U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is de algemene bespreking van het ontwerp van decreet.

Mevrouw Brouwers, verslaggever, heeft het woord.

Minister, een gelukkige verjaardag.

Voorzitter, collega’s, het ontwerp van decreet houdende vaststelling van de algemene regels waaronder in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest periodieke plan- en rapporteringsverplichtingen aan lokale besturen kunnen worden opgelegd, kortweg het langverwachte Planlastendecreet, ligt hier vandaag of ten laatste morgen ter stemming voor. Ik vind het belang van het decreet een mondeling verslag waard.

De lokale besturen klagen reeds lang over de overdreven vele plannen en rapporten die zij periodiek moeten produceren om onder andere allerlei subsidies te kunnen verwerven. In opvolging van het regeerakkoord en het recente witboek Interne Staatshervorming diende minister Bourgeois dit belangrijke ontwerp van decreet in. De commissie voor Binnenlands Bestuur besprak het ontwerp op 24 en 31 mei en op 7 juni 2011. De minister kaderde dit decreet ook in de ambities van de regering om de efficiëntie van de overheid te verbeteren en het subsidiariteitsprincipe beter door te voeren door een meer kaderstellende en minder betuttelende Vlaamse overheid. Door een inperking van administratieve lasten rekent de minister zelfs op een mogelijke besparing van naar schatting 40 miljoen euro.

Een en ander kan niet los worden gezien van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2010 op de lokale beleids- en beheerscyclus. Dit bepaalt voor alle gemeenten, OCMW’s en provincies de wijze van opmaak van de meerjarenplanning, het budget en de jaarrekening. De regeling zal algemeen van toepassing zijn vanaf 1 januari 2014. De gemeentelijke bestuursperiode vanaf 2013 zal dus kunnen starten met een schone lei. De regeling is van toepassing op alle Vlaamse regelgeving die periodieke plan- en rapporteringsverplichtingen oplegt aan lokale besturen. Meestal, maar niet noodzakelijk, gaat het om regelgeving gekoppeld aan een subsidiestroom.

De regeling heeft bovendien betrekking op veertien sectorale decreten, zoals geïnventariseerd door de Commissie Efficiëntiewinst voor de Lokale Besturen, die moeten worden aangepast ten laatste in het voorjaar van 2012. Er is een afstemming in de tijd op de lokale bestuursperiode. Planning of subsidiëring kan enkel worden opgestart bij het begin, in 2014, en in het midden, in 2017, van de lokale cyclus. Op 30 oktober 2012 moeten de Vlaamse beleidsprioriteiten en de hoogte van het subsidiebedrag bekend worden gemaakt. In 2013 volgt de opmaak en goedkeuring van de lokale meerjarenplanning door de raad, en op 15 januari 2014 wordt die meerjarenplanning opgestuurd naar de Vlaamse overheid. Ten laatste op 30 april 2014 deelt de Vlaamse overheid mee of het plan is aanvaard met aanduiding van de hoogte van het subsidiebedrag waarop de gemeente kan rekenen.

De afstemming op de reguliere lokale beleids- en beheerscyclus impliceert dat er geen verplicht apart plan meer nodig is. De lokale engagementen worden geïntegreerd in de reguliere meerjarenplanning. Er is evenmin een verplichte aparte jaarlijkse rapportering. Ook daar is sprake van integratie, en wel in de reguliere jaarrekening.

Ik kom nu tot een aantal algemene bedenkingen van een aantal collega’s in de commissie. De heer van Rouveroij was van oordeel dat de minister op bekwame wijze voortbouwt op de aanzetten van zijn voorganger Keulen in de vorige bestuursperiode. Open Vld is dus, in de commissie althans, enthousiast over het ontwerp.

Mevrouw Vissers vindt het ontwerp van decreet een evenwichtig kader, dat mooie principes biedt. Het grote werk moet echter nog beginnen.

De heer Verfaillie onderstreept het belang van de opname van het voornemen tot planlastvermindering in het huidige regeerakkoord. De CD&V-fractie is ervan overtuigd dat, indien de veertien sectorale decreten effectief in de geest van deze gedachte worden aangepast, de verduidelijking en de vereenvoudiging door de lokale besturen op gejuich zal worden onthaald.

De heer Caron neemt een dubbele houding aan. Enerzijds begrijpt hij de probleemanalyse. Hij deelt de mening dat de planbelasting te groot is. Anderzijds leert zijn ervaring hem dat de planning een belangrijke rol heeft gespeeld om sectoren als cultuur, jeugd en sport op de gemeentelijke beleidskaart te zetten. Hij vindt ook dat het ontwerp van decreet met betrekking tot de participatie te zwak uitvalt. Hij waarschuwt dat de focus op de resultaten, in plaats van op de mensen en de middelen, niet altijd een vooruitgang inhoudt. Verder stelt hij vast dat het Vlaams Parlement geen ruimte krijgt om mee over de beleidsprioriteiten te discussiëren.

De heer De Loor spreekt zijn waardering uit voor de geïntegreerde en meerjarige aanpak, de sturing op de hoofdlijnen, de afstemming en vooral het volwassen en volwaardig partnerschap tussen de verschillende bestuursniveaus. Verder vindt hij dat we van planlast tot planlust moeten evolueren. Iedereen moet hierbij zijn rol kunnen spelen. Hij verwijst naar het primaat van de politiek. Het participatief proces blijft echter evenzeer noodzakelijk.

De heer De Meulemeester is het ermee eens dat de planlast voor de lokale besturen te groot en te weinig gecoördineerd is. Sinds 2003 proberen opeenvolgende regeringen en parlementen dit te verhelpen. De beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering moeten op een voldoende hoog niveau worden gedefinieerd. Lokale en provinciale besturen moeten meer dan uitvoeringsagentschappen zijn. Ze moeten hun eigen beleid op maat kunnen invullen.

De heer Van Hauthem heeft een bedenking bij het grote werk dat nog moet gebeuren. Het is logisch dat het beleidsinstrument van de sectorale subsidiestromen blijft bestaan. Hij vreest echter dat dit tegelijkertijd het gevaar meebrengt dat ministers de planlast langs deze achterpoort zullen laten bestaan. Hij vraagt zich, net als enkele andere mensen, af welke minister de aanpassing van de veertien sectorale decreten zal regisseren. De minister verduidelijkt dat elke minister afzonderlijk verantwoordelijk is voor de sectorale vertaling van de planlasten. Er is afgesproken dat elke sector tegen het einde van dit jaar klaar moet zijn. Dit moet een parlementaire behandeling in de eerste helft van 2012 mogelijk maken.

De heer Dehandschutter stelt dat een goede verhouding tussen de gemeentelijke autonomie, de Vlaamse aansturing en ondersteuning en de inspraak en participatie van het middenveld het einddoel vormt. Hij merkt tevens op dat sectoren als cultuur, jeugd en sport in kleinere gemeenten onder de planlast gebukt gaan. Vaak gaat het immers om eenmansdiensten. Finaal moeten we komen tot een goede verhouding tussen de gemeentelijke autonomie, de Vlaamse aansturing en ondersteuning van de 308 Vlaamse steden en gemeenten en de inspraak en participatie van het middenveld.

Mevrouw De Ridder, voorzitter van de commissie, stelt voor de voorzitter van het Vlaams Parlement een schrijven te sturen over de organisatie van de parlementaire behandeling van de veertien sectorale decreten, met het verzoek dit tijdens het eerstvolgend overleg tussen het Uitgebreid Bureau en de commissievoorzitters ter bespreking voor te leggen. De brief aan de voorzitter van het Vlaams Parlement is aan het commissieverslag toegevoegd.

Ik overloop nog even de belangrijkste amendementen. Sommige amendementen zijn immers aangenomen.

Open Vld heeft een amendement ingediend om de datum 30 oktober door de datum 31 mei te vervangen. Door de datum van de bekendmaking van de Vlaamse beleidsprioriteiten tot 31 mei te vervroegen, zouden de lokale politieke partijen in hun verkiezingsprogramma duidelijk kunnen maken hoe ze hierop willen inspelen. Volgens de meerderheid mogen de beleidsprioriteiten echter niet interfereren met de politieke verkiezingsstrijd. Het amendement is verworpen.

De heer Caron heeft een amendement op artikel 6 ingediend. De heer Caron heeft verklaard het principieel met de minister eens te zijn. We moeten de lokale besturen niet op hun ingezette middelen en instrumenten, maar wel op de output en de effecten controleren. In een aantal gevallen valt de output echter moeilijk te meten. Dit geldt vooral indien de output van kwalitatieve aard is. De heer De Loor heeft gerepliceerd dat de overname van dit amendement het hele ontwerp van decreet op de helling zou zetten. Het is de bedoeling de lokale autonomie haar rol te laten spelen. We moeten daar vertrouwen in hebben. Het amendement is dan ook verworpen.

Dan was er het amendement 14, voorgesteld door mezelf en enkele collega’s. Er wordt een beperking voorgesteld met betrekking tot cofinanciering. Ook de Europese Unie hanteert bij subsidies vaak het systeem van een euro voor een euro, en dat wordt hier dus ook toegepast. Zo niet beschikt de Vlaamse overheid over een te grote hefboom om met een minimale inzet van geoormerkte subsidies een groot deel van het lokale beleid te gaan regelen. Het amendement werd uiteraard aangenomen.

Het aangenomen amendement 15, voorgesteld door de heer De Loor, is erg belangrijk, want het zorgt voor een grotere garantie op participatie door stakeholders.

Op artikel 10 werd een amendement aangenomen, voorgesteld door de heer De Loor. De relevante onderdelen van de door de gemeenteraad goedgekeurde jaarrekening zullen ook aan de bevoegde adviesraad meegedeeld worden.

Het laatste amendement dat werd aangenomen, was er een op artikel 11, voorgesteld door de heer Durnez, dat ertoe strekt de Vlaamse Regering aan te zetten om haar eindbeslissing binnen een bepaalde termijn bekend te maken aan de lokale besturen, die een verbeterde rapportering indienden.

Na enige discussie werd het amendement op artikel 12, van de heer Caron, weggestemd om in de eerste paragraaf punt 11 te schrappen. Het gaat over het decreet betreffende het Vlaams cultureel-erfgoedbeleid, dat hij eruit wilde halen. Het zou volgens Groen! zo goed als onmogelijk zijn om de erfgoedconvenants in het stramien van het ontwerp van Planlastendecreet te manoeuvreren.

Voorzitter, tot daar mijn redelijk uitgebreid verslag over dit belangrijke ontwerp van decreet, dat een cultuuromslag beoogt bij verschillende sectoren in hun relatie tot de lokale besturen.

De heer Verfaillie zal hierna namens mijn fractie het woord nemen. Ik wil u alvast verklappen dat de CD&V-fractie het geamendeerd ontwerp van Planlastendecreet met zeer grote overtuiging zal goedkeuren. (Applaus)

De voorzitter

De heer Verfaillie heeft het woord.

Jan Verfaillie

Minister, ik kan vrij kort zijn, en wel om vier redenen. De eerste is het uitstekend verslag van mevrouw Brouwers, die al heeft meegedeeld dat CD&V het ontwerp met veel overtuiging zou goedkeuren. Aangezien de minister vandaag verjaart, willen we hem ook nog wat vrije tijd gunnen om dat te vieren. Ook heb ik niet de minste behoefte om de debatten te rekken tot het holst van de nacht, om eventuele misverstanden te vermijden. Ten slotte gaat het in dit geval om minder planlasten. Dat betekent minder administratie en meer tijd om te werken. Deze speech zal een voorbeeld zijn dat we inderdaad meer tijd moeten uittrekken om te werken en minder om te spreken. Voorzitter, ik zie dat ik nog 28 minuten en 45 seconden spreektijd heb.

Voorzitter, collega’s, elk lokaal bestuur dat zichzelf respecteert en dat een toekomstgericht beleid wil voeren, weet dat men niet blind kan varen. Men moet duidelijk weten wat men wil bereiken, binnen welk tijdsbestek men dat wenst te doen en welke middelen men daarvoor wenst in te zetten. Het nut van een degelijke beleidsplanning is dan ook noodzakelijk en wordt door geen enkel lokaal bestuur in vraag gesteld.

We dienen evenwel vast te stellen – en elke lokale bestuurder zal zich hierin ongetwijfeld herkennen – dat de balans in dezen de laatste jaren de verkeerde kant is uitgeslagen. Meer en meer werden de lokale besturen immers geconfronteerd met een oplopende planlast. Het zijn er door de jaren heen heel wat geweest. En voor elk plan afzonderlijk waren er wel zeer goede argumenten te vinden om het in te voeren, maar het resultaat was wel dat het maken van de plannen op zich meer en meer een doel op zich aan het worden was.

Dat was overigens voor de lokale besturen meer en meer een dure aangelegenheid geworden. Voor het maken van die plannen diende het lokale bestuur zeer vaak externe hulp in te schakelen, en die komt niet gratis.

Het hoeft niet te verwonderen dat de toegenomen planlast bij de lokale besturen op meer en meer kritiek en onbegrip stuitte. Voor heel wat lokale besturen was de planning een last geworden, iets wat noodgedwongen diende te gebeuren, waar heel wat energie naartoe ging en waarvan het daadwerkelijke nut sterk in vraag werd gesteld. De voordelen van een planmatig beleid raakten ondergesneeuwd.

De verzuchtingen van steden en gemeenten zijn bij deze meerderheid niet in dovemansoren gevallen. De vermindering van de planlasten werd als belangrijke, na te streven doelstelling opgenomen in het regeerakkoord. Deze doelstelling heeft haar vertaling gevonden in het witboek Interne Staatshervorming. Doorbraak 8 van het witboek stelt als principe dat de plan- en rapporteringsverplichtingen die de Vlaamse overheid aan de lokale en provinciale besturen kan opleggen, zullen worden beperkt tot de essentie en afgestemd zullen worden op de reguliere lokale beleidscyclus. Voorliggend ontwerp geeft dus zowel uitvoering aan het regeerakkoord als aan het witboek.

Collega’s, een jaar geleden keurde de Vlaamse Regering het besluit betreffende de beleids- en beheerscyclus goed. Daarin staat de vernieuwde planning- en rapporteringscyclus, waarbij financiële informatie gekoppeld wordt aan beleidsinformatie, centraal. Met dit ontwerp worden de plan- en rapporteringsverplichtingen afgestemd op deze nieuwe beleids- en beheerscyclus. Deze laatste is de beleidscyclus die gekoppeld is aan de lokale bestuursperiode en die begint in het tweede jaar dat volgt op de lokale verkiezingen en eindigt op het einde van het jaar na de daaropvolgende verkiezingen.

Het ontwerp bepaalt tevens dat uiterlijk op 30 oktober van het jaar waarin er lokale verkiezingen plaatsvinden, de Vlaamse Regering haar beleidsprioriteiten en de erbij horende subsidieregelingen voor de komende lokale beleidscyclus bekendmaakt. Bij de bekendmaking van die beleidsprioriteiten vermeldt de regering de hoogte van de totale voorziene subsidie evenals de criteria voor de verdeling ervan.

Belangrijk is tevens dat de rapportering op een totaal andere leest geschoeid wordt. Rapportering zal worden beperkt tot het overzenden van de relevante delen van de jaarrekening. Ook het belang hiervan mag niet worden onderschat. Evenzeer als de planning was de eraan verbonden rapportering voor de lokale besturen immers een zware last geworden.

Collega’s, de afgelopen maanden en tijdens de commissiebespreking kwam naar voren dat er enige ongerustheid bestaat over het feit dat de vermindering van de planlasten ook zal leiden tot minder planmatig beleid en minder inspraak. Laat het duidelijk zijn dat dit geenszins het geval zal zijn en dat dit ook geenszins de instelling is waarmee mijn fractie dit ontwerp benadert. Een degelijke planning is noodzakelijk om een toekomstgericht beleid uit te stippelen. Geen enkel lokaal of provinciaal bestuur kan het zich veroorloven om op een niet-planmatige manier te werk te gaan. Maar daarvoor moet niet langer elk plan op zich staan als een volledig apart gegeven met aparte regels voor het opstellen ervan.

Een vermindering van de planlasten zal ook niets afdoen aan de noodzaak van voldoende overleg met de lokale actoren. Dergelijk overleg blijft aangewezen, ook na de inwerkingtreding van dit decreet. Ook daarover wil CD&V geen enkele twijfel laten bestaan. Het ontwerp stelt overigens duidelijk dat de regelingen waarbij plan- en rapporteringsverplichtingen worden opgelegd, onder meer bepalen dat de lokale besturen moeten aantonen dat ze de lokale belanghebbenden of de bevoegde adviesraden hebben betrokken bij de strategische meerjarenplanning.

Het komt er hier voor alle betrokkenen op aan om enig vertrouwen te hebben in de aanpak van de lokale besturen ter zake.

Met dit kaderdecreet is het werk evenwel nog niet af. Er wacht ons allen, parlement en regering, nog een belangrijke taak in het tijdig aanpassen van de bestaande sectorale decreten. Het gaat hier over niet minder dan veertien decreten die in overeenstemming moeten worden gebracht met het kaderdecreet. Het zal een hele uitdaging worden om dat tijdig klaar te krijgen. De CD&V-fractie engageert zich ten volle voor deze oefening.

Collega’s, in mei 2009 hield de Commissie Efficiënte en Effectieve Overheid in haar eindrapport een pleidooi voor een drastische reductie van alle plan- en rapporteringsverplichtingen tot het beleids- en beheersrelevante minimum en voor een integratie hiervan in een alomvattend kader. Dit ontwerp biedt hier een zeer duidelijk antwoord op. Het is een antwoord waar de lokale besturen reeds lang op wachten en dat onze fractie met volle overtuiging zal goedkeuren, zoals mevrouw Brouwers reeds heeft aangekondigd. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer De Meulemeester heeft het woord.

Marnic De Meulemeester

Voorzitter, minister, collega’s, in de eerste plaats wil ik mevrouw Brouwers danken voor het correcte en volledige verslag. Er wordt als uitgangspunt van dit ontwerp van decreet terecht vastgesteld dat er een te grote, weinig gecoördineerde planlast door de Vlaamse overheid aan de lokale besturen wordt opgelegd, die bovendien te detaillistisch is, waardoor de lokale besturen worden herleid tot een uitvoeringsorgaan van het Vlaamse beleid. Open Vld heeft dit reeds langer geconstateerd, getuige daarvan het voorstel van decreet ter zake dat in de vorige legislatuur door mevrouw Libert en mezelf werd ingediend doch wegens tijdsgebrek niet meer kon worden besproken, alsook het voorbereidende werk dat reeds door toenmalig minister Keulen werd uitgevoerd.

Collega’s, dit ontwerp van decreet is een lovenswaardige poging om regels op te leggen waarbinnen de opgelegde planlast van de lokale besturen zich moet bevinden. Het is uiteraard een soort kaderdecreet dat nog gevolgd zal moeten worden door wijzigingen aan een hele reeks andere decreten die hieraan moeten worden aangepast. Door de lange voorbereiding heeft dit ontwerp van decreet het voordeel dat het gedragen is door de meeste partners op het terrein, wat ook blijkt uit de adviezen. Daartegenover staat dat dit ontwerp van decreet redelijk laat komt: de bedoeling is het van start te laten gaan met het begin van de nieuwe lokale bestuursperiode in 2013, doch dit wordt niet meer gehaald, aangezien in het ontwerp van decreet zelf gewag wordt gemaakt van 1 januari 2014. Bovendien is het de vraag of men alle verdere noodzakelijke wijzigingen aan de andere sectordecreten rond krijgt tegen die tijd. Het gevolg kan immers zijn dat de bestaande regelingen van aparte verantwoordingsnota’s en subsidievereisten in conflict komen met dit ontwerp van decreet. Aan sommige bestaande decreten zijn de noodzakelijke wijzigingen tevens zo omvangrijk dat ze beter herschreven kunnen worden.

Jan Verfaillie

Als ik goed ben ingelicht, heeft uw fractie dit mee goedgekeurd in de commissie. U zegt dat dit in werking zou moeten treden in 2013. Bij mijn weten vallen de verkiezingen op 14 oktober 2012. De nieuwe colleges treden aan op 1 januari 2013. Het is aan de nieuwe colleges om hun beleidsprioriteiten vast te leggen om alles om te zetten. Dat kan je natuurlijk niet doen in één dag. Daarmee rekening houdend, lijkt het me maar logisch dat er een jaar tijd is en dat er inderdaad een periode van zes jaar is, die start op 1 januari 2014, zodat de volgende colleges opnieuw een jaar de tijd hebben.

Wij hebben daar uitgebreid over gediscussieerd in de commissie. Daarover bestond een zeer grote consensus, ook in uw partij.

Marnic De Meulemeester

Ik weet dat, mijnheer Verfaillie. Ik wil enkel benadrukken dat wij het spijtig vinden dat het nog een hele tijd zal duren vooraleer het decreet in werking zal treden. Wij weten dat het niet anders kan, maar toch wil ik daar de aandacht op vestigen. En dat staat los van het feit dat wij ons akkoord kunnen verklaren met de inhoud van dit ontwerp.

Als Open Vld scharen wij ons dus achter de tekst. Want het gaat uit van reeds lang vastgelegde principes waar weinig tegen in te brengen valt. Het zijn immers principes die al lang zijn aangehouden, door tal van vorige regeringen. Wij wensen echter wel aan te dringen op een tijdige uitwerking via de sectordecreten. Dat blijft onzes inziens een groot vraagteken. Toch zullen wij het ontwerp goedkeuren, uitgerekend op uw verjaardag, waarvoor wij u van harte feliciteren, minister. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Robeyns heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, ik begin waar de vorige spreker is geëindigd en feliciteer u met uw verjaardag. Ik dank ook de verslaggevervoor het uitgebreide, nauwkeurige verslag. Gezien het belang van het decreet wil ik toch namens mijn fractie kort het woord voeren. Dit decreet maakt een belangrijke bestuurlijke hervorming mogelijk. Het is er een waar reeds jaren voor wordt geijverd. Met de planlastvermindering en de samenbundeling van alle planverplichtingen in één legislatuurplan wordt bovendien een belangrijke doelstelling uit het regeerakkoord verwezenlijkt.

Deze hervormingen leveren een belangrijke bijdrage ter verbetering van de kwaliteit en de efficiëntie van de overheid. Zij zorgen eveneens voor meer subsidiariteit en meer beleidsvrijheid voor de lokale besturen. Deze hervormingen zullen een cultuurverandering vergen van de lokale besturen, maar zeker ook van de Vlaamse overheid. De geïntegreerde en meerjarige aanpak, de sturing op de hoofdlijnen, de afstemming en het volwaardige en volwassen partnerschap tussen de verschillende bestuursniveaus kan zeker op de steun van onze fractie rekenen.

Wij vinden het belangrijk dat lokale besturen een visie op lange termijn ontwikkelen. Planmatig werken is daarvoor absoluut noodzakelijk. Het is dan ook positief en belangrijk dat deze planmatige aanpak in het decreet behouden blijft. Het groeperen van alle sectorale plannen in één legislatuurplan moet de administratieve lasten voor de lokale besturen in aanzienlijke mate verlagen. Dat is, gezien de huidige hoge en weinig gecoördineerde planlast, absoluut noodzakelijk. Naast administratieve vereenvoudiging moeten deze hervormingen ook bijdragen tot een grotere transparantie, gekoppeld aan de lokale beleids- en beheerscyclus, een grotere mate van subsidiariteit en meer autonomie voor de gemeenten.

Voor sp.a is het belangrijk dat we evolueren van planlast naar planlust, waarbij iedereen zijn rol kan spelen. Daarbij is zowel het primaat van de politiek als het participatieve proces noodzakelijk. Evenwicht tussen gemeentelijke autonomie en Vlaamse aansturing is het ultieme doel. Wij kijken uit naar de sectorale vertaling van de planlasten, waarvoor iedere minister afzonderlijk verantwoordelijk is en die tegen het einde van het jaar klaar moet zijn. In deze sectorale decreten is het belangrijk dat de participatie wordt gepreciseerd en dat dit centraal goed wordt aangestuurd en opgevolgd. In afwachting daarvan kunt u voor de goedkeuring van dit decreet op de unanieme steun van mijn fractie rekenen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Dehandschutter heeft het woord.

Lieven Dehandschutter

Voorzitter, ministers, collega’s, ook namens mijn fractie dank ik de verslaggever voor het keurige verslag en maak ik mijn hartelijke gelukwensen voor zijn verjaardag aan onze minister over.

Dames en heren, collega’s, in het groeiende, zelfstandige Vlaanderen is er altijd heel veel aandacht geweest voor wat er op lokaal vlak gebeurt. Vlaanderen heeft van meet af aan, bij de eerste stappen naar zelfstandigheid, gebruik gemaakt van de eigen verworven bevoegdheden om lokale initiatieven en het lokale beleid te ondersteunen. Als we de voorbije decennia bekijken, zien we daar drie trends in. Ten eerste is er een stuk decentralisatie geweest: bepaalde initiatieven die vanuit Vlaanderen werden gesteund, heeft men overgedragen aan de gemeenten. Ook de middelen die daarvoor werden uitgetrokken, werden overdragen aan die gemeenten. Ten tweede heeft men geleerd het belang van participatie naar waarde te schatten: het betrekken van het middenveld, van adviesraden, van belangengroepen. Ten derde was er het planmatig werken.

Die hele evolutie is natuurlijk altijd sectoraal gebeurd. Dat had als gevolg dat er heel wat dubbel werk werd verricht, dat werk soms niet op elkaar werd afgestemd en veel te detaillistisch was. Het totale beeld was er een van chaos.

Het is goed dat er vandaag in het kader van de interne Vlaamse staatshervorming een eerste stap wordt gezet naar planlastvermindering. Er is de voorbije jaren al vaak over gediscussieerd in verschillende gremia. Er is ook al veel onderzoek naar gedaan. Vandaag zetten we een eerste belangrijke stap.

Als basis werd inderdaad gekozen voor de beleids- en beheercyclus die vorig jaar door de Vlaamse Regering werd goedgekeurd. Daarop wordt de gemeentelijke meerjarenplanning geënt. Bovendien wordt daaraan ook de participatie en ondersteuning op basis van de Vlaamse beleidsprioriteiten gekoppeld. De N-VA heeft steeds benadrukt dat de waarden en de inspraak van de adviesorganen op lokaal vlak worden gegarandeerd. In de eerste versie van het ontwerp werden de lokale adviesraden niet bij naam genoemd. Dat heeft wat tegenstand en argwaan opgeroepen. We hebben er met de commissie goed aan gedaan om amendementen goed te keuren. Zo worden zowel bij de planning als bij de jaarlijkse rapportering de betrokken adviesraden elk voor hun sector geraadpleegd en voor hun verantwoordelijkheid geplaatst. Vrijheid en verantwoordelijkheid zijn de eerste elementen waar zowel de Vlaamse overheid, de steden en gemeenten, als het middenveld verder gebruik van zullen moeten kunnen maken. Er moet vrijheid en verantwoordelijkheid zijn tegenover zichzelf en tegenover elkaar, maar ook een omgangsvorm van vertrouwen.

Door de vorige sprekers werd al benadrukt dat er te veel naar details gevraagd werd en het te veel gebaseerd was op wantrouwen. We moeten tot een cultuuromslag komen in onze geïntegreerde, gemeentelijke meerjarenplanning.

De N-VA heeft in de commissie al benadrukt dat ze streeft naar een goed evenwicht tussen drie principes: lokale autonomie, de mogelijkheid tot Vlaamse aansturing en ondersteuning en inspraak en participatie van adviesraden, de bevolking en de belangengroepen. Voor de N-VA zijn Vlaanderen en de gemeenten de belangrijkste beleidsniveaus waarin onze samenleving vorm moet krijgen. We hebben dat van in het begin, nu bijna tien jaar geleden, benadrukt. We zijn altijd communalisten geweest, die de betrokkenheid van burgers en het middenveld naar waarde weten te schatten en van oordeel zijn dat zij een belangrijke meerwaarde leveren in ons democratisch besluitvormingsproces.

Dames en heren, collega’s, zoals de voorgangers hebben benadrukt, begint het werk nu pas. We zetten vandaag een eerste decretale stap, maar in de verschillende sectoren moeten nu veertien decreten worden aangepast. We gaan ervan uit dat de commissie Binnenlands Bestuur daar een centrale en sturende rol in zal blijven spelen. We nemen ook akte van de vragen en bekommernissen van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), die vraagt om een overleg te hebben bij elke sectorale vertaling. De VVSG benadrukt dat de Vlaamse subsidies aanvullend zijn, dat de Vlaamse steden en gemeenten nog altijd het grootste deel van de financiën ophoesten voor de beleidsprioriteiten die ze zelf hebben gekozen. Ze benadrukt ook dat Vlaanderen moet sturen op algemene doelstellingen en zich niet moet mengen in de interne organisatie van steden en gemeenten. Ten slotte benadrukt de VVSG dat participatie meer is dan het betrekken van adviesraden.

Dames en heren, collega’s, de N-VA-fractie zal dit ontwerp van decreet met overtuiging goedkeuren. We zijn ervan overtuigd dat het werk in de commissie en in dit parlement naar de aanpassing van de veertien decreten vlot zal verlopen, zodat de Vlaamse steden en gemeenten bij de aanvang van de nieuwe bestuursperiode op een efficiënte en effectieve manier zullen kunnen werken. Ik dank u. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw De Waele heeft het woord.

Patricia De Waele

Minister, gelukkige verjaardag, straks geef ik u wel drie zoenen.

Collega’s, voorzitter, ook de LDD-fractie vindt het heel belangrijk om bij dit zo belangrijke ontwerp van decreet ons standpunt naar voren te brengen. Met dit ontwerp van decreet wil de regering immers een substantiële bijdrage leveren tot het doorvoeren van het principe van subsidiariteit. Er komt meer beleidsvrijheid voor de lokale besturen, terwijl Vlaanderen kaderstellend zal optreden.

Collega’s, meer dan tien jaar geleden heeft men de fundamenten voor deze planlastenverlaging gelegd. In 1999 werd de ambitie van planlastenverlaging geformuleerd. Het geeft te kennen hoe lastig planlastenvermindering uiteindelijk is. Verschillende ministers hebben er hun tanden op stuk gebeten. Het resultaat vandaag is dan ook een verdienste van alle voorgaanden. Er is er vandaag maar één die kan oogsten, minister, maar ik ben ervan overtuigd dat u zult inzien dat dit het werk is van vele voorgangers.

De planlastenvermindering vinden we ook terug in het witboek Interne Staatshervorming. Ik verwijs dan graag naar het regeerakkoord, dat stelt dat de hoofddoelstelling van de interne staatshervorming de versterking is van de bestuurskracht van Vlaamse steden en gemeenten. Het is dus logisch dat men de bestuurskracht van de gemeenten wenst te verhogen en dat gemeenten meer autonomie en meer bevoegdheden zullen krijgen.

De planlasten resulteerden niet alleen in langere termijnen om een en ander in werking te zetten. Op termijn zal de vermindering ervan ook kostenbesparend kunnen werken. Het is dan ook uitkijken naar hoe de planlastenvermindering een impact zal hebben op het uiteindelijke personeelsbestand. Ik stel me wel de vraag hoe die planlastenvermindering snel tot resultaat zal leiden. Daarmee uit ik ook mijn vrees dat planlastenvermindering wel eens een mooi principe zou kunnen zijn, maar dat er in de praktijk mogelijk nog verschillende moeilijkheden zullen optreden. Verworven rechten van diverse stakeholders zal men immers moeilijk kunnen afbouwen.

Niettemin, minister, collega’s, willen wij dit ontwerp van decreet het voordeel van de twijfel geven, omdat het een belangrijk stap in de goede richting is. Wij rekenen uiteraard op het gezond verstand van alle lokale actoren om deze beslissing in goede banen te leiden. Lokale autonomie is immers een zeer belangrijk principe.

Ik verheug me samen met mijn LDD-fractie over de voorstellen inzake planlastenverlaging, die ongetwijfeld een tijdswinst en een belangrijke besparing met zich zullen meebrengen. Wij verheugen ons er vooral op omdat dit een antwoord biedt aan de jarenlange roep van diverse lokale besturen.

Namens de LDD-fractie kan ik u dan ook aankondigen dat wij de volle steun zullen geven aan dit ontwerp van decreet. Ik dank u. (Applaus)

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron

Minister, gelukwensen, maar de zoen zal ik achterwege laten. Dat laat ik aan collega De Waele over.

In de goede traditie van deze ochtend ga ik een kort en krachtig betoog proberen te houden. Ik wil het toch even hebben over de geschiedenis van het Planlastdecreet. Wat nu gebeurt, is een cyclische beweging, waarbij de Vlaamse overheid – de jonge zelfstandige en naar meer autonomie en meer macht hunkerende Vlaamse overheid, want zo gaat dat met jonge staten die heel veel willen vastleggen in regels – haar eigen positie ten opzichte van de lokale besturen moet weten te vinden. De verhouding met de gemeentebesturen in ons land, zeker in Vlaanderen, heeft in ongeveer vijftig jaar, vanaf de eerste voorzichtige stapjes van de staatshervorming, een duidelijke evolutie gekend. We komen uit een hiërarchisch model waarbij lokale besturen medebewindstaken moesten uitvoeren waarin een gemeente geen enkele beleidsruimte had. Ze moest bijvoorbeeld louter politietaken uitvoeren, waar een gemeente nu wel een zekere beleidsruimte in heeft.

Van dat hiërarchisch model, sterk aangestuurd van bovenaf, gaan we over een interactief model waar overheden gaan samenwerken, aan uitwisselingen doen en elkaar beïnvloeden in beleidskeuzes, naar een model – laat ons hopen – waar prioriteiten kunnen worden gelegd waar de centrale keuzes van het beleid bij het bestuur zelf liggen en niet bij een betuttelend en controlerend overheidsbestuur. Van hiërarchisch over interactief naar zelfbewust en zelfsturend: dat is subsidiariteit zoals het zou moeten zijn.

De planning die we vandaag grotendeels afschaffen, is eigenlijk een symptoom geweest van de tweede stap. We maken de transitie naar stap twee, met name van het interactieve model naar het subsidiaire model. We hebben die plannen nodig gehad, net om die gemeenten te responsabiliseren, op weg te helpen en eigen keuzes te laten maken. De plannen waren nodig om die eigen keuzes te maken.

Ik heb zelf een geschiedenis met veel van die plannen. Ik ‘dateer’ professioneel uit de tijd van het ontstaan van het jeugdwerkbeleidsplan, mijnheer Verfaillie. Ik ben de mededader van een aantal plannen voor Cultuur en Sport. Het eerste plan uit 1995 was voor Jeugd. Ik denk dat hier wel wat collega’s zijn die goede herinneringen hebben aan dat jeugdwerkbeleidsplan. In dat tijdskader en in die geest bewees het dat het ook nodig was om gemeenten aan te zetten om heel bewust planmatig en doordacht en in participatiemodellen en in overleg met de bevolking tot beleid te komen.

We vonden het in de jaren 90 schitterende dingen. We waren blij dat er een maatschappelijk debat kon zijn over jeugdwerk, over cultuur, over leefmilieu, over ontwikkelingssamenwerking. Nu zijn we blij dat we dat achter ons kunnen laten. Het is een heel merkwaardige evolutie. Ik vraag me dan af wat er fout is gelopen. Er is maar één iets fout gelopen. Het is niet de schuld van de gemeenten, maar het is de schuld van de Vlaamse overheid, die van dat ene jeugdwerkbeleidsplan van medio de jaren 90 tot 15 of 16 planregelingen is gekomen in alle sectoren, wat de boel een beetje verziekt heeft. De verticale sectorale aansturing door Vlaanderen, met vrij strakke regels, met afwijkende planlastvoorwaarden, met andere criteria, heeft de boel verziekt en heeft gemaakt dat het planningsinstrument, wat op zich een goed idee is, vandaag verdwijnt. Het zou moeten verbeteren want in de plaats zou een beter planinstrument moeten komen.

Minister, het was nodig dat er in die tuin ernstig gewied werd en dat de struiken die er niet thuis horen, gekapt worden, zodat de tuin opnieuw proper en netjes is. In plaats van al die plannen, komt er één plan. In plaats van een door Vlaanderen aangestuurde sectorale regeling, komt er een lokaal bepaalde integrale aanpak.

Die beheers- en beleidscyclus bevat een integrale aanpak, verantwoordelijkheid voor de lokale besturen en beleidsruimte voor diezelfde lokale besturen. Ik ga mee in het hiërarchisch model van interactief naar zelfbewust. De vraag is echter of Vlaanderen in staat en bereid is om die cultuuromslag echt te maken. Kan Vlaanderen zijn Jozef II-mentaliteit of zijn drang van jonge deelstaat afleggen?

Lieven Dehandschutter

Mijnheer Caron, ik vind uw analyse heel boeiend en ik ben het grotendeels met u eens. U vraagt zich op een bepaald moment af waar het fout is gelopen en wie daar schuld aan heeft. Ik bekijk de zaken niet in termen van schuld. Het hele inspraak- en planningsproces is ook een leerproces geweest. Het maken van plannen was een educatief proces en zelfs voor een deel een missioneringsproces. Op een bepaald moment is men sterk genoeg en is men toe aan een volgende fase. Ik zie dit meer als een evolutie waarin we nu de volgende stap zetten. Het is inderdaad wel zo dat er op een bepaald moment te veel plannen naast elkaar lagen die niet op elkaar waren afgestemd.

Bart Caron

De Vlaamse overheid draagt zelf een grote verantwoordelijkheid voor de complexiteit en de vermenigvuldiging van al die plannen en regels. Zij heeft ingezien dat dit nu moet stoppen, en dat is een goede zaak. De vraag is echter of Vlaanderen die cultuuromslag kan maken en dat gewaad van jonge controlerende deelstaat kan afleggen. Wij willen wel dat de federale staat Vlaanderen voldoende bevoegdheden en beleidsruimte geeft maar wil Vlaanderen voldoende bevoegdheden en beleidsruimte geven aan zijn lokale besturen? Dat is de vraag die nu voorligt. Kunnen we die interne staatshervorming realiseren? Het echte alternatief zou die beleids- en beheerscyclus moeten zijn zoals ook bepaald in het Gemeentedecreet. Daarbij maken de gemeenten een keer om de zes jaar en met een correctiemogelijkheid halverwege de legislatuur, een geïntegreerde benadering van de eigen doelstellingen en het eigen beleid.

Minister, ik heb hier heel ernstige vragen en twijfels bij die ik verder zal onderbouwen. Ik begin met de Vlaamse beleidsdomeinen. Vlaanderen zal een aantal beleidsprioriteiten bepalen in die deeldomeinen. Gemeenten kunnen dan intekenen op die beleidsprioriteiten. Daar krijgen ze ook subsidies voor. In het Planlastendecreet staan er 14 beleidsdomeinen. Stel dat elk beleidsdomein 8 prioriteiten bepaalt: 8 van cultuur, 8 van jeugd, 8 van milieu, 8 van ontwikkelingssamenwerking, 8 van kinderopvang enzovoort. Dan hebben we 112 Vlaamse beleidsprioriteiten. De gemeenten moeten daar indicatoren bij verzinnen. Zij moeten aan Vlaanderen bewijzen dat ze dat effectief doen. Stel dat ze maar 3 indicatoren per beleidsdoelstelling opgeven, dan zitten we aan 336 indicatoren. Dat zijn 15 getikte A4-bladzijden met enkel indicatoren. Ik weet niet of dat zoveel beter is dan de huidige situatie. Is dat de manier waarop Vlaanderen zijn controle op de lokale besturen zal verminderen? Dat is nu het nevralgieke punt. We moeten heel goed opletten dat we niet opnieuw sectoraal zeer gedetailleerde voorschriften bepalen voor elk beleidsprioriteit en dat we geen nieuwe criteriaverplichtingen opleggen.

Dat is niet vergezocht. Voor de sectoren die ik volg – Cultuur, Jeugd en Sport – circuleren er voorontwerpen van aanpassingsdecreten die dit Planlastdecreet omzetten in sectorale regelgeving. En ik heb ook het decreet van Ontwikkelingssamenwerking gezien. Collega’s, ik val van mijn stoel als ik zie wat in die voorontwerpen staat. Ik val van mijn stoel door de supercontrole, de onwaarschijnlijk gedetailleerde voorschriften en de regelneverij. Ik geef het voorbeeld van Sport. Ik heb er vorige week nog minister Muyters een vraag over gesteld. Wat nu voorligt voor Sport is veel strakker qua voorwaarden dan het huidige decreet Lokaal Sportbeleid.

Minister, nu moet Vlaanderen ook eens bescheiden zijn. Weet u hoeveel Vlaanderen investeert voor het lokale sportbeleid? 14,6 miljoen euro. Weet u hoeveel de gemeenten samen investeren voor het lokale sportbeleid? 254 miljoen euro. Ik parafraseer de brief van de VVSG: het zijn eigenlijk de gemeenten die de Vlaamse beleidsprioriteiten zouden moeten bepalen, en niet omgekeerd. Dat is de werkelijkheid. Dit geldt ook voor Cultuur en voor nagenoeg alle sectoren. De gemeenten investeren vier tot tien keer het bedrag dat Vlaanderen investeert. Mijnheer Verfaillie, wie is Vlaanderen dan eigenlijk om de regels op te leggen aan de lokale besturen? Ik pleit voor een echte koerswijziging.

Jan Verfaillie

Ik volg de heer Caron in grote mate. Daarom is de brief die vanuit de commissie Binnenlands bestuur is vertrokken zo belangrijk. Mijnheer Caron, ik stel tot mijn genoegen vast dat u in grote mate met ons in die oefening wilt meestappen. Onze commissie heeft een brief gericht aan de voorzitter van het parlement, om voor te stellen dat de commissie Binnenlands bestuur op een permanente basis zou worden betrokken bij de veertien sectorale decreten die moeten worden aangepast. Zo behouden wij het globale beeld en worden wij niet plots geconfronteerd met directe aanpassingen.

Mijnheer Caron, u sprak met betrekking tot Sport over de subsidies van de Vlaamse overheid in vergelijking met de middelen die de gemeenten investeren. Als de Vlaamse overheid nieuwe initiatieven wil creëren, moet de vijftig-vijftigregel daarin zijn opgenomen. Het zal gedaan zijn met een klein worteltje voor te houden en, als de gemeenten niet rechtstreeks willen bijten, de gemeenten te laten bijten door middel van interpellaties of door de oppositiepartijen toegevoegde punten. Daarom ben ik mevrouw Brouwers heel dankbaar omdat zij het initiatief heeft genomen om te onderzoeken of de vijftig-vijftigregel kon worden opgenomen. Zo moet de Vlaamse overheid, als zij nieuwe initiatieven neemt en nieuwe verplichtingen oplegt, daarvoor minstens de helft van de financiële middelen op tafel leggen.

Bart Caron

Mijnheer Verfaillie, ik ben niet voor verplichtingen. Ik vind dat lokale besturen zelf keuzes moeten kunnen maken. Maar zij moeten inderdaad een soort van trekkingsrechten hebben op de budgetten die Vlaanderen daarvoor prioritair uittrekt. Die cultuuromslag is een absolute noodzaak. Het voorbeeld van Sport is uitgesproken. Op een hoorzitting met het lokale sportveld, met schepenen en sportfunctionarissen, is ongelooflijk veel protest gerezen ten aanzien van de manier waarop de dingen worden aangepakt.

Beste collega’s, ik ken de teksten van Jeugd en Cultuur. Ik wil echt vragen om superattent te zijn inzake de teksten die verschijnen en inzake de beleidsruimte die de lokale besturen al dan niet krijgen. We zullen toch geen planlastvermindering doorvoeren om aan de andere kant meer evaluatie- en meetverplichtingen te krijgen? We zullen toch niet van planlast- naar evaluatielast gaan? De rapportagevoorschriften in de tekst over Sport zijn veel groter dan de rapportageverplichtingen die in het oude, door planlast geteisterde Sportdecreet stonden. Ik waarschuw u daarvoor uitdrukkelijk. Ik zie ook dat alle sectoren de bepaling van de beleidsprioriteiten verschillend aanpakken, alsook de manier hoe ze moeten worden gerapporteerd en omgezet in lokaal beleid. Dat kan niet. Dat moet gesynchroniseerd en eenvoudig verlopen. De Vlaamse overheid heeft nu de neiging om zowat alles wat vandaag bestaat als voorwaarde te stellen en daarbovenop prioriteiten te maken. Als je dat samentelt, kom je aan meer verplichtingen dan ervoor.

De heer Dehandschutter heeft daarnet even de brief van de VVSG getoond. In die brief heeft de VVSG dezelfde teneur als ik: we moeten oppassen dat we langs de achterdeur niet nog meer bemoeienis binnenkrijgen. Ik zie dat gebeuren met de teksten die ik heb. Mocht dat zo zijn, dan is dat echt ondraaglijk. Dit mag geen vals verhaal worden.

Wij zijn niet bang voor een integrale aanpak. Wij zijn er een voorstander van. De Vlaamse overheid moet dan echter wel intersectoraal mogelijk maken dat er een integrale aanpak kan zijn. We vrezen dat de Vlaamse overheid meer zal sturen, in plaats van minder te sturen. Het kan ook niet zijn dat we in Vlaanderen van een planlast naar een meet- en evaluatielast gaan.

We hebben twee amendementen goedgekeurd in de commissie, die ik mee heb gesteund en die handelen over de participatie en de betrokkenheid van de burger. We zullen er echt over moeten waken dat dit niet wordt geminimaliseerd. Op lokaal vlak houdt een modern bestuur in dat men bestuurt in samenspraak met de adviesraden, maar ook met bewonersgroepen, wijkcomités en het middenveld. Daartoe moeten er maximale garanties zijn.

Minister, er blijven nog een aantal kleine problemen bestaan. Zo staat het Cultureel-erfgoeddecreet ook in uw lijst. Er zijn in Vlaanderen een aantal erfgoedconvenanten. Ik zie gebeuren dat men al die gemeentelijke convenanten zal omzetten in intergemeentelijke convenanten, om te ontsnappen aan die regelgeving. Men wil daaraan ontsnappen omdat die cultureel-erfgoedconvenanten zo specifiek zijn dat ze niet in die beleids- en beheerscyclus te duwen vallen, althans niet op die manier. Dat kan niet de bedoeling zijn van dit ontwerp van decreet, maar dat zal wel het effect zijn. Ik heb er in de commissie voor gepleit het cultureel erfgoed eruit te laten, zodat die ontwijkingsmechanismen niet optreden. Ik heb geen amendement ingediend in de plenaire vergadering om dat Cultureel-erfgoeddecreet eruit te halen, maar ik wil daar echt voor waarschuwen. Er zijn nog sectoren waar die bewegingen gaande zijn. Dat mogen we zeker niet steunen. Minister, ik wil u echt waarschuwen voor die rapportage- en evaluatielast. (Applaus)

De voorzitter

Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister Geert Bourgeois

Voorzitter, geachte leden, ik wil op de eerste plaats mevrouw Brouwers bedanken voor haar uitstekende verslag. Ik wil ook alle leden bedanken die me publiekelijk hebben gefeliciteerd met mijn verjaardag. Voor diegenen die iets minder jong zijn dan ik, kan ik zeggen dat 60 worden helemaal niet erg is. 40, dat is pas een zware psychologische klip. Aan wie nog niet het geluk heeft gehad zo oud te zijn geworden als ik, kan ik alleen maar zeggen dat het beste daarna nog komt. Het genieten zal voor zaterdag zijn. Ik bedank de collega’s die me een fijne verjaardag hebben toegewenst, maar ik geniet ook elke dag van mijn werk. De rest komt zaterdag.

Zoals diverse leden hebben beklemtoond, voert dit ontwerp van decreet een heel belangrijke bestuurlijke hervorming door in Vlaanderen. Daarmee geven we vorm aan wat er in het regeerakkoord staat met betrekking tot de subsidiariteit en het respecteren van de autonomie van de gemeenten. Dat gaat natuurlijk gepaard met een versterking van de kwaliteit van het lokaal bestuur, met ook een versterking van de lokale democratie. We doen daar heel wat voor. We doen dat in het kader van de hervormingen gepland ter uitvoering van het witboek Interne Staatshervorming. Dit is een van de belangrijke doorbraken ter zake.

Het klopt: daar wordt al heel lang voor geijverd. Al tien jaar lang probeert men die keizer-kostermentaliteit, die betutteling te doen ophouden, probeert men vorm te geven aan die subsidiariteit en die planlasten te verminderen. Heel veel mensen hebben daar verdienste aan. Er zijn heel veel initiatieven genomen. Mijnheer De Meulemeester, u hebt terecht gewezen op het initiatief dat u in de vorige periode hebt genomen.

Ik wil er in alle bescheidenheid op wijzen dat dit ontwerp van decreet veel verder gaat omdat in uw voorstel van decreet de sectorale plannen nog altijd bleven bestaan en dat er nog rapportering moest gebeuren, zij het onder de vorm van standaardformulieren. Hier verleggen we de klemtoon naar een andere aanpak, een meerjarenplanning die de doelstellingen en actieplannen bevat. Dat kunnen we doen precies omdat we de nieuwe beleids- en beheerscyclus hebben die in werking treedt in 2014. De rapportering gebeurt uitsluitend aan de hand van de jaarrekening. Dit wil ik beklemtonen.

Mijnheer Caron, uw vrees is onterecht. Ik weet niet welke ontwerpen er circuleren, u hebt ze gezien, maar er is de afspraak in dit parlement om vorm te geven aan het kaderdecreet in de sectorale decreten. Die moeten uitvoering geven aan wat in het kaderdecreet wordt vastgelegd. Daar kun je niet van afwijken. Er is zelfs een bepaling opgenomen: artikel 12 zegt uitdrukkelijk dat als decreten en besluiten in de sectoren op 1 januari 2014 niet aangepast zijn, de lokale besturen kunnen volstaan door te rapporteren aan de hand van hun rekeningen.

Mijnheer Caron, de ontwerpen van decreet die circuleren zijn helemaal niet zo erg als u ze voorstelt. Als dat het geval zou zijn, is het aan het parlement om bij te sturen. Maar men kan niet buiten die contouren gaan, integendeel, er is een generieke bepaling die het onmogelijk maakt dat er sectoraal wordt van afgeweken.

Ik wil alle collega’s danken voor de constructieve benadering en bespreking in de commissie. Er zijn eigen klemtonen gelegd door de meerderheid en de oppositie, wat normaal is. Er zijn aanscherpingen gebeurd door amenderingen. Dit heeft ertoe geleid dat er toch een vrij grote consensus is gegroeid in de bespreking in de commissie.

Ik ben de eerste om te bevestigen dat er nog veel werk is. Dit is een kaderdecreet. Nu moeten we er sectoraal uitvoering aan geven. Het zal veel werk en een strak tempo vergen. Dat is afgesproken in de commissie. Ik hoop dat dit in een constructieve geest gebeurt, maar als ik de vertegenwoordigers van alle partijen hier beluister, dan moet ik mij daarover geen zorgen maken. Ik neem aan dat er ook in de sectoren voor zal worden gezorgd dat die cultuuromslag wordt doorgevoerd.

In dit verband heb ik een brief ontvangen van de VVSG, die iedereen dankt die hieraan heeft meegewerkt, en die uitermate tevreden is over dit kaderdecreet en het een belangrijke bestuurlijke hervorming noemt. Tegelijk wijst de VVSG erop dat er nog veel werk moet gebeuren, zowel in de subsidieregelingen als in het decreet waar geen subsidies aan gekoppeld zijn, maar niettemin heel betuttelend in detail allerlei verplichtingen oplegt. De VVSG beklemtoont dat het een groot verschil is als de Vlaamse overheid doelstellingen oplegt die moeten worden behaald, en als erbij wordt gezegd hoe die moeten worden bereikt. De steden en gemeenten zeggen: laat ons dit doen, we zijn mans genoeg om het te doen op een manier waarop onze output kan worden gecontroleerd.

De VVSG wijst er ook heel terecht op dat inspraak meer is dan adviesraden, dat het een breed proces is, en dat participatie niet formalistisch mag zijn. Het mag niet worden opgelegd. Het moet inhoud krijgen zodat het leeft op het terrein. De VVSG zegt dat de gemeenten het best geplaatst zijn om dat te doen.

Ik kan me niet inbeelden dat, nu we het hele systeem veranderen in de richting van benchmarking, output en een meer democratische controle op het behalen van de doelstellingen en de aangewende middelen, de gemeente het zich kan permitteren het beleid terug te schroeven. Daarvoor is de gemeenteraad te sterk, is de lokale democratische controle te groot, is de slagkracht van lokale verenigingen – al dan niet ingebed in de klassieke structuren – te groot en is de media-aandacht te groot.

Ik hoop dat het vertrouwen dat uit dit kaderdecreet voortvloeit, verder wordt gedragen. Als we A zeggen, moeten we ook B zeggen. We kunnen niet voor subsidiariteit kiezen en tegelijk bang zijn voor wat de gemeenten daarmee gaan doen.

Ik heb het in de commissie al gezegd, dit vergt een cultuuromslag, in de eerste plaats van de regering, maar ook van de ambtenaren. Onze ambtenarij, en ik neem hen dat niet kwalijk, is al die jaren meegegaan in die cultuur van betutteling en controle, controle tot op de komma zelfs. We moeten daarvan af. Ook voor de gemeenten zal het een cultuuromslag zijn. Ook zij zullen zich daaraan moeten conformeren. Ik ben ervan overtuigd dat we zullen kunnen eindigen in de loop van deze regeerperiode als het schema dat afgesproken is, ook aangehouden wordt, met een heel heel brede hervorming. We zitten goed, niet alleen met het kaderdecreet dat werkelijk een zeer goede bepaling bevat voor het geval de sectorale decreten niet zouden worden omgevormd, maar ook met een positieve invulling in de sectoren zelf.

Collega’s, bedankt voor de hele grote steun voor dit ontwerp van decreet. Er is nog veel werk aan de winkel. Ik hoop in het bijzonder dat de leden van de commissie Binnenlands Bestuur mee zullen waken over de verdere uitvoering in alle sectoren van dit belangrijk principedecreet. (Applaus)

Bart Caron

Minister, het is misschien wel de rol van de oppositie om alles in twijfel te trekken. We doen dat vaak. Ik ga nu geen oppositiepraat vertellen. U weet dat we proberen van heel ver mee te gaan in de redeneringen van het nieuwe Gemeentedecreet en het Planlastendecreet. Ik stel voor dat u eens contact opneemt met het kabinet van uw partijgenoot, minister Muyters, om met hem eens te overleggen over de teksten over sport. Die zitten absoluut niet goed. Echt waar, ze mogen niet zo gedetailleerd en sturend worden.

Mijn bekommernis is de uwe. Ik zou heel graag willen dat u een coördinerende rol opneemt om de integrale benadering van de aanpassing van de sectorale decreten te begeleiden. De voorbeelden die circuleren, zien er niet goed uit. Minister, vraag het aan de VVSG en andere belangenbehartigers uit die sectoren, ze zullen mijn woorden bevestigen. Ik roep u op om dat te doen.

Ik herhaal het aspect van het cultureel erfgoed. U bent daar niet op ingegaan, ik begrijp dat. Ook vandaag vond ik in mijn mailbox – u misschien ook – nog eens een mail van het Cultureel-Erfgoedoverleg. Ze halen nog eens aan dat het niet haalbaar is om het in dat schema te duwen. We hebben dat ook niet gedaan met de mobiliteitsplannen omdat dat een specifiek systeem is met modules en convenanten, anders dan de bestaande. Ik heb daarnet een amendement ingediend om het convenant eruit te halen. Het past daar niet in, het is oneigenlijk en zal verhinderen dat we de beleidsdoelstelling halen.

De voorzitter

De heer Durnez heeft het woord.

Jan Durnez

Voorzitter, de commissie stelde zich erg positief op bij de besprekingen. Er was ook geen enkele tegenstem. Aan de andere kant is de opdracht in het najaar bijzonder groot. We moeten alle aanpassingen in dezelfde lijn doorvoeren.

Ik vraag ook aandacht voor het leerproces dat hier op gang zal worden gebracht. Het is een doorzetting van strategische planning. We moeten leren omgaan met rekeningen als beleidsrapportering. Dat geldt niet alleen voor Vlaanderen, maar ook voor de lokale besturen: gemeenten, steden en provincies. Het zal onmetelijk veel werk zijn om dat op een goede manier op te bouwen. Dat zal niet in drie weken gebeuren, het is een proces van jaren. Dat moet met alle partners zo worden opgebouwd. Ik vraag u om het element vorming daarbij een kans te geven om de goede voorbeelden daar te laten functioneren.

Minister Geert Bourgeois

Voorzitter, ik houd het kort. Ik wil me aansluiten bij wat de heer Durnez zegt, want het is inderdaad een leerproces. Het is voor de lokale besturen niet evident om de omslag te maken, maar de beleids- en beheerscyclus draait nu, die draait proef in een aantal pilootprojecten. Ik hoor dat er positieve resultaten zijn. Uiteraard moet er geleerd worden en moet er ervaring worden opgedaan; daarom zijn het ook pilootprojecten. Niet alles is perfect, maar de eerste klanken die ik hoor, zijn positief.

Ik kan u ook zeggen dat het agentschap de besturen heel goed ondersteunt. In de eerste groep is dat mogelijk iets minder geweest omdat het over een periode van zes maanden ging, maar voor de tweede groep die instapt, is er een jarenlange en heel intense begeleiding, en die laat aan de lokale besturen toe om mee te gaan in de nieuwe manier van handelen en denken.

Mijnheer Caron, het is inderdaad een ‘work in progress’. Ik heb er geen zicht op welke teksten nu vanuit de administraties circuleren, maar hoe dan ook zal ik dit uiteraard mee bewaken. Ik heb dat ook in de commissie gezegd. Het kan hoe dan ook niet dat decreten worden goedgekeurd die tegen dit kaderdecreet ingaan, dat is evident. Trouwens, we hebben ook de afspraak gemaakt, maar ik weet niet of het parlement daarover al een beslissing heeft genomen, dat de commissie Binnenland de sectorale veranderingen mee zal bewaken en dat dit telkens in gemengde commissie zal gebeuren. Dit valt natuurlijk onder de autonomie van het parlement, maar ik hoop dat dit ook gebeurt. Op die manier kan het natuurlijk niet anders dan dat sectorale decreten zich hieraan conformeren, dit moet ook zo.

Ik herhaal nog eens dat artikel 12 heel duidelijk is: als sectorale decreten daar niet in voorzien, dan kunnen gemeentebesturen vanaf 2014 afstappen van de rapporteringsverplichting zoals die nu bestaat en volstaat het om te verwijzen naar de rapportering die blijkt uit de jaarrekeningen.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2010-11, nr. 1102/6)

– De artikelen 1 tot en met 11 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement op artikel 12. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2010-11, nr. 1102/7)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– Artikel 13 wordt zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Wat de brief van mevrouw De Ridder betreft, die wordt besproken in het overleg tussen een afvaardiging van het Uitgebreid Bureau en de commissievoorzitters in de loop van de maand oktober. We zullen een voorstel van aanpak doen om te bekijken hoe we dit verder aanpakken. Goed? (Instemming)

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.