U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is de algemene bespreking van het ontwerp van decreet.

De heer de Kort, verslaggever, heeft het woord.

Dirk de Kort

Voorzitter, de Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting heeft tussen januari 2011 en maart 2011 acht zittingen gewijd aan wat het ontwerp van Rekendecreet wordt genoemd. Aangezien het op het eerste gezicht om een financieel-technisch ontwerp van decreet gaat, zou dit kunnen verbazen.

Het voorliggend ontwerp van decreet biedt een kader voor de uitwerking van een transparant begrotings- en boekhoudingsinstrumentarium en voor een modern systeem van financieel management. De nieuwe regelgeving zal de huidige rijkscomptabiliteitswetgeving vervangen. Het ontwerp van decreet respecteert ten volle de wet van 16 mei 2003, de zogenaamde Algemenebepalingenwet, die de algemene bepalingen oplegt die van toepassing zijn op de begrotingen en de boekhoudingen van gemeenschappen en gewesten en op de organisatie van de door het Rekenhof uitgeoefende controle.

Het Rekendecreet vervangt het decreet van 7 mei 2004 houdende de regeling van de begrotingen, de boekhouding, de controle inzake subsidies en de controle door het Rekenhof, het zogenaamde Comptabiliteitsdecreet, dat om diverse redenen nooit in werking is getreden. Blijkbaar was het Comptabiliteitsdecreet te ambitieus.

Het voorliggend ontwerp van decreet omvat een aantal belangrijke items.

Ten eerste, het schept duidelijkheid over de consolidatie in het Europees Stelsel van Rekeningen (ESR-consolidatie) en legt de ESR-rapporteringsverplichting op aan alle rechtspersonen die tot de consolidatiekring behoren. De ESR-geconsolideerde rekeningen zullen ter informatie aan het Vlaams Parlement worden overgemaakt.

Ten tweede, de praktijk van de meerjarenraming wordt preciezer omschreven en decretaal vastgelegd.

Ten derde, voortaan zullen voor alle uitgaven van de ministeries gesplitste kredieten moeten worden gebruikt. Concreet betekent dit dat iedere beslissing om tot een uitgave over te gaan in het vastleggingskrediet zal worden geregistreerd. Nadien zal de gedane uitgave in het vereffeningskrediet worden aangerekend.

Ten vierde, er worden ruime herverdelingsmogelijkheden inzake de begrotingskredieten gepland. Ten vijfde, de Vlaamse ministeries worden verplicht een economische dubbele boekhouding te voeren.

Het ontwerp van Rekendecreet maakt het Rekenhof bevoegd voor alle entiteiten die vallen onder het toepassingsgebied van het decreet, inclusief de rechtspersonen die behoren tot de consolidatiekring en breidt bovendien de bevoegdheid van het Rekenhof uit tot privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen (EVA’s). Het is over dit artikel 63 dat uitvoerig van gedachten werd gewisseld.

Het ontwerp van Rekendecreet geeft ook uitvoering aan het concept single audit. Er vond een hoorzitting plaats met vertegenwoordigers van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV), het Rekenhof en de Commissie voor Efficiënte en Effectieve Overheid (CEEO). De gehoorde instellingen zagen tal van positieve punten, maar hadden ook kritische bedenkingen.

De SERV betreurde dat de rechtspersonen niet systematisch worden verplicht om te rapporteren over hun verplichtingen, wat de ministeries wel moeten doen. De SERV stelde voor dat rechtspersonen verbintenissen moeten opnemen in de begroting en in de rapporten. Momenteel is dat niet het geval en dat leidt tot problemen met de transparantie en de interpretatie van onder meer de impliciete schuld- en betaalkalenders. De SERV, net als het Rekenhof en de CEEO, betreurden dat de integratie van de beheers- en beleidscyclus als intentie in de memorie van toelichting is opgenomen, maar onvoldoende werd vertaald in decretale bepalingen.

Het ontwerp van Rekendecreet heeft het niet over beleidseffectenrapportage. Er werd geen structurele link tussen de beleidsbrieven en de begroting, dus tussen het beleid en de financiële consequenties gelegd. Het ontwerp van Rekendecreet legt daarenboven geen rapportage op over niet-fïnanciële gegevens zoals doelstellingen, indicatoren, prestaties en effecten.

De CEEO presenteerde een OESO-tabel waarin de kwaliteit van prestatiebegrotingen van verschillende landen werd vergeleken. Bovenaan staan Finland en Australië, en helemaal onderaan, op Tsjechië na, België met 9 op 100.

Volgens de minister zijn de bepalingen met betrekking tot de begroting algemeen geformuleerd en laten ze toe dat op termijn de begroting wordt gestructureerd als een prestatiebegroting. Omdat de Vlaamse overheid nog niet klaar is om in zijn geheel de omschakeling te maken naar dergelijke prestatiebegroting, worden geen bepalingen opgenomen die verdere invulling geven aan de principes en componenten van de prestatiebegroting.

Het Rekenhof betreurde dat het niet rechtstreeks betrokken was bij de voorbereiding van dit decreet dat onder meer zijn controletaak afbakent. Waarschijnlijk is de moeizame behandeling, met vallen en opstaan, van het ontwerp van Rekendecreet in de commissie niet vreemd aan het gebrek aan overleg met het Rekenhof. Het Rekenhof concludeert dat het ontwerp een stap vooruit betekent op het actuele systeem, dat gebaseerd is op de eerder verouderde, gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit, maar een stap achteruit op het Comptabiliteitsdecreet van 2004.

Het Rekenhof legde een reeks wijzigingsvoorstellen neer, waarvan een ruim deel later werden vertaald in amendementen van de meerderheid. Het Rekenhof heeft vooral problemen met artikel 63 dat de controlebevoegdheid van het Rekenhof regelt. Ook voor dit aspect is het ontwerp minder krachtig dan het Comptabiliteitsdecreet. Dat decreet maakte de ontwijking van de Rekenhofcontrole door filialen of aparte structuren te creëren, onmogelijk door het begrip openbare instelling ruim te definiëren aan de hand van criteria als het overwicht van regeringsvertegenwoordiging in de raad van bestuur of de hoofdzakelijke financiering door de Vlaamse overheid.

De definitie van openbare instelling in het Comptabiliteitsdecreet van 2004 was een bevestiging van de courante controlepraktijk van het Rekenhof. Door de toepassing van die criteria werd vermeden dat sommige instellingen aan de controle van het Rekenhof werden onttrokken.

Het Rekenhof is van mening dat decretaal bepaalde algemene criteria op basis waarvan het zelf zijn controlebevoegdheid ten aanzien van Vlaamse overheidsinstellingen kan vaststellen, meer dan een opsomming kunnen garanderen dat de Vlaamse openbare instellingen inderdaad onder de controlebevoegdheid van het Rekenhof vallen.

Of een instelling in het kader van het Europees Stelsel van Economische Rekeningen (ESER) als overheid wordt beschouwd, heeft niets te maken met de controle achteraf van het Rekenhof en het parlement. Alleen het toezicht op voorhand, bijvoorbeeld door een regeringscommissaris, kan de ESR-neutraliteit van een instelling in gevaar brengen. De Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, de Dienst met Afzonderlijk Beheer (DAB) Luchthaven Antwerpen en de nv Participatiemaatschappij Vlaanderen behoren evenmin tot de ESR-consolidatiekring van de overheid, omdat ze marktproducent zijn. Volgens het ontwerp van Rekendecreet vallen ze wel onder de controlebevoegdheid van de overheid. Het Rekenhof stelt dat het evident is dat de aandeelhouder, in dit geval de belastingbetaler, via zijn parlementaire vertegenwoordiging zeggenschap heeft over de besteding van de overheidsmiddelen, ook van openbare instellingen die buiten de ESR-consolidatiekring van de Vlaamse overheid vallen.

ESR definieert de overheid louter aan de hand van economische criteria, en niet van organisatorische of juridische. Bovendien kan INR/Eurostat van mening veranderen inzake een instelling, zoals dat dit decennium is gebeurd met de VRT, De Lijn, Aquafin en BAM. Het Rekenhof denkt dat parlementaire controle in principe mogelijk moet zijn op alle overheidsinstellingen, en dat of ze nu tot de overheid behoren of niet, want al die instellingen werken met publieke middelen. Parlementaire controle is geen criterium voor de ESR-classificatie. De controle door het Rekenhof heeft dus geen effect op de ESR-neutraliteit.

De minister wijst erop dat de bepalingen in het ontwerp van Rekendecreet en het Comptabiliteitsdecreet eigenlijk inspelen op artikel 10, § 2 van de Algemenebepalingenwet. Uiteindelijk moeten die eerder vage bepalingen worden geïnterpreteerd. De minister meent dat het een opportuniteitskwestie en geen juridische kwestie betreft.

Hoewel het over een ruimere discussie gaat, spitste het debat zich concreet toe op de nv Tunnel Liefkenshoek. Het Rekenhof meende dat de nv Tunnel Liefkenshoek toezicht kan weigeren op basis van het Rekendecreet. Volgens het Rekenhof is het aan de Vlaamse Regering om Eurostat ervan te blijven overtuigen dat de nv Tunnel Liefkenshoek na de overdracht van het Oosterweelproject verder zal blijven werken als marktproducent. Dat betekent dat de nv meer dan 50 percent eigen inkomsten moet hebben en dat de impact van de overheid op de besluitvorming minimaal moet zijn. Controle door het Rekenhof en het parlement heeft daar niets mee te maken.

De minister benadrukte dat de scope van het ontwerp van Rekendecreet bepaald wordt door artikel 10, paragraaf 2, van de Algemenebepalingenwet van 16 mei 2003 en door de interpretatie van de notie van openbare instellingen die door de in artikel 2 opgesomde gemeenschappen en gewesten worden opgericht of die ervan afhangen. Volgens de Vlaamse Regering is de perimeter de ESR-consolidatie. Het Rekendecreet is, wat de minister betreft, een financieel decreet: het is dus logisch dat de scope wordt bepaald rekening houdend met de entiteiten die volgens de Europese regels het begrotingssaldo beïnvloeden.

De controle van het Rekenhof in functie van een rapportering op vraag van het Vlaams Parlement op instellingen zoals nv Tunnel Liefkenshoek die buiten het voorziene toepassingsgebied vallen van het ontwerp van Rekendecreet zoals bepaald in artikel 4 – en dus per definitie ook buiten de ESR-consolidatie – en bovendien ook het statuut hebben van privaatrechtelijke vennootschap, wordt volgens de minister dan ook beter in een afzonderlijk decreet geregeld.

Het ontwerp van decreet werd goedgekeurd door de meerderheid; de oppositie heeft zich onthouden. (Applaus)

De voorzitter

De heer Tack heeft het woord.

Erik Tack

Voorzitter, minister, collega's, de eerste vraag die men zich bij de evaluatie van een ontwerp van decreet moet stellen, is wat men met dat initiatief beoogt. In principe moet dat tot een verbetering van een bestaande toestand leiden. In 2004 is het Comptabiliteitsdecreet unaniem goedgekeurd. Dit Rekendecreet zou dus beter moeten zijn dat het Comptabiliteitsdecreet om zijn goedkeuring te verantwoorden.

Het Comptabiliteitsdecreet trad echter nooit in voege, omdat een aantal instellingen nog steeds, na bijna acht jaar, niet werd omgevormd naar een van de organisatievormen zoals bedoeld in het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003.

Bovendien bevat het Comptabiliteitsdecreet dwingende bepalingen, waarvoor de Vlaamse overheid nog steeds niet klaar is. De Vlaamse overheid is niet klaar om op 1 januari verplicht te worden om een beleidseffectrapport in te dienen en een prestatiebegroting op te stellen. Men heeft zijn huiswerk in die acht jaar niet goed gemaakt. Eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat dit bezwaarlijk op het conto van de huidige minister van Financiën en Begroting kan worden geschreven.

In de memorie van toelichting wordt gesteld dat een geleidelijke inwerkingtreding van het Comptabiliteitsdecreet omwille van rechtszekerheid beter niet gebeurt en dat daarom beter voor een nieuw decreet wordt gekozen, waarin betracht wordt maximaal de waardevolle uitgangspunten van het Comptabiliteitsdecreet te respecteren. Of dat laatste effectief zo is, kan heel erg worden betwijfeld. Zorgt het ontwerp van Rekendecreet voor meer transparantie? Het antwoord is duidelijk neen. Bovendien zorgde de controle door het Rekenhof in de commissie voor hoogoplopende discussies tussen meerderheid en oppositie.

De overlegging van de rekeningen van de Vlaamse rechtspersonen loopt nu al vertraging op, ten opzichte van de wettelijk voorgeschreven termijnen. Toch wordt in artikel 50 van het ontwerp van Rekendecreet aan een zeer strakke timing vastgehouden, met een bijkomende certificering door een bedrijfsrevisor. Hoe ervoor gezorgd zal worden dat deze certificering niet tot een bijkomende vertraging zal leiden, wordt nergens uitgelegd.

Het is dus zeer de vraag of het Rekenhof wel voldoende tijd zal krijgen om zijn opmerkingen over de rekeningen van de Vlaamse rechtspersonen op te stellen ten behoeve van het Vlaams Parlement, om te kunnen voldoen aan zijn opdracht. Verder mag niet uit het oog worden verloren dat de werklast voor het Rekenhof voortdurend stijgt, door de voortdurende toename van het aantal boekhoudorganisaties binnen de Vlaamse overheid.

In dit ontwerp van decreet staat een zeer strikte timing voor rapportering en controle. De cruciale data zijn 31 maart, 31 mei, 21 juni en 30 juni. Dat betekent dat het Rekenhof enkel tijd heeft tussen 21 juni en 30 juni om zijn opmerkingen samen met de antwoorden van de Vlaamse Regering of de raad van bestuur aan het Vlaams Parlement te bezorgen. Het beschikt dus slechts over negen dagen om het antwoord van de Vlaamse Regering of de raad van bestuur te behandelen. Het is zeer de vraag of die krappe timing wel haalbaar is.

De essentie van de discussie over dit ontwerp van Rekendecreet handelt over de bevoegdheid die het aan het Rekenhof toebedeelt. Het Comptabiliteitsdecreet bepaalde in artikel 3.3 de criteria op basis waarvan het Rekenhof op een objectieve wijze kon vaststellen over welke instellingen het controlebevoegdheid had, ook zonder dat die expliciet werden vermeld. Op die manier kan worden vermeden dat sommige openbare instellingen al of niet bewust aan de controle van het Rekenhof worden onttrokken. In het ontwerp van Rekendecreet daarentegen wordt een limitatieve lijst opgenomen van instellingen waarover het Rekenhof bevoegd is controle uit te oefenen. De memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet verantwoordt dit door te stellen dat deze lijst de controlebevoegdheid van het Rekenhof bevestigt die bepaald is in artikel 50.2 van de Financieringswet en in artikel 10.2 van de Algemenebepalingenwet.

Het is zo dat een limitatieve opsomming van de types openbare instellingen die kunnen worden gecontroleerd door het Rekenhof, een aanzienlijke beperking van de controlebevoegdheid inhoudt. Er zijn instellingen die momenteel door het Rekenhof kunnen worden gecontroleerd, die nu buiten de opsomming van artikel 63 vallen. Dat is in tegenspraak met artikel 10.2 van de Algemenebepalingenwet, dat stelt dat alle openbare instellingen onder de bevoegdheid van het Rekenhof vallen.

Een van de gevolgen van dit ontwerp van Rekendecreet en van deze limitatieve lijst is dat bijvoorbeeld de nv Tunnel Liefkenshoek niet meer onder de controle van het Rekenhof zou vallen. Precies daarom is door de meerderheid een voorstel van decreet ingediend dat de controle door het Rekenhof mogelijk moet maken op grote infrastructuurprojecten waarin de Vlaamse overheid verantwoordelijkheid draagt.

Over dat voorstel van decreet zullen we het nu nog niet hebben. Daar zullen we het misschien straks over hebben. Het is echter duidelijk voor het Vlaams Belang en wellicht ook voor de verenigde oppositie, dat dit ontwerp van Rekendecreet niet tegemoetkomt aan wat wij verwachten van de mogelijkheden van het Rekenhof. Ook het Rekenhof zelf was er bovendien al evenmin over te spreken dat zijn bevoegdheden in belangrijke mate worden ingeperkt. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Van Mechelen heeft het woord.

Dirk Van Mechelen

Voorzitter, geachte leden, met alle respect, bij deze bespreking van dit ontwerp van Rekendecreet en het daaraan gekoppelde voorstel van decreet heb ik een uiterst onaangenaam en zelfs bizar gevoel over wat dit Vlaams Parlement vandaag beoogt te doen.

Ik verklaar me nader. Er was het gevecht in de commissie. Het was de bedoeling van de meerderheid om dit ontwerp van Rekendecreet al voor het winterreces goed te keuren, maar we hebben de bespreking consequent kunnen voortzetten. Er zijn voorstellen van decreet ingediend die zelfs niet officieel waren ingediend. Er zijn voorstellen ingetrokken. Er zijn nieuwe voorstellen van decreet gekomen. Uiteindelijk is er een finale versie gekomen, die uiteindelijk werd toegevoegd aan dit ontwerp van decreet, om te proberen tegemoet te komen aan onze meest fundamentele kritiek op dit ontwerp van Rekendecreet, dat – zoals u weet – het Comptabiliteitsdecreet van 7 mei 2004 wil vervangen. Het Comptabiliteitsdecreet streeft het moderniseren van de regelgeving met betrekking tot begroting en boekhouding na.

Het is – of was, vanaf vandaag – een traditie dat een dergelijk fundamenteel decreet over een kamerbrede meerderheid kon beschikken, tot stand gekomen na ruim overleg tussen alle betrokken stakeholders: de Vlaamse Regering, het Vlaams Parlement en in het bijzonder ook het Rekenhof en de commissie die gaat over de efficiëntie. Niets daarvan. Hierover is een bittere strijd geleverd, die tot op vandaag woedt.

Voorzitter, dat moet toch tot een zekere bezinning leiden. Is het wel verstandig om een dergelijke fundamentele decreettekst niet alleen door de strot van de oppositie te rammen, maar ook door de strot van het Rekenhof, onze belangrijkste raadgever als het gaat over begroting en rekeningen? In mijn parlementaire carrière heb ik zelden het Rekenhof zo weten vechten voor zijn meest fundamentele rechten. Ook de voorzitter van het Rekenhof is steun komen geven en heeft onomwonden zijn standpunt gegeven in de commissie, maar tot op vandaag is de meerderheid blijkbaar niet bereid om naar de wijze woorden van de heer Desomer te luisteren en dit ontwerp van decreet fundamenteel bij te sturen.

De voorzitter

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen

Goede collega, in uw omschrijving gaat u, lijkt me, voorbij aan het debat dat is gevoerd en aan het feit dat er een hele reeks amendementen is ingediend, ook door de meerderheid, die net tegemoetkomen aan opmerkingen die het Rekenhof heeft gegeven, en die ook in overleg met het Rekenhof zijn ingevoerd. Als u stelt dat we dit door de strot hebben geramd, doet u de waarheid dus echt wel geweld aan.

Dirk Van Mechelen

Mijnheer Van Malderen, ik vrees dat mijn woorden veeleer een understatement dan een overstatement zijn. Dat zal in de toekomst ook wel blijken.

Waarover ging de fundamentele discussie in onze commissie? Laat me om te beginnen zeggen dat dit ontwerp van Rekendecreet voor bijna 90 procent de inhoud en de aanpak van het Comptabiliteitsdecreet overneemt. In die zin is er dus geen probleem.

Maar er zijn twee artikelen die bijzonder zwaar op de maag liggen. Die gaan inzonderheid over de controlebevoegdheid van het Rekenhof en van de Inspectie van Financiën. Artikel 63 van het huidige ontwerp van decreet bepaalt dat het Rekenhof bevoegd is ten aanzien van de Vlaamse ministeries en diensten van afzonderlijk beheer, de Vlaamse rechtspersonen vermeld in artikel 4, paragraaf 1, ten tweede, en paragraaf 2, en de privaatrechterlijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen. Een beetje cynisch is dat volgens de memorie van toelichting dit artikel de controlebevoegdheid van het Rekenhof bevestigt die bepaald is in de Financieringswet en de Algemenebepalingenwet. In die wetten worden de controlebevoegdheid van het Rekenhof ten opzichte van de openbare instellingen echter niet beperkend omschreven. Met andere woorden, een limitatieve opsomming van de typische openbare instellingen die onder de controlebevoegdheid van het Rekenhof vallen, heeft als gevolg dat de controlebevoegdheid ab initio aanzienlijk wordt ingeperkt. Sommige instellingen die momenteel door het Rekenhof kunnen worden gecontroleerd, vallen buiten de opsomming van artikel 63.

Het Rekenhof heeft zeer uitdrukkelijk gesteld en in zijn adviezen opgenomen dat de tekst van artikel 3, paragraaf 3, van het Comptabiliteitsdecreet, die niet is opgenomen in het nieuwe decreet eigenlijk een veel betere uitgangspositie was. Het niet opnemen van artikel 3, paragraaf 3, is in strijd met de nota van de Vlaamse Regering zelf. Daarin stond dat de geformuleerde betrachtingen en de waardevolle uitgangpunten van het decreet maximaal zouden worden gerespecteerd. Met andere woorden, het niet opnemen van artikel 3, paragraaf 3, van dit decreet bepaalt de criteriabasis waarvan het Rekenhof op objectieve wijze kan vaststellen over welke instellingen het controlebevoegdheid heeft. U kent ongetwijfeld de opsomming die daarin vervat is: ten eerste, ten tweede en ten derde. In ten derde staan er drie opties: de werkzaamheden in hoofdzaak rechtstreeks of onrechtstreeks ressorteren, toezicht uitoefenen op het beheer, of de leden van de directie, de raad van bestuur of de raad van toezicht voor meer dan de helft aanwijzen. Het is vooral dat laatste dat nogal wat mogelijkheden gaf aan het Rekenhof om op basis van het Comptabiliteitsdecreet een aantal controles te verrichten bij privaatrechtelijke vennootschappen die door de Vlaamse Regering worden gefinancierd en opgericht.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

We hebben het daar al uitgebreid over gehad in de commissie. Als ik de opsomming lees die u naar voren brengt en de voorwaarden opsom uit artikel 3, paragraaf 3, die niet terug te vinden zijn in artikel 63, en ik maak de vergelijking met de voorwaarden om een ESR-neutraliteit te krijgen, dan zijn die voorwaarden tegenstrijdig met elkaar. Ofwel wordt voldaan aan de drie voorwaarden uit artikel 3, paragraaf 3, ofwel heeft men de ESR-neutraliteit. Beide kan niet.

Als ik dan kijk naar het ontwerp van Rekendecreet, dan legt de Vlaamse overheid alles wat binnen de consolidatie valt, ter controle voor aan het Rekenhof. Daarbovenop komt alles wat door de Vlaamse overheid is opgericht. Dat gaat volgens mij verder dan wat in het Comptabiliteitsdecreet stond. Ik wil er nog eens op wijzen dat de tunnel Liefkenshoek niet is opgericht door de Vlaamse overheid. Ook dat aspect speelt mee. Ik ben er dan ook van overtuigd dat ondanks de visie van het Rekenhof dat artikel 3, paragraaf 3, die voor de Liefkenshoektunnel mogelijkheden bood, dit op zijn minst discutabel was. Via artikel 3, paragraaf 3, had het Rekenhof mijns inziens niet zomaar de mogelijkheid van controle voor wat de Liefkenshoektunnel betreft.

Dit betekent absoluut niet dat het bedoeling is van de Vlaamse Regering – en het is overigens niet de Vlaamse Regering, maar het parlement dat bepaalt wat het Rekenhof controleert – om het toezicht van de Liefkenshoektunnel door het Rekenhof op een of andere manier enigszins te beperken. Met artikel 3, paragraaf 3, waren we daar echter helemaal niet uitgeraakt.

Dirk Van Mechelen

Minister, ik denk dat het Rekenhof voldoende gewezen heeft op de impact van het Comptabiliteitsdecreet op de ESR-neutraliteit. Het Rekenhof heeft manifest aangetoond dat toezicht van het Rekenhof nadat de zaken gebeurd zijn, ex ante, geen impact heeft op de ESR-bepaling van de vennootschap. Dat zit in andere bepalingen, namelijk in het feit – om het nu eens over BAM te hebben – dat uit de bestuurshandeling van de regering bleek dat de raad van bestuur van nv BAM onvoldoende onafhankelijkheid had om het beheer en het beleid te voeren van deze vennootschap.

Maar wat het Rekenhof wel gezegd heeft, minister, gaat over het oude artikel 3, paragraaf 3, ten derde “het door de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of andere Vlaamse publiekrechterlijke instellingen die eronder ressorteren...” Het is dan in punt c dat men zegt dat ofwel leden van de directie, de raad van bestuur of de raad van toezicht, voor meer dan de helft worden toegewezen door de Vlaamse Regering. Het was die bepaling die toeliet dat nv BAM, maar ook nv LijnCom, ressorteerde onder het toezicht van het Rekenhof en dat dit uiteindelijk de garantie gaf. En dat in tegenstelling tot wat u nu zelf probeert te remediëren.

U ziet de ernst van de situatie in, want anders had u dat voorstel van decreet niet ingediend als reparatie voor het feit dat u artikel 63 niet wou terugschroeven naar de oorspronkelijke tekst van artikel 3, paragraaf 3, van het Comptabiliteitsdecreet. Het is dan ook ontstellend om vast te stellen dat over dit voorstel van decreet, waarvoor wij een advies hebben gevraagd van de Raad van State, in het advies letterlijk staat: “dat hetgeen voorafgaat volgt uit het voorstel van decreet strijdig is met zowel artikel 180, tweede lid van de Grondwet als artikel 50, paragraaf 2 van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 en artikel 10 van de wet van 16 mei 2003”. Het kan, collega’s, bijgevolg geen doorgang vinden, dixit de Raad van State.

Mijnheer Van Mechelen, ik ben ongelofelijk gelukkig dat u dat advies van de Raad van State leest. Kunt u mij dan nu uitleggen, dat als binnen het ontwerp van Rekendecreet dezelfde bepaling wordt opgenomen, dat plots niet meer hetzelfde advies van de Raad van State zou hebben? U zult waarschijnlijk zeggen dat dit niet naar voren is gekomen bij het advies van de Raad van State bij het Comptabiliteitsdecreet, maar de inhoud en de manier van werken zijn juist dezelfde, de bedoeling is juist dezelfde, de toewijzing van mogelijkheden naar het Rekenhof is hetzelfde, maar dan zou dat plots wel allemaal in orde zijn.

U haalt 3, c, aan, maar ik wil er toch op wijzen dat ook in het Comptabiliteitsdecreet en de Financieringswet duidelijk wordt gezegd dat het gaat over entiteiten opgericht door de Vlaamse overheid en dat de tunnel Liefkenshoek daar niet onder valt – tenzij ik mij vergis en de tunnel Liefkenshoek is opgericht door de Vlaamse overheid.

Dat zijn elementen, mijnheer Van Mechelen, die we in de commissie ook hebben herhaald en waarbij ik overtuigd ben dat u zich ter zake vergist, samen met een aantal andere mensen. Vandaar – en het is uiteraard aan het parlement om te bepalen wat het Rekenhof wel of niet moet onderzoeken – dat het parlement van oordeel was dat het er op een andere manier toch voor wil zorgen dat die controle van tunnel Liefkenshoek zal kunnen gebeuren door het Rekenhof. En dus doen we dat buiten de filosofie die in het ontwerp van Rekendecreet naar voren werd gebracht.

John Crombez

Mijnheer Van Mechelen, u doet echt alsof u gepijnigd wordt met wat hier op tafel ligt. Het is aandoenlijk. U gebruikt daarvoor citaten van het Rekenhof en stukken van de Raad van State die de waarheid eigenlijk pijn doen.

U zegt dat het Rekenhof heeft gezegd dat de discussie over de ESR-regels en de controleregels niets met elkaar te maken heeft. Dat is niet waar. We zijn bezig over artikel 3, paragraaf 3, ten derde. Die drie punten staan in de ESR-regels. Die ESR-regels gaan over de controle en de manier waarop de overheid de controle bewerkstelligt in vennootschappen, zeker als je ze zelf opricht. Het gaat over de financiering. Ik kan u veel voorbeelden aanhalen waaruit blijkt dat dat belangrijk is. Het gaat wel degelijk over hetzelfde. Ik kan ook citaten van de Raad van State aanhalen waarin die zegt dat je eigenlijk bijkomende bevoegdheden creëert voor het Rekenhof en dat dat niet mag. Eigenlijk zijn we met deze discussie het volgende decreet al aan het bespreken.

Lode Vereeck

Minister, ik heb twee opmerkingen. Over artikel 3 van het Comptabiliteitsdecreet en het Comptabiliteitsdecreet zelf is er in 2004 advies gevraagd aan de Raad van State. Daar zijn toen geen opmerkingen over gemaakt. Ik ga ervan uit dat het, zoals het daar beschreven staat, wel conform de Grondwet is.

Het is verder niet alleen het Rekenhof, maar ook de juridische dienst van dit parlement die zeggen dat we ons geen zorgen hoeven te maken over de ESR-neutraliteit in geval van controle door het Rekenhof.

Dirk Van Mechelen

Vooreerst ben ik verbaasd over de manier waarop leden van de meerderheid spreken over dat advies van de Raad van State. De Raad van State zegt over een voorstel van decreet dat is neergelegd onder handtekening van de voorzitter van het Vlaams Parlement, dat het strijdig is met artikelen uit de Grondwet, dat het bijgevolg geen doorgang kan vinden. Toch gaat men hier doodleuk mee door. We hadden verwacht dat we dat opnieuw zouden bespreken in de commissie Financiën om de argumenten van de meerderheid te kennen op basis waarvan zij hiermee konden doorgaan.

Verder was het Comptabiliteitsdecreet zeer duidelijk bepaald op de bepalingen van de Algemenebepalingenwet en putte daar ook zijn rechtskracht uit als decreet. Dat artikel 3, paragraaf 3, had alle toetsen doorstaan. Wat we nu doen in een voorstel van decreet is, ik citeer uit het verslag pagina 6: “Zoals de Raad van State, afdeling wetgeving, derhalve reeds meermaals heeft opgemerkt, dient de opsomming van de bevoegdheden in artikel 180, tweede lid, van de Grondwet als beperkend te worden beschouwd en kunnen de federale, de gemeenschaps- en gewestwetgever zonder machtiging van de Grondwetgever” - daar gaat het over - “aan het Rekenhof geen ruimere bevoegdheden toekennen.” “En dus”, zegt de Raad van State in dat advies, “dat wij niet bij voorstel van decreet een ruimere bevoegdheid kunnen toekennen aan het Rekenhof met betrekking tot deze materie.” In tegenstelling tot – inderdaad, mijnheer Van Dijck - artikel 3, paragraaf 3, van het Comptabiliteitsdecreet.

Ten slotte is het inderdaad zo dat in de originele versie het Rekenhof geen toezicht hield op de nv Liefkenshoektunnel, en dat het pas na de rampzalige sale-and-leasebackconstructie is dat het parlement in 1997 – als ik me niet vergis – bij resolutie aan het Rekenhof heeft gevraagd om hier een verslag over te maken. Uiteindelijk kan het Vlaams Parlement bij resolutie het Rekenhof vragen om een aantal diensten te leveren aan dit parlement. Het is uiteindelijk op basis van de resolutie die – als ik me niet vergis – unaniem door het parlement werd goedgekeurd dat de Liefkenshoektunnel werd bekeken door het Rekenhof.

Collega’s, een tweede fundamentele opmerking heeft betrekking op het nieuwe artikel 33 dat onzes inziens afbreuk doet aan het vroeger artikel 39 met betrekking tot de begrotingscontrole die gepland wordt door de Inspectie van Financiën. In artikel 39 van het oude Comptabiliteitsdecreet werd aan de inspectie een vrij duidelijke en vooral heel expliciete rol toegekend.

Ik bespaar u de opsomming van artikel 39. We hadden enkel de bedoeling om ook dat principieel artikel in te voegen in het Comptabiliteitsdecreet. De twee meest fundamentele bedenkingen van de hele oppositie in dit debat zijn op een onvoorstelbaar nonchalante manier door de meerderheid van de kaart geveegd. Het is dan ook aan hen om daarvoor de verantwoordelijkheid op te nemen.

Ik veronderstel dat de heer Van Mechelen heel goed weet dat volgens de Bijzondere Financieringswet de uitvoerende macht het recht heeft om de werking en de taak van de Inspectie van Financiën te omschrijven. We kunnen dat ook doen bij besluit van de Vlaamse Regering. Het is in dit geval niet aan de uitvoerende macht om de werking van de Inspectie van Financiën te bepalen. Een decretale bepaling in dezen kan de werking van de Inspectie van Financiën vooral beperken veeleer dan uitbreiden. Het is onze bedoeling helemaal niet om de werking van de Inspectie van Financiën te beperken, zoals waarschijnlijk wel in het Comptabiliteitsdecreet was bepaald door het op te nemen in een decretale bepaling.

Dirk Van Mechelen

Nu verplicht u me toch om de twee artikels voor te lezen, zodat de collega’s kennis kunnen nemen van de inhoud ervan. (Opmerkingen van minister Philippe Muyters)

Minister, ofwel voeren we hier een debat op een ernstige manier, ofwel laat u het! U hebt al meer geantwoord dan op al onze opmerkingen op de begrotingscontrole. Kom hier straks maar eens staan en verdedig dan met argumenten uw standpunt! Ik zal bijzonder geïnteresseerd luisteren!

Minister, ik zeg u dat deze discussie, zoals ze nu wordt gevoerd door de regering en de meerderheid, voor mij eindigt voor het Grondwettelijk Hof. We zullen daar vragen wat uiteindelijk de juiste draagwijdte is van een en ander. Als u de Vlaamse oppositie de mond wilt snoeren door een dergelijk belangrijk ontwerp van decreet meerderheid tegen oppositie te laten goedkeuren, dan zeg ik u dat u een onvoorstelbaar democratisch deficit veroorzaakt. En ik maak me niet dikwijls druk in dit parlement. (Applaus bij Open Vld, het Vlaams Belang en LDD)

In artikel 33 van het oorspronkelijke Comptabiliteitsdecreet staat: “De Vlaamse Regering houdt toezicht op de uitvoering van de begroting. De Vlaamse Regering organiseert een begrotings- en beheerscontrole en ze doet daarvoor een beroep op de Inspectie van Financiën die haar ter beschikking wordt gesteld en die onder haar gezag staat.” Dat wil dus zeggen dat de Vlaamse Regering het toezicht houdt.

In artikel 39, paragraaf 2, van het oorspronkelijke Comptabiliteitsdecreet stond: “ De Inspectie van Financiën ondersteunt de besluitvorming door:

1° het verstrekken van adviezen over de financiële en budgettaire gevolgen van voorgenomen beslissingen zowel in het stadium van de voorbereiding, als in dat van de uitvoering van de begroting;

2° het formuleren van aanbevelingen, op eigen initiatief of op verzoek van de Vlaamse Regering, over alle fasen van de beleidscyclus, in het bijzonder over de beleidsvoorbereiding, de regelgeving, de beleidsuitvoering, de monitoring en de rapportering van de beleidsuitvoering en de beleidsevaluatie;

3° het bewaken van zowel de jaarlijkse als de meerjarige budgettaire doelstellingen van de Vlaamse Regering en van de naleving van de begrotingsnormering;

4° het verstrekken van adviezen, wat de financiële en budgettaire aspecten betreft, bij de totstandkoming en bij de evaluatie van de uitvoering van de met de verzelfstandigde agentschappen afgesloten beheersovereenkomsten of samenwerkingsovereenkomsten;

5° het vaststellen van normen en standaarden waaraan de beheerscontrole-functie in de departementen en de verzelfstandigde agentschappen minimaal beantwoordt;

6° het uitvoeren van begrotingsonderzoeken bij de departementen en de verzelfstandigde agentschappen op verzoek van de minister die binnen de Vlaamse Regering de bevoegdheid heeft over het begrotingsbeleid. De inspectie beschikt daartoe over de ruimste onderzoeksbevoegdheid.”

Dat stond in het Comptabiliteitsdecreet en dat wordt uiteindelijk gedumpt in het nieuwe ontwerp van Rekendecreet. Ik betreur dat ten zeerste. Ik betwist formeel dat het toegevoegde voorstel van decreet kan remediëren aan de intrinsieke ontsporing van het ontwerp van decreet.

En ik heb daar nog één ultiem argument voor. In het oorspronkelijke Comptabiliteitsdecreet, artikel 3, besliste het Rekenhof autonoom of het het toezicht organiseerde op een bepaalde instelling. In het voorstel van resolutie zal een politieke meerderheid beslissen of een bepaalde instelling ad hoc onder het toezicht van het Rekenhof valt. Ik vind dat een stap achteruit. Daarom zullen wij tegen het ontwerp en het voorstel stemmen. (Applaus bij de oppositie)

Voorzitter, ik wil aan de heer Van Mechelen de boodschap meegeven dat de Inspectie van Financiën akkoord gaat met het feit dat de bepalingen niet in het ontwerp van decreet staan. In het Comptabiliteitsdecreet werd die rol beperkt, in die zes bepalingen die u net hebt opgesomd. In het Rekendecreet bewaren wij de huidige rol van de Inspectie van Financiën. We willen die dus zeker niet wijzigen of beperken, wat het amendement volgens mij wel zou doen. Het feit dat de Inspectie van Financiën ons duidelijk heeft gezegd dat ze ermee akkoord gaat om de bepalingen niet in het ontwerp van decreet op te nemen, lijkt mij daar een bewijs van te zijn.

Mijnheer Van Mechelen, als u zegt dat u het democratische debat gefnuikt ziet na de veelvuldige discussies die we hierover hebben gehad in de commissie, de weken die we daarover hebben gediscussieerd in de commissie en het feit dat we die discussie hier vandaag opnieuw ten volle aangaan, en als u op die manier reageert als er een opmerking wordt gemaakt, doet u de waarheid geweld aan. Zoals u zelf zegt: de toekomst zal uitwijzen wie hier gelijk heeft.

Dirk Van Mechelen

Het fundamentele verschil in aanpak zit in het feit dat in het nieuwe decreet de regering zal bepalen wat de rol van de Inspectie van Financiën is, terwijl in het oorspronkelijke Comptabiliteitsdecreet het parlement dat vastlegde en betonneerde en alle rechten en plichten van de inspectie vrijwaarde. Daarvoor heb je geen akkoord nodig tussen regering en inspectie, maar wel een machtiging van het parlement.

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Voorzitter, heren ministers, collega’s, het belang van dit ontwerp van Rekendecreet voor de goede werking van de Vlaamse overheid kan moeilijk worden overschat. Dit ontwerp van decreet vormt immers het cruciale sluitstuk van de grondige bestuurlijke hervormingen die onder de noemer ‘Beter Bestuurlijk Beleid’ (BBB) sinds 2006 werden doorgevoerd binnen de Vlaamse overheid.

In het kader van BBB werd aan de diverse intern en extern verzelfstandigde agentschappen de nodige uitvoeringsautonomie verschaft in functie van de vooropgestelde politieke prioriteiten, of het zogenaamde primaat van de politiek. Met dit ontwerp van Rekendecreet worden binnen de verschillende Vlaamse departementen en agentschappen de belangrijke principes van het voeren van een kostenanalytische boekhouding en een prestatiebegroting effectief mogelijk gemaakt.

Wij hebben, collega’s, op basis van de adviezen van het Rekenhof en de SERV in de commissie een aantal amendementen aangebracht op het oorspronkelijke ontwerp van decreet, zodat het nieuwe Rekendecreet nog beter aan de behoeften en verwachtingen kan voldoen. De bespreking in de commissie en het advies van het Rekenhof hebben daarnaast ook aanleiding gegeven tot een afzonderlijk decreet met betrekking tot het toezicht van het Rekenhof op grote infrastructuurwerken.

Er wordt in het advies van het Rekenhof vaak verwezen naar het Comptabiliteitsdecreet, dat reeds in 2004 werd goedgekeurd door dit parlement, maar naderhand nooit in werking is getreden. Het Rekenhof vroeg daarover terecht de nodige tekst en uitleg.

De eerlijkheid gebiedt ons in dit verband te onderkennen dat een aantal van de initiële principes van Beter Bestuurlijk Beleid van 2004 anno 2011 niet volledig werden uitgevoerd.

We kunnen in dit verband discussiëren over de opportuniteit van de beslissingen die sinds 2004 zijn genomen, bijvoorbeeld over de keuze van rechtsvorm voor bepaalde entiteiten van de Vlaamse overheid, of over het onderscheid dat op een aantal punten is blijven bestaan tussen de ministeries en rechtspersonen, en we kunnen hierbij telkens de afweging maken tussen de voor- en nadelen en de bijkomende administratieve belasting die deze keuzes voor de betrokken entiteiten met zich meebrengen. Deze bekommernis voor de bijkomende administratieve belasting van de betrokken entiteiten wordt trouwens ook expliciet vermeld in het SERV-advies. Los van deze mogelijke inhoudelijke discussie over de beslissingen en de concrete uitrol van BBB is de realiteit vandaag in elk geval dat het landschap van de Vlaamse ministeries en rechtspersonen sinds 2004 de facto is geëvolueerd tot de situatie zoals we haar vandaag kennen. Je kunt daar in mindere of meerdere mate gelukkig of ongelukkig over zijn, maar misschien is enige biodiversiteit, ook binnen de Vlaamse overheid, niet noodzakelijk een slechte zaak.

Het ontwerp van Rekendecreet dat voorligt, getuigt van een grote ambitie. Met dit nieuwe decreet wordt immers de grondslag gelegd van een modern financieel management binnen de Vlaamse overheid. Tegelijk getuigt dit ontwerp van decreet ook van de nodige realiteitszin en van de overtuiging dat het aangewezen is stapsgewijs en op meerdere fronten tegelijk te werken om binnen de diverse Vlaamse beleidsdomeinen finaal tot de best mogelijke afstemming te komen van de financiële cyclus met de beleids- en beheerscyclus. Zo wordt het op termijn mogelijk om de diverse kostenplaatsen via een analytische boekhouding te koppelen aan de prestatie-indicatoren van de beheersovereenkomsten, waarover vervolgens a posteriori kan worden gerapporteerd.

Zoals door de Vlaamse Regering wordt aangegeven in de synoptische tabel met betrekking tot het SERV-advies, die in de commissie werd verspreid en besproken, is uit buitenlandse ervaring gebleken dat een a-priori-koppeling tussen de diverse kostenplaatsen en de prestatie-indicatoren, zoals dit initieel voorzien in het Comptabiliteitsdecreet, in de praktijk niet werkbaar is. Op basis van de consolidatie van deze rapportering per entiteit is op termijn ook de koppeling met de beleidseffecten op het niveau van het beleidsdomein mogelijk. En eenmaal in dit laatste stadium is de volledige integratie van de begrotings-, beheers- en beleidscyclus effectief een feit.

Maar, collega’s, laten we niet proberen te lopen vooraleer we kunnen stappen. We leggen met dit Rekendecreet in de eerste plaats de noodzakelijke basis om vanuit de Vlaamse ministeries en rechtspersonen de belangrijke principes van het prestatiemanagement, de koppeling met strategische en operationele doelstellingen, en de integratie van de drie cycli – begroting, beheer, beleid – naderhand effectief in de praktijk te kunnen brengen. Als deze basis eenmaal is gelegd, is het mogelijk om bij de Vlaamse overheid de principes van een modern financieel management te verankeren en te stimuleren.

Om hierbij te garanderen dat het Vlaams Parlement in de toekomst in het kader van de jaarlijkse opmaak van de begroting voldoende transparant geïnformeerd zal worden, hebben we een concreet amendement ingediend bij artikel 14, met name het amendement dat in dit verband werd voorgesteld door het Rekenhof en dat stelt dat “de memorie van toelichting bij de jaarlijkse begroting per programma informatie bevat over de koppeling met de strategische doelstellingen uit de beleidsnota en de beheersovereenkomsten”. We kiezen dus bewust voor een pragmatische, stapsgewijze en dus realistische benadering. Vanuit deze benadering is het ook aangewezen om deze principes niet rechtstreeks in het Rekendecreet zelf op te nemen, aangezien we dan het risico lopen dat dit decreet nooit of pas met veel vertraging tot effectieve uitvoering zal komen, zoals het geval was met het Comptabiliteitsdecreet.

Kortom, het nieuwe Rekendecreet is op zichzelf niet zaligmakend voor een optimaal financieel beheer en opvolging van de beleids- en begrotingscyclus binnen de overheid. De nodige bescheidenheid is dus op zijn plaats. Anderzijds is de N-VA er rotsvast van overtuigd dat we met dit nieuwe Rekendecreet een cruciale basis leggen om dit ideaalbeeld naderhand effectief in de praktijk te kunnen brengen. We rekenen er dan ook op dat, als dit ontwerp van Rekendecreet vandaag wordt goedgekeurd in het Vlaams Parlement, de huidige Vlaamse Regering er vervolgens ook effectief uitvoering aan zal geven via de nodige uitvoeringsbesluiten.

Collega’s, ik wil nog een reactie geven met betrekking tot de adviezen van het Rekenhof, de SERV en de Commissie Efficiënte en Effectieve Overheid, onder meer over de controleperimeter van het Rekenhof zoals die daarjuist is gesteld. De adviezen die het Rekenhof, de SERV en de Commissie Efficiënte en Effectieve Overheid ons bezorgd hebben over dit ontwerp van Rekendecreet, worden echt wel geapprecieerd. We hebben met de SERV en het Rekenhof immers sinds geruime tijd een erg constructieve en vruchtbare samenwerking opgebouwd wat de opvolging van Vlaamse begrotingen en rekeningen betreft. We hopen dat deze samenwerking in de toekomst ook na de invoering van dit nieuwe Rekendecreet, zo goed zal blijven.

Zowel het Rekenhof als de SERV hebben dit nieuwe Rekendecreet grondig gescreend in al zijn mogelijke consequenties, waarvoor ik mijn uitdrukkelijke dank wil uitspreken. Ik denk bijvoorbeeld aan de discussie over de reikwijdte van de controleperimeter van het Rekenhof. Het is een technische discussie. Ik zal trachten mijn redenering ter zake te ontwikkelen.

In dit verband hebben we zorgvuldig de voor- en nadelen afgewogen van de piste om een aantal bepalingen uit het initiële Comptabiliteitsdecreet letterlijk over te nemen in het nieuwe Rekendecreet vanuit de wetenschap dat deze initiële bepalingen soms gestoeld zijn op principes en een realiteit die inmiddels in de praktijk achterhaald is. Of we dat nu graag hebben of niet, vandaag worden we binnen de Vlaamse overheid tot op zekere – zij het beperkte – hoogte geconfronteerd met nieuwe en oude rechtsvormen die naast elkaar bestaan.

Wat de controleperimeter van het Rekenhof betreft, is het vooral van belang dat we op dit vlak hetzelfde uitgangspunt en dezelfde principes delen, en deze zo goed als mogelijk trachten te operationaliseren in dit nieuwe Rekendecreet. De afbakening en operationalisering van de controleperimeter die in dit nieuwe Rekendecreet wordt voorgesteld, is immers niet meer of minder dan een poging om binnen deze soms uiteenlopende realiteit de controle van het Rekenhof en van dit Vlaams Parlement zo exhaustief mogelijk te maken.

Zo is het Rekendecreet ten volle van toepassing op de Vlaamse ministeries, de diensten met afzonderlijk beheer (DAB’s) en de intern verzelfstandigde agentschappen (IVA’s) met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen (EVA’s) van publiek recht, de Vlaamse openbare instellingen (VOI’s), de strategische adviesraden en eigen vermogens, en is het Rekendecreet ook gedeeltelijk, wat de rapporteringsplicht en toezichtsbepaling betreft, van toepassing op de andere rechtspersonen met ESR-code 13.12 zoals BAM, Lijninvest, de K.U.Leuven, het Vlaams Pensioenfonds. Die andere rechtspersonen worden jaarlijks opgelijst in het begrotingsdecreet, in de bepaling in artikel 4, paragraaf 3. In artikel 63 van het ontwerp van Rekendecreet wordt ook bepaald dat het Rekenhof bevoegd is ten opzichte van instellingen en rechtspersonen die onder het Rekendecreet vallen, zoals bepaald in artikel 4, paragraaf 1 en 2, alsook ten opzichte van EVA’s van privaat recht, bijvoorbeeld Jobpunt Vlaanderen of de ParticipatieMaatschappij Vlaanderen (PMV).

Een tweede belangrijke bekommernis die aan de basis ligt van het uitvoerige debat dat we de voorbije maanden in de commissie gevoerd hebben over de afbakening van de controleperimeter van het Rekenhof in het ontwerp van Rekendecreet, is de bekommernis met betrekking tot de zogenaamde ESR-neutraliteit van de uitvoering van een aantal grote infrastructuurwerken in Vlaanderen. Meer bepaald met de mogelijkheid om deze grote infrastructuurwerken te kunnen uitvoeren zonder dat dit beslag legt op het ESR-vorderingssaldo van de Vlaamse overheid.

Deze bekommernis heeft met andere woorden te maken met de mogelijkheid om deze grote infrastructuurwerken te realiseren buiten de Vlaamse begroting. Indien deze zogenaamde ESR-neutraliteit niet gegarandeerd is, komt de effectieve realisatie van deze grote infrastructuurwerken meteen ernstig in het gedrang, en dan druk ik mij nog zacht uit. Gelet op de ambitieuze begrotingsdoelstelling die we onszelf hebben opgelegd in deze legislatuur – met name een Vlaamse begroting in evenwicht vanaf 2011 – zouden vragen over de ESR-neutraliteit ervan allicht het feitelijke doodsvonnis betekenen voor de betrokken grote infrastructuurwerken.

Dirk Van Mechelen

Mijnheer Van Dijck, u hebt de perimeter van het toezicht van het Rekenhof anders gedefinieerd in het nieuwe ontwerp van Rekendecreet om discussies over de ESR-neutraliteit van constructies zoals BAM – en bij uitbreiding de Liefkenshoektunnel – te voorkomen. Waarom komt er dan toch een voorstel van decreet dat juist het toezicht van het Rekenhof op een constructie als de Liefkenshoektunnel regelt?

Ik verwijs daarvoor naar de woorden van Ignace Desomer, voorzitter van het Rekenhof. Hij stelde dat het toezicht an sich van het Rekenhof op een instelling zoals BAM of de nv Tunnel Liefkenshoektunnel de ESR-neutraliteit niet in het gedrang bracht. Maar ik vrees – dat zou interessant studiewerk kunnen zijn voor een instelling als de Nationale Bank – dat we moeten onderzoeken waarom BAM dan toch wel werd geherkwalificeerd als behorend tot de consolidatiekring van de Vlaamse overheid.

Dat gebeurde ooit ook voor De Lijn op het moment dat die haar terugverdieneffecten fel zag dalen. De return van de reizigers daalde onder de 25 procent waardoor beslist werd dat De Lijn bij de consolidatiekring van de Vlaamse overheid moest worden gerekend. Dat had ontzettend veel repercussies op de investeringsplannen van De Lijn inzake rollend materieel en nieuwe tramlijnen. Dat had een enorme impact, maar dat is niet het geval bij BAM die met een eigen vermogen van 822 miljoen euro werkt.

Waarom werd de ESR-neutraliteit dan opgeheven en de consolidatie doorgevoerd? Dat gebeurde volgens mij niet omwille van het toezicht door het Rekenhof, maar omwille van het politieke debat en de inmenging in het dagelijks bestuur en de werking van BAM. Ik neem aan dat we die vraag aan de Nationale Bank moeten stellen. (Opmerkingen van de heer Kris Van Dijck)

Ik heb natuurlijk een volgende vraag. Als u morgen, bij parlementaire beslissing, aan het Rekenhof het toezicht verleent op de nv Tunnel Liefkenshoek, die eventueel de nieuwe Oosterweelverbinding met tunnels zou bouwen, waar zit dan het verschil met de oude mogelijkheid die wel aanvaard was en de nieuwe constructie die u opzet?

Mijnheer Van Mechelen, ik moet – of kan, laat dat duidelijk zijn – geen antwoord geven op uw pertinente vraag.

Het ontwerp van Rekendecreet is minstens even duidelijk als het Comptabiliteitsdecreet in zijn interpretatie van het betrokken artikel van de Algemenebepalingenwet over de bevoegdheid van het Rekenhof. U vindt van niet, mijnheer Van Mechelen, ik vind van wel. Het Rekenhof is bevoegd voor alle openbare instellingen die worden opgericht door de overheid, dit zijn de nominatim opgesomde instellingen van artikel 4, paragraaf 1, in het ontwerp van Rekendecreet, waaronder de EVA’s van publiek recht, plus de EVA’s van privaat recht via artikel 63, alsook voor alle andere die ervan afhangen.

Het Comptabiliteitsdecreet heeft de controlebevoegdheid van het Rekenhof beperkt tot de instellingen die aan een aantal specifieke, niet in de Algemenebepalingenwet opgenomen, criteria beantwoorden. Zo is het Rekenhof, met uitzondering van de IVA’s en de EVA’s, enkel bevoegd voor instellingen met rechtspersoonlijkheid. Bovendien is een significante financiële of beheersmatige band tussen de Vlaamse overheid en de instellingen een vereiste.

We zouden de initiële bepalingen van artikel 3, paragraaf 2, van het Comptabiliteitsdecreet opnieuw kunnen opnemen. Dit zou volgens ons echter geen oplossing bieden voor de ESR-instellingen van het type 11 of het type 12. Die instellingen, zoals de nv Liefkenshoektunnel, zijn niet door de Vlaamse overheid opgericht.

Zoals al eerder is gesteld, voorziet het Rekenhof nu in de controle van door de Vlaamse overheid opgerichte instellingen van de ESR-types 11, 12 en 13. Indien we het als Vlaams Parlement opportuun vinden hiernaast ook marktproducenten die niet door de Vlaamse overheid zijn opgericht en buiten de ESR-consolidatiekring vallen, zoals de nv Liefkenshoektunnel, aan de controlebevoegdheid van het Rekenhof te onderwerpen, kunnen we dat dan ook het best door middel van afzonderlijke decretale regelingen doen. Dat is de weg die we nu bewandelen.

Op de vraag of we nuttig achten dat dergelijke instellingen worden gecontroleerd, antwoorden we volmondig ja. Er is immers enorm veel overheidsgeld mee gemoeid. Bovendien vervullen die instellingen een publieke rol. Ze zijn noodzakelijk voor de toekomst. Om die reden willen we deze leemte met een bijkomend decreet invullen.

We zullen het voorliggend ontwerp van decreet in elk geval met veel overtuiging goedkeuren, zodat het spoedig op een correcte manier kan worden geïmplementeerd. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Vereeck heeft het woord.

Lode Vereeck

Voorzitter, voor mij is het ontwerp van Rekendecreet een dossier dat stinkt. We hebben voorgesteld op een heel logische manier in te gaan op de door het Rekenhof en door de Raad van State geformuleerde bekommernissen. We hebben hier echt geen afdoend antwoord op gekregen. Ook in de technische uitleg die het kabinet van minister Muyters zo fantastisch heeft voorbereid en die de heer Van Dijck net heeft voorgelezen, vind ik onvoldoende argumenten terug.

Mijnheer van Diepenbeek, ik wil kort melden dat onze fractie ook medewerkers telt waarmee ik een dergelijke uitleg samen kan opstellen. Ere wie ere toekomt. Dit is niet van het kabinet afkomstig. (Gelach)

Lode Vereeck

Mijnheer van Dessel, het verschil is dat zoiets er, in tegenstelling tot bij u, bij mij spontaan uitkomt.

De beleidsnota van de minister is met betrekking tot dit decreet zeer ambitieus. We hebben in de commissie Financiën de appreciatie van drie instellingen, het Rekenhof, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de Commissie Efficiënte en Effectieve Overheid, gehoord. Het is duidelijk dat niet iedereen van mening is dat de ambities die in de beleidsnota naar voren zijn geschoven in het voorliggende ontwerp van decreet hun weerslag vinden.

Het ontwerp van Rekendecreet stelt bijvoorbeeld in het advies met betrekking tot het ontwerp van decreet: “Uit de bepalingen van het ontwerp blijkt dat de aangekondigde intenties van de minister niet volledig zijn gerealiseerd.”

Dat is terecht. Ik ga op twee punten concreter in. Mijnheer Tack had deels gelijk. Het feit dat het Comptabiliteitsdecreet hier acht jaar geleden is goedgekeurd en nooit een uitvoering heeft gekregen, is niet de verantwoordelijkheid van minister Muyters. Het feit dat hij met een nieuw ontwerp van decreet komt, wil niet zeggen dat hij die ambities, die oorspronkelijk in het Comptabiliteitsdecreet en het Rekendecreet stonden, er niet in moet zetten.

Ik verklaar me nader. Er zijn misschien goede redenen om te zeggen dat we niet verder gaan met de prestatiebegroting, maar ik kan alleen maar concluderen dat u in uw beleidsnota oorspronkelijk die ambitie had. Of niet?

Natuurlijk heb ik die ambitie. Met dit ontwerp van Rekendecreet heb ik geprobeerd de eerste stap te zetten in iets wat in het Comptabiliteitsdecreet niet kon worden gerealiseerd. Volgens de algemene bepalingen moeten we tegen 2012 een aantal bepalingen opnemen. De bepalingen die nu in het Rekendecreet staan, zijn het minimum dat moest worden opgenomen. Ik probeer dat nu snel en realistisch uit te voeren, als eerste stap in wat een prestatiebegroting moet uitwerken.

De ambitie blijft dus, maar we hebben een deadline op 1 januari 2012.

Lode Vereeck

Minister, het is dan toch jammer dat we die ambitie nog niet vertaald zien in dit ontwerp van Rekendecreet. Samen met mij zeggen ook de SERV en het Rekenhof dat. Het Rekenhof zegt dat er in dit ontwerp van decreet weinig te vinden is van de decretale bepalingen om naar een prestatiebegroting te gaan. Ook de SERV zegt dat. De intenties met betrekking tot de prestatiebegroting zijn slechts in beperkte mate terug te brengen in de decretale bepalingen.

Het Rekenhof stelt dat de koppeling met output- en outcome-indicatoren er voorlopig niet komt. De voorwaarden voor een prestatiebegroting zijn alsnog niet vervuld. Dat is een gemiste kans. We lopen dan toch het risico dat, tegen dat er een structurele norm zal zijn, het bijna niet meer de moeite is om ermee aan de slag te gaan. Dat is een eerste kritiek, die kamerbreed wordt gedragen. U zegt dat het er komt tegen 2012, maar ik vind het jammer dat de decretale basis hiervoor vandaag niet wordt gelegd.

Dan gaat het over het meest cruciale punt, de controlebevoegdheid van het Rekenhof. Dat is het grootste punt van ongenoegen en discussie in de commissie en vandaag opnieuw. Met dit ontwerp van Rekendecreet lopen we het risico dat de controlebevoegdheid van het Rekenhof wordt ingeperkt. Dit is een cruciale discussie omdat het Rekenhof nog altijd ons parlementair controle-instrument is voor het beleid en de uitgaven van de regering. De weg die de regering hier bewandelt, is geen goede weg.

Het probleem zit in het beruchte artikel 63 van het ontwerp van decreet, dat bepaalt dat het Rekenhof bevoegd is ten aanzien van de Vlaamse ministeries en de diensten met afzonderlijk beheer, de Vlaamse rechtspersonen vermeld in artikel 4, paragraaf 1, tweede lid en paragraaf 2, en de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen.

In ieder geval is het belangrijk dat dit ontwerp van decreet een limitatieve opsomming geeft van de instellingen die door het Rekenhof kunnen worden gecontroleerd. Ten gevolge van artikel 63, paragraaf 1, vallen een aantal instellingen die tot vandaag wel door het Rekenhof kunnen worden gecontroleerd, buiten de controlebevoegdheid van het Rekenhof. Vandaar dat de meerderheid met het reparatiedecreet-Peumans op de proppen is gekomen.

Bovendien is er de discussie of de werkwijze die jaren geleden in het Comptabiliteitsdecreet is vastgelegd, geen oplossing biedt voor de problemen die zich met het huidige ontwerp van Rekendecreet voordoen. Op dat punt verschillen wij van mening. In elk geval is het zo dat in het Comptabiliteitsdecreet de limitatieve opsomming niet stond, en dat dit in het Rekendecreet wel het geval is.

Het Comptabiliteitsdecreet is in 2004 hier in het Vlaams Parlement unaniem goedgekeurd. In 2004 bezorgde de Raad van State een advies waarin op geen enkel moment gewag wordt gemaakt van grondwettelijke of andere problemen over de omschrijving van de bevoegdheden van het Rekenhof. In het Comptabiliteitsdecreet zijn dus criteria vastgelegd op basis waarvan het Rekenhof op een objectieve wijze kan vaststellen over welke instellingen het een controlebevoegdheid heeft en ook dat, wanneer die controlebevoegdheid niet expliciet is geregeld, het beruchte artikel 3, paragraaf 3, waarin geen limitatieve afbakening staat, geldt.

Dit ontwerp van decreet doet dat wel. Het zorgt voor een inperking van de controlebevoegdheid door niet langer in die criteria te voorzien. Wij hebben al herhaaldelijk gehoord dat het Rekenhof zelf hier forse kritiek op had. Dat kan ons niet verwonderen, want die mensen strijden voor hun eigen bevoegdheden. Dat is eens te meer zo omdat van bij het begin de argumentatie van de regering en de meerderheid geen steek hield. Dat is in de commissie duidelijk gebleken. En als ik de heer Van Dijck goed heb begrepen, houdt hij aan die argumentatie vast: de controlebevoegdheid van het Rekenhof zal een invloed hebben op de ESR-classificatie. Dat is een bezorgdheid die in zijn woorden doorklinkt.

De voorzitter

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen

U verwijst opnieuw naar het advies van de Raad van State. Hebt u dat advies, en dan vooral het punt waarin de Raad van State verwijst naar een grondwetsartikel, al eens getoetst aan het bestaande wettelijke kader en aan de bestaande praktijk van het Rekenhof. Het is mijn stelling dat niet de regering het Rekenhof aan banden wil leggen, maar dat de Raad van State in zijn advies de werking van het Rekenhof inperkt.

Lode Vereeck

Ik ga uw vraag niet uit de weg: straks bespreek ik het advies en zal ik daar proberen op in te gaan. In elk geval is het advies van de Raad van State geen eenvoudig advies en er zal zeker nog over worden gebakkeleid. Ik kom er nog op terug.

De ESR-classificatie kunnen wij nu wel afsluiten. Het Rekenhof heeft duidelijk gezegd dat zijn controle geen rol speelt in de ESR-classificatie van eenheden in de overheidssector, onder meer omdat het toezicht achteraf gebeurt en geen uiting is van zeggenschap van de overheid in de betrokken eenheid.

Een ESR-neutrale nv Tunnel Liefkenshoek betekent niet dat Rekenhofcontrole moet worden ingeperkt, zoals blijkt uit de organisatie van Rekenhofcontrole op andere instellingen die tot dezelfde ESR-categorie behoren. Er werd in de commissie dan bijvoorbeeld verwezen naar PMV. Dit wordt bevestigd door de Juridische Dienst van het Vlaams Parlement, in een memo aan het Vlaams Parlement: “Volgens de ESR-methodiek is de controle van een openbare instelling door het Rekenhof geen criterium ter beoordeling van de vraag of die instelling tot de ESR-consolidatiekring van de overheid behoort.”

En dan heel specifiek: “Het al dan niet onderwerpen van de nv Tunnel Liefkenshoek aan de controle van het Rekenhof heeft geen invloed op de ESR-neutraliteit van de instelling.”

Gezien de limitatieve lijst van te controleren instellingen is er dus een amendement gekomen. Het is een cruciale discussie. Het Rekenhof speelt een cruciale rol in de ondersteuning van de parlementaire controle. We mogen niet lichtzinnig omgaan met het ontwerp van decreet en het voorstel van decreet, want die dreigen de controlebevoegdheid van het Rekenhof in te perken.

Kijk naar de nv Liefkenshoek. Het Vlaamse Gewest is daar via de nv BAM voor 100 procent aandeelhouder in. Het gaat om belastinggeld voor projecten met een grote maatschappelijke impact. Ik denk niet dat de voorzitter van dit parlement, rekening houdend met zijn verleden als parlementslid die zich toespitste op de controle van BAM en nu in extenso Liefkenshoek, een grote voorstander kan zijn van het onttrekken van de controle op de nv Liefkenshoek aan het Rekenhof en het Vlaams Parlement. Ik denk ook niet dat dat wenselijk is. Vandaar ook waarschijnlijk dat de voorzitter dit amendement, dat zijn naam draagt, heeft ingediend.

We hebben meteen vanuit de oppositie een ander amendement ingediend op het ontwerp van Rekendecreet, dat eigenlijk het hernemen is van artikel 3, paragraaf 3, van het Comptabiliteitsdecreet. Waarom doen we dat? In eerste instantie omdat het Rekenhof ons erop gewezen heeft dat er met de oorspronkelijke omschrijving uit het Comptabiliteitsdecreet geen kans is op problemen en met het ontwerp van Rekendecreet wel. Ik citeer uit het advies: “Zo wordt vermeden dat sommige openbare instellingen, al dan niet bewust, aan de controle van het Rekenhof worden onttrokken.”

Uit de memorie van toelichting bij het Comptabiliteitsdecreet blijkt dat de criteria onder meer de ontwijking van Rekenhofcontrole door filialisering, zijnde de creatie van dochtervennootschappen, moet tegengaan. Het amendement zoals wij dat vanuit de oppositie hebben voorgesteld, beoogt dus helemaal geen uitbreiding van de controlebevoegdheden van het Rekenhof, enkel het behoud ervan.

Ik ben nog altijd verbaasd dat er zo veel weerstand is geweest tegen dit amendement, tegen het recycleren van artikel 3, paragraaf 3, van het Comptabiliteitsdecreet. Ik heb daarvoor tot op vandaag geen degelijke uitleg gekregen, behalve dat er een vermoeden bestaat dat artikel 3, paragraaf 3, wel eens die Grondwetstoets niet zou doorstaan. Zo begrijp ik de opmerkingen van de heren Van Dijck en Van Malderen. Op basis van de informatie die wij nu hebben – en dan verwijs ik opnieuw naar het advies van de Raad van State uit 2004 –, denk ik eerlijk gezegd dat daar geen problemen zijn.

De voorzitter

De heer de Kort heeft het woord.

Dirk de Kort

Mijnheer Vereeck, u ging verduidelijking geven op de vraag van de heer Van Malderen. Dat is tot nu toe niet gebeurd. U maakt hem wel een verwijt. Ik zit er ook wel wat op te wachten. Vorige keer hebt u er hier in de plenaire vergadering met heel veel plezier, samen met de heer Penris, op aangedrongen dat er een advies zou worden gevraagd aan de Raad van State op het voorstel van decreet-Peumans. Ik heb de indruk dat de oppositie zichzelf in de voet heeft geschoten met dat advies van de Raad van State.

Het is vanuit de meerderheid heel duidelijk dat we steeds voorstander zijn van controle door het Rekenhof, ook als dat gebeurt door een privaatrechtelijke vennootschap, die belangrijke en grote infrastructuurwerken doet, namens de Vlaamse overheid.

Dat is nog iets anders dan de ESR-consolidatie. Als dat effectief zou gebeuren, ook als alles in de toekomst zou worden ondergebracht in de nv Liefkenshoektunnel, hebben we een probleem van financiering van de grote infrastructuurwerken.

De voorzitter

De heer Van Rompuy heeft het woord.

Eric Van Rompuy

U hebt dat advies van de Raad van State gevraagd, mijnheer Vereeck. Als je dat grondig leest, gaat het over de controle door het Rekenhof op privaatrechtelijke vennootschappen, die worden betrokken bij de realisatie van grote publieke infrastructuurwerken.

In dat advies wordt verwezen naar vroegere jurisprudentie van de afdeling Wetgeving. Die heeft gesteld dat de uitbreiding van de bevoegdheden van het Rekenhof tot controle van privévennootschappen waarin “de Staat, de N.I.M., G.I.M.V., (..) G.O.M.’s of hun filialen een gedeelte van het maatschappelijk kapitaal bezitten of van instellingen, verenigingen of rechtspersonen die subsidies ten laste van de rijksgelden ontvangen, niet in overeenstemming is met artikel 180 (...).” Men stelt dus dat controle door het Rekenhof niet mogelijk is. U vraagt dit op te lossen. De heer Van Mechelen heeft dat ook al een paar maal gezegd. Lost het inschuiven van de bepalingen van artikel 3, paragraaf 3, uit het Comptabiliteitsdecreet in artikel 63 het probleem op voor ESR-instellingen van het ESR-type 11 of 12 die niet door de Vlaamse overheid zijn opgericht, zoals dat het geval is met de Liefkenshoektunnel? Dat is de kern van de zaak.

Ik heb het amendement van het Vlaams Belang gezien. Zij willen terugkeren tot wat ze de open definitie noemen, tot wat ze de passé-partoutdefinitie van het Comptabiliteitsdecreet zouden willen noemen. Lost dat dit probleem op? Het antwoord daarop is neen. Als men artikel 63 van het ontwerp van Rekendecreet vervangt door artikel 3, paragraaf 3, uit het Comptabiliteitsdecreet, komt men uiteindelijk uit op dezelfde instellingen die we nu in een vaste en open lijst aflijnen. We zouden zelfs kunnen beweren dat de lijst van het ontwerp van Rekendecreet breder is dan de strikte toepassing van de definitie van het Comptabiliteitsdecreet.

Juristen zeggen me het volgende. Er is sprake van drie cumulatief te vervullen voorwaarden die instellingen moeten vervullen, wil men de controle door het Rekenhof kunnen bekijken. Er is de rechtspersoonlijkheid. Dat klopt. Maar de instelling moet ook tot stand zijn gebracht om te voorzien in een behoefte van algemeen belang. Zonder rechtspersoonlijkheid moet de instelling door de Vlaamse Gemeenschap als een dienst van algemeen bestuur zijn georganiseerd. Daar valt de nv Liefkenshoektunnel absoluut niet onder. Een laatste voorwaarde is dat de Vlaamse Gemeenschap ofwel de werkzaamheden hoofdzakelijk rechtstreeks of onrechtstreeks financiert, ofwel toezicht uitoefent op het beheer, ofwel meer dan de helft van de raad van bestuur of de directie heeft benoemd. Ook aan deze voorwaarde is niet voldaan als het gaat over de nv Liefkenshoektunnel.

Daarom hebben wij de moed gehad om met een afzonderlijk voorstel van decreet de bevoegdheid van het Rekenhof op dat vlak mogelijk te maken, waar dat absoluut niet mogelijk was, zelfs niet met het amendement dat u zou hebben ingediend. De Raad van State heeft ons dan teruggefloten. Het gaat over de grond van de zaak. Ze aanvaarden dit niet als het gaat over privaatrechtelijke instellingen en vennootschappen.

Ook in het verleden zijn dergelijke adviezen gegeven. We hebben dat jaren geleden, in 1993-1995, ook meegemaakt, met de discussie over de Kempische Steenkoolmijnen (KS). Herinnert u zich dat nog? Ik heb die discussies in het Vlaams Parlement ook nog meegemaakt. Daarnaar wordt verwezen. De voorzitter heeft het initiatief genomen om dat voorstel van decreet op te stellen om dat toezicht van het Rekenhof maximaal te garanderen, wat niet mogelijk was als artikel 63 wordt vervangen door artikel 3, paragraaf 3.

We kampen met een moeilijkheid. De Raad van State heeft het niet over ESR-kwalificaties of zo. Daarover gaat het niet. Over de grond van de zaak zegt de Raad van State echter dat het geen oplossing biedt. Voor ons is dit een probleem, omdat de bedoeling van het voorstel van decreet volledig anders is dan de rol die het ontwerp van Rekendecreet omschrijft voor de instellingen bedoeld door die decreettekst. In het ontwerp van Rekendecreet gaat het over de grondwettelijke taak van het Rekenhof, namelijk de rekeningencontrole. Voor ons gaat het in het voorstel van decreet om een doelmatigheidsaudit op verzoek van het parlement en ten behoeve van het parlement. Dat is natuurlijk niet de bedoeling van het ontwerp van Rekendecreet. Daarom hebben we een apart voorstel van decreet naar voren ingediend.

Maar we zijn gestoten op een soort van grondwettelijke bepaling. Het is de bedoeling om met dat initiatief een doelmatigheidsaudit te kunnen uitvoeren op verzoek van het parlement. Dat is de kern van de zaak. Nu de indruk geven dat wij met dat apart decreet proberen om het toezicht van het Rekenhof op die grote infrastructuurwerken te beletten, vind ik schandalig. Het is net het omgekeerde. We zijn veel verder willen gaan. De Raad van State heeft ook bevestigd dat we veel te ver gingen.

Ik ben ook minister van Economie geweest toen de GIMV nog volledig in handen van de overheid was. Toen was de discussie ook of het Rekenhof toezicht had op al die participaties van de GIMV. Ik denk bijvoorbeeld aan Lernout en Hauspie, waar het Rekenhof geen enkel zicht op had. De GIMV was er toen bijna volledig uit.

We kunnen hier vandaag na het advies van de Raad van State zeker niet stemmen over dit voorstel van decreet. We moeten dat opnieuw bekijken in de commissie.

We lossen het probleem niet op met het amendement van het Vlaams Belang, met al mijn sympathie voor de heer Tack. Ik weet niet of ook de heer Van Mechelen een amendement heeft ingediend. Dit lost het probleem echter totaal niet op. Het gaat om een bijzonder technische discussie. We zijn er nog niet uit hoe we dit kunnen oplossen. Dit nu echter in een partijpolitieke context plaatsen en beweren dat het parlement het Rekenhof wil boycotten, is gewoon grotesk.

Mijnheer Van Mechelen, wie is met al die constructies begonnen in 1999? Ik zat toen in de oppositie en wij hadden daar serieuze vragen bij. Uiteindelijk zijn die doorgevoerd onder druk van een Antwerpse lobby, ook in mijn partij. Ten tijde van de CVP gebeurde dat nog. Nu zitten we echter met al die problemen, mijnheer Van Mechelen. Uw dieperliggende motief is dat u graag zou hebben dat de hele BAM-constructie geen doorgang kan vinden en dat die binnen de begroting moet worden betaald. Uw persconferentie vorige week toonde dat duidelijk aan. Ik vind dat heel pervers. Ik vind dat beneden alle peil. (Applaus bij de meerderheid)

Dirk Van Mechelen

Ik zal proberen kalm te blijven. Over een pervers betoog gesproken.

Eric Van Rompuy

Wie is hier pervers geweest? U hebt hier gezegd dat dit decreet de democratie zal ondermijnen en het controlerecht van het parlement fnuikt. Dat hebt u gezegd.

Dirk Van Mechelen

Zou het storen als ik het woord nu heb? Dan kunt u rustig repliceren.

Eric Van Rompuy

Ik heb al de hele namiddag gezwegen.

De voorzitter

Wat voor u een prestatie is, mijnheer Van Rompuy. (Gelach)

Dirk Van Mechelen

Mijnheer Van Rompuy, u vergist zich over het statuut van de nv Liefkenshoektunnel. Na de overname in 1997 is de Vlaamse overheid bij mijn weten voor 100 procent aandeelhouder geworden van de nv Liefkenshoektunnel. Krachtens artikel 3, paragraaf 3, ten derde, C, was ze volledig bevoegd voor de aanstelling van de volledige raad van bestuur van de Liefkenshoektunnel. Ik verwijs daarvoor naar de talrijke beslissingen van de Vlaamse Regering waarbij deze haar bestuurders voordroeg.

Ik wil absoluut niet het debat aangaan waarin wij u zouden beschuldigen van het willen verhinderen van de controle op grote infrastructuurwerken. Ik zou zeggen: integendeel. Alleen gaat de discussie over het middel om dat doel te bereiken, daarover gaat de discussie nu al maanden. Wij zeggen daarbij dat het originele artikel 3, paragraaf 3, volledig voldoet als middel om het doel te bereiken, daar waar u met een afzonderlijk voorstel van decreet komt dat op een vernietigend advies van de Raad van State gestoten is, tot spijt van de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan.

Ik vind het een heel belangrijke verklaring van de voorzitter van de commissie van Financiën en Begroting. Het was misschien veel interessanter geweest om dit mee te delen bij het begin van de bespreking van zowel het ontwerp als van het voorstel, want ze zijn als een Siamese tweeling aan elkaar verbonden, dixit de woorden van de voorzitter op het moment dat de oppositie het advies heeft gevraagd van de Raad van State en de behandeling heeft uitgesteld van het ontwerp van decreet. Ik vind, voorzitter van de commissie Financiën, dat uw verklaring dat het voorstel van decreet teruggaat naar de commissie voor bespreking, een belangrijke verklaring en ik betreur het feit dat we dit niet wisten bij het begin van het debat. Ik heb er maandag op het Uitgebreid Bureau formeel naar gevraagd, maar ik heb geen antwoord gekregen. Houd uw intentieprocessen over wat ik denk en wat ik doe, voor uzelf.

Lode Vereeck

Ik moet me aansluiten bij wat de heer Van Mechelen net zei. Wij hebben op het Uitgebreid Bureau maandag verschillende keren gevraagd wat er ging gebeuren, of u met een amendement zou komen. We hebben natuurlijk dit advies van de Raad van State. Wat gaat u doen? Gaat u het intrekken? Het is nu dat we, al bijna voorbij de helft van de discussie en van het debat, moeten horen wat de intentie van de meerderheid is.

Laat me eerst even duidelijk zeggen, mijnheer de Kort en mijnheer Van Rompuy, wij vragen het advies van de Raad van State heel zeker op momenten dat wij het inhoudelijk niet eens zijn met de meerderheid. Neem nu bijvoorbeeld het dossier Cleantech of neem dit dossier of het ontwerp van Rekendecreet. Over al die dossiers verschillen we fundamenteel van mening. We zien ook wel dat er een aantal dingen niet kloppen, laat ons dan al minstens juridisch de puntjes op de i zetten. Ik kan leven met de uitspraak van de Raad van State, ook al geef ik toe dat het ook voor de oppositie geen eenvoudige uitspraak is, zeker niet het eerste lid waarin wordt verwezen naar artikel 180 van de Grondwet en waarbij wij niet één, twee, drie een pasklaar antwoord hebben, maar waarbij ik gewoon, vanuit de observaties die ik kan maken, aan u zeg dat wat het Comptabiliteitsdecreet betreft, er een advies is geweest van de Raad van State in 2004 en dat er op dat moment geen opmerkingen zijn gemaakt over artikel 3, paragraaf 3.

We hebben deze oefening nu gedaan, we zijn met het voorstel van decreet naar de Raad van State gegaan en het advies is vernietigend. Dat is een probleem. We vroegen ons binnen de oppositie af wat u nu zou doen. U kunt daar toch echt niet mee verder? En inderdaad, zoals wij het dossier begrijpen, is artikel 3, paragraaf 3 nog altijd de beste voorliggende optie. Als u nu denkt dat het de toets ook niet kan doorstaan, dan zou ik voorstellen om het amendement goed te keuren en om het advies van de Raad van State te vragen. Ik denk eerlijk gezegd dat we niet in de problemen zullen geraken omdat we dat advies in 2004 al hebben gehad en ondertussen heb ik geleerd dat een advies over een ontwerp waarover al een advies is gevraagd, niet zal worden gegeven.

Collega, in alle beperktheid van ons tegenvoorstel, denk ik eerlijk gezegd dat het voorstel dat de oppositie hier naar voren schuift, namelijk artikel 3, paragraaf 3, van het Comptabiliteitsdecreet, meer kans op slagen heeft dan het voorstel van decreet van de heer Peumans. Dat is een appreciatie en voorlopig geeft deze uitspraak ons hierin in ieder geval gelijk.

Bart Van Malderen

Collega, uw redenering is natuurlijk van een ondraaglijke lichtheid. U zegt: we zijn alle twee onzeker, stem dan voor het onze. Die redenering klopt langs geen kanten en gaat voorbij aan mijn vraag waar ik nu nog altijd geen antwoord op heb gekregen. Ook de heer de Kort heeft nogmaals aangedrongen. Het is eigenlijk de heer Van Rompuy die uw antwoord heeft gegeven of die heeft gezegd wat u had moeten antwoorden, met name dat als we het advies van de Raad van State volledig volgen, er dan ten opzichte van de huidige werking en het functioneren van het Rekenhof een beperking wordt opgelegd. Ik heb u daar niet horen op ingaan.

In uw antwoord gaat u ook voorbij aan het onderscheid dat de heer Van Rompuy net heeft gemaakt. Met het decreet inzake het toezicht op grote infrastructuurwerken beogen we een doelmatigheidstoets, wat een ander oogmerk is dan wat we in het Rekendecreet proberen te regelen. U zei dat het decreet stinkt, maar uw redenering is dan toch minstens onwelriekend. (Gelach)

Lode Vereeck

Dan zeg ik: nog liever onwelriekend dan stinkend.

Mijnheer Van Malderen, u haalt het tweede argument van de Raad van State aan, namelijk dat er een onnodige inperking is door het gewest. Daar zit het probleem veel minder dan in uw opmerking over artikel 180 van de Grondwet.

Voorzitter, het is sowieso een gemiste kans dat het reparatiedecreet niet integraal onderdeel uitmaakt van het ontwerp van decreet. Het Rekendecreet moet een basisdecreet zijn en in zekere zin ook de controle van het Rekenhof verankeren.

Het Rekenhof heeft gezegd dat de verzuchtingen van het Rekenhof door dat voorstel van decreet ten dele worden ingevuld, maar dat het nog altijd voorstander blijft van het intussen beroemde artikel 3, paragraaf 3, van het Comptabiliteitsdecreet.

We komen uiteindelijk bij het advies van de Raad van State. U weet dat er daar twee luiken aan zijn. Ten eerste is er de ongrondwettelijkheid die mogelijk ook op artikel 3, paragraaf 3, van het Comptabiliteitsdecreet zou kunnen slaan – theoretisch althans. Ik ben er eigenlijk zeker van dat dat niet zo is. Nogmaals, ik vermoed dat de Raad van State dat in het verleden ook al zou hebben aangegeven. Ten tweede is er de strijdigheid met de Algemenebepalingenwet van 2003. Daarin wordt gezegd dat de gemeenschappen en gewesten minstens even streng moeten zijn, wat dus duidelijk niet het geval was.

Ik had in mijn voorbereiding staan dat het logisch zou zijn dat de meerderheid het voorstel van decreet intrekt om daar in alle rust nog eens naar te kijken in de commissie. Dat was de inhoud van mijn betoog in het Uitgebreid Bureau van afgelopen maandag, maar ook van vorige maandag. Gezien de koppeling van het voorstel van decreet aan het ontwerp van decreet, wil ik voorstellen ook het ontwerp van decreet in te trekken. Anders zitten we nu – als het meerderheid tegen minderheid is – natuurlijk met een ontwerp van decreet, een Rekendecreet, dat de controle op instellingen zoals die voor grote infrastructuurwerken niet mogelijk maakt. De heer Van Rompuy deed verleden maand het zeer rationeel en logisch voorstel om de twee te koppelen. Ik zie geen enkele reden om die twee nu los te koppelen.

Dirk Van Mechelen

Collega’s, er is natuurlijk een alternatief, als zij amendement 46 mee goedkeuren.

Lode Vereeck

Inderdaad, dat is mijn volgend voorstel. Er een mogelijke oplossing, namelijk als we het gezamenlijke amendement 46 van Open Vld, LDD en Groen! nu goedkeuren. Dan zitten we namelijk met een tekst waarover de Raad van State in 2004 geen opmerking had.

Er is wel een opmerking over het voorstel van decreet-Peumans. We hebben al voldoende geciteerd wat de Raad van State daarover zegt. Artikel 3, paragraaf 3, van het Comptabiliteitsdecreet heeft – althans voorlopig – de toets van de Raad van State doorstaan.

Eric Van Rompuy

De meerderheid is van oordeel dat het advies van de Raad van State is wat het is. Ons decreet wordt terug naar de commissie verwezen. Wat het Rekendecreet betreft: het vervangen van artikel 63 door artikel 3, paragraaf 3, van het Comptabiliteitsdecreet lost niets op. Integendeel, als we de passe-partoutdefinitie van 2004 overnemen, zijn we nog verder van huis. We zullen in de commissie, na het reces, bekijken hoe we die problematiek kunnen aanpakken.

Maar ik wil er geen misverstand over laten bestaan. De meerderheid zal het ontwerp van Rekendecreet dat vandaag voorligt, goedkeuren. Een andere zaak is het voorstel-Peumans. We zullen dat in de commissie bekijken en zien in welke mate het amendeerbaar is of welke oplossing mogelijk is. Ik heb gezegd dat ze samen behandeld moeten worden. Dat is ook zo, maar het advies van de Raad van State is een nieuw element. We moeten dan ook in de commissie nagaan hoe we daarmee omgaan.

Lode Vereeck

Ondertussen keurt u dan een ontwerp van decreet goed zonder het voorstel-Peumans. Dat is terecht, denk ik, want het is ongrondwettelijk. Daardoor is het binnen de kortste keren niet meer mogelijk om controle uit te oefenen op die publieke infrastructuurwerken. Dan komen we natuurlijk in een vacuüm terecht. Ik pleit er dan ook voor om amendement 46 alsnog goed te keuren. Dan hebben we ten minste tijdelijk al een oplossing. We zullen dan verder wel zien hoe de Raad van State daarmee omgaat. (Applaus bij Open Vld, het Vlaams Belang en LDD)

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2010-11, nr. 842/7)

– De artikelen 1 tot en met 32 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement op artikel 33. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2010-11, nr. 842/8)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen 34 tot en met 62 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er zijn amendementen op artikel 63. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2010-11, nr. 842/8-9)

De stemmingen over de amendementen en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen 64 tot en met 86 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.