U bent hier

De voorzitter

De heer Gatz heeft het woord.

Sven Gatz

Voorzitter, collega’s, minister, mijn tijd loopt maar ik probeer enig gehoor te krijgen bij alle collega’s. Het gaat om een probleem dat ons allen aanbelangt, met name de telkens terugkerende inschrijvingsproblematiek in deze tijd van het jaar. Ik heb aan het eind van mijn betoog een specifieke vraag over de Brusselse situatie. Aangezien dit een debat is, wil ik een iets langere aanloop nemen. Ik wil het eerst hebben over het algemene inschrijvingsbeleid en het gelijkeonderwijskansendecreet, en daarna over de steden.

We kennen de wachtrijen. Ze komen elk jaar terug, en in toenemende mate. We proberen de onzekerheid van de ouders te beantwoorden en hun ongenoegen in bepaalde banen te leiden. Dat is niet gemakkelijk. In die zin wil ik alvast een oproep doen aan u, minister, om tegemoet te komen aan de vraag die bij alle fracties in de commissie Onderwijs leeft, en dus niet alleen bij de oppositie, om sneller een evaluatie te maken van enerzijds het Gelijkeonderwijskansendecreet en anderzijds de ermee samenhangende inschrijvingen. Een aantal pijnpunten kunnen we sneller verhelpen, zeker de veralgemeende invoering. Digitale inschrijving zou daartoe kunnen bijdragen.

Het is echter niet alleen een probleem met het Gelijkeonderwijskansendecreet in het algemeen. Er is ook een capaciteitsprobleem in de steden. Door de demografische groei neemt de druk op de scholen toe, vooral in de steden. Met het Gelijkeonderwijskansendecreet hebben we geprobeerd een soort rechtvaardigheidscriterium in te schrijven in het inschrijvingsbeleid. Daar zijn we grotendeels in geslaagd, maar er zijn altijd nadelen aan. Als iemand straks een beter idee heeft – dat er niet gewoon op neerkomt dat men dat afschaft, want dat is wat te eenvoudig – om die rechtvaardigheid die erop neerkomt dat elk kind kan worden ingeschreven in een school, via een decreet te verbeteren, dan mag hij of zij dat geven.

Minister, u hebt vorig jaar zeer kort op de bal gespeeld om de acute nood aan bijkomende plaatsen in Antwerpen te lenigen. Dat is goed. Er is toch 7 miljoen euro voor vrijgemaakt. Ondertussen zijn er echter ook andere steden waar het probleem nijpender wordt. Gent en Brussel zijn enigszins aan elkaar gewaagd, weliswaar met andere situaties, en ook Mechelen komt om de hoek kijken. Dat zijn de vier steden die met een acuut plaatstekort kampen. We moeten erover waken dat we van dat acuut tekort geen chronisch tekort maken.

In Brussel hebt u een overeenkomst gemaakt met minister Vanraes van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), net zoals u dat hebt gedaan met de lokale verantwoordelijken in Gent en Antwerpen. U zult samen bekijken hoe die problematiek het hoofd kan worden geboden. Eigenlijk hebt u gezegd dat het aan de lokale overheid is, dus in dit geval aan de VGC, om met een plan voor de dag te komen om dat tekort te kunnen wegwerken. Natuurlijk is dat tekort er vandaag. Dan hebben we het al snel over containerklassen. Dat is geen ideale oplossing, maar als dat moet, moet het. Er is echter ook het tekort dat op ons afkort en dat we allemaal kennen. Door de demografische evolutie in Brussel zullen we de eerstkomende vijf à tien jaar 15.000 bijkomende plaatsen moeten creëren. Doen we dat niet, dan doen we afstand van onze politieke verantwoordelijkheid, en dan zullen kinderen gewoon niet in een school terechtkunnen. Dat is absoluut geen optie. Die 15.000 plaatsen is een schatting die is gemaakt door demografen van alle universiteiten. Minister, we hebben u ervan proberen te overtuigen, en ik denk dat we daar grotendeels in zijn geslaagd, dat we aan Vlaamse zijde daarvan toch 20 procent voor onze rekening moeten nemen.

Minister Vanraes heeft al meerdere maanden een plan klaar waarin hij heel gedetailleerd campus per campus aangeeft hoe er de komende vijf à tien jaar 2700 à 3000 plaatsen kunnen worden gecreëerd. We wachten nu op uw initiatief om dat over te nemen. U hebt in een goed een-tweetje samengewerkt met Antwerpen. Dat zou nu ook in Brussel, Gent en zelfs in Mechelen moeten kunnen gebeuren. We wachten nu op het inschrijven van de nodige budgetten. De VGC heeft een budget. De Vlaamse Gemeenschap moet nu ook een budget kunnen vrijmaken. We wachten op een gezamenlijke implementatie van dat plan.

Ik zie dat u het hoofd schudt. U kunt niet zeggen: ik maak een overeenkomst met iemand, hij maakt het plan en hij moet het dan ook uitvoeren. De deal was dat het estafettestokje wordt doorgegeven. Als de eerste loper snel loopt en de tweede niet, dan staat niemand op het podium: hij niet, maar u al evenmin. U moet dus de gesloten contracten nakomen. Pacta sunt servanda: hij heeft zijn huiswerk gemaakt, nu is het aan u.

Ik kom tot mijn vraag, die wat technischer is. Nu wachten er een aantal ouders aan de schoolpoorten. Broertjes en zusjes hebben voorrang, net als de kinderen wier thuistaal het Nederlands is. We hebben daarover een discussie gehad in de commissie Onderwijs. De meerderheid heeft geprobeerd dat decretaal te verhelpen door te bepalen dat ouders die kunnen aantonen dat ze voldoende lang in het secundair onderwijs hebben gezeten en dergelijke meer, kunnen worden beschouwd als ouders met het Nederlands als thuistaal.

De oppositie heeft een alternatief voorstel gedaan. Wij hebben voorgesteld daar veeleer een weerlegbaar vermoeden van te maken. Iedereen kan immers zeggen dat hij een bepaalde thuistaal heeft, maar is dat in de praktijk wel zo? Nu stoten we op de praktijk waarbij een aantal ouders – misschien geen massa – in het Huis van het Nederlands een attest gaan halen dat bewijst dat ze Nederlandskundig zijn. Nederlandskundig zijn is echter niet hetzelfde als het Nederlands als thuistaal hebben. Voor mij zijn die mensen allemaal welkom in het Nederlandstalig onderwijs, maar niet in de voorrangscategorie van kinderen en ouders met het Nederlands als thuistaal.

Graag had ik uw mening: overdrijf ik wat dit betreft, of gaat het toch over tientallen mensen die een dergelijk attest gebruiken om zich te kunnen inschrijven in de verkeerde voorrangscategorie? (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Gerda Van Steenberge

Voorzitter, gisteren, op 1 februari 2011, is de periode voor de online inschrijvingen voor het volgend schooljaar in de Brusselse Nederlandstalige basisscholen en secundaire scholen van start gegaan. De minister zal zich ongetwijfeld herinneren dat het nieuw aanmeldingssysteem voor Brusselse Nederlandstalige scholen vorig jaar een moeizame start heeft gekend. Dit jaar blijken er geen problemen met het computersysteem te zijn.

Tot zover het goede nieuws. In Brussel geldt, in tegenstelling tot in Antwerpen of in andere steden, het specifieke feit dat hier zowel Nederlandstalig als Franstalig onderwijs wordt aangeboden. Het is de bedoeling om het Vlaamse karakter van de Vlaamse scholen in Brussel te behouden door voorrang te verlenen aan Nederlandstalige kinderen. Aangezien de subsidiëring van de Vlaamse Gemeenschap afkomstig is, vindt ieder weldenkend mens dit maar normaal.

Volgens de regel moeten de vrije plaatsen in Brussel voor 55 procent naar Nederlandstalige kinderen gaan. Deze regel blijft dode letter. De criteria van het decreet betreffende gelijke onderwijskansen (GOK-decreet), destijds opgesteld door toenmalig minister Vanderpoorten, primeren immers op de voorrangsregel voor Nederlandstalige kinderen. Een van de GOK-criteria luidt dat de thuistaal niet het Nederlands mag zijn. Broers en zussen hebben voorrang bij de inschrijving in eenzelfde school.

In de praktijk komt het erop neer dat er, zoals gisteren in De Standaard te lezen viel, te weinig plaats voor ‘witte’ schoolkinderen is. Volgens de heer François van de vzw Katholieke Opvoeding en Cultuur Brussel (KOCB) zitten verschillende scholen na de inschrijving van broers en zussen al zo goed als vol. Het is een demografische realiteit dat allochtone kinderen uit grote gezinnen komen. In andere scholen komen Vlaamse ouders ten gevolge van de 55 procentregeling voor de bijkomende plaatsen in aanmerking. Bovenop het taalcriterium komt echter nog het criterium betreffende de afstand tussen de woonplaats en de school. Hierdoor maken deze ouders zo goed als geen kans hun kinderen in de school van hun keuze in te schrijven.

Deze situatie is niet enkel op lange termijn, maar ook korte termijn nefast. Dit is niet enkel het geval voor het Vlaams onderwijs in Brussel, maar ook voor de Vlaamse aanwezigheid in Brussel op zich. Vlaamse ouders in Brussel die voor Vlaams onderwijs voor hun kinderen betalen en die niet in Brussel terechtkunnen, zullen onder meer naar de Vlaamse Rand verhuizen. Dat ze Brussel verlaten, veroorzaakt dan weer het probleem van de stadsvlucht.

Het gaat hier trouwens niet enkel om de Vlaamse ouders. Ook de Franstaligen die voor Vlaams onderwijs kiezen, maar niet wensen dat hun kinderen in concentratiescholen zitten, zullen verhuizen. Op die manier wordt het Brussels probleem naar de Vlaamse Rand geëxporteerd.

Minister, dit fenomeen is niet nieuw. Reeds in december 2009 zijn u een aantal vragen over de inschrijvingsprocedure in Brussel gesteld. U hebt toen het volgende geantwoord: “Als Nederlandstalige ouders hun kinderen naar een Nederlandstalige school willen sturen, moeten die kinderen daar terechtkunnen. Dat is belangrijk. Het zou een probleem zijn als daar geen plaats is voor die kinderen. Daar moeten we vragen bij stellen in de Brusselse context". De vragen worden al jaren na elkaar gesteld. Tot nu toe zijn nog geen antwoorden gegeven.

De indruk wordt gewekt dat het probleem bij een capaciteitstekort ligt. Ik zal het capaciteitstekort niet ontkennen. Ik betwijfel echter dat dit het echte probleem is. Het probleem is een gevolg van de voorrangsregeling die in het GOK-decreet wordt bepaald. Een eventuele capaciteitsuitbreiding zou geen oplossing voor het prangende probleem vormen. Er zouden in Brussel immers pas in 2015 2000 plaatsen bijkomen. Dat is ‘too little, too late’. Dan zullen er in het Vlaams onderwijs in het Brussel helemaal geen Vlaamse kinderen meer zijn.

Minister, u hebt toen verklaard dat u zich van het probleem met broers en zussen bewust bent en dat u het " in overweging zult nemen bij het uitwerken van een nieuwe regeling". Om welke nieuwe regeling gaat het? Gaat het om een nieuwe regeling met betrekking tot het GOK-decreet?

De evaluatie van het GOK-decreet is tot in 2012 uitgesteld. We weten allemaal dat na een evaluatie het echte decreetgevende werk nog moet beginnen. Dit betekent dat een nieuwe decretale regeling ten vroegste in 2013 in werking kan treden. Ook dit is ‘too little, too late’ voor Brussel.

Meneer de minister, u bent niet alleen minister van Onderwijs, maar ook minister van Brussel. Dikwijls worden de woorden ‘taskforce voor Brussel’ in de mond genomen, maar voor deze problematiek hebt u de hefbomen in handen. U moet de 55 procentregel laten primeren op de voorrangsregeling van het zogenaamde Gelijke Kansenbeleid en minstens gelijke kansen bieden aan de Vlaamse kinderen in Brussel om ingeschreven te geraken in een Nederlandstalige school.

Onze fractie zal u volmondig steunen indien u hiervoor onmiddellijk decreetgevende initiatieven neemt. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Segers heeft het woord.

Willy Segers

Voorzitter, minister, collega’s, d e schoolinschrijvingen in het Nederlandstalig Brussels onderwijs zijn gisterenochtend van start gegaan. Voor het basisonderwijs gebeurt dat online, voor het secundair onderwijs op de klassieke manier, in de school zelf. Zoals te verwachten was, was er een stormloop. Zowel het Sint-Jan Berchmanscollege als het Koninklijk Atheneum Etterbeek waren binnen het uur volzet. Ook andere Nederlandstalige scholen kunnen het komende schooljaar geen nieuwe leerlingen meer inschrijven.

Nochtans werd in voldoende extra middelen voorzien, maar die worden volgens ons onvoldoende of onvoldoende snel ingezet. Het DBFM-verhaal (Design Build Finance Maintain) is hierin kenmerkend, dat is hier al een paar keer aan bod gekomen. Slechts een handvol scholen schrijft zich in, zelfs na verlenging van de intekenperiode. Op die manier blijven de beschikbare middelen even ongebruikt staan. Met name voor de inrichtende machten uit het vrije onderwijs is in de praktijk gebleken dat de pps-formule via dit systeem weinig aantrekkelijk is. In werkelijkheid dreigt het hele verhaal inzake de scholenbouw daarmee ten onder te gaan, wat heel jammer zou zijn.

Minister, in de praktijk blijkt dat minder dan tien scholen effectief is ingestapt. Klopt dit? Zijn daar Brusselse scholen bij? Misschien moeten we eens durven te bekijken hoe we de formule aantrekkelijker kunnen maken voor alle betrokken partijen.

Wat we ook vaststellen, specifiek voor Brussel, is dat er een duidelijk tekort is aan leraren. Vandaag nog verscheen in de pers dat Brussel kreunt onder een tekort aan leerkrachten. Lesgeven in Brussel wordt vandaag nog steeds niet als aantrekkelijk beschouwd, wel integendeel. Wij hebben de gezamenlijke plicht om daar iets aan te doen. Leraren vragen niet zozeer om een hoger loon, maar ze wensen vooral ondersteuning in hun werk, kleinere klassen, omkadering in een moeilijke omgeving. We weten dat er een duidelijke arbeidsreserve is in Vlaanderen en zeker ook in Brussel, en toch blijven we zitten met het lerarentekort. Als we iets aan de infrastructuur kunnen doen, zullen we onvermijdelijk vroeg of laat ook met dit probleem te kampen krijgen. We pleiten er met andere woorden voor om er alles aan te doen om het lerarenberoep in het algemeen, maar in Brussel in het bijzonder, opnieuw aantrekkelijk te maken.

We menen dat er dringend nood is aan een verhoogde mobiliteit tussen de publieke en de private sector. Ook het huidige lerarenstatuut kan in deze context bekeken worden, maar ik hoorde dat u hierover binnenkort het debat opstart. Ik verwijs in dit kader graag naar het voorbeeld dat de heer Van Dijck enkele zittingen geleden gaf. Hij pleitte ervoor om gemotiveerde gepensioneerde leerkrachten die hun taak eigenlijk willen voortzetten, niet langer te bestraffen door hun pensioenrechten aan te tasten. Dit zou een stuk van de oplossing kunnen bieden.

Los van de tekortkomingen heeft de Vlaamse Regering enkele belangrijke beleidswijzingen gerealiseerd. Zo waren er de aanpassingen in het GOK-decreet. De voorgaande sprekers hebben ook al aangehaald dat het voorrangspercentage voor Nederlandstaligen op 55 procent werd vastgelegd. Ook werd de verklaring op eer vervangen door objectieve bewijzen. Met deze wijzigingen werd alvast een duidelijke aanzet gegeven tot een betere sociale mix in ons hoofdstedelijk onderwijs.

Gezien echter het feit dat broers en zusjes die al schoollopen op de betrokken school in de eerste fase voorrang krijgen, hebben deze regelingen, zoals blijkt uit cijfers die we al hebben, nog geen optimaal effect. Heel wat Nederlandstalige kinderen die naar school willen gaan in onze hoofdstad, blijven hierdoor in de kou staan. Dit heeft dan weer als nefast gevolg dat heel wat ouders eventueel overwegen om met hun kinderen uit Brussel weg te trekken – en dat is zeker niet onze bedoeling. Wij staan achter een beleid dat als doelstelling heeft de Nederlandstalige inbreng in de hoofdstad te versterken, en dat beleid kan zich dergelijke ontwikkelingen niet veroorloven.

We hebben het hier al vaker gehad over de zinsnede: “Elk kind heeft recht op onderwijs.” Minister, u hebt in het begin van het schooljaar aangekondigd voor elk kind een plaats te vinden in het onderwijs. Dat geldt zeker voor Nederlandstalige kinderen die een school zoeken in Brussel. We kennen intussen het infrastructuur- en capaciteitsprobleem. Daarom, minister, stel ik u deze zeer concrete vraag: op welke manier wilt u garanderen dat elk bewezen Nederlandstalig kind dat in het Brusselse Nederlandstalige onderwijs naar school wil gaan, een plaats vindt op redelijke afstand van zijn woonplaats en volgens de keuze van de ouders? Als we onze hoofdstad immers niet willen loslaten, is het van het allergrootste belang om Nederlandstalige ouders en hun kinderen in Brussel te houden, en hun een degelijk en kwalitatief onderwijs te bezorgen. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Delva heeft het woord.

Paul Delva

Minister, collega’s, de inschrijvingen voor de scholen in Brussel voor het schooljaar 2011-2012 zijn momenteel aan de gang. Het bericht kwam dat in een aantal scholen, en onder andere in een aantal concentratiescholen, Nederlandstalige kinderen moeilijk of niet ingeschreven geraken. De voorrangsregel voor broers en zussen zorgt er in een aantal gevallen voor dat een klas vol zit vooraleer kinderen uit de andere voorrangsgroepen, zoals Nederlandstalige kinderen, zich kunnen inschrijven.

Het probleem is complex, en ik kan het niet laten om even achteruit te kijken. We moeten het hele onderwijsdebat in Brussel in een historisch perspectief plaatsen. In de jaren 80 van de vorige eeuw, toch nog niet zo lang geleden, leefde bij heel wat mensen de vrees dat men in Brussel massaal scholen zou moeten sluiten bij gebrek aan leerlingen. Een grootschalige campagne, onder impuls van onder anderen Hugo Weckx, richtte zich in eerste instantie tot tweetalige ouders en kinderen. Het succes was overweldigend. Ondertussen blijft het succes van het onderwijs in onze hoofdstad toenemen, met als gevolg dat het moeilijk was voor Nederlandstalige kinderen om zich in bepaalde scholen in te schrijven. Daar werd een mouw aan gepast, en verleden jaar werd in dit parlement dit voorrangsmechanisme voor Nederlandstalige kinderen waterdichter gemaakt door middel van enkele decretale wijzigingen.

Waarom hecht CD&V nu zo’n groot belang aan de aanwezigheid van Nederlandstalige kinderen in onze Nederlandstalige scholen in Brussel? Er zijn drie redenen, die ik wil toelichten.

Ten eerste is het logisch dat een kind in onze hoofdstad onderwijs in zijn eigen taal kan krijgen. Wij blijven zeggen dat Nederlandstalige kinderen het eerste doelpubliek van deze scholen blijven. Ten tweede, het decennialang volgehouden Vlaamse beleid in en voor Brussel houdt onder andere in dat we Nederlandstalige inwoners in Brussel willen aantrekken en behouden. Dat is een heikele opdracht. We slagen er niet goed in. Welnu, indien we aan die Nederlandstalige ouders niet kunnen garanderen dat hun kind in het Nederlandstalige onderwijs terechtkomt, kan ik mij inbeelden dat dit een zeer goede reden is om Brussel te verlaten. De derde reden is heel belangrijk en, collega’s, wordt veel te weinig benadrukt in de publieke debatten. Het is ook voor de anderstalige kinderen zeer belangrijk dat er een voldoende kritische massa Nederlandstalige kinderen in hun klas zitten. Voor alle duidelijkheid, en laat daar geen enkel misverstand over bestaan: deze anderstalige kinderen zijn en blijven welkom in onze scholen, ze vormen dikwijls een verrijking voor onze gemeenschap.

We moeten dus werk blijven maken van een eenvoudige en zekere toegang van Nederlandstalige kinderen in onze scholen.

Tussendoor wil ik toch ook even stellen dat er nog een heel andere piste bestaat om directies zelf de kans te geven om, met de grote kennis die zij hebben van hun school, de leerlingen en de ouders, mee richting te geven aan het inschrijvingsbeleid in hun school. Dit is een veel eenvoudiger systeem, gebaseerd op vertrouwen in de directeur.

Daarbovenop, collega’s, ent zich een andere uitdaging die van een heel andere orde is. De collega’s hebben er al op gealludeerd: de capaciteitsdruk in Brussel. Het aantal kinderen neemt enorm toe en wij vinden dat de Vlaamse Gemeenschap op dit vlak haar verantwoordelijkheid moet blijven nemen. Het aanhouden van de huidige percentages – ongeveer 20 procent van de Brusselse kinderen volgt les in een Nederlandstalige school – moet hierbij onze ambitie zijn. Niet zozeer om ons “Vlaams marktaandeel te behouden” – ik vind dat een vreemde term, als het om onderwijs gaat –, maar wel om een nuttige bijdrage te blijven leveren aan een gezonde groei en ontwikkeling van onze hoofdstad.

Maar, collega’s, de toename van het totale aantal plaatsen in het Nederlandstalig onderwijs zal noodzakelijkerwijze gepaard gaan met een verdere verdunning van het aantal Nederlandstaligen in de scholen. We zitten hier dus vandaag te debatteren omdat we met een aantal fenomenale paradoxen zitten. Wij zijn allen gehecht aan de voorrang voor broertjes en zusjes, dat is de logica zelve, maar hoe rijmen we dit met de even noodzakelijke voorrang voor Nederlandstalige kinderen? Er moeten Nederlandstalige scholen in Brussel bij komen – daar pleiten we allemaal voor, denk ik –, maar hoe kunnen we hierbij een verdere verwatering van het aantal Nederlandstalige kinderen voorkomen?

Deze paradoxen brengen ons vandaag bij elkaar. Het antwoord daarop is geweldig moeilijk. Een stuk van de oplossing bestaat waarschijnlijk in een verdere en strakkere opvolging en ondersteuning van de kennis van het Nederlands in onze scholen. Er zijn interessante pistes, waarvan een aantal door u, minister, gelanceerd. Zo kan de taaltest voor 6- en 12-jarigen hiertoe een eerste aanzet zijn. Het recente VGC-project waarbij het Huis van het Nederlands lessen Nederlands organiseert voor anderstalige ouders, is zeker interessant. Zo ook de plannen van de minister om buiten de schooluren en schoolmuren met Nederlands bezig te zijn.

Ik eindig met een laatste paradox – het is al aangehaald – : het feit dat we in Brussel met een geweldig tekort aan leerkrachten zitten, maakt het nog moeilijker. Er gaan namelijk scholen bij komen, maar we hebben vandaag al te weinig leerkrachten.

Ik eindig met een vraag voor u, minister: u stelde onlangs in een kranteninterview dat u zich bewust bent van het broer-zussenprobleem, en het in overweging zult nemen bij het uitwerken van een nieuwe regeling. Mijn vraag is: welke piste hebt u hierbij concreet voor ogen? (Applaus)

De voorzitter

De heer Van Der Taelen heeft het woord.

Luckas Van Der Taelen

Voorzitter, minister, politiek is een moeilijk vak. Het is moeilijk om een politieke lijn te bepalen, omdat men heel zelden op voorhand weet wat er gaat gebeuren. Er zijn genoeg voorbeelden bekend van politici die halsoverkop zware beslissingen hebben moeten nemen en die dan geëxcuseerd worden door het feit dat men toch niet alles kan voorzien.

Ik vrees dat we hier te maken hebben met de kroniek van een aangekondigd probleem, waarover ik helaas verleden jaar al gesproken heb en waarvan de cijfers bekend zijn. Vorige sprekers hebben er al op gewezen: er is in Brussel een demografische tsunami op komst. Wie dat nu nog niet weet, is van slechte wil, leest nooit een krant of komt zelfs nooit naar het Vlaams Parlement, want het is hier al voldoende gezegd. We gaan naar een uitbreiding van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest – niet territoriaal, mijnheer Van Eyken, u hoeft zich niet ongerust te maken –, maar wel op het niveau van de bevolking.

We krijgen inderdaad een toename van 10 procent, er komen zomaar even 150.000 mensen bij. Dat is grosso modo de bevolking van steden die misschien belangrijker zijn, zoals Hasselt en Leuven samen. Die bevolking krijgen wij hier de volgende jaren bij. Is het dan een onverwachte gebeurtenis, een mirakel, dat wij plots zien dat er zich een geweldig capaciteitsprobleem begint voor te doen in Vlaamse scholen?

U weet, Vlaamse scholen hebben gelukkig – en dat is het werk van een resem van uw illustere voorgangers en Brusselse ministers – een zeer goede reputatie en krijgen de laatste jaren dus steeds meer leerlingen, ook van andere taalgroepen, over de vloer. Gelukkig, want zo – zou men in alle naïviteit denken – neemt het aantal Nederlandstaligen in Brussel toe. U weet hoe de verfransing gebeurd is. Ik ben daar nog deels getuige van geweest. Hoeveel Vlaamse ouders hebben hun kinderen naar Franstalige scholen moeten sturen en zijn dan omgevormd tot Franstaligen?

Nu zouden we kunnen hopen dat er door het succes van die Vlaamse scholen eindelijk meer Nederlandstaligen bijkomen in Brussel. Maar om een of andere reden willen wij dat niet. Wat zou de reden kunnen zijn? Ik durf niet te denken dat wij niet meer geïnteresseerd zouden zijn in Brussel.

In de krant van gisteren las ik dat er in de school met de mooie toepasselijke naam De Voorzienigheid in Kuregem een probleem is. Het is een concentratieschool. Er is altijd voor gepleit om die scholen – ik zeg het met een lelijke uitdrukking – te verdunnen, en de sociale mix te verbeteren. Het goede nieuws is dat een heleboel Vlaamse ouders hun kinderen in die school willen inschrijven, maar ze krijgen te horen dat er geen plaats meer is omdat er kinderen van andere taalgroepen zitten waarvan de broers en zussen voorrang krijgen. Dat is nu eenmaal de regel, daar moeten we vooral niet van afwijken.

U zult het toch met mij eens zijn, minister, dat het zo niet verder kan. Ik pleit er absoluut niet voor om die regel af te schaffen, maar ik pleit wel voor een grote capaciteitsuitbreiding. Als we dat nu niet doen, zal de positie van de Vlamingen in Brussel binnen enkele jaren – het zal niet zo lang duren, misschien één of twee decennia – verwaarloosbaar zijn. In dat geval zou ik graag van de regering horen dat ze van mening is dat het niet meer de moeite is, dat de prioriteiten in een illusoire Vlaamse republiek elders liggen en dat we Brussel dan maar bij het groot huisvuil moeten zetten. We moeten toch iets doen?!

Als er 200.000 mensen bij komen in Brussel en wij brengen de capaciteit van de Vlaamse scholen niet naar een hoger niveau, dan zijn er binnen enkele jaren slechts een klein percentage Vlaamse Brusselaars over. Dat is een logica die te voorspellen is tot op het laatste procentje, tot op het laatste Vlaams Brussels hoofd. Wij moeten nu resoluut kiezen voor een politiek waarmee we tonen dat we het menen met die Brusselnorm. Dat is een uitdrukking die we niet meer zo vaak horen, dat de Vlaamse initiatieven in Brussel toegankelijk zouden moeten zijn voor 30 procent van de Brusselaars. Ik hoor niets meer over die 30 procent. Als we op die basis zouden verder werken, als we het menen met die Brusselnorm, dan moeten we nu beginnen met een capaciteitsuitbreiding; doen we dat niet, dan zeggen wij: “bye, bye Brussel”. En dat wil ik niet horen de volgende jaren. Brussel is de Vlaamse hoofdstad, wij moeten blijven zorgen dat Vlamingen hier hun kinderen kunnen blijven naar school sturen. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Yamila Idrissi

Voorzitter, minister, dames en heren, de schoolinschrijvingen zijn begonnen. We zullen dat geweten hebben in dit parlement. Brussel heeft goed en kwaliteitsvol onderwijs nodig. Naar aanleiding van een studie door het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse gepubliceerd in maart vorig jaar kwam men tot de conclusie dat Brussel de komende vijf jaar tachtig scholen nodig heeft. Minister-president Charles Piqué kondigde aan dat er absoluut een marshallplan nodig is voor het Brusselse onderwijs. Hij kondigde eveneens aan dat er absoluut overleg nodig is met de gemeenschappen. Dat was maart vorig jaar. Ik zou graag willen weten hoeveel overleg er intussen geweest is door de Brusselse minister-president met zijn collega’s van Onderwijs in Vlaanderen en de Franse Gemeenschap.

De Vlaamse minister van Onderwijs heeft zijn verantwoordelijkheid genomen door een niet onbezonnen capaciteitsuitbreiding aan te kondigen. Het is niet zomaar een capaciteitsuitbreiding om de capaciteitsuitbreiding, maar een capaciteitsuitbreiding in het belang van het kind. Dat lijken we in dit halfrond soms te vergeten: het gaat om het belang van het Brusselse kind. Er zal een uitbreiding komen in 6 gemeenten. Er komen plaatsen voor 1000 leerlingen. Er is 2,5 miljoen euro uitgetrokken om dat plan te realiseren. Hier wordt zeer zeker verantwoordelijkheid genomen. Ik vraag me soms af of de Brusselse Hoofdstedelijke Regering haar verantwoordelijkheid neemt.

In de media hebben we heel wat kunnen vernemen over het probleem in de basisschool De Voorzienigheid. Het is een ongelofelijk goede zaak dat ouders het initiatief nemen om zich in groep in die school in te schrijven. Dat is belangrijk voor de sociale mix. Het is belangrijk dat scholen een afspiegeling zijn van de buurt waarin ze gevestigd zijn. In zoverre ik juist ben ingelicht, is er vorig jaar in deze school geen enkel Nederlandstalig kind ingeschreven. Het is een zeer goede zaak dat vandaag negen Nederlandstalige ouderparen hun kind daar willen inschrijven. Als er problemen zijn door de regels voor broers en zussen en de 55 procentregel, moet er naar een evenwichtige oplossing worden gezocht – maar ook daar rekening houdend met het belang van het Brusselse kind. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

De heer Bouckaert heeft het woord.

Boudewijn Bouckaert

Waarde collega’s, minister, er is al gewezen op enkele concrete moeilijkheden in Brussel. Die vloeien voort uit de gecombineerde toepassing van de criteria in het GOK-decreet en de voorrangsregel voor de Nederlandstaligen. Op die moeilijkheden is al ingegaan. Ik heb veel in mijn partituur geschrapt, maar ik moet u er wel op wijzen dat daaraan aandacht wordt besteed in de commissie Onderwijs. Er zijn regelmatig vragen over een dergelijke capaciteitsproblematiek, onlangs nog een van de heer De Meyer. We hebben al vergaderingen gehad samen met de Brusselse parlementsleden. Binnenkort hebben we daarover een gezamenlijke vergadering met de commissie Brussel. Ik probeer nog altijd de Vlaamse minister Smet en de Brusselse minister Vanraes, die maar koele minnaars zijn, op een of andere manier bij elkaar te brengen om daarover te discussiëren.

Sta me toe, waarde collega’s, het debat wat open te trekken naar de problematiek van het overheidsoptreden naar het onderwijsveld in het algemeen. Onze partij definieert zichzelf als de Test-Aankoop van de politiek. Dat wil ik hier graag even doortrekken.

De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen. Deze spreuk is hier sterk van toepassing. Aan goede bedoelingen is er geen gebrek: gelijke kansen en garanties voor Vlamingen in Brussel in het Nederlandstalig onderwijs. Maar de weg naar de hel wordt ingeslagen door twee manifeste vormen van overheidsfalen of government failure.

Ten eerste is er een manifest gebrek aan langetermijnplanning. De bevolkingsaanwas in Vlaanderen is al lang bekend. We gaan van 60.000 geboorten een aantal jaren geleden naar 70.000 binnenkort. De Vlaamse vaders doen hun best.

Minister, binnenkort wordt de SVR-studiedag (Studiedienst van de Vlaamse Regering) gehouden over de projecties van de bevolking en huishoudens voor de Vlaamse steden en gemeenten. In de folder van de studiedag, die plaatsvindt in de Koning Albert II-laan – u moet gewoon de straat oversteken – ziet u de stijgende curves, die ook door de heer Van Der Taelen worden aangehaald. Ik raad u ook aan om ernaartoe te gaan.

Daarnaast is er ook een regelgevingsfalen, een regulatory failure, door de bepalingen in het GOK-decreet en de broers-zussenregel, die geamendeerd werd onder voormalig minister Vandenbroucke. Dat doorkruist een andere doelstelling in het beleid, namelijk de aanwezigheid van de Nederlandstalige leerlingen in het Brussels onderwijs.

Minister, de problemen in Brussel kunnen niet worden opgelost met wat sleutelen in de marge: een containertje hier, een containertje daar, soms op vervuild terrein, zoals in Antwerpen. We moeten overgaan tot een grondig herdenken van het inschrijvingsbeleid. Door het huidige systeem zitten de schooldirecties onder een dubbele druk. Er is een grote regeldruk met een enorme planlast. Dat komt regelmatig aan bod in de commissie. Daarnaast is er de detaillistische regelgeving, waardoor ze geen enkele beleidsvrijheid op het veld krijgen.

LDD roep het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering, en in het bijzonder minister Smet op om de regelgeving van het GOK minder detaillistisch te maken en meer autonomie, meer vrijheid en verantwoordelijkheid te geven aan de actoren op het veld. In de commissie is al aangehaald, en niet alleen door mijn partij, dat we de zaak misschien eens moeten herdenken en de directies meer ruimte geven bij de controle op de instroom en dat de Vlaamse overheid dan met die directies targets afspreekt, resultaatsverbintenissen, in verband met een aantal doelstellingen, zoals de sociale mix, het aantal Nederlandstaligen.

Minister, we hebben fantastische leraren, we hebben fantastische directies. Vertrouw meer op hen, maar geef ze dan ook wat meer vrijheid en verantwoordelijkheid! Mevrouw Van Steenberge heeft er al op gewezen dat het tijd wordt dat de discussie over het inschrijvingsbeleid ten gronde wordt geopend en dat het niet bestendig wordt uitgesteld en vooruitgeschoven via allerlei evaluaties. Minister, kom uit uw pijp, want less is less en nothing is nothing! (Applaus bij CD&V, het Vlaams Belang en LDD)

De voorzitter

Mevrouw Pehlivan heeft het woord.

Fatma Pehlivan

Mijnheer Bouckaert, u hebt gezegd dat er meer vrijheid aan de lokale actoren gegeven moet worden. Ik spreek toch wel wat uit ervaring. Die actoren, dat zijn de directies. Heel veel actoren, heel veel directies hadden in het verleden die vrijheid. Dat heeft er juist voor gezorgd dat er in Gent heel veel scholen waren waar kinderen van andere afkomst geweigerd werden, en dat om allerlei redenen. Het werd hun nooit vlakaf in het gezicht gezegd. Er werd gezegd dat de school vol zat op een moment dat er geen capaciteitsprobleem was.

We moeten zoeken naar een oplossing. Er moet niet alleen meer vrijheid zijn, maar er moet ook rekening gehouden worden met de lokale problematiek. Capaciteitsproblemen bestaan ook in Gent. De bevoegde personen maken nu een planning op. U pleit voor een volledige vrijheid. We komen van een volledige vrijheid. We zien waar het onderwijs nu staat: concentratiescholen in heel veel wijken, zowel in Antwerpen als in Gent! Dat is niet waarvoor we hier moeten pleiten.

De andere collega’s pleiten juist voor een sociale mix, maar ook een mix van verschillende kinderen van verschillende culturen. Dat is een gezonde mix waarvoor we moeten pleiten.

Boudewijn Bouckaert

Voorzitter, het wordt een leuke Gentse discussie.

Waarde collega’s, ik heb niet gepleit voor een vrijblijvende vrijheid van de schooldirecties. Dat moet misschien het beginpunt zijn. Initieel geeft men die vrijheid aan de directies. Daarna treedt de overheid in onderhandeling met de directies en worden er resultaatsverbintenissen vastgelegd. Zo wordt vermeden dat men door heel concrete regelgeving, die, zoals we nu zien, heel perverse effecten heeft, in moeilijkheden komt. Dat is onder meer een systeem dat in Nederland wordt gevolgd.

Het is vaak zo dat bottom-up initiatieven beter de doelstellingen bereiken dan allerlei regelgevingen, zoals we het nu aan het doen zijn. Ik verwijs, mevrouw Pehlivan, naar een experiment in Antwerpen, School in zicht, waar men er vanuit de actie van de school zelf in is geslaagd om een sociale mix te bereiken van de ouders in de buurt, zodanig dat die school een echte buurtschool is geworden.

Wij vertrouwen mijns inziens te weinig op de directies om die doelstellingen waar te maken. Het debat daarover moet nog eens grondig worden gevoerd.

Fatma Pehlivan

Dan denk ik dat we op dezelfde lijn zitten, mijnheer Bouckaert. Misschien heb ik u daarnet verkeerd begrepen.

We kunnen al die aspecten opnemen in de evaluatie van het GOK-beleid. Dan kunnen we een lijn uitstippelen en er een en-enverhaal van maken. We moeten echt een sociale mix maken in onze scholen.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel

Ik deel de bekommernis van mevrouw Pehlivan. Ik vrees dat de heer Bouckaert zich wel eens zou kunnen vastrijden in een aantal van zijn voorstellen. U hebt het over een resultaatsverbintenis, mijnheer Bouckaert. Daardoor riskeert u alleen om nog meer regels te creëren. U hebt het gelukkig ook over School in zicht. Ik vind dat ook een goed initiatief, maar laten we wel wezen: het debat is begonnen rond de school in Kuregem, De Voorzienigheid. Mocht School in zicht daar gaan aankloppen, dan zou men daar ook geen plaats vinden. Dat is dus de oplossing niet.

Ik ben al blij dat u zegt dat we een sociale mix moeten bewerkstelligen. Ik vreesde daarnet even dat u een stuk van de recente geschiedenis niet goed kende. Als men de controle op de instroom overlaat aan bepaalde directies, zou het wel eens kunnen dat het recht op onderwijs niet meer voor elk kind even vanzelfsprekend is. Dat moeten we te allen prijze vermijden.

De voorzitter

De heer Van Rompuy heeft het woord.

Eric Van Rompuy

Het debat gaat hier eigenlijk over Brussel, maar het is juist wat de heer Van Der Taelen daarnet zei: we moeten oppassen voor een bijkomende problematiek die zich nu aandient. Wat we nu meemaken, is dat een aantal Vlaamse ouders willen inbreken in een concentratieschool, om het zo te zeggen, in Kuregem. Door de demografie in Brussel is er nu een enorme uitwijking van niet-Belgen en niet-Nederlandstaligen naar de Vlaamse Rand. We stellen in de scholen aan en in de Rand van Brussel vast dat er zich een massale concentratie voordoet van niet-Nederlandstaligen in het basisonderwijs, waardoor de Vlaamse ouders hun kinderen wegtrekken uit die scholen.

De problematiek van Brussel is een capaciteitsprobleem. In de Rand van Brussel krijg je nu een nieuw fenomeen. Door de inwijking vanuit Brussel van migranten, schrijven de Vlaamse ouders hun kinderen in in scholen die eerder richting Leuven en Halle liggen, waar ze dus niet woonachtig zijn.

Je ziet ook dat een aantal Franstalige ouders hun kinderen, terwijl ze hen vroeger in Schaarbeek, Evere enzovoort in lagere scholen inschreven, nu verplaatsen van die Brusselse gemeenten naar de Randgemeenten. Wij zitten nu met een enorm probleem, want de scholen bij ons beginnen nu ook capaciteitsproblemen te krijgen, terwijl ze een paar jaar geleden nog problemen hadden om voldoende kinderen te hebben. Dat is echt een boom van de laatste drie, vier jaar.

Als het over die capaciteitsproblematiek in Brussel gaat, zijn wij in de Rand van Brussel dus ook vragende partij om dat aan te pakken. Anders gaat dat probleem zich gewoon verplaatsen.

De voorzitter

De heer Delva heeft het woord.

Paul Delva

Voorzitter, ik pik even in op wat mevrouw Pehlivan aanhaalt. Een sociale mix in de scholen is een doelstelling die bijna kamerbreed wordt gedragen. Ik denk dat dat echt de bedoeling is. De enige vraag is welk instrument we daarvoor gebruiken. Dat is de kernvraag. Vandaag bestaat het GOK-decreet dat een vrij technisch instrument is en vrij sturend is. Er komt nu een evaluatie van het GOK-decreet. Dat wordt absoluut een sleutelmoment.

De enige vraag die we dan moeten kunnen beantwoorden – en ik hoop dat de evaluatie dat zal toelaten, anders is het een slag in het water –, is of dat instrument de ultieme doelstelling van een sociale mix in de scholen dichterbij heeft gebracht. Dat is de kern van het verhaal. Het is allemaal te reduceren tot deze ene vraag.

Ik kijk met ongelooflijke belangstelling uit naar de evaluatie, die wel eens een sleutelmoment zou kunnen zijn.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer

Voorzitter, ik was niet van plan om iets te zeggen, maar als ik iedereen goed beluister, dan krijg ik toch wel een bevestiging van de zorg die ik drie weken geleden reeds in de commissie Onderwijs hebt uitgedrukt.

Minister, u hebt dit jaar 1 miljoen euro extra om de capaciteitsproblemen in Vlaanderen op te lossen. Het is jammer dat minister Muyters hier nog niet is, want dit zal hoe dan ook onvoldoende zijn.

Gerda Van Steenberge

Voorzitter, minister, ik hoor het collega Delva graag nog eens hebben over de evaluatie van het GOK-decreet. Maar dat was daarnet net mijn punt: dit gaat over Brussel. Ik vrees dat Brussel niet kan wachten op de evaluatie van het GOK-decreet. Het is weer een jaar vooruitgeschoven. We moeten er twee jaar op wachten. Dan moeten er nog beleidsmiddelen worden vrijgemaakt.

Brussel heeft volgens mij geen tijd meer, gelet op de demografische boom die er komt, om te wachten om verder te evalueren.

De voorzitter

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Voorzitter, laat me eerst aan de heer Van Der Taelen zeggen dat het debat niet gaat over ‘Vlaanderen laat Brussel los’ of over het feit dat iemand in deze Vlaamse Regering of in dit parlement zou ontkennen dat het belangrijk is dat we als Vlaamse Gemeenschap zouden moeten investeren in het onderwijs in Brussel. Iedereen is het daar over eens. We doen dat ook. We investeren bijna dubbel zoveel als je eigenlijk zou mogen verwachten als je nagaat hoeveel mensen er echt Nederlands spreken in Brussel. Het gaat niet over Brussel loslaten of niet. Deze Vlaamse Regering laat Brussel niet los. Dat heeft de minister-president hier trouwens een paar maanden geleden ook nog heel duidelijk gezegd.

Voorzitter, laat me toe te zeggen dat ik het ook een beetje een merkwaardig debat vind. De voorzitter van de commissie Onderwijs heeft terecht aangehaald dat dit niet iets is dat uit de lucht valt of waarmee we niet bezig zouden zijn. Ik probeer in de commissie uitgebreid te antwoorden. Er worden ook een timing afgesproken. De heer Van Dijck kan dat beamen en doet dat ook. Het lijkt nu wel alsof er hier een aantal collega’s zijn die plotseling vergeten zijn dat we gezegd hebben dat, na de drie jaar waarin we bezig waren met de aanmeldingsprocedure en de inschrijvingsprocedure, we dit jaar in de komende weken gaan beslissen en stabiliteit in het systeem gaan brengen.

Ik zeg: “de komende weken”, we moeten dus niet wachten op een evaluatie over het globale beleid. Als we een nieuw inschrijvingsbeleid en een nieuw aanschrijvingsbeleid voor het volgende schooljaar willen invoeren, dan moet dat van kracht zijn op 1 september 2011. Dat betekent dat we de komende weken, hetzij in OD XXI, hetzij in een parallel ontwerp of voorstel van decreet, een definitieve aanmeldings- en inschrijvingsregeling op tafel zullen leggen. Dat is gepland. Ik heb in de commissie al een paar keer die timing uitgelegd. Iedereen kent die timing. Dat komt er dus aan.

Bovendien dacht ik – maar ik ben geen meester van de parlementaire agenda – dat we over de manier waarop we in Brussel het Nederlandstalig onderwijs moeten aanpakken, al maanden geleden hebben afgesproken dat er een gezamenlijke commissie Brussel-Onderwijs achter gesloten deuren komt. Zo kunnen we eens, zonder politiek gehakketak, proberen om een oplossing te vinden, want het is niet zo evident om een oplossing te vinden voor het Nederlandstalig onderwijs in Brussel.

Ik woon in Brussel en ik kom in Vlaanderen. Of die ouders nu in Brussel, in Antwerpen of op het platteland wonen, zij willen maar één ding: goed onderwijs voor hun kinderen.

Is er één iemand in dit halfrond die kan zeggen dat een Nederlandstalige ouder vorig jaar een probleem heeft gehad om zijn kind in een Nederlandstalige school in Brussel in te schrijven? Neen. Misschien niet in de school van voorkeur of van de eerste keuze, of in een populaire school à la Sint-Jan -Berchmanscollege, dat wel, maar niemand hier kan in Brussel en de 19 gemeenten een ouder vinden die geen plaats heeft gevonden.

Hoe merkwaardig ook, er is nog geen echt probleem van inschrijving geweest in het Nederlandstalig onderwijs voor Nederlandstalige ouders in Brussel. Ik hoor hier mensen zeggen dat het niet kan dat onze Vlaamse kinderen – de heer Van Der Taelen spreekt nu ook al over Vlaamse kinderen – in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel geen plaats vinden, maar dat klopt niet. Het is wel zo dat men in bepaalde populaire scholen geen plaats vindt. Het klopt ook dat er een algemeen capaciteitsprobleem is in Brussel.

Mijnheer Gatz, politiek is ook de kunst om eerlijk te zijn. U zegt dat Brussels minister Vanraes een plan heeft opgesteld. Dat klopt. Hij heeft een lijst opgesteld met alle mogelijke projecten, zonder concrete timing, die er de komende maanden zouden kunnen komen. Dat is iets anders dan wat men in Antwerpen heeft gedaan. Daar was het duidelijk wie wat ging doen met engagementen.

Mijnheer Gatz, ik wil hier geen politiek spel van maken. Ik heb aan minister Vanraes gezegd dat mijn partij in Brussel niet in de meerderheid zit, maar dat interesseert me niet. Ik wil dat we voor de Brusselse kinderen een oplossing hebben. Als u hier komt vertellen dat de VGC en minister Vanraes hun werk hebben gedaan, en dat de Vlaamse Regering en ik ons werk niet hebben gedaan, dan is dat manifest onjuist.

Mag ik u eraan herinneren dat we vorig jaar 2,5 miljoen euro van het Capaciteitsfonds voor Brussel hebben gereserveerd en uitbetaald aan de campus Nieuwland, en dat we samen met de VGC op termijn 700 plaatsen hebben gekocht. Ik heb beslist om van het Brusselfonds structureel 2 miljoen euro extra te geven aan de VGC voor de scholen. Telkens als het kan, geeft de Vlaamse Regering geld. Er zijn twee projecten van het gemeenschapsonderwijs, in Schaarbeek en Evere, waarvoor geld is vastgelegd. Maar ik organiseer geen onderwijs. Dat zult u ondertussen al weten, veronderstel ik. Een minister van Onderwijs richt zelf geen scholen op. We hebben wel geld gegeven. Waar we moeten bijdragen, dragen we bij.

Mijnheer Gatz, als u hier komt vertellen dat minister Vanraes zijn plan heeft gemaakt en de Vlaamse Regering er niets mee doet, dat vind ik dat bijzonder klein. Ik vraag u om aan minister Vanraes te vragen wat zijn en mijn medewerkers de afgelopen weken samen doen.

Wat is ook een probleem in Brussel, mijnheer Gatz? De regie moet niet gebeuren door de Vlaamse Regering, maar door de Brusselse Regering. Ere wie ere toekomt, ik heb de minister-president gevraagd om de discussie over het wegenvignet te gebruiken om eindelijk de coördinatievergadering, die er onder impuls van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest moest komen en die er maar niet komt, te organiseren. De minister-president heeft dit gevraagd en een week later hadden we eindelijk een startvergadering, waarop ook de minister-president aanwezig was.

Mijnheer Gatz, zal ik u eens wat vertellen? Sinds 1 december is er geen activiteit meer geweest. Ik heb gisteren naar Brussels minister-president Picqué een brief gestuurd om te vragen wat er nu gaat gebeuren, want die drie maanden zijn nu om. Als minister-president Peeters, Rudy Demotte en ikzelf daar over een maand weer gaan samen zitten, moet er wel vooruitgang geboekt zijn.

Mijnheer Van Der Taelen en mijnheer Gatz, u levert daar ook ministers. Zorg dan dat daar een initiatief wordt genomen en zeg niet dat de Vlaamse Regering niet doet wat ze moet doen, want we doen dat wel en we maken geld vrij. We hebben 1 miljoen euro in het Capaciteitsfonds, maar in de regering hebben we afgesproken dat, als we een concreet dossier hebben – en dat hebben we over enkele weken –, we extra geld zullen plannen om de capaciteitsuitbreiding in Antwerpen, Gent en Brussel mogelijk te maken. Dat is een afspraak die tijdens de begrotingsopmaak is gemaakt, en die we ook zullen nakomen.

Mijnheer Van Der Taelen en mijnheer Gatz, ik geef een ander voorbeeld. In Schaarbeek is er een groene schepen van Onderwijs. Die ging op 1 september 2011 normaal gezien een school openen. Pech, hé, het is Brussel. In de gemeente Schaarbeek is het dossier gekoppeld aan het Franstalig onderwijs en dat slaagt er niet in om de school te openen, maar het geld van ons is er wel. Kom me dus niet vertellen dat de Vlaamse Regering haar verantwoordelijkheid niet neemt. Wij voorzien in het geld, wij helpen en faciliteren maximaal, maar het oprichten van een school in Brussel is ofwel een bevoegdheid van een gemeente – in Schaarbeek slaagt men daar blijkbaar niet in, lees de krant –, ofwel van het gemeenschapsonderwijs ofwel van het vrij onderwijs. Wij doen alles om ervoor te zorgen.

Mijnheer Gatz, ik zal verder blijven werken met Brussels collega Vanraes, uw partijgenoot, omdat het hier om het belang van kinderen gaat. Maak er alstublieft geen politieke spelletjes van. Wij moeten samenwerken. Ik zal ook samenwerken om ervoor te zorgen dat de scholen er kunnen komen in Brussel. Daar waar geld nodig is, zal er ook geld zijn.

Ik wil er nog op wijzen dat we heel voorzichtig moeten zijn in dit debat. Het klopt dat er een krantenartikel is verschenen over een school in Kuregem. Voor zover ik heb gehoord van mijn administratie, kloppen de cijfers in dat artikel niet. Er zouden tien vrije plaatsen zijn, na inschrijving van broers en zussen, maar die kunnen wel alle tien naar Nederlandstaligen gaan, want, mijnheer Gatz, deze Vlaamse Regering, die vorig jaar werd geconfronteerd met het probleem, is daadkrachtig opgetreden. Wij hebben wel – en ik geloof dat u het daar niet voor 100 procent mee eens was – de voorrangsregeling voor Nederlandstaligen opgetrokken naar 55 procent. Wij hebben het mogelijk gemaakt dat de verklaring op eer wordt vervangen door een bewijs. Wij hebben ook de experimenteerfase ingeperkt zodat het niet uit de hand zou lopen. Ook dat is gebeurd. Maar de aanmeldingsperiode loopt nog wel op dit moment.

Het is voorbarig om te zeggen dat er een probleem is. Ik wil nog wel eens zien of een Nederlandstalige ouder geen plaats zal vinden in een Nederlandstalige school. Ik zeg niet globaal, dat is iets anders. Het zal misschien niet in de school van keuze zijn, dat is iets anders. Vorig jaar heeft een aantal leden hier ook veel tamtam over gemaakt en uiteindelijk zijn er niet veel problemen geweest want alle kinderen hebben een school gevonden. Ik denk dat het ook dit jaar zo zal zijn.

Wat betreft de aanmelding en inschrijving, werken we aan een regeling die binnenkort in het parlement zal worden ingediend. We zullen zien hoe: via Onderwijsdecreet XXI of via een parallel decreet. We zullen een onderscheid moeten maken tussen Vlaanderen en Brussel. Dat is evident omdat beide situaties te zeer verschillen. In Vlaanderen is het een kwestie om ervoor te zorgen dat alle kinderen in de scholen terechtkunnen en dat bepaalde kinderen beschermd worden. In Brussel heb je dat ook, maar is er de bijzondere problematiek van de Nederlandstaligen. Laat ons ook daar duidelijk over zijn in Brussel. Het is bijzonder ingewikkeld. Bijkomende scholen bouwen zal de problemen niet oplossen. Ik garandeer u dat als je blindelings bijkomende scholen in Brussel bouwt, je nog minder Nederlandstalige ouders hebt die in Brussel willen blijven wonen omdat het aantal Nederlandstaligen zal verwateren in de scholen. Mensen willen dat hun kinderen samen met Nederlandstaligen opgroeien, om begrijpelijke redenen. Daar werken we aan. We gaan een eenduidige, eerlijke en transparante regeling uitwerken.

Ik hoor niemand de voorrang voor broers en zussen in vraag stellen. Ik vind wel dat we voor Brussel, maar ook voor Antwerpen, Lokeren, Sint-Niklaas, waar ‘School in zicht ‘ werkt, en op andere plaatsen in Vlaanderen, ervoor moeten zorgen dat de voorrang voor broers en zussen niet botst met de voorrang voor Nederlandstaligen. Daar moeten we een evenwicht in vinden. ‘School in zicht’, dat we financieel ondersteunen, is zeer goed. We moeten het mogelijk maken dat ouders in Brussel en andere steden geconcentreerd of samen hun kinderen in een school inschrijven om van een gekleurde school een iets minder gekleurde school te maken. Al die elementen zullen in de regeling zitten die de komende weken aan het parlement zal worden voorgelegd.

Wat betreft de omkadering en leerkrachten, klopt het, mijnheer Segers, dat als je uitbreidt, je daarvoor moet zorgen. We zijn met het leerkrachtenloopbaandebat begonnen. Dat zal niet in een, twee, drie zijn opgelost. Die illusie moeten we niet creëren. Ik wil er even op wijzen dat de omkaderingsnormen in Brussel op dit moment al veel beter zijn dan in Vlaanderen. Er gaan meer extra middelen naar Brussel en er is extra ondersteuning in Brussel in vergelijking met Vlaanderen. Nu proberen we samen met de VGC om al die ondersteuning beter te bundelen en nog beter aan de scholen te geven.

We moeten ook eens out of the box durven denken en creatief nadenken hoe we het onderwijs en vooral de kwaliteit van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel moeten aanpakken.

Samenvattend, de Vlaamse Regering is niet te laat wakker geworden. Wij kennen het probleem. Wij nemen onze verantwoordelijkheid. Wij zijn niet de hoofdcoördinator in Brussel. Dat is het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Wij spelen ten volle onze rol. De Vlaamse Regering en de VGC werken goed samen. Het is geen kwestie van de ene of de andere te overtuigen. In het belang van de Brusselse kinderen zorgen wij ervoor dat zij onderwijs hebben. Laten we daar geen politieke spelletjes over spelen en daarvoor werken. (Applaus bij de meerderheid)

Sven Gatz

Minister, ik dank u voor uw antwoord. U hebt niet echt geantwoord op mijn specifieke vraag die deel uitmaakt van het actualiteitsdebat. Ik stel voor dat ik een aantal elementen die te maken hebben met de problematiek van de thuistaal Nederlands via een schriftelijke vraag laat beantwoorden. Ik ga er nu niet verder op in. Dit is een element van discussie maar het is geen hoofdpunt.

U hebt gezegd dat wij de volgende weken zullen worden verblijd met nieuwe beleidsmaatregelen. Wij zijn in blijde verwachting.

De heer Bouckaert heeft gezegd dat hij merkt dat er een bepaalde moeilijke relatie is tussen u en minister Vanraes. Ik denk dat dit op en af gaat. Ik denk dat minister Vanraes, indien dat nodig zou zijn, zeker bereid zou zijn om in de commissie Onderwijs of in de commissie Brussel het fameuze plan te komen toelichten. Dat is geen enkel probleem.

Minister, het spijt me uit de grond van mijn hart dat ik u ontgoocheld heb. Ik heb mezelf niet ontgoocheld als parlementslid en ik heb ook niet het gevoel dat ik de collega’s heb ontgoocheld. U hebt in het voorjaar een gezamenlijke persconferentie gegeven met minister Vanraes over de middellangetermijnvisie voor het Nederlandstalig onderwijs. Belangrijk was dat twee visies elkaar daarbij tegemoetkwamen: de kwaliteit en de kwantiteit. Op een gegeven moment werd het een nogal simplistisch verhaal waarbij sommigen zeiden dat men alleen met capaciteitsuitbreiding bezig was, dus kwantiteit, terwijl anderen zeiden dat ze alleen met de kwaliteit bezig waren. Uiteindelijk hebben die visies elkaar grotendeels gevonden. Ik heb ook gemerkt dat uw visie over gerichte capaciteitsuitbreiding is overgenomen in het plan van minister Vanraes. Daar zit ook een rangorde in van de gemeenten waar men eerst moet investeren omdat er meer vraag is naar bijkomende Nederlandstalige scholen. Op zich is dat positief, maar er kan nog meer gebeuren.

Het is ook goed dat u samen een nieuwe campus hebt aangekocht, Nieuwland, op de grens van de Marollenbuurt. Wat we nu willen, is dat er op eenzelfde manier kan worden samengewerkt met Brussel, wanneer u dat doet met andere steden. Het is een normale vraag van elk parlementslid en van elke stedeling, ongeacht van waar hij of zij komt, dat voor iedereen dezelfde mogelijkheden kunnen gelden.

Wat de regie betreft, is het juist dat het misschien gemakkelijker is om met Antwerpen afspraken te maken omdat de stedelijke regie in Antwerpen van oudsher veel groter is. Dat is een historisch gegeven. In Mechelen en Gent kan dat tot op zekere hoogte ook omdat dan een bepaalde overheid, in dit geval de stedelijke, een aanspreekpunt kan zijn om de andere netten mee te sleuren. In Brussel is dat moeilijker. Ik ben het niet met u eens wanneer u alle heil verwacht van Brussels minister-president Picqué. De vergadering die u, minister-president Peeters en alle betrokkenen hebben gehad in december, was belangrijk voor de onderkenning van het maatschappelijk probleem dat er een demografische uitdaging op ons afkomt en dat er overleg zou moeten plaatsvinden. Wanneer we de rol van minister-president Picqué daarin bekijken, dan heeft die vooral te maken met de algemene aanpak van het probleem en de medesturing van wat het Franstalige onderwijs gaat doen. Wat het Nederlandstalig onderwijs doet, beslissen minister Vanraes en u. U hebt een beetje minimalistisch gedaan over het plan van minister Vanraes. Dat is zeer gedetailleerd. In bepaalde dossiers zoals het gemeenschapsonderwijs kan voortgang worden gemaakt.

Laten we ons dus niet verschuilen achter andermans verantwoordelijkheden. Er zijn dingen die u nu samen met de VGC kunt doen. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering doet trouwens ook een aantal dingen. Zo moest er voor een concreet dossier van het gemeenschapsonderwijs in Schaarbeek een bestemmingswijziging komen voor een bepaalde zone. Die is ook gebeurd. We moeten zo veel mogelijk proberen politieke spelletjes te vermijden, maar dat gebeurt dan ook het best aan beide zijden. We vragen dus dat u voluit mee die regierol aan Vlaamse zijde op u zou nemen, en dat niet schoorvoetend zou doen. De heer Van Der Taelen heeft het al opgemerkt: we horen vaak dat Vlaanderen Brussel niet loslaat, maar als het dan over de concrete invulling gaat...

Wat de financiële middelen betreft, los van een paar akkefietjes in het begrotingsdebat op het einde van vorig jaar, volgen die nog altijd wel. We willen dat de Vlaamse Gemeenschap voorrang geeft aan Nederlandstalige kinderen in Brussel. Dat is een strategische keuze. We willen dat de Nederlandstaligen volwaardig hun rol spelen. We willen echter ook een ethisch element inbrengen, namelijk dat alle kinderen die dat willen, in onze scholen terechtkunnen, omwille van de sociale mobiliteit. Dat hoor ik te weinig in dit soort debatten. Daarom stel ik mijn hoop op de bijeenkomst waarin de politieke partijen in alle eerlijkheid hun ruime toekomstvisie op Brussel zullen uiteenzetten. Het is wat symptomatisch dat we dat moeten doen achter gesloten deuren, maar dat is nu eenmaal de afspraak.

Minister, ik hoop dat u de verbintenissen die u op deze tribune op u hebt genomen, gestand zult doen.

Minister Pascal Smet

Mijnheer Gatz, ik zou graag van u vernemen wat ik nog meer zou moeten doen dan ik nu doe in de samenwerking met minister Vanraes. We werken wél heel goed samen. Onze medewerkers zitten samen. We laten ons niet uit elkaar spelen. Telkens als er een vraag is, antwoorden we daarop. We lichten elkaar in en trekken samen aan dossiers. U zegt dat de Vlaamse Gemeenschap die regierol op zich moet nemen. Wij doen dat. We zitten samen en we wachten inderdaad niet op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om samen te doen wat we moeten doen.

Op het einde van uw vraag haalt u echter zelf de reden aan waarom het zo nodig is dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dit coördineert, namelijk omdat de Vlaamse Gemeenschap niet alle problemen in Brussel kan oplossen. We moeten afspraken maken met de Franse Gemeenschap. We moeten daar samen een oplossing voor bieden, ook al was het om bepaalde verhoudingen, of andere verhoudingen, te aanvaarden. Dat missen we wel ter zake. Het echt grote verschil tussen Brussel en andere steden is dat we die regiefunctie niet hebben. We hebben die functie nodig. Het is op zich ook al heel belangrijk dat de Vlaamse Gemeenschap heeft aanvaard dat ook het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een coördinatierol kan spelen in een gemeenschapsmaterie. Het enige dat we aan het gewest vragen, is dat het die rol op zich zou nemen. Dat belet me uiteraard niet om met minister Vanraes voort te werken aan wat we moeten doen.

Ik luister echter ook heel goed naar wat ouders zeggen. Zij vragen dat ze hun kinderen samen naar een school zouden kunnen doen. Ze vragen niet zozeer bijkomende plaatsen. Dan gaat het over kinderen van Nederlandstalige ouders. Voor die andere kinderen moeten we bekijken hoe we kunnen uitbreiden en toch kwaliteit kunnen garanderen, gelet op de specifieke context van Brussel.

Hopelijk kunnen we dat uitdiepen in die commissie, ongeacht de grenzen tussen meerderheid en oppositie. We hebben afgesproken dat we dat zouden doen in een besloten vergadering van de verenigde commissies Brussel en Onderwijs. Daar zullen we de begane paden moeten verlaten. We zullen niet kunnen voortdoen zoals we dat nu doen: daarvan ben ik meer dan ooit overtuigd.

Gerda Van Steenberge

Minister, in grote lijnen ben ik blij met uw antwoord. U weet dat we ook in de commissie vrij goed overeenkomen, en dat ik het ook zeg als het goed is. In het begin van uw betoog deed u echter uitschijnen dat u niet begreep dat er nu een actualiteitsdebat plaatsvond over dit onderwerp, omdat het wel zou worden besproken in die commissie. U weet heel goed dat ik de commissie regelmatig volg. Voor mij kwam dat enigszins uit de lucht gevallen. Vorig jaar had u gezegd de inschrijvingsperiode tegen eind 2012 te zullen evalueren. Nu zegt u, en dat verheugt me, die evaluatie over een aantal weken te zullen doen. Dat is een groot verschil. U begrijpt nu heel goed dat wij die vraag nu stellen: eerst had u immers aangekondigd dat die evaluatie in 2012 zou gebeuren.

Het gaat hier specifiek om Brussel. Mijn belangrijkste zorg is dat we ervoor moeten zorgen dat er tegen die oorspronkelijk voor 2012 geplande evaluatie nog Vlaamse kinderen in Vlaamse scholen aanwezig zijn. Dat is een probleem. We moeten ervoor zorgend dat het Nederlandstalig karakter in de Nederlandstalige scholen in Brussel behouden blijkt. We moeten er ook rekening mee houden dat dit probleem, zoals de heer Van Rompuy al heeft vermeld, ondertussen naar de Vlaamse Rand uitdeint. Het zou hem allicht pijn doen mijn naam hierbij te vermelden of me gelijk te geven.

Ik kijk uit naar de nakende evaluatie. Volgens de minister moeten we de inschrijvingen in Brussel anders behandelen dan de inschrijvingen in de andere steden. Dat klopt. We moeten ervoor zorgen dat de regel betreffende broers en zussen niet met de 55 procentregel botst. Dat is nu wel het geval.

Indien de minister decretale maatregelen wil treffen die het Nederlandstalig karakter van de Nederlandstalige scholen ten goede komen, zullen wij hem steunen.

Minister Pascal Smet

Ik wil misverstanden vermijden. De globale, diepgaande evaluatie van heel het inschrijvingsbeleid zal in de reeds aangekondigde periode plaatsvinden. Nu gaat het om de aanmeldingsprocedure, die natuurlijk ook een impact op de inschrijvingsregels heeft. We hebben altijd gezegd dat het nu om het derde en laatste jaar van de experimenten gaat. Daarna gaan we naar een stabiele regeling voor de komende jaren. We zullen die regeling baseren op de ervaringen die we in de experimenten met aanmeldingen hebben opgedaan. We kunnen het niet over de aanmeldingen hebben zonder op een bepaald ogenblik ook aan de inschrijvingsregels te raken. Dat zal de komende weken gebeuren. Het fundamentelere debat zal later moeten plaatsvinden. Ik ga er evenwel van uit dat het debat over de aanmeldingsprocedure mevrouw Van Steenberge al tevreden zal stellen.

Boudewijn Bouckaert

De verhouding tussen de aanmeldingsregels en de substantiële inschrijvingsregels blijft enigszins onduidelijk. Beide zijn in sterke mate aan elkaar gekoppeld. Indien dit de komende weken, naar aanleiding van Onderwijsdecreet XXI, moet worden geregeld, moeten eigenlijk ook de inschrijvingsregels veranderen.

Het gaat hier dan ook niet om een technisch debat. De discussie tussen mevrouw Pehlivan en mezelf toont in zekere mate aan dat het hier een grondig debat betreft. Wanneer zal er een grondige hervorming komen? Zal dat in 2012 gebeuren? Komt er nu een voorlopige regeling?

De minister is er niet voor gewonnen zomaar scholen in Brussel bij te bouwen. Volgens hem zou hierdoor het Nederlandstalig karakter verwateren. Wat ons beleid ten aanzien van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel betreft, bestaan er eigenlijk twee politieke lijnen.

De ‘reconquista-lijn’, een term die van professor Van Parijs afkomstig is, stelt dat de Vlamingen het maar moeten wagen. Door veel scholen te bouwen, kunnen ze Brussel misschien weer gedeeltelijk vervlaamsen. Dat is ook de lijn die de heer Van Der Taelen volgt. De andere lijn, die door de minister is vertolkt, houdt in dat we hier voorzichtig mee moeten omgaan. We moeten niet te veel scholen bijbouwen. We moeten vooral proberen het onderwijs Nederlandstalig te houden. Heeft de Vlaamse Regering nu al een lijn gekozen? Het blijft onduidelijk welke lijn de Vlaamse Regering wil volgen.

Mijn laatste punt betreft de school van keuze. Volgens de minister vinden alle leerlingen een school, maar dan niet altijd de school van hun eerste keuze. Dat is een redelijke opmerking. De minister kan niet iedereen in functie van de eerste keuze bedienen. Er moet echter een redelijke delivery zijn. Als hij leerlingen enkel de school geeft van hun tiende keuze, ver van huis en in een ander schooltype of levensbeschouwelijk type, komt het er niet op neer dat hij die leerlingen bedient. Welk criterium wordt gehanteerd om te bepalen of die kinderen al dan niet naar hun eigen keuze zijn bediend?

Minister Pascal Smet

De lijn van de Vlaamse Regering is duidelijk. Indien we in Brussel Nederlandstalig onderwijs aanbieden, moet het goed onderwijs zijn. Dat betekent dat we de mensen geen valse illusies mogen geven.

Als we gericht willen uitbreiden, gekoppeld aan kwaliteit, moeten we ervoor zorgen dat kinderen die in het Nederlandstalig onderwijs terechtkomen, al vanaf de crèche in een Nederlandstalige crèche zitten. Het meest ideale beeld is dat ze na de Nederlandstalige crèche naar een Nederlandstalige kleuterschool gaan, dan doorstromen naar een Nederlandstalige lagere school en liefst ook naar een Nederlandstalige secundaire school en dat die kinderen ook vrijetijdsactiviteiten doen in het Nederlands door naar Nederlandstalige sport- en jeugdverenigingen te gaan. Van het Nederlands een knuffeltaal maken in een internationale stad met als omgevingstalen het Frans en andere talen, in plaats van het Nederlands enkel als een instructietaal te beschouwen, dat is de uitdaging.

Het mooie aan het project ‘Nieuwland’, dat we in hartje Brussel hebben uitgewerkt, is dat het vanuit dat concept vertrokken is. We zijn er ook in geslaagd om zelfs het deeltijds kunstonderwijs daarin te plaatsen.

De lijn is dus heel simpel. Als we in de toekomst nieuwe Nederlandstalige scholen oprichten en daar kinderen onderwijs laten volgen, moeten we in staat zijn om al die kinderen in een min of meer Nederlandstalige leefomgeving te laten opgroeien. Dat is de meest verstandige lijn voor de Brusselse kinderen.

Een redelijke afstand is in Brussel niet zo evident. Wie naast een metrostation woont, kan in tien minuten bijna aan de andere kant van de stad staan. Als daar een school is, kan die veel makkelijker zijn dan een school die maar een paar kilometer ver ligt maar waarvoor men een halfuur in de auto zit. Het is niet eenduidig om er kilometers of wat dan ook op te plakken, de kwestie is ingewikkelder.

Vorig jaar waren er geen echte problemen voor Nederlandstalige ouders in Brussel om hun kind in een Nederlandstalige school te plaatsen. Dat lukte dan misschien niet in het Sint-Jan Berchmanscollege, in het Maria-Boodschaplyceum (MABO) of in het atheneum van Etterbeek, dat klopt. Er zijn een aantal goede scholen en mensen willen hun kinderen daarin krijgen. De uitdaging voor ons moet dus zijn dat we in Brussel ook andere goede en kwaliteitsvolle scholen krijgen in plaats van lukraak uit te breiden.

Fatma Pehlivan

Minister, heb ik u goed begrepen, want tot nu toe hebt u hier nooit over gesproken? Bedoelt u dat er voor Brussel een apart aanmeldings-, inschrijvings- en GOK-beleid kan komen dan in de rest van Vlaanderen? Ik zou u daarin kunnen volgen.

Ik herinner me dat we vorig jaar bij de wijziging van een aantal artikels van Onderwijsdecreet XX, Brussel als voorbeeld genomen hebben. Daardoor moest het aanmeldingssysteem in andere grote steden veranderen. Dat was het geval in Gent met een systeem dat goed werkte. Ik hoop dat u me bevestigt dat ik het goed heb gehoord.

Mijnheer Bouckaert, een technisch probleem heeft uiteindelijk invloed op het pedagogische aspect van de school zelf. Heel het GOK-beleid, ook inhoudelijk, kan op die manier worden meegenomen in de evaluatie.

Minister Pascal Smet

U hebt me goed begrepen, in dit denkspoor is er een verschillende regeling voor Vlaanderen en Brussel. Dat wil niet zeggen dat alles verschillend is, maar wel dat de regeling niet voor 100 procent dezelfde is.

Ann Brusseel

Minister, ik heb een probleem met een van de zaken die u vernoemde met betrekking tot de kwaliteit. Uiteraard zijn wij allemaal voorstanders van goed onderwijs. U hebt het daarbij echter over de verwatering van de Nederlandstaligen die een invloed zou hebben op de kwaliteit.

Ik heb vorig jaar in een schriftelijke vraag al gepeild naar het wetenschappelijk onderzoek waarop u zich baseert om de correlatie te zien tussen kwaliteit en de thuistaal van kinderen. Het antwoord erop, dat herinnert u zich nog wel, was zodanig mager, het was echt schrijnend. De stelling wordt niet gestaafd. Ik begrijp dat de verwatering vrees inboezemt bij sommigen, maar de stelling werd niet gestaafd.

Ik heb er ook vanuit ethisch oogpunt een enorm probleem mee. Hoe meer de nadruk wordt gelegd op de correlatie tussen kwaliteit en anderstaligheid of kenmerken van de leerlingen, hoe meer er eigenlijk wordt gezegd dat de kwaliteit van ons onderwijs een verantwoordelijkheid is van de leerlingen. De facto verschuift u de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit naar de kinderen, en dat zou helemaal niet mogen.

Begrijpt u me niet? Ik zal het u duidelijk maken. U mag de kwaliteit van uw onderwijs niet zomaar laten bepalen door de instroom, want dat is intellectueel oneerlijk. De kwaliteit van uw onderwijs moet worden gegarandeerd door de onderwijsverstrekkers, door de omkadering, door de klasgrootte, door de pedagogische methodes, door de middelen die wij erin steken.

Als u ziet dat er probleemgroepen zijn, kinderen uit kansarme milieus, kunt u niet zeggen dat we er daar in onze scholen minder van moeten hebben omdat we anders minder kwaliteit zouden hebben. Neen, u moet meer middelen in die scholen steken. Dat is wat u moet doen.

Minister Pascal Smet

We geven al heel veel meer middelen aan Brussel in vergelijking met de rest van Vlaanderen. Mevrouw Brusseel, dat kunt u niet ontkennen. Ik wil niet in twijfel trekken dat we dat moeten doen. Ik zeg u dat, vooraleer u verkeerdelijk zou begrijpen dat ik daarover twijfels zou hebben. Dat is helemaal niet zo.

Er ligt inderdaad een deeltje verantwoordelijkheid bij de kinderen. Dat is evident. Ze moeten hun best doen. Ook de scholen, de leerkrachten en directies, moeten hun best doen. De ouders moeten enorm betrokken zijn bij hun kinderen. Als iedereen dat doet, komen we tot de beste schoolresultaten en de beste kansen voor kinderen. Dan laten we de kinderen inderdaad schitteren. Dat is wat we met deze Vlaamse Regering willen doen.

Gerda Van Steenberge

Ik wil een actualiteitsmotie aankondigen.

Sven Gatz

Ik wens ook een actualiteitsmotie aan te kondigen.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Het debat is gesloten.

De voorzitter

Actualiteitsmoties

Door mevrouw Van Steenberge, door de heer Gatz, door de heer Bouckaert en door mevrouw Idrissi werden tot besluit van dit actualiteitsdebat actualiteitsmoties aangekondigd. Ze moeten uiterlijk om 16.30 uur zijn ingediend.

Het parlement zal zich daarover straks uitspreken.

Het incident is gesloten.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.