U bent hier

De voorzitter

Dames en heren, het debat is geopend.

Mijnheer Reekmans, ik heb in samenspraak met de fractievoorzitter en de heer De Meulemeester afgesproken dat u als eerste het woord mag voeren omdat u zaterdag een vraag om uitleg had ingediend. Zij is zonder voorwerp omdat er een actualiteitsdebat plaatsvindt. In het vervolg zou u mij daarvan iets eerder op de hoogte moeten brengen. Het is een tactiek als een andere. De voorzitter wordt daarmee belast.

Peter Reekmans

Ik ken de volgorde van de sprekers pas sinds 11.30 uur. Ik kon niet eerder reageren.

De voorzitter

U kent de volgorde van de sprekers niet, want het is de voorzitter van het parlement die de volgorde van de sprekers bepaalt.

Mijnheer Reekmans, u krijgt 7 minuten om uw verhaal te doen. In afspraak met de fracties mag elke uiteenzetting 7 minuten duren.

Peter Reekmans

Minister, een rapport van het Rekenhof met betrekking tot de 12 miljoen euro jaarlijkse subsidies voor toeristische evenementen, de Vlaamse kunststeden en de kust en toeristische recreatieve projecten is zeer kritisch en zelfs hard voor uw beleid. Uit het rapport blijkt dat er allesbehalve sprake is van goed bestuur bij de toekenning van de subsidies. Daarom geef ik de acht belangrijkste bedenkingen uit de audit op een rijtje mee.

Ten eerste: een formele regelgeving voor de toekenning van subsidies voor evenementen en kunststeden ontbreekt, net als meetbare doelstellingen. Voor de twee andere subsidiestromen bestaat er wel een regelgeving. Op dit item reageerde u onmiddellijk met een brief aan het Rekenhof. U liet weten dat u tot een regelgevend kader voor de vier subsidiestromen wilt komen.

Dat is op zich positief, maar op de zeven andere feiten en aanbevelingen reageerde u tot op vandaag niet. Om die reden, minister, bond mijn partij het voorbije weekend de kat de bel aan. Ik lees hier de zeven andere fundamentele bedenkingen, letterlijk uit de audit van het Rekenhof overgenomen, voor de collega’s die de audit van het Rekenhof nog niet hebben gelezen.

Het tweede punt: initiatieven waarvoor subsidies worden verleend, werden nauwelijks geëvalueerd.

Ten derde: de evaluatie gebeurde niet op een gestandaardiseerde wijze. Dat houdt het risico in van een ongelijke behandeling.

Het vierde punt: voor een kwart van de subsidieaanvragen voor evenementen verstrekte uw administratie een gemotiveerd negatief advies, maar u besliste, tegen het advies van uw administratie in, deze evenementen toch te subsidiëren, zonder uw beslissing zelfs maar te motiveren.

Ten vijfde: in sommige gevallen hebt u het door de administratie voorgestelde subsidiebedrag verhoogd, tot zelfs verdubbeld. Eens te meer zonder motivering. Dat komt de facto neer op pure willekeur.

Zesde puntje: sommige aanvragers bespreken blijkbaar hun dossier rechtstreeks met uw kabinet. Zij doen dat zonder de administratie te kennen, wat de normale werking van de administratie doorkruist en negeert. Meer zelfs, u ondervraagt daardoor de werking van uw eigen administratie.

Ten zevende: subsidieaanvragen worden gunstig beoordeeld zonder dat ze budgettair gefundeerd zijn. Ze bevatten weinig gedetailleerde begrotingen.

Tot slot de achtste aanbeveling van het Rekenhof: in geen enkel subsidiedossier voor kunststeden werden financiële verantwoordingsstukken voorgelegd.

Minister, ik vraag u concreet: waarom diende u het Rekenhof wel van antwoord op de eerste aanbeveling en niet op de zeven andere fundamentele aanbevelingen? Wat gaat u nu beleidsmatig met deze aanbevelingen doen?

Tot daar de feiten, letterlijk overgenomen uit de audit van het Rekenhof. Minister, LDD gaat vandaag niet zover om te stellen dat er sprake is van wantoestanden. Maar het primaat van de politiek mag ook geen excuus zijn voor pure willekeur.

De audit van het Rekenhof is om twee redenen vernietigend voor uw beleid en uw politieke geloofwaardigheid.

Ten eerste is er het straal negeren van uw eigen administratie, het naar eigen goeddunken zonder enig criterium en dus willekeurig handelen door een minister en zijn kabinet, het gebrek aan transparante beoordelingsprocedures en objectieve motiveringen van de beslissingen. Die willekeur is, sinds u in 2004 minister van Toerisme werd, blijkbaar de normale gang van zaken geworden bij de toekenning van subsidies. Een dergelijke willekeurige wijze van politiek handelen kun je toch bezwaarlijk goed bestuur noemen.

Ten tweede, u bent ook verantwoordelijk voor bestuurszaken. Welk signaal geeft u aan de Vlaamse ambtenaren met deze eigengereide handelswijze? U demotiveert en ridiculiseert het Vlaamse ambtenarenkorps. Waarom zouden zij nog expertise opbouwen? Waarom zouden zij dossiers nog correct en intensief opvolgen en uitwerken als de minister en zijn kabinetshofhouding uiteindelijk toch eigengereid oordelen en naar eigen goeddunken handelen, los van procedures, los van objectieve analyses, los van elk aftoetsingskader en los van de budgettaire impact? Laat staan dat er een kosten-batenanalyse aan voorafging.

Minister, u en uw partij spelen in verkiezingscampagnes blijkbaar graag de politieke maagd. Jullie gingen de kabinetten afschaffen, het aantal ambtenaren afbouwen en zelfs de provincies afschaffen.

In de praktijk bent u nog erger dan de traditionele partijen, collega’s van de N-VA. Want vooral sinds uw partij in 2004 toetrad tot de Vlaamse Regering gingen de kabinetten net veel meer op het Vlaams beleid wegen. Ik zeg dat niet, het Rekenhof zegt dat. Dit dossier levert het pijnlijke bewijs dat een N-VA-kabinet, net zoals een PS-kabinet, het brandpunt en centrum van de macht is, met de minister als de spin in het web, de ‘master of the game’, mijlenver verheven boven de ambtenaren. (Rumoer bij de N-VA)

Om het eens in het Latijn te zeggen: divide et impera. Zo wordt blijkbaar vandaag gewerkt! Deze vorm van nieuw Vlaams arrivisme is een stap terug en staat diametraal tegenover uw politieke beloftes, partijprogramma, het Vlaams regeerakkoord en elke elementaire vorm van goed bestuur!

Dit gezegd zijnde, wordt het tijd dat u werk maakt, minister, van een objectief besluitvormingsproces bij het evalueren van de subsidiedossiers. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Dehandschutter heeft het woord.

Lieven Dehandschutter

Mijnheer Reekmans, ik was enigszins verrast want u bent uw betoog zeer ‘onreekmansiaans’ begonnen: zeer rustig, beheerst en to the point. Maar er zijn dingen die blijkbaar sterker zijn dan uzelf, namelijk uzelf. U bent weer kort door de bocht gegaan en u hebt weer alles met alles verbonden. U haalt een aantal zaken aan die u opblaast en uitzonderingen zijn volgens u de regel geworden.

Als u het rapport aandachtig hebt gelezen – ik neem aan dat u het hebt gelezen – dan spreken wij voor de vier subsidiestromen in 2008 over 136 aanvragen waarvan er 84 zijn gehonoreerd. Wat betreft de evenementen spreekt het rapport in de twee jaren die zijn onderzocht, namelijk 2007 en 2008, over tien aanvragen waarbij de minister het advies van zijn administratie niet heeft gevolgd. Tien zaken. Maar u stelt de zaken voor alsof de willekeur dit land regeert en de N-VA-minister precies het tegenovergestelde doet van wat goed bestuur is. Daarmee hebt u nogmaals bewezen dat u hoofdzaak en bijzaak en regel en uitzondering niet kunt onderscheiden. (Applaus bij de N-VA)

Peter Reekmans

Collega, mocht ik vandaag op uw stoel zitten, dan zou ik me ook ongemakkelijk voelen en ook met dergelijke boutades moeten uitpakken door te zeggen: het is ‘reekmansiaans’, kort door de bocht, u gooit alles op een hoopje. Enfin, het zijn de clichézinnetjes die we in dit parlement kennen. Collega’s, jullie kunnen zelfs jullie temperament niet verbergen. U moet niet vragen hoe hoog het zit. (Opmerkingen bij de N-VA)

Er is een gezegde: de waarheid kwetst. Dat merk je soms als mensen beginnen te reageren. Het feit dat er vandaag een actualiteitsdebat is, en dat het Bureau dat heeft goedgekeurd, bewijst dat er iets aan de hand is. (Opmerkingen bij de N-VA)

Als ik even mag? Men moet me de kans geven om te reageren.

De voorzitter

Mijnheer Reekmans, kom dan ter zake en antwoord op de repliek.

Peter Reekmans

Voorzitter, ik word continu onderbroken.

De voorzitter

Neen, u wordt niet onderbroken. U wordt nu onderbroken door de voorzitter. Antwoord nu op de vraag.

Peter Reekmans

Dit is geen aanval van links. Je kunt mij er moeilijk van betichten dat ik links ben en de N-VA vanuit linkse hoek wil ‘ bashen’. Men kan me van veel verdenken, maar niet van dat. Het is geen complot. Ik maak geen deel uit van een complot tegen de N-VA. Ik stel vast dat een achtbaar orgaan in dit land, het Rekenhof, een vernietigend rapport heeft gemaakt over een minister, toevallig van de N-VA. Dan ga ik tijdens het weekend, als ik tijd heb, ook eens kijken op de website van die partij, want je kunt niet alle partijprogramma’s onthouden. Daar lees ik wat jullie zeggen over de kabinetten en over de administratie. Als ik dan moet vaststellen dat de rode draad in het rapport van het Rekenhof is dat een minister negatieve adviezen van het Rekenhof naast zich neerlegt, dan wil ik nog begrijpen dat de minister het primaat van de politiek toepast en de eindverantwoordelijke is. Maar men mag op zijn minst verwachten dat die minister, als hij de beslissing van de administratie ombuigt, zijn beslissing motiveert.

Welnu, dat heeft uw minister niet gedaan. Dat is de reden waarom ik hier sta. Ik noem dat in heel simpel Nederlands willekeur. U noemt dat iets anders, maar dat zijn concrete feiten. U mag dat Reekmansiaans noemen of wat u ook maar wilt, maar 12 miljoen euro, dat raakt me. Dat is de reden waarom ik hier sta.

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Mijnheer Reekmans, de minister zal straks ook antwoorden op de beweringen die u naar voor schuift.

Peter Reekmans

Niet ik, maar het Rekenhof.

De minister is hier om straks te antwoorden. Ik stel alleen vast dat de politici in uitvoerende mandaten, en dat geldt voor een minister, maar ook voor het lokale of provinciale niveau enzovoort, de beslissingsverantwoordelijkheid hebben. Indien ik als uitvoerend politicus alleen maar de administratie zou volgen voor zaken waarvoor ik verantwoordelijk ben, dan kan ik beter thuis blijven.

U moet de redenering nu ook niet omkeren. U stelt voor een actualiteitsinterpellatie te houden over dit onderwerp. Het Bureau beslist. (Opmerkingen van de heer Peter Reekmans)

Er is een vraag. Oké zeggen we, want men beweert dat dit belangrijk is. Het wordt gevraagd. Het Bureau beslist tot een actualiteitsdebat. Maar nu keert u het om. (Opmerkingen van de heer Peter Reekmans)

Ik haal de woorden aan die u net hebt uitgesproken. U zegt dat het belangrijk is omdat we erover debatteren. Neen, we debatteren erover omdat u en anderen menen dat hierover een actualiteitsdebat moet worden gevoerd.

De voorzitter

De heer Hendrickx heeft het woord.

Marc Hendrickx

Voorzitter, collega’s, ik sluit me aan bij wat mijn fractievoorzitter net heeft gezegd. Mijnheer Reekmans, het is niet omdat hier een actualiteitsdebat wordt gehouden, dat u, voortvarend zoals u bent, moet stellen dat er iets aan de hand is. Neen, het is omdat in alle openheid, in alle klaarheid kan worden geantwoord op een aantal bedenkingen en suggesties die worden gemaakt. Dat is de oorzaak van dit debat, meer niet!

Peter Reekmans

Komaan zeg, er is een vernietigend rapport, collega!

De voorzitter

De heer Caluwé heeft het woord.

Ludwig Caluwé

Collega’s, we moeten de zaken ook duidelijk stellen. Het rapport is begin oktober binnengekomen. Het werd begin oktober naar de leden verstuurd. Men had eventueel kunnen vragen het te behandelen in de commissie Binnenlandse Bestuur. Er werd echter gevraagd om het plenair te behandelen met een actuele interpellatie. We zijn daarop ingegaan. Maar het is natuurlijk tijdens het debat dat men er de waarde van moet aantonen. Het is niet omdat het onderwerp hier geagendeerd is, dat daarmee wordt aangetoond dat het belangrijk is. Want dan zouden we eerst een serieus onderzoek moeten doen in het Bureau.

De voorzitter

Voor alle duidelijkheid: het werd op 13 oktober overgemaakt aan de volksvertegenwoordigers.

De heer Gatz heeft het woord.

Sven Gatz

Voorzitter, ik geef zelden goede raad aan collega’s, maar vandaag zou ik aan de collega’s van de N-VA willen zeggen even de kop in kas te houden. Dat ze hun minister verdedigen, is normaal. Als het Rekenhof een dergelijk rapport, dat toch wel brandhout maakt van essentiële delen van het toeristisch beleid van de minister, in het parlement brengt, dan zou ik echter een toontje lager zingen. Ik herinner me een zeer goed parlementslid uit de vorige legislatuur, dat nu voorzitter is van het Vlaams Parlement. Met een dergelijk rapport tegen welke minister dan ook zou hij van de minister die daar nu zit, niet in de beklaagdenbank maar als beleidsverantwoordelijke, américain gemaakt hebben. En de minister zou juist nog mogen kiezen tussen américain préparé en américain natuur.

De voorzitter

Het is spijtig dat ik niet kan tussenkomen in het debat.

De heer Sintobin heeft het woord.

Voorzitter, ik ben het niet eens met de fractievoorzitter van CD&V. Zoals u ook zegt, hebben we dat rapport ontvangen op 13 oktober. Ik heb daarvoor speciaal gebeld naar de commissiesecretaris, die me wist te vertellen dat van zodra er een gedrukt stuk was, het geagendeerd zou worden in de commissie. Blijkbaar is dat niet gebeurd. Natuurlijk worden we dan een beetje wantrouwig. Gelet op het explosieve karakter van dat rapport, had het al geagendeerd moeten zijn in de commissie. Dat bewijst nogmaals dat het beleidsdomein Toerisme in de verkeerde commissie zit. Door de voorzitter van die commissie wordt daar weinig of geen aandacht aan besteed. Het beleidsdomein Toerisme is toegevoegd aan de commissie voor Binnenlands Bestuur, louter en alleen in functie van de agendasetting van de minister.

De voorzitter

Mijnheer Sintobin, ik heb er als voorzitter geen enkel belang bij om een rapport van het Rekenhof niet aan de volksvertegenwoordigers mee te delen. Meer nog, op mijn voorstel is afgelopen vergadering van het Uitgebreid Bureau beslist dat vanaf het moment dat het Rekenhof een rapport overmaakt, het onmiddellijk ter beschikking wordt gesteld van de volksvertegenwoordigers, eerst via internet en achteraf als gedrukt stuk. Als het goed is, hebt u vandaag het gedrukte stuk ontvangen.

De agenda van de commissie wordt bepaald tijdens de regeling van de werkzaamheden van de commissie.

Dat zeg ik toch ook, voorzitter.

Maar het argument van de commissievoorzitter is dat de agenda reeds te druk bezet is door de bespreking van het groenboek over de interne staatshervorming. Ik wil nogmaals mijn bezwaar benadrukken tegen het toevoegen van het beleidsdomein Toerisme aan de commissie Binnenlands Bestuur. Dat leeft trouwens ook bij sommige meerderheidsfracties.

De voorzitter

De heer De Loor heeft het woord.

Ik betreur dat de heer Sintobin schiet op de commissiesecretaris en ‑voorzitter. Bij mijn weten heeft hij dat geen enkele keer naar voren gebracht bij de regeling der werkzaamheden. (Rumoer)

De commissieleden zijn inderdaad meester over hun werkzaamheden.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron

Ik was niet van plan om dit te zeggen, maar voor mijn part mogen Toerisme en Onroerend Erfgoed bij de Commissie voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media komen. Ik denk dat onze voorzitter daar ook voor zou applaudisseren. Qua homogeniteit lijkt me dat veel interessanter.

Wat ik vooral wil vragen, is: kunnen we niet over de inhoud van dit rapport praten in plaats van over de vormelijkheden? Dat is belangrijker. (Opmerkingen)

Peter Reekmans

Mijnheer Van Rompuy, het was net de meerderheid die een bocht nam en besprak waar Toerisme moet worden ondergebracht.

De voorzitter

Mijnheer Reekmans, u moet afronden.

Peter Reekmans

Ik wil het hebben over de inhoud van het rapport. De collega wil dat ik het over inhoud heb, maar hij is net binnengekomen denk ik. Ik zal hem helpen. U hebt het belangrijkste deel gemist. De inhoud die ik hier bracht, was een audit van het Rekenhof met acht bezwarende feiten ten opzichte van de minister van Toerisme en aanbevelingen. De minister heeft in juni al op één item van het Rekenhof gereageerd, op de zeven andere niet. (Opmerkingen)

Dat is een belangrijk element. Door op dat moment te reageren, gaf de minister toe dat er iets schortte. Hij heeft daar met één brief aan het Rekenhof, voor het dossier gedrukt werd, willen zeggen: ik ben op de hoogte en we gaan er iets aan doen.

Eén ding snap ik niet. Het is zogezegd weer ‘reekmansiaans’. Het is zoals de fractieleider van Open Vld zegt. Vroeger was een kuitenbijter hier een goed parlementslid, zoals onze voorzitter in de vorige legislatuur; wie nu de zaken durft aankaarten, is een ambetanterik. (Protest)

Collega’s van de N-VA, zo’n sfeer wilt u creëren. Het is ‘reekmansiaans’: wat een termen! De Croo is er niets tegen. Die heeft er zelfs een boek over geschreven. Als dit parlement niet meer de macht in handen neemt om rapporten van het Rekenhof te bespreken en hier vrank en vrij over te debatteren, dan kunt u beter het slot op de deur doen en dit parlement afschaffen! Dit is een audit!

De voorzitter

Uw tijd is om, mijnheer Reekmans.

Peter Reekmans

Er heeft wel zeven man op mij gereageerd. Ik mag mijn betoog toch wel afmaken, zeker!

De voorzitter

Mijnheer Reekmans, ik ga uw microfoon afzetten.

Peter Reekmans

Oké, dan zal ik wel vanop mijn bank reageren.

De voorzitter

De heer De Meulemeester heeft het woord.

Marnic De Meulemeester

Een rapport van het Rekenhof is meestal een dankbaar document als basis voor een parlementaire vraag. Er zitten altijd wel interessante elementen in. Dat is waarschijnlijk ook de reden van al deze commotie. Het onderzoek dat het Rekenhof voerde naar de subsidiestromen in het beleidsdomein Toerisme, tart echter alle verbeelding. Het leest eerder als een blunderboek.

De vier budgettair belangrijkste subsidiestromen binnen het beleidsdomein Toerisme, samen goed voor jaarlijks 12 miljoen euro, werden grondig onderzocht. Het gaat om subsidies voor evenementen, het Kunststedenactieplan, het Kustactieplan en de subsidies voor toeristisch-recreatieve projecten.

De conclusies zijn echter vernietigend: onduidelijke en moeilijk toetsbare doelstellingen, geen sluitende juridische omkadering, administratieve procedures die de correcte toekenning en de controle op de aanwending van subsidies onmogelijk maken, gebrekkige opvolging en evaluatie en ga zo maar door.

Minister, u hebt ons jarenlang om de oren geslagen met goed bestuur. Als er nu een zaak blijkt uit het rapport van het Rekenhof, is dat dat uw toerismebeleid allesbehalve getuigt van goed bestuur. U geeft het zelfs toe in uw reactie aan het Rekenhof. U bevestigt dat het regelgevend kader voor deze vier subsidiestromen nodig is, en dat de doelstellingen beter moeten worden afgelijnd. Wel, waar wacht u al die jaren op? Hoe komt het dat we daar al zo lang hebben moeten op wachten en dat er van die zaken nog niets in huis is gekomen?

Het is tekenend dat u bovendien aangeeft te zullen nagaan aan welke administratie deze subsidielijnen moeten worden toevertrouwd. Minister, ik zal u daarbij helpen. Het Rekenhof laat er geen twijfel over bestaan en stelt duidelijk dat het beheer van subsidiestromen een beleidsuitvoerende taak is die conform het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003 moet worden toevertrouwd aan Toerisme Vlaanderen.

De al bij al nog minst problematische van de vier onderzochte subsidielijnen, de toeristisch-recreatieve projecten, wordt momenteel beheerd door Toerisme Vlaanderen. Misschien is dat inderdaad geen slecht idee. Het kan bovendien een motivatie zijn om nu eens eindelijk werk te maken van de al jaren aangekondigde herstructurering van Toerisme Vlaanderen. U hebt de bevoegdheid Toerisme al zes jaar onder uw hoede, tot nu hebben we daar nog niets van gezien.

Van goed bestuur is dus niet veel sprake. Ik denk dat niemand daarvan nog overtuigd moet worden. Maar de problematiek gaat zelfs verder. Sta me toe even te citeren: “Sommige dossiers werden in aanwezigheid van de subsidieaanvrager besproken in een vergadering op het kabinet of het kabinet nam rechtstreeks contact op met de subsidieaanvrager om zijn aanvraag bij te sturen. Bij tien subsidieaanvragen verstrekte de administratie een gefundeerd negatief advies, maar kende de minister toch subsidies toe. De dossiers bevatten geen motivering waarom de minister is afgeweken van het advies. In twee gevallen heeft de minister het door de administratie voorgestelde subsidiebedrag zonder motivering verhoogd tot zelfs verdubbeld.” Deze citaten komen letterlijk uit het rapport.

En wat is de reactie van de minister daarop in de pers? Ik citeer opnieuw: “Ik hoef als minister het advies van mijn administratie niet te volgen. Vind ik op basis van mijn politieke keuze en verantwoordelijkheid dat een bepaald project wel of meer subsidies verdient, dan mag ik daar perfect toe beslissen. Dat zijn zeker geen onregelmatigheden.” Minister, daar gaat u toch nogal licht over, zeker als u dan ook nog aan die argumentatie toevoegt: “Ik kan geen enkele uitgave doen zonder dat de Inspectie van Financiën akkoord gaat.”

Dat zijn interessante uitspraken, als we alweer teruggrijpen naar het rapport van het Rekenhof. Dat stelt immers duidelijk dat in de adviesvragen aan de Inspectie van Financiën de evaluatie van de administratie maar ten dele werd meegegeven. Alleen de positieve aspecten van de subsidieaanvraag werden meegedeeld, niet de negatieve aspecten die de administratie had gedetecteerd.

Maar het gaat nog verder. Het is maar een voetnoot in het rapport van het Rekenhof, maar toch zeker belangrijk genoeg om letterlijk te vermelden.

“In een dossier was er een niet gunstig advies van de Dienst Internationaal Vlaanderen (DIV), maar in de adviesvraag aan de Inspectie van Financiën werd gesteld dat de DIV gunstig adviseerde, waar de inspectie zich vervolgens bij aansloot.” We kunnen hier niet anders dan besluiten dat de Inspectie van Financiën niet alleen misleid werd, maar zelfs regelrecht voorgelogen. Dat is toch wel zeer erg.

Minister, hoe u het ook draait of keert, dit zijn geen politieke keuzes meer, maar daadwerkelijk onregelmatigheden. Dat is zelfs nog een understatement. De vraag blijft natuurlijk wat het motief voor deze onregelmatigheden is. Het Rekenhof noemt projecten niet bij naam, maar toch duiken hier en daar voorbeelden op waarbij inhoudelijk sterke bedenkingen kunnen gemaakt worden. Ik wil er hier een aantal opnoemen.

Zo is er een project binnen het Kunststedenactieplan dat deels betrekking had op Oostende, wat nochtans geen kunststad is.

De voorzitter

De heer Verstreken heeft het woord. Het is niet omdat de naam Oostende wordt genoemd, dat het een persoonlijk feit is.

Johan Verstreken

Er wordt wel gezegd dat Oostende geen kunststad is. Ik wil wel even zeggen dat Oostende dit jaar Cultuurstad van Vlaanderen is.

Marnic De Meulemeester

Dat is goed mogelijk, maar ze behoort niet tot de vijf erkende kunststeden in Vlaanderen.

Johan Verstreken

Dat is in de commissie tijdens de vorige legislatuur geregeld aan bod gekomen en er is altijd gezegd dat er een link moet zijn met de Ensorstad.

Marnic De Meulemeester

Er moet een link zijn, maar ze behoort niet tot de erkende kunststeden. Zo kan iedere stad die zich belangrijk vindt, zich daar ook bij aansluiten of stellen dat ze toch ook een kunststad moet zijn. Zo is het natuurlijk gemakkelijk, mijnheer Verstreken. Oostende behoort er daadwerkelijk niet toe. Dat is misschien spijtig, want het is een zeer mooie stad met veel mooie monumenten en al wat u maar wilt, maar ze behoort er nu eenmaal niet toe.

De voorzitter

De heer Dehandschutter heeft het woord.

Lieven Dehandschutter

Ik wil gewoon even verduidelijken. Mijn aandacht werd ook gewekt door de vermelding van Oostende. Ik heb daar navraag over gedaan. Wat blijkt? Men moet het volledige verhaal kennen. Twee andere kunststeden, namelijk Antwerpen en Brugge, plus het Vlaams Audiovisueel Fonds waren bij dat project betrokken. Oostende was niet de enige solitaire aanvrager, maar ze zat in een geheel verwerkt. Dat werpt toch wel een ander licht op de situatie.

Marnic De Meulemeester

Ik neem aan dat we dat straks van de minister mogen horen.

Binnen het Kustactieplan bleek een aanzienlijk deel van de gesubsidieerde projecten ingediend te zijn door Westtoer of verbonden te zijn aan andere private toeristische actoren die zelf zitting hadden in de stuurgroep. Daarmee waren ze dus rechter en partij.

Er ging ook 18.000 euro naar een project met als doel het beschikbaar stellen van een studie/dossier voor lobbywerk naar zowel politici op gewestelijk en federaal niveau als naar private ondernemers. Een overheid die betaalt om zichzelf te laten ‘belobbyen’: wat denkt u daarvan?

De voorzitter

Kunt u afsluiten, mijnheer De Meulemeester?

Marnic De Meulemeester

Ik ga dat proberen doen, maar ik ben wel een aantal keer onderbroken.

De voorzitter

U moet zich niet ongerust maken. Ik heb de klok stilgezet.

Marnic De Meulemeester

Ik wil dit punt toch nog vermelden. W at dacht u van 75.000 euro voor de renovatie van een clubhuis van een lokale strandclub in De Panne? Dat zijn toch stuk voor stuk voorbeelden die op zijn minst de wenkbrauwen doen fronsen. Voorzitter, eigenlijk hoef ik zelfs geen concrete vragen te stellen om mijn punt te maken, het rapport van het Rekenhof is glashelder. Maar ik wil hier toch kort een aantal zaken naar voor brengen.

Minister, het Rekenhof vermeldt twee projecten waarvoor u het voorgestelde subsidiebedrag verhoogd tot zelfs verdubbeld heeft. Om welke projecten gaat het precies en hoe motiveert u uw beslissing om een significant hogere subsidie toe te kennen dan voorgesteld door de administratie? Dat is toch wel een vraag die heel velen zich stellen.

Ook het project waarvoor de adviesvraag aan de Inspectie van Financiën een gunstig advies van de administratie vermeldt, terwijl dat niet zo was, moet wel een heel bijzonder project geweest zijn. Ook hier vernemen we graag om welk project het precies gaat.

Ik sluit af, voorzitter. Er zijn eigenlijk maar twee mogelijke verklaringen voor deze fout, minister: ofwel kan iemand van uw kabinet of administratie niet lezen of schrijven, ofwel pleegde iemand van uw kabinet of administratie bewust schriftvervalsing.

De voorzitter

Mijnheer De Meulemeester, kunt u afsluiten?

Marnic De Meulemeester

Ik ga nu afsluiten, voorzitter.

De voorzitter

U zegt elke keer dat u gaat afsluiten, maar u sluit helemaal niet af. Er is afgesproken dat iedereen 7 minuten spreektijd zou krijgen. Uw 7 minuten zijn rond. Dat is zo afgesproken in het Bureau. Anders krijgen we hier eindeloze debatten.

Marnic De Meulemeester

Ik ga nu afsluiten, voorzitter. (Gelach)

Voor ons heeft heel die affaire met het rapport van het Rekenhof een bijzonder wrange nasmaak. Dit is gewoonweg de schaamte voorbij. (Applaus bij Open Vld, LDD en Groen!)

De voorzitter

De heer Kennes heeft het woord.

Ward Kennes

Voorzitter, minister, collega’s, na het ‘reekmansiaanse’ pleidooi en na de professionele afsluiter wil ik ook een kort betoog houden. Ik stel om te beginnen vast dat iets pas relevant blijkt te zijn op het moment dat het in de krant komt. De data zijn daarnet al geciteerd: op 1 oktober werd het rapport van het Rekenhof bij het Vlaams Parlement ingediend, op 13 oktober is het aan iedereen bezorgd. De commissievoorzitter was er niet. Dat is jammer, want zij had perfect kunnen uitleggen dat het niet het voorwerp heeft uitgemaakt van onze regeling van de werkzaamheden. Dat was ook door niemand gevraagd. Er werd bijgevolg in de commissie, waar dit behandeld moet worden, op geen enkel moment van uitgegaan dat er iets hoogdringend was.

Ondertussen heeft de heer Reekmans uit het rapport van het Rekenhof toch een aantal zaken kunnen distilleren en in een persbericht gieten. De Morgen en De Tijd hebben dat dan opgepikt. Op die manier krijg je dan groot nieuws en moeten daar vragen over gesteld worden in het parlement. Het Bureau besluit dan tot een actualiteitsdebat, met als gevolg dat we hier vandaag de indruk krijgen dat we met een grote staatszaak te maken hebben en dat hier heel ernstige zaken aan de hand zijn. Het is erg belangrijk, collega’s, om alles tot de juiste proporties terug te brengen. (Opmerkingen van de heer Peter Reekmans)

De voorzitter

Mijnheer Reekmans, mag de heer Kennes eerst zijn punt maken? Dan kunt u nadien repliceren.

Ward Kennes

Ik was afgelopen weekend in het buitenland, maar heb alles een beetje via de BlackBerry kunnen volgen. En ik zit me nog altijd af te vragen: waarom die hoogdringendheid?

Maar goed, het Rekenhof moet rapporten maken, en het parlement moet die bespreken. Ik heb ook vastgesteld dat de minister zelf al op een aantal zaken heeft geanticipeerd. Wie de beleidsnota Toerisme erop naslaat, die vorig jaar, dus voor dit rapport, tot stand is gekomen, kan daarin lezen: “Ik wil de kwalitatieve ontwikkeling van het toeristisch-recreatief product in Vlaanderen dan ook doelgericht stimuleren. Hiervoor zal ik één duidelijk financieringsprogramma ontwikkelen om gericht financiële impulsen te kunnen geven aan zowel de kunststeden, de kust en op termijn aan andere regio’s met toeristisch potentieel.”

Er werd ook gezegd over welke zaken dat gaat: de impulsprogramma’s voor WO I, de kunststeden – we zullen zien of Oostende daartoe behoort of niet –, de kust, Limburg en op termijn ook andere regio’s met toeristisch potentieel. Mijnheer Verstreken, u hebt dus nog kans.

We lezen verder: “Dit zal al van start gaan bij de opmaak van de nieuwe beheersovereenkomst met het agentschap Toerisme Vlaanderen. Toekomstgericht zorg ik voor een decretale verankering.” Ik stel dus vast, collega’s, dat het dossier vorig jaar reeds werd aangekaart.

In zijn vorige week ingediende beleidsbrief Toerisme maakt de minister dat voornemen nog concreter. Hij verwijst daarin zelfs uitdrukkelijk naar het rapport van het Rekenhof: “Ik geef bovendien de opdracht om de impulsprogramma’s decretaal te verankeren. Alle financiële instrumenten zullen dan in een regelgevend kader passen. Daarmee geef ik een antwoord op een opmerking van het Rekenhof, dat de subsidiestromen binnen toerisme onderzocht. Ik start met het uitwerken van een decretaal kader zodra het ‘Strategisch Beleidsplan voor het Toerisme in Vlaanderen 2020’ opgemaakt is. Dat strategisch beleidsplan moet het kader worden voor alle impulsprogramma’s.”

Conclusie: de minister heeft wel degelijk rekening gehouden met en gevolg gegeven aan het rapport van het Rekenhof. Wie de gewone parlementaire procedure volgt, weet dat binnenkort de begroting en de beleidsbrief besproken worden en dat dat dus automatisch op de agenda van onze commissiewerkzaamheden zal komen.

Jan Penris

Met alle respect, goede collega, maar wanneer het Rekenhof verslagen en rapporten uitbrengt, mogen we die niet verdrinken in een grote bespreking zoals die over de begroting of de beleidsbrieven.

In zijn vorige leven heeft onze voorzitter het beste voorbeeld gegeven van hoe wij als parlement moeten reageren wanneer het Rekenhof een knipperlicht aansteekt. Ik stel vast dat sommige commissies heel alert reageren wanneer het Rekenhof bepaalde dingen meedeelt over hun bevoegdheden, maar dat is blijkbaar niet of niet snel genoeg gebeurd in de commissie die bevoegd is voor toerisme.

Voorzitter, dat brengt ons bij een structureel probleem. Sommige commissies doen het dus wel. U deed dat en u doet dat nog, en ik probeer het ook te doen wanneer er op mijn beleidsdomeinen knipperlichten aangezet worden door het Rekenhof. Ik vind dat we als parlement, wanneer deze oude dame, want dat is het Rekenhof – maar wel een oude dame die boven de partijen staat en vaak heel interessante dingen heeft te melden, dingen die de meerderheid en de regering soms niet graag horen –, de reflex zouden moeten hebben om alert en in het belang van de burger te reageren, zonder daarbij het spel van meerderheid en oppositie te moeten spelen.

Voorzitter, ik zou voorstellen dat we, wanneer we merken dat sommige commissies niet doen wat ze met die rapporten zouden kunnen en moeten doen, vanuit deze algemene vergadering het initiatief nemen om die rapporten desnoods in een soort commissie ad hoc te bespreken.

Wat het Rekenhof zegt, dames en heren, is niet bedoeld om de regering pijn te doen of om de meerderheid pijn te doen, maar is gewoon een mededeling over dingen die fout lopen en waaruit iedereen kan leren. Het Rekenhof is een instelling die te onzen dienste staat. Laten we daar maar gretig gebruik van maken.

Ik betreur het dus dat de commissie Toerisme de signalen die het Rekenhof heeft gestuurd, niet gretig genoeg heeft geïnterpreteerd. Ik ga ervan uit dat dat in het vervolg anders zal zijn, maar als we zouden vaststellen en blijven vaststellen, voorzitter, dat dat niet het geval is, dan zou ik u een voorstel durven doen, en op basis van uw verleden veronderstel ik dat u daarvoor open blijft staan. Ik zou dus voorstellen om een commissie ad hoc op te richten die al die signalen van het Rekenhof in een aparte commissie bespreekt en er passende gevolgen aan geeft. Vanuit mijn commissie, de commissie Wonen, werd dat signaal al gegeven, dat weet u. Ik denk dat ook de commissie Openbare Werken dat in het verleden heeft gedaan en ik denk ook dat alle commissies daarvoor vragende partij kunnen zijn. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Dit punt wordt in elk geval op de agenda geplaatst van de bijeenkomst met de commissievoorzitters in de maand november.

De heer Reekmans heeft het woord.

Peter Reekmans

Mijnheer Kennes, ik voel me vereerd dat u uw toespraak begint met ‘het Reekmansiaans’. Als u daaraan de invulling geeft dat mijn stijl ‘de boel wakker schudden’ betekent, dan dank ik u voor de complimenten. Als ik mijn naam hoor, voorzitter, dan wil ik daar graag op reageren om de volgende heel eenvoudige reden.

Mijnheer Kennes, u zegt dat het pas interessant wordt als het in de pers komt. Als het mij nu al kwalijk genomen wordt dat ik mijn job als parlementslid doe... (Opmerkingen van de voorzitter)

Voorzitter, iemand anders mag hier tien keer het woord nemen, maar als ik drie zinnen uitspreek, onderbreekt men mij. (Opmerkingen van de voorzitter)

Het is blijkbaar de truc om als iemand iets wil zeggen, hem constant te onderbreken, want dan wordt de boodschap verdronken.

Concreet. Dit dossier is van juli en toen heeft de minister erop gereageerd. Op 13 oktober hebben alle volksvertegenwoordigers dit verslag gekregen. Ik heb het gelezen. Ik heb 14 dagen gewacht voor ik naar de pers ging! Ik mag toch verwachten van u, achtbare collega’s, dat u dit in 14 dagen tijd kunt lezen. Mij hier nu komen zeggen dat het pas interessant wordt als het in de gazet staat, dat noem ik kort door de bocht gaan! Nu wordt het mij kwalijk genomen dat ik een audit lees. Als ik daarin dingen lees die voor mij niet door de beugel kunnen, dan mag ik dat toch aanklagen? Dat mag hopelijk toch nog in een democratie?

Sven Gatz

Ik heb een korte vraag voor de heer Kennes, die ik vandaag, met alle respect, mak als een lammetje vind.

Mijnheer Kennes, u bent, als ik me niet vergis, burgemeester van Kasterlee, de pompoengemeente. Hebt u daar soms een kartel met N-VA? (Rumoer. Gelach)

De voorzitter

Het debat gaat hier wel over het rapport van het Rekenhof.

Ward Kennes

Minister, op basis van uw reacties op het rapport van het Rekenhof, wil ik u vragen wat ik precies moet verstaan onder uw verwijzing naar Toerisme Vlaanderen. Voor alle duidelijkheid, het waren niet de subsidieregelingen van Toerisme Vlaanderen die onder vuur liggen van het Rekenhof. Door uw reactie werd de indruk gewekt dat u een bepaald deel van de verantwoordelijkheid afschoof op het agentschap.

Het Agentschap Toerisme Vlaanderen kampt met enkele structurele en organisatorische problemen. Er is dan in het regeerakkoord ook duidelijk afgesproken dat dit wordt aangepakt. CD&V steunt dan ook de reorganisatie die de administrateur-generaal heeft opgestart. Laten we het debat wel scherp stellen: het gaat vandaag over het Rekenhof en niet over Toerisme Vlaanderen. Die vermenging heb ik in de media ook al vastgesteld.

Is het rapport dan niet relevant voor Toerisme Vlaanderen? Toch wel, want in de toekomst zal net via de reorganisatie een aantal knelpunten moeten worden opgelost omdat de toeristische subsidies in de toekomst via het agentschap zullen verlopen. Het reeds bestaande instrument – het subsidiereglement voor de toeristisch-recreatieve projecten – kan in afwachting van het reeds aangekondigde decreet gebruikt worden om de meest prangende problemen inzake de toekenning van toeristische subsidies nu reeds aan te pakken.

Voorzitter, minister, collega’s, na het lezen van dit rapport heb ik toch nog twee principiële vragen. Ik heb een principiële bedenking over de marge die men heeft om beleid te voeren. Moet een minister gewoon de adviezen van een administratie of een adviesraad overnemen of heeft hij ook beleidsmarge? Ik pleit absoluut voor het tweede. Een minister moet beleidsverantwoordelijke keuzes kunnen maken en legt daarover verantwoording af aan het parlement, in de commissie of in de plenaire vergadering.

Hij moet zijn keuzes legitiem kunnen motiveren. Het rapport maakte inderdaad opmerkingen over het niet-motiveren van de afwijking. Er is zeker verbetering mogelijk, maar beleidsmakers zijn niet onfeilbaar en adviesraden ook niet. We moeten niet in de een of andere richting overdrijven.

Een tweede bedenking is: hoeveel formalisme kan onze samenleving verdragen voor ze helemaal stilvalt en blokkeert? In het Rekenhofrapport staan zo veel mechanismes om elke vorm van mogelijke verdachtmaking tegen te gaan, dat men zo een enorme administratie gaat moeten opstarten en dat men overal zo veel documenten gaat moeten produceren met zo veel verantwoordingsstukken en zo veel aanvragen volgens heel gestructureerde mechanismen, dat er op de duur nog weinig in beweging kan worden gezet. Het is de bedoeling dat de toeristen naar hier komen voor een mooi Vlaanderen, een aantrekkelijk, een kunstzinnig, een groen en een spannend Vlaanderen, maar het is niet de bedoeling dat ze hier gaan vallen over allerlei regeltjes.

We moeten de zaken ter harte nemen, maar we mogen niet vervallen in absoluut formalisme en nog veel meer bureaucratie. We moeten ons de vraag stellen of we in die richting, die in het rapport toch wat wordt aangegeven, willen meegaan.

Marnic De Meulemeester

Voorzitter, minister, collega’s, ik heb twee bedenkingen bij wat collega Kennes zegt. Hij zegt dat het niet gaat over Toerisme Vlaanderen. Ik denk dat het hier zeker over Toerisme Vlaanderen gaat. Ik heb in mijn betoog gezegd dat uit de onderzoeken die gebeurd zijn en uit de adviezen die verstrekt zijn, blijkt dat de toeristisch-recreatieve projecten het minst problematisch zijn, en die lopen net via Toerisme Vlaanderen. Ik denk dus dat het hier wel over gaat. Mochten de drie andere subsidiestromen ook via Toerisme Vlaanderen gaan, dan zou het misschien niet zo ver gekomen zijn. We spreken hier dus zeker over Toerisme Vlaanderen.

U hebt het over de lang aangekondigde herstructurering van Toerisme Vlaanderen. Mensen die zich in dit parlement al langer met toerisme bezighouden, weten dat de aangekondigde herstructurering niet van vorig jaar dateert, maar al jaren in de commissie Toerisme wordt aangekondigd. We wachten er al jaren op en dus niet één jaar of niet sinds het paragraafje in het regeerakkoord. We spreken al veel langer over dat onderzoek en over de herstructurering van Toerisme Vlaanderen.

Bart Caron

Mijnheer Kennes, vindt u niet dat subsidies moeten worden toegekend op basis van duidelijke, heldere criteria, na een transparante procedure? Vindt u dat niet? Dat is iets anders dan de toeristen pesten met regeltjes. Het gaat hier over de toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur. Vindt u niet dat dat zinvol zou zijn? Vindt u ook niet dat na 6 jaar dezelfde minister, met een onderbreking van één jaar, dat in die 6 jaar ook maar een beetje had kunnen worden geregeld?

Ward Kennes

Uiteraard vind ik regels en procedures belangrijk en nodig. Ik lees gewoon in het rapport dat de Inspectie van Financiën haar werk kan doen, dat in verband met de interne controle geen belangrijke tekortkomingen zijn vastgesteld en dat er heel wat controlemechanismen zijn. De stelling dat dit allemaal niet bestaat, klopt gewoonweg niet.

Mijnheer De Meulemeester, ik heb net verklaard dat over drie stromen opmerkingen zijn gemaakt. De stroom van Toerisme Vlaanderen roept blijkbaar minder vragen op. Bijgevolg heb ik de minister gevraagd hoe het zit met zijn verwijzing naar Toerisme Vlaanderen in de media. De opmerkingen gaan over de drie andere stromen. Tracht hij een gedeelte van zijn verantwoordelijkheid op Toerisme Vlaanderen af te schuiven?

Tot slot wil ik opmerken dat het grootste probleem zich bevindt bij de kredieten die door middel van facultatieve toelagen worden toegekend. Het is duidelijk dat het Rekenhof niet van facultatieve subsidies houdt. Dit lijken me nochtans belangrijke instrumenten om in de toekomst een beleid mee te voeren. (Applaus bij CD&V)

De voorzitter

De heer Sintobin heeft het woord.

Voorzitter, ik wil eerst even op de woorden van de heer Kennes reageren. Hij heeft zijn uiterste best gedaan om de vis te verdrinken. Het siert hem dat hij een minister van de meerderheid tracht te verdedigen. Ik vind echter dat hij vrij lichtzinnig met de opmerkingen van het Rekenhof omgaat. Volgens hem staat alles in de beleidsnota en heeft de minister een en ander aangekondigd. Dat het om feiten uit het verleden gaat, betekent echter niet dat we hier niet zouden mogen interpelleren of dat we de minister niet ter verantwoording zouden mogen roepen. Hij gaat hier nogal licht over.

Tijdens het lezen van het rapport ben ik geschrokken van de uiterst kritisch en bijwijlen vernietigende teneur. Ik wil niet zo ver gaan als bepaalde anderen en de minister van malversaties of van West-Vlaams favoritisme beschuldigen. Dit rapport stemt echter tot nadenken. De kritiek van het Rekenhof is uiterst scherp. Om de zwaarwichtigheid van het rapport en de ernst van de situatie te benadrukken, wil ik de belangrijkste conclusies even opsommen.

Ten eerste, volgens het Rekenhof missen de vier belangrijke subsidiestromen duidelijke en toetsbare doelstellingen.

Ten tweede, hoewel het bij de vier subsidiestromen telkens om financiële ondersteuning gaat, vertoon de juridische omkadering grondige verschillen.

Ten derde, de verschillen in de overheidstegemoetkoming worden niet door de beleidsdocumenten verantwoord.

Ten vierde, het juridisch kader heeft de subsidievoorwaarden voor de vier subsidiekanalen niet strikt afgebakend. Dit betekent dat projectindieners die bij een subsidiestroom bot vangen bij een andere subsidiestroom opnieuw hun kans kunnen wagen. Overlapping met reguliere subsidiëring is evenmin uitgesloten.

Ten vijfde, het Rekenhof heeft het over een meer dan versnipperd beleid. Hierdoor zijn de middelen over de algemene uitgavenbegroting en de begroting van Toerisme Vlaanderen verdeeld.

Ten zesde, wat de subsidiestromen in verband met het Kunststedenactieplan en de evenementen betreft, zijn de potentiële projectindieners onvoldoende ingelicht en ondersteund. De communicatie was bijwijlen gebrekkig.

Ten zevende, de evaluaties van de aanvragen lieten in veel gevallen te wensen over. Sommige evaluaties waren louter tekstueel. Ze waren niet altijd consistent. Andere evaluaties waren dan weer te beperkt en informeel van aard. Dit heeft uiteraard ook met de te ruim geformuleerde toekenningscriteria te maken.

Ten achtste, de minister heeft, zonder motivering en tegen het advies van de administratie in, een tiental evenementensubsidies goedgekeurd.

Ten negende, algemeen genomen, vormt de kwaliteit van de in verband met de subsidieaanvragen ingediende begrotingen een zwak punt. De keuze voor projectsubsidies veronderstelt trouwens een controle van de ontvangstenzijde. Dat is nauwelijks gebeurd.

Ten tiende, de subsidiebesluiten waarmee de subsidies worden toegekend, bleken geen uitgesproken subsidiepercentage te bevatten en ook de uitbetalingswijze van de subsidies verschilt grondig, vooral op het vlak van de uitbetaling van de voorschotten. Ten elfde, er is geen resultaatsverbintenis verbonden aan de projecten, waardoor het vrijwel onmogelijk was om subsidies af te romen of terug te vorderen. Mijnheer Kennes, ik kan zo nog wel een tijdje doorgaan, maar ik denk dat het ondertussen ook voor u wel duidelijk zal zijn dat er toch wel een en ander aan de hand was.

Minister, we kunnen er niet omheen: dit rapport is één langgerekte waslijst van terechtwijzingen en tekortkomingen in het beleid, waarbij ook u persoonlijk niet wordt gespaard. Net als de andere leden vind ik het dan ook jammer dat uw officiële reactie, die bij het rapport is gevoegd, uiterst summier was en dat u zelfs op bepaalde kritiekpunten niet hebt willen reageren. Op die manier is het begrijpelijk en logisch dat men u een gebrek aan transparantie en aan goed bestuur verwijt.

Meer nog – en hiermee wil ik even ingaan op het betoog van enkele leden – in uw antwoord hebt u verwezen naar de herstructurering van Toerisme Vlaanderen. We hadden het daarnet over het al dan niet op de commissieagenda zetten van dit rapport van het Rekenhof, maar u hebt de ministerraad op 8 oktober jongstleden een document laten goedkeuren over deze herstructurering. Er is dus al een plan voor de herstructurering van Toerisme Vlaanderen, zonder dat u ons daarvan op de hoogte hebt gebracht, zonder dat u de commissie Toerisme hierover hebt ingelicht. Tijdens de vorige legislatuur hebben we meermaals geïnterpelleerd en gevraagd hoe het zat met die herstructurering. U hebt toen telkens geantwoord dat, van zodra er een plan was, u daarmee naar de commissie zou komen. Ik stel vast dat u eens te meer dit parlement en de parlementsleden buitenspel hebt gezet.

Voorzitter, geachte leden, zoals ik al zei: we moeten dit rapport ter harte nemen en er de nodige lessen uit trekken. Onze fractie dringt er dan ook op aan dat de aanbevelingen van het Rekenhof, die te talrijk zijn om op te sommen en die we mee ondersteunen, zo snel mogelijk worden geïmplementeerd in het beleid. Minister, er is bijzonder veel werk aan de winkel om ons vertrouwen in uw beleid te herstellen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Robeyns heeft het woord.

Voorzitter, dames en heren ministers, geachte leden, waarom hebben we ministers? Dat is een goede vraag, niet? Volgens mij en mijn fractie zit een minister in de regering om te beslissen. Een minister moet kunnen beslissen en moet durven te beslissen. Anders hoort hij volgens ons niet thuis in een daadkrachtige Vlaamse Regering. Betekent dit dat een minister willekeurig, à la tête du client mag beslissen? Uiteraard niet! Betekent dit dat een minister met handen en voeten gebonden is aan allerlei adviezen? Ook niet. Een minister moet volgens ons steeds een zekere bewegingsvrijheid hebben, om, na grondige consultatie van de betrokken instanties, zelf een gemotiveerde beslissing te nemen. Hij moet deze beslissing uiteraard kunnen motiveren en verantwoorden. Het is duidelijk uit de reactie van de minister dat hij daar ook van uitgaat. Objectief kunnen beslissen en durven beslissen is voor de sp.a-fractie in deze discussie een belangrijk uitgangspunt. Het is immers noodzakelijk om te komen tot een daadkrachtig bestuur.

Daarnaast zijn transparantie en efficiëntie twee andere belangrijke aspecten die onlosmakelijk verbonden zijn met het nemen en uitvoeren van een goede beslissing. Alle aanbevelingen die dienen om de transparantie en efficiëntie van ons beleid en van onze regelgeving te verhogen, moeten we ernstig nemen.

Minister, u geeft als auteur van het groenboek over de interne Vlaamse staatshervorming zelf aan dat u ook voornamelijk streeft naar meer transparantie en efficiëntie. Bijkomende initiatieven in die zin hebben dan ook ongetwijfeld uw steun.

Het is vanuit die visie dat wij het rapport van het Rekenhof grondig gelezen hebben. De audits van het Rekenhof moeten leiden tot een beter functioneren van de overheidsdiensten. Het rapport toont duidelijk aan dat inzake transparantie en efficiëntie van de subsidiestromen voor toerisme, nog veel zaken voor verbetering vatbaar zijn. Het is nu aan u, minister, om deze kritische bemerkingen om te zetten in efficiënte maatregelen.

Het rapport biedt volgens ons toch ook een genuanceerder beeld dan wat uit de krantenartikels en uit de uiteenzettingen van sommige collega’s vandaag blijkt. Ik wil hier namens mijn fractie graag het belang van overheidsinterventies voor de promotie van het toerisme in Vlaanderen onderstrepen. Slimme overheidsinvesteringen in toeristische projecten hebben immers een hefboomeffect voor het creëren van welvaart en werkgelegenheid en genereren heel wat terugverdieneffecten. Sommigen verliezen dat vandaag volledig uit het oog.

Minister, het is belangrijk dat deze overheidsmiddelen doordacht, efficiënt en zuinig worden aangewend als we onze toeristische sector op lange termijn verder willen laten groeien en ontwikkelen. Daarom pleiten we voor een betere stroomlijning en vereenvoudiging van de diverse subsidiereglementeringen in het beleidsdomein Toerisme en een meer gerichte inzet van de middelen voor toerisme. De subsidies moeten beter aansluiten bij de behoeften van de aanvragers.

In het rapport van het Rekenhof staan een aantal voorname verbeterpunten die we volledig onderschrijven. Zo moet de gelijke behandeling van subsidieaanvragers beter gegarandeerd worden. Daarnaast kan de verantwoording van de bestede middelen door de minister beter. Ook de controle op de afrekeningen van subsidies door de administratie kan beter. Tot slot moeten overlappingen van subsidiereglementen worden vermeden.

Minister, wij willen samen met u een efficiënt toeristisch beleid bereiken, dat ook op het terrein effectief resultaten boekt. Een uniform regelgevend kader ondergebracht bij één instantie en een algemene evaluatie van de subsidiestromen kunnen hier zeker toe bijdragen. Zo kan het toerisme in Vlaanderen, toch een belangrijke sociale en economische sector, beter ondersteund worden en verder groeien en kunnen we Vlaanderen in binnen- en buitenland op een positieve manier op de kaart zetten. Dit is vandaag de dag meer dan actueel.

Minister, ik wil u namens mijn fractie twee vragen stellen. Welke initiatieven gaat u nemen voor een beter beheer van de subsidieaanvragen door uw administratie? Bent u van plan om een algemene evaluatie van de vier subsidiestromen door te voeren? (Applaus bij de meerderheid)

Peter Reekmans

Mevrouw Robeyns, u vraagt de minister wat hij zal doen voor een beter beheer van de subsidieaanvragen door de administratie. Ik denk dat u het rapport niet goed hebt gelezen. Het probleem hier is net dat de minister negatieve adviezen van zijn administratie naast zich neerlegt. Natuurlijk hebben we het primaat van de politiek. U vindt dat de minister dat moet kunnen en mogen doen. Wanneer de minister dan afwijkt van de motivering van de administratie dan mag hij zijn afwijkende beslissing toch motiveren? En dat is nu net het probleem vandaag. De beslissing wordt niet gemotiveerd. De minister doet maar op.

De voorzitter

De heer De Loor heeft het woord.

Mijnheer Reekmans, u zegt dat mevrouw Robeyns niet goed gelezen heeft. Ik denk dat u niet goed geluisterd hebt. Ik heb kunnen opmaken dat het hier gaat over het primaat van de politiek. De politiek beslist, weliswaar na adviezen, die echter niet dwingend of bindend zijn. Wanneer er wordt afgeweken van adviezen, dan moet dat inderdaad gemotiveerd gebeuren.

De heer De Loor is me voor geweest. Ik stel vast dat de heer Reekmans heel hard kan roepen. Luisteren is wat moeilijker. Ik ben begonnen te zeggen dat de minister moet beslissen en wel degelijk kan afwijken van verstrekte adviezen, maar dit dan moet motiveren. Dat is het eerste wat ik heb gezegd. Ik ga ervan uit dat de minister deze visie benadrukt. De minister zal er straks op antwoorden. Ik ben heel duidelijk geweest.

(Applaus bij de meerderheid)

Peter Reekmans

Mevrouw Robeyns, ik moet toch eens uitleggen hoe we hier werken. Als een administratie adviezen verstrekt, is men van mening dat men die gemakkelijk naast zich kan neerleggen. (Opmerkingen)

Stop toch eens met roepen als iemand anders aan het spreken is. Dat doe ik niet, brullen als iemand anders het woord heeft. Dat doen jullie wel. Dat is de reden waarom we onze stem soms moeten verheffen. Blijf even bij de feiten.

Wat ik niet begrijp – en in het verleden was dat nog erger – is het volgende. Sommige leden van de regering huurden vroeger peperdure consultants in om hen van advies te dienen omdat ministers soms niet konden of durfden te beslissen. We beschikken nu over een goedwerkende administratie die duidelijk gemotiveerde adviezen verstrekt. Toch zijn er ministers in dit land die gewoon het tegenovergestelde doen van dat advies zonder hun beslissing te motiveren. Daar moet dit parlement tegen optreden. Daarom zetten wij dit punt op de agenda.

De voorzitter

De heer Dehandschutter heeft het woord.

Lieven Dehandschutter

We hebben allemaal het verslag van het Rekenhof kunnen inkijken. Uit dit zeer kritische rapport blijkt dat sommige zaken anders en beter kunnen. Het verslag reduceren tot een blunderboek is overdreven en is geen correcte samenvatting van het verslag. Doen of de willekeur regeert, is fel overtrokken en doet de waarheid geweld aan.

Andere collega’s stelden dat het primaat van de politiek voorop moet blijven staan. De regering en de ministers worden door de administratie bijgestaan die hen adviezen verstrekt, voorstellen van beslissingen opstelt en voorlegt. Maar het is uiteindelijk aan de politiek en de beleidsverantwoordelijken om op basis van volledige informatie en rekening houdend met externe factoren, uiteindelijk een weloverwogen oordeel te vellen. Het lijkt me verantwoord dat de minister niet altijd zijn administratie volgt. Als die dat wel zou doen, zou men de regering net zo goed definitief naar huis kunnen sturen en de ambtenarenstaat installeren.

De voorzitter

Er worden opmerkingen gemaakt dat men de spreker niet kan verstaan. Er is overal weer individueel overleg aan de gang. Collega’s, ik vraag u dat soort overleg in het Koffiehuis te voeren onder het genot van een drankje. Ik stel voor dat u hier naar de spreker luistert.

Lieven Dehandschutter

Als een minister beslist om af te wijken van het voorstel of het advies van de administratie, heeft hij daar waarschijnlijk goede redenen voor. Dat moet wel de uitzondering blijven. En hij moet dat uiteraard ook motiveren. Misschien kan de motivering in de toekomst beter en misschien moet de motivering ook beter worden geëxpliciteerd. Als een minister zijn administratie niet volgt, mag niet onmiddellijk gewag worden gemaakt van mistoestanden of onregelmatigheden.

Wat de vier subsidiestromen betreft, een bedrag van circa 12 miljoen euro, gaan 1,3 miljoen euro naar evenementen, 800.000 euro naar de kunststeden, 2,1 miljoen euro naar het Kustactieplan en de toeristisch recreatieve projecten waren goed voor iets meer dan de helft, namelijk 6,5 miljoen euro. In totaal komt men dan op ongeveer 12 miljoen euro. Enkel voor de evenementen baseert de minister zich op zijn administratie, het Departement internationaal Vlaanderen.

Inzake het Kunststedenactieplan en het Kustactieplan beslist de minister op basis van het advies van een stuurgroep of een jury. Inzake de toeristisch-recreatieve projecten, dus meer dan de helft van de stromen waarover het gaat, beslist Toerisme Vlaanderen.

Ik noteer dat de minister in zijn antwoord van 22 juli aan het Rekenhof al heeft gezegd dat hij grotendeels akkoord gaat met de aanbevelingen van het hof.

Een tweede opmerking is dat er nood bestaat aan duidelijke criteria. Collega’s, wij kunnen dat alleen maar onderschrijven. Maar het betekent ook dat wij werk aan de winkel hebben. Wij moeten een juridische omkadering maken en een decreet opstellen waarin de vier stromen kunnen worden gestroomlijnd. We zijn het er allemaal over eens dat er criteria moeten zijn en dat ze transparant en samenhangend moeten zijn.

Peter Reekmans

Mijnheer Dehandschutter, wat u hier vertelt, moet correct zijn. Uit de brief van de minister aan het Rekenhof blijkt dat hij akkoord gaat met een van de acht aanbevelingen. Daarin staat nergens dat hij met de zeven andere akkoord gaat. U vertelt hier net dat de minister in zijn brief heeft laten weten dat hij met alle aanbevelingen akkoord gaat. Dat is niet correct.

Lieven Dehandschutter

Mijnheer Reekmans, ik lees dat de minister schrijft dat hij grotendeels akkoord gaat met de aanbevelingen.

Peter Reekmans

U zei daarnet niet “grotendeels”, u zei “akkoord”.

Lieven Dehandschutter

Mijnheer Reekmans, hij heeft ook gezegd dat hij wat betreft het regelgevend kader initiatieven zal nemen om ervoor te zorgen dat een en ander gestroomlijnd wordt en ook dat via de impulsprogramma’s duidelijk zal worden geëxpliciteerd wat precies de doelstellingen zijn. Er zijn criteria nodig met betrekking tot de doelstellingen, de subsidievoorwaarden, de subsidiabele kosten en de behandeling van de verschillende programma’s door één administratie, en dat is dan bij voorkeur Toerisme Vlaanderen. Het is geen gemakkelijke zaak om te zeggen dat al die criteria kwantificeerbaar zijn. Je kunt moeilijk alle doelstellingen in cijfers en centen uitdrukken.

Hoe gaan wij om met de beoordeling en evaluatie van gerealiseerde projecten? Rapportering is een noodzaak, zowel inhoudelijk als financieel. Dat zou beter moeten worden georganiseerd. Maar, collega’s, wij moeten ons hoeden voor plan- en rapportageoverlast. Het wegwerken daarvan is een van de oefeningen die wij maken bij de interne staatshervorming. Op sommige vlakken hebben wij er misschien te veel van en op andere te weinig.

Voorzitter, minister, collega’s, de N-VA-fractie heeft alle vertrouwen in de engagementen die de minister heeft genomen in zijn antwoord op het verslag van het Rekenhof en wij betrouwen erop dat hij ook de komende weken en maanden de initiatieven zal nemen om ze daadwerkelijk tot uitvoering te brengen.

De voorzitter

De heer De Meulemeester heeft het woord.

Marnic De Meulemeester

De heer Dehandschutter zegt dat het hier niet gaat over een blunderboek. Ik wil hem er toch op wijzen dat het rapport van het Rekenhof het zestien keer heeft over “ontoereikend”, “onvoldoende” en “ondermaats”. Mijnheer Dehandschutter, dat is toch niet weinig. De minister heeft geantwoord dat hij grotendeels akkoord gaat met de aanbevelingen, alleen inzake het voorzien in een regelgevend kader. Hij heeft het niet over de andere bemerkingen. Wij wisten allang dat die vier subsidiestromen bij elkaar moesten komen. Wij vragen dat niet sinds gisteren. Toerisme Vlaanderen moet zich bezighouden met toerisme. Het Departement internationaal Vlaanderen moet zich bezighouden met andere zaken. Deze problematiek dateert niet van vorige week, en ook niet van vorig jaar. Zij sleept al jaren aan, en dat werd in de commissie Toerisme al vaak gesteld.

De voorzitter

De heer Sintobin heeft het woord.

Voorzitter, ik wil net zoals beide collega’s stellen dat de heer Dehandschutter wel heel gemakkelijk zegt dat de minister akkoord gaat met de aanbevelingen van het Rekenhof. Ik wil voor alle duidelijkheid even kort citeren uit het rapport van het Rekenhof. Op pagina 77 staat duidelijk: “De minister reageerde niet op de beperkte operationalisering van de langetermijndoelstellingen. Hij ging ook niet in op de uitvoering door de administratie, waaronder evaluatie subsidieaanvragen, subsidietoekenning en betalingcontrole van de subsidieverantwoording of het gebrek aan een globale evaluatie voor drie van de vier subsidiestromen.” Hij zegt alleen: ik ga wel zorgen voor een decretale verankering en voor een algemeen regelgevend kader voor de subsidiestromen. Maar eigenlijk heeft de minister op dit rapport geen enkel zinnig antwoord gegeven.

Lieven Dehandschutter

Voorzitter, ik grijp terug naar de brief van de minister van 22 juli. Hij zal die zelf straks wel toelichten. Hij schrijft dat hij de impulsprogramma’s een decretale verankering wil geven. Heel specifiek in verband met de ambtelijke verwerking van de aanvragen schrijft hij: “Binnen de bepalingen van het kaderdecreet Beter Bestuurlijk Beleid zal ik nagaan aan welke administratie deze subsidielijnen worden toevertrouwd. Dit zal ook worden bekeken bij de herstructurering van het agentschap Toerisme Vlaanderen.”

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron

Voorzitter, minister, collega’s, ik ben geschrokken toen ik het rapport las. Ik heb me er helemaal doorgeploegd. Ik ben zo geschrokken omdat het zo on-Bourgeois is. Het staat zo haaks op het beeld van de onkreukbare minister die zo graag opkomt voor rechtsgronden, voor duidelijke criteria, voor het motiveren van beslissingen, voor controle en opvolging. Het lijkt alsof het gaat over een andere minister uit een ander tijdperk.

Ach, zult u zeggen, die praktijk komt wel meer voor. Dat is ook zo, waarde collega’s. Des te erger, zou ik zeggen. Het is in ieder geval geen grond voor vergoelijking.

Ik wil een paar elementen uit het rapport aanhalen. Ik beperk me tot de dingen die ik zelf het belangrijkste vind. Het rapport stelt dat er bij evenementen aanvraagformulieren zijn, verschillende voor hetzelfde project, met allemaal verschillende subsidiebedragen ingevuld. Hoe zou dat komen? Er staat dat er flexibel wordt aangepast in begrotingen, dat er rekenfouten staan in begrotingen, dat er willekeur is bij de omgang met criteria, dat de subsidie wordt toegekend – dat is mijn vertaling – à la tête du client, want tien op de veertig negatieve adviezen bij de evenementen worden door de minister overruled.

Mag de minister overrulen? Ja, dat mag hij zeker. Het primaat van de politiek geldt, maar gemotiveerd, beste collega’s. Het eerste beste project dat afgewezen zou zijn, zou de Raad van State, zonder advocaat bij wijze van spreken, kunnen laten vernietigen. Alleen wist men het niet. Men wist niet waarover er positief werd beslist en men wist niet dat men er eventueel uitviel. Motivering is een beginsel van behoorlijk bestuur.

Ook werden niet-gedateerde subsidiebesluiten van het kabinet aan de administratie overgemaakt. Bij het Kustactieplan is er gewoon geen regelgeving. Er ontbreken verslagen bij de afrekeningen en toch worden de saldo’s uitbetaald. Er worden zelfs subsidies uitbetaald zonder financiële verantwoording. Bij het Kustactieplan, zegt het document, zijn de criteria zo ruim dat alles erin past. Er is een soepele omgang met de begrotingen en er zijn onvolledige dossiers. Laat ons eerlijk zijn, collega’s, de stuurgroep die dossiers adviseert, bestaat grosso modo uit de indieners van diezelfde dossiers. Er is in ieder geval sprake van een ernstige mogelijkheid tot belangenvermenging. Het rapport zegt: er kon niet nagegaan worden uit de verslagen of de mensen die dossiers indienen, de vergadering hebben verlaten tijdens de bespreking.

Er wordt ook oneigenlijk gebruik gemaakt van subsidies. Er zijn voorbeelden gegeven voor speelpleinen, maar ook voor de eigen diensten. Bijvoorbeeld het project Villa Maritza in Oostende, voor de eigen diensten van Toersime Vlaanderen, is betaald met subsidies die bedoeld zijn voor derden. Zo kan ik nog een tijdje doorgaan. Het zijn een paar elementen uit een lange waslijst, mijnheer Kennes. Ik heb de indruk dat u het rapport niet hebt gelezen, maar dat u een tekst hebt gekregen van een van uw medewerkers. Dat zijn toch geen kleine feiten, laat ons eerlijk zijn.

Minister, ik zei het al. U bent 6 jaar minister, behalve gedurende 1 jaar, toen de minister-president verantwoordelijk was. In uw brief aan het Rekenhof stelt u inderdaad dat u akkoord gaat met de aanbevelingen van het Rekenhof en dat u die zou implementeren in regelgeving en procedures. Dat is goed. Dank u wel. Ik ben blij dat het zal gebeuren. Maar mag ik ook zeggen dat het, 6 jaar later, een beetje laat is?

Ook uw opvolger deed niets met diezelfde problematiek. Hij ging gewoon door. En het heeft natuurlijk te maken met het feit dat deels Toerisme Vlaanderen en deels het Departement internationaal Vlaanderen met deze dossiers bezig waren, en er natuurlijk geen afstemming tussen de twee was.

Wat wel uit het besluit van het document komt, is het feit dat het gaat over een set van slechte en incoherente regels en dat er geen of een zwak juridisch kader is. Dat is geen goed beleid, het spijt me. Al zijn de projecten op het einde misschien zeer goed, dat is niet de werkwijze. Het basisbeginsel van behoorlijk bestuur wordt hier niet gerespecteerd door het frequent ontbreken van motiveringen bij beslissingen, het overrulen van negatieve adviezen, het verdubbelen van subsidies bij positieve adviezen, het afwijken bij andere, het niet strikt toepassen van de criteria, door soms een richtlijn extra stringent en soms heel ruim toe te passen.

En laten we eerlijk zijn: ook bij de administraties die hiermee bezig zijn, ligt een grote verantwoordelijkheid. Zowel Toerisme Vlaanderen als het Departement internationaal Vlaanderen moet ook eens in eigen boezem kijken. Ze kunnen niet alleen die problematieken naar de politiek toewijzen. Ook zij zijn gebonden aan een aantal beginselen en ze hebben ze niet gerespecteerd. Minister, het spijt me dat ik het moet zeggen. Ik zeg het niet graag, maar ik heb sterk de indruk dat er willekeur is bij het beleid of dat er sprake is van vriendjespolitiek. ‘Quid pro quo’ wordt dat genoemd.

Collega’s, ik heb geprobeerd inzage te krijgen in de concrete dossiers. Ik heb contact opgenomen met het Rekenhof. Ik krijg toegang, maar de aanvraag moet schriftelijk gebeuren. En het duurt natuurlijk een tijdje vooraleer ik daar binnen geraak. Waarom zeg ik dat? Omdat ik vrees dat het voor het overgrote deel over dossiers uit West-Vlaanderen gaat, over de kuststeden, over het Kustactieplan natuurlijk, over Brugge, over de Westhoek, over Wereldoorlog I. En net daarom. Ik wil graag dat die middelen voor die projecten in mijn provincie dienstig zijn. Maar om dat te kunnen bewerkstelligen en te kunnen behouden, pleit ik met aandrang voor objectieve, duidelijke en transparante regels en een duidelijke procedure. Daarom vraag ik u, minister, om dringend aan die problematiek te remediëren. (Applaus bij Open Vld, LDD en Groen!)

De voorzitter

Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister Geert Bourgeois

Voorzitter, collega’s, eerst wil ik iets zeggen over de procedure en het kleine debat vooraf over de behandeling van dit rapport van het Rekenhof in de plenaire vergadering. Laat me heel duidelijk zijn, ik heb daar geen enkel probleem mee. Het is niet de normale procedure. Een bepaalde collega heeft gezegd dat er vaak een actuele vraag of een vraag om uitleg over wordt gesteld. Dat is niet mijn ervaring. Mijn ervaring, mijnheer Penris, is dat het rapport van het Rekenhof inderdaad in de commissie wordt besproken. En ik ontwijk het ook nooit. We kunnen er heel diep op ingaan. We doen dat tegensprekelijk, in aanwezigheid van de mensen van het Rekenhof. Vorige week nog hebben we in de commissie voor Bestuurszaken een uitgebreid debat gehouden over de beheersovereenkomst van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur, met het Rekenhof daarbij. Naar mijn aanvoelen is dat zeer correct en diepgaand verlopen. U moet me maar tegenspreken als dat niet het geval was.

Het parlement heeft nu gekozen voor dit plenaire debat, voor een actualiteitsdebat. Mij goed. Alleen zeg ik dat het debat om veel meer gaat dan over het mediatieke, dat veel minder toelaat om in detail te gaan. Maar ik heb er geen probleem mee. Het parlement is de baas en dus voeren we het debat hier op die manier. Ik had gedacht dat dit rapport besproken zou worden. Collega’s die vertrouwd zijn met het parlement weten dat de minister niet de werkzaamheden van de commissie bepaalt. Het is de commissievoorzitter of de commissie die zegt dat iets bij voorrang wordt besproken. Ik sta altijd ter beschikking. Voor mij mag het gebeuren om 8 uur ’s ochtends, ’s avonds laat of ’s nachts, geen enkel probleem. Het is nu hier en dus zullen we het ook hier bespreken.

Collega’s, wat het Rekenhof heeft gedaan, is een rapport maken over de subsidiestromen van Toerisme voor de jaren 2007 en 2008 voor een totaal bedrag van om en bij de 12 miljoen euro.

Het Rekenhof heeft vooral een onderzoek gedaan naar de procedures, de transparantie en de objectiviteit, niet zozeer dossier per dossier, en evenmin naar de objectiviteit van de dossiers. Het heeft vooral onderzocht of de procedures voldoen aan de criteria, of ze strategisch zijn en dergelijke.

Het rapport van het Rekenhof geeft vooral commentaar op een aantal punten. In de eerste plaats: spoort het subsidiesysteem met de strategie? Dragen de subsidies bij aan de strategische plannen van Toerisme? Kan men dat bewijzen? Punt twee gaat vooral over de transparantie en de uniformiteit van de toekenning van de subsidies. Punt drie gaat vooral over de financiële en administratieve opvolging. Het rapport wil aandacht vestigen – zo lees ik het toch – op het risicobeheer bij het toekennen van subsidies en wil vooral regels vragen voor kwaliteitsgaranties bij de betoelaging van projecten.

De heer Reekmans sprak van een bedrag van 12 miljoen euro. Ik wil nog eens duidelijk uitleggen wat dat inhoudt. De bulk van opmerkingen en kritiek gaat over het evenementenbeleid en de subsidie van evenementen. Het grootste deel van die 12 miljoen euro is wel gereglementeerd. Ik rond de cijfers af. 7 miljoen euro gaat over toeristisch-recreatieve projecten. Daar bestaat een reglementering voor, namelijk een besluit van 2004. Dat wordt nageleefd. Er zijn een paar opmerkingen over. Alles kan altijd beter. Maar daar gaat het rapport van het Rekenhof in wezen niet over. Daar wordt de kritiek in wezen niet op toegespitst.

Het tweede gedeelte van die subsidies gaat naar het Kustactieplan. Dat plan is wel degelijk gereglementeerd. Er is een kader voor. Ik heb dat voor het eerst in 2005 laten goedkeuren. Voor de eerste twee kustactieplannen bestond geen kader. Dat waren volkomen facultatieve subsidies waarvan het de bedoeling was dat ze bijdroegen tot de ontwikkeling van het toerisme aan onze Vlaamse kust.

Ik wil met de grootste klem ontkennen dat daar sprake zou zijn van belangentegenstelling, laat staan belangenvermenging. Er is beweerd dat Westtoer in de jury zat die de projecten beoordeeld heeft. Dat is fout. Westtoer zit wel in een stuurgroep die de opvolging doet en naar de effecten kijkt. De jury van het Kustactieplan is onafhankelijk. Het is een jury van deskundigen. Ik heb altijd het advies van die jury zonder meer gevolgd. Ik heb daar niets aan afgedaan, niets aan toegevoegd.

Voor het Kunststedenactieplan werd voor het eerst in de vorige legislatuur een strategie bepaald. Die moest het kunststedentoerisme ontwikkelen en stimuleren. Dat was een novum. We hebben daarvoor veel moeite moeten doen. We hebben die kunststeden moeten samen krijgen, want dat zijn concurrenten, nu zijn het meer ‘concullega’s’. Ze werken nu samen en zijn bereid om een gezamenlijke strategie en producten te ontwikkelen en om gezamenlijk de marketingtools aan te pakken.

Een van de problemen was dat Brussel daar tot voor kort niet aan wou participeren. Wie de commissie Toerisme volgt, weet dat we er nu ook in geslaagd zijn Brussel daarbij te betrekken. Ook daar gaat het over facultatieve subsidies. Ik wil beklemtonen dat die subsidies verleend worden op advies van een stuurgroep. Ik heb altijd dat advies gevolgd. Wie het omgekeerde beweert, zit fout. Het verwondert me een beetje dat het Rekenhof commentaar geeft op die strategische doelstellingen. Het Kunststedenactieplan is ontwikkeld door wetenschappers aan de K.U.Leuven. Dat is voor het eerst omgezet in een plan.

Dan blijft er nog 1,5 miljoen euro over voor evenementen. Dat bedrag ligt vandaag veel lager. In 2010 gaat dat over nog 700.000 euro, in 2011 over 600.000 euro. Dat is het kleinste aandeel op die massa van 12 miljoen euro. Dat zijn facultatieve subsidies. Daar is geen kader voor, geen reglement.

Dat was zo voor mij, dat was zo bij de vorige ministers, dat was zo in de vorige periodes. Het zijn facultatieve subsidies. Het is goed dat het Rekenhof de aandacht daarop vestigt.

Als ik het goed heb, zijn er bij de Vlaamse overheid nog facultatieve subsidies waar kaders, reglementen en de decretale basis voor ontbreken. De decretale basis bestaat natuurlijk en zit in de begrotingsdecreten. Daar zit de basis voor het toekennen van de facultatieve subsidies. Maar op zich is er geen kader decretaal of reglementair uitgewerkt. Dat verklaart meteen veel in deze aangelegenheid. Dit is een erfenis uit het verleden, en dat is geen excuus. Niemand heeft dit ooit in vraag gesteld, ook de heer De Meulemeester niet, wat hij ook moge beweren. Nooit heeft iemand gezegd dat we dringend een kader of een reglement nodig hadden. Ik ben de eerste die voor het Kustactieplan en het Kunststedenactieplan een kader heeft ontwikkeld. Voor de evenementen heb ik dat inderdaad niet gedaan, maar ik heb het wel aangekondigd in een onverdachte periode, in mijn beleidsnota en beleidsbrief. We gaan daar werk van maken, we gaan alles proberen in een decretaal kader te gieten, wat zeker voor de evenementen niet gemakkelijk zal zijn.

Het is een moeilijke oefening, omdat je altijd met een zekere subjectiviteit zit. Dat is onvermijdelijk. Het houdt een appreciatie in van de waarde van die projecten. Betoelaag je die of niet? Vandaar mijn uitlating dat de eindverantwoordelijkheid in zulke aangelegenheden bij de minister ligt. Ik ben degene die kan worden aangesproken. Als ik tegen het advies van de administratie de poëziezomer van Watou heb betoelaagd omwille van het internationale en toeristische karakter, dan kunt u mij daarop aanspreken en niet mijn administratie die een negatief advies heeft uitgebracht.

Dit is het politieke spel. We moeten weten welk kader we gaan uittekenen. Willen we een kader waarin de minister verantwoordelijkheid en beslissingen neemt? Dat moet worden gemotiveerd. Tot nu toe is dat een zwak punt. Het is ook een erfenis uit het verleden. Nogmaals, dit is geen excuus voor mij. Je moet kiezen: beslist de administratie of beslist de minister op basis van aantoonbare en controleerbare motiveringen?

Ik wil relativeren dat het hier over een totaal van 12 miljoen euro subsidie gaat. Het grootste deel daarvan is wel degelijk gereglementeerd, daar zijn geen problemen mee. Het probleem spitst zich toe op het restant van de facultatieve subsidies.

Dan zijn er de facultatieve subsidies voor de evenementen. Voorheen is dat niet gebeurd. Ik heb dat nagevraagd bij de Dienst Algemeen Regeringsbeleid. Tot dan was er helemaal niets gebeurd. In 2006 heb ik krachtlijnen gemaakt voor het evenementenbeleid, en ook aftoetsingsnormen waaraan wordt getoetst of een evenement eraan beantwoordt. Het is geen aftoetsingskader waar aan elk van de criteria moet voldaan zijn.

Dit is wat sommige collega’s willekeur noemen. Ik bestrijd dat ten zeerste. Er is een evenementenbeleid dat aantoonbare en heel goede effecten heeft. We hebben daarvoor een summier kader dat beter kan. Maar het is de eerste keer dat er een kader is gemaakt voor het betoelagen van evenementen. Dat is gebeurd in de vorige periode.

Ik wil dieper ingaan op de facultatieve subsidies, want daar draait het debat in wezen om. Het ging om de toekenning van de subsidies voor het evenementenbudget. Ik heb geen opmerkingen gehoord over de toeristisch-recreatieve projecten, waarvan ik er ook een aantal heb goedgekeurd in beroep tegen Toerisme Vlaanderen. Het is nu eenmaal mijn aanvoelen dat de minister daarin moet beslissen. Ook als we zaken toebedelen aan het agentschap Toerisme Vlaanderen, moet je nog altijd een minister hebben die politieke verantwoordelijkheid kan en durft te nemen, en daarvoor ook verantwoording aflegt. Het is niet de bedoeling om hier de administratie ter verantwoording te roepen voor beslissingen die genomen zijn.

Een aantal collega’s heeft er trouwens op gewezen dat ook de administratie herhaalde keren fouten heeft gemaakt bij de toekenning van subsidies. Ik beschuldig daarmee niemand. Dit is mijn administratie. Het rapport van het Rekenhof maakt er op diverse pagina’s melding van. Ik zie de heer Caron instemmend knikken. De administratie heeft een aantal beoordelingsfouten gemaakt en slordigheden begaan. Ze doet de uitbetalingen en moet kijken naar de verantwoordingsstukken. Ik neem daar de verantwoordelijkheid voor op mij, laat dat duidelijk zijn, maar het is iets wat verzelfstandigd is en waar men ook moet zien of er nog voldoende regelingen zijn.

Een eerste punt van kritiek van het Rekenhof is dat die subsidies niet altijd passen in duidelijk vooraf bepaalde strategieën en doelstellingen. Ik heb u gezegd dat ik voor elk van de vier geprobeerd heb om wel degelijk een strategie te ontwikkelen om te zeggen waartoe de subsidies, de evenementen, de kunststedenactieplannen of de projecten in het kader van het Kustactieplan moeten bijdragen.

Een tweede kritiek van het Rekenhof is dat er onvoldoende objectiviteit is bij de beslissing over welke dossiers al dan niet betoelaagd worden. Een derde bemerking van het Rekenhof slaat erop dat er tekortkomingen zijn bij de administratieve en financiële opvolging en controle van de dossiers, namelijk bij de evenementen en de kunststeden. Dat zijn dus de twee regelingen die uitgevoerd worden door het Departement internationaal Vlaanderen, dat niet tot het agentschap Toerisme behoort.

Ik wil meteen zeggen dat een aantal kritieken in een zekere mate correct zijn. Daarom werken we nu met impulsprogramma’s op basis van strategische plannen. Dat is inderdaad een goed beleid. Men ontwikkelt een strategie waarbij men zegt wat men wil bereiken en wat de strategische doelen in toerisme zijn. Vervolgens gaat men met de evenementen en subsidies impulsen geven om daartoe bij te dragen. Ik heb dat al ontwikkeld voor Wereldoorlog I en ook voor het Kustactieplan. Daar werken we dus met impulsprogramma’s op basis van strategische plannen.

Verder ben ik van plan om Toerisme Vlaanderen als uniek loket aan te wijzen voor de subsidies. De heer Sintobin zegt dat ik het herstructureringsplan voor Toerisme Vlaanderen nog niet in het parlement heb gebracht, maar het staat in mijn beleidsbrief. Die is aan het parlement bezorgd. We hebben dat nog niet kunnen bespreken, maar we gaan dat doen. U weet dat ik bij de start van de regering aan de administrateur-generaal zou vragen om een herstructurering te gaan doen. De nieuwe administrateur-generaal heeft dat gedaan. Hij moest benoemd worden en hij moest natuurlijk ook de kans krijgen om de organisatie goed te leren kennen om met een doordacht voorstel te komen. Dat ligt vandaag voor en heeft de zegen gekregen van de Vlaamse Regering. Dat staat ook in de beleidsbrief.

Ik wil beklemtonen dat ik op geen enkel moment in de pers Toerisme Vlaanderen heb geviseerd. Ik denk dat het de heer Kennes was die daarop gewezen heeft. Een van de kranten die me vragen stelde, zei dat men ook een persbericht over de herstructurering van Toerisme Vlaanderen had. Ik heb gezegd dat het geen actueel persbericht was, maar een van 14 dagen oud. Ik denk dat het dateert van 8 oktober, nog voor de indiening van dit rapport in het parlement, toen de regering de herstructurering goedgekeurd had. Ik heb gezegd dat beide niets met elkaar te maken hadden.

Het is wel zo dat ik in dat herstructureringsplan van Toerisme Vlaanderen zeg dat ze op dat vlak het uitvoerend agentschap moeten worden. Daar is dus een zekere coïncidentie, maar het ene heeft niets met het andere te maken. Er is geen enkel oorzakelijk verband. Dit waren plannen waarover heel lang nagedacht is, die lang bestudeerd zijn en die doordacht aangepakt zijn door de nieuwe administrateur-generaal en die de zegen hebben gekregen van de regering, los van het rapport van het Rekenhof. Ik had trouwens geen weet van het onderzoek tot ik het rapport kreeg. Het onderzoek is opgestart op een moment dat ik niet de minister was en die sporen lopen onafhankelijk van elkaar. Nu past het ene wel bij het andere omdat Toerisme Vlaanderen in mijn plannen het unieke en enige loket wordt voor die subsidies.

Het laatste punt als antwoord op de opmerkingen van het Rekenhof is dat ik werk maak van een kaderdecreet Toeristische Ondersteuning. Ook dat heb ik in tempore non suspecto neergeschreven in mijn beleidsintenties. Ik heb de ambitie om al die regelingen in één kaderdecreet onder te brengen, om ervoor te zorgen dat die gestroomlijnd en op elkaar afgestemd zijn, zodat er gelijklopende procedures zijn en er controles mogelijk zijn die toelaten om de objectiviteit en de transparantie te bekijken.

Collega’s, ik wil met de meeste klem zeggen dat het feit dat er geen reglementen waren, niet betekent dat er hier sprake zou zijn van willekeur. Dit is een totaal andere aangelegenheid. Als de minister zijn administratie overrulet en vindt dat een bepaald evenement wel degelijk een subsidie mag krijgen, moet dat kunnen. Als de administratie vooraf zegt dat het filmfestival in Oostende niet van toeristisch belang lijkt, maar ik heb de cijfers dat dat wel zo is en dat er, met goed gevolg, heel speciale inspanningen werden geleverd om toeristen aan te trekken, is het de minister die daar een beslissing in neemt en die zich hier kan en wil en moet verantwoorden.

Maar zeggen dat daar vriendjespolitiek en favoritisme mee gemoeid zou zijn? U kent mijn politieke kleur, collega’s. Richt u tot de kunststeden in Vlaanderen. Vraag het in Leuven, in Mechelen, in Antwerpen, in Gent, in Oostende, in de Westhoek, vraag het overal: dit is op basis van dossiers die wij verantwoord achten.

‘Van Eyck tot Dürer’ was een van de zaken die werden aangehaald. Dat is trouwens een beslissing die ik niet heb genomen. Ik was toen geen minister. De administratie stelde toen 250.000 euro voor, maar de regering, waar ik toen geen deel van uitmaakte, heeft beslist om 350.000 euro toe te kennen, precies omdat dat een project is dat erop gericht is veel buitenlandse toeristen aan te trekken. Lees er vandaag trouwens maar de krantenartikelen over ‘Van Eyck tot Dürer’ op na. Gisteren was er trouwens ook een journalistenbezoek, daar zijn honderd journalisten uit binnen- en buitenland op afgekomen. De bedoeling van het project is om een impuls te geven aan het wintertoerisme in een van onze kunststeden. Welnu, dan is dat een beslissing waar ik niet aan heb deelgenomen, maar die ik wel durf te verdedigen. Op dat moment is inderdaad 100.000 euro meer toegekend dan wat de administratie voorgesteld had.

Als dat niet meer de marge is van een minister en een regering, collega’s, moet je overgaan tot een andere vorm van bestuur, waarbij je altijd gebonden bent door wat je administratie adviseert – soms verkeerdelijk adviseert, daar zijn in dit dossier een aantal voorbeelden van terug te vinden.

Het beeld van de ‘evaluatie uit de losse pols’, waarvan in sommige betogen en persberichten sprake was, klopt dus niet. Er wordt door de administratie getoetst op een aantal criteria. Er is een kader. Daar is altijd een subjectiviteit mee gemoeid, ook bij het overrulen. Ik sta op het standpunt dat de administratie de minister adviseert en dat de minister beslist. Hier is geen formele regeling voor. Ik geef dat toe. Ik wil en zal dat veranderen. Ik vind dat daar een motivering bij moet zijn. Ik hád die motivering ook. Niemand heeft mij tot nu toe gezegd dat, als de administratie mij adviseert en ik dat advies niet volg, ik daar een omstandige motivering rond moet maken. Ik ben bereid om dat wel te doen. Dat zal duidelijkheid scheppen.

Ik blijf er voorstander van, en ik denk dat dat het idee is van beter bestuurlijk beleid, dat het primaat van de politiek blijft dat de minister de beslissingen neemt. Hij is in ons parlementaire stelsel ook de enige die kan worden aangesproken en ter verantwoording kan worden geroepen.

Ik heb zo inderdaad een aantal beslissingen overruled. Ik heb u al gewezen op het filmfestival van Oostende. Dat festival heeft heel wat bezoekers aangetrokken en is intussen uitgegroeid tot een jaarlijks topevenement, dat een grote toeristische meerwaarde heeft. Dit jaar zijn daar trouwens voor de eerste keer de Vlaamse filmprijzen uitgereikt.

Toerisme Oostende heeft een onderzoek gedaan naar de effecten ervan in de hotels en in de verhuursector, en heeft laten weten dat het een positief effect heeft.

Hetzelfde is gebeurd in een aantal andere dossiers. Ik denk aan het dossier ‘Pallieteren’ in de Antwerpse Kempen. Dat was een uniek samenwerkingsproject waar de administratie onvoldoende meerwaarde in zag. Ik heb geoordeeld dat het om een unieke samenwerking, publiek en privaat, tussen vijf gemeenten ging. Het project werd betoelaagd en had goede effecten. Het vormde de basis van het structureel project ‘Tafelen in Vlaanderen’: voor het eerst samenwerking tussen de horeca, provinciale toeristische organisaties en Toerisme Vlaanderen. Zij zaten samen aan tafel om positieve impulsen te geven aan onze gastronomie als trekker in ons toerisme, binnenlands en buitenlands. Dit is een eenmalig project geweest dat ik op die gronden gesubsidieerd heb.

Op dezelfde manier heb ik de zomerzoektocht in de Voerstreek, in het drielandengebied Luik-Aken-Maastricht, gesubsidieerd. Mijn administratie raadde me aan om dat niet te doen, omdat het op het buitenland gericht was. Ik heb gemeend dat ik het wel moest doen. De administratie zei ook dat het iets van het Davidsfonds was en dat er daardoor misschien een te hoge drempel was voor een aantal mensen wegens socioculturele en historische redenen. Ik moet zeggen dat ik dit niet begreep en niet volgde. Ik heb dus gemeend dat ik dit wel mocht betoelagen. Het project heeft een stroom aan bezoekers gegenereerd, het was trouwens een project dat lang heeft geduurd. Ik heb het advies dus overruled, en ik heb er geen probleem mee om dat hier allemaal mee te delen en te vertellen.

Er staan zaken in het rapport die ik niet begrijp. Ze werden hier ook aangehaald door een van de interveniënten. Zo was er het project ‘Film Cities’ met Oostende: dat zou niet thuishoren in het Kunststedenactieplan. Wie over dat project leest, weet dat het een samenwerking betrof tussen de kunststeden Antwerpen en Brugge, en ik denk ook Gent, maar daar ben ik niet zeker van. Oostende heeft gezegd dat het daaraan wilde bijdragen en heeft daar inderdaad films mee aangetrokken die gedraaid worden in die stad. Dat is gebeurd met ‘Copacabana’ en met ‘The Hot Potato’. Die films zijn daar gemaakt, net zoals er in Brugge films gemaakt zijn. Het is een project van de kunststeden, van het onderdeel ‘Film Cities of Flanders’ van het Kunststedenactieplan. Dit is innovatief en het is iets waarvan al onze kunststeden zeggen dat het goed werkt en toeristen lokt. De films zijn nog maar uitgebracht of er zijn al buitenlandse toeristen die zich aanmelden om te komen kijken waar de film zich afgespeeld heeft. Dan zeggen dat dit niets te maken heeft met het Kunststedenactieplan, klopt niet. Het was een onderdeel van het Kunststedenactieplan waar de stad Oostende, die daar trouwens voor betaald heeft, zich bij aangesloten heeft. Een aantal nuanceringen zijn dus heel belangrijk.

Op de controle op de afrekeningen heeft het Rekenhof terecht opmerkingen gemaakt. Dat is ondertussen bijgestuurd, nu worden wel verantwoordingsstukken opgestuurd, iets wat voorheen nooit werd gevraagd, ook niet door de controleurs van de Inspectie van Financiën. Dit verzwaart natuurlijk de administratieve last enorm. Tot nu toe werd gewerkt aan de hand van kostenstaten. Hier hebben een aantal collega’s ervaring met facultatieve subsidies. Op het moment dat daar ook verantwoordingsstukken aan toegevoegd moeten worden, wordt de administratieve procedure heel sterk verzwaard en zitten we met een heel andere vorm van controles.

We zullen dat voor ogen moeten houden op het moment dat we werk maken van een kaderregeling. Het gaat nu in de gegeven budgettaire omstandigheden nog over 600.000 euro, en we moeten ons ervoor hoeden om een aantal controlemechanismen te installeren die op de duur leiden tot zoveel last dat het effect van de subsidies teniet wordt gedaan omdat er zo veel tijd, energie en kosten aan moeten worden besteed. Dat wil ik heel duidelijk maken.

De heer Kennes wees er ook op dat de tentoonstelling ‘Rogier van der Weyden’ in Leuven helemaal werd onderzocht in opdracht van de stad Leuven, niet in opdracht van mezelf. Er werd een economische studie gevoerd over de impact ervan, en die studie was heel positief en stelde dat er meer dan 7 miljoen euro aan inkomsten uit gegenereerd zijn. Er zijn heel wat verblijfstoeristen op af gekomen en die hebben samen 2,9 miljoen euro bijgedragen aan de economie in Leuven. Ik hoef u niet te vertellen dat dit een dure studie geweest is. Als wij bij elk evenement dat we in Vlaanderen subsidiëren ook een onderzoek willen doen naar de effecten ervan, dan kan ik u al zeggen dat we dat in een aantal gevallen veel beter niet doen. Je kunt dat ook niet altijd meten. Het kost veel en er zijn zo veel andere factoren die meespelen bij het al dan niet slagen van een evenement, ook als het over langere tijd loopt, dat het heel moeilijk is om te komen tot een resultatenmening.

Als we het evenementenkader opmaken, wil ik toch wel nagaan hoe ver we gaan. Ik heb er geen probleem mee om te zeggen dat er ook kostenstaten moeten worden toegevoegd, wat voorheen niet het geval was. Als je ook nog evaluaties moet doen en effecten achteraf moet gaan meten, dan ben je wel heel ver van huis.

Mijnheer Sintobin, we hebben het niet over een resultaatsverbintenis. Je kunt nooit resultaten garanderen. Dat weet u zeer goed als specialist toerisme. Een bepaald evenement kan zwaar tegenvallen, ook al zijn er de beste voorbereidingen voor getroffen. Er kan een internationale crisis zijn. Er kunnen allerlei omstandigheden zijn die tegenzitten. Het evenement kan minder kwalitatief zijn dan gedacht. Het kan door de pers en door de critici in de vernieling worden geschreven. Er zijn heel veel factoren waar je vooraf de impact niet van kunt meten.

Ik wil besluiten met te zeggen dat voor mij een rapport van het Rekenhof – en ik sluit me aan bij de woorden van mevrouw Robeyns en de heer Penris – in de eerste plaats dient om er lering uit te trekken. Nog eens: ik steek mijn paraplu niet op, maar facultatieve subsidies voor evenementen waren er alle jaren voor mij ook zonder dat er enige reglementair kader was. Diegene die hier een initiatief heeft genomen en een voorstel van decreet heeft ingediend om er een kader voor uit te tekenen, mag het mij voorleggen. Mij is in elk geval nooit gezegd dat dat een manier van werken was die niet langer kon.

Het Rekenhof duidt een aantal pijnpunten aan. Ik wil daar ook rekening mee houden. Ik wil er lering uit trekken. Het rapport van het Rekenhof is een nuttig instrument om de procedures te verbeteren, om de werkwijze te verbeteren, om de bestuurscultuur met betrekking tot subsidies aan te passen. Ik ga dat dus ook doen. Als diegenen die kritiek hebben mijn brief lezen, dan weten ze dat ik mij aansluit bij het rapport van het Rekenhof en kennen ze mijn intentie om een kaderdecreet te maken met basissen voor subsidiering, waaruit besluiten van de Vlaamse Regering zullen moeten volgen die er nu niet zijn. Je maakt een kaderdecreet. Je maakt besluiten van de Vlaamse Regering en dan kun je in een kader werken. Er zijn alleen een aantal zaken waar we ernstig over moeten nadenken. Wat is de verantwoordelijkheid van de minister? Hoe ver gaan we in de administratieve lasten bij de controle, bij de evaluatie? Dat is een belangrijke beslissing die moet worden genomen.

We waren met de regering, niet vanuit de kritiek van het Rekenhof, al tot de afspraak gekomen dat we gaan werken aan een evenementenkader omdat we ook zien dat er shopping gebeurt. Bepaalde organisatoren gaan met hetzelfde project en naar de minister-president en naar de minister van Cultuur en naar de minister van Toerisme. We hebben vastgesteld dat er shopping gebeurt en dat men soms niet van elkaar weet wie er subsidieert en wie niet. Om andere redenen hadden we al gezegd dat we een kader moesten scheppen en dat we tot afstemming moesten komen voor grote evenementen om te vermijden dat er dubbele subsidiëring gebeurt of dat de ene subsidieert in tegenstelling tot het beleid van de andere. We hadden dus los van dit rapport al gezegd dat we tot zo’n kader moesten komen. Minister Schauvliege gaat een initiatief nemen.

We werken aan een kaderdecreet voor toeristische subsidies. Een aantal aanbevelingen van het Rekenhof zullen dus uitwerking krijgen. Ze hebben betrekking op de reglementering.

We mogen het kind met het badwater niet weggooien. Ik blijf erbij dat subsidies voor toerisme belangrijk blijven om impulsen te geven aan het toeristisch beleid. Dat is zo aan de kust, dat is zo in de groene regio’s, dat is zo bij de kunststeden.

Daarstraks deed men denigrerend over de surfclubs. We hebben met Kustactieplan inderdaad vijf surfclubs in Vlaanderen gesubsidieerd. Een van de grote problemen is dat de kust vergrijst en dat er te weinig activiteiten voor jonge mensen zijn en dat er te weinig aantrekkingskracht voor sportievelingen is enzovoort. Het Kustactieplan wil onder andere dat soort zaken stimuleren. Ik heb er geen probleem mee om daarover te praten. Ik heb er geen probleem mee dat dat een project is dat gesteund is door het Kustactieplan en dat door de jury naar voren werd geschoven om aan een van de pijnpunten tegemoet te komen.

Mijnheer Sintobin, dat is een analyse die we geregeld maken. We moeten de kust verjongen, vernieuwen. Er moeten nieuwe producten zijn. U zegt denigrerend dat we een surfclub in De Panne subsidiëren. Ja, maar we subsidiëren er ook nog vier andere. Mijnheer Sintobin, ik kijk naar u omdat ik weet dat u een van de heren bent die net als andere collega’s, bezorgd is over de ontwikkeling van het kusttoerisme, over de vernieuwing daarvan, over het geven van nieuwe impulsen voor het kusttoerisme.

Ik ben het volledig eens met wat de heer Kennes over het primaat van de politiek heeft gezegd. We moeten hier toch eens ernstig over discussiëren. Indien het Vlaams Parlement een decreet zou goedkeuren dat alle subsidies in een kader giet, de beoordeling aan de administratie overlaat en ervoor zorgt dat ik daar niet meer van kan afwijken, zouden we in een ander politiek systeem belanden.

Mijnheer De Meulemeester, ik ben het ermee eens dat afwijkingen moeten worden gemotiveerd. Dit gebeurt ten aanzien van het agentschap. Indien straks zou worden besloten dat uw aanvraag in verband met een onthaalbureau in Oudenaarde niet zou worden goedgekeurd en u hiertegen bij mij beroep zou aantekenen, zou ik dat motiveren. Het gaat hier om een zaak tussen een minister en een uitvoerend agentschap. De administratie verstrekt adviezen. Tot nu toe is dat in verband met facultatieve subsidies nooit gebeurd. De vraag is of dit in de toekomst zou moeten gebeuren. Ik heb er geen problemen mee te motiveren waarom ik mijn eigen administratie niet volg. Alleen zal dit een andere cultuur vergen en zullen we in een andere situatie terechtkomen.

Tot slot wil ik opmerken dat ik die insinuaties over favoritisme niet neem. Die insinuaties vloeien niet voort uit een correcte lezing van het rapport. Er is geen sprake van favoritisme. Er is sprake van onvoldoende transparantie. De objectiviteit kan worden verbeterd. Het gaat hier echter om projectsubsidies die allemaal een bijdrage tot onze toeristische ontwikkeling leveren.

Dames en heren, ik daag jullie uit eens met de betrokkenen te spreken in de kunststeden of op die plaatsen waar de subsidies worden uitgedeeld. Zij die beweren dat het een West-Vlaamse zaak is, zijn volkomen fout.

Morgen zal ik met veel genoegen de tentoonstelling ‘Van Eyck tot Dürer’ in Brugge openen. De Vlaamse Regering, waar ik op dat ogenblik geen deel van uitmaakte, heeft besloten een hogere subsidie toe te kennen dan door de administratie was voorgesteld. Ik ben ervan overtuigd dat dit brede, vernieuwende en omvattende project alle overheidssteun verdient. Dit Brugse project is bedoeld om het wintertoerisme te ontwikkelen en om ook tijdens de dalmaanden toeristen aan te trekken. Ik vind dat wij daar door middel van onze eigen impulsen een bijdrage toe mogen leveren. Ik zal dat met veel plezier doen. Ik nodig jullie allemaal uit om naar deze tentoonstelling te komen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Reekmans heeft het woord.

Peter Reekmans

Voorzitter, na zo veel woorden moet ik even ademen. Ik heb heel wat cruciale zaken niet horen vermelden. Andere cruciale zaken zijn dan weer wel aan bod gekomen.

De minister heeft verklaard bereid te zijn een regelgeving tot stand te brengen die hem ertoe verplicht te motiveren waarom hij tegen de administratie ingaat. Ik denk dat een minister toch geen regelgeving nodig heeft om te beseffen dat hij een ombuiging van een administratief advies best op zijn minst motiveert. Hij moet hiermee toch niet wachten tot we een bijkomend regeltje hebben uitgevonden.

Minister Geert Bourgeois

Zoals ik daarnet al heb verklaard, gebeurt dit nu al.

Peter Reekmans

Minister, mag ik even uitspreken? Anders dreigt het debat hier nog lang te duren. Ik wil gewoon enkele essentiële punten naar voren brengen. Woorden mogen echter niet alles verdrinken.

Het opstellen van regelgeving om een minister te verplichten de ombuiging van een administratief advies om te buigen, getuigt van weinig gezond verstand. Mij lijkt het logisch dat een minister dit moet doen.

U hebt toegegeven dat het ontbreken van die motivering een zwak punt is. Tegelijkertijd hebt u er echter op gewezen dat uit een goede lectuur van het auditrapport blijkt dat er ook slordigheid van de administratie in het spel is. U durft nogal. Af en toe zet u uw eigen administratie voor joker en nu vertelt u hier dat ze slordig is.

Ik kijk even naar het partijprogramma van de N-VA. De N-VA wil de politieke kabinetten afschaffen en het aantal ambtenaren omlaag helpen. Ik vraag me af hoe u dit met uw huidige werkwijze tot stand wilt brengen. U bent een kopstuk van de N-VA. Ik ga ervan uit dat u bij machte bent dit programma uit te voeren. Dit betekent echter dat u eerst de politieke macht van die kabinetten moet verminderen.

Wat doet u echter? Er wordt rechtstreeks onderhandeld tussen mensen die subsidies vragen en uw kabinet. Daar hebt u met geen woord over gerept. Dat staat nochtans ook in de audit. Als u de politieke verantwoordelijkheid van een kabinet wilt afbouwen, dan moet u dringend het aantal gasten verminderen die bij u aankloppen voor subsidies. Laat uw administratie dat doen, anders zult u nooit zonder kabinet kunnen. Het is niet alleen om die reden dat ik tegen ben. Ik ben vooral ook tegen omdat met deze cavalier-seulacties van u de normale werking van de administratie net wordt doorkruist.

Minister, de heer Dehandschutter heeft daarnet gesteld dat uit uw brief blijkt dat u akkoord gaat met de aanbevelingen van het Rekenhof. U stelt dat ook. Ik heb het document hier liggen en zal er, om te eindigen, uit voorlezen. Andere leden hebben er ook al op gewezen. Ik zal de discussie niet aangaan, want dan wordt er weer gewaagd van woorden die niet zijn correct weergegeven. Op bladzijde 77 staat letterlijk: “De minister reageerde niet op de beperkte operationalisering van de langetermijndoelstellingen. Hij ging ook niet in op de uitvoering door de administratie, de evaluatie van subsidieaanvragen, de subsidietoekenning en -betaling, de controle van de subsidieverantwoording of het gebrek aan een globale evaluatie voor drie van de vier subsidiestromen.” Minister, die brief van u dateert van 22 juli 2010. U hebt daar gewoon niet op gereageerd. Vandaag komt u in dit parlement zeggen dat u dat alles kent en weet. Mocht ik dit de voorbije dagen niet aan het licht hebben gebracht, dan was het in dit parlement echter nog altijd niet ter sprake gekomen.

Marnic De Meulemeester

Voorzitter, het debat heeft overduidelijk aangetoond dat uit het rapport van het Rekenhof blijkt dat er toch wel iets ernstigs aan de hand was in de periode 2007-2008. Dat rapport bevat immers een pak negatieve beschouwingen, die men niet kan negeren. Zo wordt onder meer gewaagd van onduidelijke regels, vage doelstellingen en arbitraire toekenning. Dat is toch wel een zeer negatieve beoordeling. Het gaat over subsidieaanvragen die rechtstreeks zijn toegekend door het kabinet. Er wordt ook gewaagd van een gebrekkige controle, een gebrekkig meetbaar beleid, beperkte evaluaties en zwakke begrotingen. Dat kunnen we niet zomaar wegwuiven. Dat zijn ernstige zaken, waarover we ons in de toekomst moeten beraden.

Minister, het is daarnet al gezegd: u hebt 6 jaar de tijd gehad, zij het dat de minister-president 1 jaar bevoegd is geweest voor Toerisme. U hebt dus voldoende tijd gehad om ook te kijken naar het samenbrengen van al die subsidiestromen bij één administratie. Minister, we zijn het erover eens dat Toerisme Vlaanderen zich bezig moet houden met toerisme, en dat alles ter zake moet worden samengebracht in een daarvoor bevoegd uitvoerend agentschap.

U zegt dat er geen willekeur was. U bent in tien gevallen bij uw beslissing afgeweken van het advies van uw administratie. Dat moet kunnen. Dat beseffen we natuurlijk. De politiek primeert, maar die afwijking moet dan ook worden gemotiveerd en het mag niet gaan over onregelmatigheden. Daar hechten we toch wel belang aan. In een aantal dossiers waarvan sprake is in het rapport van het Rekenhof, gaat het duidelijk over onregelmatigheden. Dat moet toch wel worden opgehelderd.

Op één punt van mijn betoog hebt u eigenlijk nog geen antwoord gegeven. Het ging over één dossier dat een ongunstig advies had gekregen van het Departement internationaal Vlaanderen. Het advies werd echter plots positief gemaakt en naar de Inspectie van Financiën gezonden. Ik heb gevraagd wie de schuld draagt voor het veranderen van dat advies. Ik denk dat het hier gaat over onregelmatigheden en niet meer over politieke keuzes. Daarop zou ik graag nog een antwoord van u hebben.

Wat de impulsprogramma’s en de strategische plannen betreft, ga ik natuurlijk volledig akkoord. We zullen daar ook aan meewerken in de commissie. Laten we ook hopen dat we een debat zullen kunnen voeren in de commissie over de herstructurering van Toerisme Vlaanderen, die al zo lang wordt aangekondigd. Blijkbaar heeft de Vlaamse Regering er al een beslissing over genomen, maar het lijkt me ook goed dat we dat terdege kunnen bespreken in de commissie. Toerisme Vlaanderen zal immers volledig bevoegd zijn voor alles wat met toerisme en subsidieaanvragen te maken heeft.

Minister, wanneer u het hebt over het Kustactieplan, dan ben ik het met u eens dat surfen gepromoot moet worden. Ik lees echter dat naar de renovatie van club- en strandhuis 75.000 euro zou gaan. Dat lijkt me nogal veel. Ik heb er geen probleem mee dat er impulsen worden gegeven aan het kusttoerisme. Dat moet kunnen en is heel belangrijk voor het toerisme. Maar om daar nu 75.000 euro aan te besteden, dat lijkt ons toch wel veel.

Minister, kunt u een antwoord geven op de vragen die u nog niet hebt beantwoord?

Ward Kennes

Iedereen is het erover eens dat afwijkingen moeten kunnen maar dat die gemotiveerd moeten worden. Dat is een van de lessen uit het debat.

Minister, u had niet de bedoeling anderen ter verantwoording te roepen. U hebt ook toegelicht hoe een aantal zaken in de media tot stand zijn gekomen met de mogelijke verwarring van het dossier, de herstructurering van Toerisme Vlaanderen en het dossier van het Rekenhof. Dat laten we voor rekening van de betrokken journalisten.

Wanneer er een decreet komt om de toeristische subsidiestromen in goede banen te leiden, dan moet dat vooral een werkbaar decreet zijn. Het gaat soms over kleine bedragen. Het kan volgens mij niet de bedoeling zijn om vanuit een overreactie en een te groot wantrouwen een consultancybureau te moeten inschakelen en subsidiologen ter beschikking te moeten hebben om nog een dossier goedgekeurd te krijgen. Wanneer er extra tewerkstelling komt, dan is het belangrijk dat dit gebeurt in de toeristische sector en niet bij de aanvrager en behandelaar van de dossiers.

Dit debat heeft nog heel wat stof opgeleverd voor verdere discussies in de commissie. Ik wil nogmaals de algemene opmerking maken dat het in deze plenaire vergadering enkel de mensen zijn die bezig zijn met het beleidsdomein Toerisme die aandachtig volgen. Ik vind persoonlijk dat een debat over een rapport van het Rekenhof thuishoort in de commissie samen met de mensen van het Rekenhof. Nu wordt het stilaan een welles-nietesspelletje tussen de minister en de interpellanten.

Minister, de grote commotie is er gekomen nadat u verschillende adviezen van de administratie had omgebogen zonder motivering. Daar ligt het grote pijnpunt met daarnaast een decretale verankering van de impulsprogramma’s die u hebt aangekondigd in uw beleidsnota.

Ik wil de commissievoorzitter vragen om binnen afzienbare tijd het plan van de herstructurering van Toerisme Vlaanderen te agenderen.

Tot slot kondig ik namens mijn fractie een actualiteitsmotie aan.

Lieven Dehandschutter

Minister, ik dank u voor uw antwoord. U hebt beaamd en toegeven wat u al wist, namelijk dat er een aantal zwakheden en onvolkomenheden zaten in de werkwijze en de procedure die tot nu toe werden gevolgd. Belangrijker is echter dat u hebt aangekondigd dat u een ontwerp van kaderdecreet Toerisme zult neerleggen. Het is niet alleen uw maar ook onze verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat dit in de toekomst anders en beter kan.

Namens de meerderheid kondig ik een actualiteitsmotie aan.

Minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord. U hebt al heel wat zaken genuanceerd en bijgestuurd. Ik vind het positief dat u zich engageert om te komen tot één regelgevend kader en één instantie die alle subsidiestromen zal beheren. Het is ook goed dat u afwijkingen van adviezen van uw administratie wilt motiveren. U zegt dat u dat al informeel doet. Wanneer u dat nu formaliseert, is die discussie ook uit de weg.

Dit toont aan dat een rapport van het Rekenhof ook een positieve uitvoering kan krijgen. Dat is ten slotte de finaliteit van zo’n rapport.

Ik wil ook de bezorgdheid van de minister en de heer Kennes over de overdreven reglementeringsdrang delen. We moeten er blijven over waken dat alles werkbaar blijft. Ik heb nog één vraag die misschien in de commissie moet worden behandeld. Komt er een grondige evaluatie van de subsidiestromen?

Bart Caron

Ik heb nog wat kleine opmerkingen. Op sommige punten komt u de kritiek tegemoet. Dat kan ik alleen maar toejuichen. Ik heb in mijn tussenkomst niets gezegd over de toeristische projecten. Ik ken ze niet en kan ook niet over hun inhoud oordelen. Ik heb echter een suggestie. Ik stel voor om net als in de sectoren Jeugd, Cultuur en Sport de gesubsidieerde projecten en de reglementeringen online te plaatsen. Dat gebeurt elders ook al. Dan kan iedereen de projecten lezen en is alles glashelder.

U had het over subjectiviteit. Subjectieve elementen beoordelen is inderdaad een lastige karwei. Ik kan alleen maar adviseren om daar onafhankelijke, externe experts voor in te schakelen. Ze kunnen dan een advies verlenen net zoals de administratie dat doet. Het zal u helpen om een politieke beslissing te nemen. Als u dat ook nog eens binnen de strategische plannen inpast, wordt alles des te helderder en logischer en kunt u gemakkelijker een beslissing nemen.

Ik wijs nog eens op wat het Rekenhof stelt, namelijk om na te denken over dubbele betoelaging. De voorbeelden die u zonet aanhaalde, zijn allemaal projecten die door Cultuur zijn gesubsidieerd. Het Rekenhof haalt gevallen aan van dubbele betoelaging die niet zijn gecheckt. Daar moet strikter worden mee omgegaan.

Als een beslissing niet wordt gemotiveerd, kan ik als parlementslid niet oordelen over de grond of de inhoud van de zaak.

Over bewijsstukken, kostenstaten en planlast heb ik enige ervaring. Als een decreet wordt opgesteld, kan de planlast minimaal worden gehouden en kunnen er facultatief subsidies worden verleend. Zonder decreten is er meer papier en procedure dan met gereglementeerde subsidies. Ik houd dus een pleidooi om er snel werk van te maken.

Voorts zocht u een kader voor evenementen. Minister Schauvliege zou ter zake initiatieven nemen. Ik zou u graag mijn diensten aanbieden Ik heb in mijn vorig leven een gelijkaardig, geïntegreerd, intersectoraal kader uitgewerkt. U zegt het maar.

Ten slotte kijk ik met belangstelling uit naar uw kaderdecreet voor toeristische ondersteuning.

Peter Reekmans

Mijnheer de voorzitter, we kondigen een actualiteitsmotie aan.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Het debat is gesloten.

De voorzitter

Actualiteitsmoties

Door het Vlaams Belang, door de meerderheid en door LDD, Open Vld en Groen! werden tot besluit van dit actualiteitsdebat actualiteitsmoties aangekondigd. Ze moeten uiterlijk om 16.45 uur zijn ingediend.

Het parlement zal zich daar straks over uitspreken.

Het incident is gesloten.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.