U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport, het voorstel van decreet van de heren Peter Gysbrechts en Marnic De Meulemeester, mevrouw Patricia Ceysens en de heer Sven Gatz houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2007 inzake medisch en ethisch verantwoorde sportbeoefening, het voorstel van decreet van de heer Bart Caron en mevrouw Elisabeth Meuleman houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2007 inzake medisch en ethisch verantwoorde sportbeoefening, wat de sanctionering van elitesporters betreft, het voorstel van decreet van mevrouw Ulla Werbrouck houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2007 inzake medisch en ethisch verantwoorde sportbeoefening en het voorstel van resolutie van de heren Peter Gysbrechts en Marnic De Meulemeester, mevrouw Patricia Ceysens en de heer Sven Gatz betreffende het Vlaams beleid voor een dopingvrije sport, die door de commissie in samenhang zijn behandeld, met dien verstande dat het ontwerp van decreet als basis voor de bespreking is genomen. Wij volgen hier dezelfde werkwijze.

De algemene bespreking is geopend.

De heer D’Hulster, verslaggever, heeft het woord.

Steve D'Hulster

Voorzitter, collega’s, de afgelopen weken heeft dit ontwerp van decreet een heel traject afgelegd in de commissie Sport. Een verslag van al die werkzaamheden vindt u zeer volledig terug in het schriftelijk verslag. Gezien het grote belang van dit decreet vond ik het toch wel gepast om vandaag een aantal krachtlijnen over de totstandkoming en de inhoud van dit ontwerp van decreet mee te geven. U zult via uw mogelijke uiteenzettingen het plaatje kunnen vervolledigen.

De commissie Sport besprak het ontwerp van decreet over de preventie en bestrijding van doping in de sport op 19 april, op 3 en op 10 mei 2012. Op 19 april werd het ontwerp van decreet toegelicht door de minister. Op 3 mei werd er een hoorzitting georganiseerd en op 10 mei volgde de algemene en artikelsgewijze bespreking en stemming in de commissie.

Voorafgaand aan de indiening van het ontwerp van decreet namen verschillende parlementsleden, in hoofdzaak naar aanleiding van de zaak Wickmayer en Malisse, reeds het initiatief om wijzigingen voor te stellen in de regelgeving betreffende de dopingbestrijding en betreffende medisch en ethisch verantwoorde sportbeoefening. Deze initiatieven werden niet eerder in behandeling genomen omdat de commissie wachtte op een gecoördineerd initiatief van de minister, afgestemd met de internationale organisaties en met de drie gemeenschappen van de Belgische federatie.

Tijdens de bespreking van het voorliggende ontwerp van decreet werd aan de indieners van deze initiatieven de gelegenheid gegeven om hun ideeën af te toetsen met de regelgeving die in het ontwerp van decreet werd voorgesteld, die door het aannemen van voorliggend ontwerp van Antidopingdecreet impliciet werden verworpen.

Eind 2009 zette de zaak rond Wickmayer en Malisse de spelregels van de zogenaamde whereabouts op de helling. Er moest op dat ogenblik snel werk worden gemaakt van nieuwe spelregels, maar tegelijkertijd moest er ook de tijd worden genomen om grondig te bezinnen over mogelijke nieuwe modaliteiten.

Bij de toelichting in de commissie over de gevolgen van het arrest van de Raad van State van 15 februari 2012, werd de commissie uitvoerig ingelicht over de complexe juridische context waarin dit alles zich afspeelt en werden ook de beperkte keuzemogelijkheden toegelicht. De commissieleden toonden zich samen met de minister voorstander van een snelle bespreking van een nieuw decreet waarin alles kon worden geregeld. Ook in de beleidsnota Sport werd voorzien om de regelgeving op het gebied van dopingbestrijding af te zonderen in een apart decreet, dit vooral om de regelgeving eenvoudiger en toegankelijker te maken en beter te kunnen anticiperen op de toenemende internationale ontwikkelingen. Vooral dan met het oog op het veiligstellen van de zogenaamde WADA-conformiteit (World Anti-Doping Agency) van de Vlaamse Gemeenschap als Nationale Anti-Doping Organisatie (NADO), drongen er zich verschillende wijzigingen op.

Het voorliggende ontwerp van decreet kwam tot stand in nauw overleg en met medewerking en goedkeuring van de Vlaamse Sportfederatie (VSF), de ‘atletenvakbond’ Sporta, het Vlaams Doping Tribunaal, de disciplinaire organen van de Vlaamse Gemeenschap, het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) en niet het minst het WADA.

België is het enige land ter wereld dat vier NADO’s heeft. In het kader van competities, vooral in ploegsporten, is het absoluut noodzakelijk dat de sporters in eigen land op eenzelfde wijze onderworpen worden aan onder andere de whereaboutsverplichtingen. Op 29 februari 2012 werd het decreet op het nieuwe samenwerkingsakkoord aangenomen door het Vlaams Parlement. Het akkoord regelt eindelijk eenzelfde behandeling van de elitesporters in heel België. Dat heeft heel wat voeten in de aarde gehad.

Het fundament van een daadkrachtige dopingbestrijding ligt voor de minister in een afgelijnde regelgeving, waarin de rechten en plichten, taken en verantwoordelijkheden van eenieder, namelijk sporters, begeleiders, ploegverantwoordelijken, sportverenigingen en de overheid, duidelijk zijn afgebakend. De volgende doelstellingen worden daarom in het ontwerp van decreet vooropgesteld: het afbakenen van de antidopingregels met het oog op een toegankelijke regeling, het behoud van nuttige en doeltreffende regelgeving, de responsabilisering van de sportverenigingen, het verminderen van de administratieve last, de verfijning van de regeling inzake verblijfsgegevens en internationale en intranationale harmonisatie. Enerzijds moeten daartoe in het nieuwe decreet de reeds bestaande antidopingbepalingen, die nuttig en doeltreffend zijn gebleken, uit het decreet van 2007 op een gestructureerde manier worden overgenomen. Anderzijds zullen in het nieuwe decreet de beoogde wijzigingen en vernieuwingen worden aangebracht in het regelgevende kader. Het betreft verschillende verduidelijkingen, vereenvoudigingen en technische wijzigingen die de regelgeving toegankelijker maken en de zogenaamde WADA-conformiteit van het Vlaamse sportlandschap veiligstellen.

Daarnaast draagt het ontwerp van decreet twee belangrijke principiële vernieuwingen in zich. In de eerste plaats is dat de verfijning van de hele regeling over de zogenaamde whereabouts, het invullen van de verblijfsgegevens, en daarnaast een aantal aanpassingen met betrekking tot de disciplinaire procedures en sancties. In het toekomstige decreet zal slechts een beperkte categorie van elitesporters gedetailleerde whereabouts moeten invullen. Er wordt een onderverdeling gemaakt in de categorieën A, B, C en D.

In het decreet van 2007 werd de verplichting om gedetailleerde verblijfsgegevens mee te delen opgelegd aan alle elitesporters die, ongeacht hun nationaliteit, hun woonplaats hadden binnen de grenzen van de Vlaamse Gemeenschap. Die regeling werd als te ruim ervaren door de sportverenigingen en de betrokken elitesporters. Aan bepaalde elitesporters werd meer informatie gevraagd dan strikt nodig was om hen op een doeltreffende wijze buiten competitie te controleren. Andere elitesporters moesten informatie geven, terwijl het in hun sport objectief gezien eigenlijk geen zin heeft om buiten competitie doping te gebruiken.

Het huidige ontwerp van decreet wil een aangepast proportioneel en evenwichtig stelsel van verplichte mededeling van verblijfsgegevens – whereabouts – instellen, in overeenstemming met het nieuwe samenwerkingsakkoord, om de inmenging in de privacy van de elitesporters te beperken tot datgene wat volstrekt noodzakelijk is.

De elitesporters zullen dus worden ingedeeld in vier categorieën, A, B, C en D, waarbij de onderverdeling gebaseerd is op enerzijds de dopinggevoeligheid van bepaalde sporttakken en anderzijds de vraag of de plaatsen waar de sporters trainen al dan niet gemakkelijk te lokaliseren zijn. De elitesporters van categorie A zijn onderworpen aan alle vereisten qua verblijfsgegevens. In de praktijk wordt hun aantal teruggeschroefd, van bijna 700 volgens het decreet van 2007 tot 170. De categorieën B en C gelden respectievelijk voor individuele sporten en voor ploegsporten waarvan de sporters aan minder strenge vereisten qua verblijfsgegevens onderworpen zijn, omdat ze gewoon gemakkelijker te lokaliseren zijn. De sporters van categorie D zijn de sporters die aan geen enkele vereiste qua verblijfsgegevens onderworpen zijn, vanwege het lage risico op doping buiten competitie en omdat ze geen deel uitmaken van een doelgroep, terwijl ze toch onderworpen zijn aan de verplichtingen met betrekking tot de toestemming wegens therapeutische noodzaak.

Als elitesporters van categorie B of C hun verplichtingen niet naleven, kunnen ze wel tijdelijk worden gerangschikt in een hogere categorie, met dus strengere verplichtingen. Belangrijk is dat de NADO verplicht is om de elitesporters die verblijfsgegevens moeten meedelen, daarvan in kennis te stellen.

De andere grote, principiële vernieuwing in het decreet is die van de disciplinaire procedures en sancties. De organisatie van tuchtprocedures voor elitesporters wordt volledig overgelaten aan de sportverenigingen. Sportverenigingen en sportfederaties worden dus verder geresponsabiliseerd met betrekking tot het dopingtuchtrecht, zoals diverse leden van de commissie hebben gevraagd. Terwijl in het decreet van 2007 nog een passieve beleidscontrole werd uitgebouwd door de Vlaamse Regering, met een uitgebreide lijst van erkenningsvoorwaarden, wordt er in het ontwerp van decreet voor gekozen om de interne organisatie van tuchtprocedures betreffende dopingpraktijken gepleegd door elitesporters, zónder bijkomende erkenningsvoorwaarden, volledig over te laten aan de sportverenigingen. Voor de elitesporters blijft tegen de disciplinaire beslissingen van hun sportvereniging de mogelijkheid van hoger beroep bij het Tribunal Arbitral du Sport (TAS) bestaan. Dat blijft de laatste instantie. De mogelijkheid om binnen de Vlaamse sportfederaties ook te voorzien in een eigen beroepsprocedure blijft bestaan, maar dat wordt overgelaten aan de sportfederaties zelf. Om juridisch-technische redenen die uitvoerig werden toegelicht, zowel in de commissie als in de memorie van toelichting, is het niet wenselijk die verplichting op te nemen in het ontwerp van decreet.

Concluderend meent de minister dat met het voorliggende ontwerp van decreet een stap in de goede richting werd gezet, een stap naar een betere en meer efficiënte dopingbestrijding in Vlaanderen. Hij heeft daarbij rekening gehouden met opmerkingen van commissieleden, commentaren van sportverenigingen, sportfederaties en atleten, met de opmerkingen van de Raad van State en van de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, die van de andere gemeenschappen en vooral ook met die van het WADA, waarmee in een goede verstandhouding regelmatig contact werd gehouden. Intussen worden de uitvoeringsbesluiten voorbereid, zodat de nieuwe regeling hopelijk nog in 2012 kan worden toegepast. In 2013 zal dan werk worden gemaakt van de herwerking van de overige bepalingen van het decreet op het medisch en ethisch verantwoord sporten, zodat ook dat onderdeel overeenkomstig de beleidsnota gerealiseerd zal zijn.

Een aantal commissieleden vroegen vanwege de ingewikkelde juridische materie een hoorzitting om het standpunt in te winnen van enkele deskundigen. Na intern overleg besloot de commissie om op 3 mei 2012 een hoorzitting te organiseren met de heer Bart Vanreusel, voorzitter van de Vlaamse Sportraad, mevrouw Geraldine Mattens, algemeen en juridisch directeur van de VSF, en de heer Dimitri Dedecker, jurist bij het advocatenkantoor De Bock & Baluwé.

Ook van die hoorzitting is een uitgebreide weergave terug te vinden in het schriftelijke verslag. Als grote lijn wil ik meegeven dat de houding van de Vlaamse Sportraad en de VSF overwegend positief was ten aanzien van het ontwerp van decreet. Advocaat De Decker heeft zich op een aantal punten wel kritisch uitgelaten. Zo plaatste hij onder andere een aantal kritische bedenkingen bij de strikte WADA-code zelf en juridische draagwijdte ervan, bij het feit dat Vlaanderen kiest voor een strenge dopingreglementering en bij het principe van de ‘strict liability’ en alles wat met bewijslast te maken heeft.

Tijdens de bespreking van het ontwerp van decreet werden uitvoerige betogen gehouden door collega’s Deckmyn, Van Dijck, Werbrouck, Delva, Gysbrechts, Caron en D’Hulster. Mede op basis van de hoorzitting werden er door de commissieleden, vooral onder aanvoering van mevrouw Werbrouck, amendementen ingediend. Er is over die amendementen een uitgebreide gedachtewisseling geweest tussen de commissieleden en de minister. Op basis daarvan werden de meeste amendementen, op één na, ingetrokken.

Mevrouw Werbrouck wees mij er daarnet op dat de reden waarom amendement 6 werd ingetrokken, was dat het niet WADA-conform was, zoals de minister ook heeft toegelicht.

Amendement 5 van mevrouw Werbrouck en consorten werd wel aangehouden en ter stemming voorgelegd. Het werd verworpen met 8 stemmen tegen 4. Artikel 24 werd aangenomen met 8 stemmen bij 4 onthoudingen. Het ontwerp van decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport werd unaniem aangenomen met 12 stemmen. Door het aannemen van dit ontwerp van decreet worden de in samenhang behandelde initiatieven als impliciet verworpen beschouwd. (Applaus)

De voorzitter

De heer Gysbrechts heeft het woord.

Peter Gysbrechts

Voorzitter, minister, collega’s, ik hoef daar weinig aan toe te voegen. De zaken die wij zelf ingediend hadden – het voorstel van decreet en het voorstel van resolutie – zijn afgevoerd en overruled door het ontwerp van decreet. Wij hebben ons daarin kunnen vinden.

Voor de rest kan ik zeggen dat wij een heel opbouwende discussie hebben gehad. We waren er in de commissie al lang over bezig. We hadden een aantal terechte opmerkingen. Er zijn een aantal zaken besproken en uitgeklaard. We hebben dan ook geacht om het ontwerp van decreet mee goed te keuren in de commissie.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron

Ik wil mij aansluiten bij de vorige sprekers en een aantal principiële elementen opnieuw aanhalen. Het gaat over het feit dat we met onze regelgeving in Vlaanderen aansluiten bij de WADA-code. Als een normaal en volwassen sportland moeten we dat ook doen. Anderzijds blijven we toch met een aantal pijnpunten zitten met betrekking tot WADA. Dat is een bevoegdheid die ons in Vlaanderen ontsnapt. We kunnen moeilijk afwijken van dergelijke internationale verdragen. Toch blijk ik die bekommernis over proportionaliteit, rechtvaardigheid en eerlijke bestraffing hardop uiten.

Want het is natuurlijk een moeilijke kwestie om bij de dopingreglementering zaken zoals ongezond gebruik van doping, maar ook sportieve fraude af te wegen met de regels van privacy en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dopingcontrole op een intense manier organiseren, schaadt namelijk in zekere zin ook de privacy en de vrijheid van de sporters.

Aan de andere kant is dit ontwerp van decreet een stap die de whereaboutregeling wat preciseert en even strikt houdt voor topsporters, maar wat losser maakt voor mindere categorieën. Op zich komt dat tegemoet aan de vraag van de samenleving. We hebben echter wel wat moeite met de WADA-regel. Herinnert u, dames en heren, de bestraffing van een aantal sporters, ook in Vlaanderen, bijvoorbeeld Iljo Keisse. Ik zal niet voor of tegen pleiten, maar je kunt je afvragen of dat nu wel de goede manier van werken is. Hoe moeten we daarmee omgaan?

Internationaal kan ik u misschien de rare kuren van WADA of TAS illustreren aan de hand van de regeling rond bijvoorbeeld Alberto Contador. Dan blijkt dat de topsport nog wat professionaliteit mist en dat er nog wat aan kan worden bijgestuurd.

We zijn goede leerlingen in Vlaanderen en we doen daar dus goed aan mee. Laat dat duidelijk zijn, minister. Het is ook geen kritiek op u. De basiscriteria eerlijkheid, ethiek en gezondheid en de vorm waarin die worden gegoten, delen we.

Desalniettemin moeten we ook aandacht hebben voor de problematiek van de commercialisering van de sport. Er is namelijk een zeer merkwaardig fenomeen aan de gang. De overheid, in grote mate de belastingbetaler, betaalt de dopingbestrijding omdat de sport door een aantal sporters op een oneerlijke, frauduleuze manier wordt beoefend. Daar draait de samenleving voor op. Ik put uit het advies van de Vlaamse Sportraad om dat te zeggen. Tegelijk worden in een aantal sporttakken heel veel grote sommen geld verhandeld. Topsport is dus een grote commerce. Hier krijg je dus weer zo’n typische situatie waarbij de baten voor een heel kleine groep topsporters, maar soms ook clubs of omkadering in de privésector zijn, terwijl de lasten en de zorgen voor de samenleving of beter de belastingbetaler zijn. Dat is een pijnlijke zaak. Op lange termijn moeten dergelijke zaken worden aangekaart, zelfs in het kader van WADA. Het kan niet zijn dat de samenleving daarvoor moet opdraaien, terwijl een aantal andere mensen daar aan de andere kant maar al te gemakkelijk van af zijn. De sportwereld moet zelf zijn verantwoordelijk sterker nemen en de doping bestrijden.

Verder wil ik u vragen om die uitvoeringsbesluiten zo snel mogelijk toe te passen, zodat dat ontwerp van decreet kan worden geïmplementeerd in Vlaanderen. Ook wil ik de pijnpunten, de discussies en de evoluties via onze contacten met WADA zelf blijven aanvoelen.

Ten slotte blijf ik de bekommernis uiten over de toegankelijkheid van de rechtspraak bij doping. U weet dat we het er in de commissie over hebben gehad dat de sporters finaal naar het TAS in Lausanne moeten. Dat kost een topsporter een fortuin. Voor een topwielrenner of tennisser misschien geen probleem, maar voor veel andere, kleinere sporten waar niet zoveel geld omgaat, wel een probleem. Om daar de rechten van de verdediging af te dwingen, is die rechtsgang zeer duur. Daarom willen we onderzoeken in welke mate we in Vlaanderen zelf sportbonden kunnen toelaten – in onze tekst spreken we over opleggen – om een soort van beroepsprocedure in tweede aanleg te organiseren in Vlaanderen, onverminderd de bevoegdheid van het TAS wat de einduitslag betreft.

Desalniettemin moet daar nog een oplossing voor komen. Ik heb begrepen dat het ontwerp van decreet de sportbonden de mogelijkheid laat om dat zelf te organiseren. Dan rest nog de zaak dat we de toegang daartoe toch democratisch en rechtvaardig moeten houden. U kunt op onze steun rekenen.

De voorzitter

Mevrouw Werbrouck heeft het woord.

Ulla Werbrouck

Ik dank de verslaggever voor zijn uitmuntend werk.

Ik zal mijn betoog inkorten. In de commissie heb ik een uitgebreide uiteenzetting gegeven. Minister, ik heb u daar een aantal verduidelijkingen en antwoorden gevraagd die ik ook overwegend heb gekregen.

Bij de amendementen die ingediend werden, besloten wij als indieners gezamenlijk na het horen van uw antwoord om de amendementen desgevallend te handhaven of in te trekken. Wij konden daar vrede mee nemen.

Er kan op zijn minst gesteld worden dat de oppositie zich tijdens de bespreking van dit decreet van een opbouwende, constructieve kant heeft laten zien. De grond van de zaak is de inhoud van het voorliggend ontwerp van Antidopingdecreet.

Minister, in de commissie heb ik u duidelijk gemaakt dat het ontwerp van decreet absoluut goede punten bevat. Het bevat op een aantal punten wezenlijke verbeteringen ten opzichte van het decreet dat momenteel van kracht is. Ik som de belangrijkste nog even op.

De antidopingregels zullen eindelijk afgezonderd worden in een afzonderlijke regelgeving. Het ontwerp van het decreet vormt volgens onze fractie het middel bij uitstek om de gevolgen van het recente arrest van de Raad van State ter vernietiging van het Whereaboutsbesluit te vatten. De administratieve lasten voor heel wat van onze elitesporters zullen worden gereduceerd doordat de regeling inzake de verblijfsgegevens verfijnd wordt. De regelgeving wordt aangepast met het oog op nationale en internationale harmonisering.

Net als tijdens de commissiebespreking wil ik de nadruk leggen op een aantal zorgen van onze fractie. Onze eerste zorg betreft de whereabouts. De regeling die van kracht zal worden, is uitermate streng. Ik heb in de commissie al gezegd dat we u steunen in de reductie van het aantal volledig whereaboutsplichtige sporters en dat we tevreden zijn dat de sporters vanuit de categorieën B en C niet meer aan de volledige whereaboutsverplichtingen moeten voldoen.

Ik wil erop wijzen dat we in Vlaanderen wel weer een beetje verder gaan dan wat het WADA van ons vraagt. Het WADA eist geen tussenniveau. U hebt daarvoor een duidelijke onderbouwing weergegeven in de toelichting bij het decreet. Over het algemeen kunnen we dan ook stellen dat de reductie van 700 naar 170 volledig whereaboutsplichtige atleten een aanzienlijke vooruitgang is.

Ik wil het ook nog even hebben over de beroepsprocedure in eigen land. De heer Caron heeft het er al over gehad. Minister, u weet dat mijn fractie daar een heuse voorvechter van is. Wij zijn dan ook van mening dat een beroepsprocedure in eigen land en eigen taal mogelijk moet zijn. Onze fractie vindt het normaal dat men in Vlaanderen over zo’n eerste aanleg als beroepsmogelijkheid beschikt. Daarnaast bestaat er veelvuldige juridische kritiek op de werking van het TAS. Ik zie geen enkele juridische reden om geen beroepsmogelijkheid in Vlaanderen te organiseren. Er moet wel altijd een derde aanleg mogelijk zijn bij het TAS. Juridisch vormt het volgens ons geen probleem om dit in te schrijven in het ontwerp van decreet.

Minister, u stelde tijdens de commissiebespreking terecht dat het ontwerp van decreet een procedure van tweede aanleg helemaal niet uitsluit of verhindert. U vindt het niet wenselijk om dit te verplichten en u laat dan ook de vrijheid aan de sportverenigingen om dit zelf in te richten. Wij hebben ons amendement in de commissie gehandhaafd samen met de collega’s omdat we dit toch een belangrijk aandachtspunt vinden. Het werd niet goedgekeurd maar we hebben wel gehoord dat de Vlaamse Sportfederatie (VSF) erover nadenkt om een Vlaamse beroepsmogelijkheid in te stellen. Ik roep bij deze de VSF op om daadwerkelijk te voorzien in een Vlaamse beroepsmogelijkheid.

Wat het biologisch paspoort betreft, hebt u ons in de commissie duidelijkheid verschaft. Artikel 15 voert enkel de mogelijkheid in om het biologisch paspoort in te voeren. Onze fractie heeft begrip voor de internationale context waarin u de mogelijkheid voor het invoeren van het paspoort niet kunt uitsluiten. Onze fractie staat echter niet achter het gebruik van het biologisch paspoort omdat het wetenschappelijk nog niet volledig op punt staat. De invoering ervan mag dan ook niet leiden tot een heksenjacht op de Vlaamse topsporters.

Bovendien moeten de uitvoeringsbesluiten rekening houden met de algemene rechten en in het bijzonder met de privacy van de sporters. We hebben daar enkele voorbeelden van gegeven in de commissie. We hadden het over een trouwfeest of een regeling van een begrafenis. Minister, u weet waarover ik spreek. Ik hoop dat dit tot uiting komt.

Ik wil de verslaggever danken voor de toevoeging aan het verslag van de argumentering van mijn amendement nummer 6. Iemand die een uitspraak heeft gekregen van het TAS wordt op dit moment doorverwezen naar het Zwitserse recht. Wij wilden dat die persoon nog kon terugkeren naar de burgerlijke Belgische rechtbanken. U zei toen dat dat overbodig is en niet nodig. En dat als we dat zouden doen, we niet meer conform het World Anti-Doping Agency (WADA) zijn. Dat is nu verbeterd, maar er is een kleine verwarring ontstaan en daarom vraag ik het nog eens concreet: indien we een dergelijk voorstel indienen, riskeren we dan onze WADA-conformiteit omdat het WADA dat beroep bij een Zwitserse rechter na de uitspraak van het TAS oplegt, of is dat niet zo?

Minister, collega’s, onze fractie heeft het ontwerp van decreet in de commissie Sport mee goedgekeurd niettegenstaande de bekommernissen die ik zonet heb aangedragen. In de commissie heb ik dat uitvoeriger gedaan dan hier. Met mijn ja-stem wilde ik de vooruitgang van dit ontwerp van decreet ten opzichte van het huidige decreet onderkennen. Ondanks de bekommernissen die ik nog steeds heb, betreft het voorliggende ontwerp van decreet een heuse vooruitgang ten opzichte van de huidige situatie.

Wij verkregen ook de toezegging van de minister om in de uitvoeringbesluiten van het decreet de tegensprekelijke procedure uit te werken voor het geval dat sporters van de ene categorie naar de andere overgeplaatst worden.

Wie mij kent, weet dat ik eerder positief zal denken en mijn steun zal betuigen aan initiatieven die een verbetering inhouden ten opzichte van de huidige regeling. Maar mijn goedkeuring zal niet betekenen dat ik geen lawaai meer zal maken indien er een nieuwe zaak Wickmayer-Malisse zou ontstaan en indien zou blijken dat er nog steeds geen tweede aanleg zou zijn in Vlaanderen.

Minister, ik hoop dus dat u na een jaar uw decreet zult evalueren. Als er dan nog hiaten of problemen zijn, hoop ik dat u dan nog aanpassingen zult doorvoeren. U weet dat ik dit onderwerp van nabij zal blijven opvolgen. (Applaus)

De voorzitter

De heer Deckmyn heeft het woord.

Mijnheer Van Dijck, ik zal ook proberen om een positief geluid te laten horen want de oppositie is bij de bespreking van dit ontwerp van decreet, zoals mevrouw Werbrouck al zei, vrij kritisch maar toch relatief constructief geweest.

Voor het Vlaams Belang is dopingbestrijding een erg belangrijk gegeven. Het feit dat dit ontwerp van decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport vandaag ter stemming voorligt, is dus op zich al positief. Ik heb het tijdens de bespreking in de commissie al gesteld: alleen het feit dat dit ontwerp van decreet er nu is, is op zich al een verdienste.

Voor de meeste buitenstaanders zal dit decreet vooral in het oog springen als het decreet van de ‘whereabouts’, een term die vooral door de tennissers Wickmayer en Malisse enkele jaren geleden in het nieuws werd gebracht. De essentie van dit decreet ligt in artikel 6: “Alle sporters, begeleiders, ploegverantwoordelijken en sportverenigingen moeten zich op elk moment onthouden van dopingpraktijken.” Dat dit artikel 6 de essentie is, werd ons in de hoorzitting door de heer Vanreusel duidelijk gemaakt. Eigenlijk is dat de evidentie zelf. Maar dopingbestrijding in de sport is geen gemakkelijke zaak. Vaak loop je achter de feiten aan en strijd je met ongelijke middelen. Het is in dit licht dat je dit Dopingdecreet moet bekijken. De besprekingen in commissie en de hoorzitting die hierover werd georganiseerd, wezen duidelijk uit dat er bij meerdere artikels toch heel wat kanttekeningen konden worden gemaakt.

Nochtans was het voor de decreetgever de bedoeling om de regelgeving eenvoudiger en toegankelijker te maken. Het was ook de bedoeling om beter te kunnen anticiperen op de internationale ontwikkelingen die steeds meer spelen. Dan was het vooral de bedoeling om de zogenaamde WADA-conformiteit van de Vlaamse Gemeenschap als Nationale Anti-Doping Organisatie (NADO) veilig te stellen.

Het moet me hier wel van het hart dat de minister heel vaak teruggrijpt naar de WADA-conformiteit om zijn dossier te verdedigen. Ik zou het in zijn plaats misschien ook wel gedaan hebben, maar het viel toch op. Op zich kan ik hier een eindje in meegaan – u ziet, mijnheer Van Dyck, ik ben constructief – maar ik huiver wel voor het feit dat we op de duur een ontwerp van decreet schrijven dat louter en alleen rekening houdt met de WADA-conformiteit en daardoor enkele bestaande verzuchtingen in de Vlaamse sportwereld stiefmoederlijk behandelen.

Het was dus – ik ben daar eerlijk in, ik heb dat ook in de bespreking gezegd – met gemengde gevoelens dat het debat in die commissie werd gevoerd. Aan de ene kant drong een betere regelgeving zich op, maar aan de andere kant resulteerde dit soms in regelrechte staaltjes van juridische spitstechnologie.

Voorts blijft er nog heel wat voorbehoud bestaan over de verplichte mededeling van de verblijfsgegevens van de sporters en de onderverdeling van sporters in ABCD-categorieën. Het is zeker goed dat door de invoering van de categorieën het aantal elitesporters dat whereaboutsplichtig is, afneemt van 700 tot 170. De gedetailleerde whereaboutverplichting ten gevolge van het decreet van 2007 werd immers als veel te breed ervaren door de sportwereld, maar de onderverdeling in categorieën en de oorzaken voor strafbepaling lijken soms arbitrair te zijn. Ik stel me dan ook vragen bij de voorwaarden waaronder sporters in een strengere categorie geplaatst worden en hun verweermogelijkheden ertegen.

De Raad van State stelt dan weer in vraag of de passages die de WADA-regels omzetten, wel duidelijk genoeg de rechten en plichten definiëren. In de hoorzitting hieromtrent werd ook gezegd dat de definities van sportactiviteiten en van de sporter veel te ruim zijn.

Tijdens de commissiebesprekingen wees ik eveneens op het feit dat het goed was dat recreatieve sporters onder de nieuwe reglementering vallen. Doping tiert welig bij de recreatieve sporters, bijvoorbeeld de bodybuilders. Ook hiervoor moet men dus oog hebben, al moet men uiteraard ook wel opletten voor de gevolgen die bepaalde straffen kunnen hebben. Het kan niet zijn dat een recreatieve sporter dubbel gestraft wordt. De regeling moet dus ruimer kunnen gelden dan enkel voor de elitesporters, uiteraard met verschillende gradaties voor verplichtingen en controle.

Een ander heikel punt is het feit dat dit ontwerp van decreet het biologisch paspoort in Vlaanderen invoert. Ik moet zeggen dat dit biologisch paspoort op zich voor discussie vatbaar is. Ik kan alleen maar vaststellen dat men in de sport- en de medische wereld hieromtrent nog niet echt een eensgezind standpunt heeft. Ik blijf me dus – ook na de besprekingen in commissie – afvragen in hoeverre dit een echt objectieve controlemogelijkheid kan zijn.

Er werd tijdens de commissiebesprekingen ook gedebatteerd over het ontbreken van een tegensprekelijk debat over de samenstelling van het administratieve dossier van de sporter. Dit vertaalde zich dan ook in enkele amendementen. Ik onthoud daar vooral uit dat de minister ons plechtig beloofde om dit recht te honoreren, hoewel dat dit volgens hem niet noodzakelijk neerkomt op het recht om gehoord te worden.

Voor de elitesporters staat tegen de disciplinaire beslissingen van hun sportvereniging daarbij een mogelijk hoger beroep open bij het Tribunal Arbitral du Sport (TAS). Een dergelijk beroep is echter duur. Niemand zal ontkennen dat een beroep instellen bij het TAS voor vele sporters onhaalbaar is en bovendien onbetaalbaar. Een mogelijkheid tot tweede aanleg in eigen land – en in eigen taal uiteraard – zou in bepaalde gevallen misschien wel een verder beroep bij het TAS kunnen vermijden. Het is trouwens zo dat het WADA elk land de vrijheid biedt om een beroepsmogelijkheid in eigen land in te stellen.

Omtrent dit recht op een tweede aanleg in eigen land werd er op artikel 24 ook een amendement ingediend om dit aan te vullen met de zinsnede: “De sportverenigingen zullen inzake de disciplinaire bestraffing in een dubbele aanleg voorzien in Vlaanderen. Zij richten hiertoe disciplinaire organen op zetelend in eerste aanleg, en in raad van beroep.”

Dit amendement kon zeker de steun van het Vlaams Belang wegdragen. Jammer genoeg is het niet aangenomen. Dat is ook de reden waarom we ons bij de stemming over artikel 24 hebben onthouden.

Dit is een van de voorbeelden die aantonen dat het ontwerp van decreet zeker beter kan. De minister geeft dit in feite impliciet zelf toe. Hij stelt immers dat het voorliggend ontwerp van decreet een stap in de goede richting is op weg naar een betere en efficiëntere dopingbestrijding in Vlaanderen.

Ik zou willen besluiten met de stelling dat dit ontwerp van decreet nog veel vraagtekens oproept. Dit opent natuurlijk de weg naar rechtsgeschillen. Ik hoop dan ook dat de minister van Sport zich ertoe wil engageren het ontwerp van decreet en de gevolgen ervan op het terrein op relatief korte termijn te evalueren. De toepassing ervan moet op de voet worden gevolgd. Indien dat nodig zou blijken, moet snel worden bijgestuurd. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Steve D'Hulster

Zoals hier al eerder is gesteld, is en blijft de dopingstrijd een enorm moeilijk evenwicht. Enerzijds is de strijd voor een cleane sport voor mijn fractie enorm belangrijk. De maatschappelijke functie van sport in de samenleving valt nauwelijks te onderschatten. Sport betekent veel voor heel veel mensen. Het is belangrijk dat de sport clean wordt beoefend. Een strenge aanpak blijft dan ook nodig. We mogen niet verslappen. Anderzijds wordt sport, met inbegrip van topsport, door mensen beoefend. Sporters zijn mensen. De dopingstrijd heeft een grote impact op het menselijk leven. Dit is een component waarmee de overheid zeker rekening moet houden.

In het licht van dit evenwicht lijkt het ontwerp van decreet een grote stap voorwaarts. Het lijkt me logisch de regels samen te brengen. De opdeling in categorieën zit ook goed. Het aantal mensen die inzake de whereabouts aan zeer strenge vereisten moeten voldoen, wordt teruggedrongen. Ook de afspraken met de andere regio’s tonen aan dat we in de goede richting gaan.

Zoals de vorige spreker al heeft gesteld, moeten we nog heel wat dergelijke stappen zetten. Veel ontwikkelingen spelen zich immers boven ons hoofd af. We moeten de evoluties op de voet blijven volgen. Dit is nodig om tot een goed evenwicht tussen de strijd voor een cleane sport en een menselijke, proportionele aanpak ten aanzien van de sporters te komen.

Tot slot wil ik nog even de oproep van de heer Caron onderschrijven. De federaties en de verenigingen moeten met betrekking tot de tuchtprocedures hun verantwoordelijkheid nemen. Dat is een van hun belangrijke taken. Ik hoop dat dit ontwerp van decreet voor hen een aanzet zal vormen om hiertoe over te gaan.

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Voorzitter, niemand hoeft bevreesd te zijn. Ik ben gewoon naar voren gestapt omdat ik dan tenminste iedereen kan zien. Van op mijn stoel kan ik me enkel tot de voorzitter en de minister richten.

Ik zal het trouwens vrij kort houden. Ik wil in de eerste plaats de verslaggever danken. Ik ben zelf de laatste spreker. (Opmerkingen van de voorzitter)

De minister moet nog spreken. (Opmerkingen van de voorzitter)

Mijnheer Delva, mijn excuses. Ik dacht dat ik de laatste in de rij was.

Tot nu toe heb ik enkel positieve geluiden gehoord. Dat is, gelet op wat hier voorligt, zeker positief. Toch wil ik een paar kritische bemerkingen naar voren brengen. Ik wil geen stok in het hoenderhok gooien. Daarstraks is over de samenwerking tussen LDD en Groen gesproken. Dat werd dan ‘appelblauwzeegroen’ genoemd. Ik vind echter dat de heer Caron daarnet een echt liberaal pleidooi heeft gehouden. (Applaus bij de Open Vld en LDD)

Hij heeft, overigens niet onterecht, zelf de stok in het hoenderhok gegooid. Hij vraagt zich af of de dopingbestrijding enkel een taak van de overheid is. Volgens hem dragen anderen, die er veel geld aan verdienen, ook een verantwoordelijkheid. Dat klopt. Volgens mij is dopingbestrijding echter wel degelijk een rol van de overheid. Sport is maatschappelijk dermate belangrijk dat de overheid op dit vlak het voortouw moet nemen.

Dat kost inderdaad veel geld, maar sport is een dermate maatschappelijk relevant gegeven geworden. Er worden bladzijden over volgeschreven, sport is dermate maatschappelijk relevant dat de overheid niet aan de kant kan blijven staan.

Het is ook een ethisch gegeven, de ethiek van de sport. Het is er toch om te doen dat de besten mogen winnen. En de beste dat is hij of zij die de meeste talenten heeft, die het hardste traint, die het meeste inzet vertoont en die ervoor gaat. Degenen die met medailles gaan lopen, met de prijzen en met het grote geld omdat ze vals spelen, moeten we beteugelen.

Bart Caron

Mijnheer Van Dijck, ik kan dit alleen bekrachtigen, maar ik pleit niet voor een liberalisering van de dopingcontrole of van de dopingregeling. Ik pleit ervoor dat de grote internationale sportbonden, waar heel veel geld in omgaat, op termijn mee de dopingcontrole financieren en liefst via door de overheid opgelegde regels in een internationaal verband. Zo liberaal ben ik dus helaas ook weer niet.

Beste collega’s, ik denk dat we erin geslaagd zijn om een antwoord te bieden op een probleem zoals het probleem dat zich eind 2009 ook heeft gesteld. De prille, pas beginnende Vlaamse Regering met de nieuwe minister van Sport werd toen geconfronteerd met een heikel punt met betrekking tot de dopingbestrijding. Ik wil toch even in herinnering brengen dat er toen een paniekreactie door dit parlement ging. Men wilde toen een en ander snel-snel aanpakken. Gelukkig hebben we dat toen niet gedaan. Niet om de zaken te laten betijen, men zou kunnen zeggen ‘tijd brengt raad’, maar we hebben die tijd ook echt benut.

Ik onderken in dezen twee belangrijke elementen. Het eerste is de manier waarop Vlaanderen meewerkt in heel het gegeven van het WADA. Onze minister van Sport heeft een belangrijke rol gespeeld om de regelgeving WADA-conform te maken. Dat is niet onbelangrijk. Sport is een gemeenschapsbevoegdheid voor onze Vlaamse Gemeenschap, maar sport etaleert zich ook op mondiaal vlak.

Mijnheer Deckmyn, laat ons eerlijk zijn, wanneer we naar een dopingbestrijding willen gaan die niet aan de internationale normen en criteria voldoet, wat zullen wij dan zeggen tegen onze topsporters die niet meer internationaal kunnen of mogen optreden? Ik denk dat het kot hier – terecht – te klein zou zijn. Die internationale context, in de positieve betekenis van het woord, is belangrijk.

Ik kom tot het tweede element, en ik heb een vingerwijzing voor degenen die soms zeggen dat er met de N-VA geen rechte lijn te ploegen valt, laat staan dat we compromissen kunnen sluiten. Het is de eerste keer dat we binnen dit bevoegdheidsdomein een akkoord hebben kunnen sluiten met de drie gemeenschappen in dit land. Tot voor kort werden er discussies gevoerd over: “Waar is er strenge controle en waar niet? Waar zullen we onze wedstrijden organiseren? We zullen het maar in het zuiden van het land doen, want daar is de dopingcontrole van een andere aard dan in het noorden.” Welnu, we zijn erin geslaagd om de verschillende gemeenschappen op één lijn te krijgen van wat voor ons ethisch en maatschappelijk relevant is, en dat vanuit onze eigenheid en vanuit onze zelfstandigheid, mijnheer Van Rompuy. (Opmerkingen van de heer Eric Van Rompuy)

Dank u wel, mijnheer Van Rompuy, dat is zeker voor het verslag. (Gelach)

Ulla Werbrouck

Mijnheer Van Dijck, ik zou nog graag eens willen terugkomen op uw vorig punt. We willen inderdaad WADA-conformiteit hebben, maar aan de andere kant moeten we het WADA ook niet zomaar na-apen. Als het WADA iets vastlegt zoals gisteren, want ik heb in de krant gelezen dat het WADA de straffen zwaarder wil maken en naar vier jaar wil gaan, dan moet de minister van Sport toch eens gaan spreken met het WADA. Het gaat over heel veel mensen en heel veel zaken. We zijn voor nultolerantie, maar wie een straf heeft gekregen en heeft uitgezeten, zou ook vrij moeten zijn. Misschien moet worden nagedacht over een getrapte strafmaat, ik zou het niet weten, maar we mogen het WADA niet klakkeloos volgen, we mogen dat enkel doen tot op een bepaald niveau.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Voorzitter, collega's, mevrouw Werbrouck, wij mogen een en ander niet door elkaar halen. Zodra het WADA heeft beslist, hebben wij weinig keuze. Wij proberen wel voortdurend de beslissing van het WADA te beïnvloeden. Omdat ik in Europa inzake sport het voorzitterschap waarneem, heb ik met het WADA een zeer goede relatie opgebouwd. Wij proberen de opmaak van de WADA-code te beïnvloeden. Het WADA begint nu ook in te zien dat het geen zinvolle en efficiënte methode is om voor elke uitspraak van een NADO naar het TAS te stappen. Wij proberen bij het WADA een getrapte strafaanpak aan te kaarten. België en Vlaanderen zijn slechts klein, maar wij hebben bij het WADA aangetoond dat wij daar hard aan werken.

De WADA-code wordt herbekeken. In 2013 gaat de bespreking in Johannesburg door. Ten vroegste in 2014 komt er een nieuwe code. Ik zal de verschillende elementen die hier aan bod zijn gekomen daar aan bod brengen. Maar zodra de WADA-code er is, kan men niet zeggen dat men die niet kan toepassen. Dan moet men zich daarbij neerleggen. Die komt immers in een internationale context tot stand, en dat is ook een enorme meerwaarde. Als dat de grootst gemene deler is van een antidopingbeleid, dan mogen wij niet toestaan dat een NADO daarvan afwijkt. Op dat ogenblik moeten wij onze bezwaren terzijde schuiven. In elk geval hebben wij geen keuze, want als wij niet volgens de WADA-regels werken, mogen wij niet langer grote sportevenementen organiseren en kunnen onze sporters niet langer deelnemen.

Vooraf moeten wij maximaal lobbyen en u kunt daarvoor op mij rekenen. Wij zullen dat steeds opnieuw in de commissie bespreken, vooraf, om onze tussenkomsten bij het WADA voor te bereiden, en ook achteraf. Maar als er een beslissing is genomen, zullen wij er ons bij neerleggen, want alleen dan kunnen onze sporters deelnemen aan internationale sportevenementen.

Voorzitter, minister, collega's, ik sluit mij ten dele aan bij de kritiek van mevrouw Werbrouck. Ik huiver een beetje voor het ‘slaafs’ volgen van de richtlijnen van het WADA. Ik heb begrip voor uw standpunt. U hebt goede contacten en het is zo dat wij in een internationale context werken, maar de regelgeving die wij onze sporters opleggen moet op onze eigen standpunten steunen. Ik huiver dus een beetje voor de situatie waarbij wij onze regelgeving op maat van het WADA zouden aanpassen.

Mijnheer Deckmyn, wij tonen aan dat wij met respect voor de regels van het WADA een systeem hebben kunnen uitwerken dat internationaal hoge ogen gooit. De ABCD-filosofie, inclusief een administratieve vereenvoudiging, waarvan de basis het antidopingbeleid is, wordt in het buitenland onderzocht als een mogelijkheid om overal in te voeren. De heer Bart Vanreusel heeft dat ook gezegd.

Er zijn vandaag nog een grote openheid en mogelijkheden om dingen zelf in te vullen. Dat vind ik goed. Wij zijn op maat van Vlaanderen, in overleg met de andere gemeenschappen, tot een regeling gekomen die doping maximaal uitsluit, maar zonder dat we de administratieve lasten verhogen voor de sporters. Dat was de bedoeling van de commissie en het parlement, vorige keer en dit keer opnieuw.

Ik ben het ermee eens dat we WADA niet slaafs mogen volgen, maar tegen de contouren van WADA kunnen we ons niet verzetten, want dan sluiten we onze sporters uit. Ik denk niet dat iemand in dit halfrond zegt dat we dat moeten doen. We vullen in wat we kunnen, in het belang van het uitsluiten van doping en van administratieve eenvoud voor de sporters. Dat is niet altijd gemakkelijk, daarin hebt u 100 procent gelijk. Maar zoals we gisteren nog hebben besproken in de commissie Financiën en Begroting, kan een wetgeving moeilijker worden als je probeert te verfijnen.

Ulla Werbrouck

Minister, we zitten op eenzelfde lijn. Zodra de beslissing is genomen vanuit het WADA, moeten we er alles aan doen opdat onze toppers internationaal zouden kunnen blijven sporten. Dat is de eerste vereiste. Ik ben het er ook mee eens dat we voordien moeten lobbyen. Ik heb er alle vertrouwen in dat u dat gaat doen en dat u onze bemerkingen daar zult vertegenwoordigen.

Het debat heeft aangetoond dat er een grote uniformiteit is. Wij gaan het WADA niet slaafs volgen, wel rigoureus en zorgen dat we een voet tussen de deur hebben zodat onze bekommernissen mee verwoord zijn in de regelgeving van het WADA. We volgen niet, maar participeren en anticiperen, zodat ons Vlaams sportbeleid vruchten kan afwerpen.

Dit ontwerp van decreet geeft ruimte aan het sportveld. Ik verwijs naar de discussie over een eigen beroepsprocedure. We schrijven het niet in het ontwerp van decreet, maar wat er niet in staat, is ook niet verboden. We roepen de sportfederaties op om hun sporters niet de weg naar Lausanne naar het TAS te laten gaan, maar zelf voor een ordentelijke beroepsprocedure te zorgen. Ze kunnen dat. Om tegemoet te komen aan de bekommernissen van de heer Caron, benadruk ik dat de sportfederaties het ethisch aan zichzelf verplicht zijn om, niet alleen voor de bestrijding maar ook voor de opvolging, ten volle hun verantwoordelijkheid nemen. (Applaus bij CD&V, Open Vld, sp.a, de N-VA, LDD en Groen)

De voorzitter

De heer Delva heeft het woord.

Paul Delva

Ik wil de verslaggever danken voor het verslag waarin hij zowel de totstandkoming als de inhoud van dit ontwerp van decreet goed heeft uitgelegd. Het is belangrijk dat we de twee stappen die we onlangs hebben gezet, enerzijds het samenwerkingsakkoord tussen de gemeenschappen, waarnaar de heer Van Dijck verwees, en anderzijds dit ontwerp van decreet, goed samen blijven bekijken. Het ene kon niet zonder het andere. Sinds 2009, onder andere door het samenwerkingsakkoord en de stappen die de Vlaamse Gemeenschap heeft gezet naar de andere gemeenschappen, hebben we een hele weg afgelegd.

Ik ben heel blij, en ik sluit me aan bij een aantal collega’s, dat we ons in 2009 niet hebben laten opjagen door wat er gebeurde met Malisse en Wickmayer. De druk was enorm groot. De kans bestond om opnieuw in steekvlampolitiek te vervallen. We hebben dat niet gedaan. Het resultaat vandaag mag gezien worden.

Een belangrijke zorg voor ons was dat we zagen dat enkele talentvolle atleten overstapten naar een Franstalige federatie, omdat de lijst van de te controleren atleten in Vlaanderen ruimer was dan in de Franse Gemeenschap. Minister, ik heb u letterlijk gevraagd of er vandaag nog een risico bestaat dat enkele van onze talentvolle atleten die stap zouden zetten. U stelde ons gerust door te antwoorden dat sporters er vandaag geen voordeel meer bij hebben om in een andere gemeenschap tot een federatie toe te treden.

Het is natuurlijk belangrijk dat we nu nog een decreet hebben van 2007 inzake medisch en ethisch verantwoorde sportbeoefening. Dat decreet wordt wat onleesbaar door de schrapping van de dopingartikelen vandaag. Ik informeerde naar de timing en de minister heeft geantwoord dat hij daar werk wil van maken in 2013 en het decreet ook wil afronden voor het afsluiten van deze legislatuur.

In een notendop: zeer belangrijk voor ons is dat het samenwerkingsakkoord en dit ontwerp van decreet unanieme steun krijgen in dit parlement. De oppositie heeft een paar kritische bedenkingen. Dat is ook logisch en begrijpelijk. Desondanks was de stemming unaniem. Ik voel dat de sportsector eigenlijk tevreden is met het samenwerkingsakkoord en het ontwerp van decreet. Dat wil dus zeggen dat de minister een zeer breed draagvlak heeft gevonden voor deze belangrijke aangelegenheid, zowel binnen als buiten dit parlement. Dat is het resultaat van een gestructureerde aanpak. Ik denk dat dat alleen maar onze waardering kan genieten.

Ik wil iedereen, niet alleen vandaag, maar in heel de opbouw van dit ontwerp van decreet, danken voor de open discussie, zeker de heer D'Hulster die een zeer goed verslag heeft gegeven over een lange discussie. Mijnheer Deckmyn, ik herinner me dat u in de commissie zei dat het moeilijk is en misschien wel voer voor discussie, maar we moesten het WADA, de Raad van State, het Grondwettelijk Hof, de wensen van de commissie en andere gemeenschappen allemaal in één nieuw ontwerp van decreet proberen te vatten. Ik denk dat we daarin geslaagd zijn.

Ik wil nog even terugkomen op enkele elementen die hier naar voren zijn gebracht. Mijnheer Caron, u sprak over de inspectie en enerzijds de moeilijkheid om doping te bestrijden en anderzijds de menselijkheid, maar we mogen ook niet naïef zijn. Zij die willen frauderen, vinden enorm veel poortjes om te frauderen. Dat de inspectie er moet voor zorgen dat de eerlijkheid maximaal boven blijft drijven, daar ben ik het volkomen mee eens. Dat kan soms de indruk geven: is dit nog menselijk? Ik denk het wel.

Voor de commissie is regel één geen doping, en dat blijft zo. Er is de menselijkheid, zeker en vast, maar als daardoor doping mogelijk is, moeten we uitzoeken wat er wel of niet kan gebeuren. Men is vindingrijk.

Op het internationale aspect ben ik al dieper ingegaan. Het is goed dat er een WADA-code is. Het is goed dat we dat in heel dit land op dezelfde manier toepassen. Nog beter zou zijn dat we dat Europees of wereldwijd toepassen. Daar wil ik ook op dezelfde manier verder voor ijveren.

Ik wil nog even ingaan op het beroep, omdat dat het laatste amendement is dat enkele mensen hebben opgeworpen. Ik begrijp heel goed dat alle partijen hebben gezegd alle federaties op te roepen dat beroep te gebruiken. Laat me duidelijk zeggen: die mogelijkheid zit in het ontwerp van decreet. De verantwoordelijkheid van de federaties is heel belangrijk. Maar er zijn nog twee andere goede redenen om dat beroep niet in het ontwerp van decreet te schrijven. De kans bestaat dat je wordt beschouwd als een administratieve overheid als je dat gaat opleggen, en dat je daardoor de Raad van State een mogelijkheid geeft zich hierover uit te spreken. Ik heb er niets op tegen dat de Raad van State dat doet, maar als de Raad van State het laatste woord heeft, zijn we niet meer WADA-conform. Dat is de moeilijkheid waarmee we zitten, want het WADA zegt dat de laatste instantie het TAS is en het Zwitsers recht. Zelfs als ik zou willen, kunnen we alleen de discussie aanwakkeren. Dat is het laatste wat we moeten doen.

Sinds twee jaar heb ik vrij regelmatig contact met het WADA en ik merk dat men niet meer voor elke overtreding in beroep gaat bij het TAS. Ik had er begrip voor omdat er op die manier één rechtbank was, namelijk het TAS, die altijd uitspraak zou kunnen doen en dat men zo vermeed dat er een uitspraak was ‘à la tête du client’ al naargelang men in Vlaamse rechtbank zat, of een Spaanse of een Italiaanse. Omdat het WADA niet steeds in beroep gaat, is het maken van een eigen beroepsprocedure in Vlaanderen een interessant gegeven. Anders niet, want dan krijg je gewoon één stapje bij. Dan is er eerste aanleg, beroep in Vlaanderen en dan nog eens met extra kosten beroep in Zwitserland. Aangezien ik die wijzigingen zie, denk ik dat de federaties ook meer interesse zullen hebben om een beroepsprocedure in Vlaanderen te organiseren.

Ik denk dat ik met het biologisch paspoort de juiste weg heb gekozen. Ik heb het ook al in de commissie gezegd, maar mijnheer Deckmyn, u hebt het opnieuw aangehaald en daarom wil ik het er nog even over hebben. Ik bied via het decreet de mogelijkheid dat men bij de controle via het biologisch paspoort kan werken. Is dit al helemaal uitgewerkt? Neen, absoluut niet. Er zijn elf internationale federaties en negentien NADO’s die vandaag al werken met het biologisch paspoort. Als we het niet inschrijven in het decreet, kan morgen onze inspectie niet meedoen met de internationale federaties. Dat konden we ons niet veroorloven.

Mijnheer D’Hulster, het is juist als u zegt dat dit een stap in de goede richting is maar dat het niet is afgerond. Over doping zullen we het nooit afgerond hebben. Ik zie ieder jaar een nieuwe lijst met verboden producten. Ik zie ieder jaar nieuwe trucs om toch doping toe te passen. En ja, we zullen ons decreet aanpassen, niet alleen omdat het internationaal gevraagd wordt, maar ook omdat het nodig is. Die evaluatie zal automatisch gebeuren.

Mijnheer Delva, u vraagt naar het restdecreet en u zegt dat ik gegarandeerd heb dat het nog zou worden goedgekeurd. Ik heb alleen gezegd dat mijn deel van het werk af zal zijn. Ik heb het afgeleerd om in jullie plaats te zeggen wanneer iets wordt goedgekeurd. Ik heb alleen gezegd dat ik begin aan het restdecreet in 2013.

Ik wil afsluiten met het amendement 6 van mevrouw Werbrouck en een aantal andere mensen. Natuurlijk kan elke sporter altijd naar een burgerlijke rechtbank stappen. Je kunt geen sporter verhinderen om alle juridische procedures waarover iemand beschikt, uit te putten. Je moet dat niet in een decreet zetten. Ik ben geen jurist maar ik denk zelfs dat het verkeerd is dat wij zeggen naar welke rechtbank ze kunnen stappen.

Mevrouw Werbrouck, dit heb ik nog niet in de commissie gezegd maar een Belgische rechter kan alleen uitspraak doen over zaken op Belgisch grondgebied en niet over internationale zaken. U hebt misschien net als ik een baanwielrenner in gedachten die naar een Belgische rechter stapt die een schorsing opheft voor Belgisch gebied. Als we dat zouden inschrijven, heb je weer kans dat het WADA dat bekijkt als een aantasting van de filosofie dat het uiteindelijke rechtsorgaan het TAS is en de Zwitserse rechtbank. We moeten het er dus niet inschrijven omdat elke sporter het recht heeft om bij elke rechtbank eender welke klacht in te dienen. Als we het er wel inschrijven, bestaat de kans op een discussie over de WADA-conformiteit. Je schrijft het er dus best niet in. Het zou bovendien enkel een oplossing bieden voor het Belgische grondgebied en niet voor het internationale grondgebied.

Daarom doen we dat niet. Ik denk ook niet dat het nodig is, ik denk zelfs dat we dat niet kunnen, maar ik ben geen jurist. We vinden het niet nodig om in te schrijven dat elke sporter nog naar een Belgische rechtbank kan gaan.

Ik wil afsluiten met alle leden van de commissie te danken voor de constructieve samenwerking, maar ook voor het geduld. Ik ben me er goed van bewust dat we er onze tijd voor hebben genomen. Ik denk dat het nemen van onze tijd, als effect heeft gehad dat we een draagvlak hebben gecreëerd bij de sector, dat we met de andere gemeenschappen van dit land tot een consensus zijn gekomen en dat we ook voor WADA een voorstel formuleren dat uiteindelijk onze doelstelling – geen doping bij de sporters en zo weinig mogelijk administratieve last voor hen – kunnen realiseren. Mijn dank dus aan jullie voor deze constructieve samenwerking. (Applaus)

Ulla Werbrouck

Minister, ik wil nog even terugkomen op de beroepsprocedure in eigen land. We verschillen daarin van mening. Als we weten dat het TAS niet automatisch in beroep gaat, kan een beroepsprocedure in eigen land heel nuttig zijn. Als een sporter bijvoorbeeld geschorst is, hij gaat in beroep en de schorsing wordt bevestigd, dan weet de sporter al dat hij twee keer naar de rechtbank is gegaan, en dat hij niet meer naar het TAS moet gaan. Nu is het omgekeerd. Je bent voor de eerste keer gestraft, en dan moet je al onmiddellijk 50.000 euro geven. Het gaat me daarom. Alleen als we bepaalde mensen kunnen tegenhouden om naar het TAS te gaan, als het WADA niet altijd direct naar het TAS gaat, denk ik dat we dat moeten stimuleren. Als u het niet kunt doen, dan moeten we inderdaad nog eens aan de federaties vragen om de beroepsprocedure effectief voor te bereiden. Het is wel nuttig, maar dat wil effectief zeggen dat het TAS het laatste woord moet hebben. Ik heb daar geen probleem mee, maar ik wil dat er toch een beroepsprocedure mogelijk moet zijn.

Ik wil nog graag terugkomen op mijn amendement. We hebben dat amendement ingetrokken omdat u hebt gezegd dat het een overbodig amendement was. Je kunt inderdaad in ieder geval terugkomen, anders zijn we niet meer WADA-conform. Maar dat kan volgens mij niet. Als je opnieuw naar een Belgische rechter gaat, dan doet die toch geen uitspraak meer over de inhoud van de zaak, maar dan gaat het over subjectieve rechten.

Ik begin met uw laatste opmerking. Het mag. Je moet niet in een wet zeggen dat je naar een rechtbank mag gaan, en zeker niet dat je naar de arbeidsrechtbank mag gaan, of naar een andere rechtbank. Kijk maar naar alle processen die lopen. U kent het aantal processen dat sporters hebben aangespannen die problemen hebben gehad met de wetgeving van 2007. Je moet in een decreet niet zeggen dat je naar een Belgische rechtbank mag gaan, dat hoeft niet. Ik denk dat dat weer discussie zou uitlokken. Laat ons dat niet doen.

Over uw ander punt: als het WADA niet automatisch naar het TAS gaat, ben ik ook voorstander, juist zoals iedereen hier heeft gezegd, om in een beroepsmogelijkheid in Vlaanderen te voorzien. Ik denk dat onze standpunten niet zo ver uit elkaar liggen.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 1554/1)

– De artikelen 1 tot en met 74 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.