U bent hier

De voorzitter

Dames en heren, aan de orde is het actualiteitsdebat over het beleid ten aanzien van probleemjongeren op school.

Het debat is geopend.

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, vandaag trok het katholiek onderwijs aan de alarmbel in verband met onschoolbare jongeren. We zijn hen daar zeer dankbaar voor. Het is een problematiek die wij al een aantal keren hebben aangebracht en besproken in de commissie, bij de begrotingsbesprekingen, door middel van vragen, in de plenaire vergadering. Maar doordat de krant er nu zoveel aandacht aan besteedt en Mieke Van Hecke nu echt aan de alarmbel trekt, hebben we eindelijk nog eens de gelegenheid om het ook hier nog eens over die groep van zogenaamde onschoolbare jongeren te hebben.

‘Onschoolbare jongeren’ is op zich een vreselijke term. Het gaat over een zeer kleine harde kern van jongeren met zeer problematisch gedrag, die zeer waarschijnlijk de school vroegtijdig zullen verlaten, die weinig kansen hebben op een job en die veel kans hebben om op latere leeftijd in de criminaliteit terecht te komen. Ik vind het dan ook zeer terecht dat hiervoor aan de alarmbel wordt getrokken. We mogen die jongeren vooral niet laten schieten. Ik heb het gevoel, minister, dat we dat vandaag wel doen.

Het toeval wil dat ik net een schriftelijke vraag had ingediend over die 2475 leerlingen die definitief van school worden uitgesloten. Het antwoord dat ik op die schriftelijke vraag heb gekregen, minister, was toch wel frappant. Het antwoord luidde dat 300 van die leerlingen ouder waren dan 18 en niet meer leerplichtig. Probleem opgelost? Helemaal niet, want we weten niet wat er met die jongeren van achttien gebeurt. De kans is groot dat zij ongekwalificeerd zijn uitgestroomd en dat we die 300 jongeren verloren zijn.

Het grootste deel, 1450 jongeren, komt in de zogenaamde carrousel terecht, waar ook Mieke van Hecke het over heeft. Dat wil zeggen dat ze naar een ander school gaan – sommigen wisselen in hun hele schoolcarrière tot zes keer toe van school – maar geen specifieke begeleiding krijgen. De kans is groot dat de jongeren hun tijd uitzitten, geregeld spijbelen, een aantal tuchtprocedures aan hun broek krijgen en dat ze zo voortkabbelen tot ze 18 zijn, om dan de school te verlaten, waarschijnlijk ook zonder diploma, en dat ook zij de weg naar de arbeidsmarkt niet vinden.

Van nog eens 200 leerlingen, zo luidde het antwoord op mijn schriftelijke vraag, weten we niets. Die vinden we niet meer terug. Die zijn niet geregistreerd. In het antwoord op mijn schriftelijke vraag stond er dat die jongeren misschien verhuisd zijn naar Wallonië of Marokko. Dat lijkt mij een optimistische analyse. Dat is misschien in het beste geval zo en misschien hopen we daarop, maar naar alle waarschijnlijkheid zijn velen van hen ergens in de illegale arbeid verzeild geraakt, of nog erger.

377 jongeren van die 2475 uitgesloten jongeren komen in het deeltijds onderwijs terecht. Zij worden begeleid en krijgen een individueel ontwikkelingstraject. Ze krijgen een tweede kans. Minister, 377 van 2475 jongeren is echter nog geen zesde, is nog geen 15 procent waar we effectief iets mee doen.

In Oudenaarde is er ook een afdeling van De Werf, een van de organisaties die die persoonlijke ontwikkelingstrajecten aanbiedt, de jongeren individueel begeleid, hen met hun problemen leert omgaan, hen klaarmaakt voor de arbeidsmarkt, die hen vooral positieve ervaringen laat opdoen en hen inprent dat ze wel degelijk iets kunnen. Ik heb die leerlingen uit Oudenaarde bezig gezien. Ik heb gezien hoe ze zelf hun onderkomen, waar ze voor die projecten terechtkunnen, renoveren. Ik heb hen bezig gezien bij de opening van hun eigen kunstproject, een tentoonstelling. Ze dienden zelf hapjes op. Dat zijn geen verloren jongeren, maar jongeren die die tweede kans hebben aangegrepen. Zij straalden omdat ze ergens terechtkunnen. Minister, helaas geven we die kans slechts aan 15 procent.

De uitspraak van de heer Guy Tegenbos in De Standaard vandaag frappeerde mij. Hij zegt dat hij huivert van de term ‘verwijderen’. Hij vindt het terecht dat we die jongeren uit de school verwijderen, omdat ze voor problemen kunnen zorgen. Hij stelt echter dat we ze niet uit ons onderwijs mogen verwijderen. Ik vind dat een heel belangrijke uitspraak.

De voorzitter

Mevrouw Deckx heeft het woord.

Kathleen Deckx

Mevrouw Meuleman, het frappeert mij dat u zegt dat er enkel gewerkt wordt met jongeren die in persoonlijke ontwikkelingstrajecten zitten. Mevrouw Meuleman, elke school doet elke dag haar uiterste best om met alle leerlingen om te gaan en om hen alles te leren wat ze nodig hebben. U reduceert dat nu tot die enkelingen die in die trajecten zitten. U doet daarmee het complete onderwijssysteem heel veel oneer aan. Ik kan getuigen hoeveel inzet er elke dag in alle scholen, en in het bijzonder daar waar het niet altijd gemakkelijk is, wordt geleverd. Ik wil u vragen daar niet uit te concluderen dat daar geen goede resultaten worden geboekt. U zou wel eens versteld kunnen staan.

Maar, mevrouw Deckx, dat doe ik helemaal niet. Ik heb het over de 2100 van die 2500 jongeren die we niet meer terugvinden. Zij zijn verdwenen en komen nergens terecht. Geen haar op mijn hoofd denkt eraan te zeggen dat de leerkrachten vandaag hun best niet doen of dat de maatschappelijke problemen voor hen niet zwaar om dragen zijn. Ik heb het hier over de harde kern, de zware groep jongeren, waar we ook een oplossing voor moeten vinden. Dat gebeurt vandaag te weinig.

Er zijn voldoende ethische redenen om die heel problematische jongeren een tweede kans te geven. Er kunnen verder ook zeer duidelijke economische redenen worden ingeroepen. Vorige week stond in De Morgen te lezen dat een jeugdgevangenis per jongere 12.000 euro per maand kost. De kans dat die jongere hervalt, is twee op drie binnen de zes maanden. 90 procent hervalt binnen de vijf jaar.

Er werd mij verteld dat men met de persoonlijke ontwikkelingsprojecten voor datzelfde geld tien jongeren kan helpen. De kans dat men nadien hervalt, ligt daarbij een pak lager.

Minister, we moeten het systeem dringend uitbreiden. We moeten preventief werken vanaf de kleuterklas. We moeten ook werk maken van de hervorming van het secundair onderwijs, zodat de uitstroom wordt verminderd. Als end-of-pipe maatregel, mevrouw Deckx, moet ook het systeem van de POT-projecten worden uitgebreid naar het volledige secundair onderwijs. Op die manier kunnen veel meer jongeren op die manier worden opgevangen zodat ze niet verloren zijn voor de maatschappij. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Gerda Van Steenberge

Voorzitter, minister, collega’s, ik had een tekst voorbereid, maar daar ga ik me niet aan houden want dan is er te weinig debat.

De problematiek is al geschetst door mevrouw Meuleman. Mevrouw Meuleman, het gaat hier over een harde kern probleemjongeren die niet een tweede kans verdienen, want die hebben die tweede kans al lang gekregen. Het zijn jongeren die al een tiende kans krijgen en waarvan men echt niet meer weet waaraan of waaraf.

Minister, de problematiek is niet nieuw. Ook het begrip onschoolbare jongere is niet nieuw. Mieke Van Hecke heeft dat zes maanden geleden ook al een aangehaald. Op basis daarvan werden toen ook enkele actuele vagen gesteld. Wat wel nieuw is, minister, is de uitspraak van Mieke Van Hecke zelf. Tot op heden heeft zij nooit gezegd dat die kinderen uit de school moeten worden verwijderd. Alleen al die uitspraak van Mieke Van Hecke heeft me ertoe aangezet om een vraag te stellen, want het gaat veel dieper dan wat het op het eerste gezicht lijkt.

Minister, u hebt in mei gezegd naar aanleiding van onder andere een vraag van mevrouw Pehlivan over definitieve uitsluiting in het secundair onderwijs, dat u die problematiek samen met minister Vandeurzen moet aanpakken. Uiteraard, want we hebben de Commissie Jeugdzorg gehad waarbij daaromtrent aanbevelingen zijn geformuleerd. U hebt toen gezegd dat u voor het einde van het schooljaar alles in kaart zou brengen en registreren. U zou ook een gesprek hebben met Mieke Van Hecke.

Ik vroeg me vanmorgen af: hoe zou dat gesprek verlopen zijn? Als Mieke Van Hecke zoiets zegt, moet het haar wel hoog zitten. Ofwel hebt u op haar gewerkt als een rode lap op een stier en is zij kwaad en was dat gesprek absoluut niet goed. Ofwel was dat een aangenaam gesprek en komen de resultaten die u had voorgespiegeld, er niet. Ik denk dat het tweede het geval is, minister, want de scholen worden in de kou gelaten. Zij kunnen de problematiek niet aan en ondertussen registreert u, samen met minister Vandeurzen. Vanmorgen zei u op de radio: wij gaan alles registreren. Dan denk ik: registreren? U blijft registreren? U schat dat er zo’n 500 à 1000 van dergelijke jongeren zijn. (Opmerkingen van minister Pascal Smet)

Het Nieuwsblad heeft u zo geciteerd: wij gaan registreren.

De voorzitter

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Ik heb nooit registreren gezegd. Ik weet nog wel wat ik zeg. Ik heb een ruwe schatting gemaakt. Ik heb gezegd dat ik met mijn collega een inventaris heb gemaakt. Over registreren heb ik niet gesproken. Ik heb wel gezegd dat die cijfers niet worden bijgehouden per school, dat klopt. Maar ik heb registratie niet als oplossing naar voren geschoven.

Gerda Van Steenberge

Inventaris dan. U bent dan een notarisklerk die inventarissen opmaakt. U bent echter wel de minister van Onderwijs, die eindelijk actie moet ondernemen. Er zijn verschillende mogelijkheden. Er wordt altijd gezegd dat er persoonlijke trajecten moeten worden gevolgd, time-outprojecten. Ik heb ook de indruk dat Mieke Van Hecke zegt dat al het gepamper en de persoonlijke trajecten tot nu toe nog maar weinig zoden aan de dijk hebben gebracht, zeker bij deze specifieke kern. We hebben hier te maken met jongeren die al in het arbeidscircuit zitten, want ze rijden graag rond met een BMW, ze willen opscheppen en uitpakken bij hun leeftijdsgenoten en ze vinden onderwijs maar belachelijk.

We moeten dus eens goed nadenken wat we met deze jongeren willen. De vraag is toen gesteld, onder andere door de heer De Meyer en de heer Bouckaert, of we niet eens moeten nadenken over de vraag of leerplicht tot 18 jaar wel voor iedereen goed is. Het zijn die jongeren die in het arbeidscircuit willen terechtkomen, die op 16 jaar al iets willen verdienen, die niet alleen schoolmoe zijn maar ook studeermoe. Dat zijn immers twee verschillende zaken, minister. Degenen die schoolmoe zijn en niet studeermoe, kunnen we in het onderwijs houden, maar wie studeermoe is, niet.

Daarnaast is er de responsabilisering van die jongeren. Het wordt wel eens tijd dat ze beseffen dat ze een hoge kostprijs betekenen voor de maatschappij, niet alleen voor zichzelf. De financiële kostprijs voor de maatschappij is enorm. Die trajecten kosten enorm veel. Er wordt nu gevraagd naar nieuwe trajecten, maar ik vraag me af, minister, waar u dat geld zult halen. Er is momenteel geen geld om dat te doen. Wij pleiten ook niet voor een verdere persoonlijke begeleiding van die jongeren die al een achtste kans hebben gekregen.

Waarom niet ook eens overwegen, minister, als er dan toch leerplicht is tot 18 jaar, om die jongeren uit de laatste jaren een soort van burgerplicht – legerdienst bestaat niet meer – op te leggen, zodat ze hun verantwoordelijkheid tegenover de maatschappij kunnen tonen?

Een derde voorstel heb ik ook al gedaan in de commissie. De Gentse directeur die zijn betoog doet in De Standaard, zegt dat alles begint met spijbelen en een antispijbelplan. Hij zegt: “Toen wij begonnen zijn te dreigen met de schooltoelage af te nemen, is het aantal halve dagen afwezigheid van 4000 gereduceerd tot 1500. Dreigen met geld af te nemen, is effectief.”

Iedereen zegt dat we ouders moeten responsabiliseren. In Nederland en Frankrijk zijn ondertussen wetsvoorstellen goedgekeurd om het kindergeld van de ouders die geen vat meer hebben op hun kinderen, af te nemen. Minister, het wordt tijd dat de maatschappij haar verantwoordelijkheid opneemt, in plaats van te pamperen. We moeten dringend maatregelen nemen ten goede van alle kinderen, want zij zijn tenslotte ook het slachtoffer in die scholen en zij worden meegesleurd in een neerwaartse spiraal. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Deckx heeft het woord.

Kathleen Deckx

Voorzitter, ministers, collega’s, deze morgen las ik een krantenkop: “Het katholiek onderwijs vraagt speciale opvang voor onschoolbare jongeren. Hun aanpak gaat de draagkracht van gewone scholen te boven.”

Het eerste wat ik me afvroeg, was wie nu eigenlijk onschoolbare jongeren zijn. Ik zou die term heel snel willen verlaten, want het lijkt erop dat we met die term de hoop en de kansen voor die jongeren opgeven. Dat mogen we absoluut niet doen.

Letterlijk stond er: “Het gaat hier in de meeste gevallen over 14- en 15-jarige allochtonen.” Gaan we die verwijderen uit onze scholen? Is dat vandaag de vraag? Die jongeren zitten midden in hun puberteit. Met elk van die jongeren zullen er wel problemen zijn. Ze hebben dan ook nog een cultuurverschil, waar ze elke dag mee te kampen hebben.

Speciale opvang, wil dat zeggen: verwijderen uit de scholen, aparte groepen maken voor jongeren met probleemgedrag? Ik kan me daar niet echt in vinden, maar ik weet uit ervaring dat er inderdaad een bepaalde groep jongeren is waar het heel moeilijk mee gaat, en waar we extra aandacht aan moeten geven.

Minister, bij mijn aantreden in dit parlement heb ik gezegd dat er jongeren zijn in het secundair onderwijs die het absoluut niet meer zien zitten in het onderwijs dat we hen aanbieden, die niet kunnen stilzitten, die geen aandacht hebben voor wat er aan het bord wordt verteld. We moeten andere systemen ontwikkelen voor hen. Minister, u hebt dat in gedachten gehouden, want u hebt intussen een voorstel gedaan om het secundair onderwijs te hervormen. Ik hoop dat dit de nodige resultaten zal opleveren.

Gerda Van Steenberge

Mevrouw Deckx, hebben wij het wel over dezelfde probleemjongeren? U maakt de vergelijking tussen kinderen die moeilijk kunnen stilzitten en naar een schoolbord kijken, en jongeren die scholen en hun medeleerlingen terroriseren, die niet alleen in, maar ook buiten de school crimineel gedrag vertonen. Durft u die twee te vergelijken? (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Voorzitter, ik wil even iets kwijt; mevrouw Stevens zal straks voor onze fractie uitvoeriger spreken.

Ik denk niet direct aan clichématige gegevens over allochtonen versus de anderen. Probleemjongeren zijn van alle tijden. Ze creëren een slechte sfeer. Ook in mijn tijd bestond dat. Er werden toen ook al jongeren van school gestuurd, ze deden dan ongeveer elke school van de stad. Dat is de thematiek. Dat komt misschien vooral in bepaalde milieus voor.

Wat mevrouw Van Hecke naar voren heeft geschoven, is inderdaad belangrijk. Het gaat niet op om de jongere zomaar in een andere school in te schrijven. Dat vergt een gefundeerde aanpak. Er moeten oplossingen komen. Het zijn geen jongeren die even de pedalen kwijt zijn. Ik ken er wel, het zijn niet alleen jongeren van allochtone afkomst, ook autochtone. Er moet een gepast antwoord komen, de clichés voorbij.

Kathleen Deckx

Mijnheer Van Dijck, mevrouw Van Steenberge, in de krant staat wel degelijk en letterlijk: “Veelal betreft het allochtone jongens van 14, 15 jaar.” Ik heb dat niet verzonnen, het... (Opmerkingen bij het Vlaams Belang)

Ik vind het niet correct dat dit op deze manier gebeurt. Er zijn uiteraard twee verschillende groepen. Precies daarom is het woord ‘onschoolbaar’ ongelooflijk ongelukkig gekozen!

Gerda Van Steenberge

Mevrouw Deckx, ik heb het woord allochtoon nooit uitgesproken. Lees het verslag er maar op na. Mij maakt het niet uit. Het gaat over probleemjongeren. We moeten durven zeggen dat er probleemjongeren zijn. Is dat vooral bij allochtonen het geval, het weze zo. Het zijn anderen die het zeggen. Als u het probleem blijft ontkennen, kunt u geen oplossing bieden.

Kathleen Deckx

We gaan geen problemen ontkennen, mevrouw Van Steenberge. Als u me laat uitspreken, zal ik daar onmiddellijk toe komen.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer

Mevrouw Deckx, u zit niet op dezelfde golflengte als uw minister.

Ik heb ervaring in de onderwijswereld. Ik ben het met u eens dat we geen zwart-wit beeld mogen schetsen. We vermijden het best uitstootgedrag van de scholen. We mogen echter niet blind zijn voor – excuseer me voor het zware woord – de jongeren die nood hebben aan heropvoeding. Jammer genoeg beschikt het onderwijs van vandaag niet over de mensen noch over de middelen om dat altijd binnen het onderwijs aan te pakken. In het belang van deze jongeren en hun klasgenoten, en in het belang van de samenleving kiezen we het best voor andere oplossingen, we kunnen die jongeren het best weren uit de klas.

De voorzitter

De heer Bouckaert heeft het woord.

Boudewijn Bouckaert

Voorzitter, ik weet natuurlijk niet wat mevrouw Deckx nog allemaal gaat vertellen. Ik heb wel al vastgesteld dat ze zichzelf al behoorlijk heeft tegengesproken. Ze zegt dat er geen onschoolbare jongeren zijn. Dat is een woord dat ze niet verdraagt. Maar ze geeft wel een goede definitie van de term onschoolbaar. Het zijn jongeren die door hun attitude en gedrag niet passen in de hedendaagse bestaande onderwijsvormen. Dat is ook wat mevrouw Van Hecke zegt. Daar spreekt u zichzelf tegen, mevrouw Deckx.

Mijnheer Van Dijck, we mogen het probleem niet banaliseren door te zeggen dat het van alle tijden is. In de stadsscholen stellen we een verslechtering vast. Dat heeft volgens mij te maken met de verlenging van de leerplicht. Het heeft ook te maken met culturele verschillen. Ik benadruk dat het niet gaat over alle allochtone jogneren; de meeste allochtone jongeren gedragen zich behoorlijk, zonder enig probleem. De allochtone jongeren zijn in de probleemgroep jammer genoeg wel disproportioneel vertegenwoordigd. Dat houdt onder meer verband met een culturele factor, namelijk het gebrek aan discipline binnen bepaalde allochtone gezinnen. Dat moet worden aangepakt, dat is niet eenvoudig. Ik zou u dan ook aanraden het probleem niet te onderschatten.

De voorzitter

De heer Decaluwe heeft het woord.

Carl Decaluwe

Het is ongewoon dat ik over onderwijs iets zeg. Qua wetgeving ken ik er werkelijk niets van. Ik heb hier met aandacht geluisterd en deze ochtend mevrouw Van Hecke en de minister gehoord op de radio. Ik heb veel familieleden in het onderwijs, die alle dagen in de praktijk zitten.

Mevrouw Deckx, ik heb het gevoel dat u dit bekijkt vanuit een hoofdzakelijk theoretische invalshoek. Ik geef een voorbeeld uit de harde realiteit. Stel dat een nieuwe leerling, die al voor de vijfde keer in twee jaar tijd van school moet veranderen, wordt binnengebracht in een moeilijke klas in het bso, met weinig leerlingen die Nederlands spreken, en de klas op stelten zet. Probeer daarmee dan als leerkracht maar eens om te gaan! Als de sfeer in een klas van 25 leerlingen volledig keert in enkele dagen, kun je als leerkracht doen wat je wilt, maar dan is het ‘foutu’. (Applaus bij het Vlaams Belang en van de heer Boudewijn Bouckaert)

Ik was het volledig eens met wat u zei deze ochtend, minister. Men mag die jongeren niet uitstoten. Er moeten formules komen om die jongeren er misschien even uit te nemen, opnieuw kansen te geven en weer te integreren. Dat moeten we realiseren, want de leerkrachten worden het moe om elke dag te knokken. Er moeten oplossingen komen. Dat is aan de onderwijs- en welzijnspecialisten. Uit getuigenissen weet ik dat de problemen jaar na jaar toenemen in de praktijk.

De voorzitter

Mevrouw Turan heeft het woord.

Güler Turan

Het is ook niet mijn gewoonte om mij te mengen in het debat over onderwijs, maar ik heb de eer gehad om vandaag een groep jongeren uit Antwerpen toe te spreken. Het ging over gelijke kansen, mogelijkheden in onderwijs en tewerkstelling achteraf.

Mijnheer Bouckaert, als ik u hoor praten, kan ik mijn woede en verbazing niet onder stoelen of banken steken. Ik dacht dat u een professor was en beter wist dan te zeggen dat bepaalde jongeren wegens hun culturele achtergrond niet meekunnen. Schaam u voor dergelijke uitspraken! Het gaat over het bieden van gelijke kansen aan mensen die eventueel in slechtere socio-economische omstandigheden verkeren. U kunt de mogelijkheden die een kind van een professor krijgt, niet vergelijken met die van een kind dat het product is van een migratie waarvoor het niet zelf heeft gekozen. U moest u schamen voor uw vooroordelen en stigmatiserende uitspraken! (Rumoer. Applaus bij Groen!)

Boudewijn Bouckaert

Uw belachelijke ‘emoshow’ raakt kant noch wal, mevrouw Turan. U weet dat er onderzoek is naar culturele factoren van allerlei gedrag, van crimineel gedrag, maar ook van gedrag in de school. Een van de grote problemen, en dat is daarom niet de schuld van die jongeren, is het gebrek aan discipline voor de jongvolwassenen in allochtone gezinnen. Bij de meeste niet, maar bij vele wel. Dat moet u niet onder de mat vegen. Het onderzoek van Marion Van San is daarover heel duidelijk. Maar als het onderzoek niet overeenstemt met de politiek correcte visies van de salonsocialisten, is het geen goed onderzoek en wordt de betrokkene gecensureerd! (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Pehlivan heeft het woord.

Fatma Pehlivan

Ik vind het ons mandaat niet waardig dat we op dit niveau een debat voeren over een probleem dat in onze samenleving bestaat. Mijnheer Bouckaert, u zegt dat het een cultureel probleem is. Dat betekent dat de kinderen in het land van herkomst allemaal criminelen zijn. In Turkije zou er veel meer criminaliteit zijn. (Opmerkingen. Rumoer)

U hebt gezegd dat het te maken heeft met een culturele achtergrond en dat het een cultureel probleem is. Het gaat om kinderen die hier geboren zijn en die van de derde of vierde generatie zijn. Het heeft met het systeem te maken, het systeem dat nog altijd bepaalde groepen in onze samenleving uitsluit. Daaraan moeten we werken.

Het probleem begint al in de kleuterklas. Als ze 15 of 16 jaar oud zijn, is het te laat. Ik kan begrijpen dat mevrouw Van Hecke aan de alarmbel trekt, maar ik kan niet begrijpen dat ze vraagt dat die jongeren uit het onderwijs gesloten worden. Integendeel, we moeten daar net wel in investeren.

De voorzitter

De heer Wienen heeft het woord.

Wim Wienen

Ik stel in alle rust en sereniteit vast dat mevrouw Turan een beetje een tribunespeler is en zich in dit debat plotseling aansluit. Ik heb ook gezien dat de mensen die u ontvangen hebt, nu op de publiekstribune zitten.

Ik vind het leuk dat u zich in dit debat wil profileren, maar wij zijn allebei gemeenteraadslid in Antwerpen. We weten ook dat op dat vlak de problematiek in de scholen in Antwerpen jaar na jaar groter wordt. We weten ook in welke bevolkingsgroepen we die probleemjongeren moeten zoeken. U steekt nu een verhaaltje af van ‘het is ongehoord wat de heer Bouckaert zegt’ en ‘ik ben geschokt’, maar we weten beter. In Antwerpen hebben we het allemaal gezien. We kennen dat. U moet dus niet doen alsof. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Demesmaeker heeft het woord.

Mark Demesmaeker

Collega’s, ik neem normaal gezien ook het woord in onderwijsdebatten, maar ik heb in een ver verleden nog les gegeven, zelfs in het beroepsonderwijs. Als lokaal bestuurder kan ik ook vanuit de eigen praktijk spreken.

Ik sluit me volledig aan bij wat de heer Decaluwe zegt. Hij zegt dat er projecten moeten komen waar leerlingen desnoods uit de klas worden gehaald en begeleid. Dergelijke mogelijkheden bestaan al. In Halle hebben we een time-outproject in samenspraak met de verschillende scholen. Dat loopt goed. Probleemjongeren worden tijdelijk uit de klas gehaald. Ze worden gedurende een aantal weken intensief begeleid. Er wordt hen een gedragswijziging en attitudewijziging bijgebracht met als doel hen terug te laten aansluiten bij de school. De scholen zijn ons hier heel dankbaar voor. Als ik me niet vergis, is er financiering van de Vlaamse overheid met middelen van het flankerend onderwijsbeleid, zijn er middelen uit het Impulsfonds voor het Migrantenbeleid, zijn er middelen van de provincie Vlaams-Brabant en van de stad Halle.

Die systemen werken zeer goed en kunnen misschien als voorbeeld dienen voor de rest van Vlaanderen.

Güler Turan

Laat me duidelijk zijn: ik zeg niet dat er geen problemen zijn. In een stad als Antwerpen veruitwendigen ze zich erg. Als er geen probleem was geweest, dan hadden we dit vandaag hier ook niet besproken.

Er is een probleem, maar men moet de oorzaak ervan duidelijker definiëren. De heer Bouckaert heeft in zijn repliek al meer genuanceerd: bij ‘sommigen’ en dergelijke meer. Als u zegt dat bepaalde achterstanden of leerproblemen enkel veroorzaakt worden door bepaalde culturele achtergronden, dan verzet ik mij daartegen. Het gaat niet om culturen: het gaat om sociaal-economische omstandigheden en kansen die men biedt aan bepaalde jongeren en aan alle jongeren.

Ik wil het debat even rationaliseren. Een debat over onderwijs heeft nogal de neiging om anekdotisch of emotioneel te worden.

Ik wil ingaan op wat de heer Demesmaeker heeft gezegd. Het gaat daar inderdaad over. Er zijn time-outprojecten voor die groep jongeren die er ongetwijfeld is. Er zijn korte of lange time-outprojecten. Korte projecten beslaan enkele dagen, lange projecten beslaan hooguit enkele weken. Dat is onvoldoende. Er zijn ook POT-trajecten die onbeperkt zijn in tijd waardoor men jongeren langer en intensiever kan begeleiden. Het probleem is dat die trajecten er enkel zijn voor jongeren die al uit het voltijds onderwijs zijn uitgesloten. Die lacune in het beleid kaart ik aan. Ik pleit voor een oplossing die verder gaat dan vandaag kan. Laat het ons daarover hebben.

Ik wou nog een bemerking meegeven. Laat ons in deze discussie niet het proces van groepen maken, maar dat van de individuele leerling, van de individuele scholier die in de fout gaat, want die moet aangepakt worden. Of die leerling een allochtone dan wel een autochtone afkomst heeft, dat doet er voor mij niet toe. Het is de persoon in kwestie die het probleem is, want hij of zij verziekt het schoolklimaat. De school is nog altijd een lerende omgeving, het is niet zomaar een kinderopvang, en dus moeten we die personen aanpakken, al dan niet met time-outprojecten. Ik kijk uit naar het antwoord van de minister ter zake.

De voorzitter

Mevrouw De Knop heeft het woord.

Irina De Knop

Voorzitter, minister, ik ben behoorlijk verontwaardigd over het feit dat bepaalde fracties telkens opnieuw een onderwerp aangrijpen om het gevoerde migratie- en integratiebeleid telkens weer ter discussie te stellen. (Opmerkingen van het Vlaams Belang)

Ik sluit me heel graag aan bij de woorden van de heer Van Dijck. Het is inderdaad zo dat we de problemen niet moeten ontkennen, uiteraard niet, maar ik sluit me heel graag aan bij de mensen die ervoor pleiten om de problemen op een individuele manier te bekijken en om ook te bekijken wat de achtergrond van die jongeren is en hun thuissituatie.

Ik wil graag even terugkeren naar de inhoud, naar wat mevrouw Meuleman en de heer Demesmaeker zeggen. Er zijn inderdaad al heel wat projecten die zich bevinden op de grens van Onderwijs en Welzijn. Ze bestaan al vele jaren, maar potverdorie, ze slagen er niet in om de fundamentele maatschappelijke problemen en de fundamentele sociale ongelijkheid bij de wortel aan te pakken.

Ministers, we moeten ons de vraag durven te stellen of wat we vandaag doen voldoende is, of het doortastend genoeg is. Misschien moet u wat minder naar elkaar kijken en wat meer samen doen, want dat is de kern van deze discussie.

De voorzitter

De heer Tack heeft het woord.

Erik Tack

Voorzitter, na een nogal emotioneel debat, wil ik in alle rust twee korte opmerkingen maken.

De heer Van Dijck stelt dat dit probleem er al altijd is, dat er niets nieuws onder de zon is. Ik wil hem daarin volledig tegenspreken. Ik ben een stukje ouder dan hij en ook in mijn tijd waren er al moeilijk opvoedbare kinderen, maar ze gedroegen zich tenminste niet als criminelen. Ze hadden het misschien moeilijk om naar school te gaan, ze spijbelden wat, ze pestten hun leraars een beetje en maakten hun het leven een beetje zuur, maar daar bleef het bij.

Nu kampen we met andere problemen. Ik bekijk de kwestie nu even vanuit mijn andere activiteit. Dertig en twintig jaar geleden werd ik daar als huisarts niet mee geconfronteerd, de laatste jaren des te meer. Ik verneem ook van mijn collega’s dat er steeds meer leraars zijn, ook ervaren leraars, die zich op hun ongemak voelen wanneer ze naar de school moeten gaan, die met schrik naar school gaan, die nachtmerries hebben, die zelfs met zelfmoordgedachten rondlopen omdat ze weten dat er kinderen zijn in hun klas met wapens en omdat ze bedreigd worden. Als de leraars niet langer naar de school durven te gaan, zitten we met een ander probleem. Het zijn niet de leraars die uit de school moeten worden verwijderd, maar de leerlingen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Jos De Meyer

Voor de duidelijkheid van het debat wil ik een kleine vraag stellen aan mevrouw Turan.

Mevrouw Turan, zijn u en uw fractie het eens met wat minister Smet deze morgen in de media heeft verklaard? Hij heeft gezegd dat het voor sommige probleemjongeren tijdelijk noodzakelijk is om hen uit de school te verwijderen, en dat om zowel de jongeren als de klas te helpen.

Onze fractie staat achter deze verklaring van minister Smet, maar op basis van wat ik tot nu gehoord heb, heb ik de indruk dat de sp.a-fractie er minder achter staat.

Kathleen Deckx

Ik heb daarnet een krantenartikel geciteerd en ik heb gezegd dat die jonge mensen dikwijls ook nog af te rekenen hebben met culturele verschillen. Dat is iets helemaal anders.

Ik spreek niet vanuit de theorie. Ik heb namelijk lang les gegeven aan tso- en bso-jongeren. Ik weet dan ook heel goed wat er zich in een klas afspeelt en kan afspelen. Ik weet ook dat er een groot verschil is van school tot school, van methodes die worden gehanteerd en resultaten die daarmee worden geboekt. Het zou goed zijn indien scholen die ervaringen, best practices, zouden kunnen uitwisselen.

Ik ontken niet dat er probleemjongeren zijn die een bepaald gedrag vertonen waarbij een lessituatie onmogelijk wordt gemaakt. Ik zou ze echter niet onschoolbaar willen noemen, want die term past absoluut niet in dit gegeven.

Het is goed dat het secundair onderwijs wordt aangepast. Er moeten wijzigingen gebeuren om ervoor te zorgen dat alle jongeren in dat kader zich thuis voelen. Ik wil ook verwijzen naar de opvoedsituaties van sommige jongeren. Wij richten ons meteen tot de scholen maar ik vraag me af wat hierin het aandeel is van het domein Welzijn. In Nederland is het niet gepast dat een jongere zomaar van de school wordt verwijderd. Die voert daar samen met zijn ouders gesprekken. Dat gebeurt hier ook maar niet systematisch. Het lijkt me heel belangrijk dat er ook vanuit Welzijn ondersteuning en begeleiding komt, en dat jongeren en ouders op hun verantwoordelijkheid worden gewezen. Dat lijkt me onontbeerlijk.

Ik ontken niet dat sommige leerlingen de draagkracht van de school te boven gaan. Dat is zo. Of verwijderen dan een goede oplossing is, kan ik niet inschatten. Ik wil dan ook aan de ministers vragen welke oplossingen zij voorstellen. We kennen de time-outprojecten en de persoonlijke ontwikkelingstrajecten. Ik vraag me af of daar nadien nog een gevolg aan gebreid wordt.

Ik hoop dat het decreet betreffende het inschrijvingsrecht dat we hier enkele weken geleden hebben goedgekeurd, het begin is van een goede oplossing. Ik blijf immers geloven in de sociale mix in scholen. Dat zal heel wat problemen in de samenleving kunnen opvangen.

De voorzitter

De heer Crombez heeft het woord.

John Crombez

Mijnheer De Meyer, u vroeg wat het standpunt is van mijn fractie over het al dan niet tijdelijk verwijderen van probleemjongeren uit klassen. Met alle respect voor u, mijnheer De Meyer, vind ik dit een onvoorstelbare vraag.

We hebben in dit parlement een hele periode op een goede manier gediscussieerd over probleemjongeren. Daarbij kwamen heel wat facetten aan bod: opvoeding, welzijn, onderwijs en ruimtelijke ordening. Tijdens al die discussies in de commissie en in de plenaire vergadering was dit precies wat mijn fractie daarover heeft gezegd. Mevrouw Meuleman heeft gelijk wanneer ze zegt dat het gaat over de manier waarop een school kan omgaan met het tijdelijk, op korte of lange termijn, verwijderen van de school van jongeren wanneer de situatie te problematisch wordt. We hebben daar maanden geleden al voor gepleit en ook nu nog. Ook de minister heeft dat vanmorgen gedaan. Ik begrijp dan ook uw vraag niet over iets waar wij altijd heel duidelijk over geweest zijn.

Wat u misschien moeilijk begrijpt, is dat wij er niet mee akkoord gaan, en dat sluit aan bij wat de heer Van Dijck zei, dat er een getal wordt geplakt op een aantal jongeren, ongeacht of dat er nu 2600 zijn of minder, die allemaal gelijk zouden zijn. Zij worden door sommigen hier als criminelen bestempeld. Het gaat echter over jongeren met elk een andere problematiek die elk op een verschillende manier kunnen worden geholpen. De ‘onschoolbaren’ is in die zin een bizarre term omdat het lijkt alsof men die hele groep jongeren zomaar opgeeft omdat zij ooit eens zijn bestempeld als problematisch of moeilijk of omdat ze ooit criminele feiten hebben gepleegd. Die manier van de zaken te bekijken is een van de oorzaken van het feit waarom het vandaag en ook al langer dan vandaag heel erg fout gaat met onze jeugdzorg.

Jos De Meyer

Met alle respect en appreciatie, maar de heer Crombez verplicht me om kort te reageren. Mijnheer Crombez, qua inhoud ben ik het eens met wat u zegt. U mag het me echter hoegenaamd niet kwalijk nemen dat ik, na het begin van het betoog van mevrouw Deckx en zeker de emotionele reactie van mevrouw Turan te hebben beluisterd, meende dat er sprake was van een duidelijk andere teneur dan die van de minister. Dat lijkt me heel duidelijk te zijn voor iedereen van dit plenum.

De voorzitter

De heer Van Hauthem heeft het woord.

Joris Van Hauthem

Mijnheer Crombez, ik begrijp het op den duur niet meer. In dit debat wordt het verwijt nu blijkbaar gericht aan de boodschapper, aan mevrouw Van Hecke. Zij heeft het blijkbaar allemaal verkeerd ingeschat. Ze krijgt net niet het verwijt een racist te zijn. Daar komt het zo ongeveer op neer.

Er bestaan inderdaad maatregelen, zoals time-out en zo, om kinderen en jongeren tijdelijk uit klassen te halen. Wie mevrouw Van Hecke in dit parlement heeft gekend – en de meesten onder ons hebben haar hier gekend –, beseft toch wel dat zij niet bepaald de conservatieve rechtervleugel van haar partij vertegenwoordigde, integendeel. Als nu zelfs zij aan de alarmbel trekt, dan betekent dit dat de nu al bestaande maatregelen blijkbaar compleet onvoldoende zijn.

Zij is het hoofd van het grootste onderwijsnet in Vlaanderen. Ik vind het compleet ongepast dat men nu begint te schieten op de boodschapper. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Stevens heeft het woord.

Helga Stevens

Voorzitter, ministers, geachte leden, er is al heel wat besproken vandaag. Het ging over moeilijke en onschoolbare jongeren. We laten die vele termen even voor wat ze zijn.

De topvrouw van het katholiek onderwijs, Mieke Van Hecke, trekt vandaag aan de alarmbel. Ze vraagt een speciale opvang voor onschoolbare jongeren, jongeren die niet functioneren op school en steeds van school moeten veranderen. Dat fenomeen doet zich overal in Vlaanderen voor, maar toch vooral in grote steden. Ze stellen de draagkracht van de school zwaar op de proef en sleuren vaak ook beïnvloedbare jongeren mee. Deze jongeren belanden in een carrousel, waarbij ze van de ene school naar de andere school verhuizen tot ze de leeftijd bereiken waarop de leerplicht wordt beëindigd. Het gaat vaak om jongens die door het watervaleffect in het beroepsonderwijs eindigen. Ze beginnen in het aso, komen dan in een lager niveau terecht en eindigen in het bso, waar ze de sfeer volledig verpesten. Het is hier al gezegd: enkele jongeren kunnen echt een hele klas volledig op haar kop zetten. Dat is voor niemand aangenaam, niet voor de lastige jongere, die vaak ook zelf slachtoffer is, maar vooral ook niet voor de andere leerlingen in de klas. Zij worden mee het slachtoffer. Dat mogen we niet aanvaarden. Bovendien zijn ook de leerkrachten het slachtoffer, door het escaleren van deze klassituaties.

Er moet dus iets gebeuren. Wie zijn nu die jongeren? Helaas gaat het vaak – maar niet altijd, dat zeg ik er duidelijk bij – over jongeren met een allochtone achtergrond, die onderweg een taal- en leerachterstand hebben opgelopen. Ze komen immers vaak uit een milieu waar men het nut van de school blijkbaar niet meteen inziet. Anderen functioneren niet in een gewone schoolomgeving. De minister schat dat er in Vlaanderen 500 à 1000 van dergelijke jongeren zijn. Als we die jongeren niet willen opgeven, dan moeten we er een prioriteit van maken, aldus mevrouw Van Hecke. Ik kan haar daar volledig in volgen.

Volgens mevrouw Van Hecke moeten er, ergens tussen onderwijs, welzijnswerk en stedelijk beleid in, speciale begeleidingsinitiatieven komen. Die initiatieven moeten goed worden omkaderd. De deskundigen, de buurtwerkers en de interculturele werkers zullen, gekoppeld aan mensen in het onderwijs, voor de begeleiding moeten instaan.

De begeleiding zal zeer arbeidsintensief zijn en moet de jongeren op het gewone onderwijs of op de arbeidsmarkt voorbereiden. Die keuze moeten we nu maken. We mogen die jongeren absoluut niet opgeven.

Het is een positieve zaak dat het probleem alvast wordt erkend. In een eerste reactie heeft minister Smet al laten weten dat hij het huidige opvangaanbod in kaart zal brengen. Dat is een eerste stap. Het gaat immers om jongeren die schoolmoe zijn en die sociaal onaangepast gedrag hebben ontwikkeld. Om opnieuw in de school of op de arbeidsmarkt terecht te kunnen, moeten die jongeren zo snel mogelijk een aangepaste begeleiding krijgen. Voor de meest extreme gevallen is een verder doorgedreven aanpak vereist.

We vinden trouwens ook dat de verantwoordelijkheid bij de ouders moet worden gelegd. Ik wil zeker niet alle ouders over een kam scheren. Het is echter duidelijk dat bepaalde ouders blijkbaar het belang van een goede opvoeding, een goede opleiding of een goede schoolcultuur niet inzien. Ze vinden het blijkbaar zelfs niet belangrijk Nederlands te spreken. Dit lijkt me de enige verklaring voor de taalachterstand van die jongeren. Hoewel het meestal om een combinatie van factoren gaat, is de thuisomgeving altijd zeer belangrijk. Dit geldt zeker voor de taalontwikkeling.

We moeten voor ogen houden dat een school in de eerste plaats een leeromgeving en geen kinderopvang is. Een school kan al die problemen niet alleen oplossen. We moeten bereid zijn om deze lastige of onschoolbare jongeren samen met de scholen te ondersteunen en weer op het rechte pad te brengen.

Minister, in feite zijn mijn vragen zowel tot de minister van Welzijn als tot de minister van Onderwijs gericht. Deze problematiek is van groot belang. Wat zult u in de toekomst doen om dit probleem verder aan te pakken? Hebt u hierover al onderling overleg gepleegd? Zo ja, wat is het resultaat van dat overleg? Zo neen, wanneer hebt u een dergelijk overleg gepland? Dit probleem moet prioritair worden behandeld. Iedere jongere die ontspoort en die geen diploma ontvangt, is er eentje te veel.

Ik denk aan het belang van deze jongeren voor de toekomst. We hebben iedereen nodig. Ik dank u nu reeds voor uw antwoord op al mijn vragen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen

Voorzitter, er is al heel wat gezegd. Ik heb de indruk dat niet iedereen die het over de onschoolbare jongeren in Vlaanderen heeft, dezelfde groep voor ogen heeft. Mij is het alvast duidelijk geworden dat ons onderwijs er momenteel niet in slaagt alle jongeren die op school verschijnen een gepast antwoord te bieden.

Sommige mensen hebben het over onschoolbare jongeren. Het gaat hier om jongeren die we in het gewoon en in het buitengewoon onderwijs aantreffen. Deze situatie bestaat niet enkel in de grootsteden. Ook op het platteland worden we geconfronteerd met jongeren waar het onderwijs momenteel geen gepast antwoord op heeft.

Leerkrachten en directies doen vandaag inderdaad, zoals een aantal collega’s het hier al hebben gezegd, ontzettend veel inspanningen om op zoek te gaan naar gepaste antwoorden, om na te gaan hoe het onderwijs op de beste manier kan begeleiden. Maar zij moeten vaststellen dat de onderwijskunde niet de juiste methode is om het antwoord te bieden. Wij hebben al time-outprojecten mogelijk gemaakt en die hebben al mooie resultaten opgeleverd. Maar wij moeten ook vaststellen dat de vraag veel groter is dan wat wij vandaag mogelijk maken. Wij moeten nadenken over de manier waarop we die time-outprojecten structureel kunnen verankeren in de werking. Wij hebben inderdaad persoonlijke ontwikkelingstrajecten, voortrajecten, brugtrajecten. Maar ook daar stellen we vast dat we binnen het zeer strakke kader van x aantal weken of maanden moeten werken. Die regeling is niet flexibel genoeg om gepaste antwoorden te bieden.

Wij hebben in dit parlement nog niet zo lang geleden in de Commissie Jeugdzorg heel interessante input gekregen van sprekers. Wij kregen er meteen te horen dat wij meer moeten inzetten op preventie, dat wij moeten nadenken over de strakke regeling die wij in Vlaanderen hebben uitgewerkt, en dat die regeling ook in het onderwijs te weinig flexibel is om aan de slag te kunnen met jongeren die het zeer moeilijk hebben. In de commissie Onderwijs hebben wij op dit moment ook een heel interessante input, nu het gaat over de hervorming van het secundair onderwijs. Wij hebben de neiging om ervan uit te gaan dat het onderwijs alles kan opvangen en alles kan oplossen. Wij moeten dat ook vandaag opnieuw onder de aandacht brengen: onderwijskunde biedt enorme mogelijkheden maar heeft ook grenzen. Die methodieken en didactieken kunnen niet alles opvangen. Ik vond het heel interessant om in de commissie te horen over de voorwaarden die vervuld moeten zijn bij kinderen opdat er een vorm van leren mogelijk zou zijn. Wij gaan ervan uit dat onderwijs zich aan deze voorwaarden kan onttrekken. Dit is helaas niet zo. Als er onvoldoende welbevinden is, als er een ongezonde emotionele basis is bij kinderen, als er geen betrokkenheid is bij het leren, als er geen verbondenheid is met de leerling en als er geen leerinstelling is, dan is onderwijs, ondanks alle inspanningen van de leerkrachten, niet mogelijk. Wij moeten dat onder ogen durven te zien.

Wij hebben, zowel vanuit de Commissie Jeugdzorg als nu in het kader van de hervorming van het secundair onderwijs heel duidelijk te horen gekregen dat wij moeten zoeken naar een werkbaarder model voor het onderwijs, in samenwerking met Welzijn, maar ook met alle ouders, met de vrijetijdssector en de vormingssector. De overheid moet ook op dat vlak zoeken naar een juist kader.

Ik wil tot slot aan de ministers vragen welke initiatieven zij in de toekomst zullen nemen, zeker gelet op de beslissingen die de Vlaamse overheid al heeft genomen. In het kader van het VN-verdrag hebben wij beslist dat iedereen recht heeft op onderwijs. Vandaag stellen wij echter vast dat niet alle leerlingen aan de voorwaarden voldoen om onderwijsbaar te zijn. Wij hebben andere methoden nodig om met deze jongeren aan de slag te gaan. Die methode is niet de didactiek van de onderwijskunde. Wij stellen vast dat het vormingswerk en de hulpverlening wel de methodieken hebben om met deze jongeren vooruitgang te boeken. Welke initiatieven zullen de ministers nemen op basis van alle informatie die wij hebben en de tekorten die wij op het terrein vaststellen? (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Sannen heeft het woord.

Ludo Sannen

Voorzitter, collega's, ik ben het eigenlijk met u eens. Toch voel ik me wat ongemakkelijk bij uw uitspraak dat onderwijs niet voor iedereen mogelijk is. Ik denk dat u bedoelt dat ons onderwijssysteem niet voor bepaalde jongeren geschikt is, hoe hard en hoe goed men ook probeert. Ik blijf wel geloven dat ander onderwijs – onderwijs in een andere omgeving, met een andere structuur, methode en middelen – het instrument is om ook die jongeren vooruit te helpen.

Ik wil ook even reageren op wat de heer Van Hauthem heeft gezegd. De woorden van mevrouw Van Hecke sierden haar. Zij verwoordde een probleem. Natuurlijk is het zo dat die jongeren voor de scholen een probleem vormen. Maar zij deed dat volgens mij vanuit een bewogenheid voor die jongeren zelf. Het kan niet dat wij een onderwijssysteem hebben waarin een aantal jongeren niet passen en scholen hen van de ene school naar de andere doorschuiven. Dat hypothekeert eigenlijk hun recht op onderwijs. In de woorden van mevrouw Van Hecke hoorde ik de vraag naar nieuwe structuren, een andere aanpak en een andere organisatie, die jongeren misschien wel kan opvangen. In haar woorden weerklonk het geloof dat die jongeren wel degelijk onderwijs kunnen krijgen, zich kunnen ontwikkelen en een weg naar de arbeidsmarkt kunnen vinden.

Kathleen Helsen

Vandaag stellen wij vast dat die jongeren op de school weinig kunnen komen doen. Wij moeten nadenken over de oorzaken. Het wetenschappelijk onderzoek van professor Ferre Laevers wijst uit dat wij er niet mogen van uitgaan dat iedereen die school loopt, ook onderwijsbaar is. Daartoe moeten een aantal voorwaarden worden vervuld, en niet alle jongeren voldoen eraan. Dat betekent dat het geen zin heeft om wat dan ook te ondernemen in het kader van het bestaande onderwijssysteem. Wij moeten er eerst voor zorgen dat de voorwaarden op onderwijsbaarheid worden vervuld. Het heeft geen zin om jongeren die niet klaar zijn voor onderwijs, opnieuw een vorm onderwijs aan te bieden. Het heeft geen zin een andere vorm van onderwijs te zoeken als de voorwaarden om onderwijs te kunnen volgen, niet zijn vervuld. Maar u hebt natuurlijk wel volledig gelijk dat wij alle inspanningen moeten leveren opdat zo veel mogelijk kinderen alle dagen van hun recht op onderwijs kunnen genieten en een leerproces kunnen ontwikkelen.

Ludo Sannen

Ik ben het eigenlijk met u eens. Wij moeten nagaan wat er moet gebeuren opdat er beterschap voor die jongeren komt. Ik blijf wel vasthouden aan het geloof dat jongeren en mensen kunnen evolueren en verbeteren. En dat leek in uw uiteenzetting een beetje te ontbreken.

De voorzitter

Mevrouw Vogels heeft het woord.

Mieke Vogels

Voorzitter, collega's, er worden voortdurend nieuwe woorden gemaakt. Nu hebben we het zelfs over ‘onderwijsbare’ jongeren. Dat bezorgt mij koude rillingen, mevrouw Helsen. Ik erken dat het probleem dat mevrouw Van Hecke aankaart, een realiteit is. Ik vind evenwel dat met het gebruik van woorden als ‘onderwijsbaar’ het onderwijs zelf een beetje te snel de handdoek in de ring gooit en naar welzijn en buurtwerk kijkt om een oplossing aan te reiken. Misschien moeten we welzijn en buurtwerk een beetje in de school halen, bijvoorbeeld via de breedteschool. Misschien is het ook zo dat het onderwijs een aantal jongeren kweekt die op de duur ‘ononderwijsbaar’ zijn, om het in uw woorden te zeggen.

Ik bedoel daarmee, collega’s, dat het probleem veeleer in de lagere school zit. Op dit moment zijn er steeds meer kansarme kinderen die twee tot drie jaar achterstand hebben in het lager onderwijs. Die hebben geen enkele succeservaring gehad als ze op 14 jaar overstappen naar het beroepsonderwijs. Zij zeggen op hun veertiende dat school niets voor hen is en dat ze daar niets te zoeken hebben. En inderdaad, dan worden zij moeilijk en lastig.

Ga je daarmee alle problemen oplossen? Neen, maar laat ons alstublieft ook eens binnen het onderwijs – niet via time-out enzovoort, maar veel vroeger, in de kleuter- en lagere school –nieuwe onderwijsmethodieken zoeken om jongeren als het ware bij de les te houden, te motiveren en succeservaringen te geven, en hun duidelijk te maken dat ze ook talenten hebben en iets kunnen in onze samenleving. Laat ons daar toch ook even over nadenken.

Kathleen Helsen

Mevrouw Vogels, ik heb heel duidelijk gezegd dat wij veel meer moeten inzetten op preventie. We moeten daar inderdaad oog voor hebben, maar we komen vandaag in onderwijs in contact met jongeren voor wie het helaas te laat is, bij wie preventie niet aan de orde is. Ook voor hen moeten we op zoek gaan naar gepaste antwoorden.

Gerda Van Steenberge

Ik hoor hier ongelooflijke dingen. De oorzaken van die probleemjongeren liggen nu al bij het onderwijs. Ik vind het ongelooflijk dat u dat durft te zeggen, mevrouw Vogels. We moeten goed beseffen dat het hier gaat over ruw geschat 500 probleemjongeren, op een totaal van 400.000 leerlingen in het secundair onderwijs op wie die structuur en dat onderwijssysteem wel perfect toepasbaar zijn. En dan zegt u, mijnheer Sannen, dat we ons onderwijssysteem en de structuren misschien eens moeten herbekijken.

Mevrouw Helsen, u zegt dat als de voorwaarden niet vervuld zijn, kinderen niet onderwijsbaar zijn. Maar er zijn ook leerlingen – die groep van 500 – die recht hebben op onderwijs en die misschien ook voldoen aan die voorwaarden, maar die dat recht op onderwijs gewoon niet meer willen uitoefenen. Die willen niet meer op school zitten. Zij hebben daar echt geen zin meer in. Moet dan de hele onderwijsstructuur worden aangepast voor jongeren die er niet meer willen thuishoren? Wat wilt u precies doen met die jongeren?

Uw collega De Meyer heeft een voorstel gelanceerd, en ik stond erachter. Denk toch eens na over die leerplicht tot achttien jaar. Het zijn net die jongeren die zich op zestien jaar afvragen wat ze nog op die school zitten te doen en die niet meer willen studeren. Denk daar gewoon eens over na. Daarvoor hoeft toch niet onze hele onderwijsstructuur te worden omgevormd?

Mieke Vogels

Die extreem moeilijke jongeren die we nu in het vizier hebben, vormen het topje van de ijsberg. Van de kansarme kinderen die het Nederlands niet als thuistaal hebben, studeert 55 procent af zonder diploma, mevrouw Van Steenberge. Dat wil zeggen dat er ergens in onze opleiding iets fout loopt met betrekking tot gelijke kansen. Als we daar niets aan doen, zijn we met onze eigen toekomst aan het spelen.

Als we niets doen aan de groeiende groep van anderstalige kinderen, die kansarm zijn in ons onderwijs, zal de volgende generatie jongeren minder hoogopgeleid zijn dan de huidige generatie. Het gaat dus niet alleen over dat groepje extreem moeilijke kinderen. Onder dat topje zit een totale groep van jongeren die hun weg niet vinden in ons onderwijs, die zonder diploma afstuderen en die moeilijkheden zullen hebben op de arbeidsmarkt. (Opmerkingen van mevrouw Gerda Van Steenberge)

De voorzitter

Mevrouw Pehlivan heeft het woord.

Fatma Pehlivan

Mevrouw Helsen, tijdens de hoorzittingen hebben verschillende sprekers gezegd dat niet alleen het secundair onderwijs moet worden hervormd, maar dat we veel lager moeten beginnen, namelijk in het kleuter- en lager onderwijs, want daar begint het mee. Ik verwijs naar de cijfers van het Steunpunt Leerrecht- en Leerplichtbegeleiding in Gent. Ook Sint-Niklaas heeft vandaag aan de alarmbel getrokken in De Morgen. Uit die cijfers blijkt dat het aantal spijbelaars constant stijgt, zelfs in het lager onderwijs.

U spreekt over 14- en 15-jarigen, maar dat is al te laat. We moeten veeleer het kleuter- en lager onderwijs aanpakken. Dan zullen we dat aantal van 500 onhandelbare of niet-onderwijsbare jongeren misschien kunnen terugbrengen tot 5 of 10, ook al is het misschien wat naïef om dat te zeggen.

We moeten zeer sterk inzetten op het kleuter- en lager onderwijs en vervolgens het secundair onderwijs. (Opmerkingen bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Sabine Poleyn

Voorzitter, ik heb nog een drietal opmerkingen.

We hebben tijdens de hoorzittingen in het kader van de hervorming van het secundair onderwijs duidelijk vernomen dat het resultaat van die hervorming moet zijn dat het systeem motiverend is voor elke leerling en dat die zo ver mogelijk geraakt met zijn talenten.

Ik denk dat mevrouw Helsen, wat de specifieke kleine groep jongeren betreft, verwees naar de studies van Michael Fullan. Hij stelt dat onderwijs pas effectief is wanneer aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Het past niet dat je bepaalde jongeren ‘ononderwijsbaar’ noemt. Wanneer is onderwijs effectief? Volgens onze fractie – en volgens mij volgens de meerderheid van de parlementsleden – gaat het erom dat we jongeren niet mogen opgeven. De overheid, het Departement Onderwijs en Welzijn, moet bekijken hoe we op maat een gepast beleid kunnen bieden om de kansen die in de jongeren zitten, eruit te halen zodat we hun een goede start van hun volwassen leven kunnen bieden.

De voorzitter

De heer Delva heeft het woord.

Paul Delva

Het debat neemt een vreemde wending. We spreken vandaag over jongeren die soms onhandelbaar zijn op school en crimineel gedrag vertonen. Uit bekommernis voor die jongeren moeten we op zoek gaan naar de redenen voor dat gedrag en de wijzen waarop we hen kunnen opvangen. Het is vandaag niet de bedoeling om over ons onderwijssysteem as such te debatteren. We kunnen dat doen, maar het is niet de eerste bedoeling.

Het is de bedoeling dat we proberen de kleine kerngroep van 500 à 1000 kinderen, die volledig verkeerd aan het handelen zijn, bij de hand te nemen, al dan niet door het verwijderen van de school, en ze toch nog een bepaalde toekomst te bieden.

Ik wil liever daarover spreken dan het proces te maken van een onderwijssysteem dat echt zijn best doet om de kinderen toch nog op het rechte pad te krijgen.

Kathleen Helsen

Mevrouw Van Steenberge, uw voorstel verrast mij. U vraagt zich af waarom we de leerplicht die er tot 18 jaar is, niet herbekijken als antwoord op de problemen die zich aandienen.

Uw fractie wijst iedereen steeds op de plichten in de samenleving. En u wilt die jongeren dan ontslaan van hun leerplicht. Ik vind het juist onze sterkte dat jongeren de plicht hebben om zich aan te bieden op school. Op die manier hebben wij de mogelijkheid om wel nog aan de slag te gaan. Wij geven deze jongeren niet op. U doet dat wel. (Applaus bij CD&V)

Gerda Van Steenberge

Mevrouw Helsen, binnen uw fractie leven er dan toch verschillende meningen. Dat kunt u nalezen in het verslag van 5 mei.

De voorzitter

Mevrouw De Knop heeft het woord.

Irina De Knop

Voorzitter, minister, collega’s, ik zal hier en daar in herhaling vallen, maar ik vind het onderwerp belangrijk genoeg om ook de visie van Open Vld kracht bij te zetten.

Scholen en steden hebben het steeds moeilijker met een harde kern van leerlingen. De katholieke onderwijskoepel vraagt daarvoor specifieke proefprojecten. Mevrouw Van Hecke zegt: “Het opvangen vergt te veel energie. Het gaat hun draagkracht te boven.” Verder zegt ze: “Het gaat om jongeren die onaangepast zijn in vele betekenissen, die niet functioneren op school.” Ze gaan zo van school naar school, het is een echte carrousel.

De problematiek die zij aankaart, kunnen we vanuit Open Vld erkennen. Er zijn inderdaad steeds meer jongeren die zich om verschillende redenen niet meer kunnen vinden op school en hardnekkig gaan spijbelen of gedrag vertonen dat de grenzen van de wet overschrijdt en daardoor het leven op school voor henzelf en voor anderen zuur maken.

Het is nog maar de vraag of die jongeren ‘onschoolbaar’ zijn. De oplossing die mevrouw Van Hecke naar voren schuift, doet mij en mijn fractie ernstige vragen stellen over het beleid dat we tot op heden hebben gevoerd, binnen onderwijs maar ook binnen welzijn. Haar pleidooi om sommige jongeren voor een bepaalde tijd uit de school te houden, kan ik volgen, maar om te zeggen dat die zogenaamde ‘onschoolbaren’ weg moeten uit het onderwijs, baart ons grote zorgen.

Ik moet zeggen dat ik bijzonder verrast was over het debat dat zich hier heeft ontsponnen. Ik ben misschien naïef maar ik dacht altijd dat het logisch is om te werken op maat van het individu. Wat is het beste voor de leerling? Wat ik hier heb gehoord, is een welles-nietesspelletje over wie het had moeten doen, Onderwijs of Welzijn. Het is bijna een boksmatch tussen sp.a en CD&V geworden. Dat vind ik bijzonder jammer, want dat is ten koste van die jongeren.

Vandaag is er misschien een harde kern van een 500 tot 1000 jongeren. Als Onderwijs en Welzijn geen manier vinden om met die steeds grotere groep ongekwalificeerde jongeren om te gaan, dan vrees ik dat we als maatschappij de komende jaren nog heel veel jongeren gaan verliezen. De echte inzet van de noodkreet van mevrouw Van Hecke moet dan ook zijn: hoe kunnen we het tij keren? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat binnen Onderwijs of binnen Welzijn de juiste oplossingen worden gevonden, op maat van die specifieke jongeren? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat we niet zo veel jongeren verliezen? Na alles wat ik de voorbije maanden in het parlement al heb gehoord, denk ik de Vlaamse overheid en de Vlaamse Regering absoluut tekort schieten, alle bijzondere commissies ten spijt.

De voorzitter

De heer Wienen heeft het woord.

Wim Wienen

Ik hoor mevrouw De Knop dat verhaal over onderwijs op maat van het individu nu al verschillende keren vertellen. Ik zou wel eens willen weten wat dat is, onderwijs op maat van het individu, dus voor elke individuele leerling een aangepast onderwijs. Het onderwijs bij ons is toch geen 3 Suissescatalogus. Het lijkt me ook praktisch onhaalbaar om dat er van te maken, en nog onwenselijk ook.

Irina De Knop

Mijnheer Wienen, u maakt er absoluut een karikatuur van. Ik pleit er niet voor dat er voor iedere jongere een andere vorm van onderwijs zou zijn. Ik pleit er wel voor dat jongeren die thuis ernstige problemen hebben of die een bepaald problematisch gedrag vertonen, op de juiste manier zouden worden begeleid en niet dat we die allemaal op hetzelfde hoopje gooien, zoals u maar al te graag doet.

Wim Wienen

Dit ergert mij. Als mensen zich niet willen houden aan de normen en waarden van onze samenleving, aan de normen en waarden van ons onderwijs, aan de plichten van ons onderwijs en aan de doelstellingen daarvan, zwaar over de schreef gaan, crimineel gedrag vertonen, gewapend naar school komen, stel ik altijd vast – meestal bij de meerderheid maar nu hoor ik het ook in het betoog van Open Vld – dat die dan moeten worden beloond. Die moeten een extra begeleidingstraject krijgen. Er moeten meer eieren onder gelegd worden. Dat kan er bij mij niet in. Dat is mijn ergernis.

Irina De Knop

Ik denk niet dat we kinderen die 13 of 14 jaar zijn, mogen opgeven. Dat betekent ook niet dat we hen zomaar over het hoofdje moeten aaien en zeggen: kom, doe maar verder zoals je bezig bent. Natuurlijk niet! Maar mensen opgeven als ze 13 of 14 jaar zijn, daar pas ik voor.

Er bestaan vandaag al heel veel projecten die absoluut tot doel hebben dat jongeren die zich niet gedragen op school op een juiste manier worden benaderd. Denk aan time-out, de centra voor deeltijds onderwijs, de deeltijdse vorming, de brugprojecten, de oriënteringsprojecten.

Gerda Van Steenberge

Mevrouw De Knop, welke fractie heeft hier gepleit om die jongeren op te geven? Wie heeft in dit halfrond de zin in zijn mond genomen: wij moeten die jongeren opgeven?

Irina De Knop

Als u stelt dat we die jongeren van 15 jaar van de school moeten halen en geen onderwijs meer moet geven? Dat heb ik toch gehoord?

Gerda Van Steenberge

Ik heb gezegd – ook aan CD&V – dat we misschien eens moeten overwegen of de leerplicht wel tot 18 jaar moet. Dat is toch niet die jongeren opgeven?

Irina De Knop

Dat is misschien een interessant debat, maar eerlijk gezegd denk ik niet dat het de oplossing zal zijn van dit probleem.

Ludo Sannen

Als je de leerplicht verlaagt, wat ga je daarna dan met die jongeren doen? Wat moeten die dan doen als ze 16 jaar zijn? Ze hebben geen vorming, geen school, geen diploma, geen aansluiting op de arbeidsmarkt. Wat doe je dan met hen? Het is juist belangrijk dat er een leerplicht is tot 18 zodat we hen op een of andere manier weten te begeleiden in een juist traject. U geeft ze wel op. U gooit ze de straat op.

Gerda Van Steenberge

Geven de andere Europese landen, waar ook geen leerplicht is tot 18 jaar, maar wel tot 16 of 17 jaar, hun jongeren op? Die hebben toch ook andere systemen. Nu we toch alles aan het hervormen zijn, kunnen we het daar misschien ook eens over hebben.

Ludo Sannen

We kunnen hen in een opleidingssysteem van deeltijds onderwijs stoppen en hen op de werkvloer laten leren. Je kunt vandaag lessen en vorming krijgen op de werkvloer. Je kunt op leercontract gaan. Al die systemen passen in onze leerplicht tot 18 jaar. We hebben al systemen, misschien moeten we er nog andere vinden. Nu zegt u dat het vanaf 16 jaar onze verantwoordelijkheid niet meer is, terwijl ik zeg dat het tot 18 jaar de verantwoordelijkheid is en hun plicht is om een contract te sluiten over vorming en opleiding.

Irina De Knop

Vandaag bestaan er inderdaad al heel veel projecten. Moeten we, zoals mevrouw Van Hecke stelt, almaar meer projecten uitvinden en proefprojecten opstarten, die opnieuw handenvol geld kosten, maar er finaal voor zorgen dat de middelen worden versnipperd? We kunnen beter eens heel goed evalueren wat er vandaag al bestaat aan projecten. Ik denk aan de time-outprojecten, de persoonlijke ontwikkelingstrajecten enzovoort. Misschien moeten we eens nadenken of we die projecten voldoende financieren om er resultaten mee te boeken. Slagen ze er wel in om hun doelstellingen te bereiken?

Minister, onze fractie heeft u al enkele keren gevraagd hoe het staat met het vernieuwd antispijbelplan. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat er heel veel correlaties zijn tussen onverantwoord gedrag op school, schooluitval en ongekwalificeerde uitstroom. Ik pleit ervoor, minister, dat u het element van onschoolbare jongeren niet apart aanpakt, maar in het ruimere debat bekijkt van de spijbelende jongeren.

Minister, u belooft ons al sinds 2010 een vernieuwd actieplan. In de commissie van 13 oktober hebt u opnieuw beloofd dat dit plan over enkele weken zal worden voorgelegd aan het Vlaams Parlement. We zijn in blijde verwachting.

Wat mij betreft is het dan ook cruciaal dat u deze jongeren, hoe moeilijk hun gedrag ook is, niet loslaat, maar dat u naar werkwijzen zoekt om hen binnen het onderwijs te houden. Volgens ons zijn er enkele speerpunten. Een: focus op centrumsteden. Twee: laat CLB’s die vandaag al de taak hebben om elke leerling die de school verlaat op een goede manier op te volgen tot hij of zij in een nieuwe school is ingeschreven. Die regel is echter theorie. Zorg ervoor dat de rol van de CLB’s wordt herbekeken, zodat het een instrument wordt voor individuele jongeren. Dan kunnen we op maat van de jongeren nagaan wat voor hen het beste is. Als het het beste is dat ze naar welzijn gaan, en worden doorverwezen naar centra voor bijzondere jeugdzorg, dan moet dat ook kunnen. Vandaag is het probleem dat sommige jongeren van het kastje naar de muur worden gestuurd of niet op een grondige manier worden geholpen.

We moeten er absoluut voor zorgen dat jongeren een nuttig traject krijgen binnen het onderwijs. Daarin verschillen we van mening met het Vlaams Belang. Als ze geen zin meer hebben om elke dag op de schoolbanken en in een klassiek stramien te gaan zitten, dan moeten we misschien eens goed nadenken over hoe we ons deeltijds onderwijs op een andere manier kunnen organiseren, zodat het een onderwijsvorm wordt waar jongeren wat aan hebben. Deze mogelijkheid wordt vandaag onvoldoende onderzocht.

Ten slotte is er ook een belangrijke verantwoordelijkheid voor ouders. Onze partij denkt daarom dat er een mogelijkheid moet zijn om administratieve sancties op te leggen wanneer het echt de spuigaten uitloopt en duidelijk is dat ouders hun rol en taak niet opnemen.

Vandaag is er een veel te versnipperd beleid in de aanpak van jongeren met problematisch gedrag. Het wankelt tussen Onderwijs, Welzijn en Stedenbeleid. Niemand neemt de volledige verantwoordelijkheid voor de jongeren. Dat wil ik aan de kaak stellen. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

De heer Bouckaert heeft het woord.

Boudewijn Bouckaert

Voorzitter, minister, dames en heren, de noodkreet van mevrouw Van Hecke is pertinent en terecht. Schrijnender nog was de getuigenis van Ignace De Baets in De Standaard op pagina 8. De Baets is directeur van Sint-Antonius in de Gentse Holstraat. Dat was vroeger een beroepsschool van uitstekende kwaliteit met 1100 leerlingen. Vanuit de christelijke inspiratie van monseigneur Cardijn werd aan de leerlingen het respect voor de arbeid bijgebracht en meteen ook het zelfrespect voor de arbeider. In Gent was de Holstraat een begrip. Het was een pronkstuk in de volksverheffing die door de christelijke arbeidersbeweging bestendig werd gerealiseerd. Dat was in de periode vóór Arcopar en de kleptocratische neigingen die in de top van die beweging slopen. (Applaus bij het Vlaams Belang. Opmerkingen van de heer Eric Van Rompuy)

Dat was in de ernstige en goede periode, mijnheer Van Rompuy.

De voorzitter

De heer Van Rompuy heeft het woord.

Eric Van Rompuy

Ik vraag dat u die woorden terugtrekt. (Rumoer)

U hebt de lof gezongen van de arbeidersbeweging en Cardijn en eindigt dan met een afschuwelijke uitspraak. (Opmerkingen van de heer Boudewijn Bouckaert)

U toont uw ware gelaat. U toont het ware gelaat van LDD. (Opmerkingen van de heer Boudewijn Bouckaert)

Al wat u nu nog zegt, is ongeloofwaardig.

Boudewijn Bouckaert

Och toe. Dat is een heel flauwe reactie. U mag wel eens erkennen dat er in goede bewegingen decadente verschijnselen optreden. (Opmerkingen van de heer Eric Van Rompuy)

Het getuigenis van directeur De Baets gaat mij als Gentenaar door het hart. Deze school is teruggevallen op een klein aantal leerlingen, wat wijst op de verminderde interesse voor beroeps- en technisch onderwijs, een ander probleem in ons onderwijs. Maar van de vroegere discipline schiet blijkbaar nog weinig over; blijkbaar is er een kleine groep ‘onschoolbaren’, meestal allochtone jongeren, die het leven op de school verpesten en de energie opslorpen van de leerkrachten.

Voor een klassieke sociaaldemocraat zou dit getuigenis een prioritaire bron van zorg moeten zijn, want de slachtoffers van deze situatie zijn niet de autochtone en allochtone middenklassekinderen die naar onze succesvolle athenea, lycea en colleges gaan. Die hebben daar geen last van, maar wel de arbeiderskinderen die in deze scholen zitten. Door de verpesting van de atmosfeer krijgen ze geen deugdelijk onderwijs. Ze proberen een sport hoger op de sociale ladder te komen maar zien die mogelijkheid gedeeltelijk gedwarsboomd door het gebrek aan discipline in de school.

Ik weet dat er naast klassieke sociaaldemocraten ook politiek correcte salonsocialisten bestaan die hun neus optrekken voor deze problematiek en zich er vanaf maken met slogans zoals: er zijn geen onschoolbaren, onschoolbaar is een uitvinding van de leerkrachten, iedereen heeft recht op onderwijs en daarom moeten deze schijnbaar onschoolbaren binnengehouden worden, in het inclusief onderwijs. Dat zijn slogans die mooi klinken in politiek correcte workshops en koffiekransjes, maar op het terrein totaal onwerkbaar zijn. Ik vraag de mensen die dit bestendig uitkramen, om eens naar die scholen te gaan en met die leerkrachten eens te praten over die mogelijkheden en dan pas naar oplossingen te streven. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Fatma Pehlivan

Als socialist voel ik me aangesproken. (Opmerkingen van de heer Boudewijn Bouckaert)

Ik dacht wel dat dat de bedoeling was. U herinnert zich vast dat ik het probleem al twee keer heb aangekaart. Ik vind dat er een probleem is.

De oplossing die wij bieden vanuit onze sociaaldemocratische ideologie en de andere oplossing liggen mijlenver uit elkaar. Dat moeten we hier bespreken. Het maakt niet uit welke culturele achtergrond die jongeren hebben. Niemand ontkent dat er problemen zijn, ook de minister niet, en dat we die moeten aanpakken. Wij moeten discussiëren over de manier waarop we het willen doen. Op dat vlak verschillen we van mening met u en nog andere mensen in de plenaire vergadering.

Ik herinner me een discussie in de commissie over spijbelende jongeren. Toen heeft de minister gezegd dat we niet alles vanuit het onderwijs kunnen oplossen. Mevrouw Helsen heeft daar ook naar verwezen. Dat is terecht. De leerkrachten doen hun best, maar het is alle hens aan dek: ouders, het middenveld, studentenverenigingen enzovoort. Het is een maatschappelijk probleem. We moeten ook vanuit Welzijn ingrijpen. De twee ministers moeten de handen in elkaar slaan en een rode draad brengen in het versnipperde beleid, om veel meer impact te hebben op die groep jongeren.

Boudewijn Bouckaert

Mevrouw Pehlivan, met het laatste deel van uw betoog ben ik het eens. Ik doe ook een oproep tot samenwerking tussen de ministers van Onderwijs, Welzijn en Werk.

Thema’s zoals veiligheid en gebrek aan discipline worden door rechts aangekaart. Een bepaald soort links trekt daarvoor de neus op. Maar het zijn juist problemen die de arbeiders en de sociaal minder welgestelde mensen het meest treffen. Wie wordt het meest getroffen door het gebrek aan veiligheid? De mensen in de armere wijken. Dat heeft mijn collega Hebberecht, criminoloog, zeer goed aangetoond. Het wordt tijd dat de taboes over discipline en veiligheid worden doorbroken.

Fatma Pehlivan

Mijnheer Bouckaert, ik heb u net gezegd dat wij er geen enkel probleem mee hebben om daarover te spreken. Maar uw oplossing en de mijne verschillen.

Boudewijn Bouckaert

Zeg dan niet dat het probleem van de onschoolbaren enkel een probleem van de school is. Het probleem van de onschoolbaren is voor een groot stuk ook het probleem van de onschoolbaren zelf, en dat moeten we ook durven te zeggen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Ludo Sannen

Mijnheer Bouckaert, ik voel me helemaal niet aangesproken door u. Ik hoop dat u het debat hebt gehoord. Ik heb het probleem erkend. Ik heb gezegd dat mevrouw Van Hecke de vinger op een wonde heeft gelegd. Ik ben er ook van overtuigd dat er iets moet gebeuren. Ik ben het met u eens dat sommige jongeren niet in de school kunnen worden opgevangen. In het verleden heb ik naar aanleiding van een ander debat al eens gezegd dat ik vind dat er soms een gebrek aan structuur is in de opvoeding. Ik ben er een voorstander van dat sommige jongeren die niet kunnen functioneren in het onderwijs, misschien als hulp het best in een internaat geplaatst worden. Ik ben voor duidelijke structuren voor jongeren.

Uw goedkope inleiding verwijst naar een sfeer die tien jaar geleden misschien heerste. Ik ben veel meer benieuwd naar de oplossingen. Daarvoor is het debat er. Ik wil echt naar u luisteren, maar uw inleiding vond ik niet relevant.

Boudewijn Bouckaert

Dat is ook mijn zorg niet, hoor, mijnheer Sannen. Wie doof is, blijft het meestal. (Gelach)

Uit de getuigenis van directeur De Baets valt heel wat te putten. Daaruit blijkt, een interessant detail, dat veel van die jongeren die ‘ononderwijsbaar’ zijn en misschien niet passen in de scholen of schoolmoe zijn, niet arbeidsmoe zijn. Veel van die jongeren spijbelen, maar lanterfanten niet op straat en gaan juist werken. Die bestellen pizza’s en pita’s, doen ’s avonds schoonmaakwerk en dergelijke. Ze zijn arbeidsgericht en zijn zo fier als een pauw op hun inkomen. Ze kopen daarmee dan een BMW die ze trots tonen aan hun kameraden die nog op school zitten. Dat vertelt de heer De Baets.

Eigenlijk is dat niet zo negatief. Het bewijst dat die kinderen schoolmoe maar niet arbeidsmoe zijn.

Misschien moet een harde kern van die kinderen wel naar wat genoemd wordt ‘het verbeteringsgesticht’. Onze partij heeft in die zin het voorstel van de bootcamps gelanceerd, instellingen waarbij aan de kinderen structuur en discipline wordt geboden. Ik ben ervan overtuigd dat het maar nodig is voor een heel kleine groep, en dat is iets wat onder Welzijn ressorteert.

Voor de meeste jongeren moet er een betere toeleiding naar arbeid komen. Onderwijs is een investering op langere termijn. Tegen de jongeren zeggen we: “Zit nu stil en pluk er later de vruchten van.” Sommige jongeren kunnen die enorme afstand in tijd tussen de investering en de vruchten van hun investering niet aan. Veel jongeren willen onmiddellijk beloond worden voor hun inspanningen. Voor die jongeren moet er een veel directere toeleiding zijn naar de arbeidswereld.

Daarom moet alles op alles worden gezet om de schoolmoeë jongeren van 16 jaar naar de arbeidswereld te loodsen. Ik pleit er niet voor om de kinderen vanaf 16 jaar aan hun lot over te laten. Het is een demagogische uitdrukking om diegenen die durven te rommelen aan het systeem van leerplicht tot 18 jaar, in diskrediet te brengen. Er moet inderdaad een soort coaching blijven tot 18 jaar, maar moet dat binnen het klassieke onderwijs? Ik verwijs hier naar het systeem in Duitsland waar in samenwerking met de bedrijfswereld, kinderen terechtkomen in een duaal systeem – en duaal is hier geen negatief systeem – waarbij ze dus allemaal hun weg vinden naar de bedrijfswereld. Dat geldt voor 66 procent van de kinderen.

Ik denk dat we in die richting moeten denken voor een hervorming. Bij ons gebeurt net het omgekeerde. In een vraag om uitleg werd erop gewezen dat bijvoorbeeld voor SYNTRA in het systeem van de leercontracten, ideaal voor schoolmoeë kinderen, het aantal deelnemers gedaald is van 7000 naar 3500.

Minister, ik denk dat u dringend moet gaan samen zitten met de minister van Werk, met UNIZO (Unie van Zelfstandige Ondernemers), met Voka (Vlaams netwerk van ondernemingen) om dit aan te kaarten. Ik ben het ook eens met een aantal collega’s uit de commissie, onder andere met mevrouw Deckx, dat de bedrijfswereld ook z’n duit in het zakje moet doen om de integratie van zoveel leerlingen in de arbeidsmarkt te bevorderen.

Ten slotte wil ik zeggen dat u geen hervorming van het secundair onderwijs mag doorduwen waarbij dit probleem nog zou verslechteren. (Applaus bij het Vlaams Belang en LDD)

De voorzitter

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Voorzitter, en dan te weten dat eigenlijk Mieke Van Hecke niets heeft gezegd. Ik zie u kijken, maar dat is wel een beetje wat er is gebeurd.

Er is een aantal maanden geleden een probleem gesteld. We hebben er in de commissie over gedebatteerd. Ik heb intussen mijn collega van Welzijn Jo Vandeurzen op 6 juli gezien om specifiek over dit onderwerp, samen met Mieke Van Hecke, te spreken. Het was een heel aangenaam gesprek waarbij we het over alle aspecten eens waren.

Laat me een aantal dingen zeggen. Ik vind ook dat de term ‘ onschoolbaren’ niet de meest ideale term is. Ik denk dat zelfs Mieke Van Hecke vindt dat het niet de meest ideale term is. Het gaat om bijzonder problematische jongeren die in de gegeven context om allerlei redenen niet op de schoolbanken terechtkunnen. Moet je hen onschoolbaren of ononderwijsbaren noemen? Het zijn zware woorden. Ik denk niet dat we de juiste termen hebben, en het is misschien wel belangrijk om een andere term te vinden. In die zin had mevrouw Deckx gelijk dat deze terminologie niet zo op z’n plaats is. Net zoals ‘verwijderen uit de klas’ ook geen goede uitdrukking is. Ik denk niet dat mevrouw Van Hecke bedoeld heeft dat kinderen moeten worden verwijderd uit de school.

Het beste dat we met zijn allen kunnen doen, in het bijzonder in het onderwijs maar niet alleen daar, is preventief optreden. Voorkomen is beter dan genezen. Preventief optreden betekent dat in de scholen, vanaf het moment dat kinderen 5, 6 jaar zijn en de eerste tekenen van een patroon zichtbaar worden, de onderwijzers en leerkrachten voldoende ondersteund worden om onmiddellijk remediërend op te treden, om desgevallend ouders op hun verantwoordelijkheid te wijzen en om desgevallend door te verwijzen. Opvoeding is nog altijd een verantwoordelijkheid van de ouders, en ik meen dat we in de toekomst tot opvoedingsondersteuning moeten overgaan om te voorkomen dat er meer problemen komen. We moeten dus sneller remediërend optreden.

We hebben nu in ons onderwijs een groep van kinderen die ernstige problemen veroorzaken. Het gaat volgens ruwe schattingen om 500 tot 1000 kinderen, we registreren ze niet. De heer Van Dijck heeft gelijk dat deze problemen zich op lange termijn nog zullen blijven stellen. Wat we moeten doen met de preventieve aanpak, is verhinderen dat de groep exponentieel groeit – ik vertel zo dadelijk hoe we dat willen doen. Wat we ook moeten doen, is ervoor zorgen dat de probleemkinderen van vandaag opnieuw aansluiting vinden bij de maatschappij.

En ik weet dat mevrouw Van Hecke dat heeft bedoeld. Zij heeft willen zeggen dat we het ons als samenleving niet kunnen veroorloven dat we een groep kinderen hebben die om allerlei redenen hun draai in het onderwijs niet vinden en die een bijzonder problematisch gedrag vertonen. We kunnen het ons niet veroorloven, niet voor die kinderen zelf, maar ook niet voor al die andere kinderen in de klas die daar mee het slachtoffer van zijn – mevrouw Stevens merkte dit terecht op –, om de kinderen in kwestie aan hun lot over te laten. We moeten dus een ingreep in ons onderwijssysteem doen. We doen dat niet om hen te pakken en apart te zetten in een bijzonder type, in een aparte klas of een aparte school. We doen dat om hen op maat ‘bij te spijkeren’, om te remediëren, om herstelgericht op te treden. Dat moeten we doen en liefst tijdelijk zodat ze op een bepaald moment terug in de reguliere, in de gewone klas kunnen, want die kinderen moeten later in de samenleving functioneren.

Het is onze plicht als samenleving om dit te doen. Als we dit niet doen, zullen we dat later inderdaad tiendubbel terugbetalen. Die kinderen hebben immers een veel grotere kans om in de criminaliteit terecht te komen, ze hebben een veel grotere kans om heel hun leven in de werkloosheid te zitten. Als we dat willen verhinderen, moeten we van jongs af aan ingrijpen. We hebben de plicht om die kinderen opnieuw in onze samenleving op te nemen.

We doen uiteraard al veel dingen op dit moment. Er is hier al gesproken over de time-outprojecten, lange en korte, variërend van vijf tot tien dagen voor de korte tot zes weken voor de lange projecten. We hebben ook de zorgboerderijen die door Landbouw worden gefinancierd en waarbij kinderen voor een langere tijd in de natuur worden geplaatst, waar ze meer structuur in hun leven krijgen en de juiste attitudes worden bijgebracht. Dat werkt. We hebben een heel herstelgericht model in het onderwijs dat ondersteunend werkt. En we hebben heel het systeem van leren en werken, persoonlijke ontwikkelingstrajecten, al dan niet met brugtrajecten, om kinderen opnieuw op weg te helpen.

We hebben ook het type 3 in ons onderwijs, dat erop gericht is om kinderen met gedragsproblemen te ondersteunen. Dat gebeurt liefst tijdelijk zodat ze daarna terug naar het reguliere onderwijs kunnen gaan. In de afspraken die de Vlaamse Regering in juli heeft gemaakt, hebben we uitdrukkelijk opgenomen dat we dit aspect van type 3 opnieuw willen versterken: als kinderen in het buitengewoon onderwijs type 3 zitten, is dat in principe tijdelijk zodat ze daarna opnieuw in het regulier onderwijs terechtkunnen. Ik wil hier ook een cijfer op kleven. De afgelopen acht jaar is het aantal kinderen in type 3 bijna verdubbeld: van 1260 naar 2340 kinderen. Dat betekent dat ook daar een knipperlicht duidelijk werkt: een klein deel van onze kinderen heeft een fundamenteel probleem.

Zoals al terecht werd opgemerkt, worden ook in het flankerend onderwijsbeleid, dat vaak wordt ondersteund door de Vlaamse overheid en vaak ook door lokale overheden, heel wat initiatieven genomen.

Mevrouw De Knop, als men samen iets wil doen, dan kijkt men best naar elkaar. U zegt dat we niet naar elkaar moeten kijken. Ik heb echter geleerd dat als men echt iets goed wil doen, men best begint met naar elkaar te kijken. Op 6 juli heb ik dan ook met minister Vandeurzen en met mevrouw Van Hecke heel duidelijke afspraken gemaakt. Zo zouden we in een eerste fase nagaan wat we al allemaal doen en wat we nog beter kunnen doen. Die oefening is bijna volledig klaar. We hebben daarbij een aantal vaststellingen gedaan. Daaruit blijkt dat er goede projecten zijn. We zouden wel meer kunnen doen voor de persoonlijke ontwikkelingstrajecten. Wat de time-out betreft, hebben we meer projecten nodig. Nu zijn het er bijna 1000, maar dat is onvoldoende. We stellen ook vast dat er onvoldoende continuïteit in zit. We hebben meer een ketenaanpak nodig tussen de scholen, Welzijn, de CLB’s en met de lokale overheden, de ouders en anderen en zelfs met de OCMW’s in bepaalde gevallen.

Ik ben het er absoluut mee eens – en dat heeft ook de heer Crombez gezegd – dat we meer op maat van die kinderen moeten werken. Die kinderen worden vaak geconfronteerd met verschillende problemen die samenkomen: zwakke gezinnen, afwezige ouders, gebroken families, geen goede kennis van het Nederlands, zaken die zij hebben meegemaakt in hun land van herkomst, problemen van waarden en normen en van discipline. Die kinderen hebben waarden, normen, structuur en discipline nodig. Ik ben een voorstander van ruimte voor kinderen. Wanneer men kinderen echter ruimte geeft zonder structuur, dan leidt dat tot chaos. En chaos is niet meteen de ideale voedingsbodem voor kinderen. We moeten dus vooral werken aan bijkomende projecten tussen Onderwijs en Welzijn, op maat van en in de lijn van de zaken die nu bestaan – we moeten het warme water niet opnieuw uitvinden – maar vooral ook in een ketenaanpak.

Verschillende sprekers hebben erop gewezen dat we moeten nagaan of ons onderwijssysteem nog voldoende is aangepast aan sommige realiteiten in bepaalde delen van onze samenleving, in het bijzonder in de grotere steden. Ik wil geen probleem maken van de grotere steden maar het is daar toch veel acuter. Dat is nu net een van de redenen waarom we in het basisonderwijs en met de onderwijsnetten, in Antwerpen, Gent, Brussel en in de mijnstreek proefprojecten op korte termijn zullen opzetten onder wetenschappelijke begeleiding om het basisonderwijs op een totaal andere wijze aan te pakken vanuit de leefwereld van de kinderen. Er zijn veel meer coaches en ondersteuning nodig.

Mevrouw Meuleman, u hebt gezegd dat in onderwijs het debat vaak anekdotisch wordt gevoerd. Ik zal nu ook een anekdote vertellen. Gisterenavond was ik in het BELvue-Museum voor de opening van een tentoonstelling van fotografen en voor de voorstelling van een mooi boek over niet-begeleide minderjarige asielzoekers en over de migratie destijds van hier naar Amerika. Een jongeman van 20 of 21 jaar, een Marokkaanse Vlaming, die momenteel hoger onderwijs volgt, vertelde me zijn verhaal. Daarbij gebruikte hij minstens tienmaal het woord ‘coaches’. Hij was heel blij dat hij op het juiste moment een coach had gevonden die hem extra ondersteunde en ervoor zorgde dat hij gemotiveerd bleef en niet op het slechte pad terecht kwam. Dat is een methode die we in het basis- en secundair onderwijs veel meer moeten inbouwen. Jongeren die thuis niet de opvoeding en structuur krijgen, moeten die van de samenleving en in het belang van de samenleving kunnen krijgen. Wanneer we dat nu niet doen, zullen we het later tiendubbel terugbetalen.

Minister Vandeurzen en ikzelf zijn niet bij de pakken blijven zitten. Op 6 juli zijn we samen met mevrouw Van Hecke bijeengekomen. We hebben duidelijke werkafspraken gemaakt. De bedoeling daarvan is om tegen volgend schooljaar met een aantal extra projecten te komen, bij voorkeur via een herschikking van de kredieten. Als dat niet kan, zullen we daar in de regering een debat over voeren. Ik voel me in elk geval gesterkt door het debat dat we hier vandaag hebben gevoerd. (Applaus bij de meerderheid)

Irina De Knop

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Dat is enigszins hoopgevend: ik heb enkele dingen gehoord waarvan ik zelf vind dat we ze inderdaad moeten doen. Het antwoord heeft me echter ook enigszins ontgoocheld. U hebt gezegd dat er inderdaad meer moet worden geïnvesteerd in een aantal projecten, en dat er een ketenaanpak nodig is. Alleen hebt u niet gezegd hoe u dat zult verwezenlijken. Hoe gaat u er ditmaal voor zorgen dat er wel degelijk een geïntegreerd beleid is en dat de kinderen niet tussen de mazen van het net glippen? Ik heb gewezen op de rol van het centrum voor leerlingenbegeleiding en de mogelijkheden die het decreet Leerlingenbegeleiding u biedt om een en ander te verduidelijken. Daar bent u niet op ingegaan. Ik zeg ook niet dat dit dé oplossing is. U wijst erop dat u rond de tafel hebt gezeten, dat er afspraken zijn gemaakt. Dat is echter niet gestructureerd geconcretiseerd. U zegt dat u een ketenaanpak zult bewerkstellingen, maar u hebt er niet bij gezegd hoe u dat zult doen.

U hebt ook gezegd dat men een aantal proefprojecten zal opstarten in grote steden. Proficiat, maar waar dient dan heel ons stedenbeleid voor? Pas op, ik juich toe dat we initiatieven nemen. Er gaat echter zoveel geld naar het stedenbeleid. Hoe komt het dat men er niet eerder op is gekomen om specifiek in de steden op een dergelijke manier te werken?

U hebt het ook gehad over de rol van coaches en een aantal andere ideetjes. Dat zijn mooie ideeën, maar ze zijn niet concreet. Zal daar een decreettekst over komen? Op welke manier? Is er een afsprakennota, een kader? Kunnen we u ergens op afrekenen? Minister, dit zijn heel veel mooie intenties, maar als uw gesprek met mevrouw Van Hecke op 6 juli zo goed is geweest, waarom lezen we dan vandaag een artikel van haar in de krant?

Minister Pascal Smet

Ik hoef niet namens mevrouw Van Hecke te spreken, maar ze heeft niets gezegd. Toen een journalist haar vroeg wat er nog was gebeurd naar aanleiding van haar verklaring, heeft ze alleen geantwoord dat ze een gesprek had gehad met minister Vandeurzen en mezelf, en dat we daarbij afspraken hadden gemaakt. Er is die inventaris. Ze heeft overigens zelf ook aan ons gevraagd om samen met haar en haar diensten te bekijken wat er op het terrein goed en niet goed gaat, waar de lacunes zijn. Dat hebben we nu gedaan. Vanaf het begin hebben we gezegd dat we tegen het begin van volgend schooljaar zouden bekijken hoe we dat kunnen invullen. Het begin van volgend schooljaar is nog niet meteen voor morgen. Tegen het begin van het jaar zullen minister Vandeurzen en ikzelf concrete voorstellen voorleggen aan de Vlaamse Regering. Onze medewerkers hebben die nu uitgewerkt, op basis van al die gesprekken.

Mevrouw De Knop, u hebt ook altijd de neiging om, als er iets in Onderwijs of Welzijn ontstaat, te doen alsof ik– of minister Vandeurzen – plots persoonlijk verantwoordelijk ben. Ik wijs u erop dat de wijze waarop les wordt gegeven in de scholen, nog altijd behoort tot de autonomie van de scholen. Wij kunnen ondersteunen. Wij kunnen bruggen maken. Er kan op dit moment zelfs in de regelgeving al heel veel. Daarnet heb ik gezegd dat er meer projecten moeten zijn, en meer continuïteit. Dat blijkt uit die inventaris. U moet nu niet doen uitschijnen dat wij niets doen. Nogmaals, mevrouw Van Hecke weet wat we doen, en ik denk dat ze het eens is met wat we doen.

Irina De Knop

Ik zal niet ingaan op alles wat u hebt gezegd. Ik vind echter dat u uw rol als minister onderschat, en de impact die u als minister hebt door wat u net hebt gezegd. U hebt dat antwoord al eerder gegeven.

Gerda Van Steenberge

Voorzitter, ondanks de problematische situaties zijn sommige dingen vrij grappig. Mieke Van Hecke heeft niets gezegd. We zijn blij dat we 2 uur hebben gedebatteerd over het feit dat ze niets heeft gezegd.

Minister, u verschuilt zich nu achter de autonomie van de scholen. U doet dat als het u goed uitkomt. U probeert zo veel mogelijk te interveniëren, maar als het u niet uitkomt, verwijst u naar de autonomie van de scholen.

Ik vreesde eerst dat ook u de semantische discussie zou voeren over onschoolbaren en ononderwijsbaren. Laten we duidelijk zijn: het gaat hier over 15- of 16-jarigen die scholen terroriseren. Daar komt het op neer. Het gaat over een kleine minderheid die scholen terroriseert, die het leven op school onmogelijk maakt voor de andere leerlingen. Daar moeten we toch bij blijven stilstaan.

De minister heeft al verklaard dat er veel gebeurt. Er zijn veel projecten. Dat klopt. Mijn punt is echter dat al die projecten geen vat hebben op de jongeren die de scholen terroriseren. In plaats van bijkomende projecten op te zetten, moeten we misschien eens over een andere benadering nadenken.

De minister heeft het over coaches gehad. Mevrouw De Knop heeft al gevraagd wanneer we de minister hierop kunnen afrekenen en wanneer hij met een ontwerp van decreet zal komen. Ik vind dat vrij voortvarend. Het idee van coaches klinkt immers mooi, maar is in de praktijk niet realistisch. Dat zal enkel voor een paar kinderen lukken. We kunnen niet bij elke leerling een coach zetten. Elke leerling zou een individueel traject moeten krijgen. Er moet dan worden gekozen wie al dan niet een coach krijgt. Volgens mij is dat onrealiseerbaar en onbetaalbaar.

Indien ik het goed heb begrepen, begrijpt de minister waarom de cijfers me hebben doen schrikken. Eigenlijk gaan we slechts met 15 procent van de leerlingen die van scholen zijn uitgesloten, aan de slag. Een zeer groot gedeelte komt in de carrousel terecht.

De minister erkent dat er te weinig time-outprojecten zijn en dat dit aanbod moet worden uitgebreid. Hij erkent tevens dat de persoonlijke ontwikkelingstrajecten moeten worden uitgebreid. Ik ben blij dat hij dit in het Vlaams Parlement heeft verklaard. Ik vraag me enkel af wanneer hij die stappen zal zetten. Kan dat in 2012 gebeuren?

De mensen die voor de persoonlijke ontwikkelingstrajecten instaan, hebben verklaard dat ze klaar zijn. Ze zijn bereid meer leerlingen op te vangen. De minister moet het systeem echter eerst naar het secundair onderwijs uitbreiden. Zal dit nog tegen 2012 gebeuren? Welke termijn heeft de minister hierbij voor ogen?

Minister Pascal Smet

Minister Vandeurzen en ikzelf werken hieraan. De vraag is waar we voor een invulling moeten zorgen. Begin volgend jaar zullen we met onze conclusies naar de Vlaamse Regering stappen. Dit zal liefst met een herschikking van kredieten gepaard gaan. Dat is in elk geval ons uitgangspunt. Indien dat niet mogelijk zou zijn, zal de Vlaamse Regering dit verder moeten bespreken. Ik denk dat ik dit al heel duidelijk had uitgelegd.

Boudewijn Bouckaert

Ik sluit me aan bij de vorige sprekers. Er moeten inderdaad allerlei projecten worden opgezet. Wat die kleine groep van problematische leerlingen betreft, zou de minister echter ook shortcuts moeten zoeken. Er zouden een paar bijzondere ingrepen kunnen gebeuren. Ik denk dan aan de verwijdering uit de school en eventueel een verblijf in een verbeteringsgesticht. Op die manier zou de minister door middel van een kleine ingreep veel problemen kunnen oplossen.

Wat de proefprojecten in de scholen betreft, moet de minister erop letten dat hij geen duaal onderwijslandschap in Vlaanderen creëert. Er wordt nu al spottend gezegd dat er een minister van stedelijk onderwijs en een minister van plattelandsonderwijs is. Hij moet ervoor zorgen dat op dit vlak geen grote kloof ontstaat.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Het debat is gesloten.

De voorzitter

Actualiteitsmoties

Door de heer Bouckaert, door mevrouw Meuleman, door mevrouw Van Steenberge, door mevrouw De Knop en door mevrouw Deckx werden tot besluit van dit actualiteitsdebat actualiteitsmoties aangekondigd. Ze moeten uiterlijk om 16.45 uur zijn ingediend.

Het parlement zal zich daarover straks uitspreken.

Het incident is gesloten.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.