U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is de algemene bespreking van het ontwerp van decreet.

De heer Verstreken, verslaggever, heeft het woord.

Johan Verstreken

Voorzitter, ik ga mijn korte uiteenzetting vanop mijn stoel doen.

In de Commissie voor Buitenlands Beleid, Europese Aangelegenheden en Internationale Samenwerking lag op 27 april 2010 het ontwerp van instemmingsdecreet met het Europees verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, opgemaakt in Valletta op 16 januari 1992 voor.

Het verdrag van 1992 is een herziening van het oorspronkelijke verdrag van 1969, maar Vlaanderen was een van de laatste entiteiten in Europa die dit akkoord nog moest goedkeuren. Het verdrag beoogt het behoud en de bescherming van het archeologisch erfgoed in Europa dat van wezenlijk belang is voor de kennis van de geschiedenis van de mensheid.

Tijdens de bespreking in de commissie hebben alle sprekers hun verbazing uitgedrukt over de toch wel lange verdragsprocedure, maar het ontwerp van decreet werd na bespreking aangenomen bij eenparigheid van stemmen.

Voor het volledig verslag verwijs ik naar het schriftelijke verslag.

De voorzitter

De heer Van Overmeire heeft het woord.

Karim Van Overmeire

Voorzitter, ik wil graag kort iets zeggen over dit verdrag en niet zozeer over de inhoud. Het Europees verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed wil eigenlijk een antwoord bieden op het toenemende probleem van de clandestiene opgravingen en de daarmee gepaard gaande ontvreemding van archeologisch patrimonium.

Er was unanimiteit in de commissie. Ik neem aan dat het straks in de plenaire vergadering ook zo zal zijn en dat elk zinnig mens zich achter de doelstellingen van dit verdrag kan scharen.

Voorzitter, waar ik op wil wijzen – en ik denk dat het de plenaire vergadering en de hele regering aanbelangt – is op de langdurigheid van de procedure. Het verdrag dateert dus van 1992 en heeft 18 jaar nodig gehad om hier uiteindelijk in deze plenaire vergadering te komen. Opvallend is dat ook de minister in de commissie geen plausibele uitleg kon geven waarom het zo lang geduurd heeft.

Het verdrag is tot stand gekomen in 1992 waarna het werd opengesteld voor ondertekening. Het heeft dan nog eens 6 jaar geduurd vooraleer het gemengd karakter van het verdrag vastgesteld werd. Dan heeft het nog eens 4 jaar geduurd eer België het verdrag ondertekend heeft. Dan duurde het nog eens respectievelijk 4, 5 en 7 jaar alvorens allerhande Vlaamse adviesorganen – de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV), de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Minaraad), de Strategische Adviesraad internationaal Vlaanderen (SARiV), de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed (SARO) – hierover bevraagd werden en hun advies konden brengen. Dan heeft het nog eens een jaar geduurd alvorens dit verdrag in het parlement terechtkwam.

Ik zou hierover het woord niet voeren, als dit een alleenstaand geval zou zijn. In de pijplijn naar onze commissie zitten nog wel meer van dit soort verdragen. Er is bijvoorbeeld het ontwerp van decreet tot instemming met de overeenkomst houdende de stichting van een Europese conferentie voor moleculaire biologie. Die overeenkomst werd ondertekend in Genève op 13 februari 1969. Ze is dus 41 jaar onderweg. Er zijn hier collega’s die nog niet eens de gezegende leeftijd van 41 jaar bereikt hebben. Er is ook nog de overeenkomst houdende de oprichting van het Europees laboratorium voor moleculaire biologie, opgemaakt in Genève in 1973. 37 jaar is deze tekst onderweg naar deze plenaire vergadering.

Het zal minister Lieten zijn die heel binnenkort deze ontwerpen van decreet in onze commissie zal voorleggen.

Dit is natuurlijk niet de schuld van minister Lieten. Ik neem aan dat zij 37 of 41 jaar geleden nog niet bevoegd was. Dit illustreert enkel dat er in allerlei kasten en schuiven op allerlei kabinetten nog allerlei verdragen en overeenkomsten liggen. We kunnen hier natuurlijk enigszins smalend over doen. We maken hier echter geen goede indruk mee. Ik heb twee redenen om hier aandacht te vragen voor de zeer lange procedure.

Ten eerste, het Vlaams Parlement komt helemaal op het einde van de procedure aan bod. De indruk ontstaat dan ook dat die overeenkomsten en verdragen hier blijven liggen. Dat is absoluut niet het geval. Ik wil benadrukken dat we al het nodige doen om de teksten zo snel mogelijk te behandelen. Zodra we de teksten hebben ontvangen en het dossier volledig is, laten we de procedure zo snel mogelijk haar beslag krijgen.

Ten tweede, Vlaanderen is een deelstaat met verdragrechtelijke bevoegdheden. We hebben een reputatie hoog te houden. Het gaat niet enkel om de Belgische recuperatiekrachten die op de loer liggen en die heel het systeem van de Vlaamse verdragrechtelijke bevoegdheden graag zouden terugschroeven. Het gaat ook om onze reputatie bij onze buitenlandse partners. Ze willen een betrouwbare partner zien. Het is een erezaak de procedure met betrekking tot afgesloten akkoorden zo snel mogelijk af te ronden. We moeten zo snel mogelijk formeel bevestigen wat 17, 37 en 41 jaar geleden is beslist.

Het leek me interessant hier even de aandacht op te vestigen. Ik kan de minister enkel vragen eens in alle kasten en schuiven te kijken. Hij kan dit ongetwijfeld aan de overige leden van de Vlaamse Regering overmaken. Hij zou moeten nagaan of er geen andere teksten al jarenlang liggen te wachten. Het zou een goede zaak zijn die zo snel mogelijk te behandelen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron

Voorzitter, ik weet niet of een tekst van 18 jaar oud al een archeologische vondst vormt. Ik denk dat dit verdrag daar langzamerhand wel toe behoort. Ik ben trouwens blij dat de diensten van minister Bourgeois, in het bijzonder het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), die tekst nog hebben teruggevonden en hier vandaag kunnen presenteren.

In de loop van de vorige legislatuur heb ik twee actuele vragen over dit thema gesteld. Ik ben immers een van die vier of vijf mensen in het Vlaams Parlement die de aandacht voor het erfgoed gaande houden en die beseffen dat het verdrag van Valletta hier nog niet is geratificeerd.

Het is ronduit bevreemdend en zelfs een beetje schandalig dat het zo lang heeft geduurd. We zijn blij dat de ratificatie vandaag kan plaatsvinden. De grond van de zaak is echter dat het archeologiebeleid moeizaam tot stand is gekomen. Ik zou dan ook van de gelegenheid gebruik willen maken om erop te wijzen dat de ratificatie van het verdrag betekent dat het werk pas begint.

Ik weet niet wie de tekst van het verdrag al heeft gelezen. Het verdrag behandelt de band tussen archeologie en ruimtelijke ordening, de illegale handel, de illegale opgravingen, de bewaring van erfgoed en de financiering van het archeologisch onderzoek. Al deze punten hebben betrekking op dit beleidsdomein.

We zullen het ontwerp van decreet uiteraard goedkeuren. Vlaanderen moet in de internationale stroom, zij het in de verre slipstream, van het beleid inzake de zorg voor archeologische vondsten meevaren. We moeten straks echter ook tot een verbeterde regelgeving voor de archeologie zelf komen.

Dit is de belangrijkste reden waarom het verdrag zo lang is blijven liggen. Vlaanderen is traag, met horten en stoten, tot een archeologiebeleid gekomen. Zij die deze thematiek volgen, kennen de voorgeschiedenis. De overgang van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP) naar het VIOE is moeilijk tot stand gekomen. De hele organisatie hiervan ligt aan de basis van deze moeilijke beleidslijn.

We beschikken gelukkig over een regelgeving. Helaas is deze regelgeving ondertussen sterk verouderd. De minister heeft aangekondigd dat het archeologiebeleid in het licht van de brede aanpak van het onroerend erfgoed zal worden geregeld. We zetten vandaag een klein stapje. Dat heeft 18 jaar geduurd. We moeten nu een grote stap zetten. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat die grote stap maar 18 maanden zal duren.

Tijdens de vorige legislatuur heeft de vorige minister de intentie geformuleerd het archeologiebeleid een zwenk te geven. Dit heeft tot een voorontwerp van decreet geleid. Verder zijn we toen niet geraakt. Ik hoop dat de minister die mooie intentie ook in het vooruitzicht zal stellen.

Ik wil daarbij nog twee belangrijke principes onderstrepen: het veroorzakersprincipe en de zorgplicht. Wie schade aan archeologisch patrimonium veroorzaakt, moet daar ook voor opdraaien. Dat, minister, moeten we regelen. Men kan niet elke toevallige vondst en kost in de schoenen van iedereen schuiven. Er moet gezorgd worden voor een globale, een soort solidaire regeling, waarbij niet één aannemer of bouwheer wordt gestraft, maar waarbij de kost verdeeld wordt onder alle ondernemers en eigenaars. Er moet ook voor gezorgd worden dat datzelfde archeologisch materiaal niet verloren gaat. Daarnaast is er nog de inventaris, waarover u het in uw beleidsnota uitdrukkelijk hebt. Inzake het erfgoed is niets definitief. Maar de zaak moet wel afgerond worden.

We zullen dit ontwerp goedkeuren. We kijken echter uit naar de volgende 18 maanden, naar het echte werk.

De voorzitter

De heer Sauwens heeft het woord.

Johan Sauwens

Voorzitter, minister, collega’s, het is inderdaad een belangrijk moment dat we eindelijk dit verdrag mee kunnen goedkeuren. Het Verdrag van Valletta dateert van 16 januari 1992. Vlaanderen heeft wel niet gewacht op de goedkeuring van het verdrag om toch al een aantal zaken te doen. Ex-minister Waltniel en enkele anderen hier nog aanwezig, waaronder ikzelf, hebben in 1993 het decreet op het archeologisch patrimonium kunnen laten goedkeuren door het parlement. Het is ondertussen geïmplementeerd, stap na stap. De integratie met de ruimtelijke ordening is tot stand gekomen. Ik denk dat nu een aantal zaken nauwer uitgeschreven zouden moeten worden. Minister, wanneer denkt u daarmee naar het parlement te komen?

Het is niet mijn bedoeling het volledige verdrag door te nemen. Dat is al in de commissie gebeurd. Ik zou wel aandacht willen vragen voor de financiering van het archeologisch onderzoek. Vandaag de dag is er in Vlaanderen meer een meer contractarcheologie beschikbaar. Dat is een dure zaak. Het gaat om pure mankracht van hoogopgeleide mensen. Ze moeten worden ingeschakeld. Men gaat niet zo maar de bodem onderzoeken, tenzij er verstoring dreigt. Het boek van het verleden kan maar één keer worden gelezen. Dat moet dus zorgvuldig gebeuren. Er gaat tijd verloren. Soms zijn extra maatregelen, wijzigingen van het bouwproces nodig, juist omwille van de vastgestelde vondsten.

Door zijn geschiedenis is Vlaanderen bijzonder rijk aan archeologische vondsten. Dat blijkt telkens wanneer er een nieuwe oefening gebeurt. Indien er niet tijdig een regeling wordt getroffen voor de financiering, vrees ik dat er, net zoals bij monumentenzorg in het algemeen het geval was, opnieuw een wat negatieve benadering zal zijn binnen de totaliteit van de samenleving. Het is een stopzetting. Er zijn extra kosten, en wie zal dat betalen. In een aantal landen heeft men via het verzekeringsprincipe met de bouwsector een oplossing gevonden. Op dit ogenblik laat men het over aan de projectontwikkelaar, de initiatiefnemer van het bouwwerk, die moet opkomen voor de kosten. Er zijn een aantal lokale besturen die een bijdrage leveren in het vooronderzoek via een gedeeltelijke subsidiëring.

Het zou niet goed zijn als men dit als een extra kost ten laste laat van de toevallige particulier die daarmee geconfronteerd wordt. Het zou best over de grote groep worden gespreid via het verzekeringsprincipe. Het zou ook niet goed zijn dat dit uitsluitend ten laste valt van de lokale besturen, zoals Tongeren en andere op het vlak van archeologie rijke gemeenten. Het zou evenmin goed zijn dat Vlaanderen daar zelf de zuivere financier van moet worden. Het is belangrijk dat we, samen met u, in het parlement kunnen zoeken naar een manier waarop de financiering van de zoektocht naar ons erfgoed in de toekomst prima en harmonisch kan worden geregeld. (Applaus bij CD&V)

De voorzitter

Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister Geert Bourgeois

Ik dank alle sprekers. Ik weet dat ze dit verdrag een warm hart toedragen.

Het laattijdig omzetten van het verdrag is uitvoerig besproken in de commissie. Ik heb van bij mijn aantreden gezegd dat het voor mij een prioriteit was en dat ik er zo snel mogelijk werk van zou maken. Ik ga het proces van het verleden niet maken. U hebt gelijk, het had veel vroeger gekund. Het zou inderdaad jammer zijn, mocht dit worden aangewend als een argument tegen de Vlaamse bevoegdheid ter zake. Op dat punt deel ik volkomen uw mening. Niet alleen om die reden, maar ook omdat ik het te gronde een belangrijk verdrag vind, heb ik er prioritair werk van gemaakt. Ik ben blij dat we vandaag – hopelijk unaniem – tot een goedkeuring over kunnen gaan.

Verschillende collega’s hebben er terecht op gewezen dat het werk nu pas begint: de omzetting, het zorgprincipe, de financieringsregeling, de strijd tegen de illegaliteit en de band met de ruimtelijke ordening. Ik wil er nog even op wijzen, mijnheer Sauwens, ik heb het in de commissie al gezegd, dat het inderdaad mijn bedoeling is om te komen tot een decente financieringsregeling. We weten dat er een heel grote terughoudendheid is in de bouwsector, in de privésector, bij de projectontwikkelaars. Dat is niet onterecht als men ervan uitgaat dat dit een last is die toevallig maar op uw kop zal terechtkomen als u een verkaveling of een project ontwikkelt in een site die heel rijk is aan archeologisch erfgoed.

Ik werk ter voorbereiding van het ontwerp van decreet met een klankbordgroep. Daarin zitten ook de bouwsector en de projectontwikkelaars. Zij werken heel constructief mee. We denken aan een systeem van solidarisering. Het gaat niet op dat de lasten, die aanzienlijk kunnen zijn, op één project terechtkomen. Ik hoop dat we er op die manier uit kunnen geraken. Dat zou een kleine kost zijn terwijl we tevens tot een zeer goed archeologisch beleid zouden komen.

Inzake de omzetting kan ik herhalen wat ik in de commissie heb gezegd: we schieten goed op met de werkzaamheden rond het nieuwe ontwerp van decreet Onroerend Erfgoed. Ik zal de ruwe tekst nog vóór het reces voorleggen aan de regering. Na het reces zal ik met een groenboek naar de commissie komen zodat we daar een open dialoog over kunnen voeren. Het ontwerp van decreet zal ik in de loop van het volgende parlementaire jaar indienen.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet. (Parl. St. Vl. Parl. 2009-10, nr. 418/1)

– De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.