U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Deckx heeft het woord.

Kathleen Deckx

Voorzitter, taalachterstand is een van de grootste problemen die een mens kan hebben. Ik denk dat we het hier allemaal over eens kunnen zijn. We zijn het er allicht ook over eens dat het onderwijs de plek bij uitstek vormt om dit probleem aan te pakken. Zodra de minister van Onderwijs, die tevens de minister van Jeugd is, deze problematiek wat breder wil aanpakken en daar in zijn beleidsbrief iets over schrijft, ontploft Vlaanderen zowat. De kranten staan er vol van. Vandaag willen vijf Vlaamse volksvertegenwoordigers de minister dezelfde vraag stellen.

Mijns inziens, siert het de minister dat hij werk wil maken van het oplossen van de taalachterstand van kinderen. Bijkomende lessen lijken me een goed idee. Ze kunnen zelfs op een speelse manier worden gegeven. Het is noodzakelijk een taal zo goed te leren dat ze ook buiten de schoolmuren kan worden gebruikt. Het jeugdwerk, de sportverenigingen, de culturele sector en andere beleidsdomeinen zijn hier uitermate geschikt voor.

Minister, u hebt dit in uw beleidsbrief geschreven. Hoewel die beleidsbrief nog moet worden besproken, zou ik u nu al willen vragen of u enig zicht op de praktische uitwerking van dit item hebt. Is hierover al overleg gepleegd? Wat staat nu concreet te gebeuren?

De voorzitter

Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Gerda Van Steenberge

Voorzitter, ik zal de minister aan de eerste zin van de beleidsnota Onderwijs 2009-2014 blijven herinneren. “Onderwijs is een beleidsdomein waarin niets gerealiseerd wordt als het zich in woelig water bevindt.” De minister is de kapitein van een schip. Hij moet ervoor zorgen dat dit schip buiten woelig water blijft. Ik heb echter de indruk dat hij er telkens weer in slaagt binnen de onderwijswereld een storm van protest en reacties te ontketenen. De oorzaak is zijn communicatie, die ondoordacht en te snel verloopt.

Gisteren heeft de minister in de kranten verklaard dat hij de taalachterstand bij allochtonen met behulp van het onderwijs wil wegwerken. Misschien moet ik de kranten niet geloven. Hij wil, buiten de reguliere uren, bijkomende lessen Nederlands laten geven. Vandaag heeft de minister dit bericht al wat genuanceerd. Hij vindt nu dat het breder moet gebeuren. Hij wil samenwerken met het verenigingsleven en met de sportverenigingen om die taalachterstand weg te werken.

Voor alle duidelijkheid wil ik nog even vermelden dat elk initiatief om taalachterstand weg te werken een goed initiatief is. Ik wil op dit vlak niet verkeerd worden begrepen. We hebben hier al meermaals betoogd dat het wegwerken van de taalachterstand zeer belangrijk is. De taalachterstand, meer bepaald het feit dat het Nederlands niet wordt beheerst, is immers een van de oorzaken van de ongekwalificeerde uitstroom en de vroegtijdige schoolverlating.

Initiatieven moeten echter ook toereikend zijn. De minister heeft het over sport- en jeugdverenigingen. Ik denk dat het om vrijblijvende initiatieven gaat. De minister kan niemand verplichten in korte broek naar een jeugdvereniging te gaan of zich bij een sportvereniging aan te sluiten. De minister moet dit probleem met behulp van het onderwijs aanpakken. Ik denk dan niet enkel aan bijkomende uren, maar zelfs aan taalbaden.

Minister, welke initiatieven zult u juist nemen? We weten dat er in het onderwijs geen geld is. Voor mij bestaat de enige oplossing uit het stimuleren van taallessen in het onderwijs. Hebt u hier een visie op, of hebt u al praktische initiatieven in gedachten?

De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen

Voorzitter, minister, collega’s, in de beleidsbrief over het jeugdbeleid vinden we inderdaad uw intentie om initiatieven te nemen inzake taalachterstand. Ik heb vragen bij wat u via Jeugd tracht te realiseren. Ik begreep dat u sprak over lessen taal, maar ik vraag me af of dit het juiste instrument is om via Jeugd in te zetten. Ik geloof er sterk in dat er in de vrijetijdssfeer een bijdrage kan worden geleverd tot taalstimulering van jonge kinderen. We moeten daarop inzetten, maar dat is iets anders dan taalremediëring en taallessen. Ik vraag me af hoe u dat ziet, omdat dat niet thuishoort bij het jeugdbeleid. Ik denk dat er wel een heel sterk taalstimuleringsbeleid kan worden gevoerd via de vrijetijdssector.

Daarnaast vind ik geen uitgewerkte visie en aanpak in de beleidsnota Onderwijs, terwijl ik ervan overtuigd ben dat er via onderwijs heel sterk kan worden ingezet op het wegwerken van taalachterstand. Ik heb er al eerder voor gepleit om veel meer aandacht te schenken aan een diversiteitsbeleid, aan hoe er op heel jonge leeftijd kan worden gewerkt aan taalstimulering en niet enkel aan taalremediëring. Dat is een heel belangrijk verschil.

We moeten niet alleen inzetten op expliciet leren, maar ook op impliciet leren. Alle onderzoeken tonen aan dat impliciet leren zeker zo belangrijk is in taalverwerving als expliciet leren. Extra taallessen is expliciet leren.

Minister, hoe gaat u het diversiteitsbeleid binnen Onderwijs kracht bij zetten, zodat de taalachterstand wordt weggewerkt?

De voorzitter

Mevrouw Vanderpoorten heeft het woord.

Marleen Vanderpoorten

Ik sluit me helemaal aan bij de vraag van mevrouw Helsen. We vinden allemaal dat er iets moet worden gedaan aan taalachterstand, en liefst op zo jong mogelijke leeftijd. Het probleem is breed. In Antwerpen hebben we bijvoorbeeld wachtlijsten voor het leren van Nederlands.

Minister, wat Open Vld van u verwacht, is een integrale visie op het inhalen van taalachterstand. Wat krijgen we in de plaats? Een losse flodder die dan nog verdwaald is in de beleidsbrief Jeugd, waarin u zegt dat een en ander moet worden bijgestuurd buiten de klasuren. Blijkbaar is daar met niemand overleg over gepleegd, gezien de reacties vanmorgen in de pers. De vakbonden reageren. U bent bezig met het overleggen van een cao, maar zij hebben tijdens de besprekingen niets gehoord. In de beleidsbrief Onderwijs wordt er met geen woord gerept over het bijwerken van leerlingen met taalachterstand.

Nochtans is er in de commissie al geregeld over dit onderwerp gepraat en heeft Open Vld al voorstellen aangedragen. We vinden het bijvoorbeeld cruciaal dat er voor de kleinste kinderen wordt gewerkt met kleinere klassen en een vroegere inschrijvingsleeftijd. Daar hebt u echter geen oren naar. Daarom vragen we hoe u een en ander zult organiseren en waar u het geld daarvoor gaat halen.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, uiteraard delen wij uw doel en uw bezorgdheid. Het is belangrijk om onze kinderen te wapenen met een goede kennis van het Nederlands. Wat u nu opnieuw in de media hebt gegooid is niet alleen een onuitgebroed ei, maar bovendien is het ook vasthouden aan oude recepten. U legt de verantwoordelijkheid bij de leerlingen zelf, die extra lessen moeten volgen. U spreekt over extra schoolse klassen, dan nog op woensdag en zaterdag.

U wijst leerlingen op hun tekorten. Heel uw beleid is daarop gericht. U organiseert taalproeven. Kinderen moeten worden geremedieerd. Het doet iets met een kind om van in de kleuterklas te worden geconfronteerd met het feit dat het iets niet kan, dat het moet worden bijgespijkerd. Steeds meer begint wetenschappelijk onderzoek erop te wijzen dat het net belangrijk is om kinderen succeservaringen te laten ervaren.

Eigenlijk zou uw beleid daarop gericht moeten zijn. Er bestaan succesvolle proefprojecten. Ook wetenschappelijk onderzoek van het Centrum voor Taal en Onderwijs wijst erop dat het belangrijk is om zelfvertrouwen te creëren en met succeservaringen te werken.

Minister, bent u bereid om vragen te stellen bij het systeem en de aanpak van taalverwerving? Bent u bereid om de mogelijkheden van meertalig onderwijs te onderzoeken?

De voorzitter

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Voor alle goed begrip: ik heb niet gecommuniceerd. We hebben een beleidsbrief opgesteld. De minister-president heeft ons op vraag van de voorzitter gevraagd dat we geen toelichting geven bij onze beleidsbrieven vóór ze in de commissie worden besproken. Ik hou mij daar scrupuleus aan. Ik ga daar niet off, niet on en niet ver van de record iets over zeggen.

Ik werd dan geconfronteerd met een journalist die mijn beleidsbrief Jeugd gelezen had. Hij begon daaruit te citeren. Ik heb dat vastgesteld. Ik vind net als collega Van den Bossche dat ik dan mag uitleggen wat erin staat. (Opmerkingen van de heer Jan Verfaillie)

De voorzitter

Mijnheer Verfaillie, u hebt net 10 minuten zitten babbelen met de heer Martens. U hebt het debat niet gevolgd. U moet nu geen commentaar komen leveren. Dat is ongepast.

Minister Pascal Smet

Ik heb mij scrupuleus gehouden aan de afspraak met de voorzitter en de minister-president.

Uiteraard spreken wij in de beleidsbrief Jeugd over taalstimulering. Ik weet niet of u gezien hebt onder welke titel dat staat. Het staat onder ‘Experimenteren met proeftuinen’ als volgt: “In het kader van de actie ‘inspired by’ zal ik de bestaande voorbeelden van taalstimulering Nederlands in het jeugdwerk verzamelen en breder promoten.” Het gaat daar over de mogelijkheden, en het kan. Iedereen erkent, daar ben ik blij om, na vele jaren dat er een probleem is met de taalkennis van kinderen. Dat is de schande van onze tijd! Na 20, 30 jaar van migratie, mevrouw Vanderpoorten, slagen we er nog altijd niet in om kinderen die hier lang geleden geboren zijn, goed Nederlands te leren. Die kinderen leren geen vakken, het gevolg is taalachterstand, leerachterstand, werkloosheid en hetzelfde voor hun kinderen.

Ik ben geen minister geworden om minister te zijn, ik ben minister geworden om iets te veranderen. U kunt mij niet kwalijk nemen dat ik in een beleidsbrief waarin een minister normaal gezien uitlegt wat hij het komende jaar gaat doen, zeg wat ik ga doen. Ik zeg dat ook concreet en niet in wollig taalgebruik waarmee men alle richtingen uit kan.

Ik hoef niet te nuanceren. Ik zit helemaal niet in een storm, mevrouw Van Steenberge. Als u dat denkt, hebt u nog nooit een storm meegemaakt. (Opmerkingen van mevrouw Gerda Van Steenberge)

Ik weet mij gesteund door zoveel allochtone ouders en door zoveel leerkrachten! Ik ga veel praten in scholen.

Ik heb in dit parlement al gesproken over de taaldiagnoseproeven. Wie a zegt, moet ook b zeggen. We kunnen niet vaststellen dat er kinderen met problemen zijn en dan gewoon voortdoen. Voor sommige kinderen zal er in de klas iets gebeuren: extra aandacht van de leerkracht, gedifferentieerd leren, daar ben ik het mee eens. Bij andere kinderen betekent dat taalstimulering, onder andere, mevrouw Meuleman, door het jeugdwerk. In Maasmechelen doen ze dat.

Kris van den Branden van het Centrum voor Taal en Diversiteit heeft technieken ontwikkeld om in de Vlaamse Rand rond vrijetijdsbesteding en taalstimulering te werken. Ik heb met uw collega Guy Vanhengel, mevrouw Vanderpoorten, zomerscholen opgericht. Daar gingen kinderen in de zomer naartoe om Nederlands te leren. Er bestaat van alles! We willen al die goede initiatieven bundelen en tonen dat we op die manier een ketenaanpak toepassen. Kris van den Branden omschrijft dat vandaag in De Standaard. Hij zegt trouwens dat ik gelijk heb, niet dat ik het gelezen heb, maar hij zegt dat daar. Taalstimulering moet via een keten gebeuren. Kinderen moeten in de formele lestijd Nederlands leren. Maar ze leren ook Nederlands op een andere manier. Ze doen het al spelend, daarom moeten we het jeugdwerk daarbij betrekken. Dat is vrije tijd en moet vrije tijd blijven, maar we moeten daar methodologiën introduceren zodat kinderen spelenderwijs Nederlands leren.

Dat is wat we willen, ook in de integratie- en welzijnssector. We zullen in de toekomst veel meer voor een ketenaanpak moeten kiezen. We zullen alle actoren en alle neuzen in dezelfde richting moeten zetten. Vandaar dat ik in mijn beleidsbrief Jeugd heb gesteld: laat ons ook in het jeugdwerk, dat een goede methodologie heeft, aan taalstimulering doen.

Mevrouw Meuleman, ik ga ervan uit dat u die methodologie kent. Zij gaat uit van wat het kind kan, terwijl we in het onderwijs te veel uitgaan van wat het kind niet kan. Dat is een hemelsbreed verschil. Daar ben ik het absoluut mee eens. Daarom is het zo belangrijk dat ik als minister van Jeugd en Onderwijs eindelijk die brug tussen beide domeinen wil leggen.

Mevrouw Helsen heeft het gisteren terecht gezegd: het is een veelzijdige aanpak, je kunt ook in de vrije tijd aan taalstimulering doen. Maar dat heeft geen zin als de school niet weet wat er met het kind gebeurt in de vrije tijd. De school moet dat weten. Maar laten we elkaar geen Liesbeth noemen: we hebben verschillende categorieën van kinderen. Voor sommige kinderen zal het volstaan om in de gedifferentieerde les meer aandacht te besteden, voor sommige kinderen zal taalstimulering volstaan. Maar er zullen kinderen zijn die meer klassikaal Nederlands zullen moeten leren. Ik heb niet gezegd dat alle kinderen dat zullen moeten doen. Ik heb niet gezegd dat alle leerkrachten Nederlands op zaterdag zullen moeten gaan werken. Ik heb alleen uitgelegd wat dat zou kunnen betekenen. Ik stel alleen maar vast dat als je een uitleg geeft van meer dan vijf zinnen en als je een genuanceerd verhaal brengt, dat je dan soms een bepaalde weergave krijgt.

Ik heb hier niet over gecommuniceerd. Het was niet mijn bedoeling om te communiceren, want ik wou die afspraak nakomen. Maar dat gezegd zijnde, stel ik wel vast dat gelukkig in Vlaanderen en Brussel de mensen over wie het gaat het ermee eens zijn. Als kinderen op een zaterdag Arabische les kunnen volgen, dan vind ik dat kinderen op een zaterdag ook Nederlands moeten kunnen leren als ze Nederlands nodig hebben en in Vlaanderen wonen. U moet mij eens zeggen waarom u daar tegen gekant ben. Mevrouw Vanderpoorten, als ik in Brussel samen met de heer Vanhengel de Zomerschool opricht om kinderen tijdens de zomer Nederlands te doen leren, hoe kunt u er dan tegen gekant zijn dat die kinderen – niet alle kinderen, maar de kinderen die het nodig hebben – op een woensdagnamiddag geholpen worden met extra lessen Nederlands? Dat kan in klassikaal verband, maar het kan ook met huiswerkklassen. Er is een enorme vraag naar huiswerkklassen in het kader van de buitenschoolse opvang. Laat ons dat ook maar eens bekijken, om dat op die manier te organiseren.

Voorzitter, ik vind niet dat ik in een storm zit. Ik doe als minister mijn plicht: in een beleidsbrief aangeven wat ik in het komende jaar ga doen. Ik weet dat sommigen zeggen dat het een idee is. Men noemt dit aankondigingspolitiek. Mag ik erop wijzen dat het exact dezelfden zijn die in mei, ook in dit halfrond, hebben gezegd dat het ook een idee van Smet was en aankondigingspolitiek toen ik zei dat ik de capaciteitsproblemen ging oplossen? Sommigen waren zich al aan het verlekkeren en hebben in de vakantie vergaderingen georganiseerd om te onderzoeken hoe ze mij op 2 september gingen pakken. Welnu, op 1 september is het wel gelukt, hé?

Ik vind dat je als minister de plicht hebt om een visie te hebben. Met je beleid moet je die visie uitvoeren. Dat is de bedoeling van een beleidsbrief. Ik heb mij aan die bedoeling gehouden. Ik vind het al een beetje ver gekomen als u mij nu al verwijt dat ik als minister mijn job doe. (Applaus bij sp.a)

Kathleen Deckx

Collega’s, er wordt achter mij ingefluisterd wat ik hier moet zeggen, maar ik ga het niet doen.

Minister, u hebt omstandig uitgelegd wat uw plan is. Ik had het ook al zo begrepen. Er is voor mij niets nieuws onder de zon. Gelukkig zullen nu ook de anderen in dit halfrond het begrijpen. Het is heel belangrijk om te weten dat jongeren ook nu extra lessen volgen. Niet alleen over de Nederlandse taal, maar over alle vakgebieden.

Ik wil er nu niets meer aan toevoegen want er zijn nog heel wat sprekers na mij. Ik wil enkel mijn collega Yamila Idrissi citeren. Gisteren zei zij: “Als ik vroeger geen extra lessen Nederlands zou hebben gevolgd, zou mijn Nederlands nu lang niet zo goed zijn.”

Gerda Van Steenberge

Minister, u bent zo gepikeerd. Ik begrijp het niet. Ik heb uw initiatieven niet afgeschoten. U kunt het verslag misschien nog eens rustig bekijken en lezen. U zult het dan misschien ook begrijpen.

Het gaat me over uw communicatie. U hebt niet gecommuniceerd zegt u. Dus u staat zomaar in de krant. Ik zal u nog eens citeren uit de krant. U zegt dat u voor de politiek hebt gekozen om dingen te veranderen, niet om een grijze muis te zijn. Minister, u bent geen grijze muis, u bent een springmuis. U zorgt er alleen voor dat wij grijs worden, en ook de onderwijswereld. Ik heb gezegd dat de initiatieven niet vrijblijvend moeten zijn. Ik zou liever hebben dat ze verplicht worden om de taalachterstand weg te werken, niet alleen door extra uren maar door een taalbad te volgen gedurende een volledig jaar. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Kathleen Helsen

Minister, u hebt een stuk gelezen uit uw beleidsbrief maar u bent net op tijd gestopt met lezen. Ik heb gezegd dat jeugdwerk zijn eigen methodes heeft en zinvolle dingen kan doen in verband met staalstimulering maar dat taallessen nog iets anders zijn. In uw brief wordt echter heel duidelijk gesproken over taalonderwijs. Taalonderwijs hoort niet thuis binnen het jeugdwerk. Het jeugdwerk kan heel zinvol werk leveren en doet dat trouwens ook binnen de systemen van het deeltijds leren. Vanuit het jeugdwerk kan ook sterk worden gewerkt aan taalstimulering. Ik vind dat positief. We mogen van het jeugdwerk echter geen onderwijs maken en ook het omgekeerde zou niet correct zijn.

Ik vind het belangrijk dat er krachtiger wordt ingezet op een talenbeleid binnen onderwijs. Het gaat om een diversiteitsbeleid om de taalachterstand binnen onderwijs aan te pakken. Daar kan nog extra werk rond geleverd worden. Daarover vinden we niets terug in de beleidsbrief. Ik volg mevrouw Vanderpoorten wanneer ze zegt dat er opnieuw moet worden ingezet op taalstimulering in de kleuterschool en niet zozeer op taaltoetsen en daaraan gekoppeld taalremediëring. De eerste opdracht is taalstimulering.

Marleen Vanderpoorten

Minister, wij zijn voor alle initiatieven die helpen om de taalachterstand weg te werken. Uitaard gaan wij akkoord met de zomerklassen. Wanneer u zegt dat de minister visie moet hebben, dan kan ik dat enkel beamen. Een minister moet visie hebben. Maar dat is nu net wat ontbreekt. Wij vragen van u een integraal plan om die taalachterstand weg te werken maar dat is er niet. Er staat een klein zinnetje in de beleidsbrief Jeugd maar niets in de beleidsbrief Onderwijs. Dat kan niet. Daar moet aan gewerkt worden. Wij zijn ervan overtuigd dat er maar één middel is om die taalachterstand weg te werken en geen nieuwe verloren generaties te kweken: kleinere kleuterklassen en sneller verplichten om naar de kleuterschool te gaan. Wanneer u dat belangrijk vindt, dan zet u daar nu op in en wacht u niet met de aanpassing van de omkadering van kleuterscholen tot in 2014, het einde van de legislatuur. Bent u bereid om dat nu te doen?

Minister, 40 percent van de leerlingen die les volgen in ons onderwijs, volgt les in een taal die niet zijn moedertaal is. Dat is een realiteit waarmee wij moeten leren omgaan. Uit onderzoeken en proefprojecten is gebleken dat de beste manier om tot een goede kennis van het Nederlands te komen, is door op een positieve manier met die andere taal om te gaan. Hoe staat u ten opzichte van het meertalig onderwijs en bent u bereid om daarin te investeren? De resultaten blijken immers goed te zijn.

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Vera Celis

Minister, ik dank u voor de uitleg die u hebt gegeven bij de misschien wat ongelukkige communicatie van de afgelopen dagen in de kranten. Mevrouw Deckx stelt dat het verhaal in de kranten aanleiding heeft gegeven tot het ‘ontploffen’ van sommige delen van Vlaanderen. Ik ken u niet als iemand die erop staat links of rechts iemand te laten ontploffen. Zo ken ik u niet. In de krant stelt Guy Tegenbos dat u een draai om de oren verdient. Dat is wat cru gesteld, zeker na het beluisteren van uw argumenten om die communicatie wat te duiden.

Het siert u dat u wenst in te zetten op de kennis van het Nederlands. Het is zeer belangrijk, zeker voor kinderen die de taal niet machtig zijn, dat ze enorm worden begeleid bij het verwerven van de kennis van het Nederlands. Ik zou niet weten hoe men succes zou ervaren als men de taal niet kent. Er zijn kinderen genoeg die hele dagen staan te kijken, die niet weten wat er zich op school afspeelt.

U hebt de link gelegd tussen Jeugd en Onderwijs. Ik zou u toch willen vragen de focus op Onderwijs te leggen, eventuele in een getrapte toestand. Er zijn kleine problemen en er zijn grote problemen. Door middel van een taalbad kan het grote probleem worden opgelost.

De voorzitter

Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Sabine Poleyn

Voorzitter, ik zou u willen vragen hoe het komt dat deze vraag ontvankelijk werd verklaard. We zijn pas met de bespreking van de beleidsbrief begonnen in de commissie Jeugd. We dachten eigenlijk dat deze thematiek doorverwezen zou kunnen worden naar de bespreking in de commissievergadering van volgende week.

Minister, ik heb heel veel sympathie voor uw ambitie om bruggen te slaan tussen jeugdwerk, jeugdbeleid en onderwijs. Er is heel wat werk, maar alleen daar waar de expertise in het jeugdwerk een meerwaarde kan betekenen voor onderwijs. Ik denk aan de methode en de relationele vorming, het aanbod van KAJ Tegenstroom, Chiro Zindering. Het zou heel goed zijn als we daar een doorbraak konden forceren.

In dit geval gaat het echter over het stimuleren van het onderwijzen van taal. Ik denk dat u dan niet mag kijken naar het jeugdwerk. De expertise zit niet bij het jeugdwerk, maar bij logopedisten, bij anderen. Als u dat als voorstel lanceert, moet u ook begrijpen dat men daar heel gevoelig op reageert. In het jeugdwerk wil men niet graag gebruikt worden als vrijwilligersorganisaties voor een onderwijsbeleid. U moet daar heel voorzichtig mee zijn.

Het hoofdstuk waarin u het voorstel hebt gedaan, heet Jeugdinformatie. Ik vind het heel vreemd dat u het niet geplaatst hebt onder Brede school. Misschien heeft dat met de middelen te maken.

De voorzitter

Mevrouw Poleyn, als er vijf politieke partijen een vraag willen stellen en ik zie dat nog een aantal andere mensen het woord willen nemen, wie ben ik dan om te zeggen dat ik de vraag afwijs op basis van het feit dat het onderwerp volgende week aan bod komt bij de bespreking van de beleidsbrief Jeugd of Onderwijs? Welk argument moet ik volgens u aanhalen om dat te doen?

Dat geldt trouwens voor alle huidige actuele vragen. Ik had de vraag over de huursubsidie perfect kunnen doorverwijzen naar de commissie. Ik zou zelfs zo ver kunnen gaan en een argument kunnen vinden om de vragen van de heer Dewinter en de heer Hendrickx door te verwijzen. Ik kan altijd wel een zin in de beleidsbrief vinden om dat te doen. Als deze vijf dames vragen om daarover het woord te nemen, dan mogen ze het forum hebben.

Mevrouw De Wachter, het is op! Er zijn zeven sprekers toegelaten. Vijf hebben vooraan gesproken en twee in de zaal. Het spijt me. Volgende keer zal ik iemand van sp.a nemen, de keer daarna iemand van het Vlaams Belang, zodat u niet tekort wordt gedaan.

De heer Vereeck heeft het woord.

Lode Vereeck

Aangezien onze beurt nog vrij was, zou het misschien een optie zijn als wij mogen kiezen wie het woord mag nemen. (Gelach)

De voorzitter

Dat is een leuke suggestie.

Minister Pascal Smet

Voorzitter, ik onthoud uit dit debat vooral dat iedereen vindt dat we inderdaad moeten zorgen dat onze kinderen die in Vlaanderen en in Brussel wonen, Nederlands moeten spreken. Ik onthoud ook dat iedereen vindt dat het beleid van de afgelopen jaren dingen heeft gerealiseerd, maar dat dat onvoldoende is. Dat moeten we erkennen. Ik onthoud ook dat iedereen weet, dat denk ik toch, dat een ketenaanpak nodig is en dat niet alleen in het domein van onderwijs maar ook in de vrije tijd en op andere domeinen van het leven kinderen aan taalverwerving moeten doen.

Ik ben het eens dat jeugdwerk jeugdwerk moet blijven en vrije tijd is. Ik heb een groot déjà-vugevoel bij dit debat. Dit debat hebben we 5 jaar geleden ook gevoerd in de raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie in Brussel. Daar ben ik ook begonnen met Nederlandse taalstimulering bij het jeugdwerk in te voeren. Ik hoor dezelfde argumenten als hier. Degenen die er toen tegen waren, zijn daar nu enorme voorstanders van. Je kunt een kind al spelenderwijze Nederlands leren, zoals Kris Van den Branden overigens vandaag in De Standaard duidelijk aangeeft. Het is heel belangrijk dat je dat in een ketenaanpak doet, en samenwerkt met onderwijs in het verhaal van de brede school, met vrije tijd, met de sportclub, met de culturele verenigingen en andere domeinen en ervoor zorgt dat die kinderen effectief Nederlands leren. Dat is de voornaamste reden waarom we die ongekwalificeerde uitstroom uit ons onderwijs hebben.

Juist omdat ik vind dat het niet alleen een verhaal van Onderwijs is, heb ik dat uitdrukkelijk opgenomen bij Jeugd, onder het hoofdstuk ‘Experimenten met proeftuinen’, omdat we dat juist willen stimuleren. In het onderwijs gebeuren heel goede dingen maar dat weet men 10 kilometer verder vaak niet. Daarom is het zo belangrijk om aan die kennisdeling te doen.

Natuurlijk hebt u gelijk dat er een globale talennota moet komen. Ik heb hier, in de commissie en ik denk ook in de beleidsbrief Onderwijs, gezegd dat er heel duidelijk in het voorjaar van 2011 een globale talennota zal komen over de aanpak in het Nederlands. Daarvoor wachten we op de evaluatie van het onderwijs in eigen taal en cultuur (oetc) in Brussel, daarvoor wachten we op de evaluatie van de CLIL-projecten meertalig onderwijs (Content and Language Integrated Learning). Daar hebben we hier toch ook al debatten over gevoerd, mevrouw Meuleman? Daarbij heb ik telkens gezegd dat ik wil wachten op die evaluatie. Als we die hebben, verwerken we die in een globale nota tegen het voorjaar 2011.

U kunt een minister toch niet kwalijk nemen dat hij in zijn beleidsbrief duidelijk zegt wat hij het komende jaar en de jaren nadien gaat doen? Ik zie echt niet in wat je daar verkeerd aan zou kunnen vinden.

Dat is een verhaal van en-en, niet van of-of. Natuurlijk ben ik niet gelukkig met het verhaal dat in De Standaard is verschenen. Ik heb dat niet geschreven, ik heb dat zelfs niet uitgelokt. Ik heb het ook niet gewild. Maar goed, het zij zo. Er staat in se niets verkeerds in. Alleen is het daar een onderdeel van een breder verhaal. Ik had gehoopt dat ik dat breder verhaal tijdens de bespreking van de beleidsbrief zelf had kunnen brengen.

Voorzitter, in ieder geval denk ik dat we moeten kijken naar de manier waarop we met beleidsbrieven omgaan het volgend jaar en hoe ministers in staat kunnen zijn om hun eigen beleid in eerste instantie zelf uit te leggen en niet aan de hand van vragen.

Tot slot gaan we de neuzen in dezelfde richting zetten. Met het capaciteitsdebat en met vele andere dingen heb ik aangetoond dat ik een man van zijn woord ben. We zullen in het kader van een gecoördineerd talenbeleid de talenproef invoeren en zullen ervoor zorgen dat die kinderen extra taalstimulering krijgen. Ik wil het binnen 4 jaar niet op mijn geweten hebben dat ik als minister niet alles heb gedaan om ervoor te zorgen dat die kinderen een toekomst hebben.

Ik vind het een schande dat in onze samenleving kinderen opgroeien, vaak uit ouders die hier 20 of 30 jaar zijn, die nog niet in staat zijn om Nederlands te spreken. Idem dito voor de nieuwkomers. We weten dat als die kinderen geen Nederlands spreken, ze ook niet in staat zullen zijn om vakken te leren, ze leerachterstand zullen oplopen, geen diploma halen, ongekwalificeerd uitstromen en in de werkloosheid terechtkomen en dat de kans heel groot is dat hun kinderen dezelfde weg op zullen gaan.

Welnu, dat vind ik een maatschappelijke verantwoordelijkheid die we niet langer kunnen aanvaarden. Ik wil een beleid voeren dat daartegen ingaat. We zullen dat samen doen, daarvan ben ik overtuigd.

Kathleen Deckx

Minister, u pakt het probleem accuraat aan. De leerkrachten moeten nu gerustgesteld worden dat zij niet zomaar kunnen opgevorderd worden om extra lesuren te geven. Dat moet op een rechtmatige manier gebeuren.

Mevrouw Poleyn heeft gelijk te stellen dat de expertise er op dit ogenblik bij het jeugdwerk niet is. Dat wil echter niet zeggen dat ze er niet kan komen. Ik wacht op het vervolg van dit debat. Ik denk dat het de goede richting uitgaat.

Gerda Van Steenberge

Ik ben blij met uw antwoord, minister. Vooral als u zegt dat u de taalachterstand een schande vindt. Dat zeggen wij namelijk al jaren. Ik heb in mijn handtas nog een lidboekje van de partij zitten. Ik kan u gerust een lidkaart aanbieden want u zegt wat wij al jaren poneren. Ik dank u daarvoor. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Kathleen Helsen

Wat het onderwijsbeleid betreft, ben ik benieuwd naar de brede aanpak die we in het voorjaar mogen verwachten. Ik hoop dat uw keuze er vooral in zal bestaan om via het onderwijs dat vandaag wordt aangeboden, te voorkomen dat er inderdaad taalachterstand is. Op termijn mag het niet de gewoonte worden om vrij snel door te verwijzen naar buitenschoolse taallessen. We moeten ervoor zorgen dat het onderwijs zijn rol opneemt. We moeten grondig nadenken over de manier waarop we verbeteringen kunnen aanbrengen aan de toestand van vandaag.

Wat het jeugdwerk betreft, blijf ik erop hameren dat het bij jeugdwerk zou blijven. Jeugdwerk verschilt van onderwijs. Ik ben het er niet mee eens dat jeugdwerk moet evolueren in de richting van onderwijs. Dat is zeker geen goede zaak. Ik blijf de vraag stellen hoe u taallessen in het jeugdwerk kunt inpassen, terwijl dat niet de juiste methodiek is. Dat moet dieper worden uitgeklaard. Daar zit wel degelijk een probleem.

Marleen Vanderpoorten

Ik dank de minister voor zijn antwoord en ben benieuwd naar de nota die er in de lente komt. Ik blijf aandringen dat wordt nagegaan of extra omkadering van het kleuteronderwijs niet vroeger mogelijk is want dat is de belangrijkste maatregel om taalachterstand te vermijden.

Minister, ik ben nog niet helemaal overtuigd. Ik hoop dat dit in de toekomst wel het geval zal zijn. U zegt dat we op een positieve manier via succeservaringen kinderen moeten motiveren. Alleen zo kunnen schoolmoeheid en vervroegde schooluitval worden tegengegaan. Dat is absoluut zo. Dat is ook ons punt.

Wat ik echter vooral van u heb gezien, zijn taaltoetsen op zesjarige leeftijd die ervoor kunnen zorgen dat kinderen hun jaar nog eens kunnen overdoen. De extra taallessen hebt u ook naar voor geschoven. Wat ik niet zie, is bijvoorbeeld de brede school. Dat punt blijft steken. Ook meertalig onderwijs blijft bij proefprojecten. Ik hoop dat het nog wat in een andere richting zal evolueren.

De voorzitter

Het incident is gesloten.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.