U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 28 april 2010, 14.01u

van Pascal Smet, verslag door Gerda Van Steenberge
204 (2009-2010) nr. 1
De voorzitter

Bespreking

Dames en heren, aan de orde is de beleidsnota Gelijke Kansen 2009-2014.

Volgens artikel 73, punt 5, eerste lid, van het reglement wordt de bespreking gehouden op basis van de met redenen omklede moties en moties van wantrouwen die tot besluit van de in commissie besproken beleidsnota zijn ingediend.

De bespreking is geopend.

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel

Minister, ik zal het kort houden. We hebben tijdens de bespreking van de beleidsnota in de commissie al een stevige discussie gehad over een aantal zaken. Maar dat is ondertussen meer dan 6 maanden geleden, en dus dacht ik dat er al een aantal zichtbare beleidsmaatregelen, die u beloofd had, zouden zijn uitgewerkt of minstens opgestart, maar eigenlijk is dat nog niet gebeurd.

Mijn vrees dat men het genderbeleid baseert op goede bedoelingen, op goeie conversaties en op voornemens, maar dat concrete acties moeilijk blijken, wordt dus wel bevestigd.

Daar de spreektijd beperkt is, wil ik mij tot een aantal punten van de beleidsnota beperken. Het monitoren van de maatschappelijke vooruitgang op het vlak van gelijke kansen in Vlaanderen, is in de beleidsnota aangegeven als een van de belangrijke operationele doelstellingen. Zonder indicatoren is het inderdaad onmogelijk na te gaan of de gelijkekansendoelstellingen bereikt zijn. Open Vld pleit al jaren voor het opstellen van indicatoren. Sinds meer dan 6 jaar kunnen we in de beleidsbrieven lezen dat genderindicatoren zullen worden ontwikkeld. Ze zijn er nog steeds niet.

Minister, u hebt bij de bespreking in commissie geantwoord dat u ernaar zou streven om de gelijkekansenindicatoren klaar te hebben tegen april 2010. Wel minister, de streefdatum is verstreken, maar waar zijn de genderindicatoren?

Ik geef u nog een voorbeeldje van het feit dat er veel gepraat wordt: het voornemen om een Vlaams actieplan ‘Bestrijding van de loopbaankloof’ op te maken. De loonkloof is deels het resultaat van de loopbaankloof en behoeft dringend een oplossing. Het Vlaams actieplan met betrekking tot de loopbaan- en loonkloof, zal in samenspraak met een aantal actoren worden opgemaakt. Uw antwoord naar aanleiding van een vraag om uitleg in de commissie desbetreffend, is tevens vrij verontrustend. In het najaar van 2010 zal pas gestart worden met de gesprekken met alle betrokken actoren, maar dit om nog maar te bekijken welk werkproces zal worden gevoerd. U hoopt dat er in de tweede helft van het najaar 2011 een gedragen en concreet loopbaankloofplan op tafel zal liggen, maar dat vonden wij een beetje lang wachten.

Het is tijd voor acties. De positie van vrouwen in ons land en Vlaanderen is ondermaats. In de Global Gender Gap Index 2009 is België van de 28e plaats gezakt naar de 33e plaats. De loonkloof tussen mannen en vrouwen is een van de oorzaken ervan, zoals ook het glazen plafond een oorzaak is. Op zeer korte termijn zijn flankerende maatregelen noodzakelijk om de instroom van vrouwen in bestuursraden, directieraden en leidinggevende functies van privébedrijven te bevorderen. Meer vrouwen op de arbeidsmarkt betekent dat u hun ook kansen geeft om het moederschap te combineren met de job, en dus zijn die flankerende maatregelen echt heel hard nodig.

In voorliggende beleidsnota wordt helemaal geen aandacht besteed aan de ondersteuning en het faciliteren van het vrouwelijk ondernemerschap. Het creatieve en ondernemende vermogen van vrouwen wordt nog al te vaak onderschat. Gezien de evenredige aanwezigheid van talent en motivatie, want die blijken tijdens de studieperiode, is het logisch dat vrouwen zich ook meer actief zouden opstellen in de ondernemerswereld. Zo dient in het onderwijs meer nadruk te worden gelegd op het ondernemerschap in de eindtermen. Ook het micro-ondernemerschap via partnership tussen scholen en bedrijven met meisjes als specifieke doelgroep, moet worden gestimuleerd. Andere flankerende maatregelen zoals sensibilisering, meterschapsprojecten, het stimuleren van een positieve beeldvorming over vrouwelijk ondernemerschap, en het onder de aandacht brengen van good practices, moeten verder uitgebouwd worden.

Ik wil nog kort even iets zeggen over het beleid ten aanzien van holebi’s. Daar valt veel over te zeggen, maar laten we ons beperken tot enkele punten. Ik kijk met heel veel belangstelling uit naar het holebi-actieplan dat u deze lente zult presenteren. Als Open Vld hebben we hierop reeds geanticipeerd met een eigen voorstel van resolutie dat een volledig actieplan behelst, ik verwijs naar het initiatief van mevrouw De Knop. Ook het vorige actieplan van minister Van Brempt was trouwens een operationalisering op basis van de resolutie van Open Vld, van de heer Schueremans, die door alle democratische partijen werd gesteund.

Tot slot wil ik uitdrukkelijk aandacht vragen voor de preventie van hiv en van soa’s. Er is veel werk aan de winkel. Wij pleiten voor een gezondheidsdoelstelling inzake de seksuele gezondheid en voor veel meer veldwerk door de organisaties die de seksuele gezondheid van holebi’s promoten en versterken. Hiervoor is een heroriëntering van de budgetten nodig.

Het holebibeleid heeft het voordeel dat het geen polariserend thema is. Meerderheid en oppositie kennen en erkennen de uitdagingen en problemen. We bieden graag onze steun aan om samen aan een constructief holebibeleid te werken. Hierdoor kan de juridische werkelijkheid naar het echte leven worden vertaald en kunnen holebi’s en hetero’s echt gelijk worden behandeld.

De voorzitter

Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Gerda Van Steenberge

Voorzitter, ik wil ook graag een bijdrage tot dit steriele debat leveren. Vrijheid is een goed dat moet worden gekoesterd. Het gaat om de vrijheid van een volk en de vrijheid van ieder individu. Een overheidsinmenging die de vrijheid beknot, kan enkel in uitzonderlijke gevallen en moet, waar mogelijk, worden vermeden. De overheid moet zorgen voor de ideale omstandigheden waarin de vrijheid van haar burgers kan worden gewaarborgd. Indien ze in de plaats van haar burgers treedt en iedere keuzevrijheid beperkt, verglijdt de overheid naar een dictatoriaal regime.

In het licht van de beleidsnota Gelijke Kansen wil ik hier twee voorbeelden van geven. Deze voorbeelden tonen aan dat de overheid de vrijheid van haar burgers niet respecteert, laat staan de voorwaarden schept waarin de burger zijn keuzevrijheid kan bewaren.

In het hoofdstuk Gender, een begrip dat in de plaats van de verhouding tussen man en vrouw is getreden, besteedt de minister veel aandacht aan de combinatie tussen arbeid en gezin. Op het eerste gezicht is hier uiteraard niets mis mee. Het vertrekpunt van de minister is echter verkeerd.

De minister stelt allerlei initiatieven voor om de gelijkheid tussen man en vrouw op de arbeidsmarkt te bevorderen. Er komen initiatieven, vooral voor vrouwen, om de arbeid met het gezin te kunnen combineren. Er komen initiatieven om de studiekeuze van meisjes te beïnvloeden. Zij kiezen immers richtingen die minder worden betaald. Er komt zelfs een campagne om vrouwen ervan bewust te maken dat ze met hun partner een bindende financiële afspraak kunnen maken indien ze hebben beslist tijdens het huwelijk deeltijds te werken en het huwelijk op de klippen loopt. Er komt zelfs een campagne die erop is gericht een standaardclausule aan te bieden die eventueel in een huwelijkscontract kan worden opgenomen.

Onze overheid vertrekt van de idee dat een gezin de optelsom is van twee componenten, een man en een vrouw. Zij moeten in het gezin gelijk zijn. Onze overheid beschouwt het gezin niet als een entiteit op zich, een entiteit waarin man en vrouw complementair zijn en die bijgevolg zelf beslist hoe ze intern haar werking organiseert. Hierbij moeten de rechten van het kind en niet de individuele rechten van man of vrouw primeren.

Het is voor onze fractie essentieel dat de overheid omstandigheden creëert die het gezin deze keuzevrijheid bezorgen. Dat doet ze echter niet. De Studiedienst van de Vlaamse Regering, geleid door de heer Van Dongen, heeft een boek over de combinatie tussen arbeid en gezin geschreven. In dit boek worden verschillende gezinstypes, waaronder het kostwinnersgezin, vooropgesteld. De Studiedienst van de Vlaamse Regering, die meeloopt in de gedachte dat ontplooiing enkel op de arbeidsmarkt kan gebeuren, geeft niet enkel de voorkeur aan een bepaald model. De Studiedienst van de Vlaamse Regering stelt zelfs voor om het eenkostwinnersmodel fiscaal te bestraffen.

Een dergelijke overheidsinmenging is voor onze fractie ongehoord. Er zijn pas gelijke kansen als alle kansen worden geboden en er een werkelijke keuze tussen al deze kansen kan worden gemaakt. Dit betekent dat vrouwen de kans moeten hebben om niet aan de arbeidsmarkt deel te nemen. Indien ze dit zelf wensen en de omstandigheden het mogelijk maken, moeten ze voluit voor hun gezin kiezen. Veel vrouwen zien het moederschap als iets te belangrijks om er niet volledig voor te gaan.


Ik wil even de voorbeelden herhalen die ik tijdens de commissiebesprekingen al heb gegeven. Mevrouw Moerman, die we moeilijk kunnen verwijten arbeid en gezin niet te combineren, heeft het ooit in Dag Allemaal mooi verwoord. Ze heeft verteld dat ze nooit het voorbeeld van haar jeugdvriend, de heer Verhofstadt, zou volgen. Hij oefent zijn politieke opdracht uit ten koste van alles. Zij zou haar politiek engagement nooit op haar gezin laten primeren.

Minister Van den Bossche verklaarde in oktober dat ze het vicepremierschap in de Vlaamse Regering had geweigerd om een evenwicht te behouden tussen werk en gezin. In hetzelfde artikel zegt professor Christine Van Broeckhoven dat dit een zeer normale houding is, aangezien de vrouw de spilfiguur van het gezin is en haar verzorgende rol ook hormonaal is bepaald.

In Groot-Brittannië werd een studie verricht over het welbevinden van gezinnen. De eerste vraag was niet hoe men gezin en arbeid combineert maar wel hoe men zich zou organiseren indien men de volledige vrijheid zou hebben, ook de financiële vrijheid. Ik laat u twee keer raden welk model de voorkeur verdiende. Juist: het eenkostwinnersmodel, waarbij de moeder thuis blijft. Deze belangrijke vraag wordt door onze overheid niet gesteld, integendeel, zij dringt een model op. Vorige week was er een enquête van Klasse over het beeld van de papa’s bij kinderen in het basisonderwijs. Dit beeld is stereotiep: vader werkt en moeder verzorgt. De conclusie was dat dit beeld dringend moet worden doorbroken. Opnieuw zal er alles aan gedaan worden om een model op te dringen.

Een tweede voorbeeld van de beknotting van de vrijheid door de overheid is de beknotting van de vrijheid van meningsuiting. In uitvoering van het Antidiscriminatiedecreet werden enkele operationele doelstellingen opgesteld, waaronder het oprichten van meldpunten en de interfederalisering van het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding. Bij de bespreking van de beleidsnota over gelijke kansen in de commissie maakte ik de vergelijking met de DDR, tot groot ongenoegen van de minister. De bespreking gebeurde immers in de periode van de 20ste verjaardag van de val van de Berlijnse muur. In het kader van de viering ervan werd op Canvas de film ‘Das Leben der Anderen’ uitgezonden. Ik ga hier niet over uitweiden, maar ik zou u willen suggereren om deze film te bekijken. Dan zult u begrijpen wat ik bedoel als ik zeg dat de Berlijnse muur niet is gevallen, maar is opgeschoven naar West-Europa.

Bovendien is men van plan om het federale Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding bevoegd te maken om op te treden in geschillen waartoe het Gelijkekansendecreet aanleiding kan geven, meer bepaald wat betreft gendergerelateerde discriminaties. De meerderheidspartijen pleiten er in hun motie nog eens voor om dit centrum te interfederaliseren, ook de N-VA. Zij wensen de bevoegdheden van dat centrum – een centrum dat zich onbevoegd verklaart in klachten van Vlamingen wegens racisme, een centrum waarvan zij zelf de afschaffing in het federale parlement bepleiten – uit te breiden.

Het enige voordeel dat ik zie om dit centrum die bevoegdheden te geven is het feit dat hiervoor een samenwerkingsakkoord met de federale minister, mevrouw Milquet, moet worden gesloten. Ook voor dit dossier heeft zij ‘non’ gezegd op de vraag voor een tweede vergadering. Het zal dus niet snel lukken. Collega's, West-Europa heeft lang gevochten voor de vrijheden waarvoor het staat. Laten we ervoor zorgen dat wij deze vrijheden hoog in het vaandel blijven houden. (Applaus bij het Vlaams belang)

De voorzitter

De heer Bouckaert heeft het woord.

Boudewijn Bouckaert

Voorzitter, minister, collega’s, de beleidsnota Gelijke Kansen is een spiegel van de tijd waarin ze tot stand kwam. Een document met nog sterke sporen van politiek correcte dogmatiek uit het nabije verleden, maar ook, dat geef ik grif toe, met stevige scheuten van eigentijds gezond verstand, soms zelfs met een stukje politieke moed. Laat ik als captatio benevolentiae met dit laatste beginnen. Zo schuift u als ontwikkelingsdoel 13.4 “het verbeteren van het welbevinden van allochtone holebi’s” naar voor. Zo erkent u het probleem van de homofobie in allochtone kringen en wilt u daaraan, onder meer via het uitbouwen van ‘meeting points’, iets aan doen. Dat is in de commissie bij de discussie over een vraag al aan bod gekomen. Zo doorbreekt u een taboe dat omwille van cultuurrelativistische en politiek correcte huisjes te lang over het hoofd werd gezien. Mijn felicitaties daarvoor.

Over uw uitgangspunt inzake gendermechanismen heb ik wel een paar vragen. U gaat ervan uit dat vrouwelijkheid en mannelijkheid sociale constructies zijn die dan maar via een of andere vorm van sociale deconstructie moeten ongedaan gemaakt worden. Ik heb de indruk dat u hierbij het verschil – en het wordt nu eventjes subtiel – tussen ongelijkheid en verschil over het hoofd ziet. Mannen en vrouwen moeten gelijke kansen krijgen door het wegwerken van niet alleen wettelijke discriminaties maar ook van allerlei discriminaties die voortvloeien uit vooroordelen en ‘old boys’-netwerken die de ‘new girls’ stiekem de weg versperren. Ik heb hier, ten behoeve van de N-VA-fractie, de Politica van Aristoteles mee. Ik deel niet de mening van uw filosoof, die zegt dat de man van nature uit superieur is over de vrouw, en dat de man regeert en de vrouw wordt geregeerd. Dat staat in Aristoteles en dat is uiteraard een ver voorbijgestreefde visie. Mevrouw Celis heeft Aristoteles aangehaald, maar dat zegt Aristoteles ook.

Het is echter niet uitgesloten, ja zelfs waarschijnlijk, dat mannelijkheid en vrouwelijkheid precultureel verschillen en dat ook na wegwerking van ongelijkheden en discriminaties er grote verschillen zullen blijven bestaan tussen de invulling van sociale rollen van mannen en vrouwen. Het geslachtsnegationisme dat in uw nota de kop opsteekt, houdt het gevaar in dat men niet alleen op kansengelijkheid zal inzetten maar ook op resultaatsgelijkheid, met maatregelen zoals quota en dergelijke. Zulke maatregelen leiden ertoe dat men op basis van geslacht en niet op basis van bekwaamheid selecteert, wat dan weer in strijd is met de meritocratische samenleving die u in uw beleidsnota beweert na te streven.

U blijft de platgetreden paden van de politieke correctheid volgen bij uw antidiscriminatiebeleid dat in de operationele doelstellingen vorm krijgt in meldpunten, de interfederalisering van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en de samenwerkingsovereenkomsten. Om alle misverstanden of ongegronde intentieprocessen te vermijden, laat het duidelijk zijn: LDD is tegen discriminatie in de zin van niet-functionele ongelijke behandeling of exclusie en beschouwt het terugdringen van discriminatie als een verdere verfijning van onze westerse beschavingscontext. Over het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding verklaarde de linkse politieke filosoof Ludo Abicht onlangs dat het werd opgericht om zich vooral niet met de problemen van de gewone burgers bezig te houden. Onze fractie is niet gewonnen voor het inquisitieachtige optreden van dit centrum en is bijgevolg geen voorstander van de interfederalisering ervan.

Een gelijkaardige kritiek hebben we dan ook op het concept van de meldpunten die u in de Vlaamse centrumsteden in Brussel verder wilt uitbouwen. Het systeem van de meldpunten berust op de filosofie van de dichotomie tussen dader en slachtoffer, een dichotomie die de schurk via de meldpunten aan de schandpaal zal nagelen. Aan de meldpunten – ‘Meldepunkte’, zoals ze in de DDR werden genoemd – zit dan ook een Stasi- of NS-Fahndungsgeurtje vast. Bruin en rood: ze hebben er alle twee van. Het incarneert een klimaat waarin iedereen wordt opgeroepen iedereen te bespieden ten einde het onkruid uit de samenleving weg te wieden en via grootschalige verklikking de politiek-correcte modelsamenleving te creëren. Het gevaar is reëel dat deze meldpunten vrij agressief te werk zullen gaan. Deels om hun bestaansrecht te bewijzen – het aanbod moet zijn vraag creëren –, deels onder druk van allerlei actiegroepen. Vooral voor bedrijven bestaat het risico dat ze zich voortdurend zullen moeten wapenen tegen oneigenlijke aanklachten voor discriminatie. De heer Philippe Muyters, u niet onbekend, gedelegeerd Voka-bestuurder, verklaarde hierover nog: “De werkgever zal zich moeten wapen met een stapel rapporten zodat hij zich tegen een klacht kan wapenen. Van pure administratieve overlast gesproken!” Een naamswijziging van ‘meldpunten’ naar ‘bemiddelingspunten’ zou alvast een goed signaal zijn. Het wettelijke kader, het decreet van 10 juli 2008, biedt weinig aanknopingspunten voor een gerichte aansturing van de meldpunten. Dergelijke aanknopingspunten worden best bij omzendbrief vastgelegd na bespreking in het Vlaams Parlement. Hierin zou de nadruk moeten gelegd worden op bemiddeling en het verbieden van medewerking aan het oneigenlijk inroepen van discriminatie, onder meer wanneer de klager niet ingaat op een redelijk voorstel tot minnelijke schikking.

In de beleidsnota wordt ook uitvoerig aandacht besteed aan het inclusiebeleid voor gehandicapte personen. Geen redelijk mens zal deze doelstelling betwisten. Aanpassingen van de infrastructuur voor de toegankelijkheid van gehandicapte personen kosten evenwel geld, soms behoorlijk veel geld. Dat houdt in dat de toepassing van het recht tot gelijke toegang moet gebeuren in redelijkheid en evenredigheid, wat wettelijk ook zo geregeld is.

Deze beginselen zijn echter weinig tot niet uitgewerkt in de beleidsnota. De vraag is dan ook op welke wijze er bij elke geplande facilitering in een kosten-batenanalyse zal worden voorzien en wat de meerkost zal zijn van het horizontaal beleid inzake sociale inclusie en wie die meerkosten zal dragen. (Opmerkingen van de voorzitter)

Mijnheer de voorzitter, onderbreek nooit een interessante spreekbeurt. Dat is een goede regel in het debat.

Tot slot wil ik ook mijn steun uitspreken aan het responsabiliseren van partners wanneer een van de partners deels of geheel uit de arbeidsmarkt treedt en de relatie nadien stukloopt. De minister wil clausules in huwelijkscontracten die hierop anticiperen, in kaart brengen en hierover sensibiliseren. Dit is een goede zaak. Het huwelijksvermogensrecht is vooralsnog een federale aangelegenheid.

Het zou evenwel de moeite lonen om te onderzoeken in hoeverre Vlaanderen bevoegd zou kunnen zijn om louter suppletieve bepalingen inzake huwelijkscontracten uit te vaardigen – dat moeten we eens juridisch onderzoeken, volgens mij kan dat, alles wat Vlaanderen vooruit helpt, is goed – en hieromtrent een stimuleringsbeleid te voeren.

We stellen overigens vast dat de minister ook in deze beleidsnota een reeks onderzoeken en studies aankondigt. We hopen dat die op de gestelde tijden beschikbaar zullen worden gesteld.

Minister, eerder heb ik u al een studieminister genoemd. Dat hoeft niet eens een negatieve connotatie te zijn. Als deze studies er maar komen en vooral, als hieruit een deskundig en duidelijk beleid voorvloeit. Ik dank u voor uw aandacht. (Applaus bij Lijst Dedecker)

De voorzitter

Mevrouw Pehlivan heeft het woord.

Fatma Pehlivan

Voorzitter, minister, collega’s, het gelijkekansenbeleid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de hele Vlaamse Regering. Als coördinerend minister draagt u een zware maatschappelijke verantwoordelijkheid voor een samenleving waar het recht op gelijke kansen een verworven goed is.

Daarbij zijn enerzijds samenwerking tussen de leden van de Vlaamse Regering en anderzijds afstemming van de doelstellingen op de verschillende beleidsdomeinen onontbeerlijk. Ik kijk dan ook vol verwachting uit naar uw actieplannen, waarbij ik wil pleiten voor meetbare resultaatverbintenissen.

Het gelijkekansenbeleid is uiteraard gericht op meerdere doelgroepen, zijnde vrouwen, mensen met een handicap, holebi’s en nieuwe Vlamingen. Men zal het mij niet ten kwade duiden dat ik als ervaringsdeskundige en zelf een nieuwe Vlaming zijnde, een bijzondere aandacht heb voor de achterstelling en uitsluiting bij etnisch-culturele minderheden. Maar er zijn ook overlappingen. Onder de nieuwe Vlamingen zijn er uiteraard vrouwen, maar ook mensen met een handicap en holebi’s.

Ik verheug mij er dus over – maar dan wel met gemengde gevoelens – dat de etnisch-culturele diversiteit als afzonderlijk thema is opgenomen in het gelijkekansenbeleid van de Vlaamse Regering. Aan de ene kant is er het gevoel van voldoening dat de zorgwekkende situatie van de nieuwe Vlamingen op tal van maatschappelijke terreinen prioritaire aandacht krijgt. Aan de andere kant word ik overstelpt door gevoelens van onmacht en frustratie bij het horen van de vele verhalen over discriminatie en racisme, over uitsluiting en achterstelling waar de nieuwe Vlamingen, vandaag nog steeds mee worden geconfronteerd en onder te lijden hebben.

Het is frustrerend om vast te stellen dat er na meer dan een halve eeuw nog altijd een verschil wordt gemaakt tussen wij, autochtonen, en zij, allochtonen. De nieuwe Vlamingen die het gemaakt hebben, zijn nog steeds op één hand te tellen. Universiteiten tellen amper 2 percent studenten van allochtone herkomst in hun aula’s. De werkloosheidsgraad en de armoedecijfers bij etnisch-culturele minderheden zijn onevenredig hoog. En zo kan ik verder gaan.

Wat mij in uw beleidsnota bijzonder aanspreekt, minister, is uw aandacht voor de vereenzaming van de eerste generatie allochtone vrouwen, onder wie een groeiend aantal weduwen. Vrouwen leven nu eenmaal langer dan mannen, ook in die groep. Om het sociale en culturele isolement van deze vrouwen te helpen doorbreken, zijn er vele kleinschalige organisaties werkzaam met uiteenlopende initiatieven op het vlak van zorg en vrijetijdsbesteding. Vaak gebeurt dat door vrijwilligers, voor wie een steuntje in de rug van de Vlaamse Gemeenschap meer dan welkom zou zijn.

Minister, u wilt ook in de komende jaren focussen op een meer evenwichtige participatie van mannen en vrouwen in huishoudelijke taken en zorgtaken. Ik wil de aanbeveling meegeven om daarbij onder een of andere vorm een beroep te doen op de voorbeeldfuncties van allochtone gezinnen, waar de gelijkheid van man en vrouw al vanzelfsprekend is. Dat geldt ook voor onderwijs, tewerkstelling enzovoort. De voorbeeldfuncties zouden veel meer in beeld moeten worden gebracht. Dit kan in samenwerking met onze minister van Media.

Ik maak even een zijsprong naar het gelijkekansenbeleid in het onderwijs. Recent heeft de Vlaamse Vereniging van Studenten een dubbele publicatie uitgebracht, bestaande uit enerzijds een ‘Zwartboek Discriminatie’ met getuigenissen van studenten en recent afgestudeerden over discriminatie in het hoger onderwijs en anderzijds een ‘Witboek Diversiteit’ met 22 voorstellen die discriminatie kunnen tegengaan en de diversiteit in het hoger onderwijs verhogen. Ik wil niet enkel de lezing ervan aanbevelen, maar ook het aftoetsen van de 22 voorstellen aan de doelstellingen van het gelijkekansenbeleid en het GOK-beleid in het bijzonder.

Het recht op gelijke kansen is de rode draad in de strijd tegen achterstelling en uitsluiting. Een gelijkekansenbeleid vergt een nultolerantie ten aanzien van alle vormen van verdoken of uitgesproken discriminatie. Dit vraagt een mentaliteitsverandering bij zowel oude als nieuwe Vlamingen om in een open en kosmopolitisch Vlaanderen te willen samenleven. Dit kan slechts als zowel autochtonen als allochtonen bereid zijn om hun grote gelijk in vraag te stellen en te streven naar gemeenschappelijkheid. De noodzakelijke voorwaarde is het gewaarborgde recht op gelijke kansen voor alle burgers, ongeacht herkomst, gender, seksuele geaardheid, leeftijd en religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging. Dit alles moet de inspiratiebron zijn voor het masterplan Gelijke Kansen van de Vlaamse Regering. Minister, u hebt onze volle steun. Dank u voor uw aandacht.

De voorzitter

Mevrouw Franssen heeft het woord.

Cindy Franssen

Voorzitter, m inister, collega’s, ik zal hier geen lang betoog houden, omdat ik de bespreking van de beleidsnota Gelijke Kansen in de commissie zelf niet heb kunnen volgen wegens familiale omstandigheden. Mijn collega Veerle Heeren heeft toen namens onze CD&V-fractie de besprekingen gevolgd.

We zitten in een nieuwe legislatuur maar het gelijkekansenbeleid is binnen dezelfde partij gebleven. U weet dat ik een andere visie had dan uw voorganger met betrekking tot het specifieke gelijkekansenbeleid over vrouwen en mannen. Mijnheer de minister, ik heb mij laten vertellen dat u – hoewel dit wellicht in het verslag door de ambtenaren een beetje gecensureerd werd – mijn collega Heeren verweten hebt aan de Cindy-obsessie te lijden. Het was vriendelijk gezegd maar ik voel me toch genoodzaakt dit hier even te duiden.

Ik wil op een aantal punten focussen en een aantal bekommernissen onderstrepen zonder er in detail op in te gaan. Wij moeten ons ervoor hoeden dat een versplintering van het gelijkekansenbeleid de grootste gemene deler niet uit het oog verliest. Met andere woorden: een subdoelgroepenbenadering mag niet ten koste gaan van een algemene benadering voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen.

In uw beleidsnota staat: “Zoals vooropgesteld in het Gelijkekansendecreet moet de Vlaamse Regering binnen de 9 maanden na haar aantreden, met andere woorden in de lente van 2010, de strategische en operationele doelstellingen bepalen waarbinnen tijdens de nieuwe OCM-cyclus (open coördinatiemethode) zal gewerkt worden.” De tijd dringt, mijnheer de minister. En hoewel de OCM vorige legislatuur nog in haar kinderschoenen stond, verwachten wij nu wel een gedreven vooruitgang. We willen dan ook dat u het Vlaams Parlement op regelmatige basis informeert over de evaluatie van de aflopende actieplannen en het opstellen van de nieuwe actieplannen. Tot nog toe is dit nog niet gebeurd. En hoe complex een indicatorenontwikkeling ook is, het is tijd voor actie. Een goede monitoring aan de hand van indicatoren is onontbeerlijk om de voortgang van het gelijkekansenbeleid te meten. Zo kunt u ook uw collega-ministers op de vingers tikken als zij zich niet van hun taak zouden kwijten, want het gelijkekansenbeleid is een opdracht voor alle ministers. Ook daar willen wij de vinger aan de pols blijven houden.

U stelt dat de kracht van een gelijkekansenbeleid ligt in de betrokkenheid van het middenveld. We volgen u daarin maar we hopen dat dit uiteraard niet alleen bij geschreven woorden blijft, maar dat de expertise van de vrouwenorganisaties continu wordt aangewend bij de opmaak, de uitvoering, de voortgang en de evaluatie van het gelijkekansenbeleid vrouwen en mannen.

Onze fractie is tevreden met de bijzondere aandacht die de minister besteedt aan de loon- en loopbaankloof. Het is hier al voldoende aan bod gekomen dat het heel belangrijk is dat er heel snel werk wordt gemaakt van het wegwerken ervan.

Ik wil afsluiten door te zeggen dat CD&V erop rekent dat u kordaat werk maakt van de met redenen omklede motie die de meerderheid heeft voorgelegd. (Applaus bij CD&V)

De voorzitter

Mevrouw Stevens heeft het woord.

Helga Stevens

Voorzitter, minister, collega’s, de mij toegemeten spreektijd is vrij beperkt, dus ik zal mij moeten inspannen om zoveel mogelijk gezegd te krijgen over deze toch wel belangrijke beleidsnota.

De N-VA kan zich over het algemeen goed vinden in de beleidsnota Gelijke Kansen. Tijdens de bespreking van de beleidsnota in de commissie ging de meeste aandacht wel naar het genderaspect, zoals de minister op het einde van de commissiebespreking ook zelf opmerkte. Daarom wil ik van de kans gebruik maken om hier en nu vooral te focussen op het gelijkekansenbeleid ten aanzien van personen met een handicap, met inbegrip van integrale toegankelijkheid. Wegens ziekte kon ik jammer genoeg niet zelf actief deelnemen aan de bespreking in de commissie Gelijke Kansen. Misschien daarom dat er zo weinig aandacht was voor de correlatie tussen gelijke kansen en behandeling enerzijds en handicap en toegankelijkheid anderzijds, zelfs in de moties van de oppositie.

Collega’s, tijdens de vorige legislatuur heb ik als parlementslid jarenlang bijna stalkingsgewijs aangedrongen bij de toenmalig bevoegde ministers om de regelgeving in verband met toegankelijkheid te actualiseren. Het bleek een waar hindernissenparcours. Uiteindelijk kwam er nog onverwacht, vlak voor de Vlaamse verkiezingen, een doorbraak en op 1 maart 2010 trad de Toegankelijkheidsverordening in werking.

Er is wel nog geen reden tot gejuich.

De achterstand die Vlaanderen opgelopen heeft op Europees vlak is groot. Het verschil met de Verenigde Staten, waar de toegankelijkheid van openbare gebouwen en publiek toegankelijke ruimten in 1973 wettelijk geregeld werd voor wat betreft de federale overheid en die in 1990 veralgemeend werd voor alle beleidsniveaus door de goedkeuring van de ‘Americans with Disabilities Act’, is immens.

Het Amerikaanse voorbeeld toont ook aan dat wie A zegt, ook B moet zeggen. Implementatie in de praktijk dus! Vandaar dat de Provinciale Adviesbureaus Toegankelijkheid zo snel mogelijk versterkt moeten worden, zodat zij effectief mee werk kunnen maken van toegankelijkheid. Ik heb steeds gehamerd op het belang van deze adviesbureaus, zo niet zitten we weer opgezadeld met een papieren tijger. Dan maken we weer dezelfde fout als toen de federale overheid in 1975 het KB omtrent toegankelijkheid uitvaardigde, maar vergat die te flankeren. Met mooie principes alleen komen we er niet, dat is wel duidelijk.

Maar ook het belang van aangepaste privéwoningen, zeker in het kader van sociale huisvesting, vooral voor rolstoelgebruikers, mag niet onderschat worden. Ik heb het gevoel dat daarvoor binnen de sector van de sociale huisvesting onvoldoende vooruitgang wordt geboekt. Sociale huisvestingsmaatschappijen hebben nog niet de reflex om bij nieuwe projecten ook in x aantal woningen aanpasbaar voor rolstoelgebruikers te voorzien. Nochtans zou dat de inclusie sterk bevorderen. Ik geef het mee als aandachtspunt.

Wat toegankelijkheid betreft, vind ik het jammer dat in de discussie in de commissie opnieuw de term ‘redelijkheid’ aan bod kwam, alsof het redelijk kan zijn om iemand op basis van zijn handicap uit te sluiten. Dat daarbij moet worden gekeken naar de kostenefficiëntie lijkt me evident. Maar door die discussie wordt ook weer de schijn gewekt dat het gaat om heel zware kosten, terwijl als het van bij het begin goed aangepakt wordt, het in de overgrote deel van de gevallen om peanuts gaat in de totaalkost van projecten van nieuwbouw of grote verbouwingsprojecten.

Collega’s, ik wil ook even ingaan op de Europese regelgeving die Vlaanderen oplegt een instelling te benoemen die onafhankelijke bijstand kan geven aan slachtoffers van discriminatie. Mocht ervoor gekozen worden dit te doen via ‘interfederalisering’ van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, dan moet er zeer nauw op worden toegezien dat de doelgroep personen met een handicap voldoende ondersteund wordt, want dat is nu allerminst het geval. Dat leidt tot heel veel frustratie en onbegrip bij betrokkenen en belangenverenigingen. Dat thema zal ik ongetwijfeld van zeer nabij opvolgen.

Voorzitter, collega’s, helaas moet ik nu besluiten, hoewel ik met gemak nog urenlang zou kunnen doorgaan. Mijn tijd is op. Ik dank u voor de aandacht. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, ik heb de indruk dat uw energie na het schrijven van de beleidsnota Onderwijs een beetje op was en dat het vuur er wat uit was. In tegenstelling tot de beleidsnota Onderwijs kabbelt de beleidsnota Gelijke Kansen 2009-2014 een beetje rustig verder. U borduurt daarmee voort op het werk van de vorige regeerperiode.

Ik zal er één aspect uithalen, waarvoor ik vind dat er nu net een revolutie en trendbreuk nodig is. Het gaat over gelijke kansen voor vrouwen. In de commissie heb ik de cijfers opgesomd. Ik wil ze hier nog eens herhalen. Ze zijn echt wel schokkend. Minister, als we kijken naar het percentage van bedrijven waar een vrouw aan het hoofd staat, dan is dat nog geen 5 percent. 6,7 percent van de leden van de raden van bestuur van beursgenoteerde bedrijven zijn vrouwen. Amper 12 percent van de kmo’s wordt geleid door een vrouw. Ook bij de kabinetten, en zelfs bij de overheid is het niet veel beter gesteld.

Onderzoek heeft dan ook uitgewezen dat, als zo wij verder blijven kabbelen, en bij een ongewijzigd beleid, er nog 150 jaar nodig is om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in bestuursfuncties te bereiken. En dan heb ik het nog niet gehad over de loonkloof. Jaar na jaar krijgen wij die Equal Pay Day op ons bord geschoteld. Dat gaat al vele jaren verder, en telkens is de verontwaardiging groot. Elk jaar opnieuw komen wij voor die Equal Pay Day te staan.

Het ergst van al is het aantal vrouwen dat onder de armoedegrens leeft. Ook daar worden de vrouwen ontzettend getroffen. Ook dat gegeven is al heel lang bekend maar er wordt nog altijd niet echt vooruitgang geboekt.

In de commissie hebt u gezegd vooral te willen inzetten op een gendergelijkheidsbeleid. U hebt gezegd dat u de maatschappelijke constructies van mannelijkheid en vrouwelijkheid onder de loep wilt nemen en aanpakken. Ik vind dat een belangrijk aspect van uw beleid maar dat mag u niet beletten om die specifieke problemen en hindernissen waar vrouwen mee te maken hebben, te benoemen en weg te werken. Daar zullen krachtige instrumenten voor nodig zijn.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord. U kunt uw gesprek voortzetten in het Koffiehuis.

Het stoort me niet echt, voorzitter. Een beetje achtergrondgeruis, we zijn dat intussen gewoon.

Quota mogen daarbij geen taboe zijn. Ik besef echter dat dit op federaal niveau moet worden aangepakt. Dat mag u echter niet beletten een heel aantal maatregelen uit te werken op Vlaams niveau en een plan uit te werken in samenwerking met het federale niveau om die gelijke kansen voor vrouwen eindelijk eens echt aan te pakken. (Applaus bij Groen!)

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De bespreking is gesloten.

Wij zullen straks de hoofdelijke stemmingen over de met redenen omklede moties houden.

van Pascal Smet, verslag door Jos De Meyer en Kathleen Helsen
202 (2009-2010) nr. 1
Selectievoorwaarden en selectieprocedure voor de benoeming van de Vlaamse ombudsman

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.