U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde zijn het ontwerp van decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en de voorstellen van resolutie van mevrouw Valerie Taeldeman, de heer Bart Martens, de dames Tine Eerlingen, Tinne Rombouts en Michèle Hostekint en de heren Wilfried Vandaele en Robrecht Bothuyne betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, van de heren Hermes Sanctorum en Filip Watteeuw betreffende een doeltreffende grondstoffenstrategie voor Vlaanderen, van de dames Gwenny De Vroe en Mercedes Van Volcem en de heren Dirk Van Mechelen, Karlos Callens en Sas van Rouveroij betreffende de uitvoering van het decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en van de dames Marleen Van den Eynde en Agnes Bruyninckx-Vandenhoudt en de heer Pieter Huybrechts betreffende het toekomstige materialen- en afvalstoffenbeleid in Vlaanderen.

Het Uitgebreid Bureau stelt voor om de besprekingen van de voorstellen van resolutie samen te voegen met de algemene bespreking van het ontwerp van decreet. Is het parlement het hiermee eens? (Instemming)

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Taeldeman heeft het woord.

Valerie Taeldeman

Voorzitter, minister, collega’s, de commissie Leefmilieu besprak in november 2011 het ontwerp van decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Op vraag van de commissieleden van Leefmilieu werden hoorzittingen gehouden. Ik verwijs hiervoor naar het schriftelijk verslag.

Het Materialendecreet vervangt het oude Afvalstoffendecreet uit 1981, dat destijds de start van het Vlaamse afvalbeleid inluidde. In de loop van de jaren is de klemtoon van het Vlaamse afvalbeleid verschoven van storten en verbranden naar het voorkomen van afval en nuttig toepassen van afvalstoffen. Anno 2011 is het afvalbeleid volop in transitie. In het Vlaams regeerakkoord wordt de verruiming van afval- naar duurzaam materialenbeheer als een van de speerpunten van het milieubeleid naar voren geschoven. Materialen zijn eindig en de verspilling ervan moet maximaal worden voorkomen. Verder moet de aantasting van ons leefmilieu door materialengebruik worden beperkt. Kortom, het is de bedoeling om duurzaam om te gaan met schaarse en kritieke grondstoffen.

In het begin van het Vlaamse afvalbeleid werd de focus vooral gelegd op de eindverwerking van de afvalstoffen. Het Vlaamse Gewest is een dichtbevolkte en sterk geïndustrialiseerde regio. Het ontbrak aan plaats om afvalstoffen te storten en de burgers stonden weigerachtig tegenover verbrandingsovens in hun buurt.

In de kinderjaren van het afvalbeleid moesten ongecontroleerde stortplaatsen worden gesaneerd en werden performante stortplaatsen ontwikkeld. De capaciteit van de bestaande verbrandingsovens moest worden geoptimaliseerd. Onder druk van de grote maatschappelijke gevoeligheid voor het leefmilieu in de jaren 90 werden de verbrandingsovens omgebouwd en gemoderniseerd. Zo werden de emissies onder controle gehouden en gereduceerd tot een aanvaardbaar niveau.

Algauw werd gestart met de selectieve inzameling van specifieke fracties, met het doel deze fracties op een hoogwaardige wijze te kunnen recycleren. Daar waar de selectieve inzameling voor de vorige generatie nog niet bestond, is het voor onze kinderen niet meer dan normaal om alles in de juiste bak of zak te werpen. Ondertussen is afvalpreventie een vaste waarde geworden. Met tal van campagnes, projecten en subsidies probeerden het Vlaamse Gewest, de gemeenten en de intercommunales de afgelopen twintig jaar burger en bedrijf te overtuigen afval te voorkomen.

Aanvullend op preventie worden het hergebruik en de nuttige toepassing van afvalstoffen gestimuleerd, onder meer door de promotie van kringloopcentra en door de verdere uitbouw van selectieve inzameling en de ontwikkeling van nieuwe recyclagetechnieken. De hoeveelheid selectief ingezameld afval is gestegen van minder dan 10 procent in het begin van de jaren 90 tot 71 procent in 2010. Dit percentage zorgt ervoor dat het Vlaamse Gewest aan de Europese top staat inzake selectieve inzameling. Deze Europese toppositie die Vlaanderen bekleedt, was ook een constante tijdens de hoorzittingen in de commissie Leefmilieu.

De resultaten van het Vlaams beleid mogen gezien worden, maar wij hebben te maken met een almaar groeiende consumptie die de hoeveelheid afval en de bijhorende milieudruk de hoogte injagen. Een goed uitgebouwd afvalbeheer leidt nog niet tot een duurzame productie en consumptie. Het afvalbeheer zoals we het vandaag kennen, stoot op dit vlak tegen zijn grenzen. Als we een duurzame oplossing voor het afval willen realiseren, moeten we onze blik verruimen en over de grenzen van het klassieke afvalbeheer kijken. Ook wat vóór de afvalfase gebeurt – het winnen van grondstoffen, de productie, het energiegebruik, enzovoort – moeten we mee bekijken.

Een fundamentele verandering naar een geïntegreerd materialenbeleid is dan ook noodzakelijk. Het afvalbeheer grijpt nog te veel in op het einde van de keten, wanneer het materiaal afval geworden is. Om verspilling van grondstoffen, energie en ruimte te voorkomen, is het noodzakelijk om de materialenketen als één geheel te beschouwen. Het doel van duurzaam materialenbeheer is materiaalkringlopen hoogwaardig te sluiten en te komen tot een benadering ‘van wieg tot wieg’. Verantwoorde grondstoffenontginning, verhoogde grondstoffenefficiëntie, ecologisch productontwerp, milieuverantwoorde productieprocessen en logistieke systemen, duurzaam aankoopgedrag en afvalpreventie en recyclage moeten de schakels vormen van een coherent beleid dat de volledige materialenketen omvat.

Het ontwerp van Materialendecreet legt de basis voor milieuverantwoord aankopen en aanbesteden door overheden. Omwille van het marktaandeel van de openbare sector en omwille van de voorbeeldfunctie die overheden hebben tegenover consumenten en bedrijven wordt duurzaam aanbesteden de toekomst. Een groen aankoopbeleid maakt ontegensprekelijk deel uit van een duurzaam materialenbeleid over de hele keten. Dit wordt door de Vlaamse overheid ter harte genomen via het Vlaams actieplan duurzame overheidsopdrachten. Tegen 2020 moeten de aankopen voor 100 procent duurzaam zijn. Ook lokale besturen dienen hun rol hierin op te nemen en hun werking op dit vlak te versterken.

Tot slot verwijs ik graag naar het voorstel van resolutie van de meerderheid. Na de hoorzittingen hebben wij vanuit de meerderheid het initiatief genomen om een voorstel van resolutie op te maken. Dat voorstel van resolutie bevat een twaalftal aanbevelingen voor de Vlaamse Regering. Zo vragen wij onder meer aan de Vlaamse Regering om de haalbaarheid te onderzoeken van nieuwe economische instrumenten, zoals een systeem van verhandelbare afvalverwerkingsrechten waarmee tegelijk een krappe planning tussen vraag en aanbod kan worden aangehouden en nieuwe, meer performante installaties kansen kunnen krijgen. Ook is de meerderheid vragende partij voor een meer selectieve inzameling op de werkvloer. Op die manier kunnen de inspanningen die de burgers thuis op het vlak van gescheiden PMD-inzameling verrichten, worden voortgezet op de werkplaats en op kantoor. Wij vragen aan de Vlaamse Regering ook om bijkomende stimuli voor het uitwerken van ketenprojecten te verschaffen. Deze ketenprojecten moeten zorgen voor producten met een langere levensduur. Wij vragen aandacht voor ecodesign en roepen bedrijven op om eco-efficiëntiescans uit te voeren.

Collega's, vroeger waren consumenten gewoon mensen die dingen kochten die ze nodig achtten en die die dingen weggooiden als ze niet meer konden dienen. Vandaag verwachten we van consumenten dat ze ook nadenken over de impact van hun consumptiegedrag, door hen te wijzen op groene labels en tips voor een milieuvriendelijker gebruik. Wij verwachten ook dat zij optreden als afvalsorteerder zodra die dingen afval zijn geworden, om ze voor te bereiden op een volgend leven. Vroeger waren producenten gewoon bedrijven die dingen met de juiste prijs/kwaliteit-verhouding maakten. Vandaag verwachten we van die bedrijven dat ze ook hun aanvoerketen vergroenen en verantwoordelijkheid opnemen voor de inzameling en verwerking van die producten zodra ze afval zijn geworden.

Vroeger waren afvalverwerkers bedrijven die je van je afval af hielpen. Liefst zo goedkoop mogelijk, dus ongesorteerd! Vandaag verwachten we dat afvalverwerkers niet alleen afval weghalen en verwerken, maar ook grondstoffen leveren voor een volgende, nuttige toepassing. Een duurzaam materialenbeheer vergt dus een intensieve samenwerking tussen verschillende partijen indien wij oplossingen willen die daadwerkelijk tot een verlaging van de milieu-impact in de gehele keten zorgen.

Namens de CD&V-fractie wensen wij Vlaams minister Schauvliege te feliciteren voor dit Materialendecreet. Het getuigt van ambitie en visie. Minister, onze fractie zal u dan ook voluit steunen met de implementatie van dit decreet. (Applaus bij CD&V en sp.a)

De voorzitter

Mevrouw Van den Eynde heeft het woord.

Marleen Van den Eynde

Eindelijk, collega’s, wordt het langverwachte en voor deze regering, althans voor u, minister Schauvliege, allesbelovende Materialendecreet ter stemming gebracht in de plenaire vergadering. Dit ontwerp van decreet heeft lang op zich laten wachten en is ons eigenlijk, net zoals vele andere milieudecreten, opgelegd vanuit Europa. En toch, collega’s, blijft het maar een kaderdecreet, een decreet waaraan door middel van uitvoeringsbesluiten nog zeer veel moet geregeld worden. Dit decreet laat bij vele commissieleden van nagenoeg alle politieke partijen nog heel wat ruimte en perceptie open, waardoor iedereen nog een bijkomend voorstel van resolutie heeft ingediend met betrekking tot het duurzame beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Het is bovendien ook een zeer technisch en juridisch decreet, dat tijdens de hoorzitting toch op enige commentaar kon rekenen van de advocaat van een bepaald bedrijf, waardoor het op een gegeven moment op een rondje experten uitdraaide, met ons, parlementsleden, als toeschouwers.

Minister, collega’s, we moeten er niet flauw over doen: iedereen zal het wel eens zijn met het principe van dit ontwerp, dat we een duurzaam beheer moeten uitwerken van materiaalkringlopen en afvalstoffen. De ladder van Lansink, ondertussen de gekende afvalverwerkingshiërarchie, wordt met dit decreet nog eens versterkt. Daar kunnen we uiteraard mee akkoord gaan. Het is immers zo dat door het ingrijpen in productie, verdeling, consumptie en inzameling grote milieuwinsten kunnen worden geboekt. Meer nog, het kan voor ons land, voor onze economie, mogelijk nieuwe perspectieven openen. Maar hoe u, minister, dit allemaal wilt bewerkstelligen, blijft nog een vraagteken. Wij hopen dan ook dat uw uitvoeringsbesluiten zullen besproken worden in de commissie – zoals morgen ook in de commissie Mobiliteit en Openbare Werken gebeurt met een decreet waarvan de uitvoeringsbesluiten zullen worden besproken – zodat ook wij in de commissie Leefmilieu als parlementsleden mee kunnen opvolgen hoe het afvalbeleid de komende jaren zal worden gestuurd.

Collega’s, de grote meerwaarde van dit decreet moet zijn dat de grote hoeveelheid te verbranden afvalstoffen verder wordt teruggedrongen. Want hoe je het ook draait of keert: afval verbranden veroorzaakt ongetwijfeld een zware belasting op onze luchtkwaliteit. Ik hoef vooral diegenen die er al wat jaren parlementair werk hebben opzitten, niet te herinneren aan de vele vragen en debatten over onder meer de Isvag-oven en zijn negatieve gevolgen voor de volksgezondheid van vele buurtbewoners. Inderdaad, mevrouw Taeldeman, buurtbewoners hebben een weigerachtige houding, zeker als het over hun gezondheid gaat. Ik hoef vele collega’s vandaag ook niet te herinneren aan de vrees die er leeft bij de Brabanders wanneer een vergunning zou gegeven worden voor de bouw van een afvalverbrandingsoven in Kampenhout. En al is de meeste vervuilende uitstoot van afvalverbrandingsovens de laatste jaren in grote mate teruggedrongen en is de uitstoot van de kankerverwekkende stof dioxine danig verminderd, de combinatie van deze afvalverbrandingsovens met onder meer het zwaar verkeer en mogelijk andere industriële activiteiten maakt dat de concentratie in bepaalde gebieden nog zeer groot blijft. De grootste voorzichtigheid is en blijft geboden wanneer beslissingen moeten worden genomen voor vergunningen voor afvalverbrandingsovens.

Het mag dus duidelijk zijn, minister, dat met dit decreet de Vlaamse Regering er zich van bewust moet zijn dat nieuwe vergunningen voor bijkomende afvalverbrandingscapaciteit in Vlaanderen niet gewenst is, en ook niet bevorderend voor het voeren van een degelijk materialenbeleid. (Applaus bij Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw De Vroe heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, het ontwerp van decreet dat vandaag voorligt, is een kaderdecreet dat voortvloeit uit een Europese richtlijn. Het zal uiteraard nog verdere invulling moeten krijgen. Zo zal het volledige Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) moeten worden vervangen door een nieuw uitvoeringsbesluit. Dit nieuwe Materialendecreet heft immers het huidige Afvaldecreet op en dus ook het daarop gebaseerde VLAREA. Een en ander zal naadloos op elkaar moeten aansluiten om rechtsonzekerheid te vermijden. We hopen dan ook dat deze operatie geen herhaling zal worden van wat we nu zien bij de hervorming van de belasting op inverkeerstelling (BIV).

Collega’s, een groot aantal bepalingen in het nieuwe ontwerp van decreet werd ofwel overgenomen uit de Europese kaderrichtlijn of uit het bestaande Afvalstoffendecreet. In die zin is er dus weinig vernieuwends aan. We zijn er ons zeer sterk van bewust dat Vlaanderen op het vlak van recyclage en hergebruik al ontzettend ver staat ten opzichte van de andere Europese landen en dat de benadering en de werkwijze vervat in de Europese kaderrichtlijn in ons gewest weinig verandering betekent, wegens reeds jaren van toepassing.

Toch dient er te worden gepeild naar de gevolgen voor de terugnameverplichting die nu al bestaat voor een aantal afvalstoffen. Zal de lijst worden uitgebreid of niet? Wat zullen de gevolgen hiervan zijn voor de lopende milieubeleidsovereenkomsten die al voor een aantal van die afvalstromen bestaan? Is ook hier in een overgangsperiode voorzien? Of komt er in het kader van het begrip ‘uitgebreide producentenverantwoordelijkheid’ iets totaal nieuws? Het zijn vragen waarop vooralsnog geen duidelijk antwoord is gekomen.

Het interessante aan dit ontwerp van decreet is de benadering dat op een bepaald ogenblik afvalstoffen geen afvalstoffen meer zijn als ze een behandeling voor nuttige toepassing, waaronder recyclage, hebben ondergaan. Dat maakt het veel gemakkelijker om dergelijke stoffen te verhandelen of te vervoeren. De verdere uitwerking van dat principe in het uitvoeringsbesluit is daarom van bijzonder groot economisch belang.

Precies om de verdere uitvoering van dat kaderdecreet maken we ons toch wat zorgen. Voor onze fractie dient daarbij bijzondere aandacht te gaan naar een aantal accenten die we hebben voorgelegd in een voorstel van resolutie. Zo is er de verhouding tussen de hoeveelheid aangeboden afval en de beschikbare verbrandingscapaciteit. Die is nu in evenwicht. En toch zijn er nieuwe aanvragen voor een oven in Kampenhout. Een uitbreiding van de bestaande capaciteit zou aanleiding geven tot een overcapaciteit, die een negatieve invloed zal hebben op het halen van de doelstellingen inzake het sluiten van de materiaalkringlopen. Wij pleiten dan ook resoluut voor een moratorium op extra verbrandingscapaciteit zolang er meer afvalverbrandingscapaciteit is dan aanbod van afval. De Groen!-fractie en de Open Vld-fractie hebben daaromtrent vandaag een nieuw amendement ingediend.

Open Vld beseft ook dat dit ontwerp van Materialendecreet de gedroomde gelegenheid is om onze bedrijven ertoe aan te zetten producten op de markt te brengen die ofwel minder grondstoffen behoeven of die een veel hogere hergebruik- of recyclagegraad hebben. Het aanmoedigen van onderzoek en innovatie is daarom een must en betekent een troef voor onze bedrijven, ook wat betreft het ontwikkelen van de benodigde technologie hiervoor, die in het buitenland kan worden gevaloriseerd. Daarom wil Open Vld dat er meer middelen worden vrijgemaakt om het onderzoek naar die nieuwe innovatieve technieken en producten aan te moedigen.

Collega’s, zoals reeds gesteld, zal het bestaande Vlarea vervangen moeten worden door een nieuw materialenbesluit. Dat zal niet eenvoudig zijn en kan, als het niet op een doordachte wijze gebeurt, de hele sector onderuithalen. Daarom pleiten wij voor een realistische overgangstermijn en vragen we ook dat dit besluit, alvorens het definitief goed te keuren, zou worden toegelicht in de bevoegde parlementaire commissie.

We geloven heel sterk in het instrument van de milieubeleidsovereenkomsten, die in het verleden hebben bewezen bijzonder succesvol te kunnen zijn. Dit ontwerp van Materialendecreet is dan ook de uitgelezen kans om samen met de betrokken sectoren dit instrument op nog meer afvalstromen toe te passen. Wij vragen de minister dan ook om dit grondig te onderzoeken.

Hoewel dit ontwerp van decreet, wat zijn hoofddoelstellingen betreft, aansluit bij de liberale visie op afvalstoffen, die zoveel mogelijk als nieuwe grondstoffen moeten kunnen worden gebruikt, waarbij het ‘cradle to cradle’-principe vooropstaat, hebben wij minder vertrouwen in de uitvoering die deze regering eraan gaat geven, vandaar ook ons voorstel van resolutie en amendement ter zake. Onze fractie zal zich bij de stemming onthouden. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

De heer Martens heeft het woord.

Bart Martens

Voorzitter, mijn fractie is zeer blij dat dit ontwerp van decreet meer dan een letterlijke, droge omzetting van de Europese kaderrichtlijn Afvalstoffen is. Met de switch van een afvalbeleid naar een materialenbeleid kunnen we de kringlopen sluiten en verder gaan dan enkel een milieuvriendelijk beheer van afvalstoffen of van producten die het einde van hun levenscyclus bereiken.

Door middel van dit ontwerp van decreet trachten we de stoffenkringlopen te sluiten en aandacht te schenken aan de grondstoffen en de materialen van bij het begin van de levenscyclus van producten. Op die manier trachten we het materialenverbruik te verduurzamen.

Eigenlijk vormt dit ontwerp van decreet de basis voor een kringloopeconomie. Materialen kunnen reïncarneren en producten komen niet op het einde van hun leven in hun graf terecht. Door de kringlopen te sluiten, proberen we de stofkringlopen te sluiten.

Dat is niet enkel goed voor het milieu. Op die manier kunnen we ook onze afhankelijkheid van eindige en schaarse grondstoffen doen afnemen. We stellen immers vast dat veel grondstoffen, zoals hoogtechnologische metalen, van strategisch belang voor onze economie worden. Ze worden steeds duurder en steeds minder toegankelijk. Landen als China, die dergelijke zeldzame metalen en aarde produceren of ontginnen, houden er een steeds protectionistischer beleid op na. Die landen hanteren steeds meer exportbeperkingen en dergelijke. Het is de bedoeling dat de verwerkende industrie die deze schaarse en strategisch belangrijke grondstoffen verwerkt, zich in landen als China komt vestigen. Het is dan ook van het grootste strategische belang dat we er effectief in slagen dergelijke schaarse metalen en materialen binnen onze eigen economie te houden en de kringlopen te sluiten.

Dit ontwerp van decreet is eveneens belangrijk voor de mindset. We mogen afval niet langer meer louter als een probleem beschouwen. Het is ook een opportuniteit om ons op een goedkopere manier van noodzakelijke grondstoffen te verzekeren.

Eigenlijk komen we in ons afvalbeleid van heel ver. De afvalbeheershiërarchie stelt dat we in de eerste plaats moeten proberen afval te voorkomen. Vervolgens moeten we producten hergebruiken. Vervolgens moeten we materialen recycleren of op zijn minst de energie recupereren. Pas in laatste instantie mogen we tot het storten of verwijderen van afvalstoffen overgaan.

Eigenlijk hebben we die zogenaamde ladder van Lansink in de omgekeerde richting gevolgd. Aanvankelijk hebben we al onze afvalstoffen gestort. Toen dat wegens plaatsgebrek en milieuhygiënische problemen niet langer kon, hebben we ze verbrand. Dat gebeurde echter zonder enige rookgasreiniging of energierecuperatie. Tijdens een grondige sanering van de verbrandingssector zijn de eerste afvalstoffenplannen opgesteld. Bepaalde verbrandingsinstallaties zijn gesloten. Andere installaties zijn met een hele batterij aan rookgasreinigingen uitgerust. Tegelijkertijd is de energie-inhoud van de afvalproducten gerecupereerd. Dan is vastgesteld dat we het afval beter selectief zouden inzamelen en zouden recycleren. Dat was niet enkel beter voor het milieu, maar vaak ook nog eens goedkoper. Tot slot is vastgesteld dat het voorkomen van afval de absolute prioriteit zou moeten zijn. Een kilogram afval die niet wordt geproduceerd, brengt ook geen verwerkingskosten of maatschappelijke kosten met zich mee.

Momenteel wordt de afvalbeheershiërarchie in Vlaanderen volop gerespecteerd. Volgens mij is onze regio momenteel de koploper in Europa. Als we zien hoe weinig restafval hier nog voor verwijdering overblijft, denk ik niet dat veel regio’s ons dat nadoen.

Los van de beleids-, uitvoerings- en afvalstoffenplannen die daar de grondslag aan gaven, denk ik dat de economische instrumenten, zoals de heffing op het storten van afval, daar in belangrijke mate toe hebben bijgedragen. In het Verenigd Koninkrijk werd nu pas een stortheffing ingevoerd, die toch al veel positieve effecten heeft.

We moeten nu een stap verder zetten en gaan kijken naar de andere fasen in de levenscyclus van een product. Met dit ontwerp van decreet maken we daar werk van. Er is niet enkel sprake van uitvoeringsplannen. We gaan ook preventieprogramma’s invoeren, die ons in staat stellen om per materiaalsoort maatregelen te nemen, van het ontginnen en verwerken van de grondstoffen, over het gebruik van de producten, tot de afvalfase toe.

We maken in dit ontwerp van decreet ook werk van de verzelfstandiging van Plan C, het transitienetwerk waar bedrijven, universiteiten, kenniscentra en maatschappelijke organisaties samenwerken om voorbeeldprojecten uit te werken en werk te maken van een ecodesign en zelfs om te beginnen met de ontginning van stortplaatsen. Onder de titel Enhanced Landfill Mining gaan we nu de eerste proefprojecten op stapel zetten om nog waardevolle grondstoffen te recupereren uit de oude stortplaatsen.

We geven met dit ontwerp van decreet ook een decretale basis voor de vergroening van het aankoopbeleid. Wat ons betreft, is dat ook zeer cruciaal. Met die vergroening kunnen we ervoor zorgen dat materialen die de overheid aankoopt, ook kunnen bestaan uit gerecycleerd materiaal, uit een minimumpercentage van secundaire grondstoffen. Als we nieuwe dijklichamen of wegen aanleggen, kunnen we ervoor zorgen dat een minimumaandeel van de materialen die we daarvoor nodig hebben, getrokken worden uit secundaire niet-vormgegeven grondstoffen. Op die manier kunnen we ervoor zorgen dat er, naast een aanbod aan afvalproducten, recyclaten en secundaire grondstoffen, ook een vraag naar die producten ontstaat. Zo kunnen we ook binnen Vlaanderen de stofkringlopen beter sluiten.

Uiteraard moeten we er in Vlaanderen voor zorgen dat we waardevolle grondstoffen niet exporteren naar landen waar die grondstoffen minder efficiënt worden gerecycleerd of verwerkt of naar landen met een overcapaciteit op het vlak van verbranding, zoals Nederland en Duitsland. Daar zou de verbranding van ongesorteerd afval leiden tot een verspilling van grondstoffen die zich perfect lenen voor recyclage.

Collega’s, om die reden hebben we vanuit de meerderheid een amendement ingediend op het ontwerp van decreet, dat de achterpoort die nog in het ontwerp van het decreet zat voor de uitvoer van ongesorteerd afval naar verwerkingsinstallaties in het buitenland, volledig sluit.

Het kan niet de bedoeling zijn dat afvalinzamelaars bij ons de regels op het vlak van selectieve inzameling aan hun laars lappen en ongesorteerd afval exporteren naar buitenlandse verbrandingsovens die momenteel vaak aan dumpingtarieven werken omdat daar sprake is van een overcapaciteit. We willen die stromen absoluut binnen de eigen regio houden om ze maximaal te kunnen valoriseren en recycleren.

Wat vandaag voorligt, is uiteraard een ontwerp van kaderdecreet. Dat wil zeggen dat heel veel van de uitvoering en invulling wordt overgelaten aan de Vlaamse Regering. Dat gebeurt dan via de uitvoeringsprogramma’s, de afvalstoffenplannen, de preventieprogramma’s en dergelijke.

Via de meerderheid hebben we er ook voor gezorgd dat de ontwerpen van uitvoeringsplannen en van preventieprogramma’s ook worden voorgelegd aan het Vlaams Parlement. Op het moment dat die ontwerpen naar de adviesraden gaan, zullen ze ook worden ingediend bij het Vlaams Parlement zodat we ook vanuit het parlement onze zeg daarover kunnen doen en via moties of resoluties aan de regering kenbaar kunnen maken wat wij als parlement van die ontwerpen vinden. Zo kan de regering rekening houden met onze aanbevelingen bij de definitieve vastlegging.

Ten slotte hebben we er ook voor gezorgd dat, naast het geamendeerd ontwerp van decreet, er vandaag ook een voorstel van resolutie ter stemming neerligt. Er is een voorstel van resolutie vanuit de meerderheidfracties, maar ook verschillende oppositiefracties hebben voorstellen van resolutie hebben ingediend. Op die manier kunnen we de regering richting geven bij de uitvoering en de verdere invulling van het decreet.

Ik stip enkele maatregelen aan die wij belangrijk vinden bij het verder uitvoeren van dit ontwerp van decreet.

Er is het principe dat het scheiden aan de bron absoluut voorrang moet krijgen op het nasorteren van afval. We hebben gemerkt dat mensen en bedrijven goedkoper scheiden dan machines en dat ook bij een scheiding van verschillende afvalstromen aan de bron, de kwaliteit van de ingezamelde afvalstoffen veel beter is en zich veel beter leent tot een hoogwaardige recyclage.

Er was tijdens de hoorzitting in onze commissie nogal wat onduidelijkheid. Sommige sprekers dachten dat nasortering evenwaardig zou worden ingeschreven als scheiden aan de bron. Ik heb begrepen dat dat niet het geval is. Wat ons betreft, mag dat ook niet het geval zijn en moet dus in het uitvoeringsbesluit en in de eventuele code van goede praktijk en in de nota die de OVAM uitwerkt, heel duidelijk de scheiding aan de bron als absoluut principe worden vastgelegd. Wordt dat niet gehaald, dan moet de handhaving maar worden opgedreven en moet erop worden toegekeken dat bedrijven de regels respecteren rond het gescheiden inzamelen van afval en aanbieden van afvalstoffen.

Voor ons mag er zelfs een stap verder worden gegaan en kunnen ook verplichte scheidingsplichten worden opgelegd bij bedrijven, bijvoorbeeld voor pmd-afval. Als mensen thuis op een perfecte manier pmd apart kunnen inzamelen en aanbieden, dan moet hetzelfde ook mogelijk zijn op de bedrijfsvloer. Wij zien niet in waarom men daar niet apart pmd zou kunnen inzamelen.

Minister, we hebben begrepen dat er een proefproject bezig is dat binnen enkele maanden tot resultaten zou moeten leiden. We hebben er alle vertrouwen in dat die resultaten positief zullen zijn en de overheid zou kunnen aanzetten om ook de pmd-inzameling bij bedrijven en kantoren te verplichten.

Uiteraard wensen wij ook het principe van de krappe planning gestand te doen. We moeten inderdaad voorkomen dat we in een situatie zoals in Nederland en Duitsland terechtkomen, waarbij een overcapaciteit aan verwerkingsinstallaties ontstaat die de economische rendabiliteit van de verbrandingsoven ondergraaft. In Nederland heeft men zelfs tijdelijk een aantal verbrandingsovens moeten sluiten. Via dumpingtarieven gaan die installaties ook stromen aantrekken die perfect recycleerbaar zijn zoals selectief ingezameld papier en karton, houtafval enzovoort. Omwille van de rendabiliteit van de sector, maar ook omwille van het vrijwaren van de mogelijkheden van recyclage, wensen wij een overcapaciteit in Vlaanderen te vermijden.

Er is wat discussie over of het moet gebeuren met een moratorium. Groen! en Open Vld pleiten ervoor om een moratorium in te schrijven in het decreet. Ik denk dat we deze maatregelen ook kunnen treffen in de uitvoeringsplannen, in het vergunningenbeleid. Wij vragen in ons voorstel van resolutie ook aan de Vlaamse overheid om te onderzoeken of een systeem van verhandelbare verwerkingsrechten ook geen oplossing zou kunnen bieden. Enerzijds kan men zo voorkomen dat de capaciteit verder aangroeit, anderzijds kan men voldoende dynamiek binnen de sector bewaren zodat oude installaties kunnen worden vervangen door meer performante, nieuwe installaties die vaker een hoger energetisch rendement hebben en beter zijn ingepland. We willen dus ook de dynamiek in de sector bewaren en voorkomen dat er een soort bevriezing komt van de situatie zoals ze vandaag is waarbij elke intercommunale gaat voor een levensduurverlenging van de huidige installaties en kansen op een verbetering van de performantie van het verwerkingspark worden gewist.

Trouwens, er moet nog wat gediscussieerd worden over waar de lat van de noodzakelijke capaciteit ligt. We zien dat in de wervelbedverbrandingsoven van Indaver, die eigenlijk was ontworpen voor de verwerking van hoogcalorische afvalstoffen en van waterzuiveringsslib, met huishoudelijk afval vergelijkbaar bedrijfsafval terechtkomt. Als we erin slagen om die shredderresidu’s die vandaag worden gestort – een volume van 200.000 ton per jaar –, beter te recycleren en thermisch te valoriseren, dan is die oven van Indaver daar uitermate voor geschikt.

Dan verdrijven we bij wijze van spreken ook het klassieke gemengd stedelijk afval uit die installatie. Daarvoor moet dan natuurlijk een andere oplossing worden gevonden. Voor de meerderheid is het dus ook niet evident om nu al uit te maken waar die grens van de totaalcapaciteit precies ligt, om nu al te zeggen dat de huidige installaties zullen kunnen volstaan voor alles wat op de markt zal komen.

In ons voorstel vragen we eveneens dat in de sectorale wetgeving ook normen en criteria zouden worden opgelegd met betrekking tot een minimaal energetisch rendement van nieuwe verbrandingsinstallaties. Het moet worden gezegd dat het energetisch rendement van onze verbrandingsinstallaties wel toereikend is om hun de zogenaamde R1-status te geven, wat betekent dat ze kunnen worden omschreven als installaties voor nuttige toepassing binnen de eengemaakte Europese afvalmarkt. We stellen echter vast dat dit energierendement nog aanzienlijk kan worden opgekrikt.

Een aantal installaties slagen daar vandaag al in. Zo zet een installatie als die van IVAGO, de intercommunale uit het Gentse, niet alleen de energie-inhoud van haar afval in elektriciteit om, ze gebruikt ook de restwarme om het Universitair Ziekenhuis van Gent van stoom en warmte te voorzien. Hetzelfde zien we bij IVBO, de intercommunale in het Brugse. Ook daar wordt restwarmte uitgekoppeld, onder meer naar de gevangenis die daar in de buurt ligt en naar tal van instellingen, die zo nuttig gebruik kunnen maken van warmte die anders in de atmosfeer verloren gaat. Ook in Roeselare slaagt de intercommunale erin restwarmte uit te koppelen voor het verwarmen van het lokale zwembad, de veiling, een woonwijk en noem maar op.

Die voorbeelden moeten worden nagevolgd. Zeker voor nieuwe installaties moeten we de lat hoger leggen om een hoger energetisch rendement te kunnen verkrijgen. Die installaties moeten dus worden ingeplant op plaatsen waar ook die restwarmte nog kan worden afgezet. We vinden ook dat nieuwe installaties meer mobiliteitsvriendelijk moeten kunnen worden ingeplant, nabij spoorwegen of de binnenvaart, zodat afval ook duurzaam en milieuvriendelijk kan worden getransporteerd en geen files hoeft te veroorzaken.

Ten slotte vragen we in ons voorstel van resolutie te onderzoeken in welke mate er bijkomende productcategorieën onder de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid kunnen vallen. Vandaag bestaat er al een zeer succesvol systeem van inzameling en milieuvriendelijke verwerking van elektrische en elektronische apparaten, verpakkingsafval, batterijen, autobanden en autowrakken. Waarom zouden we dergelijke systemen ook niet overwegen voor een aantal andere productcategorieën, zoals matrassen of vloerbedekkingsmateriaal? Zo zou iemand die een nieuwe matras koopt, meteen zijn oude matras kunnen meegeven, en worden de producenten van die matras er ook toe aangezet materialen te gebruiken die perfect recycleerbaar zijn, om matrassen op de markt te brengen die perfect te ontmantelen zijn en waarvan de verwerkingskosten veel lager uitvallen.

Kortom, met het ontwerp van Materialendecreet, met de wijzigingen die we via amendementen hebben aangebracht, met het voorstel van resolutie dat we hebben ingediend zetten we Vlaanderen verder op weg naar een duurzaam materialenbeleid, dat ertoe kan leiden dat de stofkringlopen beter worden gesloten. Minister, met ons voorstel van resolutie in de hand hebt u alle elementen in handen om werk te maken van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA), dat befaamde uitvoeringsbesluit dat het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) moet opvolgen. Wij wensen u daar veel succes bij. Uiteraard zullen we ook van de gecreëerde mogelijkheid gebruik maken om ontwerpuitvoeringsplannen en ontwerppreventieprogramma’s op hun merites te beoordelen en, indien nodig, de Vlaamse Regering ook bijkomende aanbevelingen mee te geven voor het verder invullen van dit duurzaam materialenbeleid. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Eerlingen heeft het woord.

Tine Eerlingen

Voorzitter, minister, collega’s, het ontwerp van decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen betreft inderdaad de omzetting van de Europese kaderrichtlijn voor het beheer van afvalstoffen. De invulling van die kaderrichtlijn gebeurt wel op een vrij verregaande manier. Het gaat hier echt om de omschakeling van het afvalbeleid naar een duurzaam materialenbeleid. Het streeft ernaar om de keten te sluiten en zo zuinig mogelijk om te springen met onze schaarse grondstoffen.

In de kaderrichtlijn wordt sterk ingezet op een strengere afvalhiërarchie waarbij preventie en hergebruik voorrang krijgen op materiaalrecyclage. Pas daarna komt afvalverbranding met hoge energie-efficiëntie aan bod en als laatste optie pas het verwijderen, het storten van afval. Het ontwerp van decreet heeft dit vertaald in een materialenhiërarchie volgens het principe van de ladder van Lansink, waar de heer Martens al naar verwees, maar waarbij ook rekening wordt gehouden met mogelijke afwijkingen van die hiërarchie om een zo laag mogelijke milieu-impact te verkrijgen. Dat is wetenschappelijk onderbouwd in functie van de snel evoluerende technologie voor recuperatie van allerlei grondstoffen uit die afvalstoffen, zoals de steeds schaarser wordende aardmetalen. Het is in sommige gevallen beter om afvalstoffen tijdelijk op te slaan om ze nadien te recupereren als de technologie ons toelaat om die nuttige stoffen eruit te halen, in plaats van die afvalmaterialen te verbranden waarbij die stoffen dan echt verloren zouden gaan.

De aandacht die gaat naar het toewijzen van kosten en verantwoordelijkheden binnen het afvalbeheer kunnen we steunen. Aan de preventie van afval moeten we met zijn allen werken: van producent tot consument. Hier moeten we nog meer op inzetten; het decreet biedt daar een uitstekende basis voor. We vragen in ons voorstel van resolutie om bij de beleidsuitvoering prioriteit te geven aan de afvalpreventie en het hergebruik van materialen. De ontwerpen van de preventieprogramma’s en uitvoeringsplannen zullen, zoals de heer Martens al aanhaalde, door de invoeging van een amendement van de meerderheid, aan het parlement worden bezorgd zodat wij ook de mogelijkheid hebben om onze aanbevelingen hierover over te maken.

Om het hergebruik en de recyclage van materialen te kunnen optimaliseren, is het noodzakelijk dat er een maximale scheiding van afval aan de bron gebeurt. Ook daar vragen wij de nodige aandacht voor. We wensen dat de minister in overleg met de sector een code van goede praktijk voor het sorteren uitwerkt. Op dit moment doen mensen thuis hard hun best om te sorteren, we zijn hier ook kampioen in – mevrouw Taeldeman heeft de cijfers gegeven –, maar op school, op openbare plaatsen of op het werk mag alles zomaar samen gegooid worden. Daar is nog veel verbetering mogelijk. Momenteel loopt er een proefproject naar het inzamelen van pmd-afval bij bedrijven. In ons voorstel van resolutie vragen we dan ook om op basis van de resultaten, indien die aangeven dat dat wenselijk is, regelgeving uit te werken voor een inzamelplicht.

Ook het principe van de aanvaardingsplicht zal worden omgezet in een breder kader rond producentenverantwoordelijkheid. In ons voorstel van resolutie vragen wij om op korte termijn te onderzoeken voor welke materiaalstromen de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid moet worden ingesteld en welke instrumenten daarvoor geschikt zijn. Dit systeem van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zorgt ervoor dat producenten zich meer bewust worden van welke materialen ze op de markt brengen en hoe die hergebruikt of gerecycleerd kunnen worden. Op die manier zullen ze door een aangepast duurzaam design, het ecodesign, of ander materialengebruik zelf beter inspelen op het sluiten van de materialenkringloop.

Onze vraag naar het opstarten van ketenprojecten, waarbij de overheid de verschillende actoren binnen een bepaalde materiaalketen samenbrengt in functie van het verlagen van de milieu-impact over de hele keten of het sluiten van de materialenkringloop, past hierin. Bovendien vragen we om onze programma’s uit te werken om ecodesign en eco-efficiëntiescans intensiever in te zetten.

In het ontwerp van decreet wordt de basis gelegd voor stimulerende instrumenten. Wij vragen in dat kader de evaluatie en eventueel aanpassing van het bestaande economisch instrumentarium zodat echt sturend kan worden gewerkt met het oog op een betere preventie, hergebruik of recyclage van afvalstromen.

De materialen die niet kunnen worden hergebruikt noch gerecycleerd, moeten verwerkt worden. Europa laat ons toe dat gemengd stedelijk afval van bedrijfsoorsprong voor verwerking mag worden uitgevoerd naar het buitenland. Om te vermijden dat de dumpingprijzen die in Nederland gelden als gevolg van de overcapaciteit en ook in bepaalde streken van Duitsland, ertoe zouden leiden dat te recycleren materialen zouden worden verbrand omdat dat goedkoper is dan recycleren, voegden we vanuit de meerderheid een amendement toe. Daarin wordt gespecificeerd dat bedrijfsafval mag worden uitgevoerd, maar enkel als het hier wordt ingezameld of uitgesorteerd volgens de in Vlaanderen geldende regels. Er mogen dus geen substantiële fracties van nog te recycleren materiaal meer in zitten.

We vragen in ons voorstel van resolutie ook duidelijk om de mogelijke negatieve gevolgen van de export van stedelijk afval van bedrijfsoorsprong naar het buitenland te onderzoeken en indien nodig nieuwe regelgeving uit te werken.

Om de afvalhiërarchie te respecteren en het sluiten van de materialenkringlopen te bewerkstelligen, is het nodig om de verbrandingscapaciteit af te stemmen op het aanbod van te verbranden afvalstoffen. Daarom vragen we de Vlaamse Regering om de haalbaarheid van nieuwe economische instrumenten te onderzoeken. De heer Martens heeft het al uitvoerig gehad over het systeem van verhandelbare afvalverwerkingrechten, waarbij een krappe planning aangehouden kan worden. Maar ook nieuwe, meer performante installaties moeten de kans krijgen, wanneer oude installaties de deuren zouden sluiten. Het is de bedoeling om echt een innovatieve verwerkingsindustrie te krijgen. De krappe planning is zeer belangrijk om de afvalhiërarchie te laten spelen. Daarbij moet ook worden gekeken naar minimale energierecuperatie en milieuvriendelijke modal split.

Collega’s, Vlaanderen bekleedt binnen Europa momenteel al een koppositie met zijn materialenbeleid. We moeten die positieve weg blijven bewandelen. De N-VA onderschrijft dan ook de principes van voorliggend ontwerp van decreet, waarbij verantwoordelijkheid, zowel van verbruikers als van producenten, centraal staat. Ook de aandacht voor innovatie en samenwerking met de producenten vinden we erg belangrijk. Het ontwerp van decreet betekent een omslag van een afvalbeleid naar een duurzaam materialenbeleid. Het is ons inziens een ontwerp van decreet dat naar de toekomst kijkt. En we rekenen erop dat de minister de aanbevelingen van ons voorstel van resolutie meeneemt. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Sanctorum heeft het woord.

Hermes Sanctorum-Vandevoorde

Collega’s, minister, deze discussie gaat over keuzes voor een duurzaam materialenbeleid in Vlaanderen, zowel over het ontwerp van Materialendecreet als over de voorstellen van resolutie in verband met grondstoffenbeleid.

Energie is als problematiek vergelijkbaar met materialen en grondstoffen. Bij energie zit je met de eindige voorraad van fossiele brandstoffen. De peak oil, de fameuze olie- en gaspiek, maakt het een stuk complexer, want dat betekent dat via de conventionele technieken grondstoffen voor energie steeds moeilijker toegankelijk worden. Ze zijn fysisch minder toegankelijk, maar het past ook in de geopolitieke context, zoals daarnet geïllustreerd. China treedt protectionistisch op voor onder andere de zeldzame aardmetalen. Daarnaast is er de afhankelijkheid van het buitenland. In Vlaanderen zijn we voor 93 procent afhankelijk van het buitenland voor grondstoffen van energie: steenkool, aardolie, aardgas en, collega’s van het Vlaams Belang, ook voor kernbrandstof.

Dus dat is het plaatje voor energie.

Als we het plaatje bekijken voor de grondstoffen, zitten we met een gelijkaardig verhaal. De eindige voorraad is ook een soort piek, een ‘peak everything’ zouden we die kunnen noemen, en er is de afhankelijkheid van het buitenland. We hebben in Vlaanderen geen grootse reserves aan grondstoffen. Als we de rapporten erop nalezen die de Vlaamse overheid uitbrengt, dan gaat het over 79 procent afhankelijkheid van het buitenland in Vlaanderen. Neem daar dan nog bij dat heel wat grondstoffen, onder andere de zeldzame aardmetalen, bovendien net worden toegepast voor hernieuwbare technologie, dan is het ook wel weer toevallig dat op die manier energie en materialenproblematiek samen komen. Wat materialen betreft, zitten we nog met de extra uitdaging dat materialen ook worden geëxporteerd naar het buitenland.

Ter illustratie en ik neem aan voor het verslag, maar niet zozeer voor de aanwezigen hier, want ik zie vooral mensen naar hun laptop kijken: de grondstofprijzen... (Rumoer)

Sorry, maar op die manier heb ik uw aandacht getrokken! Dank u wel.

Ik vergelijk even de grondstofprijzen van 2008 met die van 2011 voor een aantal zeldzame aardmetalen. Lanthaan of lanthaanoxide, bijvoorbeeld toegepast op hybride wagens, meer bepaald in de fameuze nikkelbatterijen die daarin worden gebruikt, kostte per kilo in 2008 5,9 euro. De prijs per kilo halverwege 2011 bedroeg 90,73 euro. Van een kleine 6 euro zijn we dus naar een kleine 91 euro per kilo gegaan, dat is een gigantische stijging.

Vlaanderen is zowel op vlak van energie als van grondstoffen beperkt in zon, wind, ruimte, grondstoffen enzovoort. De uitdaging voor Vlaanderen is dus des te groter, minister.

Als we dan de actuele situatie bekijken – want daar gaat het toch ook wel over, het is een soort evaluatie van het beleid –, dan zien we, als we het bruto binnenlands product (bbp) vergelijken met het bruto binnenlands energiegebruik, een maat voor de energie-efficiëntie, dat die energie-efficiëntie eigenlijk constant bleef gedurende enkele jaren. Sinds ongeveer acht jaar geleden is er echter een relatieve ontkoppeling ontstaan waarbij het energiegebruik constant is gebleven en het bbp is blijven stijgen. Er is dus zeker geen absolute ontkoppeling, maar wel een relatieve ontkoppeling. Spijtig genoeg zien we dat in 2010 de energie-efficiëntie afneemt en het energiegebruik opnieuw toeneemt. We zijn dus niet op de goede weg.

Als we dan naar de materialenefficiëntie kijken, is het beeld nog minder rooskleurig. Als we het bbp vergelijken met de productie van het primair afval en de grondstoffenbehoefte, dan zien we zelfs geen relatieve ontkoppeling. De uitdaging op het vlak van materialen is dus gigantisch groot in Vlaanderen.

En dan hebben we het fameuze Materialendecreet. Dat is voorlopig nog theorie met een aantal heel interessante en terechte pistes die worden gevolgd. In de eerste instantie is het natuurlijk een omzetting van de kaderrichtlijn afval. Er worden allerlei nieuwe begrippen ingevoerd zoals de kringlopen. Belangrijk is ook dat de impact op milieu en gezondheid centraal staan. We gaan dus uit van een klassieke afvalhiërarchie, maar het is nog altijd de impact op milieu en gezondheid die de eerste maat is om te bekijken of verbranding of een andere maatregel meer of minder geschikt is. Het gaat ook over de preventieprogramma’s, die daarnet al uitgebreid werden toegelicht, de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en er was een hele grote discussie over het invullen van het fameuze begrip ‘gemengd stedelijk afval’. Ook heel belangrijk, maar minder aan bod gekomen in de discussies in de commissie, is de juridische basis voor plan C, maar daar zal ik straks wat meer over vertellen.

Laten we dit even vergelijken met de actuele situatie. Die is voor alle duidelijkheid inderdaad niet allemaal kommer en kwel. Daarnet werd het voorbeeld gegeven van het huishoudelijk afval: 71 procent wordt selectief ingezameld, waardoor er hergebruik, recyclage of compostering gebeurt.

Daarnet werd nog het voorbeeld gegeven van het inzamelen van pmd. Dat is een zeer eenvoudige maatregel, maar het gebeurt nog altijd niet. Ik heb ervoor gepleit om die selectieve inzameling meteen in te voeren. Het antwoord van de meerderheid was dat we beter nog wat konden wachten. Men vond mijn opmerking terecht, maar men wilde de resultaten afwachten van een pilootproject. Ik begrijp niet waarom we ons afwachtend opstellen ten aanzien van dit pilootproject en niet gewoon die selectieve inzameling invoeren.

Ik wil wat dieper ingaan op de echte resultaten van preventie, hergebruik en recyclage. De materiaalproductiviteit is het bruto binnenlands product ten opzichte van de direct material imput. Dat laatste is een maat voor de behoefte van een economie aan die materialen. En dan zien we absoluut geen positieve evolutie. Meer nog, wanneer men de intensiteit van de materiaalrecuperatie in Vlaanderen beschouwt – dat is de verhouding van de hoeveelheid afval aangeboden voor recuperatie ten opzichte van de totale hoeveelheid afval en emissies –, dan komen we aan ongeveer 10 à 15 procent. Dat is de actuele situatie als het echt gaat over afval en materialenbeleid. Hiermee wil ik illustreren dat de uitdagingen gigantisch zijn.

Er wordt een aanzet gegeven, onder meer door het onderzoek naar recyclagecertificaten. Dat gebeurt nu door de OVAM. Ik heb groot vertrouwen in de OVAM en in de VITO, de instellingen die uiteindelijk werk zullen maken van dat materialenbeleid. Ik hoop alleen dat het beleid ook keuzes zal durven te maken.

Er zijn nog andere zaken zoals het top runner system. Dat is het Japanse model waarbij de voorlopers de norm worden en de rest moet volgen. Zij hebben een bepaalde termijn om zich in regel te stellen. In Japan gaat het dan over energie-efficiëntie. Men zou dat kunnen uitbreiden naar een soort materialenefficiëntie.

Over de afvalverbranding is in de commissie een hevige discussie gevoerd. De cijfers zijn echter wat ze zijn. De OVAM heeft meerdere analyses gemaakt en telkens een overcapaciteit vastgesteld. De cijfers varieerden. Bij de laatste analyse ging het over een overcapaciteit van 75.000 ton.

Voor het shredderafval bestaat er een mismatching dat dit misschien nog in die wervelbedoven terecht kan komen. Dat zou een betere zaak zijn dan het storten, maar er is ook een recuperatietraject uitgestippeld voor dat shredderafval. Zolang we niet duidelijk weten hoeveel we kunnen recuperen en hoeveel er thermisch gevaloriseerd moet worden, is dit een onwezenlijke discussie. Vanaf het begin van de legislatuur werd dit fameuze argument van het shredderafval aangehaald. Wanneer zullen we eindelijk zicht hebben op wat we exact kunnen doen met dat shredderafval, zodat er beslissingen kunnen worden genomen over de vergelijking tussen brandbaar aanbod en verwerkingscapaciteit en er eventueel een moratorium kan worden afgekondigd?

Mijnheer Martens, u hebt me daarnet rechtstreeks aangesproken over dat moratorium. Voor alle duidelijkheid, ik pleit voor een mogelijkheid voor een moratorium op verbrandingscapaciteit. Het gaat dus niet over ovens. Het zou immers kunnen dat men ovens sluit en bij bouwt die qua energiestandaard en andere standaarden beter presteren. Ik neem trouwens aan dat uw systeem over verhandelbare verbrandingsrechten iets vergelijkbaars wil bereiken.

Meer nog, als we echt werk maken van een duurzaam materialenbeheer, moeten we een pad van capaciteitsvermindering uitstippelen. We moeten minder verbranden, omdat energierecuperatie beter is, maar het verbranden staat nog altijd een paar trappen lager in de fameuze Ladder van Lansink dan preventie, recuperatie enzovoort.

Plan C is een mooi voorbeeld van duurzaam materialenbeheer ondersteunen in de praktijk. Er is blijkbaar een hele discussie geweest: gaan we dat invoeren onder een structuur van eigen vermogen of iets anders? Uiteindelijk heeft men voor de goedkope oplossing gekozen, namelijk het samenwerkingsverband.

Minister, als we het echte Plan C – niet het Plan C van de theoretische discussies, maar het deel dat onder andere praktijkexperimenten zal invoeren – niet ondersteunen, dan dreigt het duurzaam materialenbeheer een flop te worden. We moeten die experimenten uitvoeren, maar daarvoor moeten ook middelen worden vrijgemaakt. Je hoort van industriële partners die betrokken zijn bij Plan C, dat ze het niet meer zien zitten om erbij betrokken te worden omdat er geen middelen worden vrijgemaakt. Er gebeurt veel te weinig in de praktijk, men vreest voor een praatbarak. Als die vrees bestaat bij de industrie omdat de overheid Plan C onvoldoende wil ondersteunen, dan zijn we niet goed bezig met duurzaam materialenbeheer.

Minister, dit is een gemiste kans. Ik kan enkel hopen dat in de vorm van het samenwerkingsverband Plan C toch nog een degelijke ondersteuning krijgt, maar ik heb daarvan niets gevonden in de begroting. Misschien kunt u nu iets meer vertellen over hoe u dat zult doen. In elk geval is de industrie op dit moment niet gemotiveerd om in zo’n Plan C voort te werken. (Applaus bij Groen!)

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, iedereen, ook vanuit de oppositie, heeft aangegeven dat dit Materialendecreet een belangrijke stap is. Het is niet enkel het uitvoeren van wat de Europese kaderrichtlijn Afval als verplichting oplegt. In Vlaanderen moeten we de omschakeling maken van afvalbeleid naar duurzaam materialenbeheer.

Het is juist dat het een kaderdecreet is en dat nog heel wat moet worden uitgevoerd. Het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA) komt eraan, maar we hebben ook de preventieprogramma’s en de uitvoeringsplannen. Er is een duidelijke afspraak gemaakt dat de Vlaamse Regering samen met het parlement daar voldoende inzicht en inspraak in zullen geven.

Er was een vraag over de verwerkingscapaciteit. In de commissie was daarover al een debat. Ik heb daar uitdrukkelijk gezegd dat er op dit moment geen overcapaciteit is. Vraag en aanbod zijn in evenwicht. Ik heb ook gezegd dat als er nieuwe aanvragen moeten worden beoordeeld, ik daar rekening mee zou houden omdat het belangrijk is dat er in het kader van het duurzaam materialenbeheer geen overcapaciteit wordt gecreëerd.

Mijnheer Martens, als er nieuwe aanvragen komen voor de vervanging van bestaande installaties, hebben we enkele criteria waarmee we rekening zullen houden. Energierecuperatie, transport, ligging, milieu-impact, uitstoot en het ontwijken van monopolies zullen doorslaggevend zijn.

De heer Sanctorum had een vraag over het shredderafval. Momenteel wordt nog 220.000 ton shredderafval gestort. Er is een heffing ingevoerd. Het is de bedoeling om tegen 2015 alle shredderafval niet langer te storten maar te verwerken.

Mevrouw De Vroe vroeg of de industrie voldoende tijd krijgt om zich aan te passen. Er is in een overgangsperiode voorzien. Zowel in VLAREMA – de opvolger van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) – als in de preventieprogramma’s wordt daarmee voldoende rekening gehouden. Ik kom daar in de commissie nog op terug.

Er waren vragen over het economische instrumentarium dat moet worden ontwikkeld. Ik heb me daartoe verbonden. In de resolutie zijn belangrijke aanzetten daartoe opgenomen, en wij zullen daarmee aan de slag gaan. Zo denken wij onder meer aan recyclagecertificaten, heffingen en subsidies.

De heer Sanctorum had het over Plan C. U hebt gelijk: wij moeten ervoor zorgen dat het werkt. Wij kozen voor een samenwerkingsverband – niet zozeer omdat wij dat de beste optie vinden, maar omdat de overheid nogal voorzichtig is met het creëren van nieuw eigen vermogen. Wij willen de overheid immers wat afslanken. Uit een gesprek dat ik gisteren met de mensen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) had, heb ik begrepen dat daaraan wordt gewerkt. Er is nog wat drempelvrees, maar de verschillende betrokken departementen nemen hun verantwoordelijkheid. Het is essentieel dat bedrijven durven innoveren en durven inzetten op nieuwe procedés en de ontwikkeling van nieuwe producten. Op die manier zorgt het decreet voor een stap vooruit in de omgang met materialen, het sluiten van de materiaalkringloop en de omgang met schaarse grondstoffen, maar ook voor economische troeven.

Het is een kaderdecreet. Veel moet nog worden geconcretiseerd. Vanaf deze week worden er per provincie infosessies georganiseerd om uit te leggen hoe alles in zijn werk gaat. Ik dank alvast iedereen voor de constructieve tussenkomsten hier en in de commissie. Mede dankzij de inbreng van het parlement zullen wij een sterk materialenbeleid kunnen voeren.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2010-11, nr. 1233/4)

– De artikelen 1 tot en met 17 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement op artikel 18. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2010-11, nr. 1233/5)

De heer Sanctorum heeft het woord.

Hermes Sanctorum-Vandevoorde

Voorzitter, minister, collega’s, het amendement is in de commissie ingediend. Het gaat over de mogelijkheid om een moratorium in te voeren.

De voorzitter

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen 19 tot en met 86 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemmingen over het ontwerp van decreet en de voorstellen van resolutie houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.