U bent hier

De voorzitter

Dames en heren, aan de orde is het themadebat over jeugdzorg.

Het themadebat wordt gehouden op basis van de moties van aanbeveling bij de maatschappelijke beleidsnota Jeugdzorg.

Het themadebat is geopend.

Mevrouw Dillen heeft het woord.

Marijke Dillen

Voorzitter, minister, collega’s, op de eerste plaats een woord van dank aan de beide commissiesecretarissen, die de commissie ad hoc op een schitterende wijze hebben bijgestaan en minutieus de talrijke en uitgebreide commissieverslagen hebben opgesteld. Ik richt ook een woord van dank, voorzitter, aan het Instituut Samenleving en Technologie en het Kinderrechtencommissariaat, die de commissiezittingen hebben begeleid en een ontwerp van maatschappelijke beleidsnota hebben opgesteld. Ik richt ook een woord van dank aan u, commissievoorzitter, die al die maanden de commissie op een goede wijze hebt geleid.

Collega’s, gedurende meer dan tien maanden heeft onze commissie talrijke hoorzittingen georganiseerd. Het waren uitgebreide, vaak zeer interessante getuigenissen van experten, getuigen uit het werkveld en wetenschappers. Onze commissie had een dubbele opdracht. Wat het zoeken naar maatschappelijke verklaringen voor de instroom in de bijzondere jeugdzorg en de geestelijke gezondheidszorg betreft, is de commissie geslaagd. Maar, collega’s, wat de tweede en belangrijkste opdracht betreft, het formuleren van beleidsvoorstellen voor de domeinen Welzijn, Jeugd, Sport, Onderwijs en Cultuur, om op korte, middellange en lange termijn de instroomstijging tegen te gaan, moet het mij met pijn van het hart dat onze commissie mislukt is.

Gedurende weken na het paasreces heeft de commissie stilgezeten. Om gemeenschappelijke voorstellen uit te werken, gedragen door de hele meerderheid, vermoedde ik, maar ik vergiste me. Enkele weken geleden zijn we weer samengekomen. Eerst namen we de maatschappelijke beleidsnota Jeugdzorg onder de loep, daarna heeft de meerderheid de oppositie aan het lijntje gehouden, met de aankondiging dat er een ontwerp van beleidsvoorstellen zou worden opgesteld, dat dan in de commissie ad hoc kon worden besproken. Eén keer werd commissie nog samengeroepen, maar onmiddellijk afgeblazen, omdat er geen tekst was. Dit was schaamteloos, want de meerderheid wist de avond voordien al perfect dat er geen tekst was.

In tegenstelling tot andere commissies ad hoc van dit Vlaams Parlement, waar wel pogingen werden gedaan om tot een eensgezind standpunt te komen, heeft deze meerderheid geen moeite gedaan en eigenlijk op een hooghartige wijze de samenwerking met de oppositie afgewezen. Ik betreur dat. Niet omdat mijn naam niet op een gezamenlijke motie van aanbeveling staat: daarover maak ik me allang geen illusies meer. Al wil ik wel even beklemtonen dat onze fractie gedurende al die maanden op een zeer constructieve wijze heeft meegewerkt. Maar ik betreur dit omdat de verwachtingen van de sector hooggespannen waren. Op het terrein was er veel hoop gecreëerd. En deze verwachtingen, deze hoop, kunnen alleen maar worden ingelost wanneer dit Vlaams Parlement een duidelijk en vooral eensgezind signaal geeft dat het menens is om dit probleem concreet aan te pakken. Dat eensgezind signaal zal er niet komen. En dat is niet de verantwoordelijkheid van de voorzitter van de commissie, maar het is zeker niet de verantwoordelijkheid van de oppositie.

Collega's, gedurende zeven maanden heeft de commissie een reeks hoorzittingen georganiseerd, over drie grote thema's: het verzamelen van cijfergegevens over de bijzondere jeugdzorg en over de betrokken sectoren, het wetenschappelijk debat met vooral experts en de getuigenissen uit het werkveld. Het waren grotendeels interessante hoorzittingen, die nuttige informatie hebben opgeleverd. En die opnieuw hebben bevestigd wat reeds in 1998 duidelijk is tot uiting gekomen in de vorige commissie ad hoc: de problematiek is ernstig, bijzonder ernstig. Het aantal jongeren in de bijzondere jeugdzorg is de voorbije jaren gestegen met 65 procent, van 14.798 naar 24.422.

Wij zijn het er allemaal over eens dat dit bijzonder zorgwekkend is, en, wel om diverse redenen. Vooreerst is deze stijging niet evenredig met de evolutie van de totale jongerenpopulatie in Vlaanderen. Maar vooral, dit cijfer is onwaarschijnlijk hoog en vereist ingrepen. Wat bijzonder verontrustend is, is het feit dat kinderen onder de 4 jaar de sterkst stijgende groep vormen. Nu we weten dat studies hebben aangetoond dat een onstabiele thuissituatie onherstelbare hersenschade kan aanrichten bij kinderen jonger dan 5 jaar, is ingrijpen dringend nodig.

Waarom komen jongeren in de bijzondere jeugdzorg? Uit de hoorzittingen zijn een aantal aanwijzigen naar voren gekomen, hoewel niemand een sluitende verklaring kan geven. Dat is niet te verwonderen, gezien de ingewikkeldheid van de materie. Maar er zijn aanwijzingen, waarvan een aantal misschien algemeen bekend zijn. Maar ook een aantal minder bekende factoren zijn aan het licht gekomen. Zowel maatschappelijke veranderingen als evoluties binnen de jeugdhulp worden als verklaring voor de toename naar voor geschoven. Collega's, Vlaanderen heeft nood aan meer, maar ook aan een betere jeugdzorg. Er zijn dringend maatregelen nodig.

Ik overloop welke aandachtspunten onze fractie hierbij wil leggen. Ik ga twintig klemtonen toelichten, waarbij de volgorde niets wil zeggen over het belang. Voor onze fractie zijn dat allemaal noodzakelijke bouwstenen om te werken aan een betere jeugdzorg. Een: er is nood aan een inclusief, geïntegreerd beleid. Onze fractie is daar een voorstander van. Vandaag moeten we vaststellen dat al te veel maatregelen op een versnipperde wijze, zonder overleg, zonder afstemming, worden genomen. Vaak zonder resultaat. Met als gevolg een verspilling van kostbare middelen. Samenwerking tussen verschillende beleidsdomeinen is belangrijk. Ik denken dan in het bijzonder aan Welzijn, Onderwijs, Vorming, Jeugd, Tewerkstelling, Wonen, Ruimtelijke Ordening, Sport en Cultuur.

Enkel zo kan een positief en ondersteunend klimaat ontstaan. Daarbij moet de overheid wel beseffen dat er voldoende middelen en mogelijkheden nodig zijn om de toename van problemen aan te kunnen. Maar niet alleen een bevoegdheidsoverschrijdende samenwerking is belangrijk, ook samenwerking tussen het lokale, Vlaamse en federale niveau is dat. Dat laatste is vaak een zeer heikel punt. Nog al te veel bevoegdheden berusten bij het federale niveau, maar moeten door de gemeenschappen worden uitgevoerd. Onze fractie wil het grote belang van een volwaardig Vlaams beleid beklemtonen en pleit voor de overheveling van alle bevoegdheden ter zake naar Vlaanderen.

Twee: preventie is van bijzonder groot belang. Er is nood aan een beter en geïntegreerd preventiebeleid. Dit preventiebeleid moeten we inpassen in een stimulerend en ondersteunend beleid inzake gezin, onderwijs, tewerkstelling, huisvesting, sport en cultuur.

Dit pleidooi werd meer dan 10 jaar geleden, in 1999, hier ook gehouden. In de praktijk is hiervan weinig gerealiseerd. Wij dringen erop aan dat er vandaag iets zal veranderen. Er is duidelijk nood aan een conceptueel kader met een permanent en gestructureerd overleg tussen verschillende sectoren. Hierbij kunnen enkele belangrijke klemtonen worden gelegd. Ik denk bijvoorbeeld aan meer aandacht besteden aan de fysieke en psychische ruimte voor kinderen en jongeren, aan initiatieven in onderwijs, aan de versterking van de opdrachten van de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s), aan de aanpak van de armoedeproblematiek en ook aan het rechten- en plichtenverhaal.

Als het over jongeren gaat, horen we steeds een pleidooi over rechten. We hebben een kinderrechtencommissariaat, een kinderrechtencoalitie enz. Maar naast het versterken van de rechten van kinderen en jongeren, moeten we tegelijkertijd de klemtoon leggen op de plichten en de aandacht hiervoor ook uitwerken in het preventiebeleid.

Een volgend punt is een betere ondersteuning van het gezin. De opvoeding van kinderen en jongeren moet worden gekoesterd als een kostbaar goed. Uit de hoorzittingen is duidelijk naar voren gekomen dat aandacht voor het gezin zeker geen overbodige luxe is. Telkens werden onder meer de gewijzigde gezinssituaties aangehaald. Het stijgende aantal echtscheidingen, eenoudergezinnen, het kwam regelmatig terug. Een betere en doorgedreven ondersteuning en versterking van het gezin is bijzonder prioritair, want gezinnen zijn voor onze samenleving belangrijk. Een geïntegreerd gezinsbeleid waarbij het gezin ondersteund wordt, is dan ook dringend nodig om de kwaliteit van de gezinnen te waarborgen, te versterken en te verhogen.

Ondersteuning van de ouder die bewust en graag thuis wil blijven om te zorgen voor de kinderen, maatregelen voor een betere combinatie van gezin en arbeid, uitbreiding van het ouderschapsverlof, een flexibele loopbaanplanning, het zijn allemaal elementen die kunnen bijdragen aan een betere draagkracht van de gezinnen. Het is bijzonder belangrijk dat de regering binnen alle beleidsdomeinen steeds rekening houdt met de gezinnen. Alle genomen maatregelen moeten worden getoetst aan de gevolgen hiervan voor de gezinnen. Onze fractie pleit al lang voor de invoering van een gezinseffectenrapport.

Tijdens de hoorzittingen werd meermaals gewezen op de toenemende echtscheidingsproblematiek. Als er kinderen bij betrokken zijn, blijven die vaak in de kou staan en worden ze niet gehoord. In het allerbeste geval zal de jeugdrechter vanaf 12 jaar luisteren naar de stem van het kind. Maar dit is niet voldoende. De leeftijd moet dringend worden verlaagd. Als kinderen vragen om gehoord te worden, moet dit kunnen, onafhankelijk van de leeftijd. Ook meer aandacht voor bemiddeling is dringend nodig. Ik denk dat het wenselijk is dat we in Vlaanderen nadenken over echtscheidingspreventie. In het buitenland zijn er reeds dergelijke initiatieven die waardevol zijn. Misschien is nuttig om eens daar ons licht op te steken. Tevens is er een sterke stijging van het aantal eenoudergezinnen en ook van het aantal nieuw samengestelde gezinnen, wat niet altijd op een vanzelfsprekende wijze verloopt. Ook hiermee moet rekening worden gehouden in een geïntegreerd gezinsbeleid.

Vandaag stellen we ook vast dat ouders al te gemakkelijk een deel van hun verantwoordelijkheid willen afschuiven op anderen, zoals het onderwijs, de kinderopvang en de jeugdverenigingen. Zij hebben een verantwoordelijkheid, dat zal ik niet ontkennen, maar zij komen niet op de eerste plaats en zij mogen nooit in de plaats komen van de ouders. De ouders moeten bewust worden gemaakt dat zij op de eerste plaats verantwoordelijkheid dragen. Daarbij is het natuurlijk belangrijk dat de ouders hierin worden gesteund.

Vervolgens kom ik tot de opvoedingsondersteuning. De meesten onder ons zullen wel bevestigen dat opvoeden geen vanzelfsprekendheid is. Dat moet worden erkend. Hulp vragen is dan ook geen schande of een bewijs van mislukking. Dat kan door een goede opvoedingsondersteuning. Tijdens de hoorzittingen is herhaaldelijk aangehaald, zowel door de wetenschappers als door vertegenwoordigers van het werkveld, dat de huidige wijze van opvoedingsondersteuning moet worden herbekeken. Ik weet dat het thema opvoedingsondersteuning hier in dit halfrond voor sommigen een heikel onderwerp is en ze niet willen toegeven dat de huidige invulling ervan mislukt is. Maar het is een feit, het is herhaaldelijk naar voren gekomen.

Het Vlaams Parlement moet dan ook de moed aan de dag leggen om het huidige decreet te herbekijken. Het concept moet worden geheroriënteerd. We moeten dringend onderzoeken op welke wijze de middelen die worden besteed aan de uitwerking van het decreet inzake opvoedingsondersteuning op een meer efficiënte en doeltreffende wijze kunnen worden ingezet. Zo kunnen de juiste doelgroepen worden bereikt, wat vandaag niet het geval is.

Een zesde element is de band tussen armoede en problematische opvoedingssituaties. Die band is duidelijk bewezen. Ik wil in dat verband ook graag de stijgende kinderarmoede onder uw aandacht brengen. Hoewel we hier al vaak over hebben gedebatteerd, verandert er op het terrein niets. Integendeel, de alarmerende cijfers tonen aan dat de armoede nog toeneemt. We moeten het huidige armoedebeleid in vraag durven stellen. Er is te veel versnippering en verspilling, er zijn te veel kleinere projecten enzovoort. Het is in ieder geval een beleid dat geen daadkracht aan de dag legt om op het terrein zelf concrete resultaten te boeken.

We zijn er dan ook voorstander van dat er eindelijk werk wordt gemaakt van een echt armoedebeleid. We moeten die problematiek op een gestructureerde wijze aanpakken, met doelgerichte maatregelen. Zo kunnen we de stijgende groep mensen die in armoede leven uit die maatschappelijke onzekerheid halen. De aanpak van kinderarmoede is hierbij een prioriteit.

Het zevende element is de integrale jeugdhulpverlening. Die is geen succes en moet worden herbekeken. Dat blijkt niet alleen uit verschillende getuigenissen tijdens de hoorzittingen, maar ook uit het evaluatierapport dat werd opgesteld door de Katholieke Universiteit Leuven. Tijdens de hoorzittingen werd er onomwonden gesteld dat "het resultaat een lappendeken is met steeds nieuwe doelgroepen, specialisten en voorzieningen, alsmaar grotere ingewikkeldere systemen van screening, doorverwijzing, wachten en opnieuw doorverwezen worden". In de praktijk is er weinig concreets gerealiseerd. De meest cruciale bouwstenen zijn het minst gerealiseerd. Men is er niet in geslaagd om essentiële zaken die prioriteit hadden, te realiseren. Men had meer oog voor minder ingrijpende en minder gevoelige beleidslijnen. Minister, uit het evaluatierapport blijkt ook dat u veel te lang op de achtergrond bent gebleven.

Collega’s, enkel echte realisaties via concrete dossiers kunnen een meerwaarde betekenen, bijvoorbeeld de knelpuntdossiers. In het evaluatierapport worden duidelijke aanbevelingen aangereikt voor een andere aanpak van de integrale jeugdhulpverlening. Minister, ik ga die aanbevelingen niet citeren. We hebben daar al ruim de gelegenheid toe gehad naar aanleiding van een ander debat. Het is echter hoog tijd dat we die eens onder de loep nemen en uitwerken. Onze fractie dringt er in ieder geval op aan om het concept van de integrale jeugdhulpverlening te herbekijken. Het geheel moet minder centraal worden gestuurd. Er is nood aan rationalisering van de structuren en aan prioritering. Het moet minder gebaseerd worden op procedures en meer op vertrouwen in en kennis van de professionele hulpverlener. Voor ons is een contextgerichte hulpverlening hierbij heel belangrijk.

Een achtste klemtoon is een pleidooi dat al hier al vele keren werd gehouden: werk eindelijk de wachtlijsten weg. Dat is een essentiële voorwaarde om een betere jeugdzorg te verwezenlijken. Vandaag moeten we vaststellen dat de investering van de voorbije jaren in de uitbreiding van de hulpverlening niet volstaat. Vandaag staan meer dan 3700 kinderen op de wachtlijst die dringend hulp nodig hebben. Volgens specialisten zijn het er zelfs veel meer. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan het betoog tijdens de hoorzitting van jeugdrechter Denoyelle en substituut-procureur Deconinck, die aangeklaagd hebben dat steeds meer kinderen worden gedumpt in de volwassen psychiatrie en niet in de cijfers voorkomen. Ook stelde substituut-procureur Deconinck dat sommige jeugdparketten mishandelde kinderen onmiddellijk terug naar huis sturen, omdat “het kwaad toch al is geschied”.

Collega’s, de lange wachtlijsten voor de vele vormen van hulpverlening blijven een ernstig knelpunt en leiden ertoe dat de hulpverlening vaak slechts met een grote vertraging kan starten. Tijdens die lange wachttijd kunnen problematische opvoedingssituaties zodanig escaleren dat ze niet meer in aanmerking komen voor eenvoudigere oplossingen en dat een hulpverleningsaanbod binnen de bijzondere jeugdzorg nog de enige uitweg is. U dient dan ook alle werkvormen uit te breiden, zowel de residentiële als de ambulante. Enkel op die wijze kunnen de wachtlijsten worden weggewerkt.

Negende aandachtspunt: de hulpvrager centraal. Dat is voor ons een absolute basisvereiste. Hij/zij moet worden ondersteund door een trajectbegeleider, die de mogelijkheden moet krijgen om jongeren op een lange termijn te ondersteunen. Dat is een punt, minister, dat bij de overgrote meerderheid van de sprekers tijdens de hoorzittingen aan bod is gekomen.

Tien: versterk de rechtstreeks toegankelijke hulp op de eerste lijn. Ook dat moet een prioriteit worden. Dat dient bij voorkeur zo dicht mogelijk bij het werkveld te gebeuren. Daarbij moet een contextgerichte werking worden bevorderd, met aandacht voor een goede communicatie, want het is noodzakelijk dat kinderen, jongeren en hun omgeving duidelijk weten wie hun eerstelijnsaanspreekpunten zijn.

Ook voldoende aandacht voor gespecialiseerde hulpverlening is belangrijk. Ik denk dan in het bijzonder aan geestelijke gezondheidszorg, jeugdpsychiatrie en drugshulpverlening.

Een volgend aandachtspunt is een betere samenwerking tussen de betrokken sectoren. Ik denk in het bijzonder aan bijzondere jeugdzorg, gehandicaptenzorg en psychiatrie. We moeten komen tot een sectoroverschrijdende samenwerking en die ondersteunen en aanmoedigen. Ook dat, collega’s, werd in 1999 al gevraagd. Het gebrek aan afstemming zorgt voor blinde vlekken en overlappingen, zodat sommige jongeren zelfs tussen twee stoelen vallen en niet de meest efficiënte hulp krijgen.

Dat koppel ik meteen aan het dertiende aandachtspunt, namelijk de mogelijkheid om hulpverleningsvormen te combineren. Ook dat is een eis van 1999. Al te dikwijls bestendigt de huidige regelgeving de schotten tussen de verschillende sectoren. Uit de hoorzittingen is ook herhaaldelijk gebleken dat het vandaag vaak onmogelijk om verschillende hulpverleningsvormen te combineren. Dat is vandaag niet langer aanvaardbaar. Al die hindernissen moeten dringend worden weggewerkt, want op het terrein is er duidelijk nood aan de mogelijkheid tot combineren. Dat in de praktijk realiseren, kan echt niet zo moeilijk zijn, minister. De overheid moet er dan ook dringend werk van maken en de regelgeving aanpassen.

Veertien: meer aandacht voor de nazorg na residentiële plaatsing. Dat is vandaag een zeer grote lacune.

Vijftien: ook het grote personeelsverloop in de diverse sectoren werd herhaaldelijk aangeklaagd tijdens de hoorzittingen. Dat moet dringend een halt worden toegeroepen. Het was een noodkreet die we herhaaldelijk hebben gehoord. Herhaaldelijk werd tijdens de hoorzittingen aangeklaagd dat het grote personeelsverloop op het terrein werkelijk een probleem wordt. En dat zal er niet op verbeteren, minister, gelet op de toenemende vergrijzing. Ik ga hier niet het debat ten gronde voeren, daartoe hebben we al verschillende malen de gelegenheid gehad, maar ik wil aandringen op het versneld doorvoeren van een beter statuut en het aantrekkelijker maken van de arbeidsvoorwaarden.

Het zestiende aandachtspunt is de pleegzorg. Pleegzorg is van bijzonder groot belang voor kinderen en jongeren in een problematische opvoedingssituatie. We moeten dan ook durven te denken aan maatregelen om de pleegzorg uit te breiden en te versterken. Een verbetering van het statuut van de pleegouders is daarbij heel belangrijk.

Het zeventiende aandachtspunt betreft de jeugddelinquentie. De grote meerderheid van de stijging in de instroom zit in de problematische opvoedingssituaties, de POS-dossiers. Maar ook de stijging in de MOF-dossiers (als misdaad omschreven feit) mag niet worden verwaarloosd, want de voorbije tien jaar is ook de jeugddelinquentie gestegen met ongeveer 30 procent, van 2518 naar 3500 dossiers. Dat is misschien wat weinig aan bod gekomen tijdens de hoorzittingen, maar uit alle gekende gegevens, en in het bijzonder die van de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid van de FOD Justitie, blijkt dat de jeugddelinquentie niet alleen toeneemt, maar dat er ook sprake is van een verharding van de jeugdcriminaliteit. Steeds meer jongeren plegen steeds zwaardere gewelddelicten en kampen met ernstige gedragsproblemen. Dat werd trouwens ook bevestigd door de vertegenwoordigers van de jeugdrechtbank van Antwerpen. Dit wordt ervaren als een belangrijk maatschappelijk probleem.

We moeten vandaag op het terrein vaststellen dat de aanpak van jeugddelinquentie heel moeilijk verloopt. Dat heeft te maken met diverse factoren. Vooreerst is er geen duidelijk zicht op hoe groot en ernstig het probleem is, doordat er geen degelijke jeugdstatistieken beschikbaar zijn. Verder ervaart het terrein dat jeugdcriminaliteit steeds ernstiger en zwaardere vormen aanneemt.

De aanpak van jeugddelinquentie verloopt ook moeilijk omwille van het allochtone vraagstuk inzake jeugddelinquentie. Er is op dit moment geen algemeen strafrechtelijk beleid inzake jeugddelinquentie. Er wordt meer aan symptoombestrijding gedaan in plaats van een geïntegreerd structureel beleid te ontwikkelen omtrent bepaalde deelfenomenen, zoals veelplegers. Dit is helaas nog steeds geen Vlaamse bevoegdheid, ondanks de belofte uit het vorige Vlaams regeerakkoord waar nog onomwonden de overdracht van het jeugdsanctierecht en van het volledige justitiële welzijnsbeleid werd gevraagd. Maar de Vlaamse Regering moet er bij de Federale Regering op aandringen een algemeen strafrechtelijk beleid inzake jeugddelinquentie te ontwikkelen. Een strenge aanpak van de jeugdcriminaliteit is hierbij belangrijk, met aandacht voor een strenge bestraffing van jongeren die zich schuldig maken aan zware vormen van criminaliteit, vooral zware geweldsdelicten, en met ook aandacht voor een aantal deelfenomenen, zoals veelplegers. Ook aandacht voor het allochtone vraagstuk inzake jeugddelinquentie is nodig.

Twee zaken zijn hierbij noodzakelijk om meer resultaten te boeken. Ten eerste, een snelle en effectieve uitvoering van straffen en maatregelen. Dit is belangrijk bij het terugdringen van de jeugdcriminaliteit. De Vlaamse Regering moet dan ook in voldoende plaatsen voorzien, zodat de jeugdrechters te allen tijde over voldoende mogelijkheden beschikken om jonge criminelen te plaatsen indien dit nodig is. Ten tweede, een effectieve, sluitende en passende nazorg. Aansluitend op een strafrechtelijk verblijf in een gemeenschapsinstelling moeten jongeren worden begeleid bij hun terugkeer in de samenleving om hen op het rechte pad te brengen en te houden.

Het uitwerken van een degelijk beleid is bijzonder belangrijk, want we weten allemaal dat vroegtijdig ingrijpen belangrijk is om te voorkomen dat jongeren afglijden naar crimineel gedrag. Hoe sneller wordt ingegrepen, hoe groter de kans is op een positieve gedragsverandering. Belangrijk hierbij is dat de pijlen niet enkel worden gericht op bestraffing, maar ook op de opvoeding of heropvoeding. En als we willen dat er op lange termijn een maatschappelijk terugverdieneffect kan worden gerealiseerd, moeten we voldoende aandacht besteden aan de resocialisatie van de jongeren die uit de jeugddetentie komen. Dit zijn wel Vlaamse bevoegdheden, maar er wordt veel te weinig aandacht aan besteed. Ik durf er dan ook op aan te dringen hier werk van te maken.

Jongeren uit allochtone gezinnen. Uit alles blijkt dat er een hoog aandeel is van jongeren uit allochtone gezinnen in de bijzondere jeugdzorg om diverse redenen. Ik denk dat we dit in combinatie moeten brengen met het huidige integratiebeleid. Uit alle gegevens die we hebben, moeten we durven te concluderen dat het huidige integratiebeleid faalt. Uw regering slaagt er niet in om de allochtone gezinnen zich daadwerkelijk te laten aanpassen aan onze samenleving. Ik kan hier talrijke voorbeelden van geven. Ik denk bijvoorbeeld aan de kennis van het Nederlands, aan de aanpassing aan de westerse waarden en normen, aan respect voor gelijkwaardigheid van man en vrouw enzovoort. Het wordt dan ook hoog tijd om het integratiebeleid te heroriënteren. Hierbij moeten niet langer ‘het samenleven in diversiteit’ en ‘het respect voor de eigenheid’ de uitgangspunten zijn. Neen, het uitgangspunt is de Vlaamse samenleving, waarbij de allochtonen zich dienen aan te passen aan de Vlaamse leidcultuur.

Allochtone gezinnen en jongeren moeten hierbij voor de eigen verantwoordelijkheid worden geplaatst. Want ook hier is het geen exclusief rechtenverhaal, maar moeten er duidelijke verplichten worden gekoppeld aan de toegekende rechten. Collega’s van de meerderheid, enkel vragen om de kennis en knowhow over verschillende etnisch-culturele achtergronden in te zetten in de hulpverlening en de inzet van tolken te faciliteren, zal absoluut niet volstaan.

De voorlaatste klemtoon is het toenemend geweld en pestgedrag. Dit is een werkelijk een zwaar probleem aan het worden, waarbij kinderen zowel als slachtoffer of als dader verschijnen. Hier aandacht aan besteden binnen diverse beleidsdomeinen is belangrijk. Wij zijn voorstander van een beleidsdomeinoverschrijdend actieplan om alle vormen van pesten en geweld radicaal aan te pakken.

U zult het mij niet kwalijk nemen dat ik tot slot bijzondere aandacht vraag voor de situatie in Antwerpen. Die situatie is werkelijk uit de hand aan het lopen, als het al niet te laat is.

Uit vele getuigenissen bleek duidelijk dat de toestand in Antwerpen werkelijk dramatische vormen heeft aangenomen. Bijna een derde van alle dossiers gaat over Antwerpen. Het gaat om een stijging van meer dan 80 procent in tien jaar tijd. De jeugdrechtbank kan de situatie nog zeer moeilijk aan, ondanks het zeer goede werk dat daar wordt verricht. Het gevolg is dat de wachtlijsten helemaal catastrofaal zijn. Dit is het gevolg van de evolutie van de Antwerpse bevolking en de grootstedelijke problematiek, met meer kansarmoede, illegalen en grote groepen allochtonen.

Het getuigt niet van discriminatie tegenover andere regio’s als het beleid daar bij voorrang aandacht aan besteedt en speciaal voor Antwerpen een stappenplan uitwerkt om de instroom in de bijzondere jeugdzorg tegen te gaan en om de situatie in Antwerpen opnieuw onder controle te krijgen.

Na zoveel hoorzittingen, vele uitgebreide commissieverslagen en binnen dit beperkte tijdsbestek is het onmogelijk alles aan bod te laten komen. Ik heb enkel een paar klemtonen willen leggen die mijn fractie belangrijk vindt.

De meerderheid en sommige oppositiepartijen hebben een motie van aanbeveling ingediend. Ik heb de motie van de meerderheid nauwkeurig onder de loep genomen. Ik had zeer hoge verwachtingen, maar deze motie ontgoochelt mij. De motie is bijzonder traditioneel en gaat uit van wat vandaag op het terrein bestaat. Ze is vooral weinig vernieuwend en eigenlijk gewoon een bevestiging van bestaande situaties.

In grote lijnen kan ik akkoord gaan met de inhoud ervan, juist omdat ze zo vaag en algemeen is. Echte problemen worden niet aangepakt. Een aantal heilige huisjes worden niet in vraag gesteld. Ik denk dan aan de opvoedingsondersteuning. Daar wordt melding van gemaakt in de motie. Maar gelet op de zware kritiek die tijdens de meeste hoorzittingen werd geformuleerd dat de huidige opvoedingsondersteuning faalt, had ik het geapprecieerd indien er was gekozen voor een radicale ommezwaai om het decreet volledig te herbekijken en zo op het terrein iets te veranderen.

Ik denk verder ook aan het plichtenverhaal. Mevrouw Schryvers, u hebt me tijdens de hoorzittingen meermaals verzekerd dat het plichtenverhaal zou worden opgenomen in de motie, bijvoorbeeld met betrekking tot allochtone gezinnen. Eigenlijk komt dit onderwerp in de motie bijna niet aan bod. Een ander voorbeeld is de integrale jeugdhulpverlening. Ook daar wordt niet gekozen voor een radicale ommezwaai.

Meer dan tien jaar geleden, in de periode 1998-1999, hebben wij in een commissie ad hoc dezelfde oefening gedaan. Ook toen heeft dit Vlaams Parlement een maatschappelijke beleidsnota opgesteld en een motie van aanbeveling goedgekeurd. Die motie werd toen wel unaniem goedgekeurd. Er was toen wel samenwerking over meerderheid en oppositie heen. Mevrouw Vogels kan dit bevestigen.

Ik heb de moeite gedaan om het volledige verslag van destijds te bekijken. Ik raad u allen aan om dat ook eens te doen. U zult versteld staan hoe actueel alles nog is. Tijdens verschillende uiteenzettingen toen werd een pleidooi gehouden voor verzuchtingen die vandaag nog steeds niet gerealiseerd zijn, ondanks de mooie beloftes van toenmalig minister van Welzijn, de heer Luc Martens.

Ik heb ook de moeite gedaan om de motie van 1999 nog eens onder de loep te nemen. Uit een nauwkeurige ontleding van deze motie blijkt vandaag, meer dan tien jaar later, dat er de verschillende Vlaamse regeringen gedurende al die tijd weinig initiatieven hebben genomen om de nochtans duidelijke aanbevelingen te realiseren.

Ik durf de hoop uit te drukken dat het deze keer wel menens is en dat de Vlaamse Regering niet alleen de aanbevelingen van de verschillende fracties ernstig neemt, maar ook de aanbevelingen zoals die zijn geformuleerd in de moties van de verschillende oppositiepartijen. Ook daar kunt u zeer interessante voorstellen in terugvinden. Ik hoop dat u de problematiek ten gronde zult aanpakken en dat u de nodige initiatieven zult nemen en de noodzakelijke financiële middelen zult vrijmaken om deze ernstige problematiek aan te pakken. Minister, ik wens u daar veel succes bij. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, de jeugd is de toekomst. Hoe vaak horen we dat adagium niet? Dat de volwassenen van vandaag elke dag opnieuw de randvoorwaarden van die toekomst creëren, beseffen we soms onvoldoende. De jongeren en kinderen van vandaag staan op een totaal andere manier in het leven en in de maatschappij dan een aantal jaren geleden. Hieraan zijn natuurlijk tal van maatschappelijke evoluties niet vreemd: internationalisering, groeiende diversiteit, veranderende gezinssamenstelling, democratisering van het onderwijs, materiële mogelijkheden, communicatie enzovoort. Kinderen en jongeren hebben nog nooit zoveel kansen gekregen als vandaag: kansen op ontwikkeling, op materiële welvaart, op sportieve en culturele ontplooiing, op vrije keuze inzake relatievorming, op communicatiemogelijkheden enzovoort. De grote meerderheid van de jongeren in Vlaanderen voelt zich dan ook tevreden tot heel tevreden over hun levenskwaliteit: 84 procent van de jongens en 79 procent van de meisjes. En ze zijn in staat om met problemen om te gaan. Dat blijkt uit twee recente grootschalige enquêtes over het welbevinden bij de jeugd: de studies van de Wereldgezondheidsorganisatie en van het Jongeren Onderzoeks Platform (JOP).

In schril contrast daarmee staat het feit dat niet alle kinderen en jongeren die kansen krijgen of ermee kunnen omgaan en dat het aantal kinderen en jongeren dat in de jeugdhulpverlening terechtkomt gestaag toeneemt. Zo stegen het aantal jongeren in de bijzondere jeugdzorg van 14.789 kinderen en jongeren in 2000 tot 24.422 in 2009. Deze stijging kan niet alleen verklaard worden door de toegenomen nataliteit. Zeker verontrustend daarbij is het gegeven dat het gaat om een steeds groeiend segment binnen de totale jongerenpopulatie in Vlaanderen. Terwijl in 2000 0,98 procent van de totale jongerenpopulatie te maken kreeg met bijzondere jeugdzorg, was dat in 2008 al 1,53 procent. Bovendien komen kinderen op steeds jongere leeftijd in de bijzondere jeugdzorg terecht.

Vanzelfsprekend moet de overheid ervoor zorgen dat deze kinderen en jongeren een beroep kunnen doen op en correct worden toegeleid naar een goed georganiseerde jeugdhulpverlening. Zij moet nog beter, veel beter alles in het werk stellen opdat kinderen en jongeren probleemloos en in een veilige omgeving zouden kunnen opgroeien en kansen krijgen op hun weg naar de volwassenheid. Zij moet met andere woorden vermijden dat ze in de jeugdhulpverlening terechtkomen. Om dit te kunnen waarmaken, is het heel belangrijk eerst duidelijkheid te krijgen over de oorzaken van de stijgende instroom, om van daaruit af te bakenen op welke domeinen moet worden ingegrepen om de tegenstroom te doen ontstaan.

Dat was de belangrijke taak en de grote ambitie die de Commissie Jeugdzorg een jaar geleden meekreeg van dit parlement: zoeken naar maatschappelijke verklaringen voor de voortdurend stijgende instroom van kinderen en jongeren in de bijzondere jeugdzorg en de geestelijke gezondheidszorg en beleidsvoorstellen doen op korte, middellange en lange termijn om de instroomstijging tegen te gaan, en dat voor de beleidsdomeinen Welzijn, Jeugd, Sport, Onderwijs en Cultuur.

CD&V heeft uitdrukkelijk bepleit dat de commissie ‘Commissie Jeugdzorg’ zou heten en niet ‘Commissie Bijzondere Jeugdzorg’, om te vermijden dat enkel zou worden gefocust op de jeugdhulpverlening zelf. Onze kinderen en jongeren laten opgroeien tot gezonde en kritische volwassenen met respect voor en toepassing van de kinderrechten – denk vooral aan de drie P’s: ‘Protection’, ‘Provision’ en ‘Participation’ – is immers een verantwoordelijkheid die veel verder gaat dan het Welzijnsbeleid, maar die een betrokkenheid en inbedding vraagt van alle beleidsdomeinen.

Onze commissie heeft een werkjaar lang intensief gewerkt. Op basis van wetenschappelijke inzichten uit diverse disciplines werden mogelijke determinanten van de verhoogde instroom bepaald. De commissie heeft diverse maatschappelijke stakeholders uitgenodigd om de situatie te duiden. Wij vroegen hun om een perspectief uit te spreken over de verantwoordelijkheid van individuen, gezinnen en families, informele netwerken, het middenveld, laagdrempelige organisaties, jeugdhulpverlening en de overheid.

De bevindingen uit de vele interessante hoorzittingen werden samengebracht in de maatschappelijke beleidsnota. Bij dezen wil ik alle sprekers uitdrukkelijk bedanken voor hun medewerking, hun uiteenzettingen, hun pleidooien en het delen van hun expertise. Ook de samenwerking met het Kinderrechtencommissariaat en het Instituut Samenleving en Technologie wil ik vermelden. Verder dank ik ook de voorzitter, de secretarissen en een aantal collega’s van meerderheid en oppositie voor de samenwerking en hun gedrevenheid bij onze zoektocht en onze zorg met betrekking tot kinderen en jongeren. Het moet me echter wel even van het hart dat ik het totaal onbegrijpelijk vind dat enkele fracties weinig of helemaal geen betrokkenheid hebben getoond met betrekking tot deze problematiek. Dat is spijtig. Onze kinderen en jongeren hebben immers recht op de interesse en inzet voor hun toekomst van heel dit parlement.

Het is zowel de verantwoordelijkheid van de ouders als van de maatschappij en ons om alles in het werk te stellen om de huidige tendens te keren.

De voorzitter

De heer Strackx heeft het woord.

Felix Strackx

Mevrouw Schryvers, welke fracties bedoelt u? Nu is uw beschuldiging immers vaag: ze kan op iedereen slaan. Ik vind het flauw dat u een vage beschuldiging uit: wie a zegt, moet ook b zeggen.

Mijnheer Strackx, voor wie actief is geweest in de commissie, is dit heel duidelijk. Wie de schoen past, trekke hem aan. U hoeft niet te vrezen dat we op uw fractie doelen. Mevrouw Dillen heeft daarnet in ongeveer dezelfde bewoordingen gesteld dat uw fractie heel sterk heeft meegewerkt in de commissie, en we hebben dat ook niet tegengesproken.

De voorzitter

Is dat voor iedereen duidelijk? Voor mij niet.

Voorzitter, ik heb er geen probleem mee te stellen dat er voor mij twee grote afwezigen zijn geweest in deze commissie, en dat ik dat enorm spijtig vind. Het gaat met name over LDD en Open Vld. De anderen hebben echt heel veel gewerkt in deze commissie.

De voorzitter

Mevrouw Vogels heeft het woord.

Mieke Vogels

Voorzitter, uit respect voor al die sprekers die we hebben gehoord, zou ik eigenlijk vooral van CD&V willen horen welke voorstellen die partij nu onthoudt uit al die hoorzittingen, in plaats van eindeloos te palaveren over wie wel of niet in de commissie was.

Excuseer, mevrouw Vogels, ik heb die discussie over wie er wel en niet was hier niet aangegaan. Ik heb alleen gezegd het jammer te vinden dat sommige fracties weinig interesse hebben betoond. Dat was maar één zin. Het zijn andere leden geweest die me vervolgens hebben gevraagd daar meer toelichting bij te geven.

De voorzitter

Mevrouw Werbrouck heeft het woord.

Ulla Werbrouck

Voorzitter, ik ben inderdaad weinig aanwezig geweest, maar dat betekent niet dat ik niet kan lezen. Ik ben echter geen specialist ter zake. Ik heb inderdaad samen met een aantal mensen het verslag van die hoorzittingen gelezen en op basis daarvan een aanbeveling gedaan. Ik denk dat ik een van de weinige oppositieleden ben geweest die effectief met aanbevelingen naar de meerderheid is gegaan, die heeft aangegeven wat de problemen en knelpunten zijn waarvan we vinden dat ze moeten worden aangepakt. Wij zijn een van de weinige oppositiepartijen geweest die dat hebben doorgestuurd.

Excuseer, ik heb van u geen aanbevelingen gezien.

Ulla Werbrouck

Ik was aanwezig bij vrijwel alle werkbezoeken. Heel veel leden waren daar toen al evenmin aanwezig, waaronder mensen van het Vlaams Belang en CD&V.

De voorzitter

De heer Verstrepen heeft het woord.

Jurgen Verstrepen

Mevrouw Schryvers, ik stel vast dat u afwezigheid koppelt aan een gebrek aan interesse Ik neem daar akte van. In de toekomst zal dat heel boeiend worden. Ik vind dat zeer belangrijk voor de toekomstige werkzaamheden van dit parlement, van de commissies. Indien er iemand afwezig is, ook van uw fractie, is er geen interesse. Dat lijkt me een zeer boeiende discussie.

De voorzitter

De heer Crombez heeft het woord.

John Crombez

Voorzitter, er zullen hier waarschijnlijk nog discussies volgen over wie wat heeft geschreven en voorbereid, en wat weet ik allemaal. Een aantal oppositieleden hebben veel tijd geïnvesteerd in die hoorzittingen, tien maanden lang.

Ik stel gewoon voor om al die discussies even aan de kant te leggen en om onze tijd te gebruiken om over jeugdzorg te debatteren. Het is waar dat mevrouw Werbrouck aan veel plaatsbezoeken heeft meegedaan, ook naar plaatsen waar er niet veel volk was, maar dat was ook niet erg. Het is ook waar dat mevrouw Dillen en mevrouw Vogels heel veel tijd hebben gestoken in de commissie en in de hoorzittingen. Ik kan zo nog een aantal voorbeelden geven. Wellicht zullen er zich nu een aantal mensen aangesproken voelen omdat ik niet iedereen genoemd heb, maar dit is echt niet waar het debat vandaag over moet gaan. (Applaus bij Open Vld)

Voorzitter, ik wil nog even stellen dat ik deze discussie niet heb uitgelokt, ik heb dit alleen maar heel zijdelings vermeld. Vanzelfsprekend gaat het hier over andere zaken. Wat ik heb willen benadrukken, is dat ik het enorm belangrijk vind dat heel dit parlement betrokken is bij de problematiek en dat het over alle beleidsdomeinen heen mee zijn schouders wil zetten onder oplossingen, vooral om te voorkomen dat jongeren instromen in de jeugdzorg.

Het is zowel de verantwoordelijkheid van ouders als van de maatschappij als van ons, om alles in het werk te stellen om de huidige tendens om te keren en om kinderen en jongeren niet in de jeugdhulp terecht te laten komen. Anderzijds moeten we er absoluut voor zorgen dat wie er toch mee te maken krijgt, kan rekenen op gepaste hulp, hulp op maat en hulp die een antwoord biedt op de vraag van de jongere in kwestie.

Doorheen de diverse besprekingen met experts en getuigen uit het werkveld, tekenden zich een aantal duidelijke tendensen af inzake maatschappelijke evoluties die mee de stijgende instroom verklaren. Diverse elementen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar ook in de organisatie van de jeugdhulpverlening zelf werden een aantal knelpunten blootgelegd. Het is aan dit parlement en de regering om die conclusies ter harte te nemen en om werk te maken van de vertaling ervan. Vanuit de meerderheid hebben we dan ook een motie ingediend met tal van aanbevelingen en vragen over diverse beleidsdomeinen.

Vooraleer ik een aantal van deze aanbevelingen aanhaal, zoom ik toch graag even in op een aantal verklaringen zoals we ze hebben gedetecteerd tijdens de werkzaamheden. Experts, getuigen uit het werkveld en wetenschappers halen zowel maatschappelijke veranderingen als evoluties binnen de jeugdhulp aan als verklaring van de toename van het aantal jongeren in de bijzondere jeugdhulp.

Steeds meer mensen ervaren toegenomen druk en stress. Ook kinderen blijven daar niet ongevoelig voor. Kinderen en jongeren moeten aan hoge verwachtingen voldoen. De veelheid van aanbod en continue prikkels maken het ook voor kinderen niet gemakkelijk. Materiële verwenning staat soms in schril contrast met het creëren van een psychisch en sociaal veilige leefomgeving.

Sociale netwerken vervagen en de individualisering neemt toe. Daarmee verflauwen ook de informele zorgkanalen. Onze wereld wordt enerzijds veel kleiner. We kunnen ons vrij bewegen, of via het internet dadelijk weten wat er aan de andere kant van de wereld gebeurt. Tegelijkertijd wordt de wereld veel groter, en groeien afstanden tussen familie, vrienden, enzovoort. Vaak weten we meer over wat duizenden kilometers ver gebeurt, dan over wat bij de buren aan de overzijde van de straat gebeurt, of in onze eigen familie een dorp verder.

Voor CD&V is een beleid dat gericht is op herstel en creatie van het sociale weefsel, op een warme samenleving waarin mensen mekaar kennen en het voor mekaar opnemen, echt prioritair. In de motie wordt hier dan ook heel bewust op gefocust, onder meer door het ondersteunen van wijkraden en buurtcomités en door waar mogelijk bemiddeling naar voren te schuiven.

De kansarmoede groeit, onder meer bij eenoudergezinnen. Dat veroorzaakt niet alleen financiële moeilijkheden, maar ook huisvestingsproblemen en een moeilijke toegang tot de gezondheidszorg. Vaak ontstaat zo een echte multiproblematische context die dan ook een multidisciplinaire aanpak vraagt. Een krachtdadig armoedebeleid is dan elementair in de zorg voor een toekomst voor kinderen en jongeren.

Diverse sprekers haalden ook de toenemende diversiteit aan. Vaak gaat die samen met de problematiek van de verstedelijking, die zich kenmerkt door een hoger aandeel leefloontrekkers, meer alleenstaande ouders, meer allochtone gezinnen, hogere cijfers van spijbelgedrag en schoolachterstand. Ook op dit vlak is een geïntegreerd beleid, dat zich veel verder uitstrekt dan een louter welzijnsbeleid, onontbeerlijk. De maatschappelijke intolerantie neemt toe. Mee ten gevolge daarvan kennen we ook een sterk toegenomen juridisering van onze maatschappij. Mensen willen per se gelijk hebben, en wanneer ze dit niet onmiddellijk krijgen, willen ze dit ook via procedures halen. Rechten worden op tal van manieren afgedwongen. De burgerzin en het besef dat men in een maatschappij ook verantwoordelijkheden en plichten heeft, verdwijnen vaak naar de achtergrond. Het spreekwoordelijke water bij de wijn is dan vaak ver te zoeken, en wordt zelfs soms gepercipieerd als toegeven. Ook kinderen en jongeren delen in deze evolutie, denken we maar aan klachten tegen het geluid van spelende kinderen.

Heel wat ouders ervaren ook grote opvoedingsonzekerheid, terwijl kinderen nood hebben aan structuur. Het aantal nieuw samengestelde en eenoudergezinnen stijgt. Een op drie kinderen maakt een scheiding mee, wat een grote emotionele impact op hen heeft. Dat is zeker het geval wanneer de relatiebeëindiging van ouders in een conflictueuze sfeer verloopt. Kinderen dreigen dan structuur en geborgenheid te verliezen. Soms worden ze zelfs gedwongen keuzes te maken.

CD&V vraagt alleszins veel meer begeleiding van kinderen en jongeren die te maken hebben met conflictueuze relatiebreuken. Zo moeten ze ook op school bijvoorbeeld terecht kunnen bij een vertrouwenspersoon. Hopelijk kan ook het lopende onderzoek ‘Scheiding in Vlaanderen’ concrete voorstellen aanreiken.

Er wordt steeds meer verwacht van de school. Er wordt verwacht dat ze alsmaar meer aspecten van de opvoeding in handen neemt. Dat stelt de draagkracht van het onderwijs op de proef. Spijbelgedrag neemt toe. Er is schoolmoeheid en schoolweigering. De vraag naar trajecten op maat verhoogt de druk op het onderwijzend personeel. Ook het takenpakket en de prioriteitenstelling bij de CLB’s kwamen meermaals aan bod in de commissie. De uitdagingen en de kansen die wij zien op het vlak van onderwijsbeleid zullen straks worden toegelicht door Kathleen Helsen.

Er is een duidelijke tendens tot medicalisering van problemen, met het fenomeen van overdiagnosticeren tot gevolg. Elk probleem moet een naam krijgen, en voor elke aandoening met een naam bestaat er wel een bepaalde medicatie, en krijgt men het recht op welbepaalde hulp. Dat laatste werkt de vraag naar diagnosestelling in de hand.

Afgaande op de genoemde verklaringen voor de stijgende instroom, mag het duidelijk zijn dat een plan van aanpak helemaal niet alleen vanuit Welzijn kan of zelfs mag komen. Alle beleidsdomeinen – Onderwijs, Tewerkstelling, Wonen, Ruimtelijke Ordening, Sport en Cultuur – en alle beleidsniveaus – Vlaams, federaal en lokaal – moeten samenwerken.

Wij vragen dan ook in te zetten op een beleidsdomeinoverschrijdende strategie om adequaat op problemen te kunnen inspelen. Dat het gezin een enorm belangrijke schakel is in en voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren, staat buiten kijf. Een goede papa of mama zijn: iedereen wordt zomaar verondersteld het te kunnen. En ook daar is goed niet goed genoeg, maar willen we allemaal de perfectie zijn: werken, een gezin runnen, kinderen die presteren op school, een actief sociaal leven hebben, naar de sportclub gaan en daar liefst nog kampioen spelen, uitblinken in de muziekschool – geef toe, de lat van de verwachtingen ligt hoog, vaak te hoog, zowel voor ouders als voor kinderen, met faalangst tot gevolg.

Daarom moet meer worden ingezet op informeren en responsabiliseren van jongeren en gezinnen over het ouderschap. CD&V pleit ervoor om ouders te wijzen op, maar ook ten volle te ondersteunen in hun verantwoordelijkheden. Daarbij moet de overheid een helpende hand reiken als het nodig is.

Wij zijn ervan overtuigd dat opvoedingsondersteuning die lokaal verankerd is, sterk kan bijdragen tot ‘empowering’ van gezinnen in hun rol in het groeiproces van kinderen. Noem het voor ons vanaf nu gerust gezinsondersteuning met het groeiproces van kinderen dat centraal staat. In dat kader is ook een ontmoeting en ervaringsuitwisseling tussen ouders met kinderen van gelijke leeftijd van belang: van babybabbel over kinderklap tot tienertalk. Dat zijn voor ons elementaire pijlers inzake preventie.

Kinderen moeten kinderen kunnen zijn. Maar ouders moeten ook ouders kunnen zijn. Voldoende verlofstelsels en een flexibele loopbaanplanning moeten het voor beide ouders mogelijk maken voldoende tijd en ademruimte te hebben om de grote uitdaging van het ouderschap waar te kunnen maken.

Ook genoeg voor- en buitenschoolse kinderopvang moet de combinatie werk-gezin vergemakkelijken. Waar er binnen gezinnen of families conflicten ontstaan, bijvoorbeeld bij een echtscheiding, moet het belang van het kind veel duidelijker naar voren worden geschoven.

Ervaring leert dat bemiddelde oplossingen beter worden aanvaard, en minder spanning en wrevel meebrengen dan opgelegde regelingen. Daarom moet bemiddeling voor CD&V veel prominenter in beeld komen. Waarom bemiddeling niet opleggen wanneer kinderen betrokken zijn bij gezinsbreuken? Vanzelfsprekend moet het kind of de jongere hierin ook een stem hebben. Bij de realisatie hiervan zal CD&V er zeker op toezien dat dit op een kind- en jongerenvriendelijke manier gebeurt.

Kind zijn vraagt ruimte, en dit in alle aspecten. In dat kader moet ook het beleid inzake ruimtelijke ordening worden bijgestuurd. Zonder de administratieve afhandeling van dossiers te willen verzwaren en een neergeschreven toets op te leggen, vragen we toch wel dat elke overheid, inzonderheid de lokale besturen, een ‘kindreflex’ maakt bij het opstellen van ruimtelijke plannen of het goedkeuren van bouw- en verkavelingsvergunningen. Een gericht ruimtelijk beleid, met ontmoetingsruimten en plaats voor kinderen en jongeren, kan een hefboom zijn in het versterken van het sociaal weefsel. Kinderen komen bij elkaar, ouders ontmoeten elkaar, er worden ervaringen uitgewisseld, er wordt zorg voor elkaar opgenomen enzovoort. Hierin vormen onze lokale besturen een cruciale spil. Ze doen al heel veel op dat vlak, maar ik wil hen hierbij oproepen om dat in de toekomst nog te versterken. Steden en gemeenten, ondersteun wijkactiviteiten, stimuleer buurtcomités, organiseer wijkgerichte activiteiten in speelpleinen enzovoort. Ook daar is CD&V voorstander van bemiddeling – buurtbemiddeling – in geval van conflicten.

Met betrekking tot het jeugdbeleid vragen we aan de bevoegde minister meer aandacht voor kwetsbare kinderen en jongeren. We vragen hem om erover te waken dat er met ondersteuning van het middenveld voldoende mogelijkheden zijn voor kinderen en jongeren tot ontplooiing in hun vrije tijd. Belangrijk hierbij is ook rekening te houden met nieuwe trends én hun effecten, waar jongeren doorgaans heel gevoelig voor zijn.

Eenzelfde oproep richten we aan de minister van Sport. Voor CD&V moet er veel meer aandacht gaan naar het welbevinden van kinderen en jongeren. Wie in contact komt met kinderen in de schoolomgeving of in de vrijetijdssfeer – jongerenbegeleiders of begeleiders van sportclubs – moet worden gevormd om meer oog te hebben voor dit welbevinden, omgaan met diversiteit, detectie van problemen, alsook hoe en waar meldingen en doorverwijzingen kunnen gebeuren.

In de motie van de meerderheid vragen we ook speciale aandacht voor een aantal bijzonder kwetsbare groepen. Voor kinderen in armoede zijn structurele armoedebestrijdingsmaatregelen nodig. Voor allochtone jongeren met problemen is specifieke kennis over verschillende etnisch-culturele achtergronden soms onmisbaar. Voor niet-begeleide buitenlandse minderjarigen en jongeren zonder papieren is tijdens de procedure een menswaardige opvang en begeleiding nodig. Speciale aandacht is nodig voor jongeren met zware gedrags-, verslavings-, psychiatrische en emotionele problemen, zodat ze niet langer in de bijzondere jeugdzorg worden ondergebracht.

Zoals ik daarstraks al aanhaalde, kwamen tijdens de besprekingen in de commissie ook een aantal knelpunten binnen de jeugdhulpverlening en de bijzondere jeugdzorg aan bod. Eens een kind moet worden geholpen, moet de overheid ervoor instaan dat dit op de best mogelijke manier gebeurt. Voor CD&V staat daarbij het belang van het kind manifest voorop. Een kind maakt echter ook altijd deel uit van een gezin. Bij het zoeken naar een antwoord op de hulpvraag van een kind of jongere, volstaat het niet enkel hem of haar onder de loep te nemen. De hele omgeving of context dient te worden betrokken. Noem het in plaats van bijzondere jeugdzorg gerust ‘bijzondere gezinszorg met het kind centraal’.

Meermaals werd aangekaart dat vandaag de dag niet altijd de hulpvraag het uitgangspunt is, maar dat er beslist wordt in functie van de beschikbare plaatsen. De minister heeft in dit kader al initiatieven genomen over een centraal punt waar de gegevens inzake beschikbare plaatsen worden verzameld.

De herkenning van een aantal signalen dat hulp nodig is, blijkt ook vaak een knelpunt. CD&V heeft al meermaals de noodzaak aangehaald van een knipperlichtenprocedure, waardoor diverse kleinere tekenen of signalen toch kunnen leiden tot opvolging. Zeker voor de detectie van misbruik of geweld kan een dergelijk systeem bijdragen tot een sneller ingrijpen. Want elk geval van misbruik of geweld blijft er een te veel.

Ook de informatiedoorstroming vormt in heel wat domeinen een algemeen aandachtspunt. Ik denk hierbij onder meer de doorstroming van gegevens van Kind en Gezin naar de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s) en vanzelfsprekend ook tussen de consulenten en tussen de diverse diensten.

De gegevensverwerking en de dossiervorming moeten volgens ons op het niveau van het gezin en niet enkel op het niveau van de jongeren zelf gebeuren. Waar hulp nodig is, pleit CD&V ervoor die hulp zo gezinsgericht mogelijk te maken. In dit verband geloven we ook sterk in de pleegzorg als de eerste te onderzoeken vorm van hulpverlening. Dit geldt zeker voor de allerkleinsten, de 0- tot 6-jarigen.


Om die reden heeft mijn fractie vorige week een groenboek Pleegzorg ingediend. Het is de bedoeling in de loop van het najaar door middel van decreetgevend werk tot een nieuw decreet betreffende de pleegzorg te komen. In dit nieuw decreet moeten een voldoende omkadering en ondersteuning van de diensten voor pleegzorg en de nodige begeleiding en ondersteuning van pleegzorgers en pleegkinderen centraal staan. De thans bestaande drempels moeten worden weggewerkt. Zo blijkt de financiële regeling voor de kinderopvang een grote rem op de opvang van kleine kinderen en pleeggezinnen te vormen. In de toekomst moet de combinatie van pleegzorg en de plaatsing in een internaat, die momenteel niet mogelijk is, zeker kunnen.

Soms zorgt een te late detectie of doorverwijzing of het ontbreken van de meest adequate hulp voor een escalatie van de problemen. Dit moeten we voorkomen. Voor CD&V zijn de toegankelijkheid van de eerstelijnshulp, de uitbreiding van het ambulant hulpaanbod en de uitbouw en versterking van de rechtstreeks toegankelijke hulp dan ook prioritaire actiepunten.

We moeten inzetten op een flexibele trajectbegeleiding die op een continuïteit doorheen het hele traject is gericht en die de risico’s op herval en verzwaring van de problematiek beperkt. Het kind of de jongeren moet hierbij zo veel mogelijk een beroep op eenzelfde vertrouwenspersoon kunnen doen. De continuïteit van de hulpverlening vereist ook een flexibiliteit van de trajectbegeleiding en de mogelijkheid modules te combineren.

Het is van belang langetermijnhulpverleningstrajecten te ontwikkelen. De hulpverlening en de begeleiding mag niet aan de meerderjarigheid stoppen. Ook dit is nog steeds een probleem. De drempel van de meerderjarigheid mag niet de drempel van de hulpverlening zijn. Problemen verdwijnen niet opeens na de 18e verjaardag. Een naadloze aansluiting van de bijzondere jeugdzorg naar de volwassenenhulpverlening moet dan ook mogelijk zijn. Het belang van de samenwerking en van de uitwisseling van informatie hiervoor zal niemand zijn ontgaan.

Kinderen en jongeren die met psychische problemen kampen, zijn tijdens de besprekingen ook als een belangrijke doelgroep naar voren gekomen. In onze resolutie over de vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg, enkele maanden geleden door het Vlaams Parlement goedgekeurd, hebben we al uitdrukkelijk meer aandacht voor deze groep gevraagd.

Nu we de diverse actoren hebben gehoord, herhalen we de noodzaak van meer basishulpverleningscapaciteit van de centra voor geestelijke gezondheidszorg. Dit geldt zeker voor kinderen en jongeren. We vragen ook een uitbreiding van het aanbod van de ambulante zorg, van de thuisbegeleiding en van de crisishulpverlening. Zeker wat de K-diensten van de kinderpsychiatrie betreft, is er behoefte aan meer afstemming. Het doel is tot een integraal hulpverleningsaanbod en tot de ontwikkeling van langetermijnhulpverleningstrajecten te komen. CD&V stelt steeds het belang van het kind voorop. De nadruk die we leggen op de uitbouw van de rechtspositie van de betrokken minderjarige, bewijst dit ook.

Binnen het hulpverleningsproces vervullen de hulpverleners vanzelfsprekend een ontzettend belangrijke taak. Hierbij wil ik hun dan ook namens mijn fractie onze appreciatie meegeven. Ze doen, vaak niet in gemakkelijke omstandigheden, hun werk met hart en ziel. Het is om die reden absoluut noodzakelijk dat zij worden ondersteund en begeleid. Een goede opleiding, de uitwisseling van ervaringen, intervisies, supervisies en bijscholingen moeten ervoor zorgen dat ze de complexiteit van de problemen aankunnen.

Collega’s, wat me ook heeft gefrappeerd, is de vraag naar bijkomend wetenschappelijk onderzoek, onder meer inzake de hulpverleningstrajecten. Maar ook over de impact van milieucondities of voeding op de incidentie van karakter- en gedragsstoornissen is nog veel te weinig geweten, en dat dient verder onderzocht te worden.

Collega’s, de Commissie Jeugdzorg heeft haar werk gedaan. Het is nu tijd voor actie. Dat we voor grote uitdagingen staan, lijdt geen twijfel. Pas vorige week maakte Kind en Gezin er ons nog op attent dat over tien jaar het aandeel kinderen en jongeren in onze samenleving gestegen zal zijn met 15 procent. Concreet spreekt de organisatie van 34.500 meer kinderen tussen 6 en 12 jaar en 31.000 meer kleuters in 2020.

Daarbij komt nog dat de diversiteit van gezinnen steeds toeneemt. Een vierde van de kinderen die nu geboren worden, heeft een moeder van niet-Vlaamse origine. Ook dit aantal neemt nog elk jaar toe. Daarmee gaat ook de moeilijkheid van een andere thuistaal gepaard. Vandaag spreekt nog 77 procent van de gezinnen met jonge kinderen thuis Nederlands. Maar ook dat cijfer daalt.

Volgens Kind en Gezin werden vorig jaar in Vlaanderen 71.200 baby’s geboren. Dat is 1,7 procent meer dan in 2009. Kind en Gezin zegt dat die groei nog een aantal jaren zal doorzetten. De organisatie voorspelt over tien jaar zelfs een toename met 15 procent. Die kinderen en jongeren zijn de toekomst.

Laten we, over alle beleidsniveaus en beleidsdomeinen heen, de handen in elkaar slaan opdat al deze kinderen en jongeren, ook zij die het om een of andere reden moeilijk hebben, kunnen opgroeien in een geborgen en veilige omgeving. Dat is niet enkel onze verantwoordelijkheid, het is onze plicht. En die plicht begint en eindigt niet met de hertekening of uitbreiding van enkel de bijzondere jeugdzorg zelf, maar vraagt inspanningen over alle sectoren heen. Voorkomen is nog altijd beter dan genezen. Het is een plicht die wij met zijn allen moeten opnemen, niet morgen, maar nu. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Gysbrechts heeft het woord.

Peter Gysbrechts

Voorzitter, minister, collega’s, ik zal niet uitweiden over de start van de vorige spreker. Ik denk dat de insteek van de heer Crombez de juiste is. Het is belangrijk dat hieruit resultaten voortkomen en geen wederzijdse verwijten. Anders zouden we dit themadebat laten verzanden in een nodeloos gekibbel.

Collega’s, van oktober 2010 tot april-mei 2011 kreeg de Commissie Jeugdzorg een heel bondige, maar specifieke opdracht, namelijk op zoek te gaan naar de maatschappelijke verklaringen voor de groeiende instroom in de bijzondere jeugdzorg en aanbevelingen op te maken voor de toekomst. In het verleden heeft dit parlement al eens een poging ondernomen om de toenmalige instroom binnen de jeugdzorg te verklaren. De commissie heeft er echter voor gekozen om niet voort te bouwen op het verleden, en vanaf nul te beginnen. Deze keuze heeft geleid tot een groot aantal hoorzittingen en een omvangrijk, maar zeer compleet beeld van hoe de sector omspringt met die instroom, op welke manier elk van hen naar oplossingen zoekt en, vooral, hoe elke partner in dit verhaal het beleid ter zake ervaart en beleeft.

Ik denk dat de voorzitter van onze commissie, mevrouw De Wachter, alles in het werk heeft gesteld om alle betrokken partijen en vertegenwoordigers van alle niveaus, van de managers en directeurs van de agentschappen en de grote instellingen tot de mensen op het terrein, maximaal te horen, om hun licht te laten schijnen op de materie en hun visie en hun mening te geven over de pijnpunten, maar ook om de positieve verhalen binnen de jeugdzorg weer te geven.

De vele getuigenissen en hoorzittingen maakten duidelijk dat daar nood aan was. Ze hebben in onze commissie alle kansen gekregen om in alle vrijheid, oprecht en eerlijk, hun verhaal te vertellen. Voorzitter, ik wil u mijn dank betuigen voor de goede samenwerking en de opbouwende wijze waarop u deze commissie hebt geleid.

De maatschappelijke beleidsnota Jeugdzorg reflecteert dit grotendeels. Met onze aanbevelingen willen we vooral de essentie van de problematiek in de verf zetten, zonder te verzanden in te veel technische details. Dat moet een aanzet zijn om de sector een signaal te geven dat we de kern van de boodschap hebben begrepen. Dat hebben we hun beloofd en dat moeten we dan ook doen.

De toenemende druk en stress, de toename van het aantal zwakkere gezinnen, de overbevraging van het onderwijs, die het moeilijk maakt om preventief te werken, de armoedeproblematiek en de onrustwekkende toename van het aantal jongeren in kwetsbare groepen zijn de tendensen die de basis en de achtergrond vormen waarop het jeugdzorgverhaal zich afspeelt. Het zijn factoren die we meermaals tegenkomen in andere commissies en die voor de volgende generaties maatschappelijke uitdagingen zullen blijven. De zoektocht naar een beter evenwicht in onze samenleving is de kern van elk beleidsverhaal. Voor jeugdzorg is dat niet anders.

Ik denk dat de voltallige commissie het eens is over die vaststelling en dat die terecht het vertrekpunt vormt van de beleidsnota Jeugdzorg. De hoorzittingen in de commissie hebben tot een aantal, bijna unanieme, conclusies geleid. Verschillende sprekers kwamen vaak tot dezelfde conclusies, botsten op gelijkaardige obstructies of bevonden zich in identieke situaties. Ik wil er enkele extra benadrukken.

Eerst en vooral beschikken we vandaag over een gebrekkige registratie van het parcours dat een jongere aflegt binnen de jeugdzorg. Het cijfermateriaal dat naar voren geschoven werd in de commissie, maakte het haast onmogelijk te zeggen wat de exacte reden is van de toename in die cijfers.

Er bestaat geen permanente begeleiding. Zoals de beleidsnota correct weergeeft, komen jongeren vooral buiten de kantooruren in crisissituaties terecht. Dat doet het aantal dossiers in de tweedelijnszorg en het aantal MOF-dossiers (als misdrijf omschreven feit) geen goed.

Het zorgaanbod is te verdeeld en veel te ondoorzichtig. We spreken over maar liefst 5900 jeugdhulpmodules. We mogen tevreden zijn dat we in een regio leven waar we de luxe hebben om dit te ontwikkelen, maar we moeten tegelijk het gezond verstand hebben om tot een overzichtelijk en efficiënt zorgaanbod te komen. We mogen geen angst hebben om te kijken in hoeverre die 5900 modules allemaal in verhouding staan tot de kosten die ze met zich meebrengen.

Collega’s, de wachtlijsten zijn hier al meermaals aangehaald. Het is een knelpunt in vele welzijnsdossiers en jammer genoeg ook in de jeugdzorg. De algemene vaststelling die in de commissie heerste, was de noodzaak om snel en krachtdadig in te grijpen in een probleemsituatie, in plaats van langdurig en stelselmatig intensifiërend, zoals nu in de praktijk. Problemen bij jongeren ontwikkelen zich in een snel tempo. Een wachtlijst is daarom vaak de incubatietijd die een probleem nodig heeft om van een eerstelijnszorgdossier te ontpoppen tot een dossier dat naar de jeugdrechtbank moet.

Collega’s, jeugdzorg is een mensensector. Het is een sector waar je snel contact moet kunnen leggen met soms moeilijke en wantrouwende jongeren. Het vraagt een bepaalde ervaring, die je alleen maar kunt leren op de werkvloer. Toch merken we binnen de jeugdzorg een groot personeelsverloop en een grote aanrukkende groep van personeelseden die pensioengerechtigd zijn. De werkdruk, het grote aantal dossiers, het gebrek aan tijd om het vertrouwen te winnen van een jongere en het constante gevoel van verantwoordelijkheid voor iemand anders dragen allemaal bij tot dat personeelsverloop. Kortom, een job in de jeugdzorg geeft niet steeds de voldoening die nodig is, en dat heeft ongetwijfeld gevolgen voor de jeugdzorg in zijn geheel.

De evolutie van residentiële zorg naar meer ambulante zorg is al gemaakt in de hoofden van de hulpverleners op de werkvloer, nu alleen nog de middelen en de overtuiging op beleidsniveau dat ambulante zorg een grote preventieve impact heeft. Het is geen en-ofverhaal, maar een en-enverhaal. Als we de huidige instroom op een gepaste wijze willen behandelen, zullen we moeten evolueren naar een betere residentiële zorg en naar veel meer ambulante zorg.

Wie meerderjarig wordt binnen de jeugdzorg, loopt daarna vaak verloren in het systeem. We moeten vermijden dat jeugdzorg voor sommige jongeren een wachtkamer wordt. Een significante groep jongeren heeft baat bij of nood aan een verdere begeleiding na de meerderjarigheid. Ook hier weet men niet wat er verder van deze jongeren terechtkomt, eens zij hun parcours binnen de jeugdzorg hebben afgerond. Er is weinig of geen sprake van nazorg en opvolging.

Wij mogen ook zeker niet de ouders van die jongeren vergeten, die ook terugvallen in een thuissituatie vol problemen …

Ik wou deze conclusies extra benadrukken, omdat het stuk voor stuk gaat om structurele, beleidsmatige conclusies. Dit zijn beleidskeuzes die we kunnen maken. Dit zijn geen samenlevingstendensen of maatschappelijke evoluties. Dit zijn concrete actiepunten die wij, indien wij dat willen, op relatief korte termijn kunnen uitvoeren. Daarnaast zijn er twee belangrijke maatschappelijke fenomenen die naar mijn mening het zwaarst bijdragen tot de stijgende instroom in de jeugdzorg. Er is vooral nood aan meer structuur in deze maatschappij. Een grote groep van jongeren kan zijn weg niet meer vinden: niet in het gezin, niet in de school, niet in zijn wijk of zijn stad, en vaak zelfs niet meer in zichzelf. De maatschappij ondergaat een sterke individualisering. Dat hoeft niet per se slecht te zijn. Het is een goede zaak dat de maatschappij zich heeft ontpopt tot een samenleving waar je als individu meer vrijheid, meer kansen en meer rechten hebt. Die tendens was noodzakelijk. Maar niet alle jongeren hebben daar een boodschap aan. Een samenleving bestaat ook nog altijd uit een sociale context, en die mogen we niet uit het oog verliezen.

We leven in een samenleving die niet meer functioneert zonder naamplaatjes. Elke vaststelling, elk type gedrag, elke afwijking van het ideale gedragsmodel moet een naam hebben. Die tendens is ook merkbaar in onze instellingen en in de manier waarop we zorg benaderen. Zonder diagnose, geen remedie. Het zorgaanbod is louter georiënteerd op de diagnose. Het maakt soms een flexibele behandeling onmogelijk en werkt soms inefficiënt werken in de hand. Daarmee wil ik niet verzanden in een afkeuren van het ideaalbeeld dat ouders soms van kinderen hebben. Er is niets mis met het ontplooien van talenten, het streven naar een betere toekomst voor uw kind, en als dat een naamplaatje vereist, dan is dat maar zo. Maar de dingen benoemen, hoeft niet te betekenen dat we er ook naar moeten handelen. Handelen gebeurt op basis van een probleemstelling, ongeacht welke naam erop kleeft. Vanuit die overtuiging steun ik de oproep van vele sprekers naar meer contextgericht werken, los van de maatschappelijke tendens en met het oog op een snelle oplossing voor de jongere en het gezin.

De vraag is nu welke aanbevelingen deze commissie kan meegeven. Een aantal van hen zijn aanbevelingen die worden gedragen door het hele werkveld en waarschijnlijk door de meeste commissieleden en politieke partijen. Zo vragen wij het volgende.

Een: om vanuit alle beleidsdomeinen sterk in te zetten op het stimuleren van een sterk sociaal weefsel en een maatschappij waar een kind nog een kind kan zijn en het zijn talenten individueel en gemeenschappelijk kan ontwikkelen in een veilige thuisomgeving.

Twee: om het voorveld of nevenveld in de welzijnszorg te versterken om een brede instap mogelijk te maken en maximaal problemen aan te pakken buiten het kader van de bijzondere jeugdzorg.

Drie: om het decreet op opvoedingsondersteuning om te schakelen van een therapeutische en medische beleidsmethodiek naar een contextgericht model waarbij men start vanuit evidence-based werken en waar men ondersteuning kan bieden in de context van het gezin.

Vier: om alle middelen en zorgvormen in jeugdzorg met onder andere de vertrouwenscentra kindermishandeling, de bijzondere jeugdzorg, geestelijke gezondheidszorg kinderen en jongeren, gehandicaptenzorg voor jongeren en de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning onder te brengen bij het Agentschap Jongerenwelzijn.

Vijf: om creativiteit en oplossingsgericht denken in de integrale jeugdhulp meer ruimte te geven. Procedures en modules maken het onmogelijk om vaak concrete en snelle oplossingen aan te reiken. Procedures en wachtlijsten zijn muren die men dient te slopen als men lange trajecten in de jeugdzorg wil vermijden.

Zes: een trajectbegeleiding door een vertrouwenspersoon, als sleutelelement in de heroriëntering van het jeugdzorgbeleid. Een trajectbegeleider kan functioneren als een ankerpunt van het hele traject dat een jongere in de jeugdzorg aflegt en is de eerste bouwsteen om opnieuw vertrouwen op te wekken in de samenleving en haar instituten, haar normen en waarden en de directe omgeving van de jongere.

Zeven: om, rekening houdende met de diagnose, maximaal de zorg te organiseren op basis van de vraag van jongeren en hun ouders, in samenwerking met de casemanager en professionele hulpverleners, en om contextgericht te werken, zodat men kan appelleren aan de verantwoordelijkheid van elkeen.

Acht: om te voorzien in voldoende intensiteit van de zorg in de beginfase, om deze in functie van de resultaten te kunnen afbouwen.

Negen: om over de beoogde doelen zeer duidelijk te communiceren met jongeren en hun familie.

Tien: om jongvolwassenen in de jeugdzorg tijdig een praktische training te geven ter voorbereiding van het zelfstandig wonen, en om te voorzien in vertrouwenspersonen waar jongvolwassenen later een beroep kunnen op doen.

Elf: om werk te maken van nazorg voor jongeren waar de begeleiding in het kader van de bijzondere jeugdzorg is afgelopen, en te voorzien in een aangepast opvangaanbod voor jongvolwassenen en volwassenen die uitstromen uit de jeugdzorg en uitbehandeld zijn.

Twaalf: om rekening te houden met de toenemende vraag naar een diversiteitsbeleid binnen de jeugdzorg dat rekening houdt met de verschillende culturen en opvoedingsgewoonten.

Dertien: om te investeren in een goede ondersteuning van de personeelsleden in de jeugdzorg waarbij de nodige aandacht wordt besteed aan de zogenaamde intervisie.

Veertien: om een betere regionale spreiding in het zorgaanbod te realiseren zodat jongeren zoveel mogelijk in eigen regio een beroep kunnen doen op jeugdzorg.

Vijftien: om meer te investeren in wetenschappelijk onderzoek over de trajecten die jongeren afleggen in de jeugdzorg en de beslissingen die daartoe leiden.

Zestien: om projecten en experimenten meer wetenschappelijk te onderbouwen en meer te beperken in duurtijd in functie van een resultaatsverbintenis.

Ten slotte zijn er een tweetal aanbevelingen die naar onze mening doorslaggevend zijn voor een betere jeugdzorg. Eerst en vooral is er de aanbeveling om het project toegangspoort in zijn huidige vorm stop te zetten en om te vormen tot een flexibel instrument dat vooral snel en accuraat kan inspelen op de zorgvraag van jongeren en dat de verschillende partners binnen jeugdzorg kan binden. De toegangspoort kan niet meer rekenen op de steun van de hulpverleners en heeft bijgevolg geen voldoende maatschappelijk draagvlak meer in zijn huidige vorm. Ik zie niet in hoe een dergelijk sleutelproject kans heeft op slagen, zonder de absolute steun van de sector.

Een tweede aanbeveling is om voldoende middelen te investeren in zowel ambulante als residentiële zorg om de wachtlijsten zo snel mogelijk terug te dringen en over te kunnen gaan tot een sterk zorgaanbod. De wachtlijsten in jeugdzorg zijn een samenleving als de onze onwaardig. Dit moet een absolute prioriteit zijn.

Deze aanbevelingen zijn in een eerste fase, wat Open Vld betreft, vanzelfsprekend. Dit vraagt inzet en toewijding van alle ministers en departementen. Jeugdzorg beperkt zich niet enkel tot welzijn en jeugd, maar vraagt acties binnen onderwijs, huisvesting, armoede, inburgering enzovoort. Dit zal veel minder vanzelfsprekend zijn, integendeel, deze samenwerking zal een van de grote uitdagingen zijn in dit dossier.

Maar ik wil even terugkomen op het begin van mijn uiteenzetting. Tot op vandaag hebben we nog steeds geen duidelijk zicht op welke trajecten worden afgelegd. We hebben ook geen zicht op wat er gebeurt met jongeren nadat ze de meerderjarigheid hebben bereikt en ze het parcours binnen de jeugdzorg hebben uitgelopen. We missen voorlopig nog een groot stuk in de puzzel die onze analyse van de stijgende instroom in de jeugdzorg moet vervolledigen. Daarom zijn deze moties slechts een aanzet tot meer onderzoek, meer middelen, meer investeringen en vooral een ander beleid, een andere manier naar hoe we naar jongeren kijken en met hen omgaan.

De vraag zal zijn in hoeverre de meerderheid dergelijk verhaal tot een goed einde zal kunnen brengen. Ik zit immers met een dubbel gevoel. Op het einde van de commissiewerkzaamheden ben ik vertrokken met een positieve indruk. Iedereen heeft duidelijk aangevoeld hoe broodnodig die zittingen wel waren. Het was voor velen een belangrijk moment om eindelijk door de politiek gehoord te worden. Maar als ik de motie van de meerderheid bekijk, dan mis ik diezelfde sfeer, diezelfde ontlading als degene die ik in de commissie voelde. De motie mist naar mijn aanvoelen de geest van de commissie. Zo lees ik bitter weinig over de toegangspoort en de integrale jeugdhulp, wat momenteel toch de hoekstenen zijn van de jeugdzorg. We moeten durven toe te geven dat we met het decreet Opvoedingsondersteuning en de integrale jeugdhulp geen, of niet voldoende resultaten geboekt hebben. Nochtans waren de verwachtingen in die tijd zeer groot.

Collega’s, laat dit daarom alsjeblieft geen louter therapeutisch verhaal blijven. Laat ons niet verzanden in een lange lijst van verbeteringen in de marge. De sector verwacht een omwenteling. Hij verwacht een nieuw project waar hij zich achter kan zetten, een project met minder structuren en meer flexibiliteit, een project dat aansluit bij de noden van de jongeren en niet zozeer bij de overlevingsdrang van instellingen en structuren. De voornaamste aanbeveling die ik dan ook wil meegeven aan de regering, is om dit dossier niet los te laten en de schreeuw van de sector te vertalen in concrete resultaten. (Applaus)

De voorzitter

De heer Crombez heeft het woord.

John Crombez

Minister, sommige collega’s vragen waarom wij, uit de meerderheid en de oppositie, veertig minuten spreektijd hebben gevraagd. Dat is omdat het zelfs niet in een uur of twee lukt om heel het verhaal van de sector te brengen. Veertig minuten spreektijd is echt niet veel.

We zijn begonnen met de vaststelling dat in 1999 de hele analyse van de jeugdzorg is gemaakt. Er zijn toen goede analyses en vaststellingen gemaakt. Toen zaten er minder dan de helft kinderen en jongeren in de jeugdzorg dan vandaag.

Uit de cijfers van Jongerenwelzijn blijkt dat er 27.000 jongeren in de jeugdzorg zitten. Dat is meer dan een verdubbeling na de vaststellingen van meer dan tien jaar geleden. Toen waren de cijfers al niet mis. Men vroeg zich af wat daar de oorzaak van is. Dat was ook de missie van de commissie. Volgens experts is het aantal jongeren met een stoornis constant in de tijd. Ook het aantal jongeren dat echt probleemgedrag stelt, is niet toegenomen. En toch is er een verdubbeling van het aantal jongeren in de jeugdzorg. Het aantal complexe problemen bij jongeren is echter wel toegenomen.

Hoe komen we aan die verdubbeling van het aantal jongeren in de jeugdzorg? We hebben gezocht naar de oorzaken van instroom. Er zijn heel veel facetten, die moeilijk allemaal in een debat kunnen worden behandeld. Ik wil toch een aantal zaken benadrukken. Een aantal academici en mensen uit het werkveld hebben getuigd dat er duidelijke rode draden terug te vinden zijn. Zo zien ze dat er veel flessenhalzen zijn: er wordt gezocht naar goede plaatsen, maar die zijn niet te vinden. Ze zien ook vaak wat er nodig is voor de jongeren, maar ze kunnen het niet bieden.

Het komt erop neer dat heel de jeugdzorg georganiseerd is meer dan 5000 modules. De integrale jeugdzorg moest er net voor zorgen dat men op een geïntegreerde manier een oplossing kon bieden. Men is echter vervallen in nog meer modules en labels. Tegenwoordig moet men een label plakken op een kind of jongere om in het systeem te raken. De integrale heeft er niet toe geleid dat er een systeem is gekomen – ondanks de vaststelling dat het probleem alsmaar complexer wordt – waarbij het evident is om de jongeren te helpen.

We zijn in het werkveld concrete voorbeelden tegengekomen. Ik woon in Oostende. We zijn met een deel van de commissie ook naar Oostende geweest, waar we getuigenissen van ouders gehoord hebben. Vaak zijn die getuigenissen bijzonder schrijnend. Ze tonen dat het niet zo moeilijk is om een analyse te maken en kinderen te helpen als ze hulp nodig hebben. Toch gebeurt dat vaak niet. Hoe komt het dat dat niet lukt? Wat ontbreekt er aan ons systeem?

Uiteraard verandert onze maatschappij. Maar ze veranderde ook in de jaren 80 en 90. Voorzitter, als je de leeftijd van 60 jaar nadert, vind je de jeugd vaak anders en complexer dan in je eigen tijd. Vaak vind je dat de jeugd niet de goede waarden en normen heeft. De maatschappij is veranderd: er zijn meer alleenstaande ouders, echtscheidingen, enzovoort. Elke decennium wordt geconfronteerd met maatschappelijke veranderingen. Daar moet uiteraard aandacht aan worden besteed. Zo moet er zeker kinderopvang worden gepland voor alleenstaande moeders, enzovoort.

De belangrijkste vaststelling uit die getuigenissen is voor mij echter dat ons systeem slecht werkt. Ik hoop dat niemand dat beschouwt als een signaal voor een bepaald politiek persoon of dergelijke. Het is veel complexer dan dat. We hebben het geluk dat we in een discussie over staatshervorming zitten. We hebben het nadeel dat we daar al veel te lang in zitten. In de huidige nota – en ook in eerdere nota’s – staat dat een deel van het jeugdzorgbeleid, het jongerenwelzijn, verdeeld is over bevoegdheidsniveaus: kinderpsychiatrie, geestelijke gezondheidszorg, jeugdbescherming, enzovoort. We zitten daar dus met een opdeling van bevoegdheden. Het feit dat er geen opnameplicht is in de geestelijke gezondheidszorg, zien wij als een grote belemmering. Dat jeugdbescherming op een aantal vlakken niet rechtstreeks kan worden gekoppeld aan jongerenwelzijn en onderwijs, is een andere belemmering. Momenteel zit het op verschillende niveaus, maar hopelijk zit het binnen een aantal dagen, weken, maanden of decennia op hetzelfde niveau – het staat althans in de voorstellen.

Stel dat het dan allemaal op hetzelfde niveau zit, dan is het nog de vraag hoe je dat het best organiseert. Uit een aantal moties blijkt ook dat je die verschillende bevoegdheden bijzonder moeilijk uit elkaar kunt halen.

Marijke Dillen

Mijnheer Crombez, u pleit er – volledig terecht – voor dat alles op hetzelfde beleidsniveau wordt gebracht. Ik hoop dan toch dat het, het vorige Vlaamse regeerakkoord indachtig, de bedoeling is om alles naar het Vlaamse niveau te brengen. Zo stond het immers in het vorige Vlaamse regeerakkoord: niet enkel het jeugdsanctierecht, maar het volledige justitiële welzijnsbeleid. Ik hoop uit uw betoog dus te mogen afleiden dat dat de bedoeling is, en niet om alles opnieuw naar het federale niveau te brengen.

John Crombez

Mevrouw Dillen, u of uw collega’s zullen in de nota-Vande Lanotte gelezen hebben dat dat inderdaad de bedoeling is. Dat is nu niet anders.

Als we die bevoegdheden dan allemaal op hetzelfde niveau hebben, is de vraag hoe je het jeugdzorgbeleid het best organiseert. Het is maar de vraag of het zo evident is om de jongerenwelzijnsaspecten van bijvoorbeeld Onderwijs te scheiden.

Ons systeem heeft zeker niet tot verbeteringen geleid. Op dit moment is het zelfs zo dat een heel aantal mensen uit diverse domeinen van de sector niet meer geloven dat het goed komt. De vorige kinderrechtencommissaris heeft zich daar ook over uitgesproken. Zij had de uitdrukkelijke vrees dat het niet meer goed zou komen. Als we maandenlang naar die mensen hebben geluisterd, was dat met de bedoeling dat het zou verbeteren.

Ik ben het op dat vlak niet eens met de collega’s van de oppositie die zeggen dat ze in de meerderheidsmotie niet genoeg terugvinden over wat er moet veranderen in de jeugdzorgsector. Ik zal twee voorbeelden geven. Opvoedingsondersteuning moet geëvalueerd en grondig aangepast worden. Wat dat dan moet zijn, moet bepaald worden na een discussie. Dat staat twee keer in de meerderheidsmotie. Het klopt niet dat de meerderheid niets zegt over het grondig evalueren en aanpassen.

Integrale jeugdhulp staat al in de aanhef, met een verwijzing naar de K.U.Leuven-nota. Er staan vier specifieke bepalingen over de integrale jeugdhulp, plus de vraag om modules te kunnen koppelen. Wij vragen niet dat er tabula rasa wordt gemaakt. De Open Vld-motie bevat bijzonder veel goede punten, die ook in de meerderheidsmotie staan, maar waarom die tabula rasa? Dat gaat niemand geloven. Er zullen een aantal dingen drastisch moeten veranderen, maar nu een streep trekken door een aantal zaken, dat geloof ik niet.

Ik geloof wel dat we af moeten van het systeem waarbij we de jeugdzorg administratief bekijken en een kind of een jongere als een dossier beschouwen. De beste manier om dat te doen, is de financiering die we nu op instellingen en andere voorzieningen plaatsen, bijvoorbeeld op het aantal crisisbedden of het aantal bedden in een gesloten instelling, bij de jongeren zelf te brengen. We moeten diegenen die dicht bij de jongeren staan en de jongeren kennen, toelaten om, na analyse van de zorgvraag en de context, zelf die financiering te geven. Want dat is het meest opvallende in alles wat we hebben gehoord: zelfs als ze weten wat er moet gebeuren op het werkveld, kunnen of mogen ze het vaak niet doen. Geef de financiering en de verantwoordelijk daarom veel meer aan de mensen die dicht bij de jongeren staan, en responsabiliseer hen voor de resultaten die ze ermee bereiken.

Ze willen het ook doen. Ze hebben het zelf een paar keer in de commissie gezegd. Dat wordt dus elementair. Het betekent dat we geen tabula rasa moeten maken, maar wel een serieuze omslag moeten realiseren in de manier waarop we denken over jongerenwelzijn in de brede zin. Natuurlijk gaat het ook over onderwijs. Natuurlijk gaat het ook over kinderopvang. Natuurlijk gaat het ook over ruimtelijke ordening. Maar het idee dat mensen die de historische achtergrond en de context van het kind goed kennen, niet kunnen doen wat ze nodig vinden om het kind te helpen en te versterken, is een raar idee. Mensen begrijpen niet dat dit, tot op vandaag, het systeem in Vlaanderen is, en toch is dat het systeem. Zeer administratief, zeer geregeld, zeer in modules gegoten.

Als er niets verandert, zullen er veel kinderen bij komen. De reden is simpel. Er is een ongelooflijk systeem dat kinderen een label met hun probleem geeft. ‘Help, mijn kind heeft geen probleem’. Je hebt een raar kind als er geen probleem of diagnose is. Het is normaal om wel een probleem te hebben. Stel dat ze het niet gezien hebben. Als er een probleem met een diagnose is, dan moet er een gevolg aan worden gegeven. Als de CLB’s het in de scholen niet voorschrijven, dan kan een externe expert het probleem op papier zetten en sommige externe experten zorgen ook zelf voor de therapie. Dat is pas een systeem. Als we niets aan dat systeem doen, dan komen er nog kinderen bij.

Ik heb het niet over de boefjes. Er is één fractie die daar de nadruk op heeft gelegd en één parlementslid van een andere fractie heeft dat hier ook al eens gedaan. In het jaarverslag staat dat minder dan 10 procent van kinderen in de jeugdzorg boefjes zijn. Boefjes krijgen veel aandacht in de pers. Het gaat om minder dan 10 procent. Is het belangrijk om met die groep aan het werk te gaan? Natuurlijk. Zijn er zware feiten bij? Natuurlijk. Ik ben van Oostende. Er zijn daar een aantal zware feiten gepleegd, niet door kinderen van allochtone afkomst maar door ‘echte’ Oostendenaars. Natuurlijk is het belangrijk dat er een grondige aanpak is, zowel in preventie als in nazorg. Maar het is een kleine groep van de jongeren die hulp nodig hebben.

Marijke Dillen

Voorzitter, collega’s, ik heb het daarstraks gezegd maar ook al talrijke keren in de commissie naar aanleiding van de hoorzittingen: de cijfers zijn inderdaad juist. Slechts een klein gedeelte van de dossiers in de bijzondere jeugdzorg zijn MOF-dossiers. Het grote probleem is, zeer specifiek in de grootsteden en heel in het bijzonder in Antwerpen, dat de situatie niet meer beheersbaar is. De situatie is zo uit de hand gelopen dat er meer dan voldoende aandacht aan moet worden besteed. Dat wil zeggen dat de overgrote meerderheid – en er bestaat bij de bevolking vaak verwarring over – van de kinderen in de bijzondere jeugdzorg in een POS-situatie zitten.

We moeten er bij hoogdringendheid werk van maken, maar ook de fameuze MOF-dossiers mogen we niet verwaarlozen, want die vormen vaak een groot maatschappelijk probleem. Mijnheer Crombez, ik geef u de raad om eens naar de website van Justitie te surfen. Het is een objectieve bron. U kunt er een aantal aspecten van jeugdcriminaliteit die zij belichten, onder de loep nemen. Ik denk dat ook daar verhoogde aandacht aan moet worden besteed.

De voorzitter

De heer Reekmans heeft het woord.

Peter Reekmans

Mijnheer Crombez, ik hoor u graag zeggen dat u het niet zult hebben over de boefjes omdat zij maar 10 procent uitmaken. Gelukkig maken de gevangenen in ons land ook maar een beperkt percentage van de bevolking uit, want anders zou het maar erg zijn.

Het is wel een belangrijk percentage. Ik heb me de afgelopen periode enkel beziggehouden met jeugddelinquentie, de boefjes dus. Ik vind die 10 percent wel een belangrijke groep.

In 2000 waren er ongeveer 2518 MOF-jongeren, in 2009 waren het er al 3500. We hebben de voorbije tien jaar een heel sterkte stijging gekend van het aantal MOF-jongeren. Mijnheer Crombez, u zegt dat het maar over 10 procent gaat maar het is wel die groep waar de maatschappij de meeste hinder van ondervindt. We mogen hier niet spreken over lichte gevallen. We moeten een uitbreiding krijgen van de zwaardere gevallen.

Vorige donderdag heb ik minister van Onderwijs Smet daarover geïnterpelleerd. Ik verwijs ook naar het rapport van het Kinderrechtencommissariaat, dat intussen een jaar oud is, en naar het samenwerkingsprotocol dat minister Vandeurzen met minister Smet heeft gesloten over onderwijs voor die jongeren.

Mijnheer Crombez, toen ik tijdens een vorige zitting deze problemen op tafel durfde te leggen, hebt u me een platzak en een clown genoemd. U durft die 10 procent niet aan te pakken en u durft de problemen niet bij naam te noemen. Het tijdens de afgelopen tien jaar gestegen aantal MOF-jongeren wordt opgesloten, krijgt geen deftig pedagogisch project, krijgt geen onderwijs en wordt dus zeker niet voorbereid op een reïntegratie in de maatschappij. Dat is een gemiste kans voor de commissie. Het gaat immers maar om 10 procent.

Mijnheer Crombez, ik besef dat het heel moeilijk is een oplossing te vinden voor deze problematiek. Toch zijn we vandaag niet goed bezig. Wat het gebrek aan onderwijs betreft, heeft uw partijgenoot, minister Smet, me in de commissie gelijk gegeven en letterlijk gezegd dat er een onderwijsprobleem is, zeker in De Grubbe in Everberg. Ik vind het spijtig dat er geen enkele aanbeveling in de nota staat om daar concreet iets aan te doen.

Mieke Vogels

Daar wordt wel iets aan gedaan. Er is een voorstel van resolutie hangende in de commissie Welzijn. Onmiddellijk na het reces komt er een hoorzitting. Tussen uw aanklacht, die zeker voor een deel terecht was, en nu zijn er al een aantal dingen gebeurd.

Er is niemand in de Commissie Jeugdzorg die niet durft in te zien dat er crimineel gedrag is bij jongeren. Het is geen probleem om dat in te zien en daar de gepaste maatregelen voor te nemen. Onderwijs is er een van. Een soort brug om terug te keren naar de samenleving zoals De Overstap, die ik zelf heb gecreëerd in Antwerpen en die burgemeester Somers in Mechelen heeft gekopieerd, is daar een voorbeeld van.

Mijnheer Reekmans, wanneer u het over 10 procent hebt, dan gaat het ook over heel wat jongeren die een problematische opvoedingssituatie kennen. Zij hebben een complexe psychiatrische problematiek. Aangezien er echter geen plaatsen zijn in de gesloten psychiatrie maakt de jeugdrechter, en dat heeft hij getuigd in de commissie, daar toch een kleine crimineel van om toch maar een plaats te vinden voor die jongere. Ook met die realiteit moet u rekening houden.

Ik voel me echt niet aangesproken. Wij zijn daar in de Commissie Jeugdzorg en in de commissie Welzijn wel degelijk mee bezig geweest.

John Crombez

Natuurlijk zijn we daarmee bezig geweest.

Ik ga niet reageren op uw betoog, mijnheer Reekmans. We hebben het daar al over gehad. Ik heb het over minder dan 10 procent, omdat de overweldigende aandacht in de media voor die 10 procent maakt dat er over de andere 90 procent weinig bekend is. Wanneer men aan de gemiddelde burger vraagt waar jeugdzorg over gaat, dan denkt hij of zij dat het over die 10 procent gaat, terwijl het eigenlijk gaat om een gigantische waaier van kinderen in moeilijkheden. Het is momenteel zo erg dat men van sommige kinderen zou hopen dat ze een MOF-statuut krijgen. En ik weet waarom ik dat zo zeg, mijnheer Reekmans. Er zijn kinderen van 9 jaar die in deze maatschappij op straat leven omdat men het administratief niet in orde krijgt en die dan worden aangezet tot het plegen van diefstal.

Als kinderen van 9 jaar in dat geval een MOF-statuut zouden kunnen krijgen, zouden ze ten minste beschermd zijn. Zo erg is het, mijnheer Reekmans. Sommigen van die 10 procent kunnen nooit geïntegreerd worden in de maatschappij. Zij hebben permanente en zware zorg nodig. Zij zitten, zoals mevrouw Vogels zegt, nu vaak op de verkeerde plaats. Het feit dat wij minderjarigen in Tongeren opsluiten, is een ongelooflijke schande. Wij slagen er zelfs niet in om de internationale mensenrechten te respecteren. Het feit dat wij drie kapotgemaakte Roemeense zusjes uitwijzen naar het land van herkomst en niet beslissen om hen hier te beschermen, is een regelrechte schande. Het enige wat ik zeg, is dat de 10 procent die misdaden of feiten pleegt, overvloedig in de aandacht komt. Het is zelfs geen 10 procent. Zij komen in de media, zij hebben geen roepers nodig in het parlement om dat maatschappelijk probleem te duiden. Natuurlijk is dat een groep die bijzonder veel aandacht verdient. Maar hij krijgt wel bijzonder veel aandacht.

Peter Reekmans

Mijnheer Crombez, ik ben die clichés van u over ‘roepers in het parlement’ en dergelijke moe. Vandaag is er een maatschappelijk probleem en drie vakbonden leggen Everberg plat. Als ik die problematiek niet in het parlement mag brengen en u mij een ‘roeper’ noemt, ben ik echt aan het denken welke naam ik u moet geven. Ik zal er ooit wel eens een vinden, maar het is een heel moeilijke zoektocht.

Ik keer terug naar de concrete inhoud. Ik zie in uw persbericht van 15 mei 2011: “Meer gesloten jeugdinstellingen alleen pakt problemen niet aan.” Dat is waar. Daar hebt u een punt. Hier zegt u dat we een locatieprobleem hebben: rechters kunnen niet plaatsen en steken vandaag bepaalde jongeren in de jeugdgevangenis van Tongeren. Het is overduidelijk dat er daar een probleem is. Ik denk dat ondertussen de beslissing is genomen om Tongeren te sluiten. Ik denk dat de minister dat weet? Ik verneem uit vakbondskringen dat de gevangenis van Tongeren eerstdaags gesloten zou worden. Ik weet niet wat klopt en wat niet, minister?

Mijnheer Crombez, enerzijds zegt u dat meer instellingen en meer locaties het probleem niet zullen oplossen, terwijl u anderzijds het beleid van de voorbije jaren voortzet. Maar er zijn de aanbevelingen van het Kinderrechtencommissariaat en het protocol tussen de ministers van Onderwijs en Welzijn om het onderwijs te verbeteren. Het is nu al zo ver gekomen dat de onderwijsinspectie in september controles gaat doen op het onderwijsniveau in De Grubbe in Everberg. Mijnheer Crombez, waarmee zijn we bezig? Dit zijn dingen die we wel kunnen aanpakken. Wij kunnen wel voorzien in een deftig pedagogisch project. Hoe komt het dat het aantal jongeren gestegen is? Door ons laks Vlaams pamperbeleid. Maar dat mag je hier niet zeggen. Als je dat hier zegt, ben je inderdaad een roeper en een ambetanterik. Maar dit zijn vandaag de resultaten: die 10 procent. Vlaanderen heeft gefaald in de herintegratie van die jongeren. Het wordt steeds erger. Collega’s, indien het niet zo erg zou zijn, zouden er na het reces geen hoorzittingen komen.

Voorzitter, ik vraag mij af of de heer Reekmans eigenlijk ooit de opdracht van de commissie heeft gelezen.

Mieke Vogels

De waarheid heeft haar rechten. Mevrouw Schryvers heeft gelijk: dit was niet de opdracht van de commissie. Ook de heer Crombez heeft gelijk: er is eindelijk eens aandacht voor die 80 of 85 procent andere kinderen en jongeren. Mijnheer Reekmans, het is niet zo simpel. Jongeren zitten drie maanden in Everberg. Dat zijn jongeren die allemaal uit verschillende studierichtingen komen. Je moet dus proberen een continuïteit in de opleiding te organiseren. Dat moeten we doen. En zo simpel als u het voorstelt, is het niet. Voorzitter, ik stel voor dat we nu terugkeren naar de echte opdracht van die commissie en dat we, voor één keer in dit parlement, daar eens wat langer bij stilstaan.

De voorzitter

Tot nader order ben ik nog altijd voorzitter van dit parlement. Ik geef dus het woord aan diegene die het vraagt. De heer Crombez heeft het woord.

John Crombez

Voorzitter, dank u. U bent veel te goed. (Gelach)

Schrap dat uit het verslag. (Gelach)

Ik rond af. Als de aandacht er is voor de grote groep van jongeren die in de jeugdzorg zitten wegens het feit dat ze moeilijkheden hebben, dan is het belangrijk dat we de dingen durven te benoemen. Wij moeten in de komende periode vanuit de aanbevelingen en de verdere discussie en de verdere ontwikkeling van de lopende dossiers echt keuzes durven te maken.

Om daar te geraken, zullen we keuzes moeten maken, tegen opvattingen, tegen instellingen en tegen administratie in. Het is hier al gezegd: we hebben inderdaad de verwachting gecreëerd in het werkveld over correcties aan een aantal bestaande decreten en procedures. Het werkveld vraagt eigenlijk dat kinderrechten in dit land niet alleen zouden bestaan, maar ook zouden worden nageleefd. Wij hebben die verwachtingen gecreëerd. Als parlementsleden hebben we de kans om er allemaal op toe te zien dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. Minister, heel het proces van die hoorzittingen, discussies en plaatsbezoeken is bijzonder nuttig geweest. Natuurlijk komt er geen tabula rasa. Dat lijkt me zelfs schadelijk te kunnen zijn. Een aantal dingen werken echt: ook dat is duidelijk gezegd in de commissie. We zullen echter voor een aantal duidelijke keuzes staan. Ik mag me niet indenken dat we hier binnen tien jaar zullen moeten zeggen dat tien jaar geleden de juiste analyse werd gemaakt, maar dat het probleem qua aantal is verdubbeld. Dan is het aantal jongeren immers gestegen tot meer dan 50.000 jongeren. Dan spreken we van een maatschappelijk drama. Nu hebben we de keuze en de macht, als parlement, om daar iets aan te doen. Ik hoop, en merk ook aan diverse moties, dat we dat de komende jaren ook zullen doen. (Applaus bij de meerderheid)

Peter Reekmans

Ik wil even mevrouw Schryvers en mevrouw Vogels van repliek dienen. Ze stellen dat ik de opdracht van de commissie niet zou kennen. Ik heb anderhalve week à twee weken geleden een actualiteitsdebat over Everberg gevraagd. Dat debat heeft niet kunnen plaatsvinden. De motivering daarvoor was net dat die problematiek in de commissie werd besproken. Ik denk dus dat er nog leden zijn die blijkbaar de opdracht van de commissie niet doorhadden.

De voorzitter

Mevrouw Godderis heeft het woord.

Danielle Godderis-T'Jonck

Voorzitter, minister, geachte leden, in de plenaire vergadering van deze namiddag zetten we een punt achter ongeveer een jaar werken met betrekking tot het thema van de jeugdzorg. De commissie is niet over één nacht ijs gegaan. We hebben een zo breed mogelijk overzicht van het werkveld proberen te krijgen. Om te beginnen, wil ik namens de N-VA-fractie de voorzitter van de commissie, mevrouw De Wachter, bedanken, net als de twee commissiesecretarissen. Ik wil ook alle sprekers van het voorbije jaar bedanken. Dankzij hen hebben we een goed zicht gekregen op de problematiek in al haar facetten.

De grote instroom van jongeren in de bijzondere jeugdzorg en de nood aan gepaste hulp voor elk van hen zijn niet nieuw. Het is al evenmin de eerste keer dat een commissie zich over deze problematiek buigt. Het resultaat is een lijvige maatschappelijke beleidsnota, die de problematiek vanuit verschillende invalshoeken benadert. De maatregelen die kunnen worden genomen om de levenskwaliteit van deze kinderen en jongeren te verbeteren, zijn legio. Het blijkt dat de meeste jongeren zelf al tevreden zijn over die levenskwaliteit.

Het aantal jongeren in de bijzondere jeugdzorg stijgt. De voorbije tien jaar is die stijging zelfs spectaculair, en we zien dezelfde evolutie in onze buurlanden. Uit de hoorzittingen van de commissie kwamen diverse verklaringen daarvoor aan de oppervlakte. Het sociaal weefsel waarin jongeren zijn ingebed, is vaak kwetsbaarder dan vroeger. Mogelijk is dat een gevolg van de toegenomen individualisering in de maatschappij. Omdat er geen snel antwoord komt uit de onmiddellijke informele omgeving van de jongere, moet die vaker de stap zetten naar de bijzondere jeugdzorg. Omdat ook de druk op jongeren toeneemt, moeten ze steeds sneller keuzes maken. Dat kan ervoor zorgen dat kinderen al op jonge leeftijd een onbehaaglijk gevoel met zich meeslepen.

Ook algemene maatschappelijke trends als de toegenomen verstedelijking en diversiteit worden in de maatschappelijke beleidsnota aangehaald als mogelijke oorzaken van een toegenomen instroom van jongeren in de bijzondere jeugdzorg.

Grote steden hebben een eigen dynamiek en een demografisch en socio-economisch profiel. Dat is minder uitgesproken in landelijke gebieden. Die eigen dynamiek maakt dat in de steden de vraag naar hulp piekt. Kansarmoede is tenslotte een van de katalysatoren van de toegenomen instroom in de bijzondere jeugdzorg. Die kansarmoede blijkt bijzonder hardnekkig over de generaties heen.

Een laatste maatschappelijke verklaring die in de hoorzittingen aan bod kwam, is de toegenomen maatschappelijke intolerantie. Spelende kinderen worden tegenwoordig een bron van overlast genoemd. Rond deze problematiek keurde dit parlement in april dit jaar kamerbreed een resolutie goed. Daarnaast mogen we niet uit het oog verliezen dat jongeren steeds vaker betrokken zijn bij geweldplegingen, de ene keer als slachtoffer, de andere keer als dader.

Als we kijken naar de positie van kinderen in het gezin en in de school van vandaag, komen we tot enkele opmerkelijkheden. In vele gezinnen is opvoedingsonzekerheid een constante geworden. Het heersende opvoedingsmodel in onze samenleving stelt het overleg tussen ouders en hun kinderen centraal. Al te vaak stuit dat model echter op zijn grenzen en loopt het mis. Op die momenten wordt het voor het opgroeiende kind moeilijk om nog structuur te vinden in zijn leven. Het toegenomen aantal echtscheidingen, in sommige gevallen zelfs vechtscheidingen, halen de zekerheid bij kinderen weg. Steeds vaker lijkt men van scholen te verwachten dat ze de opvoedkundige taken die ouders toekomen, overnemen. Toch is er een grens aan de draagkracht van het onderwijs met zijn beperkte middelen en mankracht. Het spreekt voor zich dat op die manier taken overblijven die niemand op zich neemt, terwijl de noden van de jongeren niet verdwijnen.

De voorzitter

Mevrouw Turan heeft het woord.

Güler Turan

Voorzitter, mevrouw Godderis, ik wil u bedanken voor uw betoog. Ook zou ik graag iedereen willen bedanken. Ik wil een ding vertellen over de collega’s in de bijzondere commissie. Terwijl iedereen moeite had om de commissies van 10 uur te halen, waren de collega’s van deze bijzondere commissie meestal al om 9.30 uur aan het vergaderen. We vergaderden ook op het moment dat er andere commissies bezig waren. Ik dank iedereen voor de geleverde inspanningen: iedereen die vandaag het woord neemt en iedereen die in de commissie werk heeft gedaan.

Mevrouw Godderis had het over de problematiek van de toename van de echtscheidingen. Ik wil dit moment dan ook aangrijpen om de rechtspositie van de minderjarigen in dergelijke gevallen even aan de orde te brengen. Heel recent werd in de commissie Justitie van de Senaat het hoorrecht van de minderjarige erkend. Dat maakt dat de minderjarige vanaf 12 jaar het recht heeft om gehoord te worden in het geval er in de burgerlijke zaak, in de vechtscheiding van de ouders eventueel, een beslissing moet worden genomen aangaande zijn verblijfssituatie en/of bezoekregeling. Het gaat om een beperkt hoorrecht. Ik had het liever ook een beetje uitgebreider gezien, maar het is een belangrijke stap in de goede richting.

Ik dank ook de collega’s die de rechtspositie van de minderjarige in de motie hebben opgenomen. Daarmee geeft Vlaanderen een heel belangrijke boodschap aan de Vlaamse Regering, maar ook aan de collega’s in andere parlementen. De rechtspositie van de minderjarige is vandaag ‘as such’ niet de bevoegdheid van dit parlement, maar de belangrijke boodschap die wordt meegenomen, luidt dat we moeten waken over het recht op informatie en het recht op inspraak van kinderen en jongeren in de jeugdhulpverlening.

U hebt het over de problematiek van de vechtscheiding en de positie van de minderjarige daarin, maar we moeten hier allemaal ook een andere belangrijke boodschap meenemen. Inzake de rechtspositie van de minderjarige is er in geval het niet over een echtscheiding gaat en de minderjarige in een MOF-situatie komt, wel een duidelijke regeling over wanneer er in juridische bijstand voor de minderjarige wordt voorzien. Zodra de jongere echter in een POS komt en van de ene commissie en van de ene vorm van jeugdhulpverlening naar de andere moet gaan, is er nog een groot hiaat.

Ik wil vragen aan de collega’s om aan hun respectieve fracties te vragen dat het nodige wordt gedaan op het federale niveau, maar ik zal in elk geval een voorstel lanceren dat zodra een minderjarige in de hulpverlening terechtkomt, hij of zij hulp krijgt van een juridisch adviseur, een advocaat gespecialiseerd in jeugdzaken, zodat de minderjarige weet waar hij of zij recht op heeft.

Als we hoorrecht juridisch regelen voor een minderjarige van wie de ouders bekvechten over zijn of haar situatie, dan moeten we dat ook doen als geen of een van de ouders niet omkijken naar de positie van de minderjarige, of niet in staat zijn dat te doen. Daarom is de link naar de vechtscheidingen heel belangrijk voor de rechtspositie van de minderjarige.

Marijke Dillen

Mevrouw Turan, u hebt volledig gelijk. In de praktijk is dit al georganiseerd in verschillende gerechtelijke arrondissementen. In Antwerpen bijvoorbeeld verloopt dat bijzonder goed. Op het eerste verzoek wordt een pro-deoadvocaat, gespecialiseerd in jeugdzaken, toegekend als dat in het belang is van de minderjarige of als die dat eenvoudigweg vraagt.

Wat het hoorrecht van een minderjarige betreft in een echtscheiding – meestal een vechtscheiding – is de leeftijdgrens van 12 jaar onvoldoende. 12 jaar is op dit ogenblik in de praktijk gebruikelijk. Ik ken de situatie in Antwerpen, maar in andere arrondissementen niet zo goed, en ik heb daarover nooit klachten gehoord. Zelfs jongere kinderen kunnen in bepaalde situaties nood hebben om gehoord te worden. Ze vragen dat volledig terecht. Zolang er geen wettelijke basis is om die leeftijd te verlagen en we dat als advocaat niet kunnen afdwingen bij de rechter, zal die dat wegens overbezetting niet toestaan. Ik pleit ervoor om die leeftijd nog te verlagen als het gaat om vechtscheidingen.

Ik onderschrijf de vraag naar het hoorrecht voor minderjarigen. Dat moet federaal worden geregeld. Een aantal fracties en collega’s zijn daarmee bezig. Recentelijk is een voorstel in de Senaat goedgekeurd. Maar alleen het hoorrecht opleggen is niet voldoende. Ik vraag ook aandacht voor de manier waarop het gebeurt. Mensen die daarmee worden geconfronteerd in een jeugd- of een andere rechtbank, weten welk een enorme impact het heeft op kinderen en jongeren, om alleen een zittingzaal binnen te moeten gaan, waar een rechter in een toga, een procureur en een griffier zitten. Hou er dan ook rekening mee op welke manier dit gebeurt.

Dat is ook de reden waarom we dit in de motie hebben opgenomen, dat dit gebeurt op een kind- en jongerenvriendelijke manier, aangepast aan de leeftijd van de betrokkene.

Güler Turan

Mevrouw Dillen, het wetsvoorstel dat nu in de Senaat is goedgekeurd, zegt dat een rechter het hoorrecht niet kan weigeren voor jongeren vanaf 12 jaar. Hoorrecht voor kinderen jonger dan 12 jaar, is ook mogelijk. De rechter kan wel weigeren met een motivering, maar niet vanaf 12 jaar.

Mevrouw Schryvers, het gaat niet alleen over hoorrecht. De wet die in de Senaat is goedgekeurd, gaat enkel over vechtscheidingen, maar dat is absoluut onvoldoende. Ik steun uw vragen: wie ondervraagt de minderjarige? Waar wordt die ondervraagd? In wiens bijzijn?

U zegt dat een rechtbank imposant is, maar ik geloof dat een commissie Bijzondere Jeugdzorg dat ook is. Het voorstel waarvoor ik vandaag medewerking vraag van de verschillende fracties, gaat niet over het moment waarop men voor een rechtbank moet komen, want dat is al geregeld, maar over het horen van de minderjarigen buiten de instituten en instellingen waar er over hem of haar wordt beslist. De minderjarige moet goed worden geïnformeerd over zijn of haar rechten en over de mogelijkheden en over welke beslissingen er kunnen komen.

De voorzitter

De heer Hendrickx heeft het woord.

Marc Hendrickx

Mevrouw Schryvers, ik zag mevrouw Dillen ook reageren op dat punt, ik wil u erop wijzen dat de jeugdrechters zich al aangepast hebben voor het verhoor van jongeren. Ze doen wel degelijk inspanningen om zich te verplaatsen naar het niveau van de minderjarige.

Danielle Godderis-T'Jonck

Er is een toenemende trend van geweld op school. Onder de vorm van cyberpesten volgt het jongeren zelfs tot thuis. Deze onderwijsrealiteit kan voor jongeren een reden vormen om hun toevlucht zoeken tot hulpverlening. Laten we niet vergeten dat ook in de jeugdhulp zelf een aantal verklaringen schuilen voor de instroom in de bijzondere jeugdzorg. Omdat te vaak en te snel een beroep wordt gedaan op het vangnet van de bijzondere jeugdzorg, komt de gespecialiseerde zorg in het gedrang. Met een uitbreiding van het aanbod zouden andere instanties mogelijk beter inspelen op specifieke zorgvragen.

Herkenbaarheid en toegankelijkheid van deze spelers in de eerstelijnszorg zijn ook een aandachtspunt. Nu komt het te vaak voor dat jongeren moeten terugvallen op tweede- of derdelijnshulp. Ondanks investeringen in de uitbreiding van de hulp zijn er veel te lange wachtlijsten in zowel de residentiële als de ambulante zorg. Door vertraging van hulpverlening en het versterkend effect van wachtlijsten ontstaat dan een domino-effect, met rampzalige gevolgen voor de zorgbehoevende.

Door een opgedrongen focus op de zorgplaats verdwijnt de zorgvorm, samen met het belang van de minderjarige, vaak op het achterplan. In een soort efficiëntiewoede grijpt men binnen de integrale jeugdhulpverlening nog te vaak naar afgelijnde standaardantwoorden op hulpvragen: antwoorden die op iedere hulpvrager kunnen worden toegepast. Hierdoor creëert men echter een ongevraagde kloof tussen de zorgbehoevende en de hulpverlener. Een gebrek aan duidelijke, begrijpbare informatie, problemen met de doorstroming van die informatie en te weinig inspraak belemmeren een gerichte hulpaanpak. Iemand die zorg vraagt, wil gehoord worden in het kader van zijn specifieke probleemsituatie. Het louter opleggen van een zorgvorm verwijdert hen van de nodige persoonlijke trajectbegeleiding. Uitgebreide ambulante hulp is hier een van de mogelijke oplossingen.

Ook het gebrek aan voldoende nazorg houdt jongeren langer in residentiële opvang dan strikt noodzakelijk is. Er is geen, te weinig of een te kortstondige begeleiding van jongeren of jongvolwassenen die na opname naar huis terugkeren.

De verspreiding van de jeugdhulp over verschillende regionale en federale bevoegdheidsdomeinen maakt het daarenboven moeilijk om tot een gestroomlijnde aanpak te komen. Deze opdeling geeft vaak aanleiding tot verwarring en inefficiëntie in de hulpverlening en de samenwerking tussen de verschillende diensten.

Een laatste verklaring vanuit de jeugdhulp die ik zou willen aanstippen, situeert zich op het vlak van de personeelsaanwerving- en ondersteuning. Een passend studieprofiel leidt niet automatisch tot geschiktheid voor het werk in de jeugdzorg. De hoge werklast, de emotionele belasting of het stopzetten van projecten maken dat er een groot personeelsverloop ontstaat. Dat heeft nadelige gevolgen voor de continuïteit van de hulpverlening. Ook de sector zelf vraagt meer flankerende steun en specifieke bijscholing, want samen met de aangekondigde uitstroom van oudere werknemers komt in de nabije toekomst het aanbod van hulpverleners onder druk te staan.

De problematiek in de bijzondere jeugdzorg is zo complex en behelst zo veel verschillende domeinen dat oplossingen zonder een integrale aanpak buiten bereik blijven. De voorliggende motie van aanbeveling van de meerderheid tracht deze problematiek correct te belichten en wil tegemoetkomen aan verschillende oplossingen die tijdens de hoorzittingen aan bod zijn gekomen.

De directe leefomgeving van het kind of de jongere, namelijk het gezin en het onderwijs, spelen een belangrijke rol in de preventie van problemen. Onze fractie is dan ook tevreden dat de motie van aanbeveling ruime aandacht schenkt aan het algemeen gezinsbeleid en aan de opvoedingsondersteuning. Ouders die hulp nodig hebben om hun kinderen op te voeden, moeten die hulp kunnen krijgen.

Uiteraard moet de nadruk op de versterking en de responsabilisering van jongeren en volwassenen liggen. In een maatschappij die door de klok wordt geregeerd, moet dringend een evenwicht tussen werk en gezin worden gevonden. Voldoende kinderopvang en overleg met de federale overheid over een flexibele loopbaanplanning zijn voor ons dan ook prioriteiten. Zo moeten ouders die beide gaan werken toch nog voldoende tijd voor de opvoeding van de kinderen krijgen. Kinderen moeten op vroege leeftijd structuur in hun leven krijgen. Een gebrek aan structuur blijkt al te vaak een recept voor problemen later in het leven.

Mijn fractie vindt het belangrijk dat kinderen in alle omstandigheden kind kunnen zijn. We voelen dat het verwachtingspatroon ten aanzien van kinderen steeds scherper wordt gesteld. Dit is niet enkel het geval op school, maar ook thuis en daarbuiten. Kinderen worden op jonge leeftijd aan zware stress blootgesteld. Het moet toegelaten zijn minder te presteren en te falen. Kinderen moeten de kans krijgen dit te ervaren. Aangezien onverdraagzaamheid ten aanzien van kinderen in een moderne maatschappij moeilijk kan worden getolereerd, blijft de N-VA achter de resolutie staan die in april 2011 in dit halfrond is goedgekeurd.

Onze fractie is eveneens tevreden dat in de motie van aanbeveling bepalingen over wonen en over ruimtelijke ordening zijn opgenomen. Wie weinig kwalitatief woont, glijdt al snel af in een vicieuze cirkel die tot een slechte gezondheid en een toegenomen kans op een armoedig bestaan leidt.

Zoals ik daarnet al heb gesteld, speelt ook het onderwijs een belangrijke rol in de leefomgeving van jongeren. De omkadering in de kleuterklassen, een bijzonder spijbelpreventieplan, de uitbouw van een aanbod van psychosociale hulp in de scholen en de uitwerking van schoolvervangende programma’s vormen slechts enkele van de maatregelen die zijn opgenomen als middelen om de instroom in de bijzondere jeugdzorg in te dijken.

Dat we in het licht van al deze maatregelen bijzondere aandacht aan bepaalde groepen schenken, is de logica zelve. We onthouden uit de hoorzittingen dat bepaalde groepen kinderen een hoger risico lopen om in de bijzondere jeugdzorg terecht te komen.

Het is duidelijk dat deze verzameling van mogelijke oplossingen om een goede samenwerking over de verschillende beleidsdomeinen heen vraagt. Dit is niet enkel een verantwoordelijkheid van het beleidsdomein Welzijn. Ook een goede samenwerking met de federale overheid is zeer belangrijk. Onder meer op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg en van de strijd tegen armoede zijn de bevoegdheden nog al te vaak versnipperd. Deze maatregelen situeren zich bijna allemaal in de preventieve fase.

Daarnaast is het ook nodig om met betrekking tot de organisatie van de jeugdzorg maatregelen te nemen. Tijdens de hoorzittingen zijn verschillende problemen aan de oppervlakte gekomen. De motie van aanbeveling bevat een grote passage over de versterking van het kwalitatief en kwantitatief aanbod van de jeugdhulp.

De N-VA gelooft met betrekking tot deze problematiek in een sterke eerstelijnszorg. Jongeren moeten te allen tijde toegang tot de verschillende vormen van laagdrempelige eerstelijnszorg hebben.

En ook de communicatie daarover is heel belangrijk. Een bredere eerstelijnszorg is zinloos als de jonge betrokkenen niet weten waar ze terechtkunnen.

Trajectbegeleiding is een maatregel die vaak naar boven kwam tijdens de hoorzittingen van de commissie. Al te vaak ondergaan jongeren verschillende stukjes en brokjes van zorg en hulp. De continuïteit van het hele traject dat die jongeren doorlopen, laat vaak te wensen over. De evolutie naar een flexibele trajectbegeleiding, met de mogelijkheid om verschillende modules van hulp te combineren, is een stap vooruit.

Minister, voorzitter, collega’s, ik concludeer. De Commissie Jeugdzorg heeft ongeveer een jaar lang gewerkt. De maatschappelijke beleidsnota en de moties die hier vandaag voorliggen, zijn daar de resultante van. Het is nu aan de regering om de aanbevelingen van deze commissie in de praktijk om te zetten. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Werbrouck heeft het woord.

Ulla Werbrouck

Minister, collega’s, voorzitter, er zijn nu al vijf sprekers de revue gepasseerd en er werden al belangrijke zaken en punten aangehaald. Ik zal ze niet allemaal herhalen. Ik zal wel kort een aantal voor onze fractie belangrijke aandachtspunten naar voren brengen.

De belangrijkste opdracht van de Commissie Jeugdzorg was het zoeken naar de algemene factoren en oorzaken van de stijgende instroom in de bijzondere jeugdzorg en de geestelijke gezondheidszorg, om op basis hiervan te komen tot beleidsvoorstellen op korte, middellange en vooral ook lange termijn. Ik denk dat er een kamerbrede consensus is dat deze problematiek niet in een bepaald vakje gestopt kan worden, maar dat er nood is aan een domeinoverschrijdende aanpak om deze problematiek op een effectieve manier aan te pakken.

Tijdens de verschillende hoorzittingen en ook werkbezoeken is tot uiting gekomen dat er sprake is van een soort paradox binnen de jeugdzorg. Enerzijds leven we in een samenleving waarin veel meer diagnoses van stoornissen bij jongeren vastgesteld worden, waardoor deze jongeren een bepaalde stempel opgeplakt krijgen. Zo lijkt het er tegenwoordig wel op dat ieder kind dat zich een beetje actief en enthousiast gedraagt het ADHD-etiket opgeplakt krijgt. Deze toenemende mate van diagnosestelling zorgt er natuurlijk voor dat ook veel meer kinderen nood hebben aan begeleiding en ondersteuning. De maatschappij speelt hierin ook een heel belangrijke rol, want zij bekijkt bijvoorbeeld spelende, soms misschien lawaaierige kinderen, als storend in plaats van dat men dit bekijkt als een noodzakelijke stap binnen hun ontwikkelingsproces. Anderzijds zorgt ons geëvolueerde, gedifferentieerde en toegenomen zorgaanbod er dan weer voor dat er ook meer zorgvraag ontstaat – aanbod creëert immers ook vraag.

Belangrijk is, zoals net al gezegd, dat we moeten beseffen dat het een intersectoraal probleem betreft. Deze problematiek stopt dus niet bij het beleidsdomein Jeugdzorg of Welzijn, maar kent raakvlakken met bijvoorbeeld armoede, sport, onderwijs en ook met andere domeinen. Zo kan sport een zeer belangrijke rol spelen in de sociale en maatschappelijke ontwikkeling van jongeren en kinderen, kunnen kinderen binnen een sportclub hun sociale vaardigheden ontwikkelen, leren ze er met mensen omgaan.

We weten allemaal dat een grote groep jongeren die instroomt in de jeugdzorg uit een arm of een kansarm gezin komt. Daarom kunnen volgens onze fractie structurele maatregelen tegen armoede een belangrijke rol spelen in de strijd tegen de instroom van jongeren in de jeugdzorg. We denken hierbij aan een werkbaar en doelmatig actieplan armoedebestrijding. Daarnaast pleiten we ook voor maatregelen rond werk, zodat van werk de topprioriteit gemaakt wordt, door gezinnen die onder de armoededrempel leven versneld en duurzaam naar de arbeidsmarkt toe te leiden.

Uit dit voorbeeld blijkt dat het essentieel is dat er werk wordt gemaakt van een geïntegreerd intersectoraal beleid, om de verhoogde instroom binnen de jeugdzorg aan te pakken. Natuurlijk moet dit geïntegreerd intersectoraal beleid worden getoetst op regionale en stedelijke verschillen, want de problematiek komt verschillend tot uiting naargelang bijvoorbeeld de stedelijke context van Antwerpen of mijn landelijk gebied Lendelede.

Dat brengt me bij de hulpverlening zelf. Moeten we meer inzetten op preventie of op ‘curatie’? Dat is een moeilijk vraagstuk en het is een moeilijke evenwichtsoefening. Volgens onze fractie moet er sprake zijn van een en-enverhaal. LDD is op basis van zowel een welzijns- als een kosten-batenoverweging voorstander van een grondige uitwerking van het preventiebeleid, met de nodige aandacht voor preventie-initiatieven en ook preventie-effecten. Een beleid met preventie-effecten is bijvoorbeeld het aanbieden van goed onderwijs. Zo creëer je een preventief effect, want jongeren die goed opgeleid en ontwikkeld zijn, hebben een verlaagde kans om terecht te komen in de jeugdzorg.

Daarnaast moet de nodige aandacht gaan naar de kwalitatieve uitbouw van de basisvoorzieningen in de jeugdzorg, met onder andere contextuele opvoedingsondersteuning, om dan pas in te zetten op de bijzondere jeugdzorg, het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of de geestelijke gezondheidszorg, zodat deze hulpvormen ook echt ‘bijzonder’ blijven en als ultimum remedium worden bekeken.

LDD gelooft sterk in een versterkte ambulante, gezinsondersteunde zorg in Vlaanderen, die zowel verleend kan worden door professionals als door vrijwilligers. Jongeren en kinderen moeten zo veel mogelijk worden begeleid binnen hun specifieke context, zodat de hulp rekening houdt met alle factoren die het probleem van de jongere of het kind mee veroorzaken.

Onze fractie is van mening dat er op dit ogenblik misschien te snel en te veel een beroep gedaan wordt op de residentiële hulpverlening. Jongeren worden weggehaald uit hun omgeving, waarbij ze verzorgd worden buiten hun directe omgeving en context. Na afloop van hun behandeling worden ze terug naar hun omgeving gebracht, waar in tussentijd weinig of niets veranderd is, zodat nog steeds dezelfde factoren aanwezig zijn die mee het probleem hebben veroorzaakt. Zo komen de jongeren weer terecht in een omgeving die niet klaar is om hen op te vangen.

Onze fractie is van mening dat residentiële jeugdzorg bij voorkeur enkel aangewend moet worden voor jongeren die, vanwege een complexe problematiek of vanwege criminele feiten, niet door middel van contextuele ambulante zorg geholpen kunnen worden. In deze optiek past ook ons idee van internaten voor een tweede kans, voor jongeren die nood hebben aan extra structuur en discipline in hun leven.

Een belangrijke bekommernis, zoals ook geuit door andere sprekers, is de nood aan een permanent aanspreekpunt voor de jongere. Een jongere moet ten eerste weten bij wie hij terecht kan voor vragen en ten tweede moet hij dit te allen tijde kunnen. Bijvoorbeeld een trajectbegeleider zou een belangrijke rol kunnen spelen. Hij kan de jongere begeleiden tijdens zijn traject binnen de jeugdzorg. Hij bezit de nodige informatie over de jongere en kan zijn verhaal brengen, zodat de jongere niet steeds zelf hetzelfde verhaal moet brengen.

Consulenten en begeleiders moeten worden ondersteund in hun taak en er moet ook de nodige aandacht zijn voor bijscholing. We weten dat er in de nabije toekomst een hoge uitstroom van consulenten zal zijn. Wij moeten daar nu al op in spelen, door de job aantrekkelijk te maken en werk te maken van een verbeterd statuut. Het is wel belangrijk dat we inzien dat de consulenten nu nog een belangrijke rol kunnen spelen door hun opgedane ervaringen en expertise door te geven aan de nieuwe generatie, zodat de expertise geconsolideerd wordt.

Jongeren hebben recht op zowel informatie als op inspraak. Wat echter opvalt als een probleem, is de nood aan correcte en beschikbare informatie.

De hoorzittingen toonden aan dat zowel jongeren als hun ouders rondlopen met vragen bij wie of waar ze terechtkunnen voor dit probleem of die vraag. Daarbij komt het feit dat de informatie in brochures redelijk basic en standaard is. Men geeft informatie op basis van een vast stramien en een algemeen beeld van een bepaalde problematiek, maar niet vanuit een bepaalde context. Natuurlijk ontstaat deze onduidelijkheid en vraag naar informatie ook ten dele omdat de zorgsector wordt gekenmerkt door versnippering van het aanbod en ondoorzichtige structuren, waardoor het voor de hulpvrager niet altijd duidelijk is waar men terechtkan.

Hieraan gekoppeld, constateren we ook dat er in het hulpverleningsproces veel te weinig de nadruk wordt gelegd op de inspraak van jongeren. Dat is een belangrijk element voor onze fractie. Op dit ogenblik zit de jeugdzorg te veel vast in zijn eigen regeltjes en procedures. Gekoppeld aan een hoge taakbelasting en de gekende wachtlijsten in de jeugdzorg zorgt dit alles ervoor dat er geen tijd wordt gevonden om de vragen en de behoeften van de jongeren zelf te horen en te begrijpen. Participatie en betrokkenheid bij het proces verhogen nochtans de slaagkansen van de hulpverleningsvorm en verduidelijken voor de jongere ook waarom er wordt gekozen voor een bepaalde oplossing, wat de acceptatie van de keuze vaak zal verbeteren.

Wat zeker ook niet uit het oog verloren mag worden, is de nood aan de uitbouw van een kwaliteitsvolle, transparante eerstelijnszorg, zijnde de rechtstreeks toegankelijke hulpverlening, zoals bijvoorbeeld de diensten van Kind en Gezin en de CLB’s, maar ook het voorveld, zoals de onderwijssector of het jeugdwerk. Deze instanties moeten hun taak kunnen volbrengen en de juiste jongeren kunnen doorverwijzen naar de tweede en de derde lijn. Dit moet echter sneller en efficiënter kunnen, waarbij steeds de hulpvrager centraal moet staan. Daarnaast denkt onze fractie ook dat het beleid moet streven naar het mogelijk maken van combinaties van verschillende zorgvormen.

Jongeren krijgen immers op basis van een diagnose een bepaald label of etiket opgeplakt. Op basis van de diagnose komen zij in een bepaalde zorgvorm terecht. Maar een aantal jongeren worstelt met een complex probleem dat niet makkelijk is te omschrijven via een bepaald label of etiket. Het betreft bijvoorbeeld een combinatie van zowel emotionele als gedragsstoornissen. Omdat deze jongeren niet in een bepaald vakje van een hulpvorm passen maar nood hebben aan aangepaste hulp via een combinatie van verschillende hulpverleningsvormen, krijgen deze jongeren vaak niet de noodzakelijke aangepaste hulp. De huidige regelgeving maakt een combinatie van hulpverleningsvormen bijna onmogelijk. Hierdoor vallen deze jongeren in feite uit de boot. We moeten daarom zoeken naar manieren hoe we deze schotten in de praktijk kunnen doorbreken en hoe we de samenwerking tussen verschillende hulpverleningsvormen kunnen aanmoedigen.

Collega's, concluderend kunnen we stellen dat hier een kamerbreed besef bestaat dat we de wachtlijsten en de instroom in de jeugdzorg moeten trachten te managen op korte, middellange en lange termijn. Ik denk dat iedereen na de betogen van de verschillende collega’s beseft dat er sprake moet zijn van een domeinoverschrijdend en dus intersectoraal beleid, zodat de verschillende invalshoeken die in aanraking komen met de problematiek van de jeugdzorg hierin vervat zitten. Namens onze fractie heb ik getracht om een aantal essentiële punten aan te brengen waar het beleid volgens ons rekening mee moet houden.

Ik dank de voorzitter van de commissie, mevrouw De Wachter, die alles in goede banen heeft geleid. Het voorbereidende werk is klaar, nu is het tijd voor actie. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Vogels heeft het woord.

Mieke Vogels

Voorzitter, minister, collega’s, ik zal me maar verschuilen achter het oude gezegde: ‘de lesten zijn de besten’. Ik heb eens de moeite gedaan om door al die verslagen te gaan en te tellen hoeveel mensen er in onze commissie zijn komen praten. Liefst 52 sprekers hebben samen met ons gezocht naar het antwoord op de vraag hoe het komt dat er zoveel jongeren instromen in de jeugdzorg, bijzondere jeugdzorg, jeugdpsychiatrie, gehandicaptensector enzovoort. Ik wil uitdrukkelijk de commissiesecretarissen, die al die verslagen hebben geschreven – meer dan duizend bladzijden –, heel erg danken, alsook het Kinderrechtencommissariaat en het IST, die de moeilijke opdracht hadden om dat allemaal samen te vatten in de maatschappelijke beleidsnota.

Maar, collega’s, als je zoveel mensen uitnodigt – wetenschappers, leidende ambtenaren, vertegenwoordigers van verschillende sectoren, werkers uit het veld, jeugdmagistraten en jeugdadvocaten –, dan schep je een enorme verwachting. Het moet me van het hart: ik vind dit niet het mooiste moment uit mijn politieke carrière, integendeel. Voorzitter, ik ben eigenlijk zwaar teleurgesteld in het feit dat de commissie op geen enkel, maar dan ook geen enkel moment, samen heeft kunnen discussiëren over de voorstellen die we zouden voorleggen aan de regering. Ik zit hier al een tijd, dat weet u. Wij hebben een andere traditie in dit huis. Bij een commissie ad hoc is het de bedoeling om een probleem ten gronde te bekijken, een beetje op lange afstand te bekijken en langeafstandsbeleidsvoorstellen te doen.

Mevrouw Dillen verwees naar de commissie in 1998. Ik zou veel nabijer kunnen verwijzen naar de commissie Speed, voor de versnelling van de maatschappelijk belangrijke projecten, waar we er, na heel wat discussie, in geslaagd zijn om te komen tot één beleidsvoorstel dat kamerbreed gedragen is. Ik heb al in januari aan de collega’s uit de commissie gezegd: we hebben nu ongeveer dertig mensen gehoord, een aantal lijnen tekenen zich duidelijk af, laat ons eens samen bekijken hoe we het gaan doen met de beleidsvoorstellen. Dat is er nooit van gekomen. Er moesten altijd nog meer sprekers komen, waardoor nog hogere verwachtingen werden gecreëerd.

Uiteindelijk liggen hier vandaag vier moties voor. Hoe je het ook draait of keert, uiteraard zit er eten en drinken in de motie van de meerderheid, maar het is vooral – excuseer me het woord – een brij van heel veel aanbevelingen aan ruimtelijke ordeningen te allen kant. Er wordt misschien soms wel eens gezegd dat er iets geëvalueerd moet worden, maar ik vind dat het parlement in dezen een enorme kans heeft gemist om een aantal duidelijke voorstellen te doen, zoals dat in 1998 is gebeurd met betrekking tot de integrale jeugdhulpverlening. Er is toen zelfs aan de regering gevraagd om dat proces van onderuit te laten beginnen, dus zelfs een manier waarop dit zou kunnen. Dat is vandaag niet gebeurd. Ik kan dat alleen maar betreuren.

Ik hoor dat de heer Crombez en de voorzitter van de commissie een boek schrijven. Dat is wel goed, maar die 52 sprekers die we hebben gehoord, verwachten geen boek, ze verwachten duidelijke beleidsvoorstellen van dit parlement. Die zijn er niet, en ik betreur dat.

John Crombez

Mevrouw Vogels, ik ben blij dat u het goed vindt dat we een boek hebben geschreven. Het heet ‘Kansen voor kinderen, een weg voor het jongerenwelzijn in Vlaanderen’, en ik zal u straks een exemplaar geven.

U hebt het recht om ontgoocheld te zijn. Het zou veel beter zijn mochten we dat kamerbreed kunnen doen, maar we hebben veel dezelfde analyses en voorstellen gehoord. Er zitten veel dezelfde voorstellen in de voorstellen van resolutie. Maar als u zegt dat het anders en beter was in 1998 en de periode daarna, dan zal het toch niet zo fantastisch zijn geweest, want waarom staan we dan waar we vandaag staan?

Ik herhaal wat ik daarstraks heb gezegd: wij hebben als parlementsleden de kans om voldoende aandacht te schenken aan wat we stemmen, en ver daarbuiten, want er moet heel veel gebeuren, ook inzake ruimtelijke ordening.

Misschien is dat wat er in die periode van tien jaar iets te weinig is gedaan. We kunnen er niet omheen dat we het deze keer anders zullen moeten doen. Het gaat niet goed in die sector. De eerste verwachting van de mensen uit het werkveld – waarvan een aantal mee hebben geschreven aan het boek – is dat er nu daadwerkelijk iets verandert. Nogmaals, ik geloof niet in de tabula rasa. Sommigen stellen dat voor in een aantal punten. U doet dat in uw motie ook, waar u voorstelt om bepaalde zaken volledig aan de kant te zetten.

Wij hebben als parlementsleden de taak om de regering te controleren, om ervoor te zorgen dat die veranderingen ook echt gebeuren. De motie van de meerderheid bevat een aantal concrete zaken – over opvoedingsondersteuning of integrale jeugdhulpverlening – die wel heel duidelijk zijn en waar we over zullen waken. Men kan niet zeggen dat het resultaat van meer dan tien jaar geleden een succes is. We zitten hier net omdat het geen succes is.

Marijke Dillen

Voorzitter, ik treed mevrouw Vogels bij in haar bekommernis en kritiek.

Mijnheer Crombez, het gaat er niet over dat de commissie uit 1999 zo’n groot succes was. In dat geval zou de problematiek nu niet zo spectaculair gestegen zijn. Het gaat er wel over dat deze Vlaamse meerderheid nog niet de wil aan de dag heeft gelegd om in de commissie, op basis van een maatschappelijke beleidsnota en de zeer interessante, metershoge commissieverslagen, tot een debat te komen tussen de verschillende partijen om de raakvlakken te ontdekken om tot een gemeenschappelijke motie te komen. Het is heel knap dat u boeken schrijft. Het is echter niet in boeken dat beleidsinitiatieven moeten worden geformuleerd. We moeten hier, in dit Vlaams Parlement, de opdracht geven aan de minister van Welzijn en de voltallige Vlaamse Regering om eindelijk iets te ondernemen om deze problematiek in te dijken.

Mijnheer Crombez, ik verwees daarnet naar andere commissies ad hoc, zoals de commissie Speed of commissie ad hoc Hoger Onderwijs, waar men wel de moeite heeft gedaan om een debat ten gronde te voeren na de talrijke hoorzittingen, om zo tot bepaalde conclusies te komen. Ik zeg niet dat het de verantwoordelijkheid van uw partij is of van de voorzitter, maar ik betreur dat we niet de moeite hebben gedaan om uit te zoeken of we met een eensgezinde motie naar het Vlaams Parlement konden komen. Ik had niet meer de ambitie om die mee te ondertekenen – dat heb ik daarnet al gezegd. Ik bekijk de inhoud en op basis daarvan beslis ik of ik een motie steun. U moet toegeven dat een eensgezinde motie die unaniem door het Vlaams Parlement goedgekeurd werd een veel krachtiger signaal zou zijn geweest voor de sector. Iedereen is het ermee eens dat de verwachtingen in die sector hooggespannen zijn. Mevrouw Vogels heeft gelijk dat ze dat nog eens aanhaalt.

Mieke Vogels

Mevrouw Dillen, ik dank u voor de steun.

Mijnheer Crombez, ik ga er niet op in waarom het na tien jaren nog niet is verbeterd. Lees de duizend bladzijden verslag en vooral ook de analyse van professor Verhoest van het Instituut voor de Overheid.

Collega’s, ik ben ervan overtuigd dat er in die 52 getuigenissen onwaarschijnlijk veel positieve en creatieve voorstellen zijn. In de sector jeugdzorg bestaat er heel duidelijk nog ongelooflijk veel enthousiasme en creativiteit. We moeten die creativiteit gebruiken om de sector verder uit te bouwen.

Ik heb een rode – of misschien groene – draad gevonden bij alle sprekers, wetenschappers en mensen op het terrein: houd rekening met de context van het kind, het gezin, de ouders.

Het medische model werkt niet in de jeugdzorg. Als je het probleem gaat isoleren en benoemen en daar dan een pilletje of een module op kleeft, werkt dat niet. Verlaat dus alstublieft dat medische model en ga terug naar een contextgerichte aanpak. Dat is wat we voortdurend hoorden van alle sprekers, en wat ik in mijn voorstellen zou willen meenemen.

Eerst en vooral moet je de context gebruiken wanneer je naar ouders kijkt. Niemand stelt in vraag dat ouders uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van hun kinderen. Maar het is even duidelijk dat de ouder de dag van vandaag onder een enorme druk staat, omdat we in een samenleving leven die enorm perfectionistisch is en niet kan omgaan met kwaaltjes en moeilijkheden. Het gevolg is dat als je kind overreden wordt op straat, het jouw schuld is, omdat kinderen niet op straat horen.

– Mevrouw Marijke Dillen, ondervoorzitter, treedt als voorzitter op.

Wij steunen ouders en geven hun tips om aan opvoeding te doen. Ik heb zelf een kleinzoon van 6 maanden. Ik heb mijn dochter eens gevraagd om alle brochures rond opvoedingsondersteuning mee te brengen die ze tot nu toe gekregen heeft. Ik heb die gewogen, collega’s. Dat was in totaal 6 kilogram aan brochures over opvoedingsondersteuning, op zes maanden tijd.

Daar staan alle mogelijke tips in. Als een kind een rood nekje heeft door de warmte, strooiden wij daar in onze tijd talkpoeder op. Nu mag dat niet meer, want talkpoeder kan slecht zijn voor de luchtwegen. Als je de eerste groentepapjes maakt, gebruik dan nooit groenten die langer dan drie dagen in je ijskast hebben gelegen, want dat kan niet zo gezond zijn.

Opvoeden, collega’s, brengt op den duur een enorme druk met zich mee. Ouders vragen zich permanent af of ze het wel goed doen. Als een kind toch nog druk of onhandelbaar is, is er paniek en gaan ouders professionele hulp zoeken. En als je kind dan het etiketje ADHD krijgt, is dat zelfs een opluchting: oef, het ligt niet aan mij, het is het kind dat moeilijk is. Dat ADHD-etiketje opent dan de weg naar hulpverlening en opent in de school de deur naar GOK-ondersteuning.

Het aantal kinderen dat vandaag Rilatine neemt, is intussen verduizendvoudigd. Een interessant punt bij de voorstelling van het verslag van de kinderrechtencommissaris in de commissie Welzijn was dat men onderzocht had wanneer en hoe kinderen Rilatine nemen. Het bleek dat bepaalde kinderen zeiden dat ze geen Rilatine nemen als ze aan sport gaan doen of als ze naar de muziekschool moeten, omdat ze anders niet even goed presteren. Zouden we die kinderen dan niet liever alle dagen sport laten doen en laten rennen en muziek laten spelen, in plaats van hun die druppeltjes te geven?

Ik wil u een citaat van professor Vanheule in dat verband niet onthouden: “Een probleem wordt veel sneller dan vroeger bestempeld als een stoornis. Je geeft aan kinderen dan ook de boodschap mee dat ze op een of andere manier gestoord zijn. Ik hou mijn hart vast voor de impact op de identiteitsvorming. Dit is de eerste generatie die zo intensief begeleid wordt en we weten nog niet wat het effect is. Al merk je nu al bij sommige jonge twintigers dat ze worstelen met het etiket dat ze vroeger opgeplakt kregen.”

De Nederlandse professor Mischa de Winter doet onderzoek naar kinderen die op jonge leeftijd – 7 à 8 jaar – het etiket ‘ADHD’ kregen, en gaat na of dat etiket bevestigd wordt na de puberteit, als die kinderen 16 of 17 jaar zijn. Het blijkt dat slechts een op de tien kinderen dan nog altijd die stoornis heeft.

Collega’s, in de commissie is duidelijk gebleken dat een van de redenen van de instroom die etikettering is. En dus moeten we daar dringend iets aan doen. Dat heeft inderdaad te maken met ruimtelijke ordening, met het creëren van ruimte voor kinderen.

Ik denk dat het niet volstaat om dit in een motie te zeggen. Dan komt er niets van. Net zoals er een transitiearena bestaat voor bijvoorbeeld duurzaam wonen en bouwen, is er een transitiearena nodig om opnieuw ruimte voor kinderen in onze samenleving te creëren. Er is al gezegd dat een derde van de inwoners van Antwerpen, jonger is dan 18 jaar. Het aantal inwoners in de stad neemt toe, dus de ruimte neemt af. We moeten toch eens heel goed durven na te denken waarmee we bezig zijn. Uit onderzoek blijkt dat kinderen vandaag 50 procent van hun verplaatsingen op de achterbank van een auto doen en dat op 20 jaar tijd de helft van de actieradius van kinderen verminderd is. ‘Buiten’ is de plaats voor auto’s. Een auto wordt gemiddeld 55 minuten per 24 uur gebruikt en de overige 23 uur staat hij stil op het openbaar domein. De mobiliteit van de volwassenen beperkt steeds meer de mobiliteit van de kinderen. Daar moeten we eens goed over durven nadenken.

– De heer Jan Peumans, voorzitter, treedt opnieuw als voorzitter op.

Ik krijg er ongelooflijk de bobbels van als ik in de lokale raad de vraag hoor van ‘Wat met de parkeerplaatsen?’ , telkens als er openbare werken zijn. Ik heb me voorgenomen om systematisch te roepen: ‘En waar moeten mijn kinderen spelen?’. Ik roep u op om hetzelfde te doen. We moeten echt op een andere manier kijken naar ruimte voor kinderen. Dan zullen we een eerste belangrijke daad gesteld hebben om de instroom in de jeugdzorg te verminderen.

Uit de vele hoorzittingen is ook herhaaldelijk gebleken dat er een zeer duidelijke relatie is tussen een problematische opvoedingssituatie en armoede. Dat is ook logisch. Als je met drie kinderen op een veel te klein appartement woont en buiten is er geen plaats om te spelen, dan is de draagkracht als opvoeder minder groot. Dan is het niet makkelijk om kinderen op te voeden. Als je kinderen kunt opvoeden terwijl ze in de buurt kunnen samenspelen, dan is het veel makkelijker. Als je een stapel rekeningen hebt die je niet kunt betalen, als je aan je kind niet kunt geven wat de consumptiemaatschappij verwacht dat je aan je kind geeft, dan komt men al sneller in een problematische opvoedingssituatie terecht.

Iets doen aan de instroom in de jeugdzorg betekent radicaal kiezen voor een beleid dat armoede bestrijdt en voor een beleid dat vooral inzet op de komende generaties. Ik was blij met het pleidooi van mevrouw Schrijvers. U hebt verwezen naar het feit dat er steeds meer kinderen geboren worden: 71.000. U hebt er niet bij gezegd dat een derde daarvan in Antwerpen terechtkomt. Het grootstedelijk probleem is, zoals ook mevrouw Dillen heeft aangehaald, enorm groot.

Er is in de rest van Vlaanderen weinig onderzoek gebeurd naar welke kinderen in de bijzondere jeugdzorg terechtkomen. Op vraag van de provincie Antwerpen is dat wel gebeurd. We hebben de onderzoekers gehoord. 44 procent van de jongeren die instromen in de jeugdzorg, zijn allochtone kinderen uit Oost-Europa, uit Roemenië, uit Turkije enzovoort, maar waar het allochtoon zijn altijd gekoppeld is aan kansarm zijn. Een deel van de instroom wordt ook verklaard door het feit dat zulke kinderen op dit moment geen plaats vinden in het onderwijs. Ze zijn op 13 jaar schoolmoe en haken af omdat ze op school alleen maar mislukkingservaringen opdoen. We zetten er spijbelprogramma’s tegenover, maar dan is het al veel te laat. Zoiets moet je veel vroeger aanpakken. We moeten er absoluut voor zorgen dat ons onderwijs en onze kinderopvang gelijke kansen creëren voor die kinderen, met prioriteit voor die regio’s en steden waar veel kansarme en allochtone kinderen wonen.

Ik heb twee heel concrete voorstellen. Als we in het najaar het decreet Kinderopvang bespreken, bespreek het dan in relatie met het kleuteronderwijs en integreer kinderopvang en kleuteronderwijs zodat men op maat van kinderen zorg kan afbouwen en leren kan opbouwen.

Vandaag hebben wij schitterende voorwaarden. Een kind van 2 jaar en 5 maanden zit in een groepje van zeven kindjes met één begeleider en heeft een gegarandeerd aantal vierkante meters. Wanneer dat kind 2 jaar en 6 maanden oud is, komt het terecht in een kleuterklas van dertig kindjes, zonder gegarandeerde oppervlakte want het gaat vaak om containerklasjes. Dat is niet normaal. Sommige kinderen zijn op de leeftijd van 2,5 jaar klaar om te functioneren in een grote groep. Zij kunnen de dag doorkomen zonder pamper en hebben niet veel zorg meer nodig. Andere kinderen, vooral die kansarme kinderen, hebben die zorg en die opvang in kleine groepen wel nog nodig. Op die manier kunnen zij ook hun taal bijschaven. Ik vraag dan ook om die twee te integreren. Op maat van het kind moeten we zorg afbouwen en onderwijs opbouwen.

Ik heb zonet het voorbeeld gegeven van de nood aan sport en beweging van kinderen. Nu zijn het alleen kinderen die op de achterbank, na de tekenschool, naar de sportclub kunnen gaan, die de buitenschoolse activiteiten volgen. Diezelfde kansarme allochtonen kinderen ziet men zelden, hoewel ook zij wellicht veel talent hebben. Er gaat ongelofelijk veel talent verloren. Allochtone kinderen die het misschien wat moeilijker hebben met rekenen en taal, zijn misschien keigoed in sport of in muziek. Die succeservaring kan hen pushen om ook voor die andere vakken een beter zelfbeeld te creëren.

We moeten daarin investeren: dat is investeren in onze toekomst. Het aandeel kansarme kinderen dat thuis geen Nederlands spreekt in de nieuwe geboren cohorte, wordt immers steeds groter. Wanneer we daar niets aan doen, zal de volgende generatie minder hoog opgeleid zijn dan de huidige generatie jongeren. Dat kunnen wij ons niet permitteren in een kenniseconomie. Wij rekenen op die generatie om onze pensioenen te betalen.

Wij zien opvoedingsondersteuning als een manier van preventie. Wij gaan mensen helpen om ervoor te zorgen dat er geen problematische opvoedingsituatie ontstaat. Dat is vertaald in een decreet Opvoedingsondersteuning, dat vooral een structuurdecreet is en werkt met opvoedingswinkels in de centrumsteden. Van daaruit wordt overleg gepland met iedereen die met opvoedingsondersteuning bezig is.

Minister, wij praten over maar veel te weinig met de mensen die opvoedingsondersteuning nodig hebben. Ik had zonet over de 6 kilo aan informatie die een jonge moeder in zes maanden tijd krijgt van Kind en Gezin. Er is echt geen nood aan nog eens bijkomende brochures in de opvoedingswinkel. Opvoeding is niet te koop. Opvoeding heeft met de context te maken.

Mijnheer Crombez, dit is inderdaad geen tabula rasa. In de begroting zit echter niet zo veel geld voor opvoedingsondersteuning. Het model dat we nu hebben voor de verdere uitbouw van de opvoedingswinkel, zou heel veel geld kosten en kan veel beter worden ingezet. Ik stel dan ook voor het decreet op de opvoedingsondersteuning op te heffen en de middelen te heroriënteren. Ik heb drie concrete voorstellen. Er wordt via Triple P, waar de Vlaamse overheid mee in investeert, gepleit voor een populatieparadigma. Dat betekent dat er een soort opvoeding wordt gegeven aan alle mensen. Eerder dan dit te doen via glossy tijdschriften, zoals Triple P nu doet, zou men het vak pedagogie kunnen onderwijzen in het middelbaar onderwijs. Ons onderwijs is een algemeen vormend onderwijs. Wij geven van alle vakken een beetje. Momenteel zijn er zelfs verkeerslessen, zodat jongeren hun theoretisch examen op school kunnen afleggen. Pedagogie is iets waar alle jongeren mee te maken hebben. Heel veel jongeren gaan babysitten of zitten in een jeugdbeweging. Waarom geven wij natuurkunde, verkeerkunde, aardrijkskunde? Waarom zouden we dan ook de basisbeginselen van de pedagogie niet integreren in het onderwijs?

De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen

Mevrouw Vogels, ik heb in uw motie gelezen dat u daarvoor pleit. Ik geloof zelf niet in een vak pedagogie in het secundair onderwijs als oplossing voor opvoedingsproblemen in onze samenleving. Toen ik uw voorstel toetste aan de andere elementen die u in uw motie hebt opgenomen, begreep ik het niet goed. U zegt namelijk ook dat opvoeding vooral plaatsvindt in gezinnen, dat de voorbeelden voor de opvoeding vooral te vinden zijn in de gezinnen, en dat kinderen daar heel veel uit meepikken. U pleit er in uw motie ook voor dat we moeten investeren in mensen die samenkomen en in organisaties die dat ter sprake brengen, zodat mensen onder elkaar gedeprofessionaliseerd bezig zijn met opvoeding en opvoedingsondersteuning. Voor mij staat dat haaks op de professionalisering die u in de opvoeding wilt doorvoeren door middel van een vak pedagogie.

Mieke Vogels

Er is een enorme behoefte aan informatie over opvoeding. Alle brochures van Kind en Gezin zijn daar een antwoord op. De bedoeling van Triple P is om alle mensen de basisprincipes van opvoeding mee te geven. Ik zeg dat je dit niet meer moet doen. Maar als je dat toch wilt doen, bouw het dan liever in in het onderwijs. Als er één ding is waar kinderen of jongeren later mee te maken zullen krijgen, dan is het opvoeden. Als ze adolescent zijn, krijgen ze er al mee te maken als babysitter. Het tweede voorstel is inderdaad om dat te deprofessionaliseren. Ik hoop dat CD&V het minstens daar mee eens is. Deprofessionaliseer de opvoedingsondersteuning en laat dat – zoals het al generatie na generatie het geval is – over aan ervaringsdeskundigen. Laat ouders en gezinnen met elkaar praten over hoe zij het aanpakken.

Kathleen Helsen

Als we dat als vak inbouwen in het secundair onderwijs, vrees ik dat dit opnieuw het overdragen is van kennis en dat dit zeer theoretisch zal zijn. Als ik zie wat vandaag al mogelijk is in scholen in het kader van relationele vorming, is er perfect de mogelijkheid om de positieve kanten van de opvoeding die jongeren in hun gezin beleven en de moeilijkheden die zij thuis ervaren, aan bod te brengen in die ruimte die door veel scholen in het secundair onderwijs wordt gecreëerd. We hebben geen behoefte aan een extra vak. Ik vrees dat we dan opnieuw in de theorie en de informatie- en kennisoverdracht terechtkomen waarvan u zegt dat we daar nu net genoeg van hebben.

Mieke Vogels

Daarover zijn we het niet eens, dat is duidelijk.

Met mijn tweede voorbeeld stel ik voor om dat te deprofessionaliseren en het aan de ervaringsdeskundigen over te laten. Steun structureel diegenen die dat organiseren.

Op dit ogenblik gaan er niet zo enorm veel middelen naar opvoedingsondersteuning. Heroriënteer deze middelen naar de mensen die ze het meest nodig hebben. Ik heb het voorbeeld in de motie omschreven. Zorg er in kansarme buurten, waar kinderen weinig ruimte hebben om te spelen en weinig uitdagende prikkels hebben, voor dat kinderen op woensdagnamiddag kunnen spelen met creatief speelgoed, met Lego, met puzzels en dergelijke. Dat is enorm belangrijk om later vraagstukken te kunnen oplossen. Zorg ervoor dat de ouders daar ook een beetje terechtkunnen met hun problemen, bijvoorbeeld wat ze moeten doen als ze een brief van de deurwaarder hebben gekregen. Laat ons ook daar contextgericht werken en dat niet isoleren.

Minister, het volgende voorstel is het belangrijkste met het oog op het contextgerichte denken binnen de hulpverlening. Alle lijnen vallen een beetje samen. Contextgerichtheid in de welzijnssector of – en u gebruikt het woord ook steeds vaker – de vermaatschappelijking van de zorg is een term die uit Nederland komt. Hij is ontstaan als reactie op het medische model. De cultuurfilosoof Jos Van der Lans schrijft: “Professionele hulpverleners zijn vastgelopen in regels en procedures. De sociale werker moet opnieuw het vliegwiel aanzwengelen om de vastgelopen motor weer in beweging te brengen. De informele netwerken van de betrokkenen leveren hiertoe de brandstof.” Van der Lans zegt mooi wat ‘contextgericht’ en ‘vermaatschappelijking van de zorg’ zouden moeten betekenen.

Tijdens de hoorzittingen hebben we daarvan zeer mooie voorbeelden gehoord. Ik verwijs naar het Columbusproject, waarbij bij jongeren die zich aanmelden in de bijzondere jeugdzorg, meteen de vraagverduidelijking gebeurt en wordt bekeken wat er mis is in dat gezin, waarbij wordt bekeken hoe een plaatsing eventueel kan worden voorkomen, ook bij ernstige problemen. Ook de multifunctionele centra zijn eigenlijk een illustratie van die vermaatschappelijking van de zorg: een jongere is opgenomen in een voorziening, maar die voorziening probeert steeds opnieuw terug te koppelen naar het informele netwerk van die jongere, om die opvang in die voorziening zo kort mogelijk te maken. Professor Deboutte heeft het gehad over zijn netwerktafels, waarbij alle hulpverleners samen rond de tafel zitten.

Minister, ik ontmoet die vermaatschappelijking van de zorg dus steeds meer in de jeugdzorg. Ik ontmoet die steeds meer in interviews met u, in uw beleidsnota en in de maatschappelijke realiteit. Alleen – en dan begrijp ik het niet meer – is deze Vlaamse Regering bezig met een proces dat haaks staat op heel die vermaatschappelijking van de zorg en dat voortbouwt op het medische model, waarbij problemen worden geïsoleerd en waarbij men tegenover die problemen een module plaatst. Dat proces heet integrale jeugdhulpverlening. Neen, ik wil geen tabula rasa van de integrale jeugdhulpverlening. In het verleden zijn ter zake voldoende belangrijke stappen gezet. Er zijn belangrijke dingen verworven die niet hoeven te worden weggegooid en niet mogen worden weggegooid. Soms hoor ik van leden van de meerderheid dat het niet logisch is dat ik nu tegen de integrale jeugdhulpverlening ben, terwijl ik die zelf mee op de sporen heb gezet. “The duty of the opposition is to oppose”, stellen ze. Dat is te gemakkelijk. Dan antwoord ik zoals ik dat destijds heb gedaan aan mijn burgemeester: “The duty of the majority is to ridicule.” Ik zou dat wat jammer vinden. Ik zou toch willen dat u enigszins mijn gedachtegang volgt en die niet meteen afdoet als oppositiepraat. Ik gooi de integrale jeugdhulpverlening niet weg. Ik denk dat de besluiten van de maatschappelijke beleidsnota van 1998 nog steeds overeind blijven. Ik heb u dat al meermaals gezegd, en ik blijf dat ook vandaag zeggen.

Ik ben trouwens niet de enige. Ik citeer professor Deboutte: “Het project van de integrale jeugdhulp was een ontzettend goede doelstelling, alleen heb ik op dit moment vanuit het veld het gevoel dat we van die doelstelling veel verder af zijn dan tien jaar geleden.” Hij stelt dat dit ook te maken heeft met het feit dat men, waarschijnlijk om begrijpelijke politieke, maatschappelijke en Vlaamse redenen, meer rekening heeft gehouden met voorzieningen en directies dan met jongeren en hun gezin.

Tijdens de hoorzittingen hebben we de presentatie gekregen met betrekking tot die nieuwe poort tot de integrale jeugdhulp, die ene toegang tot alle residentiële en zwaardere hulp voor alle kinderen die terechtkomen in de gehandicaptensector, de geestelijke gezondheidszorg en de jeugdzorg. Begrijp me niet verkeerd: ik blijf een voorstander van die ene poort. We hebben echter een schema gekregen dat prefect illustreert dat er sprake is van protocolleren, van het medische model, van het moduleren en het maken van formulieren, waarbij jongeren worden gereduceerd tot een formulier, tot iets waar men een module tegenover kan plaatsen. Dat staat haaks op alles wat we hebben gehoord in de commissie.

Men gaat ervan uit dat de jongere instroomt, dat noemt men de diagnostiek, via de brede, rechtstreeks toegankelijke hulp, maar, minister, die bestaat vandaag niet. Er is de voorbije jaren onder druk van de publieke opinie vooral geïnvesteerd in voorzieningen. Er is niet of niet voldoende geïnvesteerd in het algemeen welzijnswerk en in de CLB’s om de echte brede toegangspoort voor jongeren te kunnen zijn.

We hebben tijdens de hoorzittingen een getuigenis gehoord van CLB-medewerkers, die afhankelijk zijn van het ministerie van Onderwijs. Ze krijgen welgeteld één uur om aan vraagverduidelijking te doen voor één geval. Eén uur! Wat kun je op één uur doen? Je kunt een formulier invullen, maar je kunt nooit met de context werken om te zien hoe het in de familie zit en of er in het informele netwerk eventueel een mogelijkheid is om naar hulp te zoeken.

Het formulier gaat dan naar de toegangspoort. In die toegangspoort zullen de huidige consulenten dossierbeheerders worden die op basis van dat dossier een analyse zullen maken. Ze horen de betrokkene niet eens! En dan komt de toewijzing van de module, ook weer zonder de betrokkene te horen. Vele collega’s hebben al opgemerkt dat wat essentieel was in het oorspronkelijke model, namelijk de trajectbegeleiding, volledig is weggevallen. Bijvoorbeeld professor van der Lane stelt daar grote vragen bij. Ze vraagt hoe het komt dat de trajectbegeleider weggevallen is en ze vraagt zich af waar die naartoe is. Professor van der Lane zegt, en samen met haar nog een aantal anderen, dat een consultent zijn eigen loon verdient als hij contextgericht mag werken en aan trajectbegeleiding kan doen. Die consulent kan er immers voor zorgen dat een plaatsing vermeden wordt. Als hij aan trajectbegeleiding doet, kan hij toezien op de voorzieningen om te zien of ze voldoende terugkoppelen en de residentiële opvang tot een minimum beperken.

Minister, vandaar mijn vraag om de integrale jeugdhulp alstublieft te laten doorgaan, maar om de toegangspoort te herbekijken in het kader van wat in uw beleidsnota staat, namelijk een vermaatschappelijking van de zorg. Houd rekening met de context en reduceer de minderjarigen alstublieft niet tot formulieren. Op dit moment is de integrale jeugdhulp vooral bezig met het ontwikkelen van formulieren. Ik hoorde onlangs dat men bezig is met het ontwikkelen van een formulier voor de toegang tot het bureau ‘maatschappelijke noodzaak’, dat wil zeggen dat het om zwaarwegende dingen gaat. Opnieuw een formulier! Men vergadert over formulieren, maar men vergadert niet meer met jongeren en niet meer met hulpverleners.

Minister, mijn pleidooi is: herwaardeer de consulent, laat de consulent de spil blijven in de toegang tot de niet-rechtstreeks toegankelijke hulp. Herwaardeer de consulent en ondersteun hem. Zorg dat hij geen 90 maar slechts 25 dossiers heeft, dat hij aan vraagverduidelijking kan doen en dat hij de ruimte krijgt om indien nodig netwerktafels te organiseren, en zorg ervoor dat hij op het moment dat de hulpverlening is toegewezen, het traject verder kan begeleiden.

Dat betekent, minister, dat u ook voldoende vertrouwen moet hebben in de hulpverlener en dat u hulpverleners niet mag reduceren tot dossierbeheerders. Er is een grote uitstroom uit de bijzondere jeugdzorg, ook bij de consulenten, wegens de zwaarte van de dossiers en de hoeveelheid dossiers, maar ook omdat hulpverleners zich steeds meer gereduceerd voelen tot dossierbeheerders. Creativiteit wordt niet beloond, want wie creatief is, heeft meer tijd nodig. Dat kan niet, want men heeft maar één uur voor de vraagverduidelijking, het past niet binnen een vakje en er kan ook geen module tegenover staan. We zijn fout bezig. Laten we nu het nog kan, het geweer van schouder veranderen wat de toegangspoort betreft.

Ik rond stilaan af. Ik heb 22 bladzijden motie geschreven, er staat nog veel meer in, ik wil er graag naar verwijzen.

Ik durf nog twee zaken naar voren te schuiven. Minister, doe onderzoek naar jeugdzorg. Vandaag weten we nog altijd niet wie waar op welke zorg wacht. We weten niet welke trajecten jongeren doorlopen. We zijn bezig met de volgende tien jaren, die heel belangrijk zijn. Over tien jaar zal ik hier niet meer staan, ik hoop dat u hier dan ook niet meer staat, mijnheer Crombez. Als er volgend jaar nieuwe contracten komen voor Vlaamse wetenschappelijke steunpunten, dan ben ik pleitbezorger voor de installatie van een Vlaams wetenschappelijk steunpunt Jeugdzorg, om de wetenschappelijk veranderingen in die sector te begeleiden.

Ten slotte, als je consequent bent en je gaat voor de vermaatschappelijking van de zorg, en je ziet dat vooral in de grote steden het aantal jongeren in de bijzondere jeugdzorg in problematische opvoedingssituaties steeds diverser wordt, dan is er meer dan nood aan een soort steunpunt diversiteit.

Mijn echtgenoot heeft jaren internationale marketing gedoceerd. Minister, er bestaan heel dikke boeken over hoe je je moet gedragen als je in China of elders gaat verkopen, wat de normen en waarden zijn in de verschillende landen. Moet je boeren na het eten, of mag dat niet? Moet je mensen uitnodigen aan tafel om een contract te sluiten, of doe je dat beter niet?

Voor marketeers bestaat dat. Voor hulpverleners in de jeugdzorg bestaat dat niet. Er is nochtans een ongelooflijke nood. Als consulenten of andere hulpverleners worden geconfronteerd met bijvoorbeeld nieuwe Roma-gezinnen uit Bulgarije, dan moet je die normen en waarden niet goedkeuren, maar je moet ze ten minste kennen en weten hoe die mensen denken om de juiste hulpverlening te kunnen organiseren. Dan moet je ten minste voldoende tolken in huis hebben om een gesprek te kunnen voeren.

Het is natuurlijk belangrijk dat mensen Nederlands leren, mijnheer Van Dijck, maar het is niet omdat je elkaar verstaat, dat je elkaar begrijpt. De normen en waarden kunnen anders zijn. Er is een heel grote nood aan een steunpunt diversiteit in de hulpverlening.

Minister, ik hoop dat u met de aanbevelingen, die niet altijd even duidelijk zijn en niet altijd even kamerbreed worden gevolgd, rekening zult houden. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen

Voorzitter, minister, collega’s, toen ik mijn betoog voor dit debat voorbereidde, wilde ik nog eens kijken naar de opdracht die de commissie heeft gekregen en welk antwoord het parlement daarop heeft trachten te formuleren. De opdracht van de commissie was na te gaan hoe het komt dat steeds meer jongeren instromen in de jeugdhulpverlening en dat we daar geen gepast antwoord op hebben, en welke initiatieven de Vlaamse overheid moet nemen om te voorkomen dat meer jongeren een beroep moeten doen op hulpverleningsinstanties.

Ik heb het altijd belangrijk gevonden om ons in de zoektocht naar een antwoord niet enkel te richten op de hulpverlening. We moeten ons in de zoektocht naar oplossingen richten naar alle levens- en beleidsdomeinen en naar het preventieve luik. Door de hulpverlening te verbeteren, voorkom je nog niet dat jongeren instromen. De opdracht van het Vlaams beleid is veel ruimer dan kijken naar de manier waarop de hulpverlening vandaag is georganiseerd.

Als ik de moties van de verschillende politieke fracties lees, stel ik vast dat de vraag aan de Vlaamse Regering wordt gesteld om zich te richten op domeinoverschrijdende initiatieven, maar in de uitwerking van de moties worden er heel veel vragen gesteld over de hulpverlening zelf. We moeten ons vooral richten op het moment vóór de jongeren de stap zetten naar de hulpverlening.

Daarom vind ik het positief dat de motie van de meerderheid aandacht heeft voor verschillende initiatieven. Ze stelt vragen aan de Vlaamse Regering op het vlak van ruimtelijke ordening, huisvesting, leefmilieu en onderwijs. Ik volg de commissie Onderwijs van dit parlement. Ik hecht veel belang aan de vraag naar de rol van het onderwijs. Om te voorkomen dat jongeren de stap zetten naar de hulpverlening, is het belangrijk dat de school zicht heeft op het welbevinden van kinderen en jongeren. Welbevinden is een parameter en tevens een voorwaarde om te kunnen komen tot leren. De vraag die we dan moeten stellen, is: weten leerkrachten op school in welke mate kinderen zich wel bevinden? Is daar vandaag voldoende en gepaste aandacht voor? Hoe wordt daarmee omgegaan? Beschikken leerkrachten over de instrumenten om het welbevinden van leerlingen te meten? Het antwoord is: er is nog veel werk aan de winkel.

Daarom is het belangrijk dat de Vlaamse Regering werk maakt van nieuwe instrumenten en van onderzoek, ook in de humane wetenschappen. De CLB’s en scholen beschikken niet over de meest moderne instrumenten om leerlingen met problemen te begeleiden. Maar niet alleen instrumenten zijn belangrijk, ook de competentieontwikkeling is prioritair! Dat zit in de motie van de meerderheid. Competentieontwikkeling is niet alleen belangrijk voor CLB-medewerkers maar ook voor leerkrachten. We moeten daar prioritair op inzetten. Zonder de nodige competentie is de basiszorg vanuit het onderwijs onmogelijk.

Welbevinden is cruciaal in een gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren. Daarom is de aandacht voor alle ontwikkelingsdomeinen van kinderen en jongeren op school belangrijk. Niet enkel en alleen het cognitieve en het leren moet vooropgesteld worden, maar ook het lichamelijke, het morele, het sociale en het persoonlijke. Dit zijn de verschillende domeinen waarop kinderen en jongeren zich ontwikkelen. Ik ben het volledig eens met de vraag aan de Vlaamse Regering om de basiszorg in scholen goed uit te bouwen, maar dat is iets anders dan het organiseren van de hulpverlening door en op de school.

Een school is in de eerste plaats een onderwijsinstelling waarin het leerproces vooropstaat. Natuurlijk is aandacht voor een aangenaam schoolklimaat van belang, want dit voorkomt spijbelgedrag. Er moet op school respect zijn voor de eigenheid van elk kind. Er moet een gepast antwoord worden gezocht op de vragen en noden van kinderen in de vorm van flexibele leertrajecten, en niet alleen als het fout loopt. Van meet af aan moet er aandacht zijn voor de specifieke vragen en noden van kinderen en jongeren. Er moet worden gekeken naar het juiste leertraject dat tegemoetkomt aan die behoeften en noden. Ook ruimte en tijd zijn belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen. Ook op school moet er aandacht zijn voor voldoende ruimte en kinderen.

Dat zijn allemaal belangrijke opdrachten voor de scholen. We moeten heel alert zijn voor een vermenging van onderwijs en hulpverlening. We mogen het onderwijs niet therapeutiseren. Leerkrachten moeten wel in staat zijn om signalen op te vangen en door te geven aan de CLB’s. Als onafhankelijke organisatie zijn zij veel beter dan de school geplaatst om een hulpvraag verder op te nemen. Maar ze moeten dat in alle ernst kunnen doen; ze moeten natuurlijk beschikken over voldoende mankracht.

Mevrouw Vogels heeft het al gehad over de manier waarop ze te werk moeten gaan. We hebben voor hen een kader gecreëerd. We moeten ons de vraag stellen of dit wel het juiste kader is. We stellen vast dat de CLB’s nog steeds over dezelfde mankracht beschikken als in de jaren 70. Gezien de toename van het aantal vragen dat de CLB’s moeten verwerken, is het logisch dat ze niet in staat zijn al die vragen in alle ernst te behandelen. Het is logisch dat ze niet in staat zijn ervoor te zorgen dat jongeren niet in de jeugdhulpverlening instromen.

Als Vlaamse overheid moeten we meer aandacht hebben voor voldoende geprofessionaliseerde basiszorg die aan de scholen kan worden gekoppeld. Hierdoor kunnen de jongeren tijdig worden opgevangen.

Tijdens de hoorzittingen hebben we meermaals vanuit de academische wereld de opmerking gekregen dat het kader waarbinnen de CLB’s moeten werken niet geschikt is. Het kader is te strak. De CLB’s ervaren dit in zeer sterke mate.

De modularisering die in de loop van de vorige legislatuur is vastgelegd, biedt niet het juiste kader. Het is moeilijk op een zo strakke manier de juiste hulpverlening aan te bieden of de juiste antwoorden op de noden te formuleren. Ook de manier waarop revalidatie, logopedie of de begeleiding bij geïntegreerd onderwijs (GOn-begeleiding) wordt aangeboden, zit in een strak kader. Het risico dat zo niet het gepaste antwoord op de noden van kinderen en jongeren wordt gegeven, is dan ook zeer groot.

Het is belangrijk dat de overheid een kader creëert voor de instellingen. De instellingen moeten binnen dit kader aan de slag kunnen gaan. We moeten dit ten gronde onder de loep nemen. Ik hoop dat in het nieuwe decreet betreffende de leerlingenbegeleiding, een decreet waar we nog in de loop van deze legislatuur werk van willen maken, in alle ernst aan bod kan komen. We moeten nagaan hoe we het kader kunnen verbeteren op een manier die de organisaties beter in staat stelt een gepast antwoord op deze noden te bieden.

Het is in het onderwijs eveneens belangrijk op een brede manier naar kinderen te kijken. Vanuit die kijk moeten we bij elk kind een brede ontwikkeling tot stand brengen. In het onderwijs betekent dit ook dat de leerkrachten op zoek moeten gaan naar een manier waarop ze met diversiteit kunnen omgaan. Dit is in mijn ogen een zeer belangrijke prioriteit. De omgang met diversiteit vormt momenteel een enorme uitdaging voor het onderwijs. We moeten elk kind, en niet enkel kinderen met ontwikkelingsproblemen, de beste kansen bieden.

Om een bredere ontwikkeling tot stand te brengen, kunnen we ook een brede school realiseren. Mevrouw Vogels heeft dat in haar eigen motie van aanbeveling uitgewerkt. Ik wil echter opmerken dat wij de brede school op een andere manier willen realiseren dan op de manier die zijn in haar motie van aanbeveling heeft uitgewerkt.

Mevrouw Vogels vindt het belangrijk de schooldag te verlengen en vooral veel activiteiten op school te ontwikkelen. Wij vinden het belangrijk dat een brede school kinderen en jongeren net iets meer dan een context aanreikt. Een brede school moet een brede ontwikkeling mogelijk maken. Dat hoeft niet enkel en alleen op school te gebeuren. Kinderen en jongeren kunnen hier binnen veel interessante contexten kennis mee maken. Dit kan hun ontwikkeling verrijken. Scholen moeten immers oog hebben voor de ontwikkeling van jongeren en moeten deze ontwikkeling, in samenwerking met de CLB’s, zeer goed opvolgen en duidelijk in kaart brengen. Dit moet allemaal gebeuren in overleg met de ouders, met inbegrip van de ouders die tot de kwetsbare doelgroepen behoren. In overleg met de school en met het CLB moeten ze nagaan hoe de ontwikkeling van kinderen en jongeren kan worden gestimuleerd en versterkt.

Mieke Vogels

Het gaat me er niet om dat het absoluut allemaal op de school moet gebeuren. Er zijn verschillende invullingen van de brede school mogelijk. Dat is enigszins afhankelijk van de regio waarin iemand zich bevindt.

We moeten er vooral goed op letten dat kansarme kinderen een aanbod in al die contexten krijgen. Ze moeten haast automatisch de mogelijkheid krijgen om hun talenten op sportief, muzikaal of ander vlak te ontwikkelen. Zodra dat is gegarandeerd, doet het er niet toe of dat op school of elders gebeurt. Dat is allemaal op de context gebaseerd. In bepaalde steden of dorpen zal het anders verlopen dan in andere steden of dorpen.

Kathleen Helsen

Mevrouw Vogels, uit wat u hebt gezegd, heb ik begrepen dat u telkens vanuit de school vertrekt, dat u de activiteiten naar de school wilt brengen. U zei dat het net de kwetsbare en de kansarme doelgroepen zijn die zich niet verplaatsen. Het is belangrijk dat we ze net wel die kansen bieden, zodat ze ook andere contexten ontdekken, ze uit zichzelf die stap leren zetten en ze een veel rijkere ontwikkeling kunnen meekrijgen, een ontwikkeling die een aantal kinderen van thuis uit meekrijgen.

Ten slotte vind ik het belangrijk dat er voor de schoolinternaten werk wordt gemaakt van de gelijkschakeling van werkings- en omkaderingsmiddelen. Dat biedt immers meer mogelijkheden om in te spelen op de specifieke vragen. We vragen van hen dat ze open staan voor toch wel specifieke zorgvragen van kinderen. Heel belangrijk daarbij is dat we ook oog hebben voor de draagkracht van het personeel op deze internaten en de draagkracht van leefgroepen op de internaten, zodat die niet overschreden wordt. Internaten hebben een belangrijke rol te vervullen in de opvoeding, vorming en begeleiding van kinderen en jongeren. Voor veel kinderen is het internaat een plaats waar structuur en warmte gevonden wordt, met studiebegeleiding, een aanbod dat ze thuis vaak niet krijgen. Maar internaten mogen niet evolueren tot zorg- of welzijnsinstellingen, waar straks enkel en alleen, of voornamelijk, kinderen en jongeren met bijzondere noden terechtkomen.

Collega’s, minister, vanuit een specifieke onderwijsinvalshoek wil ik deze vragen meegeven aan de Vlaamse Regering. Minister, ik stel vast dat u heel eenzaam het debat over jeugdzorg volgt. Elke fractie heeft met klem benadrukt dat dit een werk moet zijn van de hele Vlaamse Regering, dat het een domeinoverschrijdende aanpak vraagt. Ik hoop dan ook dat u de bekommernissen overmaakt aan uw collega’s en dat ook de minister van Jeugd en Onderwijs de invalshoek van het onderwijs onder de loep neemt. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw De Wachter heeft het woord.

Else De Wachter

Voorzitter, minister, collega’s, als voorzitter van de Commissie Jeugdzorg sta ik met gemengde gevoelens op het spreekgestoelte. Ik heb het geluk gehad om de voorbije uren intensief te kunnen luisteren naar de collega’s, die toch wel alle commissievergaderingen goed hebben bijgewoond. Tijdens die vergaderingen hebben we de voorbije maanden heel intensief gewerkt. We hebben niet alleen nu intensief geluisterd: we hebben dat vooral de afgelopen maanden gedaan tijdens de commissievergaderingen met de actoren.

Ik weet dat we hier bijna een jaar geleden de beslissing hebben genomen om de Commissie Jeugdzorg op te richten. De commissiewerkzaamheden zijn effectief van start gegaan in oktober vorig jaar. We hebben bijna een parlementair jaar lang heel hard gewerkt in deze commissie. Ik weet dat er toen toch een aantal kritische stemmen opgingen, die vroegen of het echt nodig was om tot het paasreces te werken. Het bleek dan dat dit niet voldoende was. Toen was de kritiek of we er wel in zouden slagen om tegen het zomerreces de zaak af te ronden. Als voorzitter ben ik tevreden en fier dat ik kan stellen dat we daar inderdaad in zijn geslaagd en dat we vandaag het parlementair debat kunnen voeren over de werkzaamheden van de commissie.

Het plenaire debat vorm het sluitstuk van de commissiewerkzaamheden. Het is een fase in het geheel rond jeugdzorg, maar absoluut niet de eindfase. Straks zullen we de verschillende moties ter stemming voorleggen. Het zal dan zijn dat het werk aanvat en dat we een aantal aanbevelingen doen aan de Vlaamse Regering. Collega’s, laat het heel duidelijk zijn, we moeten hierin allemaal onze verantwoordelijkheid nemen. Het is aan ons om er tijdens de komende periode op toe te zien dat die aanbevelingen ook worden nageleefd en dat er ook effectief werk van wordt gemaakt. Dat is de verantwoordelijkheid van ons, leden van het Vlaams Parlement.

Voorzitter, af en toe zal ik misschien een beetje in herhaling vallen. Ik zal dat beperken. Het betekent alleen dat we het kamerbreed absoluut eens zijn over sommige zaken. Ik vind het tevens belangrijk een aantal zaken te stellen, ook al val ik daarmee in herhaling, om nog eens de accenten te leggen die voor ons zo cruciaal zijn in het hele verhaal.

Naast de maatschappelijke beleidsnota en de motie die daaruit is voortgevloeid, willen we nog enkele accenten leggen.

Ten eerste is er het recht op jeugdhulp in plaats van het recht op toegang tot zorg. Het is belangrijk dat we een sociaal beleid kunnen voeren, dat niet louter gericht is op ordehandhaving en arbeidskwalificaties. We moeten er vooral naar streven dat er een grote gelijkheid is in de mogelijkheden om een menswaardig bestaan te leiden. Jeugdzorg wordt zo niet gezien als een sector, maar wel, zoals al door heel wat collega’s is benadrukt, als de relatie tussen kinderen, ouders en de overheid. De aanwezigheid van structurele aandacht voor ouders en kinderen, in de vorm van een basisrecht op ruimte, recht en respect, moet het uitgangspunt zijn, in plaats van de residentiële opvatting dat er moet worden ingegrepen indien ouders het even laten afweten.

Jeugdzorg wordt dan het geheel van voorzieningen waarop kinderen en jongeren een beroep kunnen doen, en het terugdringen van de bijzondere plaats. Het recht op hulp is een positiever uitgangspunt, ook voor de preventie van risicotrajecten, omdat die kunnen worden ingebed in een ondersteuningsbeleid waarin de jongere centraal staat, eerder dan het risico zelf. Een recht op hulp vertrekt vanuit het idee dat problemen niet per definitie in hulpvragen moeten worden vertaald, maar dat samen met ouders en kinderen bekeken wordt wat ondersteunend kan zijn. Dat geldt voor het aanbieden van voorzieningen, zorg en ruimte, zodat elk kind zich maximaal kan ontplooien.

Als we dat willen garanderen, beste collega’s, moeten we ervoor zorgen dat we voldoende hulpverleners hebben in de sector en dat die voldoende ondersteuning en opleiding krijgen, om hun taak op een heel goede manier te kunnen volbrengen. Een engagement van de hulpverleners en een open communicatie zijn de bouwstenen voor de rondetafels, waarover het ook vaak ging in de commissiewerkzaamheden.

Dat vraagt soms wel – dat geven we graag toe – een attitudeverandering in de hele sector. Dat kan doorheen de tijd nodig zijn. Door de combinatie van diagnoses neemt de ernst van de problematiek toe en daar zijn hulpverleners vaak onvoldoende op voorbereid. De sector wil zelf een uitbreiding van zijn eigen begeleiding, maar er is ook vraag naar een betere opleiding en voorbereiding. Veel opleidingen zijn nu te specifiek, met toenemende specialisaties. Om professioneel handelen verder mogelijk te maken en te begeleiden is er, naast die algemene opleiding, nood aan intervisie en supervisie. Heel wat sprekers uit de volledige hulpverleningssector hebben daarnaar verwezen.

De gegevens en de cijfers zijn ter beschikking: er zal de komende jaren een enorme uitstroom zijn van hulpverleners, onder andere omwille van het op pensioen stellen. Dat hebben ze absoluut verdiend, maar belangrijk is dat we de nieuwe, jonge, minder ervaren hulpverleners bijtreden en niet in de steek laten. Dat is ook de verantwoordelijkheid van het Vlaams Parlement. Hulpverleners hebben nood aan ondersteuning, wij moeten die bieden, want enkel zo kunnen we kwalitatieve jeugdzorg garanderen. Laten we daar werk van maken. De ervaren hulpverleners kunnen de minder ervaren hulpverleners bijvoorbeeld bijstaan in een stage of begeleiding geven.

Het werk eindigt hier vandaag niet. Alles wat we wijzigen en verbeteren in de sector moet in functie staan van het kind of de jongere. Als we dat willen garanderen, moeten we ervoor zorgen dat er voor elk kind één dossier is en één lifecoach of trajectbegeleider. Nu is het vaak zo dat kinderen door omstandigheden in verschillende vormen van hulpverlening terechtkomen. In de praktijk weet de ene vorm van hulpverlening niet van de andere dat die al met dit kind aan de slag is geweest of aan de slag is. Dat kan niet. Als je gaat voor een kwalitatieve ondersteuning van de jongere, moet het heel duidelijk zijn waaraan hulpverleners met die jongere al hebben gewerkt en wat de conclusies zijn. Wat heeft de jongere vooral nodig? Daarop moet men zich baseren, om daarmee verder te gaan.

Ik zei het al: veel jongeren krijgen steeds opnieuw een kortstondige begeleiding. Het moet erg frustrerend zijn voor een jongere om keer op keer je verhaal te moeten herhalen. Zo geraakt hij gefrustreerd en haakt hij af, want hij krijgt niet het gevoel dat hij wordt begrepen en begeleid. Als het zou kunnen, dan moet naast de trajectbegeleiding van het minderjarige kind ook een begeleiding worden gewaarborgd wanneer het volwassen is geworden. Ik hoop dat dit kan.

Ik geef een voorbeeld. Ik heb het geluk gehad in een gezin terecht te komen waar ik als 18-jarige enkel moest stilstaan bij mijn studiekeuze. Voor de rest werd gezorgd. Ik wist dat alles in orde was wanneer ik thuiskwam. Het is onverantwoord dat wij vandaag tegen kinderen die 18 jaar worden, die het moeilijk hebben en begeleid moeten worden, zeggen dat ze als meerderjarigen hun plan moeten trekken. Zij hebben recht op een naadloze aansluiting bij de volwassenheid, om een goede toekomst te kunnen uitbouwen.

Ik wil nog even bij preventie stilstaan. Preventie heeft verscheidene facetten. Preventie ter voorkoming van delinquentie is als uitgangspunt niet correct, want het impliceert een erg repressieve aanpak. Daarmee creëert men zelfs een doorverwijzingscarrousel. Problemen worden wel sneller gedetecteerd, maar dat verhoogt niet a priori het engagement om met mensen te onderhandelen of de problemen aan te pakken. Er dringt zich dan een doorverwijzing op, waardoor de instroom toeneemt.

In emancipatorische jeugdzorg gaat preventie vooral over het voorkomen en terugdringen van sociale ongelijkheid en maatschappelijke uitsluiting, en niet enkel over het voorkomen van individuele problemen. Een wenselijke preventie moet streven naar een versterking van de totale pedagogische leefomgeving van kinderen. Dat kan niet op basis van een problematiserende kijk op de opvoeding en het gezinsleven, maar moet zich richten op de hele populatie, waarbij extra aandacht wordt opgebracht voor de gezinnen waar het iets minder goed loopt. Wanneer dit wordt gecombineerd met medische preventie, kan dit een basisdienstverlening worden die 90 procent van de gezinnen met jonge kinderen bereikt. Kind en Gezin doet dit al ten dele. Preventie in de betekenis van beheersingspreventie moet worden gewijzigd. Er is nood aan een ander preventiemodel: aan een wenselijke preventie voor de ganse populatie, die niet enkel individuele problemen wil voorkomen, maar ook de maatschappelijke uitsluiting.

Om daarop voort te bouwen, is onderwijs een belangrijke pijler. Het ligt mij na aan het hart. Wij hebben er in de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebeleid ook al over gehad. Kinderen die onrustiger zijn, een laag zelfbeeld hebben, kinderen die niet weten hoe men buiten moet spelen: voor alles heeft men wel een therapie of geneesmiddel. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat onze maatschappij evolueert naar een samenleving waarbij een kind bijna als abnormaal wordt bestempeld als het geen therapie volgt. Daarom dient men de overdiagnosticering en overmedicalisering dringend aan te pakken, en wel nu. In de commissie gaf een hulpverlener een voorbeeld dat mij is bijgebleven. Als hij een probleem heeft met zijn hart, dan zal de huisarts hem doorverwijzen naar een hartspecialist, en niet naar een longspecialist omdat er geen plaats is bij de hartspecialist.

Sensibilisering is goed, maar het is belangrijk om de gevolgen op lange termijn te kennen. Ook artsen moeten worden gesensibiliseerd. De heer Crombez heeft er ook al naar verwezen. In de praktijk komt het inderdaad wel voor dat als men op een bepaalde plaats geen uitsluitsel krijgt, er wel specialisten zijn die uitsluitsel geven, en die dan ook mee gaan zorgen voor de zogenaamde zorg op dat vlak. Ook daarvoor moeten wij oog hebben.

Een zevende belangrijk punt voor ons is de pleegzorg. Er is al door een aantal mensen naar verwezen maar ik wil er absoluut nog even bij blijven stilstaan. Door de wetenschappelijke wereld is bewezen dat, als je kinderen een thuis kunt geven in een gezinssituatie, vooral kinderen van 0 tot 6 jaar, dat essentieel is ten aanzien van een verdere ontwikkeling. Op dit moment is er niet zomaar een tekort in de pleegzorg. We zijn ons bewust van een aantal omstandigheden die het niet gemakkelijk maken om te beslissen als pleegouder op te treden, eventueel samen met andere kinderen binnen het gezin. Nu heeft men vaak het gevoel dat men als pleegouder alleen staat.

Enerzijds is er inderdaad het systeem van de wachtlijsten en de vraag of je een kindje krijgt toegewezen of niet. Anderzijds is er het belangrijke gegeven dat, van zodra een kind is toegewezen binnen een gezin, dat gezin de nodige ondersteuning moet krijgen om via de pleegzorg voort te werken en het pleegkind dat in het gezin aankomt, ook de nodige ondersteuning en begeleiding moet krijgen. Daarnaast moeten we bekijken of er geen mogelijke oplossingen liggen in het geven van een dagvergoeding, van een beter statuut en meer inspraak in het hele gebeuren betreffende dit kind. We hebben het al gezegd: doe het maar als gezin, telkens je energie steken in het kindje. Als dat dan even bij de ouders is langs geweest, en het komt terug, dan moet je weer opnieuw beginnen. Dat is zeer moeilijk. Daar moeten we absoluut aandacht aan besteden via de ondersteuning en het statuut van de pleegouders.

Collega’s, laten we de pleegzorg opnieuw gezonder maken. Het tekort aan opvangplaatsen in de bijzondere jeugdzorg is inderdaad al jaren een groot pijnpunt. Er staan momenteel heel wat jongeren op de wachtlijst. Hulpverleners worden op dat moment gedwongen om een oplossing te bieden, maar dat is dan niet altijd de juiste oplossing. Ik heb daarstraks al verwezen naar de artsen. Er wordt niet vaak gekozen voor de meest geschikte hulpverleningsvorm maar wel voor degene die op dat moment voorhanden is.

Belangrijk is wel – dat wil ik heel duidelijk beklemtonen – dat het niet de bedoeling is dat we zuiver zouden inzetten op extra plaatsen, dat lost het probleem niet op. Het moet een en-enverhaal zijn. We moeten vooral het toewijzen van plaatsen efficiënter organiseren via een overkoepelende structuur, bijvoorbeeld op het niveau van zorgregio’s. Iedereen van ons beseft ten volle dat extra plaatsen geld kosten, ze zijn vaak zeer duur. Soms moeten we vaststellen, ook na onze commissiewerkzaamheden en alle hoorzittingen, dat de doelmatigheid van die plaatsen zoek is. Sommige kinderen en jongeren stromen in in de bijzondere jeugdzorg, terwijl ze er eigenlijk niet hoeven te zijn. Belangrijker is een intensieve thuisbegeleiding en ondersteuning van dat gezin. Zo kunnen die kinderen en jongeren echt geholpen worden.

Het moet echter een en-enverhaal zijn. Thuisbegeleiding is ontzettend belangrijk, maar waar het nodig is, moet residentiële plaatsing mogelijk zijn. Er zijn op dit moment multifunctionele centra als proeftuin. Ze worden door iedereen enorm gewaardeerd en als zeer positief ervaren. Er kan echt op maat van de jongeren worden gewerkt. Men kan er gemakkelijker overschakelen van de ene maatregel naar de andere. Dan kom ik op het feit, zoals al aangehaald, dat de hulpverlening er in eerste instantie is om het kind of de jongere te helpen. Het administratieve en reglementaire aspect komt er uiteraard bij kijken, maar het mag niet de bovenhand nemen in het geheel.

Meten is weten. Degenen die de commissiewerkzaamheden heel intensief hebben bijgewoond, zullen bijtreden dat het verbazend was om vast te stellen hoe jong de cijfers wel niet zijn waarover we beschikken, hoe jong ook het wetenschappelijk onderzoek is waarover we beschikken. Er moet worden ingezet op de kritische en wetenschappelijke reflectie over sociale praktijken. Er moet in de hulpverlening nagedacht worden over wat werkt en niet werkt, en dit op basis van cijfers. Hiermee wordt niet de output bedoeld of het resultaatsrendement, maar wel of en welke ondersteuning een antwoord biedt op de behoefte of hulpvraag van het kind en de jongere. Er is tot op heden nagenoeg geen kennis over hoe een traject van instroom naar uitstroom verloopt, welke interventies gebeuren en waarom.

Dat lijkt onontbeerlijk om beleidsmatig een antwoord te kunnen bieden op de vraag hoe de wachtlijsten worden opgelost zonder capaciteitsuitbreiding of uitsluitende capaciteitsuitbreiding. Er moet onderzoek gebeuren naar de trajecten binnen de jeugdzorg in samenhang met het gerechtelijke luik. De link tussen gerechtelijk en buitengerechtelijk moet worden blootgelegd. Hoe komt men vanuit de vrijwilligheid naar de gerechtelijkheid? Op basis van de huidige beperkte gegevens hierover is er geen logische en consistente opbouw van de wijze waarop maatregelen veranderen, waarop jeugdrechters in beeld komen en maatregelen worden herzien.

Uit experimenten en proefprojecten moet men afleiden wat hieruit te leren valt in functie van de betekenisverlening voor de cliënt. De resultaten hiervan kunnen achteraf ook wetenschappelijk worden geëvalueerd. Indien positief bevonden, is een uitbreiding van een dergelijk project en een decretale verankering hiervan een logisch gevolg. Er zijn momenteel projectfinancieringen in de jeugdsector die enorm belangrijk werk leveren, die ons hebben aangekaart dat ze al zoveel jaren projectmatig worden ondersteund en die hebben bewezen dat hun project heel goed is. Laten we dan ook de verantwoordelijkheid nemen om dat structureel te verankeren. Omgekeerd moeten we ook de verantwoordelijkheid nemen over de structurele financiering van zaken en projecten die niet goed werken.

Er is nood aan wetenschappelijk onderzoek over de betekenisverlening van jeugdhulp. Becijferde kennis over welke parcours worden afgelegd, op basis waarvan beslissingen worden genomen, enzovoort, zijn de bouwstenen voor een integrale jeugdhulp

Collega’s, als u het mij toestaat, zou ik ten slotte mijn petje van lokale mandataris willen opzetten. Dat was voor mij ook een drijfveer in de Commissie Jeugdzorg. Als schepen van Jeugd en Gelijke Kansen vind ik het wél de verdomde plicht en verantwoordelijkheid van een lokaal bestuur om hier constant rekening mee te houden. Ik vind het wél de verdomde plicht – en dan spreek ik als schepen van Ruimtelijke Ordening – om aandacht te hebben voor de open ruimte, om de verkavelaar halt toe te roepen als er niet wordt voorzien in een open ruimte. Je moet als lokaal bestuur de verantwoordelijkheid nemen dat te doen. Dat zal een heel belangrijke factor zijn in het hele gegeven. De sector jeugdzorg is belangrijk, maar kan het niet alleen. Ook de andere sectoren, zoals ruimtelijke ordening, zullen mee in de ruimte moeten voorzien. Zo zal ook de sector jeugd moeten voorzien in vrije tijd, zodat elk kind kan deelnemen aan vrijetijdsactiviteiten. Dat zijn verantwoordelijkheden die we op elk niveau moeten nemen, ook op het lokale vlak. Daar zal ik altijd voor blijven pleiten.

Voorzitter, tot slot zou ik een aantal mensen willen bedanken. Als voorzitter van de commissie wil ik alle commissieleden bedanken voor de goede en intensieve samenwerking. Naast de commissiewerkzaamheden hebben we heel wat werkbezoeken afgelegd. We hebben er een volledig parlementair jaar voor nodig gehad, maar dat was ook echt nodig om te kijken wat er in heel de sector leeft en om ervoor te zorgen dat alle actoren aan bod kwamen. Het feit dat iedereen is ingegaan op onze vraag om naar onze commissie te komen, zegt volgens mij al heel veel. Ik dank jullie voor de constructieve samenwerking. We hebben veel actoren van het veld gehoord. Ik wil hen allen bedanken voor hun aanwezigheid.

Ik wil nog een aantal mensen extra bedanken. Zo wil ik de twee secretarissen die elkaar als een tandem hebben gevonden, bedanken voor het bijwonen van de commissie. Ook wil ik de twee paraparlementaire instellingen bedanken omdat ze ons hebben bijgestaan om uiteindelijk tot die maatschappelijke beleidsnota te komen. Het was vrij uniek dat we erin geslaagd zijn om enerzijds het Kinderrechtencommissariaat, in het kader van de kinderrechten en de jeugdsector, en anderzijds het Instituut Samenleving en Technologie (IST) samen te brengen om aan die maatschappelijke beleidsnota te werken. Ik denk dat we er samen in geslaagd zijn om een mooi resultaat neer te zetten. Collega’s, de paraparlementaire instellingen zijn er. Ik zou jullie de tip willen geven om er in de toekomst gebruik van te maken door samen te werken.

Collega’s, als we vandaag investeren in de toekomst van elk kind en elke jongere, zal dat renderen in de toekomst. We moeten het echter vandaag doen, om hen zo de kans te geven die ze ook verdienen. Ik hoop dat we er de komende maanden samen aan kunnen werken en ervoor kunnen zorgen dat na de motie, ook de uitvoering volgt. (Applaus)

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Voorzitter, collega’s, ik wil vooreerst een woord van dank richten tot de voorzitter en de leden van de commissie, de secretarissen en degenen die vanuit de instellingen van dit parlement meegewerkt hebben aan de redactie van de maatschappelijke beleidsnota. De nota, die overigens bijzonder vlot leest, geeft een heel goede impressie van wat op dit ogenblik aan de orde is als het over de instroom in de bijzondere jeugdzorg gaat.

Wie de nota leest, zal daarin een heel genuanceerd verhaal lezen, een verhaal waarin de dingen benoemd worden, waarin de complexiteit van de situatie en de problemen worden aangegeven. Daarbij werd aan de verschillende sprekers die in de commissie zijn gepasseerd, de kans geboden om voorstellen van oplossing of aanpak te formuleren.

U zult in de nota ook lezen dat niet iedereen op het terrein het zomaar met elkaar eens is. Er zijn verschillende meningen, er zijn accentverschillen. Er is ook een soort gemeenschappelijkheid in analyse en benadering. Het Kinderrechtencommissariaat spreekt bijvoorbeeld over een ‘wicked problem’, een heel complex probleem. Wanneer je dat denkt te kunnen oplossen, komen er meteen nieuwe vragen om hulp aan de orde. Het concept van het ‘wicked problem’ doet mij denken aan het boekje ‘Toekomstmakers’, waarin gesuggereerd wordt hoe je met dat soort situaties moet omgaan.

Dit is een fundamentele kwestie. Dit is iets waarvan wij als politici allemaal de signalen van op het terrein capteren. Die grijpen ons aan, en we proberen samen naar oplossingen te zoeken.

Je kunt in de nota ook lezen dat niet iedereen ervan overtuigd is dat preventie altijd een goede benadering is, of dat er veel vormen van preventie zijn. Ik vind het, kortom, een belangrijk stuk, omdat het op een heel correcte, consistente en logische manier een aantal elementen die wij allemaal hier en daar wel eens capteren, bijeenbrengt in een coherent verhaal.

Het is nu niet aan mij, collega’s, om meteen op alle punten en komma’s in te gaan, maar ik wil toch graag een aantal elementen mee onderschrijven. Laat ik beginnen met wat voor mij de voornaamste punten zijn. In de aanbevelingen en resoluties – en dan ga ik dwars doorheen de diverse voorstellen die op tafel liggen en waarover u straks zult stemmen – zit er toch wel een belangrijk constante, namelijk dat wij de hulpverlening en de organisatie van de jeugdzorg willen zien vanuit een contextgerichte benadering. We willen het plaatsen van jongeren zien in hun reële samenlevingssituatie, in de gezinssituatie, in de sociale netwerken waarin ze opgroeien en waar ze eventueel die knipperlichten en signalen uitzenden dat het niet zo goed met hen gaat.

Ik onthoud zeer nadrukkelijk de vraag van het parlement om bij de organisatie van de hulpverlening te vertrekken vanuit de overtuiging dat een jonge mens moet worden gezien in relatie tot zijn omgeving, en dat je die niet moet isoleren en problematiseren zonder het element ‘context’ daarin mee te nemen. Dat is voor mij een heel belangrijk uitgangspunt voor de manier waarop we met de organisatie van de jeugdzorg in de volgende periode zullen omgaan.

Andersom, als je echt hulp wilt verlenen en als je jonge mensen weer op pad wilt zetten – en laat ons alstublieft dat beeld dat het altijd over criminele jongeren gaat, opzijzetten – moet je dat doen door ook in dat sociale netwerk te investeren en moet je proberen om een appel te doen aan diegenen die de jonge mensen nabij zijn. Laat ons dat niet te veel romantiseren, maar laat ons proberen om vanuit die overtuiging de professionele inzet van al die mensen op het terrein een stuk gemeenschappelijke visie, draagvlak en basis mee te geven. Dat wil ik meenemen uit datgene wat u hebt onderzocht.

Laat ons alstublieft – en dat is ook overal teruggekomen – ook meer aandacht hebben voor continuïteit en voor de trajectbegeleiding en -organisatie in de hulp. Vele getuigenissen hebben aangegeven dat we komaf moeten maken met de kindercarrousels, het administreren van de problematieken, het vertalen in dossiers, die dan ook nog materieel zullen worden doorgegeven, en de uniciteit van de jongere weer naar voren moeten brengen. Velen hebben gepleit voor de zorg voor continuïteit. “Ik moet telkens opnieuw mijn verhaal vertellen”, herkennen velen op het terrein wanneer jonge mensen spreken over hun ervaringen in de jeugdzorg. In multifunctionele centra daarentegen hebben ouders de ervaring dat ze niet altijd opnieuw hun verhaal moeten vertellen als de context van de hulpverlening wijzigt. Voor mij is dat heel belangrijk bij alles wat ons te doen staat.

Ik zou kunnen spreken over de ICT-matige ondersteuning van de communicatie. Ik heb begrepen dat u ook veel belang hecht aan de wijze waarop unieke dossiers kunnen worden gemaakt, met respect voor privacy en waarin de rechtspositie van de minderjarige heel belangrijk is. Ik denk dat de overheid hier kan faciliteren.

Ik wil kort nog een aantal andere thema’s aanraken. Ik onthoud dat de vraag naar de adequate organisatie van de rechtstreeks toegankelijke hulp een heel belangrijke zaak is. Er bestaan heel wat dingen in de rechtstreeks toegankelijke hulp. Er zijn netwerken en er bestaan heel goede voorbeelden. Ik onthoud dat men pleit voor zowel capaciteit als voor de manier waarop deze hulpverlening toegankelijk is en zich organiseert vanuit een contextgerichte benadering.

Er is de vraag naar de rol van de CLB’s. Het is niet de eerste keer dat deze vraag komt. Het is zeker een thema dat met mijn collega voor Onderwijs moet worden opgenomen. Er wordt gepleit voor aandacht voor het stijgende aantal echtscheidingen en relatiebreuken en de gevolgen hiervan. Ik heb veel relevante zaken gehoord die men in de rechtstreeks toegankelijke hulp en zorg zou moeten kunnen ondersteunen.

Ik onderschrijf uitdrukkelijk dat het decreet op de opvoedingsondersteuning aan een grondige herziening toe is. De vraag is hoe vanuit de evaluatie van datgene wat is ontwikkeld, de goede punten kunnen worden meegenomen. Daarnaast is er ook de vraag naar vermaatschappelijking van zorg, naar de betrokkenheid van het vrijwillige engagement in de manier waarop je met mensen omgaat bij de ondersteuning van opvoeding. Dat zijn issues die ongetwijfeld ook aan bod zullen komen. Ik heb begrepen dat de commissie en het parlement het signaal uitzenden dat we met de evaluatie van het decreet aan de slag moeten. Ik ben daar absoluut toe bereid en zal het initiatief nemen om een aantal zaken uit die evaluatie mee te nemen.

Het humanresourcesbeleid in de bijzondere jeugdzorg en de jeugdhulp is een punt dat velen in de commissie hebben aangehaald. Ik spreek dan zowel over de situatie in de openbare sector – de consulenten, de gemeenschapsinstellingen enzovoort – als over de private hulpverlening. Ik vind het persoonlijk een echt belangrijk punt. Het is geen spektakel of drang naar nieuwe regelgeving, maar het is een realiteit om na te gaan hoe we het vele talent en engagement dat in die sector aanwezig is, met een goed personeelsbeleid vanuit de instellingen, de diensten en de overheid kunnen ondersteunen. Burn-out, de vlugge rotaties zijn thema’s die vaak terugkomen. Met het agentschap en de partners moeten er een aantal initiatieven worden genomen.

Ik onthoud ook dat er vragen zijn naar de manier waarop we nog altijd te veel projectmatig financieren. Op dat vlak heeft het agentschap al een hele weg afgelegd. Het is geen goede manier van werken dat organisaties een groot deel van hun tijd moeten investeren in het zoeken naar nieuwe middelen en het voortzetten van projecten. Er zijn ook suggesties gedaan over enveloppefinanciering, deregulering, flexibilisering. Ik meen dat we ook moeten durven te zeggen dat er minder moet worden vergaderd en overlegd. Er moet meer energie gaan naar het aanbod. Nu wordt nog te veel geïnvesteerd in alle mogelijke vormen van overleg en coördinatie.

Er is ook het thema van de intersectorale toegangspoort. Ik besef dat daar op het terrein met enige argwaan naar wordt gekeken. Dit verhaal is begonnen als een enthousiasmerend project en is gaandeweg verbureaucratiseerd. Er is dan ook duidelijk behoefte om dat project opnieuw en op een dynamische wijze op de rails te krijgen. Wanneer dit operationeel wordt, in 2014, dan zal de test moeten worden gedaan. Is dit een overmatig bureaucratisch verhaal? Is het een verhaal van protocollering om de protocollering? Is dit een verhaal waarin de idee van contextgericht werken voldoende overeind blijft? Ik ben me er heel goed van bewust dat die zaken goed moeten worden opgevolgd en dat ze moeten kunnen worden geplaatst binnen de belangrijke principes die zijn voortgevloeid uit het werk van de commissie.

Het Columbusproject is een mooie illustratie van hoe een toegangspoort en de samenwerking van de consulenten en de hulpverleners in de private sector zouden kunnen bijdragen tot een goede benadering, ook wanneer er sprake is van een unieke sectorale toegangspoort.

Als men zoiets operationaliseert, zijn er periodes waarin er moet worden gesproken over standaarden. Men moet een aantal zaken voorspelbaar maken. Dat betekent dat er afspraken moeten worden gemaakt en dat een aantal zaken moeten worden geprotocolleerd. Het evenwicht is altijd een voorspelbare reactie, een evidence based manier van werken. Er moet voldoende responsabilisering zijn en ruimte om rekening te houden met het unieke van de situatie. Dat is niet zo’n unieke uitdaging voor een intersectorale toegangspoort. Dat gebeurt in veel domeinen van welzijn en zorg. Het is een issue dat telkens terugkomt.

Achter de toegangspoort zijn er heel wat vragen naar nieuwe vormen van aanbod. Het gaat dan over de capaciteit en het aanpakken van wachtlijsten. Dat betekent ook voor de pleegzorg een nieuw decretaal kader. Ook het beleid van het VAPH moet daarop worden afgestemd. Voor gedrags- en emotionele stoornissen bij jongeren moet er voldoende capaciteit zijn.

De goede ervaringen met de multifunctionele centra werken aanstekelijk. Ik ga ervan uit dat velen, ook in de VAPH-sector, dat initiatief genegen zijn.

De vraag naar een grote betrokkenheid van de minderjarigen, naar aandacht voor hun rechtspositie, en naar respect voor hun verhaal en participatie aan het hulpverleningsproces is ook uw zorg. We zullen voortdurend alert moeten zijn. Het is mijn ervaring dat dit een stuk cultuur is in de hulpverlening binnen jongerenwelzijn.

Er staan een aantal zaken op uw verlanglijstje die niet alleen van belang zijn voor de Vlaamse Regering. Over een aantal zaken moeten we overleg plegen met de federale overheid. We moeten nagaan wat er gebeurt indien een en ander in een debat over de staatshervorming terechtkomt. Ik denk dan aan het statuut van de pleegouders, de problematiek van de detentiecentra, de relatie tussen jongerenwelzijn en justitie, jeugdrechters, parketten, onderzoeksrechters enzovoort. Ook de relatie met de geestelijke gezondheidzorg is een thema dat vaak is teruggekomen. Ook daar doet zich een bevoegdheidsproblematiek voor.

Dames en heren, ik zeg u in alle eerlijkheid dat ik de commissie en het parlement dankbaar ben voor wat er gebeurd is. Ik zeg dit niet omdat er nu een kilo papier op tafel ligt. Wel omdat ik het een belangrijk opportuun moment vind. Je voelt goed dat er in de sector heel veel leeft, heel veel enthousiasme is, maar ook heel veel frustratie over wat er had kunnen gebeuren. Er zijn ook veel goede ideeën. De boodschap is dat de politici dit moment moeten aangrijpen om een nieuwe stap te zetten. Die stap garandeert niet met de grootste zekerheid dat dit allemaal zal lukken, maar er is wel een unieke opportuniteit omdat het rapport veel collectiefs bevat. We delen inzichten en overleg, en ook suggesties over de weg die moet worden gegaan. Ik tref in de verschillende resoluties heel wat gemeenschappelijkheid aan. Dat is een unieke opportuniteit.

Deze voormiddag werd het raadgevende comité van het agentschap geïnstalleerd. Ik heb hun, meteen na hen te hebben gefeliciteerd, gezegd dat we echt aan de slag moeten en dat er vanuit de commissie en dit parlement deze namiddag belangrijke signalen te verwachten zijn. Ik vind het niet toevallig dat dit raadgevend comité, waarin de sector aanwezig is, vandaag is geïnstalleerd en dat u vandaag de moties zult behandelen en er wellicht een aantal zult goedkeuren. Ik ben ervan overtuigd dat dit voor ons allemaal een aansporing zal zijn om aan de slag te gaan. Er is werk op de plank, maar er is ook heel veel gedrevenheid en engagement. Dat moet ons motiveren. (Applaus)

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Het themadebat is gesloten.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.