U bent hier

De voorzitter

Dames en heren, aan de orde is het actualiteitsdebat over de recente golf van ontslagen, de erosie van ons industrieel weefsel en de reactie daarop van de Vlaamse Regering.

Het debat is geopend.

De sprekers krijgen het woord gedurende tien minuten. De heer Penris heeft het woord.

Jan Penris

Minister-president, ik heet u van harte welkom – naar het schijnt is het de bedoeling dat ik dat doe. Ik heb vastgesteld dat de as Berlijn-Brussel zeer kort is geworden. U bent hier op tijd geraakt, waarvoor dank. Indien u er niet zou zijn geraakt, hadden we wel een aantal van uw collega’s over dit onderwerp kunnen interpelleren. Ik ben alvast blij dat u er bent.

Ik zal proberen niet te veel in herhaling te vallen. We hebben dit debat al voor een deel in de commissie Economie gevoerd. Toen waren er – mevrouw Ceysens, u herinnert zich dat vast wel – bekommernissen over twee belangrijke Antwerpse bedrijven: BASF, dat een miljardeninvestering aan zijn neus voorbij zag gaan, en Petroplus/BRC, dat waarschijnlijk de boeken zal moeten neerleggen.

Naar aanleiding van dat debat hebben we al gezegd dat het met onze Vlaamse industrie, en zeker met de grootindustrie binnen die economie, niet goed gaat. We staan op verlies wat een aantal belangrijke bedrijven betreft. We zijn Opel verloren en zijn vandaag Crown Cork in Deurne aan het verliezen, waar 322 banen op de helling staan. We hebben de investering bij BASF gemist. Daar waren redenen voor, waar we straks misschien op terugkomen. Petroplus/BRC staat op verlies. Alcatel-Lucent heeft recentelijk moeten inbinden. Ook Nokia Siemens, Van Hool, Bekaert, Duracell enzovoort, kunnen we in dat verband noemen.

De economen die dat fenomeen van nabij bestuderen en die ter zake waarschijnlijk meer beslagen zijn dan wij, zoals de heer Sleuwaegen, de heer Van Craeynest, de heer Vandermarliere, zeggen dat we nog meer verlies mogen verwachten, dat we nog meer zullen moeten incasseren en dat we in de grootindustrie wellicht 0,5 procent aan tewerkstelling zullen moeten inboeten. Dat is niet niks.

Ik weet ook wel dat er andere berichten zijn, dat er ook positief nieuws te rapen valt in de sector. Gelukkig maar. Ik heb vorige week zelf het voorbeeld van Total Fina aangehaald. Dat is een grote groep die bereid is om 800 miljard euro in Vlaanderen te investeren.

U laat vandaag in een bevriende krant publiceren dat het met de investeringen de afgelopen tijd niet zo slecht liep. Ondanks de verliezen die wij vandaag moeten incasseren, hebben wij ook wat nieuwe investeringen – voor een bedrag van 1,7 miljard euro en goed voor 3720 jobs – kunnen aantrekken.

Wij moeten vandaag toch vaststellen dat het met de ijzeren ruggengraat van onze economie – en dat is en blijft de maakindustrie voor mij – niet goed gaat. Op dat punt is de heer Bothuyne mijn medestander, zo bleek vorige week nog in de commissie. Wij hebben in dat verband een probleem. Wat doen wij eraan? U zei vorige week dat wij het Transformatie, Innovatie en Acceleratie Fonds (TINA-Fonds) hebben, dat 210 miljoen euro in kas heeft. U wacht op het moment dat kandidaat-investeerders bij dat fonds aankloppen. Er is ook een Industrieraad, die een nieuw industrieel beleid uittekent. Op federaal niveau is er zelfs een notionele aftrek, die bedrijven in ons land moet houden. En toch hebben wij een handicap en is onze Vlaamse maakindustrie bedreigd.

Economen zoals de heer Noels zeggen dat wij – als wij in die ijzeren ruggengraat geloven – maatregelen moeten nemen om de buitenwereld duidelijk te maken dat wij echt geloven in die ijzeren ruggengraat. Hij somt een en ander op. Blijf als Vlaamse Regering – en als regeringen in het algemeen – investeren in infrastructuur. Onze infrastructuur is niet slecht, maar ze kan worden verbeterd. Ik zou dat graag in de begrotingen vertaald zien. Blijf investeren in de vereenvoudiging van de wetgeving en de administratie. Wij hebben een Vestigingswet en wij hebben de commissie-Sauwens gehad waarmee wij de besluitvorming wilden vereenvoudigen. Maken wij daar echt wel werk van?

Ik krijg stilaan de indruk dat onze milieuwetgeving de meest complexe van heel Europa is. Kunnen wij daar niets aan doen? Is onze administratie niet te log voor onze bedrijven? Is de administratie klantvriendelijk genoeg voor kandidaat-investeerders? Over de grondstofprijzen hebben wij geen controle: die zijn in handen van de internationale markten en worden mee bepaald door de fiscaliteit – die aan de overkant van de straat wordt uitgetekend. Voor een klein gedeelte van de energieprijzen zijn wij wel bevoegd. Doen wij op dat vlak wel wat wij moeten doen? Is ons onderwijsaanbod wel voldoende afgestemd op wat de markt vraagt? Agoria zegt dat er een gebrek is aan goed opgeleid, gespecialiseerd personeel. Er is dus een probleem met ons onderwijs. Kunnen wij daar niets aan doen?

Wij hebben de loonkosten niet in handen. Jammer genoeg wordt dat verhaal aan de overkant van de straat geschreven. Ik betreur toch dat minister Lieten zei dat zij “het gezeur over de loonkosten moe” is. Ik denk dat wij dat verhaal niet genoeg kunnen herhalen. Het is geen gezeur. Zowel het Internationaal Munt Fonds (IMF), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), Agoria als het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) en de kmo’s maken ons duidelijk dat er echt een probleem is met onze loonkostenstructuur. Dat is geen gezeur, maar een signaal waar wij rekening moeten mee houden. Vorige week heeft de minister-president in de commissie trouwens duidelijk gemaakt dat wij ten opzichte van onze belangrijkste concurrenten en buurlanden wel degelijk een loonkostenhandicap hebben.

Laat ons dus niet spreken over gezeur, maar laat ons aan dat element van het dossier daadwerkelijk iets doen.

De voorzitter

Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten

Mijnheer Penris, bij de vaststelling van het nieuw industrieel beleid hebben we duidelijk gezegd dat de loonkost beheerst moet worden en dat het een van de randvoorwaarden is om ons industrieel beleid vooruit te doen gaan en meer tewerkstelling en meer omzet in de industrie te creëren, naast onder andere het beheersen van de energiekost en het versnellen van de procedures bij de overheid. We hebben toen ook duidelijk gezegd dat dat randvoorwaarden zijn. Willen we echt doorbraken realiseren in ons industrieel beleid, moeten we op andere dingen inzetten, zoals innovatie. Daarvoor heb ik een lans willen breken, door aan te geven waarin wij nog niet goed genoeg zijn. Met ‘wij’ doel ik op de collectieve verantwoordelijkheid van de overheid, de bedrijven, de kennisinstellingen en de werknemers. We zijn nog niet goed genoeg in het produceren van diensten en producten met een hoge toegevoegde waarde.

We slagen er nog onvoldoende in om alle kennis die aanwezig is in onze universiteiten, kennisinstellingen en bedrijven, om te zetten in nieuwe producten en diensten. Dat betekent dat wij te weinig producten met hoge waarde exporteren. We zijn nog te veel in de klassieke markt actief en hebben nog te weinig tewerkstelling in de hoogtechnologische industrie. Dat is een belangrijke uitdaging voor ons. Door ons altijd blind te staren op het eerste excuus van de loonkosten – het is zeker geen excuus voor niets, maar een van de randvoorwaarden – schuiven we het debat over de werkelijke doorbraken achteruit. Dat zouden we nu echt moeten voeren. Dat wordt in het nieuw industrieel beleid naar voren gebracht. Dat debat heb ik willen openbreken.

De voorzitter

De heer Vereeck heeft het woord.

Lode Vereeck

Ik verschil grondig van mening met u, viceminister-president. Ik wil graag citeren uit een studie van uw eigen Vlaamse administratie Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI) van 2009: “De hoge belastingdruk in België blijft het aantrekken van buitenlandse investeringen in de weg staan. Het afstemmen van de belastinglast van de ondernemingen op het Europese gemiddelde en het verder verlagen van de loonkost, zou voor 75 procent van de ondervraagde bedrijven aanleiding kunnen geven om een investering in België te overwegen. Om aantrekkelijker te worden voor buitenlandse investeerders zou België, volgens de ondervraagde bedrijven, prioritair werk moeten maken van de vermindering van de fiscale en wet­telijke verplichtingen.”

Dan ben ik het niet met u eens dat het een randvoorwaarde is, minister. Het is volgens mij een basisvoorwaarde. Het gaat om structurele voorwaarden. De rekening op het einde van de dag moet kloppen. De loonkost weegt te zwaar. Dan gaat het natuurlijk over de loonwig of het gedeelte bovenop het nettoloon: dat weegt te zwaar op de concurrentiekracht van onze bedrijven. Ik sta natuurlijk wel achter hogewaardeproductie of het proberen te verhogen van de toegevoegde waarde. Maar daarmee krijgen we dat verschil gewoon niet dicht gefietst.

De voorzitter

De heer Van Rompuy heeft het woord.

Eric Van Rompuy

Mijnheer Penris, vorige week hebben we uw fractieleider hier gehoord, die tegen de minister-president uitvoer omdat de indexsprong onaanvaardbaar was voor het Vlaams Belang. De loonkosten moeten worden beheerst, maar aan de index mag niet worden geraakt. Wat is het standpunt van het Vlaams Belang? Hoe wilt u de kostenhandicap, die er inderdaad is, aanpakken? Uw economisch programma lijkt me contradictorisch. Het hangt met haken en ogen aan elkaar.

Jan Penris

Mijnheer Van Rompuy, vooral uw…

Eric Van Rompuy

U moet de bal niet terugslaan.

Jan Penris

Ik mag de bal terugslaan. Ik doe wat ik wil hier. Ik ben hier de meester van dit forum, helaas voor u.

Eric Van Rompuy

Ik ben ook meester van mijn micro.

Jan Penris

Ik wil weten wat het standpunt van CD&V is. Bent u nu voor of tegen de indexsprong? Ik dacht dat de plooien waren gladgestreken en dat over de indexsprong niet meer zou worden gedebatteerd, maar u brengt dit verhaal elke keer opnieuw. Ik wil het nu eens weten! Ik wil nu eens weten, en geef me geen ‘tsjevenantwoord’: is CD&V voor of tegen de indexsprong, mijnheer Van Rompuy? (Applaus bij het Vlaams Belang)

Eric Van Rompuy

Is het Vlaams Belang voor of tegen de indexsprong?

Jan Penris

Ons standpunt kent u. Als wij vandaag zwart zeggen, dan blijft het zwart. En als wij wit zeggen, dan blijft het wit. Uw standpunt, mijnheer Van Rompuy, is bijzonder onduidelijk.

Eric Van Rompuy

Hoe gaat u die loonkosten dan beheersen?

Jan Penris

Ik heb de minister-president vorige week even fijntjes herinnerd aan het probleem dat er ideologisch was binnen zijn fractie. Ik heb hem mij niet horen tegenspreken. Hij volgt de CD&V-fractie in deze. Hij volgt federaal minister Vanackere. Hij volgt de Federale Regering en hij blijft in de pas lopen, hoop ik voor hem.

Eric Van Rompuy

Ik heb geen antwoord gekregen, mijnheer Penris.

Minister Ingrid Lieten

Mijnheer Vereeck, ik begrijp dat u refereert aan wat de ondernemers in 2001 hebben gezegd. Er zijn echter andere rapporten die ons veel meer zouden moeten doen nadenken. In de eerste plaats heeft professor Anne Vereecke in opdracht van de Vlaamse Regering ter voorbereiding van het nieuw industrieel beleid een studie uitgevoerd en een bevraging georganiseerd bij de managers van lead plants. De lead plants zijn die bedrijven die in Vlaanderen het verschil maken en die op zichzelf een hele economie op gang brengen. Zij liggen niet zozeer wakker van de loonkost, maar van de totale productiekost. In die totale productiekost hebben de energiekost en de kosten voor logistiek een groter aandeel dan de loonkost. Uiteraard moeten we de loonkost beheersen. Dat is echter niet waar die bedrijven wakker van liggen. Zij zien daar ook niet de doorbraak voor hun eigen bedrijf.

Ik wil u ook aanraden om het rapport van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) te lezen over de competitiviteit van België. Daarin zegt de raad uitdrukkelijk dat de competitiviteit van de Belgische economie veel meer zal afhangen van de capaciteit om goederen en diensten van hogere kwaliteit te produceren. Het accent moet dus veel meer liggen op innovatie en kwaliteit en op het aanbrengen van meer toegevoegde waarde in onze economie. Dat zal een veel grotere doorbraak betekenen om onze competitiviteit te verhogen dan alleen de loonkost. Ik zou u aanraden om dat zeer recente rapport, specifiek over de competitiviteit, te lezen.

Lode Vereeck

Het rapport van de CRB is me bekend. Als u zegt dat er meer aandacht moet zijn voor innovatie en kwaliteit, dan betekent dat niet dat het de hoofdmoot uitmaakt van onze concurrentiekracht.

Wat de totale productiekost betreft, wil ik erop wijzen dat men bijvoorbeeld in de autoassemblage zegt dat de hoge energiekost niet speelt. De totale rechtstreekse arbeidskost bedraagt 6 procent. Natuurlijk worden daar de toeleveranciers en de marketingkosten niet bij gerekend. Ik denk dan ook, minister, dat u het rapport van professor Vereecke grondig opnieuw moet lezen.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Mijnheer Penris, u vroeg een stand van zaken over de vergunningen. Ik wil u graag uitnodigen in de commissie Versnelling op 12 maart. U weet dat we daaraan voortwerken. We hebben een aantal quick wins die ik daarnet nog heb opgesomd. Een fundamenteel werk dat ik met de ministers Schauvliege en Crevits verricht, zijn die drie elementen van een omgevingsvergunning van de drietrapsraket naar een enorme vereenvoudiging van de vergunningprocedure en naar de integratie van de MER. Op 12 maart zie ik u graag in de commissie.

De voorzitter

Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters

Ik hoop straks de mogelijkheid te krijgen om wat verder in te gaan op de competitiviteit en de loonkost.

Mijnheer Penris, ik wil u eraan herinneren dat mijn stelling was dat de loonkosten en de index een federale materie zijn. Ik vind een indexsprong een goed idee, niet in het kader van de begrotingsbespreking maar wel in het kader van de economie en de competitiviteit van de ondernemingen. Indien u eraan zou twijfelen, dat is nog altijd mijn stanspunt.

De voorzitter

De heer Watteeuw heeft het woord.

Filip Watteeuw

Sommigen in dit parlement specialiseren zich in discussies over zaken die we niet zelf in de hand hebben. Ik wil het hebben over het Vlaams industriebeleid en over de zaken die we zelf in de hand hebben.

Jan Penris

Mijnheer Watteeuw, ik wil het ook graag hebben over de zaken die we zelf in de hand hebben. Ik zou alles graag in eigen hand hebben.

Mevrouw Lieten, ik was een gedachtegang aan het opbouwen. Ik zal die nu verder afmaken. U had het over het gezeur over de loonkosten, maar hebt daar direct aan toegevoegd dat u wilt dat er op een andere manier aan industrieel beleid wordt gedaan. Ik behoor tot de generatie die gefascineerd was door het verhaal van Flanders Technology International. Ik herinner me zelfs dat mijn professor antropologie, Jacques Claes, ons als studenten rechten aanried om daar naartoe te gaan. Hij zei dat dat een metabletisch moment was dat minstens even belangrijk was als de bouw van Chrystal Palace in 1856 in Londen. En inderdaad, dat was een magisch moment voor heel Vlaanderen. De Vlaamse economie heeft daar een boost meegekregen.

Wat is daar echter van overgebleven? Veel van de interessante initiatieven die toen ingang hebben gevonden, zijn overgekocht door het buitenland en hebben we helaas uit handen moeten geven. Ik geloof voor een stuk in innovatie en in alternatieve, moderne economie. Maar ik blijf net als de heer Noels en andere, misschien conservatievere, economen, ook geloven in de toekomst van een maakindustrie. Ik denk dat dat de ijzeren ruggengraat van onze Vlaamse economie is en moet blijven.

We zien dat in Nederland op dit moment een relocalisatiebeweging aan de gang is, en dat Philips opnieuw plaatsen… (Opmerkingen van minister-president Kris Peeters)

Elk verhaal heeft twee kanten, minister-president. Ik was zo sportief om toe te geven dat ook u investeringen kunt blijven aantrekken. Maar ik stel vast dat de Nederlanders aan een relocalisatiebeweging toe zijn: Philips aan de ene kant en de chemiesector in Geleen aan de andere kant. Wij moeten die ambitie ook hebben. En dan moeten we durven, over meerderheid en oppositie heen, een aantal consequenties te trekken. Ik heb gezegd wat we moeten doen. Blijven geloven in onze infrastructuurinvesteringen. Blijven geloven in een vereenvoudiging van onze wetgeving. Blijven geloven in die instrumenten die we zelf in handen hebben en ze massaal uitspelen op het vlak van onderwijs en energiekost.

U betreurt dat misschien, mijnheer Watteeuw, maar we moeten ook proberen om instrumenten die we nog niet in handen hebben, zoals het loonkostenverhaal, in handen te krijgen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen

Voorzitter, minister-president, dames en heren van de regering, collega’s, we hadden al heel veel waarschuwingen gekregen, maar dat neemt niet weg dat de vorige week aangekondigde sluitingen, herstructureringen en ontslagen bijzonder zwaar zijn aangekomen.

Bekaert kende al een hele tijd problemen, maar we gingen ervan uit dat een van de vlaggenschepen van onze Vlaamse economie ongeschonden nog eens een storm zou kunnen doorstaan. Dit bedrijf heeft immers een heel lange traditie. Het heeft al heel veel moeilijkheden overwonnen en vormt vandaag nog altijd een industriële ruggengraat van een hele streek, waar vele honderden mensen elke dag hun boterham verdienen.

Crown Cork bleek tot voor kort een heel stabiele werkgever te zijn, waar niemand echt de problemen van vandaag, en zeker de gevolgen niet, zag aankomen.

NedCar, waar vandaag 300 Vlamingen werken, werd hier twee, drie jaar geleden genoemd als hét model dat we moesten volgen in het kader van Opel Antwerpen. Het is dus altijd gevaarlijk om voorbeelden te gaan halen op een ander: de omgeving verandert heel snel.

Een van de opmerkingen die ik wil maken, is dat we in elk van die gevallen in de eerste plaats ook het sociaal overleg moeten laten spelen, teneinde de gevolgen van de herstructureringen en ontslagen zo veel mogelijk te milderen, in de eerste plaats door degenen die er de hoofdverantwoordelijkheid voor dragen, namelijk de werkgevers. De overheid moet zich niet te snel in de plaats van het bedrijfsleven stellen als het gaat over het dragen van kosten van herstructureringen.

Mijnheer Van Malderen, u laat uitschijnen dat de ontslagen bij Bekaert en andere bedrijven er onverwachts zijn gekomen en dat niemand die had zien aankomen.

Ik wil toch verwijzen naar een debat dat we in mei vorig jaar hebben gevoerd, waar Bekaert en de uitspraken van Bert De Graeve ook ter discussie stonden. Hij kondigde in een interview aan dat ze gingen delokaliseren en dat er zoveel banen zouden verdwijnen, maar trok nadien zijn woorden in. Ik dacht toen dat dit een voorbode was van wat nu is gebeurd. Nu komen zeggen “we hebben het niet zien aankomen”, dat vind ik niet zo netjes.

Minister-president Kris Peeters

Mijnheer Sintobin, ik heb gelezen dat het Vlaams Belang zich afvroeg wie er heeft gelogen. Ik ga ervan uit dat vorig jaar niemand de internationale markt van de zaagdraad juist kon inschatten en dat er toen ook geen enkel element was om daaraan te twijfelen, en te denken dat die markt van de zaagdraad in elkaar zou stuiken. Ik was daar niet van op de hoogte. Ik weet niet of Bekaert daar zelf van op de hoogte was. Ik denk het niet.

Liegen of niet liegen, mijnheer Sintobin, ik kan u verzekeren dat ik daar toen niet van op de hoogte was. Ik ben telefonisch op de hoogte gebracht door de CEO Bert De Graeve op de dag dat het publiek is gemaakt, en geen dag eerder. Ik zeg hier in het parlement wat ik weet en ik hou niets achter, zeker niet in dit dossier.

Minister-president, u kunt er natuurlijk niet aan doen dat de markt van de zaagdraad in elkaar stuikt, maar ik ben toch verbaasd dat een bedrijf als Bekaert – Bert De Graeve is toch manager van het jaar geweest – dit niet kon voorzien. Dat lijkt me een uitleg om die 600 ontslagen te rechtvaardigen. Dat is het enige punt dat ik wilde maken. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Lode Vereeck

Minister-president, als het niet te voorzien was, en als alles correct verlopen is, waarom wou u dan nog die innovatiesteun terugvragen?

Minister-president Kris Peeters

De innovatiesteun is van minister Lieten. De opleidingssteun is in 2008 toegekend. Het is bijna een standaardprocedure om vanaf het moment dat er grote ontslagen plaatsgrijpen, na te kijken of die steun nog relevant is, zeker de opleidingssteun. Als het gaat over opleiding van mensen, en die mensen worden ontslagen, dan is er wel een probleem. Voor de innovatiesteun is dat ook een normale procedure. Bij elk bedrijf dat een zware herstructurering aankondigt, wordt dat onderzoek gedaan. Minister Lieten zal antwoorden wat de innovatiesteun betreft.

Sabine Poleyn

Ik wil ingaan op wat de heer Sintobin zei over de uitspraken van vorig jaar van Bert De Graeve. Ik had begrepen die hij drie signalen had gegeven aan de overheid. Een van die signalen was dat ze toen onvoldoende technisch personeel vonden. Ik dacht dat de Vlaamse Regering intussen toch wel een mooi actieplan heeft opgesteld om alle krachten te bundelen om voldoende jongeren te stimuleren om te kiezen voor technische richtingen.

Minister Ingrid Lieten

Het al of niet terugvorderen van innovatiesteun is geen politieke besluitvorming. Het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) sluit bij het toekennen van bedrijvensteun een contract af. Daar wordt bepaald wat de output zal zijn. Natuurlijk kun je niet op voorhand inschatten of een onderzoek zal leiden tot een product of een dienst, en of het kan worden omgezet in de economie. Als dat kan, dan wordt verwacht dat er een bepaalde return is voor Vlaanderen. In die zin is dat niet altijd op voorhand wiskundig te becijferen of te bemeten met indicatoren. Dus is het aan de raad van bestuur van het IWT om geval per geval te onderzoeken of dat al of niet wenselijk is. Ik zal de besluitvorming en het onderzoek of de contractuele bepalingen al of niet geschonden zijn, overlaten aan het IWT.

Minister, wat de innovatiesteun betreft, u zegt dat er controle is achteraf, valorisatieprojecten en zo, maar ik begrijp dat de reden voor de heer Van Malderen dat de steun moet worden teruggegeven door Bekaert, is omdat het niet aan tewerkstelling is gekoppeld. Blijkbaar is die innovatiesteun niet gekoppeld aan tewerkstelling, en bent u de afgelopen jaren en de vorige legislatuur verkeerd bezig geweest.

Lode Vereeck

Ik wil nog wat nadere toelichting van de minister-president en de viceminister-president. Begrijp ik het goed dat er voor de terugvordering van die opleidingssteun en vooral van innovatiesteun eigenlijk geen wettelijke en ook geen contractuele basis is, dat dit eigenlijk veeleer een gebruik is? Als alles in orde is, en men kan bepaalde economische ontwikkelingen niet voorzien, dan begrijp ik dat gebruik eigenlijk niet helemaal goed.

Patricia Ceysens

Er is natuurlijk een groot verschil tussen opleidingssteun en innovatiesteun. Opleidingssteun is als het ware gekoppeld aan de mensen die werken in een bedrijf. Dat bedrijf moet ook aangeven wie het zal herscholen. Dat valt perfect na te gaan. Als er iets gebeurt qua tewerkstelling, dan heeft dat dus altijd een impact daarop. Innovatiesteun is van een heel andere orde. Daarbij krijgt men de mogelijkheden van het IWT om te investeren in onderzoek. Uiteraard wordt daarbij gevraagd wat daaruit op termijn qua tewerkstelling en valorisatie zou kunnen voortvloeien, maar vandaag kan er in dit dossier niets worden gezegd over de mogelijke opportuniteiten voor Bekaert die hopelijk nog altijd gekoppeld zijn aan die innovatiesteun. Bekaert moet nu zeshonderd mensen in de productie laten gaan, omdat de markt van die zonnepanelen opdroogt, maar hopelijk is het bedrijf nu volop aan de slag met die innovatiesteun, om nieuwe banen te creëren in innovatieve producten. Ik zou u aanraden daar ver weg van te blijven. Ik vind het ongehoord dat men van alle zijden op een populistische wijze heeft geroepen dat men dat zal terugvorderen. De opleidingssteun is gekoppeld aan de mensen op de werkvloer, maar de innovatiesteun niet. Ik zou die vooral bij Bekaert laten, als we hopen dat dit ooit die hoogwaardige producten zal opleveren waar men om roept.

Minister Ingrid Lieten

Ter verduidelijking, innovatiesteun wordt niet aan een bedrijf toegekend en wordt ook niet teruggevorderd van een bedrijf. Innovatiesteun wordt toegekend op basis van een specifiek onderzoeksproject. Hier ging het over het project van zaagdraad. Daarvoor is innovatiesteun toegekend. Wat dat betreft, heeft Bekaert zich contractueel tot een aantal dingen verbonden. Het IWT zal nu dus gewoon bekijken of die contractuele engagementen zijn nagekomen. Dat is de standaardprocedure. Dat is niet onbelangrijk. Als het IWT belastinggeld investeert in een innovatieproject van een bedrijf, en dat bedrijf gaat dan bijvoorbeeld het resultaat van dat innovatieonderzoek investeren in tewerkstelling in een ander land, dan hebben wij toch wel een reden om erop te wijzen dat dit niet de bedoeling was. Zo zijn er een aantal voorwaarden opgenomen in het contract. Het IWT bekijkt nu of die al dan niet zijn geschonden. Ik laat het over aan het IWT om dat te beoordelen.

Ik ben zeer blij dat er vandaag een meer genuanceerd debat wordt gevoerd over die terugvordering, enigszins in tegenstelling tot sommige persberichten vorige week. Toen werd op licht populistische toon de terugvordering van de steun geëist. (Opmerkingen van de heer Stefaan Sintobin)

Het lijkt me niet verstandig om blind innovatiesteun terug te vorderen. Innovatiesteun dient om de banen van morgen te creëren. Het is heel belangrijk dat we daarop blijven inzetten. (Applaus bij Open Vld en LDD)

Het is de minister-president die dat geld heeft teruggevraagd.

Bart Van Malderen

Ik was bezig met het maken van een aantal vaststellingen. Een aantal leden lopen al vooruit op een onderzoek dat het IWT aan het voeren is. Ik wou zo ver nog niet gaan. Ik wou eigenlijk vooral vertrekken vanuit de vaststelling dat Bekaert het niet heeft over een delokalisatie. Integendeel, het gaat erover dat de markten zodanig zijn gewijzigd. Bekaert staat hier op zich niet ter discussie. Het gaat over dé Vlaamse industrie, maar dat neemt niet weg dat we wel een aantal voorbeelden kunnen nemen. De conclusie die de directie van Bekaert daar dan wel vergeet bij te vermelden, is dat na de vorige herstructurering alle eieren in één mand zijn gelegd. Men heeft ingezet op zaagdraad. De zaagdraadmarkt kent vandaag moeilijkheden, en Bekaert is vandaag niet klaar met een nieuw product dat die schokken in de markt zou kunnen opvangen. Dat wordt de rode draad in mijn betoog.

En wil je een duurzame tewerkstelling en een duurzame verankering van de economie en vooral van de industrie in onze regio garanderen, dan moet je ook dit soort continuïteit in het proces inbouwen. Ik kom straks terug op de voorwaarden waaronder er volgens ons ook staatssteun kan worden verschaft.

Crown Cork boekte vorig jaar een winst van 5 miljoen euro. Vandaag sluit men dat bedrijf. Dan is het toch niet verwonderlijk dat mensen zeer boos worden en zeer ongerust worden omdat ze zich afvragen wie de volgende zal zijn. Die boosheid en ongerustheid sijpelt door naar het parlement en dan houden we een actualiteitsdebat. Zonder er cynisch over te worden, kan ik het verloop al bijna voorspellen. Iedere spreker zal hier komen benadrukken – en terecht – hoe groot het belang van de industrie in Vlaanderen is. De industrie staat vandaag voor 40 procent van de toegevoegde waarde in Vlaanderen, voor 85 procent van de export en voor 80 procent van de uitgaven in onderzoek en ontwikkeling. De industrie kent dus een enorm belang. Wellicht zal ook iedere spreker hier stellen dat de recente sluiting en herstructureringen, zoals bij Crown Cork, Bekaert, NedCar enzovoort, een enorm drama is en een uitrafeling van het industrieel weefsel.

Het is niet de eerste keer dat we dit debat voeren en ik vrees ook niet de laatste. Het noopt dan ook tot enige bescheidenheid over wat we kunnen, maar wat we kunnen, moeten we zo krachtig mogelijk doen. Onze economie gaat mee op de golven van de internationale conjunctuur en daar staat de barometer op storm. Industriële vlaggenschepen lijden onder die economische storm – de statistieken spreken voor zich – en sommigen zeggen dan: “Na regen komt zonneschijn”. In de regio waar Bekaert 600 banen schrapt, zijn er nog heel veel vacatures. Ik heb ook gelezen: “De vervangingsratio gaat zodanig omhoog gaan dat we die allemaal kunnen opvangen”.

Collega’s, er is toch wel iets meer aan de hand. Er is iets structureels aan de gang. Na iedere crisis heeft onze industrie het steeds moeilijker om zich opnieuw op het niveau van voor de crisis te heffen. Dat heeft gevolgen voor de arbeidsmarkt. Na iedere crisis hebben ook laaggeschoolden, die voordien hun brood verdienden in die industrie, het steeds moeilijker om hun weg naar een nieuwe job te vinden. Sommige economen hebben reeds herhaaldelijk de Vlaamse industrie ten grave gedragen. Ik denk dat dat fout is, maar dat er wel structurele ingrepen nodig zijn.

Traditioneel zijn we heel sterk in halffabricaten gericht op de export naar de gekende markten, onze buurlanden en Duitsland in het bijzonder. Dit zijn sterke markten, maar ook verzadigde markten. De hoge groeicijfers worden gerealiseerd in landen waar we veel minder aanwezig zijn, in de BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China) en in Azië. Onze industrie heeft de afgelopen decennia succesvol ingezet op kostenproductie en het verhogen van de productiviteit. Reeds jaren geleden waarschuwde onder meer professor Sleuwaegen dat de grenzen van dit model stilaan bereikt zijn. De gemakkelijkste stappen zijn gezet en andere landen en economieën zetten eveneens stappen om hun productiviteit te verhogen. Heel wat sectoren verloren hun koppositie en er staan niet direct nieuwe opvolgers klaar.

Daarom gaat het ook niet op om alles te gaan toewijzen aan de loonkosten. Minister Lieten heeft daarnet al haar standpunt toegelicht. Er is het verhaal van het afnemend aandeel van de loonkosten in de totale kostprijs in de grote industrie. Dit land kent sinds 1996 een wet op de loonmatiging. De vaststelling is dat we ten opzichte van Frankrijk en Nederland de pas houden, maar dat we ten opzichte van Duitsland weliswaar een verlies boeken van 1,6 procent, maar enkel ten opzichte van Duitsland en enkel omdat Duitsland het minimumloon heeft laten springen. Als dit land in 2009 minder last heeft gehad van de recessie, dan is dat omdat we systemen hebben zoals economische werkloosheid, maar ook omdat onze binnenlandse consumptie op peil is gebleven. Minister-president, u was net in Duitsland. Willen we allemaal Duitsers worden? Willen we die maatregelen van Duitsland moeiteloos kopiëren – sommigen misschien wel –, wanneer Standard & Poor's zegt dat dit een model is dat voor Duitsland geldt maar dat men niet noodzakelijk kan en mag exporteren?

De kostprijs van energie daarentegen neemt alleen maar aan belang toe. Ik vind dat een algemeen kader hier te weinig aan bod komt, een algemeen kader waar invoerkosten van even groot belang zijn, waar een duurzaam logistiek netwerk van belang is, waar de snelheid van vergunningen een rol speelt bij de beslissing om op de ene of de andere plaats een investering te doen.

Een belangrijke vaststelling in het rapport van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) is deze: “Innovatie werd door onze bedrijven als een defensieve strategie gezien, niet als een middel om nieuwe markten aan te boren.” Dat betekent dat we inderdaad nood hebben aan een andere industrie, aan een nieuwe industrie, aan transformatie door innovatie, aan nieuwe concepten, nieuwe producten en nieuwe markten.

Ik stel vast dat dit vandaag de kern vormt van het beleid. Het beleid heeft tijd en middelen nodig. We zullen het niet van de ene dag op de andere realiseren. Maar – en ik geef dit als tegengif tegen te veel doemdenkerij – we boeken er ook successen mee. Onlangs hoorden we van het grote aantal spin-offs dat aan onze universiteiten is ontstaan. Er is het succesverhaal van de bedrijven rond het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB). Als we vandaag de grootste brandstofcel in gebruik nemen bij Solvay in Antwerpen, dan is het omdat we daarin ook onderzoeksgeld hebben geïnvesteerd. We stijgen blijkbaar ook naar de vijfde plaats op de lijst van de innovatieve landen. Er zijn, hopelijk, Chinezen die willen komen investeren. Al deze berichten moeten een tegengif vormen tegen de sfeer als zou alles verloren zijn. Elk van die berichten moet ons sterken in de overtuiging dat we nieuwe middelen en nieuwe wegen nodig hebben, en een kader dat garandeert dat Vlaanderen de vruchten van zijn inspanningen kan plukken.

Je kunt inderdaad geen innovatiesucces op bestelling boeken, en er is geen gouden formule voor valorisatie. Maar wij vragen wel de garanties dat, als er een return is, de Vlaamse economie daar baat bij heeft. Steun is geen cadeau. Wij vragen een wederkerigheid, die zich ook uit in tewerkstelling. Wij willen geen ‘jobless economy’. Het is niet meer dan logisch dat het een soort van standaardprocedure is dat, als een bedrijf een grote herstructurering aankondigt, het ook onderzoekt of zijn deel van het contract vervuld is en of alle voorwaarden zijn nageleefd. Ik vind dat niet meer dan goed huisvaderschap.

De overheid moet haar instrumentarium kritisch doorlichten. Met betrekking tot innovatie is dat gebeurd. Het ‘rapport-Soete II’, als ik het zo mag noemen, is in bestelling of in uitvoering. Wij vragen dat dit ook zou gebeuren voor het economische instrumentarium. De steun van 1 miljoen euro die wij geven aan de strategische opleidings- en investeringsprojecten, zal ongetwijfeld strategisch zijn voor de projecten op zich. Wij vragen ook dat de projecten strategisch zouden zijn voor onze economie. We willen bekijken of we alle middelen van het Hermesfonds ook effectief zo efficiënt mogelijk uitgeven. We willen voldoende garanties dat de wederkerigheid die we vragen, desgevallend kan worden afgedwongen. Dit zijn vragen die we moeten kunnen stellen.

Minister Crevits zei daarnet: “Zwijg en werk verder.” Ik zou zeggen: “Spreek en werk verder.” Wij verwachten collectief van de Vlaamse economie, de overheid maar ook het bedrijfsleven, snelle maar krachtige signalen dat Vlaanderen aan zijn economie een toekomst geeft en dat bijvoorbeeld de bedrijven meer inspanningen leveren voor vorming en opleiding en voor meer onderzoek en ontwikkeling. Wij verwachten dat de overheid en bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen, dat sneller vergunningen verlenen een prioriteit is, dat we willen inzetten op een goed werkende arbeidsmarkt, dat we die middelen gericht willen inzetten op een innovatieve economie in een duurzame omgeving, maar ook dat we de vruchten willen plukken van de arbeid van onze mensen, die vandaag ongerust en boos zijn, en die op al ons begrip moeten kunnen rekenen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Sanctorum heeft het woord.

Hermes Sanctorum-Vandevoorde

Voorzitter, ik wil een zijdelingse opmerking maken. Er wordt hier regelmatig teruggekomen op de grote energiekost voor de industrie en de bedrijven. Wij moeten daar absoluut aandacht voor hebben. Maar ik wil toch even de bedragen nuanceren. Eind vorig jaar bleek uit een studie van de federale energieregulator, de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG), dat de totale energiefactuur voor een gemiddelde middenspanningsklant, dat is dus een uit de kluiten gewassen bedrijf, de voorbije vijf jaar met een goede 1000 euro is gestegen. Ik denk niet dat een groot industrieel bedrijf Vlaanderen zal verlaten wegens 1000 euro per jaar.

De voorzitter

Mevrouw Ceysens heeft het woord.

Patricia Ceysens

Collega’s, vorige week maakte Bekaert inderdaad een zware herstructurering bekend. Meer dan zeshonderd industriële jobs komen daarmee op de tocht te staan. Mijn verontwaardiging over wat er vrij snel daarna gebeurde, was bijzonder groot. Ik wil het het ‘Bekaertbashen’ noemen.

Dat bashen gebeurde vanuit de meerderheid van dit parlement. Het was de heer Van Malderen die Bekaert meteen met de vinger wees en alle subsidiesteun terugeiste. Ik ben blij dat de heer Bothuyne al even heeft gezegd dat dat erg populistisch klonk en dat dat wellicht niet zal gaan.

Ik was nog meer verwonderd dat de Vlaamse Regering meesprong op die populistische kar. Ik vond het ongelooflijk arrogant dat de minister van Innovatie in De Standaard van zaterdag de industriëlen en de ondernemers met het vingertje wees en zei dat ze eindelijk moesten stoppen met zeuren over de loonkosten en moesten beginnen met het produceren van producten en diensten met hoge toegevoegde waarde. Dat kwam van een minister van innovatie die de voorbije jaren innovatie altijd stiefmoederlijk heeft behandeld, die het innovatiebeleid politiseerde en nu zegt dat de bedrijven het maar moeten doen – een minister die haar eigen innovatieverplichtingen niet nakomt. Collega’s, dat is toch de wereld op zijn kop. Een Vlaams minister van Innovatie die de industrie schoffeert in plaats van waardeert, ik denk dat het een unicum is in onze Vlaamse geschiedenis.

Minister Ingrid Lieten

Mevrouw Ceysens, u bent minister van Innovatie geweest. Ik had van u toch wel slimmere opmerkingen verwacht, en ook intellectueel eerlijke bemerkingen. Op de eerste plaats pik ik uw opmerking over politisering absoluut niet. Er is geen enkele reden om dat argument aan te halen.

Op de tweede plaats vind ik het intellectueel helemaal niet juist dat u mezelf en de Vlaamse Regering verwijt dat wij niet investeren in innovatie. Integendeel, wij hebben vorig jaar een belangrijk groeipad afgesproken bij de begrotingscontrole. Dat groeipad zijn we nu aan het uitvoeren. Daarmee leveren wij een sterkere stijging van de bijdrage van de overheid in innovatie-inspanningen in economisch moeilijkere tijden dan de bijdrage die u als Innovatieminister hebt kunnen realiseren in tijden waarin de groei jaarlijks 3, 4 of 5 procent was en de Vlaamse Regering hopen geld te verdelen had. (Applaus bij de sp.a)

Patricia Ceysens

Niet juist. De politisering hebben we hier iedere keer op de tribune geduid en we hebben de vinger op de wonde gelegd. Er zijn voorbeelden te over. We hebben het gehad over het elektrische voertuig, over Cleantech. U investeert alleen in innovatie als er mandaten te verdelen vallen ergens in een raad van bestuur die die middelen mag beheren. Dat is de wereld op zijn kop! (Opmerkingen)

Wat u moet doen, is die middelen aan de industrie geven en haar laten beslissen waar ze die middelen op inzet. Morgen zal de minister-president in Halle de waterstoftank bij Colruyt inhuldigen. Wij hebben dat opgestart met Colruyt. Vorige week is bij Solvay de plant met waterstofafval ingehuldigd. Wij hebben er altijd voor gekozen om aan de industrie te vragen waar de innovatie naartoe moet, en wij zetten onze overheidsmiddelen in als een hefboom om de projecten van de industrie uit te dragen. Sinds u hier bent, is het omgekeerd. U zegt: waar zitten interessante opportuniteiten voor politiek gewin? Dan mogen er inderdaad een aantal partijen aan tafel schuiven.

Minister Ingrid Lieten

Mevrouw Ceysens, dit slaat werkelijk alles. De Vlaamse overheid maakt in haar innovatiebeleid voor toegepast onderzoek duidelijke keuzes. De Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI), de economie en de bedrijfsleiders hebben toch altijd gezegd dat ze keuzes moeten maken en dat ze niet op alles kunnen inzetten. Wel, wij hebben keuzes gemaakt, en u kunt die keuzes betwisten, daarover ben ik het met u eens. Maar we hebben keuzes gemaakt om in te zetten op de grote maatschappelijke uitdagingen waar we voor staan, op die sectoren waar onze bedrijven en onze wetenschappers goed in zijn. Een van die keuzes is onder meer inzetten op sectoren die te maken hebben met eco-innovatie. U vindt dat misschien een politisering, ik vind dat een belangrijke maatschappelijke uitdaging waar we voor staan.

Daarom hebben we middelen vrijgemaakt voor de introductie van de elektrische wagen. U kunt de introductie van de elektrische wagen een waanidee vinden, maar bij het uitschrijven van de call voor de proeftuin hebben meer dan 150 bedrijven ingetekend. Die bedrijven hebben ook zelf minstens 50 procent van de kosten op tafel moeten leggen. Het gaat over belangrijke lead plants in Vlaanderen, zoals Volvo, Umicore en de grote distributie- en ICT-bedrijven. Als u dat allemaal van tafel veegt, mevrouw Ceysens, dan laat ik dat voor u.

En wat ik juist heb willen zeggen in dat interview, is dat wij nog meer moeten inzetten om de innovatiecapaciteit die er is bij onze wetenschappers, zowel aan de universiteit, als aan de kennisinstellingen als in de bedrijven, om te zetten in nieuwe producten en diensten. Op dat vlak scoort Vlaanderen slecht. Dat is de realiteit, en die werd nogmaals bewezen met de ‘Innovation Barometer’, die vandaag door de Europese Commissie bekendgemaakt werd. Vlaanderen is in zijn totaliteit van plaats zes naar plaats vijf gegaan. We laten – gelukkig – Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk achter ons. We zien echter dat de indicatoren waarop we slecht scoren, juist die indicatoren zijn die aangeven dat we te weinig tewerkstelling hebben in de hoogtechnologische industrie en dat bij onze bedrijven het aandeel van hun omzet in het verkopen en vermarkten van nieuwe producten en diensten, veel te laag is. Het is daardoor dat ons algemeen gemiddelde omlaag wordt gehaald. Ik heb niets willen zeggen tegen de industrie, ik heb de industrie niet met de vinger willen wijzen, ik heb enkel willen zeggen dat er daar een gemeenschappelijke uitdaging ligt voor de overheid, voor onze industrie en ook voor onze kennisinstellingen.

Ludo Sannen

Mevrouw Ceysens, ik vraag me af of wij de voorbije jaren in hetzelfde parlement hebben gezeten. Kleurrijk Vlaanderen en Vlaanderen in Actie (ViA) waren plannen van een Vlaamse Regering waarin keuzes werden gemaakt en accenten naar voren werden geschoven. Het ging over keuzes en accenten over waar geïnnoveerd moest worden, waar de middelen vooral naartoe moesten gaan, wat de sterktes van Vlaanderen waren. Het was geen afwachtende houding waarin we vroegen wat de industrie wilde doen, de Vlaamse overheid wilde sturen. Ik meende dat ook u Kleurrijk Vlaanderen en ViA altijd hebt gesteund in het parlement, dat u mee de keuzes voor Vlaanderen hebt helpen maken. Als er nu keuzes worden gemaakt door deze Vlaamse Regering, dan noemt u dat ‘politisering’. Ik begrijp het niet. Over populisme gesproken!

Mevrouw Ceysens, aan de manier waarop u het debat over de middelen voor innovatie telkens weer aangaat, kan ik merken dat de voorraad zaagdraad bij u persoonlijk nog lang niet op is. (Gelach)

Ten gronde is het een feit dat deze regering meer middelen dan ooit investeert in innovatie. Ik ben het met u eens dat we moeten gaan naar toegepaste innovatie, naar innovatie die nuttig is voor onze industrie. We hebben een industrieraad die een daadwerkelijke impact zal hebben op de manier waarop we in Vlaanderen aan het industrieel beleid vorm zullen geven. Ik reken op de captains of industry zelf om ervoor te zorgen dat de middelen die deze regering meer dan ooit ter beschikking stelt, nuttig worden gebruikt voor onze economie.

Patricia Ceysens

Er moet iemand zich specialiseren in zaagdraad en dat heeft alleszins effect gehad. In het begin van deze legislatuur had deze regering het over de kaasschaaf en zei dat iedereen moest inboeten, ook op het vlak van innovatie. Nu zegt de Vlaamse Regering dat niet meer, dat klopt. Ik denk dus dat de zaag haar werk gedaan heeft.

Het klopt dat de Vlaamse Regering nu probeert om de besparingen van de voorbije jaren goed te maken en nieuwe middelen inzet op innovatie, maar die compenseren tot nu toe alleen maar wat de voorbije jaren werd bespaard en werd weggenomen.

Als het zagen effect heeft, zal ik dat blijven doen. Ik stel vast dat het effect heeft gehad. Het is de minister-president die heeft gezegd dat hij het niet meer met de kaasschaaf zal doen en dat innovatie gevrijwaard wordt. Minister Lieten heeft hetzelfde gezegd. Dat was de voorbije twee jaar echter niet zo!

Mijnheer Sannen, het gaat niet over het maken van keuzes. Minister Lieten zegt dat er nu keuzes zijn gemaakt, maar we hadden die al gemaakt. We hadden de keuzes al gemaakt met de VRWI met de zes clusters en daar zat de ecologische innovatie al in. Het gaat mij niet over de keuzes, het gaat over hoe u ze wilt uitvoeren. Onze mening daarover is fundamenteel verschillend. Ik denk dat het voor een stuk ideologisch is, want wij als liberalen zeggen: “Vrije markt, industrie, economie, ondernemers: doe het!” Wij hebben niet de behoefte om overal onze mannetjes te plaatsen en te zeggen dat het alleen maar kan als ook wij mee aan de uitvoeringstafel mogen zitten. Dat is een fout die ik kapitaal vind in het innovatiebeleid in Vlaanderen!

Ik hoor dit bij vele bedrijven in Vlaanderen. Ik sta vandaag als onderneemster meer op de werkvloer dan ooit. Ik ben daar fier op en ik kan het u allemaal aanraden. De ondernemers willen dat u het ondernemen aan hen overlaat!

Dat u samen met de industrie keuzes maakt, klopt helemaal niet. Wij hadden die al gemaakt! Door u is er niet één bijgekomen! Alle lintjes die u nu gaat doorknippen, alle bedrijven die u nu opent, hadden wij al in gang gestoken in de vorige legislatuur. Minister-president, overal komen we u tegen en overal opent u zaken die we nog samen op de sporen hebben gezet. Ik ben blij dat u naar mij lacht, maar dat is de realiteit. Maak uw keuzes! Als u vindt dat het planetaire of het ruimtelijke ineens op het voorplan komt, verander dat dan! Laat het uitvoeren door de industrie! Heb niet de enorme drang om te realiseren!

Minister, het is heel de tijd hetzelfde. Nog een voorbeeld. De strategische onderzoekscentra (SOC), het Interuniversitair Micro-elektronicacentrum (IMEC), het VIB, het Interdisciplinair Instituut voor Breedbandtechnologie (IBBT) en VITO hadden mogelijkheden om spin-offs te creëren. Maar dat mocht niet. Het moet allemaal worden gecentraliseerd, dat is zogezegd beter. Ik zeg u: de echte reden is dat u mee kunt kijken welke spin-offs het zijn, wie ze mag leiden en waar ze moeten komen. Dat vertelt het werkveld mij. Daar zijn ze bang voor. Dat ondermijnt het ondernemen in Vlaanderen. (Opmerkingen van de heer Ludo Sannen)

Mijnheer Sannen, hetzelfde parlement. Dat is wat wij al een paar keer het ‘walloniseren’ van Vlaanderen hebben genoemd. Eerlijk, echt waar, als onderneemster, alle dagen op de werkvloer, is dat wat me het meest van alles verontrust!

Bart Van Malderen

Mevrouw Ceysens, ik weet intussen niet meer waar ik eerst op moet reageren. U hebt zoveel stuitende ideeën achtereen staccato uitgekraamd dat ik mijn spreektijd zou overschrijden. Toch, mensen die vinden dat Vlaanderen als een goede huisvader zijn geld moet beheren, worden hier populisten genoemd. Ze kunnen misschien bij u in de les komen. Als alle linten die nu worden doorgeknipt, uw verdienste zijn, zijn ook alle herstructureringen en sluitingen uw verdienste, gezien de doorlooptijd van innovatieprojecten. Uw beleid heeft dan blijkbaar niet gebracht wat u ervan verwacht had.

Over de politisering van het innovatiebeleid zou ik iets meer bescheidenheid aan de dag leggen, mevrouw Ceysens. U probeert de concrete resultaten van de bedrijven op uw hoed te steken. (Opmerkingen van mevrouw Patricia Ceysens)

Volgens mij zijn het de bedrijven zelf en de mensen die er werken, die de resultaten bereiken. (Opmerkingen van mevrouw Patricia Ceysens)

Wij allemaal steunen en flankeren dat, net als u toen u minister van Innovatie was. Niet meer, niet minder. Als u anderen wilt beschuldigen van politisering, kijk dan eerst eens in eigen boezem.

Minister Ingrid Lieten

Ik ben het met één zaak eens, mevrouw Ceysens. Wij zijn inderdaad ideologisch anders georiënteerd. Wij vinden inderdaad dat innovatie en wetenschappelijk onderzoek niet alleen bestaan om een economisch rendement op te leveren voor onze bedrijven. Wij vinden dat het er ook is om oplossingen te vinden voor de grote maatschappelijke uitdagingen. Ik noem: zorginnovatie, groene energie, ecoinnovatie en de transformatie van ons nieuw industrieel beleid. De bedrijven zijn een heel belangrijke actor om al die innovaties in onze samenleving te introduceren, maar zijn ze geen doel op zich. Dat is een ideologisch verschil tussen u en mij.

Als u er dan toch prat op gaat dat uw beleid gediend heeft om volledige vrijheid, blijheid en ‘laisser faire’ te creëren voor de bedrijven, en dat dat de beste resultaten zou opleveren, vraag ik me af hoe het dan komt dat onze Vlaamse bedrijven slechter, significant slechter scoren inzake introduceren en implementeren van innovaties in de markt. Juist dat is een zeer groot nadeel voor onze competitiviteit. Daar bent u dan toch niet in geslaagd.

Uit dit debat leer ik dat we als politici allemaal wat meer bescheiden en nederig moeten worden. Het is niet de verdienste van links of rechts, noch van de huidige of de vorige minister, het ligt vooral aan de innovatiekracht van de bedrijven. Onze politiek moet erin bestaan dat te ondersteunen vanuit een nederige rol. Het is misplaatst om de pluimen op de hoed te steken van een minister.

Ik vind de woorden van minister Lieten belangrijk. We moeten naar de problemen kijken en niet op een kleinzielige manier trachten elkaar vliegen af te vangen.

De vermarkting is al jarenlang een probleem. Het kleine aantal starters is al jarenlang en over alle regeringen heen een probleem in Vlaanderen. De ParticipatieMaatschappij Vlaanderen (PMV) beschikt nochtans over een heel breed instrumentarium. Er is het Vlaams Innovatiefonds (Vinnof). Er is de win-winlening. We hebben voor elk stadium tot aan de gazellesprong ondersteunende instrumenten uitgewerkt. Spijtig genoeg moeten we constateren dat die instrumenten blijkbaar niet allemaal even efficiënt werken. Ze zijn blijkbaar niet het gepaste middel om de Vlaamse industrie te ondersteunen. Ik vind dat we daar werk van moeten maken.

Ik ben heel blij dat de Vlaamse Regering een tweede rapport van professor Soete heeft besteld. We moeten de efficiëntie van de instrumenten verhogen en de vermarkting en het aantal starters opvoeren. Het lijkt me ook belangrijk de administratieve last te verminderen. Dat is wel degelijk een klacht van de Vlaamse ondernemers. Ook met betrekking tot projecten van het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) ligt de administratieve last relatief hoog. Soms maken bedrijven de afweging. Zijn de subsidies de moeite waard om heel die administratieve molen op gang te trekken? Volgens mij moet het mogelijk zijn op dat vlak wat winst te boeken. We mogen de noodzakelijke controles niet laten vallen. We moeten echter inspanningen leveren om de administratieve lasten te verminderen en de creatieve ideeën van onderuit te laten opborrelen. Ook met betrekking tot de PMV zijn er op dat vlak allicht nog wat efficiëntiewinsten te boeken.

Minister Ingrid Lieten

Ik ben het eens met de stelling van de heer Van den Heuvel dat we permanent moeten nagaan hoe we ons instrumentarium efficiënter en effectiever kunnen maken. Het is zeer belangrijk de bureaucratie, de administratieve rompslomp en de doorlooptijd te verminderen. Als we de internationale vergelijkingen bekijken, blijkt echter dat daar niet zozeer ons pijnpunt ligt. We beschikken over een grote en goede kapitaalvoorziening vanuit de marktspelers en vanuit de overheidsspelers die de markt moeten aanvullen.

Waar het om gaat, is een nieuwe cultuur in alle lagen van het bedrijfsleven te introduceren. De bedrijven moeten nog veel meer luisteren naar de noden van de klant en moeten veel meer op zoek gaan naar manieren om de behoeften van de klant en de technologische innovaties in nieuwe producten en diensten om te zetten. Die cultuurverandering zit in het nieuw industrieel beleid ingebakken. De overheden, bedrijven en wetenschappelijke instellingen zullen daar samen op moeten inzetten.

Patricia Ceysens

Ik wil eerst even op de sluitingen ingaan. De economie is een verhaal van creatieve destructie. We krijgen allemaal enigszins met destructie, herstructureringen en sluitingen te maken. Als politici zijn we daar volgens mij veel te bang voor. We gaan daar veel te conservatief mee om. De destructie is een aspect van de economie dat we moeten aanvaarden en zo goed mogelijk moeten begeleiden.

Ik heb gelezen wat Agoria en Voka hebben geschreven over de Bekaertbashing die plots in was in de Vlaamse politiek. Die mensen waren gechoqueerd door de manier waarop op een totaal ongepast moment plots aan industriebashing werd gedaan.

Ik vind dat we onvoldoende vertrouwen in de creatieve kant van bedrijven en van het ondernemerschap tonen. Het klopt dat de bedrijven momenteel niet perfect tot een valorisatie komen. We hebben op dat vlak al veel inspanningen geleverd. We hebben het concept ‘kennis, kunde, kassa’ ingevoerd. Dat moeten we in Vlaanderen verder als mantra gebruiken.

Ik zie momenteel op veel plaatsen, en dan zeker in de net vermelde maatschappelijke domeinen, een groot gebrek aan durf met betrekking tot het doordenken van O&O. We moeten onderzoeken, ontwikkelen en ondernemen. Kennis, kunde en kassa moeten ertoe leiden dat in die domeinen waar zich maatschappelijke noden situeren, verder wordt doorgedacht. De nood aan die durf is in Vlaanderen onvoldoende doorgedrongen.

We hebben destijds zes clusters voor de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI) geselecteerd. Die clusters zijn niet veranderd. Ik heb niets anders gezien of gehoord. We hebben afgesproken dat de middelen zouden gaan naar waar de business cases zich bevinden en niet naar de een of andere voorkeur van de politiek.

De minister-president heeft de bijeenkomst van het World Economic Forum in Davos bijgewoond. Ik moedig hem aan daar steeds heen te gaan. Hij heeft me trouwens verteld dat Vlaanderen stichtend lid is en daar als regio steeds aan de bak komt.

Maar ik hoop dat de Vlaamse Regering dan ook kijkt naar wat het World Economic Forum (WEF) continu publiceert. De steekkaart van België is daar bijzonder relevant.

We doen het niet slecht, want we staan dit jaar op de 15e plaats op 142 landen. Al bij al doen we het dus niet slecht. De uitschieters haal je er echter heel snel uit. Om een gemiddelde 15e plaats te halen, moet je op sommige parameters hoog scoren en op andere wat lager. Op de indicator 1.09 ‘Burden of government regulation’ scoren we bijvoorbeeld slecht en staan we op de 127e plaats. De heer Penris bracht hetzelfde verhaal. We gaan gebukt onder een loodzware overheid. U kunt die informatie vinden op het internet. U moet eens kijken tussen welke landen we daar staan.

Een ander pijnpunt is de indicator ‘Extent and effect of taxation’. Daar staan we op de 137e plaats. Ik raad u aan om ook dat op het internet te bekijken en na te gaan tussen welke landen we daar staan.

Ook op ‘Government debt’ scoren we slecht. (Opmerkingen van minister-president Kris Peeters)

Minister-president, ik ben het niet met u eens dat, indien we enkel een fiche zouden trekken voor Vlaanderen, we plots beter zouden scoren op het vlak van ‘Burden of government regulations’. Dat maakt u mij niet wijs. Dat verhaal gaat niet op. De fiche bestaat jammer genoeg niet opgedeeld voor de verschillende regio’s. U maakt mij echter niet wijs dat wij in Vlaanderen plots vanaf plaats 127 haasje-over zouden doen naar het kop-10-peloton, ook niet voor die ‘ Extent and effect of taxation’ of voor wat men als ons grootste probleem omschrijft, de arbeidsmarkt.

Karel Vinck zegt dat er moet worden ingezet op opleiding, herscholing en fiscaliteit. De twee eerste zijn Vlaamse bevoegdheden. Volgens de heer Vinck wordt daar nu te weinig op ingezet. U kunt er zich niet van afmaken door te zeggen dat die cijfers voor Vlaanderen ons opeens in een totaal andere koppositie zouden brengen.

Ik wil er u gerust nog een paar geven. Er wordt een index gegeven voor het onderhoud van de wegen, ‘Quality of roads’. Dat is een apart getal. We zijn daar gezakt van de 24e plaats vorig jaar naar de 29e plaats. Nederland stond vorig jaar na ons, maar heeft zich op een jaar tijd naar voren weten te fietsen. Hetzelfde geldt voor een aantal innovatieparameters.

U maakt mij niet wijs dat wij onze pijnpunten niet zouden kennen en dat, als we ze kennen, we ons dan ervan kunnen afmaken door te zeggen dat het door Brussel en Wallonië komt. Dat liedje gaat niet meer op. Dit zijn ook onze pijnpunten. We moeten daaraan werken.

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord. Mijnheer Bothuyne, ik kon u niet midden in de toelichting van mevrouw Ceysens het woord geven.

Dat had ons anders wel het een en ander kunnen besparen.

Het verhaal dat mevrouw Ceysens brengt, is wel heel gemakkelijk. Het is gemakkelijk een aantal deelindicatoren van het WEF eruit te lichten, terwijl ons land nog nooit zo hoog heeft gestaan op de globale competitiviteitsindex die alle indicatoren overkoepelt die worden onderzocht door het WEF. We staan nu op de 15e plaats en zijn de kloof aan het dichten met Duitsland en nog een aantal buurlanden. Mevrouw Ceysens, met het werk van deze regering zullen we hoger dan ooit scoren op de globale ranking van het WEF. Uiteraard moeten we onze pijnpunten aanpakken. Daar zullen we het straks over hebben.

Ik wil een andere invalshoek belichten. Ik dacht dat mevrouw Ceysens zichzelf een slecht rapport aan het geven was. De laatste dertien jaar hebben de liberalen onafgebroken in de Federale Regering gezeteld en bijna onafgebroken in de Vlaamse Regering, op de laatste twee jaar na. We hebben daarnet gehoord dat er een grote doorlooptijd is. Men ziet de effecten pas na twee jaar politieke besluitvorming.

U bent uzelf dus een slecht rapport aan het geven als u echt gelooft dat het in dit landje zo slecht gaat. Gaat u daar rustig mee door, maar wat logica, nuchterheid en nederigheid zou u niet misstaan. Er zijn natuurlijk verbeterpunten op te sommen. Maar u kunt beter dan dit, want dit is een flauw, negatief verhaal. (Applaus bij de meerderheid)

Filip Watteeuw

Ik moet hier mevrouw Ceysens niet verdedigen, maar wil dat nu toch doen omdat de heer Bothuyne een vreemde redenering verwoordt. Er zijn voldoende indicatoren die aantonen dat het niet goed gaat met de industrie in Vlaanderen. Mevrouw Ceysens zegt met de resultaten van een onderzoek in de hand dat wij een aantal pijnpunten moeten wegwerken om de industrie meer ademruimte te geven. Dat is geen poging om die vijftiende plaats weg te moffelen. Die vijftiende plaats is er, maar er zijn ook pijnpunten, en die moeten wij aanpakken. Dat is wat zij doet, en ik vind het dan erg flauw om haar betoog de grond in te boren. Ik ben het op veel punten met haar niet eens, maar hier heeft men u onrecht aangedaan. (Applaus bij de oppositie)

Patricia Ceysens

Dank u, mijnheer Watteeuw. Zelfs in de eigen fractie spreken zij elkaar tegen. De heer Bothuyne en de heer Van den Heuvel spreken elkaar tegen, want de ene zegt dat het nog nooit zo goed is gegaan, en hij verwijst dan naar de vijftiende plaats, terwijl de andere zegt dat het slecht gaat en dat dit onze schuld is. Zij neutraliseren elkaar, maar niettemin waardeer ik het feit dat u hun inconsistentie hier ook onder de aandacht brengt.

Het is toch al lang geen welles-nietesspelletje meer. Op dit blad staan alle dieptepunten van onze economie opgelijst. (Mevrouw Ceysens toont een blad)

Laten wij daar iets aan doen. Het verontrust mij dan dat het ACV stelt dat wij opnieuw schulden moeten maken en dat het op orde zetten van de begroting geen prioriteit is. Die dieptepunten doen zich ook in Vlaanderen voor. Wij kunnen er ons niet meer van afmaken met te stellen dat Wallonië en Brussel fout bezig zijn. Wij moeten benchmarken met de veertien landen die boven ons staan en zelf die pijnpunten hebben weggewerkt. Dank u voor de aandacht. Het was mij een genoegen. (Applaus bij Open Vld en LLD)

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Voorzitter, minister-president, ministers, collega’s, mijn eerste woorden en gedachten gaan uit naar de honderden werknemers die worden getroffen door herstructureringen bij Bekaert, Crown, Siemens en andere bedrijven, en ook bij de vele onzichtbare, kleine drama’s die zich afspelen bij kleinere bedrijven. Het zijn stuk voor stuk persoonlijke drama’s, en het is belangrijk dat de Vlaamse Regering deze mensen zo goed mogelijk opvangt, opleidt en begeleidt in de zoektocht naar een nieuwe job. Op dat vlak moeten wij een tandje bij steken, minister Muyters. De resultaten van de tewerkstellingscellen zijn immers nog te mager. Dat zijn niet mijn woorden, maar die van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid. Wij hebben daarover al van gedachten gewisseld en rekenen op u om de kwaliteit van de aangeboden trajecten te garanderen.

Deze herstructureringen wekken bij sommigen blijkbaar het gevoel op dat het absoluut niet goed gaat met Vlaanderen, dat we aan de rand van de afgrond staan. Anderen spelen dan weer graag op deze perceptie in. Maar dat is dus niet het volledige plaatje, en het gaat voorbij aan de realiteit. Er zijn net al positieve berichten geciteerd, ik citeer er ook een aantal.

Er waren vorig jaar 174 buitenlandse investeringen en zo werden 3720 nieuwe directe jobs gecreëerd. We zijn en blijven dus een aantrekkelijke investeringsregio. Er is vorig jaar ook een recordaantal bedrijventerreinen ontwikkeld. Een heel belangrijke voorwaarde voor economische groei, ruimte om te ondernemen, wordt op die manier ingevuld. Gisteren was er het nieuws dat de Europese Commissie – toch geen verdachte bron – ons land bij de vijf meest innovatieve landen in de EU klasseerde. Dat is een klassering om trots op te zijn en die perspectief biedt: innovatie kan zorgen voor de jobs van de toekomst. Een mooi voorbeeld daarvan was het nieuwe partnerschap tussen BASF en het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB), dat het plantenonderzoek structureel in Vlaanderen verankerde.

Tot slot, hoewel de werkloosheid voor het eerst in anderhalf jaar licht steeg – door een statistische wijziging, naar het schijnt –, moeten we vaststellen dat die hoe dan ook, al bij al, laag is, zeker als we die vergelijken met de arbeidsmarktfiasco’s in bijvoorbeeld de Zuid-Europese landen. We zijn dus verre van het Griekenland of het Portugal aan de Noordzee.

Bovendien zijn er heel wat bedrijven en sectoren met investeringsplannen. De chemiesector heeft met Flanders Strategic Initiative for Sustainable Chemistry (FISCH) een heel concreet plan om de sector te verduurzamen en de toekomst van de op één na grootste chemiecluster ter wereld op die manier te verzekeren. Dat wordt ondersteund door de Vlaamse Regering en dat kunnen we enkel toejuichen. Agoria zag vorig jaar de tewerkstelling in haar sector stijgen, een echte industriële sector, tot bijna 280.000 jobs. De sector verwacht zelfs in het crisisjaar een groei van de investeringen van 10 procent. Tot slot is er de bouwsector, een belangrijke motor voor onze economie. Na de sterke groei van de voorbije jaren moeten we nu een slim, Vlaams woon- en energiebeleid voeren, zodat ook in de toekomst daar groei mogelijk is. Zo stelde de Confederatie Bouw, en daar kunnen we hen enkel in bijtreden.

Er zijn dus redenen genoeg om zelfvertrouwen te hebben, maar evengoed moeten we beseffen dat business as usual niet aan de orde is. Daarom moet voor CD&V de uitvoering van het nieuw industrieel beleid nu prioriteit krijgen. Er zijn vijftig acties afgesproken. Die moeten onverkort in daden worden omgezet. Ik wil hierbij vier essentiële elementen voor onze fractie meegeven.

Eerst en vooral is er de kostencompetitiviteit. De loonkosten vormen wel degelijk een van de belangrijkste drijfveren om al dan niet in Vlaanderen te investeren. Wie dat durft te ontkennen, dwaalt. Dat we een achterstand dreigen op te lopen ten opzichte van de buurlanden, is door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), een heel onafhankelijke instantie beheerd door de sociale partners, afdoende aangetoond. We hebben op dit moment een gemiddelde loonhandicap ten opzichte van onze buurlanden van 3 tot 4 procent. Inderdaad, de indexverhogingen gaan daar geen goed aan doen.

Nu goed, Vlaanderen kan hieraan op dit moment weinig doen. Het is essentieel dat de federale sociale partners en de Federale Regering hieraan de hand houden en minstens de wet van 1996 rigoureus toepassen.

De voorzitter

De heer Vereeck heeft het woord.

Lode Vereeck

Ik probeer altijd goed het standpunt van de regering en de meerderheidspartijen te begrijpen, alvorens daarop enige kritiek te formuleren. Kunt u de passage nog eens herhalen over de loonkost? Heb ik nu gehoord dat iemand die dat ontkent, dwaalt en dat het rapport van de CRB duidelijk aantoont dat daar het kalf gebonden is? Dan hebben we toch een klein meningsverschil binnen de meerderheid, want ik heb net gehoord dat dat niet het geval is.

U hebt mij correct geciteerd, maar ik heb minister Lieten ook niet horen zeggen dat de loonkost geen belangrijk element is.

Lode Vereeck

Jawel, ik kan het citeren: “De loonkosten zijn het probleem niet. We moeten onze industrie durven herdenken.” Dat komt van Belga.

Minister Ingrid Lieten

Mijnheer Vereeck, u probeert spijkers op laag water te zoeken. Ik herhaal het nog eens. Wat ik zeg, staat in het nieuw industrieel beleid en is perfect complementair aan wat de heer Bothuyne zegt. De loonkost is een item dat we in het oog moeten houden en het is een belangrijke randvoorwaarde, maar onze grote doorbraak qua competitiviteit zullen we enkel realiseren als we meer inzetten op het naar de markt brengen van producten met een hoge toegevoegde waarde.

Het is dus duidelijk een en-enverhaal, maar voor ons zijn die loonkosten de basis en essentieel om de rest op te bouwen.

Maar er is ook de energiekost. Daar kan Vlaanderen wel ingrijpen. Voor de gemiddelde kmo is de elektriciteitsprijs minder dan de helft van haar energiefactuur. De rest zijn kosten die op een of andere manier zijn opgelegd door de diverse overheden in ons land. Op dat vlak moeten wij zo snel mogelijk ons groenestroombeleid hervormen. Kostenefficiëntie moet daarbij de leidraad zijn. Bovendien moeten we ervoor zorgen dat we niet afhankelijk worden van buitenlandse energieproductie. Eigen productiefaciliteiten, liefst groene, zijn daarbij noodzakelijk.

Daarnaast is een verstandig flankerend economisch en innovatiebeleid belangrijk. We hebben daarnet al een debat daarover kunnen voeren. We hebben een sterk uitgebouwd financieel overheidsinstrumentarium zoals Vinnof (Vlaams Innovatiefonds) en de waarborgen die heel wat investeringen mogelijk hebben gemaakt in Vlaanderen. Intussen zijn de eerste investeringsbeslissingen genomen door het nieuwe TINA-Fonds (Transformatie, Innovatie en Acceleratie Fonds)

De voorzitter

De heer Sanctorum heeft het woord.

Hermes Sanctorum-Vandevoorde

Heb ik het goed begrepen dat u het had over de energiefactuur van de kmo’s? Dat geef ik u volledig gelijk want dat zijn meestal laagspanningsklanten. Die moeten inderdaad heel veel bijdragen, onder meer aan die nettarieven in de energiefactuur.

Mijn voorbeeld ging over de middenspanning maar we zitten op dat vlak inderdaad ongeveer op dezelfde golflengte.

We zijn blij met de geplande hervorming van de strategische opleidings- en investeringssteun die zo beter kan worden ingezet voor de echt strategische sectoren van onze economie en om buitenlandse investeerders te kunnen aantrekken. Dat we met deze regering meer geld dan ooit uittrekken voor innovatie, is intussen voor iedereen duidelijk. We kijken uit naar uw concrete initiatieven, minister, om zoals u hebt aangekondigd, meer kmo’s te betrekken bij uw innovatiebeleid. Ook voor initiatieven zoals het innovatief aanbesteden hopen we dat u en uw collega’s een versnelling hoger kunnen schakelen.

Een goed infrastructuurbeleid en een efficiënter vergunningenbeleid zijn essentieel voor een goed industrieel beleid. Deze regering heeft op het vlak van investeringen in mobiliteit in al haar vormen duidelijk een hogere versnelling gevonden. Dat is het hoogste niveau ooit. Het gaat dan niet alleen over het transport over de weg maar ook over de havens en de binnenvaart. Ook daar wordt een zeer offensief beleid gevoerd. Dat is een belangrijke voorwaarde om onze rol als logistieke draaischijf van Europa te kunnen spelen en blijven spelen. Voor vele industriële spelers is dat een kernparameter bij hun investeringsbelissing.

Wat de vergunningen betreft, heeft het parlement belangrijke sporen getrokken in de commissie-Sauwens. De uitdaging is nu om die sporen snel tot uitvoering te brengen. De conceptnota over de omgevingsvergunningen en het permanente karakter van de milieuvergunningen zijn op dat vlak hoopvolle doorbraken.

Vlaanderen is geëvolueerd naar een structurele knelpunteneconomie. We moeten gaan naar een slim en resultaatsgericht arbeidsmarktbeleid. Dankzij de zesde staatshervorming krijgen we straks belangrijke hefbomen in handen om dit beter dan ooit aan te pakken. Intussen moet het loopbaanakkoord zo snel mogelijk worden uitgevoerd. We moeten inzetten op een betere kwaliteit van onze opleiding en begeleiding zodat de uitstroom naar werk verhoogt. Ook moet de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt beter kunnen. Voor de vacatures die we niet ingevuld krijgen met eigen mensen, moet werk worden gemaakt van een versterkt beleid inzake interregionale en internationale arbeidsmobiliteit en -migratie. We mogen geen niet-ingevulde vacatures dulden in ons industrieel beleid.

We hebben heel veel troeven. We hebben een sterk industrieel weefsel en vooral, we hebben een regering die opnieuw het belang erkent van een eigen industrieel beleid. Met de industrieraad is er een platform dat de captains of industry toelaat om zelf dat beleid mee aan te sturen. We weten dat we in een recessie zijn terechtgekomen maar we weten intussen ook uit ervaring dat we een goed en efficiënt anticrisisbeleid kunnen voeren. Tegelijk moeten we werk maken van een transformatie van onze industrie. Dat zal moedige beslissingen vergen. Ik eindig met een motto dat ooit op de uitnodiging stond van een belangrijk congres van de toenmalige CVP. Datzelfde motto is onlangs door een eminent socialistisch politicus, de heer Frank Vandenbroucke, opnieuw opgepikt: “Voorsprong door moed.” Moedige beslissingen zullen de weg plaveien naar een voorspoedige toekomst voor onze industrie

De voorzitter

Mevrouw Turan heeft het woord.

Güler Turan

Mijnheer Bothuyne, ik ben blij met uw vermelding van het arbeidsmarktbeleid. Ik heb het hele actualiteitsdebat gevolgd, en er zijn amper sprekers die de mensen achter heel dit weefsel hebben vernoemd.

U hebt gezegd dat de voorbije dagen honderden mensen hun job zijn verloren of die dreigen te verliezen. Sta me toe om aan te vullen: het gaat alleen al de afgelopen week om meer dan 1000 rechtstreeks tewerkgestelden en nog eens minstens evenveel onrechtstreeks tewerkgestelden. Dat zijn meer dan 2000 gezinnen die dreigen zonder gezinsinkomen te vallen. Het kleine drama dat we vandaag proberen te verwoorden, is dus eigenlijk groter.

Ik heb een aantal kernwoorden genoteerd die hier telkens terugkwamen en waar ik mij volledig in kan vinden, collega’s. ‘De erosie van ons industrieel weefsel en de reactie daarop van de Vlaamse Regering’ is de titel van het actualiteitsdebat. We moeten innoveren, nieuw industrieel beleid voeren, we moeten transformeren, produceren, de productiefaciliteiten verbeteren, Vlaanderen moet meer flankerend economisch beleid voeren. Ik ben het daar allemaal mee eens, maar we mogen vooral niet vergeten dat het hier om mensen gaat. Als wij ons menselijk kapitaal niet mee gaan transformeren en ons menselijk kapitaal in Vlaanderen niet mee innoveren, vrees ik dat we de komende periode geen economisch weefsel meer zullen hebben. De economie en industrie zullen enkel draaien met het talent dat we hebben.

Ik stel voor, zoals de heer Bothuyne zonet aangaf, dat er meer werk wordt gemaakt van de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt. Ongekwalificeerde uitstroom moet aangepakt worden. Het loopbaanakkoord komt eraan, maar wat dit betreft, zal dat akkoord nog te beperkt blijven.

Investeren, ook in de mensen, om drama’s uit te sluiten en om een toekomst te hebben. Laten we vooral niet vergeten om in de mensen te investeren.

De voorzitter

De heer Bouckaert heeft het woord.

Boudewijn Bouckaert

We moeten inderdaad investeren in mensen, maar moeten dat ook op een juiste manier doen. Er dreigt een hervorming van het secundair onderwijs aan te komen waarbij het technisch onderwijs en het beroepsonderwijs volledig ondergesneeuwd zullen worden en er een pseudo-aso wordt ingericht. Daardoor zal het zogenaamde menselijke kapitaal volledig ondermijnd worden. Dat is wat ons onder deze regering waarschijnlijk te wachten staat. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Patricia Ceysens

Mevrouw Turan zegt dat er deze week 1000 jobs verloren zijn gegaan. Dat klinkt verschrikkelijk hard. Een studie van het Hoger Instituut voor de Arbeid (HIVA), die de periode 2003-2007 in kaart heeft gebracht, heeft echter berekend dat er ook in die periode in Vlaanderen elke week 2000 jobs sneuvelden in krimpende en sluitende ondernemingen, maar dat er diezelfde week 2500 jobs werden gecreëerd in groeiende en startende ondernemingen.

De vraag is dus niet alleen hoeveel jobs er vorige week gesneuveld zijn, maar ook hoeveel er vorige week gecreëerd zijn. Dat is de vraag waarop we het antwoord willen weten. Die balans moeten we in het oog houden. Als politici stellen we ons daarin soms veel te defensief en conservatief op. Als er 1500 jobs zijn gecreëerd en dat zijn er 500 meer dan er verloren zijn gegaan, dan hebben we een goede week gehad.

De voorzitter

Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Sabine Poleyn

Mijnheer Bouckaert, de huidige nijverheidstechnische scholen kijken uit naar de hervorming van het secundair onderwijs, omdat zij daarin lezen dat er in de toekomst scholen voor wetenschappen en techniek kunnen komen die het hele gamma aan wetenschappelijke en technische richtingen kunnen aanbieden. Ik hoop dat wij dat straks ook zullen suggereren vanuit het parlement aan minister Smet, om daar effectief de nadruk op te leggen.

Ik sluit me volledig aan bij het pleidooi voor een goede aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Daarom hebben we hier ook het Actieplan Ondernemerschapsonderwijs en het Actieplan Wetenschappen en Techniek opgestart. Ik hoop dat de regering dat de komende maanden en jaren zeer nauwgezet zal uitvoeren en implementeren.

Mevrouw Ceysens, ik kan alleen vaststellen dat de balans op dit moment positief is. Er zijn meer jobs dan ooit, meer mensen dan ooit zijn aan de slag. De uitdaging is om dat zo te houden. De uitdaging is ook om de vacatures die straks gecreëerd worden, voor vervanging, maar hopelijk ook als gevolg van economische groei, efficiënt in te vullen. Daarvoor zullen we een sterk Vlaams arbeidsmarktbeleid nodig hebben. Minister, we rekenen op u. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Diependaele heeft het woord.

Matthias Diependaele

Voorzitter, leden van de regering, collega’s, dit wordt een heel voorspelbaar debat. Sinds het begin van deze legislatuur is het al de vierde of vijfde keer dat we het hebben over het industrieel weefsel in Vlaanderen. Vorige week hadden we ook een goede discussie in de commissie Economie. Ik doe mijn best om niet in herhaling te vallen, maar ik vrees dat dat nagenoeg onmogelijk is.

De berichten van de laatste weken zijn meer dan voldoende reden om ongerust te zijn. Het debat op zich is op zijn plaats omdat het ons scherp houdt. We moeten aandacht blijven hebben voor het industrieel weefsel in Vlaanderen, dat de laatste tijd steeds meer onder druk komt te staan. De sociale drama’s die zich afspeelden, duwen ons nog maar eens met de neus op de feiten – we hadden Bekaert, Crown Cork, Nokia, Alcatel en ga zo maar door – en houden ons scherp om de sense of urgency voor het nieuw industrieel beleid door te voeren en aan de gang te houden.

In 2008 en 2009 zagen we ook zulke drama’s. Opel was daar het mooiste voorbeeld van. Toen leefden we nog in een zekere hoop dat we snel uit dat dal zouden kruipen, eens de economie zou heropleven en opnieuw zou aantrekken. We dachten toen dat de financiële sector, eens die weer op orde zou staan, zou kunnen starten met de heropbouw van de economie en dat we dan uit de crisis zouden zijn.

Ook in 2008 en 2009 werden we gewaarschuwd dat er wel eens een ‘double dip’ zou kunnen komen. Men voorspelde dat de heropleving in 2010 maar van korte duur zou zijn – dat is ook zo gebleken – en dat een nieuwe crisis ons algauw weer de dieperik in zou duwen. Die nieuwe crisis is er dan gekomen door de schuldencrisis bij verschillende overheden in Europa en de wereld.

Heel wat bedrijven hebben tijdens het eerste deel van de economische crisis in 2008 en 2009 hun uiterste best gedaan om zo veel mogelijk mensen aan boord te houden. Daarmee hebben ze zichzelf verzekerd van voldoende geschoold arbeidspotentieel voor het moment dat de economie opnieuw zou aantrekken. Die reserves zijn natuurlijk uitgeput geraakt, wat herstructureringen nodig maakt.

Wat vandaag een reden is om extra ongerust te zijn, is het feit dat er enkele paradepaardjes van het Vlaams industrieel weefsel mee onderuit gaan. We horen dat Van Hool in Macedonië gaat investeren, BASF – geen Vlaams bedrijf, maar toch een belangrijke poot in de Antwerpse haven en de chemiecluster – loopt een investering van 1 miljard euro mis, Bekaert ontslaat 600 mensen – Bekaert was zeker een zware slag. Elk van die bedrijven heeft zijn eigen redenen om die herstructureringen of investeringen in het buitenland door te voeren. In sommige gevallen ligt dat wel degelijk aan andere zaken dan de fameuze handicaps waar hier al naar verwezen is.

Op een deel van de overwegingen die deze bedrijven naar voren schuiven, hebben de Vlaamse en federale overheden geen vat, zoals de markt voor zaagdraad die stilvalt in het geval van Bekaert. Bekaert heeft zelf expliciet gezegd dat hun beslissing weinig of niets te maken had met de loonkosthandicap, maar met het ineenstorten van de markt van de zonnepanelen. Crown Cork daarentegen heeft uitdrukkelijk gezegd dat het wel aan de loonkosthandicap ligt. Al die bedrijven hebben hun eigen redenen om al dan niet te investeren, om al dan niet te ontslaan.

Op sommige van die zaken hebben we invloed, op andere niet, maar het is wel belangrijk dat we uitzoeken waar we wel invloed op hebben. We zijn de laatste maanden en jaren verschillende keren gewaarschuwd door enkele captains of industry, niet het minst door Bert De Graeve, en in straffe bewoordingen – er zijn actuele vragen over gesteld –, maar ook door Karel Vinck en anderen. Zij hebben stelselmatig gewezen op de structurele handicaps van het Vlaamse bedrijfsleven. Daar ligt een taak weggelegd voor ons om er iets aan te doen. Dan heb ik het over de verschillende handicaps die onze concurrentiepositie ondermijnen. Ik heb het niet over het conjuncturele, over specifieke marktbewegingen waar onze bedrijven onderhevig aan zijn, maar wel over de punten waar we invloed op hebben. Een van de handicaps is ontegensprekelijk de loonkost. De loonkost is nooit de enige reden waarom bedrijven hier wegtrekken. Ontkennen dat het een belangrijke reden is, is zeker ook niet correct. Dat is het licht van de zon ontkennen.

Mijnheer Van Malderen, ik ben het met u eens dat we absoluut moeten inzetten op innovatie en dergelijke, maar dat betekent niet dat we de loonkost links mogen laten liggen. Ik denk wel dat het een onverstandige uitspraak was om te zeggen dat er wordt gezeurd over die loonkost. Dat moet me van het hart.

Bart Van Malderen

Mijnheer Diependaele, u stelt dat de captains of industry verwijzen naar een aantal structurele tekorten in onze economie. Ik stel vast dat, als het goed gaat in een bedrijf en een sector, dat altijd dankzij het inzicht en de werkkracht is van diezelfde captains of industry. Als het dan moeilijk gaat, ligt dat aan een aantal omgevingsfactoren buiten hen. Ook ter zake zouden we ervan moeten uitgaan dat mensen feilbaar zijn en dat er beslissingen worden genomen die niet altijd ideaal zijn, in plaats van, op het ogenblik dat er een grote herstructurering moet worden aangekondigd, altijd te zeggen dat er een groot en structureel probleem is op het vlak van loonkost.

Het punt is dat er vandaag inderdaad een loonkostprobleem bestaat ten opzichte van andere landen. Dat zegt de CRB ook. Dat is niet de vraag. De vraag is: wat kan men daaraan doen? Kan men en wil men met een aantal landen blijven concurreren op dat vlak, wetend dat als iedereen dat doet – en die verleiding bestaat –, dat comparatieve voordeel op het einde van de rit zal worden uitgevlakt en iedereen met minder loon eindigt, maar op dat moment eigenlijk niets zal hebben gewonnen qua concurrentiepositie? Het lijkt me veel belangrijker onze welvaart, en ook nog eens onze binnenlandse consumptie, op peil te houden door niet af te dalen in die neerwaartse spiraal, maar net door nieuwe producten op de markt te brengen waarbij die loonkost misschien minder een rol speelt.

Matthias Diependaele

Ik ben het absoluut eens met dat laatste. Ik meen absoluut niet dat die captains of industry onfeilbaar zijn. Ze hebben trouwens ook toen het goed ging bepaalde waarschuwingen gegeven: laat dat duidelijk zijn.

Wat kan worden gedaan aan die loonkost? Dat is natuurlijk een federaal probleem. We hebben daar een visie op, met het verlichten van de overheadkosten en dergelijke meer.

Vorige week heeft de minister-president die cijfers over het loonkostverschil met de ons omringende landen naast die over de stijging van de productiviteit gezet. Onze loonkost ligt gemiddeld 15 procent hoger. Op zich is er niets verkeerd mee om dat op die manier te vergelijken, maar het feit dat onze productiviteit hoger ligt, zou net een concurrentievoordeel moeten zijn. Daarover maak ik me zorgen. Het zou geen middel mogen zijn om die te hoge loonkost te compenseren. Zo wordt die vergelijking verkeerd gebruikt. In sommige sectoren heeft die productiviteitsstijging trouwens haar grens bereikt. Ik ben het er echter absoluut mee eens dat er innovatie nodig is voor die nieuwe industrieën. Dat is een paar weken geleden ook gezegd.

Aan heel wat zaken kan Vlaanderen wél iets doen. Het debat of er al dan niet industrie mogelijk is in Vlaanderen, is in mijn ogen een vals debat. Ik herhaal de cijfers van de heer Van Malderen: 40 procent van de toegevoegde waarde, 80 procent van onderzoek en ontwikkeling en 85 procent van de Vlaamse export. We hebben die industrie wel degelijk nodig. Er is ook voldoende toekomst voor industrie in Vlaanderen. Daarom is de Vlaamse Regering vorig jaar begonnen met het nieuw industrieel beleid. Dat behelst een drietal krachtlijnen, die ook al aan bod zijn gekomen. Ik kan heel veel begrip opbrengen voor de mensen die zeggen dat het te traag gaat, maar laat duidelijk zijn dat die transformatie een proces op lange termijn is. Wie dacht dat we daar op een drafje door zouden geraken, had het natuurlijk bij het verkeerde eind. Ik ben er een voorstander van dat dit grondig wordt uitgewerkt in plaats van dat men enkel aan aankondigingspolitiek doet en het snel afhandelt.

De planningsfase is nu evenwel al achter de rug. De heer Bothuyne heeft daarnet ook verwezen naar de vijftig acties die op de plank liggen en nu moeten worden uitgewerkt. Heel wat van die maatregelen kosten geen geld en zijn gemakkelijk door te voeren. De hervorming van het vergunningenbeleid, waarnaar minister Muyters daarnet al heeft verwezen, ligt op de plank en geeft heel wat hoop voor de toekomst. Daarnaast hopen we snel iets te horen over de uitvoering van de conceptnota ‘Innovatiecentrum Vlaanderen’. Vooral gaat het over de concrete voorstellen met betrekking tot het tweede rapport-Soete. We zullen nog zien of er een groot verschil is met het eerste rapport. Er is de internationale gerichtheid van ons innovatie-instrumentarium en het meer marktgericht gaan denken in onze ondernemingen.

Ook in dat verband wil ik erop wijzen dat we zeker niet doof mogen blijven voor oproepen die de laatste weken luider klonken om vooral in te zetten op technologische innovatie, zonder het fundamenteel onderzoek uit het oog te verliezen. Er is een mogelijkheid dat we op korte termijn maatregelen nemen die op lange termijn hervormingen en transformatie van onze industrie gaan doorkruisen. Daar moeten we zeker aandacht voor hebben.

Ik heb nog een laatste opmerking over het investeringsklimaat in Vlaanderen met daaraan gekoppeld de discussie over de strategische innovatie- en opleidingssteun. De cijfers van F.I.T. – die heel toevallig deze morgen in de krant stonden terwijl ze gisteren in elk geval nog niet op de website stonden – geven al een meer genuanceerd beeld van hoe het gesteld is met het investeringsklimaat in Vlaanderen. Doemdenken is dan ook zeker niet op zijn plaats. Vlaanderen heeft nog heel wat troeven die we kunnen uitspelen en die we moeten inzetten om investeringen aan te trekken.

Als aan de voorwaarden voor strategische innovatie- en opleidingssteun niet is voldaan, dan kunnen we inderdaad terugvorderen, maar als overheid moeten we ons ook aan de gemaakte afspraken houden. Als die ondernemingen zich aan hun afspraken hebben gehouden, dan kunnen wij niet terugvorderen. Het is afgezaagd, maar ‘pacta sunt servanda’ is ook hier van toepassing. In die zin is het heel belangrijk voor de toekomst van het investeringsklimaat dat de overheid zich aan haar woord houdt en dat terugvorderingen – die losse flodders in de media – pas kunnen als er een gegronde reden is.

Collega’s, die sociale drama’s verdienen wel degelijk onze aandacht en ons medeleven, maar paniek is een heel slechte raadgever. Aan de andere kant moeten we wel zorgen dat de druk op de ketel hoog genoeg blijft om de hervormingen die op stapel staan, ook effectief door te voeren. De plannen liggen klaar en ik roep de regering dan ook op om werk te maken van een degelijke uitvoering van wat er op stapel staat. (Applaus bij CD&V en de N-VA)

De voorzitter

De heer Vereeck heeft het woord.

Lode Vereeck

Voorzitter, ministers, collega’s, de achteruitgang van de Vlaamse industrie zet zich door. De aankondiging van Bekaert om 600 jobs te schrappen, heeft sommigen weer eens wakker geschud. Maar mijn fractie waarschuwt hier al jaren voor, en heeft in april van vorig jaar nog een voorstel van resolutie ingediend met enkele heel erg concrete maatregelen voor de toekomst van de Vlaamse industrie.

Het Bekaert-debacle is dus niet onverwacht en staat niet op zichzelf. Het is het gevolg van onze staatsinrichting, maar ook van een reeks van verkeerde beleidskeuzes nu en in het verleden: de keuze voor subsidies boven lastenverlagingen, voor meer lasten in plaats van besparingen bij de overheid, voor meer in plaats van minder regels, voor flankerend in plaats van structureel beleid en ga zo maar door.

Bert De Graeve, CEO van Bekaert, haastte zich afgelopen donderdag om uit te leggen dat het banenverlies bij Bekaert niets met de verslechterende concurrentiekracht van de Vlaamse industrie zou te maken hebben. Minister-president, het leek wel alsof hij u met die mededeling uit de wind wilde zetten, want begin mei van vorig jaar liet De Graeve nog weten dat: “Het niet uitgesloten is dat Bekaert België ooit verlaat, want industriële productie op grote schaal is in België in elk geval niet meer leefbaar.” U had de mededeling van De Graeve duidelijk niet als een steuntje-in-de-rug begrepen want u schoot met scherp door de innovatiesteun terug te eisen. We begrijpen dat u dat nu in een lopende procedure hebt gestoken.

Door te focussen op de innovatie, wordt de aandacht wel afgeleid van het eigenlijke debat, en dat is dat de concurrentiekracht van Vlaanderen die wel degelijk achteruit boert. Ook minister Muyters stelde dat hij “alle Vlaamse diensten zal inzetten voor een maximale hertewerkstelling en heroriëntering van de getroffen werknemers”. Dat is natuurlijk de evidentie zelf. Elke werkloze – ex-werknemer van Bekaert of niet – moet geactiveerd worden en intensief begeleid naar een nieuwe job.

“En als Peeters en Muyters zich laten horen, zal ik ook eens mijn gedacht zeggen,” moet minister Lieten hebben gedacht. We hebben het al besproken: zij stelde dat de loonkosten niet het probleem zijn. “We moeten onze industrie durven herdenken, een grotere inzet op innovatie en duurzaamheid is nodig.” Maar ondertussen blijkt dat men ook binnen de meerderheid – althans de heren Diependaele en Bothuyne – er zich van bewust is dat de loonkostenhandicap wel degelijk een structurele handicap is en dat al dat flankerend beleid, ook als het gaat om ondersteunend beleid qua innovatie, maar effect zal hebben op het moment dat de structurele parameters van ons industrieel beleid opnieuw goed zitten.

De realiteit is dat het belang van de maakindustrie in de totale economie de voorbije decennia sterk is gedaald. Volgens cijfers van de Nationale Bank van België (NBB) daalde het aandeel in onze economie van 28 procent in 1995 tot 19 procent in 2009. Door het dalende belang van de industrie is natuurlijk ook de industriële werkgelegenheid er sterk op achteruit gegaan. Uit de Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND) blijkt dat tussen 1999 en 2010 – dat zijn de recentste cijfers – de werkgelegenheid in de industrie daalde met 85.000 personen, dat is 17,9 procent. De industriële achteruitgang wordt in de hand gewerkt door bekende problemen zoals: hoge loonkosten, hoge fiscale lasten, onzekerheid over vergunningen, gebrek aan geschikte werknemers, administratieve rompslomp, hoge energiekosten en mobiliteitsproblemen.

Ik ben mij ervan bewust dat vooral keuzes op het federale niveau voor meer lasten ons ondernemingsklimaat geen deugd doen. Uiteraard hebben de maatregelen op het federale niveau negatieve gevolgen voor de Vlaamse industrie, maar tegelijk kan deze Vlaamse Regering zich daar niet zomaar achter verschuilen. De heer Diependaele zei al dat het de vierde keer is in tweeënhalf jaar dat wij over dit thema debatteren. Dat is natuurlijk omdat de Vlaamse Regering tot op heden niet heel veel daadkracht heeft getoond inzake nieuw industrieel beleid. We hebben aankondigingen gehad, van groenboek over witboek tot de ultieme realisatie, de Industrieraad, die naar aanleiding van het Bekaert-debacle “snel met adviezen moet komen”.

Collega’s, we hebben geen nood meer aan praatbarakken à la Staten-Generaal van de Industrie – trouwens bijna dag op dag precies twee jaar geleden georganiseerd – of een Vlaamse Industrieraad, noch aan groenboeken of witboeken, noch aan een karrenvracht aan subsidies. De Vlaamse Regering draait, wat ons betreft, al tweeënhalf jaar rond de hete brij en weigert blijkbaar concrete maatregelen te nemen. Een traagheid die stilaan de stilstand benadert.

Mijn fractie en ikzelf zien zeker nog een toekomst voor industriële activiteiten in Vlaanderen. Meer zelfs: de maaksector blijft een van de steunpilaren van de Vlaamse economie. Maar dan moeten dringend de juiste maatregelen genomen worden. België heeft de op een na hoogste belastingdruk in Europa. Het heeft geen zin om bedrijven eerst uit te persen om ze dan via een sinterklaaspolitiek opnieuw wat centen toe te stoppen. Als er geen structurele maatregelen genomen worden, liggen dezelfde bedrijven enkele jaren later weer aan het subsidie-infuus.

De Vlaamse Regering zet vooral in op zogenaamd flankerend beleid: subsidies voor opleiding, innovatie, sale-and-leaseback van industriegronden. Met het gekende gebrek aan resultaat. Zonder een gezond structureel beleid is flankerend beleid gewoon weggegooid geld. Daarom is LDD geen voorstander van subsidies, behalve voor innovatie, maar van structureel beleid, structurele maatregelen om de Vlaamse economie opnieuw de nodige concurrentiekracht te geven. Prioritair gaat het om de verlaging van de belastingen, vooral op arbeid, want vooral de hoge loonkosten bedreigen onze industriële tewerkstelling. Ten tweede: administratieve vereenvoudiging want de complexe regelgeving staat tal van nieuwe buitenlandse investeringen in de weg. Ten derde: investeringen in infrastructuur want onze economie komt letterlijk tot stilstand. Ondernemingen trekken weg uit Vlaanderen omdat het transport stilstaat in de files. Maar ook onze ICT-infrastructuur is nog niet optimaal.

Ten vierde: heroriëntering van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling naar kmo’s, dat hen structureel ondersteunt terwijl het heel duidelijk de grote bedrijven niet verankert.

Deze laatste drie domeinen zijn Vlaamse bevoegdheden, collega’s. Het gaat om heel wat regelgeving, om infrastructuur en om onderzoek en ontwikkeling in kmo’s. Maar aangezien ik begrepen heb dat het regeerakkoord-Di Rupo volgens de Vlaamse coalitiepartners, inclusief N-VA, conform het Octopusplan is, dan ga ik ervan uit dat u binnenkort ook hefbomen hebt om loonkortingen toe te staan en zelfs kortingen in de vennootschapsbelasting door te voeren. Wat dat betreft, heb ik er dus vertrouwen in dat er zeer binnenkort loonmatigingen zullen worden doorgevoerd door de Vlaamse Regering.

Op korte termijn kan en moet de Vlaamse Regering een beperkt aantal ingrijpende maatregelen nemen en uitvoeren. Ik som even op wat volgens mijn fractie op korte termijn kan. Er is de intensieve activering van alle werkzoekenden – ook de langdurig werklozen – tot en met 58 jaar. Er zijn al initiatieven genomen maar u weet dat ook mijn collega Sabbe dat graag uitgebreid zou zien naar de langdurig werklozen en niet naar de nieuwe instromers. Vervolgens is er een kordate aanpak van de knelpuntvacatures door arbeidsmobiliteit te bevorderen, niet alleen tussen de gewesten, maar ook binnen Vlaanderen. Daarnaast moet men extra kredieten vrijmaken voor O&O, de bestaande innovatie-instrumenten vereenvoudigen, zoals het rapport-Soete heeft aangekondigd, en ervoor te zorgen dat die kmo’s beter de weg vinden naar die instrumenten door de provinciale innovatiecentra verder uit te bouwen, want O&O besteed aan kmo’s, leidt tot meer lokale verankering dan O&O besteed aan de grote bedrijven die, zoals nu alweer blijkt, vaak heel snel vertrekken en delokaliseren.

Verder is dat een uitbreiding van de lijst van ‘meldingsplichtige werken’ in de ruimtelijke ordening, het versneld werk maken van de digitale bouwaanvraag, het automatisch verstrekken van een vergunning als het gemeentebestuur of de bestendige deputatie binnen de gestelde termijn geen beslissing neemt, het inventariseren van alle beschikbare industriegronden in bestaande en nieuwe bedrijventerreinen en het realiseren van het uniek ondernemersloket. Dat zijn een aantal concrete maatregelen.

De Vlaamse industrie en economie hebben nood aan een aantal krachtige beleidsmaatregelen. Dus roep ik de Vlaamse Regering op om eindelijk werk te maken met het aanpakken van de structurele handicaps van onze economie en in te zetten op een verbetering van het ondernemersklimaat. ViA moet ‘Vlaanderen in Actie’ worden, en niet langer ‘Vlaamse industrie in afbouw’ zijn. (Applaus bij LDD)

Ik denk dat de heer Vereeck ondertussen wel weet dat de uitbouw naar 58 jaar de verplichte activering bij uitstroom inhoudt. Dat wil niet zeggen dat er geen instrumenten zijn die voor iedereen gelden. Daarbij ga je bijvoorbeeld naar een premie voor werkgevers die 50-plussers aanwerven, maar dat geldt evengoed voor degenen die langdurig werkloos zijn. In het nieuwe loonakkoord staat zelfs specifiek dat voor wie langer werkloos is, er een hogere premie zal zijn. Dat is het voorstel van de sociale partners dat we nu aan het afronden zijn. Dat telt evengoed voor andere zaken.

U vraagt om de digitale bouwaanvraag te versnellen. Ik denk niet dat dat echt mogelijk is. Dat is een enorm complexe zaak, u zult dat onmiddellijk begrijpen, aangezien elke gemeente niet dezelfde ICT-procedure en ICT-tools heeft om een digitale bouwaanvraag te behandelen. Wij willen een tool aanleveren die elke gemeente kan gebruiken voor een digitale bouwaanvraag. Nu loopt een experiment met de stad Antwerpen om dit zeker op een voldoende schaal naar voren te brengen. De timing die is vooropgesteld, wordt tot op heden gehaald. Het is een enorme sprong voorwaarts. Ik ben blij dat jullie dat ondersteunen. Maar een versnelling zit er niet in wegens het feit dat je dat alleen kunt invoeren als je dat zeer concreet kunt realiseren.

Ik heb met aandacht geluisterd naar de heer Vereeck, maar ik ben een beetje teleurgesteld. Hij blijft hangen in een hele langdradige analyse van hoe slecht het hier allemaal wel gaat. Dat weten we nu ondertussen wel.

En dan daarna, bij de oplossingen die u voorstelt, hoor ik u naast een grote lastenverlaging, alleen maar elementen opsommen die in het nieuw industrieel beleid vervat zitten en op dit moment uitgevoerd worden: vereenvoudiging van procedures, het vergunningenbeleid, de uitbreiding van ons activeringsbeleid, het versterken van ons arbeidsmarktbeleid, inzetten op innovatie gericht op kmo’s. Het zijn allemaal elementen die op dit moment onderdeel zijn van het beleid dat wordt uitgevoerd of dat werd afgesproken in het licht van het nieuw industrieel beleid. Ik stel dus voor dat u vanaf nu gewoon de meerderheid steunt.

Ik moet nog opmerken dat u zich ongetwijfeld moe heeft gemaakt binnen de LDD-fractie bij het vinden van nieuwe afkortingen om onze industrie te kleineren en dat vind ik jammer.

De voorzitter

De heer Ceyssens heeft het woord.

Voorzitter, ik reageer even kort, voor de juistheid der dingen. Er wordt hier inderdaad verwezen naar de vergunningsprocedures, maar ik denk dat we onder meer uit onze commissie-Sauwens moeten concluderen dat de winst niet te halen is in de vergunningsprocedures, maar in het voortraject. Als het goed is, mag het ook gezegd worden en ik denk dat we er in Vlaanderen vrij snel in slagen om vergunningen af te leveren als het gaat over de start van de vergunning tot het afleveren van de vergunning. We kunnen inderdaad nog een stap zetten voor wat de omgevingsvergunningen betreft, maar daartoe werden ondertussen al twee initiatieven genomen door de Vlaamse Regering. Als het goed is, mogen we het ook zeggen.

Lode Vereeck

Ik zal proberen om een voor een op alle punten te reageren. Wat het versneld werk maken van de digitale bouwaanvraag betreft, is het natuurlijk altijd gevaarlijk om u vast te pinnen op een deadline, minister, maar het zou toch wel interessant zijn om te weten – ook al kunt u niet alle verschillende procedures in de gemeenten coördineren – als er een gemeenschappelijke softwaretool wordt aangeboden, wanneer we die dan mogen verwachten. Kunnen we een perspectief krijgen op de realisatie hiervan?

Wat de activering van alle werkzoekenden betreft, ook de langdurige werklozen, en van de premies waarin wordt voorzien, heeft de heer Sabbe er bij een vorige interventie op gewezen dat er natuurlijk een spanningsveld is tussen enerzijds het activeren en anderzijds het feit dat we bedrijven en werknemers stimuleren om vrij veel tijdskrediet te gebruiken. Ik meen dat we meer moeten inzetten op het omvormen van jobs op de maat van oudere werknemers. Onlangs was er een erg spectaculair voorstel van de Zweedse regering om een tweeledige carrière op te bouwen: eentje tot 55 jaar en dan een tweede van 55 tot 75 jaar, die natuurlijk aangepast is aan de fysieke mogelijkheden van de senioren.

Wat betreft de vereenvoudiging van de procedures en wat zowel de heer Bothuyne als de heer Ceyssens daarover zeiden, is het natuurlijk zo dat mijn fractie met heel veel enthousiasme heeft meegewerkt aan het voorstel ter versnelling van die procedures. Er liggen 76 concrete voorstellen voor. Met alle respect, en mijn fractie zit natuurlijk nog maar 2,5 jaar in het Vlaams Parlement, maar van het nieuw industrieel beleid hebben wij eerlijk gezegd in de praktijk nog niet veel gezien. Noch van de versnelling van de procedures, noch van het nieuw industrieel beleid. Er staan inderdaad goede dingen in, en de teksten werden hier kamerbreed goedgekeurd, maar bijvoorbeeld het uniek ondernemersloket waar al jaren sprake van is, is er ook nog niet. Er zitten inderdaad veel elementen in en de dag dat er ook realisaties zijn, zal ik de eerste zijn om ze goed te keuren.

Wat betreft het gebrek aan optimisme, het volgende. We hebben tien minuten, mijnheer Bothuyne, en vanuit de oppositie controleren we natuurlijk de regering. Voor alle duidelijkheid: mijn partij, die voortkomt uit een traditie van een enorm geloof in eigen kunnen en technologische vooruitgang, kijkt optimistisch naar de toekomst wat de nieuwe technologieën en de industrie betreft. Alle initiatieven die dat ondersteunen, zullen wij natuurlijk ook ondersteunen. Alleen denken wij dat er hier in Vlaanderen enorm veel gemiste kansen zijn. Dit is een land met enorm veel potentieel, maar veel ervan wordt gefnuikt door verkeerde beleidsmatige keuzes. Ik meen dat het mijn taak is om aan te geven wat er nog allemaal beter kan in dit land zodat het nog meer welvarend wordt, niet alleen voor de mensen in de industrie, maar ook – want er is wel degelijk een kip en een ei – voor de mensen die in de zorgsectoren werken en die uiteindelijk gefinancierd worden door belastingen die uit die productie-economie komen. Geloof me dus vrij: wij zijn heel optimistisch, maar er zijn enorm veel gemiste kansen en het is mijn taak om daarop te wijzen.

Mijnheer Vereeck, u hebt nog niet veel gezien qua resultaten van de aanbevelingen. Ik wil u erop wijzen dat de minister-president in de laatste vergadering van de commissie Economie een stand van zaken heeft gegeven. Uw partijgenoot, de heer Sabbe, heeft hem toen gefeliciteerd voor de vooruitgang ter zake.

Minister Ingrid Lieten

Mijnheer Vereeck, u wilt graag applaudisseren als er resultaat is van het nieuw industrieel beleid. Wel, u krijgt die kans nu. PMV heeft vandaag een persbericht verspreid. Het investeringscomité van het TINA-Fonds heeft gisterenavond twee dossiers goedgekeurd. Het eerste is een perfect voorbeeld van de transformatie van onze industrie waar wij willen op inzetten. Het is een consortium van Vlaamse bedrijven en kennisinstellingen die samen het risico gaan nemen, gesteund door het TINA-Fonds, om een nieuwe soort installatie van windmolens op zee mogelijk te maken. Het TINA-Fonds heeft het project goedgekeurd. Het is wel degelijk een structureel project. Het project gaat ons uiteindelijk – hopelijk – helpen om niet alleen een economisch rendement te halen maar ook een maatschappelijk. Het doel is om sneller en goedkoper windmolens op zee te plaatsen. U kunt nu applaudisseren.

De timing waar u naar vraagt, is al bekendgemaakt. We proberen het proefproject in 2012 verder af te ronden zodat we in 2013 de uitrol naar de andere gemeenten kunnen doen. Meer details zullen we op 12 maart hebben als we verslag geven van de vergunningsprocedures in de commissie. U bent daar uiteraard welkom.

Boudewijn Bouckaert

Mijnheer Ceyssens, ik zat onlangs in de jury van een doctoraat aan de Universiteit Hasselt. Het ging over de wachtkosten voor ondernemingen bij het afleveren van hun vergunningen. Er was een schatting gemaakt. De bedragen waren gigantisch. Er kunnen nog heel veel efficiëntiewinsten worden gerealiseerd. Misschien is het interessant om het proefschrift op te nemen in het beleid.

Mijnheer Bouckaert, ik wil het gerust eens lezen. Heel dikwijls wordt een foute interpretatie gemaakt van de start van een dossier en de werkelijke start van de vergunningsaanvraag.

Lode Vereeck

Minister Lieten, u begrijpt dat ik de dossiers eerst moet bekijken voor ik applaus geef. U kent mijn genuanceerd standpunt over het TINA-Fonds. Als instrument speelt het in op een zeker marktfalen, maar uw minister-president heeft zelf aangegeven dat om een echte transformatie van deze economie mogelijk te maken het TINA-Fonds over een half miljard euro moet beschikken. Als dat veel minder zou zijn, zou het niet veel zin hebben, aldus de minister-president. (Opmerkingen)

Ik kan het artikel in De Tijd nog wel eens opzoeken, maar daar kwam het op neer. Met minder dan een half miljard zou de transformatie niet lukken. Ik ben natuurlijk heel blij met die twee projecten. Ik zal ze met veel aandacht bekijken. Maar nogmaals, de vuurkracht van deze regering voor de transformatie van de economie is beperkt. Ze heeft zich misrekend in de cofinanciering. Bovendien is er een enorme versnippering van de middelen. Er is niet alleen TINA, er is het ook het Vlaams Energiebedrijf. Met meer concentratie zou het effect groter zijn.

De voorzitter

De heer Watteeuw heeft het woord.

Filip Watteeuw

Voorzitter, ik ben het alvast met betrekking tot een punt eens met de minister-president. De Vlaamse industrie en Vlaanderen hebben geen boodschap aan een doemverhaal. Dat is absoluut juist. Er zijn nog steeds grote kansen voor een Vlaams industrieel beleid. De voorwaarde is dat we het over een andere boeg durven te gooien. Minister Lieten heeft verklaard dat we de economie moeten durven te hertekenen. Volgens mij heeft ze gelijk. We moeten voor 100 procent de kaart van een duurzame transitie trekken.

De Vlaamse industriële sectoren zijn ook niet gebaat met een goednieuwsshow, met een zekere zelfgenoegzaamheid of met een ongewijzigd beleid. Dat dit een vergissing zou zijn, blijkt trouwens ook uit de cijfers.

Ik moet toegeven dat de kop in De Standaard er mooi uitziet: ‘Vlaanderen lokt meer investeerders’. Wat baat het echter langs de voordeur veel volk, veel investeerders en veel jobs binnen te halen als de achterdeur wagenwijd openstaat? De industrie heeft het moeilijk. Het lijkt me niet verstandig dit te negeren.

De grafiek is trouwens niet echt geruststellend. Ik zie geen grote stijging. Ik zie veeleer een horizontale lijn. We kunnen gerust stellen dat we het beter doen dan in het barre crisisjaar 2009. Het tegendeel zou wel zeer erg zijn. Op iets langere termijn stellen we echter niet echt een verbetering vast.

In hetzelfde artikel staat trouwens dat de opmars van de investeringen uit de groeilanden is stilgevallen. Dat is pas verontrustend. De minister-president heeft de voorbije maanden immers veel inspanningen in die landen geleverd.

Dit zijn niet de enige cijfers. Er zijn er nog andere. Ik raad de minister-president aan af en toe eens de website van de Studiedienst van de Vlaamse Regering te bekijken. Daar staat onder meer de conjunctuurcurve van de Vlaamse industrie. De recentste gegevens dateren van december 2011. Na de crisis van 2008 en 2009 heeft onze industrie zich gedeeltelijk hersteld. Sinds maart 2011 zijn we echter terug naar af. De conjunctuur daalt maand na maand stelselmatig.

Die daling heeft natuurlijk een negatieve impact op de tewerkstelling en op de financiële structuur van het bedrijfsleven. Ik heb zelf al verwezen naar de handelsbalans, die de voorbije jaren ook in negatieve zin is geëvolueerd. Zelfs als ik rekening houd met alle correcties, zoals de stijging van de prijzen van aardolie en aardgas en het gegeven van de regionale handelsbalansen zelf, merk ik dat we sinds 2002 systematisch met een daling zitten. Sinds 2004 zit die negatieve evolutie van de handelsbalans zelfs in het rood.

De tewerkstelling is niet goed. Op 15 jaar tijd zijn we 100.000 banen kwijtgeraakt. Het gaat hier om 73.000 rechtstreekse arbeidsplaatsen. We kunnen in dit verband enkel duidelijk stellen dat er iets moet gebeuren.

De vraag is vooral welk industrieel profiel we in Vlaanderen willen. We hebben het witboek Nieuw Industrieel Beleid, een staten-generaal, het groenboek Nieuw Industrieel Beleid en een Vlaamse Industrieraad zien komen. De vraag is of we wel een duidelijk industrieel profiel hebben. Volgens mij moeten we op dat vlak nog een stap voorwaarts zetten. De keuze die ik wil maken, zal niemand verbazen: we moeten voor een verduurzaming en een vergroening van de industrie kiezen.

In het licht van dit profiel had Bekaert een ankerbedrijf of een lead company voor de vernieuwing en de vergroening van de industrie kunnen zijn. Het is een vervelende zaak dat Bekaert nu 600 arbeidsplaatsen schrapt. Dit is gedeeltelijk aan het stop-and-go-beleid met betrekking tot de steun voor zonnepanelen te wijten. Ik heb het niet over Vlaanderen. Ik bekijk dit in de Europese context. We zien dat bedrijven als Bekaert op een pijnlijke manier op dit probleem inspelen.

We moeten ons profiel in het algemeen versterken. De vergroening van de economie biedt een onvoorstelbare kans. Ik heb net een recent bericht over de bouw-, energie- en milieusector gelezen. Volgens de sector zouden enkele maatregelen van de Vlaamse overheid ertoe kunnen leiden dat de omzet van die sector, die toch een van de motoren van onze industrie is geworden, met 400 miljoen euro stijgt. Het is zeer belangrijk dat we hierop durven in te spelen.

We moeten die keuze niet alleen maken zoals ze tot nu toe gemaakt werd, namelijk zeer voorzichtig. We moeten verder durven gaan en dat durven volhouden. We hebben nood aan continuïteit en visie op dat vlak.

Het is niet goed dat we op dat vlak van gedachten zouden veranderen. We moeten een betrouwbare partner zijn voor die sector. Ik wil het niet alleen naar Vlaanderen of naar u toespelen. Het is ook een Europees verhaal. Momenteel is er een verschuiving aan de gang van de productie van modules voor zonnepanelen en windturbines naar de nieuwe groeilanden. Ook de VS is bezig aan een grote inhaalbeweging. Europa is daar als eerste mee gestart, maar is dat voordeel in sneltempo aan het verliezen. Als we nog lang twijfelen, zullen we terugvallen tot een ecologisch ontwikkelingsland.

We moeten blijven geloven in de toekomstkansen van duurzame investeringen in verschillende sectoren. We moeten die investeringen dus ook ondersteunen. Het FISCH-programma dat u ondersteunt, is daar een sterk voorbeeld van. Op het vlak van duurzame chemie kunnen we tewerkstelling en meerwaarde creëren. We moeten meer zulke zaken hebben. Er zijn ook inspanningen van Umicore rond materiaalrecyclage en er is de bouw van de eerste waterstofcentrale in de Antwerpse haven. We kunnen nog zoveel kansen grijpen.

Het Duitse ministerie van Leefmilieu heeft berekend dat er in Duitsland ondertussen meer dan 2 miljoen – een immens getal – groene jobs zijn. Duitsland is wat de schaal betreft niet vergelijkbaar met België. In Oostenrijk – iets makkelijker vergelijkbaar met Vlaanderen – schat men het aantal voltijdse groene jobs op 163.000. Dat is een niet te verwaarlozen aantal.

Het is dus belangrijk dat we de weg van die groene productie volgen, in de bouw, de energiesector, en ja, ook in de landbouw.

Het is opvallend dat men in Duitsland en Oostenrijk twee zaken koppelt: men gaat voor groene economie, maar ook voor verankering. In Duitsland is het duidelijk: groene jobs en ‘made in Germany’. Ik denk dat wij hetzelfde moeten doen: groene jobs en ‘made in Flanders’.

Er is geen enkele reden om bij de pakken te blijven zitten. Minister-president, nogal wat regeringsleiders voeren momenteel het debat over een herindustrialisering van hun land en een mogelijke relokalisatie. Sarkozy en Hollande nemen voortdurend het woord relokalisatie in de mond bij de debatten naar aanloop van de Franse presidentsverkiezingen, als antwoord op de delokalisatie. Ook wij moeten daarop inspelen. In Amerika doet Obama trouwens hetzelfde.

Bedrijven kunnen verschillende redenen hebben om terug te komen naar Vlaanderen. Wegens de hoge managementkosten, omdat ze zekerheid zoeken of wegens de grote afstanden. Dat laatste, de afstand, zal een steeds belangrijkere factor zijn in de economie. Zeker als, door de stijging van de olieprijzen of door strengere normen voor CO2-uitstoot, vervoer over lange afstanden duurder zou worden. Een relokalisatiepremie voor bedrijven die ervoor kiezen om de productie of het onderzoek terug naar Vlaanderen te brengen, moet mogelijk zijn.

Geert Noels geeft aan dat de logistieke processen kwetsbaar zijn en dat alleen al om die reden lokale productie aantrekkelijker zal worden. Nog beter is het bedrijven te steunen die van bij de aanvang kiezen voor lokale productie en dienstverlening. Bovendien moet er meer oog zijn voor de kleine of middelgrote ondernemingen (kmo’s). Kmo’s zijn belangrijke innovatiepolen, maar bovendien is een verankering via kmo’s een stuk vanzelfsprekender dan via multinationals.

We bezochten met onze fractie het bedrijf Melotte in Zonhoven, u ongetwijfeld bekend. Men produceert er tandprothesen via de innoverende techniek van ‘digital manufacturing’. Layerwise in Leuven, dat nog maar net in het nieuws kwam, hanteert vergelijkbare technieken. Melotte slaagt erin goedkoper en duurzamer te produceren dan in China en slaagt er zelfs in om de productie terug naar Vlaanderen te halen. Ik vind dat sterk. We moeten dat model koesteren, navolging geven en ondersteunen.

Ik besluit. Nieuwe kansen voor de industrie in Vlaanderen zullen er maar komen wanneer wij nieuwe paden durven te bewandelen en ronduit willen gaan voor groene innovatie. Een beleidsuitvoering met de handrem op zal niet werken, want ook op het vlak van de groene productie spelen de marktwetten en is een wereldwijde race naar marktaandelen aan de gang. Is het onze ambitie om aan de top te staan van de ecologische transitie of nemen wij genoegen met een Vlaamse economie die grotendeels niet meer dan een diensteneconomie zal zijn? (Applaus bij Groen en sp.a)

De voorzitter

Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters

Voorzitter, collega's, ik wil alle sprekers danken. Het was niet vanzelfsprekend om vroeger uit Berlijn terug te keren. Er zijn een aantal politieke afspraken geschrapt. Toch denk ik dat het belangrijk was om hier samen met u het debat bij te wonen en mijn verduidelijkingen en visies in te brengen. Mijnheer Penris, mevrouw Ceysens en ook anderen zegden het al: de industrie in Vlaanderen is het hart en de ruggengraat van onze economie. Zonder industrie geen onderzoek en ontwikkeling; zonder industrie geen export; zonder industrie geen toegevoegde waarde en diensten. Er is een tijd geweest dat men daar anders over dacht, maar ik denk dat hier daarover kamerbreed een consensus bestaat.

Dat is de reden waarom deze regering, daarin gevolgd door de Europese Commissie, zich volledig ten bate van de industrie inzet, en niet voor het krampachtige behoud van de industriële basis van de 20e eeuw. Wij beogen een transformatie naar een innovatieve, duurzame industrie voor de 21e eeuw. Zeker als het economisch moeilijker gaat, zoals vandaag, is dit een moeizaam proces. Wij moeten de moed hebben om te zeggen dat dit moeizaam gaat. En de werkgevers en werknemers, maar ook het beleid en de politiek moeten de moed hebben om dat proces onverkort te realiseren.

Industriële bedrijven en ondernemers staan vandaag voor sterk veranderende uitdagingen. Ik geef er enkele mee: de toegenomen internationale concurrentie, ook voor hoogwaardige producten; de schaarste op het vlak van grondstoffen en energie; de vergrijzing van de arbeidsmarkt; en daar bovenop, het feit dat Vlaanderen en Europa in een nieuwe recessie zijn beland. Ik deel de bekommernissen van velen die hier het woord hebben gevoerd over de gevolgen van de huidige crisis op de arbeidsmarkt en het economisch weefsel. Alle sprekers hebben hun medeleven en bezorgdheid geuit ten aanzien van de mensen die hun job dreigen te verliezen, en van hun families die daar ook onder lijden.

Meer dan 370.000 mensen verdienen vandaag in Vlaanderen rechtstreeks hun brood in industriële sectoren. Die tewerkstelling staat echt onder druk. Sinds 1980 is het aandeel van de industrie in de totale tewerkstelling in Vlaanderen ongeveer gehalveerd. Wie zich geroepen voelt om pluimen op zijn hoed te steken, moet weten dat in die periode dat aandeel daalde van bijna 30 procent naar bijna 15 procent. Zelfs met een gunstige economische groei zou ook de volgende jaren dit aandeel nog verder wegsmelten. Sinds het jaar 2000 zijn in de verwerkende nijverheid ongeveer 100.000 jobs minder. Tezelfdertijd roept de industrie om technisch en wetenschappelijk geschoolde arbeidskrachten. Dat is de eerste paradox. In 2011 noteerde de VDAB 307.423 vacatures, waarvan meer dan de helft knelpuntvacatures zijn.

Niet overal in de industrie is er sprake van het afstoten van jobs. Terwijl de afgelopen vijf jaar – van 2005 tot 2009 – meer dan 7000 arbeidsplaatsen zijn geschrapt in de textielsector en de automotive sector, nam het aantal banen met meer dan 2500 toe in de technologische bedrijven en de machinebouw.

Ook hier moet je de zaak heel genuanceerd bekijken. Natuurlijk moeten wij in de eerste plaats alles doen opdat de mensen die gisteren hun job hebben verloren, vandaag opgevangen worden en op korte termijn, liefst morgen, weer aan de slag geraken. Minister Muyters heeft met de VDAB ook al gezegd dat, wanneer het sociaal overleg in die ondernemingen is beëindigd, de tewerkstellingscellen worden ingezet. Die tewerkstellingscellen hebben hun toegevoegde waarde bewezen. Mijnheer Bothuyne, ze kunnen uiteraard nog worden verbeterd, maar het werkt toch goed. Het is in ons aller belang dat we zo veel mogelijk technisch geschoolden maar ook mensen met andere talenten weer aan de slag brengen.

Voorzitter, collega’s, we moeten ons er in onze politieke analyse voor hoeden om niet alles op één hoop te gooien. De heer Penris en anderen hebben dat ook gezegd. De internationale omstandigheden hebben de hervonden economische groei opnieuw gefnuikt. Tot 2011 ging alles goed, zoals de heer Watteeuw daarstraks heeft gezegd, en toen werd het opnieuw moeilijker. Dat onze bedrijven, Bekaert in het bijzonder, op die internationale markten actief zijn en op korte termijn moeten ingrijpen om zich te handhaven, met spijtige gevolgen voor de werkgelegenheid, is vorige week vastgesteld.

Ik heb begrepen dat er kamerbreed, door meerderheid en oppositie, wordt gezegd dat we een nieuw industrieel beleid nodig hebben, dat keuzes maakt, ook keuzes op langere termijn. De veranderende omstandigheden vragen een veranderd ondernemerschap. Om die transformatie mogelijk te maken, moeten we dus in eerste instantie werken naar een nieuw industrieel ondernemen. Minister Lieten heeft dat ook benadrukt.

We hebben hefbomen die we moeten inzetten. We moeten ook kritisch zijn voor onszelf, daar heb ik geen probleem mee. Ik ga eerst in op de competitiviteit van de Vlaamse economie. Daarstraks is heel veel gesproken over de competitiviteit van de economie qua loonkosten en productiviteit. Heel wat studies kunnen worden aangehaald, maar ook hier vraag ik om nuance en een correcte benadering. Vanzelfsprekend moeten we ons qua loonkosten niet vergelijken met de lageloonlanden. Vlaanderen moet in de eerste plaats kunnen concurreren op de wereldmarkt op basis van kennis en unieke producten. Dat heeft minister Lieten ook gezegd. De loonkost vormt echter een onderdeel van het gehele plaatje van de bedrijfskost. Dat is ook aan bod gekomen in het witboek.

Als we ons vergelijken met een set EU-regio’s met een uitgesproken innovatiegedreven economie, regio’s die innovatief minstens even sterk staan als Vlaanderen, moeten wij tot onze grote spijt vaststellen dat Vlaanderen op het vlak van arbeidskosten zeer zwak scoort. We bevinden ons op de dertiende positie als we ons vergelijken met de zestien meest innovatieve regio’s. De Duitse Länder zoals Bayern, Baden-Württemberg, maar ook Baskenland en de Britse topregio’s zijn allemaal competitiever dan wij. Dat is feitenmateriaal: dat moeten we vaststellen en daarvan vertrekken. Op dit moment is de redding van Vlaanderen dat wij een hoge productiviteit kennen, waardoor onze loonkost per eenheid product ons nog brengt in de top vijf binnen die zestien benchmarkregio’s. Mevrouw Ceysens, we vergelijken ons niet enkel met Wallonië. Ik heb het nu over de zestien meest innovatieve regio’s.

Ook al is die productiviteit zo hoog en sterk, toch moeten we vaststellen dat onze positie achteruitgaat: in 1995 stonden we op de tweede plaats, in 2007 op de vierde. De recente evolutie van de loonkost in de Vlaamse industriële sectoren leert dat onze positie in de periode 2009-2010 verslechtert naar het EU-gemiddelde, terwijl onze buurlanden Duitsland en Nederland hun positie verbeteren.

Dankzij de productiviteit weet onze industrie zich qua loonkost per eenheid product nog te handhaven. Maar Duitsland wint snel terrein en Nederland kent een zeer opmerkelijke positieve evolutie van de productiviteit. Ook dat zijn feiten. Ik zal niet proberen daaromheen te fietsen. Het is belangrijk dat we van daaruit vertrekken.

Die analyse hebben we gemaakt wanneer we dat nieuwe industriële beleid hebben opgezet. We hebben een nieuw productiviteitsoffensief nodig, waarbij de loonkost een belangrijk element vormt dat moet worden aangepakt.

Zijn we nog competitief op het vlak van export? Dany Jacobs is een Vlaming die ook in Nederland hoogleraar is. Hij heeft heel duidelijk gezegd dat men inzake industriële ontwikkeling en innovatiebeleid kan afleiden waar men staat wanneer men kijkt naar de wereldexportpositie, die een belangrijke graadmeter is voor de innovatiegedreven concurrentiekracht van de economie. Tussen 2002 en 2010 groeide die uitvoervoorwaarde ondanks de crisis nominaal met 34 procent. In de eerste 9 maanden van 2011 steeg de Vlaamse export op jaar met nogmaals 12,7 procent. Dat is indrukwekkend. Opkomende markten zoals Rusland kennen een stijging met procent 44,3 procent. China stijgt met 30,4 procent, Zuid-Korea met 26,9 procent, Zuid-Afrika met 25,3 procent en India met 24,3 procent. Natuurlijk moeten we daar nog verder aan werken. We kunnen niet op onze lauweren rusten. Er is nog een hele weg af te leggen.

Het Vlaamse Gewest kreeg in 2009 een marktaandeel van 10,5 promille in de BRIC-landen. Ook hier hebben we stappen gezet maar de exporteconomie moet wel nog verder worden ontwikkeld.

Zijn we een aantrekkelijke locatie voor buitenlandse investeerders? Mijnheer Watteeuw, u hebt het daar al over gehad. Er wordt vandaag ook over geschreven in een niet onbelangrijke krant. Het gaat over de cijfers van Flanders Investment & Trade. U kunt daar wat smalletjes over doen. Ik wil dit ook niet opblazen maar er moet wel rekening mee worden gehouden Wanneer u probeert dit te downsizen, dan vind ik dat niet correct. We spreken over 174 investeringsprojecten, 1,7 miljard en 3720 nieuwe jobs. Godzijdank gebeurt dat ook. Dat is de voordeur natuurlijk. Uw stelling dat we dit langs de voordeur binnenhalen om het vervolgens langs de achterdeur te laten verdwijnen, vind ik een ongelukkige beeldspraak.

Versterken onze bedrijven hun competitiviteit voldoende door innovatieve kracht? Minister Lieten heeft daar al op geantwoord. Wij hebben bijkomende budgetten vrijgemaakt. Het gaat dan over 200 miljoen euro extra vanaf 2014. Tijdens de volgende besparingsronde zullen we daar heel nauwlettend over waken.

Hoe staat het met de competitiviteit op het vlak van energiekosten? Mijnheer Sanctorum, u hebt het daar meermaals over gehad. Wat de energie-intensieve industriebedrijven, kmo’s, grote bedrijven enzovoort betreft, moeten we de internationale vergelijking maken. Daaruit blijkt dat de kostprijs voor elektriciteit voor energie-intensieve bedrijven in Vlaanderen in de buurt ligt van de prijs in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Dat is echter duurder dan in Nederland en een pak duurder dan in Frankrijk. Voor gas is de situatie veel gunstiger. De energiekost voor onze industrie, zeker wanneer het gaat over hoogspanning, blijft tot onze spijt nog een tijdje een federale materie. Ook daar ligt echter een belangrijke uitdaging.

Minister Van den Bossche was hier daarnet aanwezig. Vlaanderen moet zijn beleid inzake groene stroom en warmtekrachtondersteuning verder uitbouwen. We hebben daar een verantwoordelijkheid die ook is opgenomen in het nieuw industrieel beleid.

Verschillende sprekers hebben gevraagd hoe ver het staat met die acties. Ik zal ze even overlopen.

Wij hebben dat met een staten-generaal gelanceerd. We hebben een groenboek en een witboek met vijftig acties. Ook hier, collega’s, moet u alleen maar kijken naar wat daar concreet mee gebeurd is. We hebben een Interministerieel Comité Industrie, dat functioneert binnen de regering. We hebben een industrieraad, omdat sommige collega’s, zoals mevrouw Ceysens, zeggen dat we dat aan de economie moeten laten. Ik heb al gezegd dat ik niet de ambitie heb om de Vlaamse Chávez te zijn. Het is juist dat wij als politici en als regering onze plaats moeten kennen. De economie draait, we zijn een geglobaliseerde economie. Vlaanderen is de vierde grootste open economie in Europa.

Die industrieraad is een initiatief dat gevraagd is door Voka en andere. Zij willen een rol spelen en krijgen daar nu de mogelijkheid toe. Ik kijk halsreikend uit naar de adviezen die zij ons zullen bezorgen en die met heel veel aandacht en zorg in de schoot van de Vlaamse Regering zullen worden besproken.

Als u kijkt naar de eerste pijler van het nieuwe industriële beleid, het ontwikkelen van een economisch beleid voor duurzame productiviteitsgroei, hebben we de Fabriek van de Toekomst. We hebben sectorale transformatietrajecten. Daar is 7 miljoen euro voor uitgetrokken. De call is gelanceerd. De projecten zullen worden toegewezen in mei.

Als we kijken naar de ontwikkeling van groene economie, hebben we het over duurzaam materialenbeheer, groene mobiliteit, rationeel energieverbruik, hernieuwbare energie, duurzaam bouwen en wonen enzovoort. Als u zegt dat dat enkel mooie woorden zijn, dan zeg ik u: de groene waarborg voor energiebesparende investeringen is er. De eco-efficiëntiescan is er. De audit- en benchmarkconvenanten zijn er. De groene mobiliteit via BIV is er. De proeftuin elektrische mobiliteit is er. Er zijn dus concrete initiatieven genomen, collega’s. Het is spijtig dat die daarstraks onvoldoende aan bod zijn gekomen.

Transformatie door innovatie is de tweede pijler in het nieuwe industriële beleid. Er is terecht verwezen, zelfs door de oppositie, naar het FISCH. Daar zijn ook de nodige gelden voor uitgetrokken. Er is ook het TINA-Fonds. Wij hebben met de Europese Investeringsbank genegotieerd, en ik blijf erbij dat we moeten proberen om dat tot 500 miljoen euro en nog meer te brengen, zodat we echt een stimulans kunnen geven. Europa is daarin geïnteresseerd. Het duurt een beetje langer dan goed is, maar de mensen van PMV zijn daar recent nog naartoe gegaan en hebben gezegd dat ze geïnteresseerd zijn in de projecten.

Minister Lieten heeft gezegd dat er nu twee projecten zijn goedgekeurd, waarvan er één bekend is gemaakt. Dat vind ik toch wel weinig. Wij hebben 200 miljoen euro, en met die twee projecten zullen die middelen niet opgesoupeerd zijn. Hoe is het mogelijk? Er zijn nog wel meer projecten geweest, maar die hebben de eindstreep niet gehaald. Er is een investeringscomité, waar ook industriëlen in zetelen, die dat beoordelen. Twee projecten, na één jaar! Ik vraag me af – en daar zijn ook gesprekken over – of we de industrie niet nog meer moeten pushen en uitdagen om projecten in te dienen, want ik vind het nogal smalletjes dat we nu maar twee projecten hebben, waarvan er één nu definitief is goedgekeurd. Ook daar zullen we de nodige initiatieven nemen.

De derde pijler van het nieuwe industriële beleid is competentie voor de industrie. Daar heeft minister Muyters al naar verwezen. We hebben een loopbaanakkoord gekregen van de sociale partners. Het is belangrijk dat de sociale partners zelf rond de tafel zitten en zelf een akkoord afsluiten. “Is dat het maar?”, kunt u zeggen, maar het zijn wel de sociale partners in Vlaanderen die dat akkoord hebben genegotieerd. Wij hebben daar kennis van genomen en hebben een aantal bijkomende vragen gesteld. Wij hopen dat zo snel mogelijk te finaliseren.

Als men de sociale partners in Vlaanderen au sérieux neemt, is het belangrijk om de akkoorden die in de schoot van die Vlaamse sociale partners worden bereikt, maximaal te honoreren.

Ik zal niet dieper ingaan op het platform STEM (science, technology, engineering, and mathematics), waarover we het al hadden in de plenaire vergadering.

We hebben een ambitieuze agenda voor wat het flankerend beleid betreft. Verschillende mensen hadden het over de vergunningsprocedure. We hebben daarover in de commissie al verschillende keren tekst en uitleg gegeven. Minister Muyters heeft er ook naar verwezen. Met heel veel kennis en een scherpe analyse weten we zeer goed waar de zwaktes en waar onze sterktes zitten. We proberen die zwaktes niet door te schuiven, maar daar ligt wel een duidelijke taak voor de Federale Regering en voor de Vlaamse Regering.

Ik wil de federale beleidsverantwoordelijken uitdrukkelijk oproepen ons de kans te geven de Vlaamse industrie verder uit te bouwen. Wanneer de randvoorwaarden niet goed zitten, bouwen we een huis op los zand. Dat moeten we te allen prijze voorkomen. Als we die oproep richten aan de federale overheid, betekent dat ook dat we op korte termijn gerichte adviezen moeten hebben voor de Industrieraad. Ten slotte moet ook de Vlaamse Regering er met man en macht aan werken om het industrieel beleid die nieuwe dynamiek te geven.

Vlaanderen kent vandaag jammer genoeg opnieuw een recessie. Daar kan de Vlaamse Regering beperkt iets aan doen. Degenen die denken dat we de economische recessie in Vlaanderen, België en Europa kunnen oplossen, mogen direct bij mij komen. Ik zal zeer aandachtig luisteren, maar ik vrees dat dat niet het geval is.

We kunnen natuurlijk wel een aantal zaken doen. We moeten dat niet lijdzaam ondergaan, begrijp me niet verkeerd. Sterker nog, ik ben ervan overtuigd – ik hoop u ook – dat de economie en de industrie in Vlaanderen een solide basis hebben, zowel voor onderzoek en ontwikkeling, als voor export, en dat we mensen kunnen helpen met instrumenten als de VDAB.

Voor de lange termijn werken we resoluut aan de transformatie van het industrieel weefsel naar meer productiviteit, meer innovatie en meer duurzaamheid, zoals trouwens uitgetekend in Vlaanderen in Actie en het Pact 2020. Daar moeten we nog duidelijker het kader van het flankerend beleid verder concretiseren. Het ondernemerschap is van essentieel belang. Als we 200 miljoen euro klaar hebben liggen en er is een beperkt aantal voorstellen, dan moeten we de ondernemers en de industrie stimuleren. Misschien is het nog niet voldoende duidelijk, misschien hebben we het nog niet voldoende gecommuniceerd, maar we zullen er een ‘push-benadering’ op zetten, want het is zeker geen verwijt, maar een vaststelling dat maar twee de eindstreep hebben gehaald.

De transformatie van het industrieel weefsel is een moedige optie om te zeggen dat de industrie in Vlaanderen nodig is, en we gaan er alles aan doen om die hier te houden in een proces van slagen, mislukken en opnieuw rechtstaan. Dat is een essentieel onderdeel. Ik ben ervan overtuigd dat we het industrieel weefsel nodig hebben voor onze welvaart en onze toekomst. De Vlaamse Regering zal daar heel hard aan werken, en ik hoop dat dat met de steun van het parlement zal gebeuren. (Applaus bij de meerderheid)

Jan Penris

We hebben een lang en inhoudelijk interessant debat gehad. Minister-president, ik wil u eerst en vooral bedanken voor het feit dat u allicht belangrijke afspraken hebt geschrapt om hier aanwezig te zijn. ‘Il fut un temps’, minister-president. Toen u op de bergen in de Andes zat, had u minder tijd voor ons, maar vandaag hebt u die tijd wel gevonden en daarvoor ben ik u zeer dankbaar.

Ik ben u ook dankbaar voor het feit dat u met ons blijft geloven in de maakindustrie. Ik hoop dat we, wat dat betreft, kamerbreed – ik zie zelfs Groen een beetje instemmend knikken – op dezelfde golflengte zitten. Ik ben ook geen pessimist. Ik ben eerlijk genoeg om te zeggen dat de maakindustrie in Vlaanderen, als ze de kans krijgt, soms nog kan scoren. Ik ben ook niet blind voor de investeringen die er blijvend worden gedaan, en voor de tewerkstelling die het afgelopen jaar en de afgelopen jaren werd gecreëerd.

Ik heb ook genoteerd dat uw antwoord wat dat betreft zeer genuanceerd is, in tegenstelling tot het betoog van uw partijgenoot, de heer Bothuyne, die hier een soort hoerastemming probeert te creëren die ik niet tot de mijne wil maken. Ga het immers maar eens uitleggen aan die 322 mensen van Crown Cork die de voorbije weken hebben moeten horen dat hún maakindustrie hier in Vlaanderen niet meer aanvaardbaar is, dat hun industrie wordt weggetrokken. Zonder pessimistisch te zijn, het bedrijf van die mensen heeft daar negentig jaar gestaan. Dat bedrijf heeft vele crisissen overleefd: de grote depressie van de jaren 30, de oorlog van 1940-1945, de kleine crisisjes van de jaren 50, de oliecrisis van 1974 en alle crisissen die daarna zijn gekomen. Vandaag kunnen ze niet meer mee. Vandaag moeten ze de deuren sluiten. Dat is voor die mensen een zeer harde klap, denk ik. Ik vind dat we daar als politici een antwoord tegenover moeten stellen: ja, we blijven geloven in de maakindustrie, en ja, we willen de omgevingsfactoren daarvoor in het leven houden.

Voorzitter, om dat mee mogelijk te maken, zal ik een actualiteitsmotie indienen, die gewoon herhaalt wat mijn stellingen in het debat waren. Ik vind dat Vlaanderen moet blijven investeren in de eigen infrastructuur. Alle leden hebben immers duidelijk gemaakt dat we daarin willen geloven. Ik vind dat we ons eigen onderwijsstelsel moeten afstemmen op de noden van onze maakindustrie. Ik vind dat we er, binnen onze eigen bevoegdheden met betrekking tot het energiebeleid, alles aan moeten doen om de energiekosten te doen dalen. Ik vind dat we de eigen decreetgeving, in het bijzonder die met betrekking tot het milieu en vestigingen, moeten versoepelen, zodat het voor investeerders vanzelfsprekend wordt om opnieuw naar hier te komen. Ik vind dat onze eigen administratie klantvriendelijk moet worden of blijven ten opzichte van de maakindustrie. Ik vind ten slotte dat we er alles aan moeten doen om alles met betrekking tot de loonkosten in eigen handen te krijgen. Vlaanderen kan daar alleen maar beter van worden. Onze actualiteitsmotie zal dus in die zin zijn opgesteld. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Patricia Ceysens

Voorzitter, u zult het me niet kwalijk nemen, maar ik vind toch dat er een zekere gespletenheid is aan het hoofd van de Vlaamse Regering. De meerderheid heeft de uitspraak van minister Lieten van het bord willen vegen. Ze heeft gezegd dat de loonkost wel degelijk een belangrijke factor is en dat men niet zomaar aan de industrie kan vragen dat ze nu eens stopt met zeuren. Het is goed dat dit debat die uitspraak van het bord heeft geveegd, want die was eerlijk gezegd misplaatst. Ik voel ook enige gespletenheid in het debat. Andere meerderheidsfracties hebben dat toch wel duidelijk gemaakt.

Minister-president, misschien kunt u aan die gespletenheid ook nog iets anders doen. U hebt het vaak over de industrieraad. Ik denk dat u daarmee hebt willen uiten dat u de industrie graag ziet, dat u haar een forum wilt geven, dat u daarmee ook een en ander wilt counteren. Ik denk dat u daarmee zegt dat ze wél aan zet is, dat ze wél mag beslissen, dat ze zal worden gehoord, en liever meer dan dat. Het blijft echter vreemd dat we een Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI) hebben, die ressorteert onder minister Lieten, en dat we daarnaast dan een industrieraad nodig hebben. Ik vind dat we een Vlaamse Raad voor Wetenschap, Innovatie en Industrie nodig hebben. Ik heb het al dikwijls gezegd: we moeten het hebben over kennis, kunde en kassa. We moeten het niet alleen hebben over onderzoek en ontwikkeling, maar over onderzoeken, ontwikkelen en ondernemen. Ik meen dat u de perceptie van die gespletenheid die overal wel heerst, met u twee deels wel zou kunnen wegwerken, door aan het einde van deze legislatuur te werken in de richting van die VRWII. Als het u menens is met de stelling dat innovatie bij de bedrijven zit, dat ons grootste mankement het kunnen valoriseren van onze kennis is, dan helpt u dat niet door die gespletenheid tussen u beide te laten bestaan. Schuif die stoelen wat dichter bij elkaar en maak de VRWII. Zorg ervoor dat innovatie en industrie de twee kanten van één medaille zijn, en hef die gespletenheid op.

U hebt terecht verwezen naar de creatieve destructie. Die zal er altijd zijn en jobs zullen gaan en hopelijk ook vooral blijven komen. Het F.I.T. heeft vandaag inderdaad mooie cijfers kunnen bekendmaken. U zult ook moeten toegeven dat bij die jobs de notionele interest heel vaak belangrijk is. Bij het aantrekken van buitenlandse investeerders is de notionele interest belangrijk. Minister-president, ik zou u willen vragen om dat zeker te blijven uitspelen in de diverse buitenlandse missies en bij de diverse contacten om buitenlandse investeerders aan te trekken. In het rondje ‘industrie-bashen’ rond Bekaert heb ik weer moeten vaststellen dat er de behoefte was om de notionele interest als een soort slecht mechanisme naar voren te schuiven. Ook dat vind ik dat u niet mag laten gebeuren. We hebben die nodig om buitenlandse investeringen aan te trekken.

Ik hoop echt dat de gespletenheid kan worden gedicht in het belang van economie en werkgelegenheid in Vlaanderen.

Bart Van Malderen

Voorzitter, het is een heel breed debat geweest. De minister-president is geëindigd met te verwijzen naar het nieuw industrieel beleid en heeft dat nog eens geplaatst in zijn verschillende facetten van productiviteitsoffensief tot transformatie en innovatie en het inzetten van het economisch instrumentarium om te eindigen bij het derde luik: competentie. Daar wou ik even iets over zeggen.

Mevrouw Turan heeft daarnet een oproep gedaan om dit debat ook te zien in functie van de mensen die het vandaag op de vloer moeten waarmaken en die in zeer penibele omstandigheden moeten nadenken over het feit of ze morgen nog een job zullen hebben of niet. De term ‘creatieve destructie’ is hier een paar keer gevallen en dat zal wel opgaan als men het zeer macro en heel gemiddeld bekijkt, maar diegene die vandaag op de schopstoel zit, vindt meestal weinig creatiefs aan die destructie. Hij vindt ook niet altijd een gelijkaardige job in die regio, ondanks het inzetten van ons instrumentarium, zoals de VDAB. Heel veel van die industriële bedrijven hebben een heel groot aandeel in de lokale tewerkstelling. Mensen zijn bijna ‘naar school’ geweest om in dat bedrijf te gaan werken.

Als er dan niet voldoende in competentie wordt geïnvesteerd, dan hebben we een probleem. Ook daar hebben we een achterstand. We besteden vandaag amper 1,09 procent van de loonmassa aan vorming en opleiding. Er was 1,9 procent afgesproken. In 2000 was het ooit 1,2 procent. Er is dus een achteruitgang. Ik zou willen dat, ook in het werkgelegenheidsakkoord dat op stapel staat, de competentieagenda een heel voorname plaats krijgt om iets creatiefs te doen met de competenties van de mensen op het terrein.

Voorzitter, ik heb een kamerbreed geloof gezien in de toekomst van onze industrie. Dat is belangrijk. Het is geen hoera-stemming, mijnheer Penris, verre van. Ik heb in mijn betoog heel duidelijk gezegd wat voor ons de prioriteiten zijn en waar we werk van moeten maken met deze regering en met deze meerderheid. Ik stel vast dat bijna alle elementen die aan bod zijn gekomen, zowel van de meerderheid als van de oppositie, met betrekking tot het te voeren industrieel beleid, vervat zitten in de vijftig acties die staan opgesomd in het witboek Nieuw Industrieel Beleid, op basis van een in dit parlement goedgekeurde resolutie.

Ik kondig dan ook geen motie aan. Ik stel vast dat het nieuw industrieel beleid er is. Het plan ligt er. De acties worden realiteit. De eerste resultaten worden geboekt. Wij willen dan ook dat deze regering en deze meerderheid, liefst gesteund door een voltallig parlement, deze vijftig acties uitvoert.

Matthias Diependaele

Voorzitter, zonder een hoera-stemming te hebben, denk ik dat we het er allemaal over eens zijn dat we ons niet mogen laten verleiden tot doemdenken. Er is inderdaad een solide basis voor industrie en die moet onderhouden, vernieuwd en aangepast worden.

Ik heb nog twee kleine puntjes. Minister-president, u verwees naar de verschillende taken voor de federale overheid en de Vlaamse overheid. Ik ben het er volledig mee eens, maar wij mogen – en u hebt dat zelf ook al verschillende keren gezegd – ook aan de mouw van de federale overheid trekken. U hebt al verschillende keren aangegeven dat het federale beleid op sommige vlakken ten dienste moet staan van het Vlaams beleid. Ik denk dat het absoluut van toepassing is op het industriebeleid. Voor de zaken die aangehaald worden in het witboek en voor misschien nog nieuwe zaken die naar voren komen uit de Industrieraad, mag u gerust uw stoute schoenen aantrekken en de straat oversteken om ze aan hun mouw te gaan trekken en duidelijk te maken wat Vlaanderen nodig heeft om de industrie hier te houden en sterker te maken.

Een ander punt is het feit dat we inderdaad niet in de plaats van de industrie mogen treden. Maar het is wel zo dat wij als relatief bescheiden overheid juiste keuzes moeten maken in verband met wat wij doen met onze middelen. Die keuzes moeten wij dan natuurlijk ook uitvoeren op het terrein. In die zin kan ik absoluut uw ontgoocheling over die twee projecten voor het TINA-Fonds begrijpen. Misschien is dat een goede reden om wat meer te ‘pushen’, om wat meer te stimuleren, om die keuzes te laten volgen.

Wij moeten inderdaad snel werk maken van de uitvoering van dat nieuwe industriële beleid. De plannen zijn klaar, het wordt tijd ze om te zetten in verwezenlijkingen op het terrein.

Lode Vereeck

Voorzitter, het debat heeft duidelijk gemaakt dat er inderdaad in het Vlaams Parlement een geloof is in onze eigen Vlaamse industrie. In sommige academische kringen is dat veel minder het geval. Daar denkt men dat die industrie zich in een soort van natuurlijke afbraak bevindt en dat er geen toekomst is voor de westerse economie. Ik geloof dat niet. Minister-president, in die zin ben ik ook tevreden met uw toespraak. U brengt weer wat realiteitszin in het debat door duidelijk te maken dat de loonkosten cruciaal zijn om de concurrentie aan te kunnen. En dan hebben we het natuurlijk niet over de nettolonen, die wat mij betreft in dit land ook wat aan de lage kant zijn, maar over de brutolonen en de totale loonkosten, die veel te hoog zijn.

Ik heb een beetje een dubbel gevoel. Twee zaken nopen mij tot bijkomende vragen.

Ten eerste, minister-president, hebt u twee keer aangehaald dat het TINA-Fonds maar twee projecten heeft. Mocht u het maar één keer hebben gedaan, zou ik het er niet over hebben. En u hebt twee keer de handen ten hemel geslagen en gevraagd: “Hoe komt dat toch, dat daar maar twee projecten, twee clusters, op hebben ingeschreven?” De vraag stellen is ze beantwoorden: dit moment is in Vlaanderen niet zo gunstig om industriële activiteit op te zetten. Zo komen we opnieuw bij de kern van de problematiek, die te maken heeft met concurrentievermogen, loonhandicap en dergelijke meer. Het wordt nog wat erger als u als oplossing een ‘push’-benadering voorstaat. Dat ruikt, wat mij betreft, naar dirigisme. Daar zijn we nu toch al dertig jaar van afgestapt? Eerlijk gezegd, als er geen spontaan initiatief opborrelt, kunt u misschien nog eens nagaan of de communicatie mis is, maar als het ook dan ophoudt, houdt het ook echt op. Dan hebben wij hier als overheid niets te zoeken. Dan moeten wij terug naar onze basis: niet de randvoorwaarden waarover u het altijd hebt, maar het verbeteren van de basisvoorwaarden. Dat heeft te maken met competitiviteit. Mijn eerste vraag is dus: kunt u wat duidelijkheid scheppen over hoe u die ‘push’-benadering ziet? Dat stelt mij niet helemaal tevreden.

Mijn tweede vraag betreft de 3700 nieuwe jobs die door F.I.T. naar voren zijn geschoven. Ik ga niet zover om te zeggen dat dit een soort van ‘in and out’-systeem is. Er komen er langs de ene kant bij en er gaan er langs de andere kant uit. Dat is ten dele wel zo, natuurlijk. Wat mij vooral interesseert, is de samenstelling van die jobs. We discussiëren hier over de Vlaamse industrie. Als je kijkt naar de investeringen die hebben plaatsgevonden, dan zie je dat een derde gaat om fusies en overnames. De rest waren uitbreidings- of vervangingsinvesteringen. Minister-president, zijn die 3700 nieuwe jobs jobs in de maaksector, of gaat het weer om distributiecentra? U hebt in Davos aangekondigd dat er een grote Chinese investeerder kwam met honderd bedrijven. Brengen die honderd bedrijven echt jobs in de industrie, of is het maar een soort van groot distributiecentrum? Wat is de bijdrage van die 3700 F.I.T.-jobs tot de industrie?

Filip Watteeuw

Minister-president, waar het voor mijn fractie om draait, is dat we vertrekken vanuit een correct beeld van de toestand van de industrie om het beleid vorm te geven. Als ik dan zeg dat de laatste vijftien jaar 100.000 jobs verloren zijn gegaan in de tewerkstelling, als ik zeg dat de conjunctuurcurve van de industrie negatief evolueert – dat heb ik gevonden op de website van de Studiedienst van de Vlaamse Regering –, als ik zeg dat de regionale handelsbalans van Vlaanderen de laatste tien jaar ieder jaar negatief evolueerde, dan zeg ik dat dit drie knipperlichten zijn waaruit we de conclusie moeten trekken dat de toestand van de industrie niet rooskleurig is en dat we dringend een goed en krachtdadig beleid moeten ontwikkelen.

Die cijfers en uw krantenkop zijn allemaal mooi, dat is belangrijk, maar dat doet niets af van het beeld dat we nu echt wel dringend in gang moeten schieten. U bent daar al deels mee begonnen in het nieuwe industriële beleid. U hebt bijna alles opgesomd, weliswaar kort samengevat, maar u hebt dat nieuwe industriële beleid helemaal samengevat naar voren gebracht. Daarmee zegt u ook weer alles en niets. Dat is net mijn punt: we maken in ons industrieel beleid te weinig keuzes. Ik sta heel ver af van mevrouw Ceysens, laat dat duidelijk zijn. Ik denk dat we nog meer keuzes moeten maken. In welke sector van de industrie zijn we sterk en kunnen we in de toekomst ook nog sterk zijn? Moeten we ons beleid daar niet op enten? Moeten we onze maatregelen daar niet op richten?

Mijn laatste punt is de lokale productie. Ik heb het gehad over het feit dat we meer moeten streven naar een economie van de nabijheid en dat we moeten proberen bedrijven weer terug te halen. We moeten de lokale productie troeven geven. Ik versta daar ook onder dat we internationale transportstromen zonder toegevoegde waarde niet opzoeken. Dat betekent dat we die grote keuze van deze regering voor een logistiek beleid niet onderschrijven. Ik denk dat u daar het best afstand van neemt.

Minister-president Kris Peeters

Nogmaals dank voor alle uiteenzettingen. Mijnheer Vereeck, van die 3720 jobs, situeert een groot deel, namelijk twee derde, zich in de manufacturing, dat is het produceren, en ook in sales en marketing. Het aandeel van de logistiek is aan het teruglopen. Het is niet zo dat die 3720 jobs zich in de maakindustrie bevinden. Een deel ervan wel, een deel in andere sectoren.

Wat de Chinezen betreft, heeft federaal minister Van Quickenborne bekendgemaakt dat een Chinese ondernemer die honderd Chinese bedrijven heeft verzameld, eind februari zal bekendmaken waar hij zich in Vlaanderen zal vestigen. Dat is eerder een distributieaangelegenheid, zeker in een eerste fase, dan wel productie. Ook daar kunnen we vrij duidelijk in zijn.

Wat het TINA-Fonds betreft, blijf ik het, samen met minister Lieten en de andere collega’s, betreuren dat we een niet onbelangrijk bedrag hebben uitgetrokken. We moeten kijken of het aan de communicatie ligt. Als u zegt dat het vanzelfsprekend is dat er geen projecten zijn omdat de basisvoorwaarden niet vervuld zijn, in verband met loonkosten en dergelijke, dan is het wel eigenaardig dat buitenlandse investeerders naar hier komen omdat zij Vlaanderen als nieuw project zien en dat bestaande industriële activiteiten dat minder zien. Maar goed, we zullen de communicatie bekijken. De ‘push’-benadering moeten we ook bekijken. PMV heeft daaromtrent al initiatieven genomen. Het hangt misschien samen met de communicatie en met het feit dat men niet goed begrijpt waar het mogelijk allemaal om gaat. Maar die ‘push’-benadering heeft ook zijn limieten. Wij gaan niet zelf ondernemer worden, hoewel sommige parlementsleden daar een stichtend voorbeeld in zijn.

Mijnheer Watteeuw, het is altijd maar ‘keuzes maken’. Wij hebben heel duidelijk keuzes gemaakt. Die industrieraad kan nog bijkomend vanuit de industrie zelf bepaalde accenten leggen. Maar ik vrees dat, hoe meer je keuzes maakt, hoe groter de discussie is met diegenen die niet in aanmerking komen bij die keuzes. Ik ben bereid om samen met de collega’s nog heel duidelijk verder keuzes te maken.

Mevrouw Ceysens, er is natuurlijk wel een verschil tussen de VRWI en een industrieraad waar industriëlen in zitten. Het was een uitdrukkelijke vraag vanuit de industrie zelf om zo een industrieraad te hebben. Het is een adviesorgaan waarvan je de waarde juist moet inschatten, niet meer en niet minder. Ik heb er toch heel veel verwachtingen bij. We zullen dat op een bepaald moment evalueren en bekijken hoe we het verder aanpakken.

Ten slotte, mijnheer Watteeuw, ik ken uw visie op logistiek. U weet dat we het in het plan Vlaanderen in Actie altijd hebben over ‘slimme’ logistiek, over de toegevoegde waarde. De heer Van Mechelen zei in de vorige regering telkens weer dat het gaat om het openbreken van de container om toegevoegde waarde aan te brengen. De slimme logistiek is een duidelijke keuze van deze en van de vorige Vlaamse Regering en dat zal zo blijven. U kunt dat betreuren en er andere dingen over blijven zeggen, maar het is in ieder geval een duidelijke keuze.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Het debat is gesloten.

De voorzitter

Actualiteitsmoties

Door LDD, door Open Vld en door het Vlaams Belang werden tot besluit van dit actualiteitsdebat actualiteitsmoties ingediend. Ze zullen worden gedrukt en rondgedeeld.

Het parlement zal zich daarover straks uitspreken.

Het incident is gesloten.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.