijf aandachtpunten wijzen. Een daarvan is de strakke controle op het eindgebruik van wapens. Met andere woorden, waar gaan ze naartoe en waarvoor dienen ze?

Een ander punt is het toezicht op wederuitvoering. U hebt daartoe de mogelijkheid gekregen in het decreet. U kunt toezien op de wederuitvoering. Wanneer we uitvoeren naar bijvoorbeeld Egypte of naar de Verenigde Staten, dan kunnen we regels opleggen om de wederuitvoering vanuit die landen te controleren en aan de toestemming van de Vlaamse Regering te onderwerpen. U moet daar vooral bij gevaarlijke situaties op toezien.

Een volgend punt is de catch-allregeling. Minister-president, u hebt een zeer open en minder strakke catch-allregeling gemaakt dan wij zouden willen. Ik heb begrepen dat morgen die visualisatieschermen die in tanks en kernonderzeeërs ingebouwd worden, aan de vergunningsplicht van Vlaanderen zullen ontsnappen. U antwoordt zo omzichtig op al mijn vragen dat ik niet anders kan dat dit zo te interpreteren. Ik vraag me af of dat wijs is. U hebt de mogelijkheid via het uitvoeringsbesluit om daar iets aan te doen. Ik roep u op om daar zeer aandachtig op toe te zien. Mijnheer Roegiers, deze keer is het niet zo dat het met sp.a nog slechter zou zijn, maar wel dat het nu met sp.a beter zal zijn. Ik roep u dan ook op om in de regering en bij de opmaak van de uitvoeringsbesluiten die door de regering worden goedgekeurd, toe te zien op dergelijke bepalingen.

Onze industrie is er niet mee gebaat om toepassingen, al zijn het schermen, nachtkijkers of ander materieel, te leveren die gebruikt kunnen worden in een internationaal conflict. De dag dat we op het Vlaamse tv-scherm Vlaams wapentuig zagen in het Midden-Oosten, waren we ook allemaal gechoqueerd. Voor de rest hebben we echter weinig gêne. Ik roep u op om dat te voorkomen en het voorzorgsprincipe maximaal te hanteren.

Het toepassingsgebied is te smal, minister-president. Ik heb het dan over de transit tussen handel en verzekeringen.

Tot slot wil ik het nog hebben over het vorderingsrecht van de vredesbeweging of van humanitaire organisaties zoals Amnesty International. Zij krijgen geen vorderingsrecht in Vlaanderen om bepaalde beslissingen van de Vlaamse Regering aan te vechten. Dat is jammer. U verwijst daarvoor naar de Raad van State. Ik vind dat een beetje mager. In veel andere sectoren, bijvoorbeeld in de milieusector, voorziet u wel in mogelijkheden waarbij de civiele samenleving kan optreden via georganiseerde structuren en via het door u zeer geliefde middenveld. Hier vermijdt u dat.

Tot slot, minister-president, roep ik u op om volledig te zijn in de verslaggeving aan het Vlaams Parlement, niet alleen over toegepaste maar ook over geweigerde vergunningen. Ik weet dat u daar een andere mening over hebt.

Ik wil niet dat morgen in een conflict in het Midden-Oosten of de Maghreb, Vlaams wapentuig, al is het toegepast, over het beeld schuift. Dat is mijn zorg, niet omdat ik het Vlaams bedrijfsleven dat niet gun maar omdat dit land toch het slagveld was van de Eerste Wereldoorlog. Over anderhalf jaar zullen wij terecht met veel poeha en met veel eerbied de gesneuvelden van 1914-1918 herdenken. Ik vind dat Vlaanderen tegen dan het modelland in Europa moet zijn dat streeft naar weinig wapenhandel en een sterk pacifisme. Ik hoop dat u dat zult uitdragen in uw uitvoeringsbesluiten.

De voorzitter

De heer Creyelman heeft het woord.

Frank Creyelman

Voorzitter, geachte leden, als we het bij dit ontwerp van decreet hebben over de Vlaamse wapenhandel, dan moeten we dat toch eerst even relativeren. In wezen bestaat de Vlaamse wapenhandel niet. Er zijn enkel hoogtechnologische toepassingen die ook in wapensystemen kunnen worden gebruikt. U kent ze allemaal: beeldschermen, aardobservatiesystemen en dergelijke meer, en hier en daar wat primaire goederen, zoals rupsbanden, die ook in militair materiaal worden gebruikt. Als ik het in mijn betoog dus over de Vlaamse wapenhandel heb, dan is die relativering wat mij betreft altijd aanwezig.

Vlaanderen kent dus geen expliciete wapenhandel, dit in tegenstelling tot onze Waalse wapenbroeders – bij wijze van spreken –, die onder meer via FN nadrukkelijk op die wereldwijde markt aanwezig zijn. Dat simpele feit is natuurlijk de hoofdreden waarom het Waalse Gewest een hele tijd geleden vragende partij was voor een regionalisering van de wapenhandel. FN staat in dezen in Wallonië misschien zelfs niet voor Fabrique Nationale, maar voor een soort Waals Front National.

Als we een dergelijk ontwerp van decreet ontwikkelen, dan is het altijd opletten geblazen en moeten we een evenwicht zoeken tussen een aantal ethische factoren, zonder daarbij de economische factoren uit het oog te verliezen. Onze fractie onderschrijft die ethische factoren van dit ontwerp van decreet, maar kan zich niet vinden in een aantal clausules waarin Vlaanderen alweer heiliger wil zijn dan de paus, in de mate dat die paus natuurlijk nog heilig is. In dat verband zijn er geen zekerheden meer.

Dit ontwerp van decreet is een vrij correcte omzetting van de Europese richtlijn. Daarnaast worden de toetsingscriteria uit het Gemeenschappelijk Standpunt voor export buiten de Europese Unie in het ontwerp verankerd. Het positieve daaraan is dat er binnen de EU een bijna gelijk speelveld mogelijk wordt gemaakt voor onze bedrijven. We steunen dan ook grotendeels de wijze waarop het ontwerp de Europese regels omzet in ons recht, en hopen dat de wijze waarop de regering het toekomstige decreet zal toepassen ook in de praktijk zal zorgen voor de mogelijkheid voor onze bedrijven om eerlijk te concurreren met bedrijven uit andere Europese landen.

Toch kent dit ontwerp onzes inziens enkele gebreken bij de regeling van de extracommunautaire uitvoer. Een belangrijk gebrek is voor ons de catch-all. We hebben het daar in de commissie uitgebreid over gehad. Ik zal dat niet opnieuw doen.

Ik heb het bij het begin van mijn betoog al gezegd: Vlaanderen kent eigenlijk geen echte wapenindustrie. Vlaamse bedrijven zijn veelal toeleveranciers. Het is dan ook bijzonder moeilijk voor Vlaamse bedrijven om van hun afnemers wederuitvoerverplichtingen af te dwingen. Ook kennis van de uiteindelijke eindgebruiker is in dergelijke gevallen vrijwel onmogelijk. Vlaanderen kent in feite geen echte wapenindustrie, maar er zijn wel hoogtechnologische toepassingen die aan wapens kunnen worden toegevoegd om die slagkrachtiger en preciezer te maken.

Als ik nu een heel cynisch persoon was, wat ik uiteraard niet ben, dan zou ik daar zelfs aan kunnen toevoegen dat men, dankzij die Vlaamse hoogtechnologische inbreng in de wapenindustrie, wapens veel gerichter kan gebruiken zonder al te veel ‘collateral damage’, zonder al te veel onschuldige slachtoffers te maken. Vandaag vernamen we via de media dat de nummer twee van al-Qaida werd uitgeschakeld door een Amerikaanse drone. Vroeger zou men daar het halve land voor hebben platgebombardeerd. Hoeveel mensenlevens zou het uitschakelen van die terrorist hebben gered? Zou het kunnen dat in de drone Vlaamse technologie schuilt? Zo maakt OIP Sensor Systems bijvoorbeeld systemen voor wetenschappelijk onderzoek en aardobservatie, voornamelijk voor de ruimtevaart, maar die zijn natuurlijk ook bijzonder interessant in zo’n drone.

Wat is nu het beste? Moeten we nu meer in plaats van minder Vlaamse wapengerelateerde technologie uitvoeren? Natuurlijk niet, dit was de cynische benadering van dit gegeven. Ook onze fractie heeft natuurlijk oog voor het ethische aspect van wapengerelateerde handel, maar wat ik heb willen aantonen, is dat die ethische principes verpakken in een decreet in de praktijk niet altijd werkt. Onze fractie zal, omwille van die aangehaalde redenen, dit ontwerp van wapenhandeldecreet dan ook niet goedkeuren.

Bart Caron

Mijnheer Creyelman, uw opmerking over die drones is wat demagogisch. Ook wij zijn niet tegen het gebruik van drones als we weten waarvoor, voor welk leger die eventueel ingebouwde Vlaamse toepassingen worden gebruikt. Het kan zijn dat ze worden gebruikt voor internationale toepassingen waar de Verenigde Naties ook achter staan. Dan is het ook zinvol. We zijn niet tegen de productie, we zijn voor inzicht in de productie. Waar komt dit terecht? Waarvoor wordt het gebruikt? Dat is het verschil.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel

Voorzitter, minister-president, geachte leden, zoals ik al zei in de commissie vinden wij het positief dat dit onderwerp er überhaupt is en dat de Europese richtlijn tegen 30 juni in werking zal kunnen treden. De deadline voor omzetting werd net niet gehaald in 2011, maar goed, dit is er nu en dat stemt ons tevreden.

In globo vinden wij het ontwerp van decreet vrij goed, omdat het een mooie poging is om de economische belangen van de Vlaamse bedrijven en bevolking te verzoenen met criteria op het vlak van ethiek en mensenrechten, om in te kunnen gaan tegen binnenlandse repressie, en om een zicht te hebben op wat er precies gebeurt inzake wapenhandel. In die zin vinden wij het een vooruitgang, maar ik wil toch stellen dat het voor ons niet perfect is. Er blijven twee knelpunten: de ‘catch-all’ en de wederuitvoerverbintenis. Op die beide punten was er een opportuniteit om voor de bedrijven onnodige administratieve lasten op te ruimen. Die kans heeft men laten liggen. Dat vinden wij jammer.

De Vlaamse Regering beweert altijd dat ze de concurrentiekracht van de innovatieve bedrijven belangrijk vindt, maar zeker in een beweeglijke sector als die van de technologie is de niet-kostengerelateerde competitiviteit cruciaal en de regeldrift van de Vlaamse overheid en de administratieve last die daaruit voortvloeit, zijn daar een rem op. Ik begrijp wel dat het niet zomaar om regeldrift gaat – sommige collega’s zouden mij misschien verwijten dat ik het zo simpel stel. Maar doordat veel van die administratieve last bij de bedrijven komt te liggen, waar de overheid eigenlijk de praktische kant zou kunnen behandelen, is dit negatief voor de bedrijven.

Wat de ‘catch-all’ betreft, heb ik de meerderheid vaak horen verwijzen naar een Europees ‘level playing field’. Dat is ook voor ons een streefdoel, maar aangezien er op dit moment nog geen volledige harmonisatie is tussen de lidstaten van de regels voor uitvoer van de ‘dual use’-producten, zit je daar een beetje vast. Er is wel een verplichting om een vergunning aan te vragen op basis van de Europese verordening rond ‘dual use’-goederen. Het gaat om goederen die militair kunnen worden gebruikt en die noodzakelijk zijn in bepaalde systemen. Die verordening bevat een uitgebreide lijst van goederen, die regelmatig wordt geactualiseerd.

Als we in Vlaanderen strenger willen zijn dan die Europese afspraken, mij goed, maar dan is de ‘catch-all’ niet het meest gelukkige instrument, aangezien er nog onzekerheid blijft voor de bedrijven. Ons voorstel om de Vlaamse Regering de mogelijkheid te geven om dan maar een aanvullende lijst van ‘dual use’-goederen op te stellen, was er precies op gericht om de administratieve last bij de Vlaamse overheid te leggen, en niet bij de bedrijven en hun buitenlandse klanten, kwestie van de rechtszekerheid te verhogen en het concurrentienadeel weg te werken.

Tijdens de hoorzittingen was men duidelijk: de ons omringende landen leggen geen vergunningsplicht op voor heel wat producten die in Vlaanderen onder de ‘catch-all’ vallen. Het argument dat de markt te beweeglijk is en dat zo’n lijst niet toelaat om flexibel op evoluties in te spelen, snijdt volgens ons geen hout, want dan is de Europese lijst van ‘dual use’- goederen ook betekenisloos.

Wij zijn uiteraard tevreden met een principe zoals dat van de wederuitvoerverbintenis, teneinde zicht te kunnen hebben op de beweging, maar de vertegenwoordigers van de technologische industrie waren tijdens de hoorzittingen niet mals voor de voorgestelde tekst en bestempelden hem als commercieel zeer schadelijk, weinig reëel effect voortbrengend enzovoort.

Ons amendement wilde de a-prioriverplichting om zo’n wederuitvoerclausule te hebben, verlichten. En dat hoeft niet te betekenen dat de controle van de overheid vervalt. Het zou hoe dan ook mogelijk blijven dat de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid extra garanties kan eisen op het vlak van eindgebruik, ongeacht het land van eindgebruik. Opnieuw heeft men hier nagelaten om een administratieve drempel zo laag mogelijk te leggen en de overheid te verplichten om zelf enige flexibiliteit in te bouwen wanneer ze redenen tot bezorgdheid heeft.

Ook voor de betrokken diensten van de Vlaamse overheid was een scherpere focus beter geweest, lijkt ons. Zij zijn onmogelijk in staat om al die eindgebruikerclausules waterdicht te controleren.

Wij zijn ervan overtuigd dat die twee bepalingen in het ontwerp van decreet onze technologische bedrijven schade zullen toebrengen. Er zijn namelijk afnemers die weigeren om een hele administratieve procedure te doorlopen voor producten die op geen enkele lijst staan, noch de militaire lijst, noch de ‘dual use’-lijst, noch een specifieke lijst uit de regio van herkomst van de producten, in dit geval Vlaanderen.

Vergeten we niet dat de klanten van onze hoogtechnologische bedrijven tientallen of honderden toeleveranciers hebben, die elk één of meerdere onderdelen leveren voor een geïntegreerd systeem. Het is dus een illusie te denken dat een van die leveranciers in staat zal zijn een wederuitvoerverplichting op te leggen. Daarom zal onze fractie zich onthouden bij deze stemming.

Bart Caron

De Verenigde Staten van Amerika zijn op het vlak van exportvergunningen en wederuitvoeringen veel strenger dan Vlaanderen, België of Europese landen. Ze doen dat natuurlijk niet alleen uit humanitaire overwegingen, maar ook voor hun eigen internationale belang. Dus, om nu te zeggen dat we de lat hoog leggen…

Ik wil iets lelijks zeggen tegen de collega’s van het Vlaams Belang. Ik vind het zeer merkwaardig dat het Vlaams Belang een rist amendementen indient die allemaal gebaseerd zijn op de standpunten van Agoria. Daar moet ik eens diep over nadenken. (Opmerkingen van de heer Joris Van Hauthem)

De voorzitter

Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters

Voorzitter, collega’s, ik ben zeer blij dat voor deze delicate materie heel grondig parlementair werk is verricht. We zijn vertrokken van een ontwerp dat is overlegd binnen de Vlaamse Regering en ook met de parlementsleden van de meerderheid. Dan heeft de oppositie bij monde van de heer Caron een voorstel ingediend, waarover we uitgebreid hebben gediscussieerd. Er zijn ook heel wat amendementen ingediend.

Ik denk dat wij na een zeer zware namiddag met de goedkeuring van dit ontwerp van decreet, hopelijk, hebben aangetoond dat we ook in zeer delicate dossiers zoals dit het evenwicht vinden. Ik begrijp heel goed dat dit decreet moet worden uitgevoerd. De uitvoeringsbesluiten zijn belangrijk. In de praktijk moeten we dit evenwicht ook realiseren. Ik zal daarover samen met de diensten heel zorgvuldig waken.

Het Vlaams Parlement toont met de goedkeuring van dit ontwerp van decreet aan dat we na een zeer uitgebreide parlementaire bespreking komen tot een oplossing die bij vriend en vijand respect afdwingt, zoals ik begrepen heb, ook bij de oppositie. De oppositie heeft voorstellen geformuleerd, waarop ik ook uitgebreid heb proberen te antwoorden, uit respect voor al wie amendementen indient, en waarvoor dus dank.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 1371/6)

– De artikelen 1 tot en met 27 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement op artikel 28. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 1371/7)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen 29 tot en met 54 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.