U bent hier

De voorzitter

Bespreking

Dames en heren, aan de orde is de bespreking van het voorstel van resolutie.

De heer Penris, verslaggever, heeft het woord.

Jan Penris

Voorzitter, collega’s, u moet zich niet ongerust maken, ik ga niet langer spreken dan noodzakelijk is, maar ik vind het mijn morele plicht om, als ik me opgeef als verslaggever, meer te doen dan gewoon te verwijzen naar het schriftelijk verslag. Dit schriftelijk verslag is heel goed opgemaakt en ik wil de verslaggevers, de diensten die eraan hebben meegewerkt en alle andere ondersteunende diensten van dit huis, van harte bedanken voor de correcte manier waarop ze dat hebben gedaan. De commissieleden die actief hebben deelgenomen aan de werkzaamheden van onze commissie, weten dat er heel wat logistieke steun is aan te pas gekomen. Dat ging van catering tot chauffeurs, die ons in nachtelijke uren naar huis hebben moeten brengen. Ze zijn die verplichtingen allemaal goed nagekomen. Alle mensen die naast het inhoudelijke debat deze logistieke steun hebben verleend: van harte dank.

Ik wil ook de commissieleden bedanken voor de manier waarop ze zich van hun plicht hebben gekweten.

Het was niet vanzelfsprekend om deze commissie te houden en snel tot conclusies te laten komen maar het is haar toch gelukt. Dat kon alleen maar door de goede inzet, niet alleen van de voorzitter maar van elkeen die actief niet alleen de hoorzittingen maar ook de inhoudelijke besprekingen achteraf, heeft bijgewoond en boeiend gemaakt.

Dat was niet vanzelfsprekend. We moesten vergaderen op maandagnamiddag en vrijdagnamiddag, momenten waarop velen van ons worden geconfronteerd met dienstbetoon of andere politieke verplichtingen. Er is vergaderd in recesperiodes en op zeer late, zelfs nachtelijke uren.

De commissie is tot conclusies gekomen. Die conclusies werden gedragen door eenieder van ons. Hoe zijn die conclusies er gekomen? Er zijn een aantal heel interessante hoorzittingen geweest.

De voorzitter

Mevrouw Dillen heeft het woord.

Marijke Dillen

Bij zo’n belangrijk debat is het toch belangrijk dat de minister aanwezig is op de banken.

De voorzitter

Mevrouw Dillen, minister Crevits heeft me meegedeeld dat zij speciaal hier blijft om te luisteren naar de conclusies van de commissie.

Sorry, ik vroeg minister Van den Bossche net wat er precies fout is gelopen. Ik zal hier blijven uit interesse voor wat er in het parlement gebeurt.

Jan Penris

Waarvoor onze dank, mevrouw de minister.

Wij hebben vergaderd van december tot en met vorige week. We hebben een aantal heel interessante mensen en instanties gehoord, de ene al interessanter dan de andere. Ik som ze even op.

Mevrouw Cathy Berx was voorzitter van de Expertencommissie Investeringsprojecten. Het is nuttig dat het parlement weet dat er in dezen bijna parallelle denkoefeningen hebben plaatsgevonden.

Deze commissie, die soms oneerbiedig de commissie Speed werd genoemd, is uiteindelijk de commissie Sneller door Beter geworden. Dat is een heel mooie Vlaamse naam, die de lading volledig dekt.

Voorzitter, mevrouw Berx heeft met een aantal specialisten, onder andere onze oud-voorzitter, een van uw voorgangers, en met nog een aantal intelligentere mensen, vergaderd over hetzelfde onderwerp en is tot een aantal conclusies gekomen. Het was een beetje de ambitie van onze commissie om tegelijkertijd met die denktank van mevrouw Berx tot conclusies te komen. Vandaar de snelheid waarmee er soms gewerkt moest worden.

De Mobiliteitsraad van Vlaanderen werd gehoord, de Vlaamse Havencommissie, het departement Mobiliteit en Openbare Werken van de Vlaamse overheid, het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed van de Vlaamse overheid, het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid, professor Backes, de Vlaamse Confederatie Bouw, de Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning, Grontmij, Technum-Tractebel Engineering, het Vlaams netwerk van ondernemingen (Voka), de Boerenbond, het Algemeen Boerensyndicaat, de Bond Beter Leefmilieu, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, de Direction générale opérationnelle - Aménagement du Territoire, Logement, Patrimoine et Energie van de Service Public de Wallonie en de Raad van State. Dat vonden de commissieleden een van de interessantste hoorzittingen. Ik vind het jammer dat ik net die hoorzitting niet kon bijwonen, hoewel ikzelf had gesuggereerd dat we die instantie zouden horen. Het was trouwens niet vanzelfsprekend dat die mensen naar hier kwamen maar ze hebben dat wel gedaan en hebben daarbij grote indruk gemaakt op ons allen.

We hebben ook de Vlaamse Vertegenwoordiging bij de Europese Unie gehoord, alsook het Rekenhof en de projectdirectie Sneller en Beter van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat van Nederland.

Onze werkzaamheden werden steeds bijgewoond door mensen van het adviesbureau KPMG. Aan het eind van de rit hebben zij een sneuveltekst opgemaakt, waar de commissie zich dan kon over buigen. Misschien is dat in onze parlementaire geschiedenis een nieuw gegeven. Ik denk niet dat het regelmatig gebeurt dat technische commissies zich laten bijstaan door studiebureaus. Men kan zich daar als parlementlid vragen bij stellen. In dezen was de technische ondersteuning van beide betrokkenen echter aangewezen en nuttig. Die mensen hebben immers een ander perspectief dan wijzelf. Onze studiediensten of wijzelf hadden uiteraard ook sneuvelteksten kunnen opmaken maar wij bekijken de zaken te vaak door een gekleurde bril. Die mensen hebben het voordeel van de politieke neutraliteit en ze hebben hun sneuveltekst ook zo neutraal mogelijk gehouden, zij het dat wij de tekst achteraf politiek hebben bijgekleurd, maar dan wel in onderlinge overeenstemming en bij algemene consensus.

De denkoefening die we hebben gemaakt, is in die mate interessant dat we een product aan u voorstellen dat gedragen wordt door alle fracties in dit halfrond, de meerderheid en de oppositie. Over de inhoud zal mijn collega-verslaggever het hebben. Alle fracties, en af en toe ook de medewerkers, hebben hun inbreng gehad. Eenieder is dus aan bod gekomen.

Wat u als parlementslid zou kunnen storen, maar waarvoor we ons wel degelijk kunnen verantwoorden, is dat we eerst naar de pers zijn gestapt, en dan pas naar u. Dat had alles te maken met de agenda van deze regering en het feit dat de commissie-Berx haar eindproduct vorige vrijdag heeft afgescheiden en aan de goegemeente heeft voorgesteld. De commissie vond dat we niet konden achterblijven en dat we onze bijdrage, onze visie gelijktijdig bekend moesten maken. Dat is dan ook gebeurd.

Vandaag zal het debat daarover plaatshebben. Er werden heel interessante nieuwe denkpistes gelanceerd, die het verdedigen waard zijn. Ik denk aan het vroeger betrekken van het middenveld bij de procesvorming. Gelet op het debat dat we zonet hebben gevoerd over de Oosterweelverbinding moeten we dat in het achterhoofd blijven houden. Daarnaast was er ook het nieuwe idee van de bestuurlijke lus. De mensen die daarvoor de bekwaamheid hebben, zullen daarover straks tekst en uitleg verschaffen.

Voorzitter, collega’s, ik denk dat we een werkstuk aan u voorstellen dat er mag zijn en waarmee we verder moeten gaan. Want dat vormt het vervolgtraject van onze commissiewerkzaamheden. In de loop van de werkzaamheden heeft de commissie zelf de ambitie geuit om verder te gaan met een aantal onderwerpen. We laten het over aan de wijsheid van het Bureau om te bepalen welke onderwerpen zich daartoe het best lenen. Wij geven onze tekst ook aan de vakcommissies, die op hun gebied verder zullen omgaan met onze aanbevelingen.

Als verslaggever moet ik nog één zaak vermelden. De ambitie die we hebben meegekregen van het Bureau – van gedachten wisselen over de versnelling van maatschappelijk belangrijke investeringsprojecten – hebben we ruimer bekeken. Voor ons gaat het niet alleen om grote investeringsprojecten. We hebben een grid, een soort kader willen maken waarbinnen alle maatschappelijk belangrijke projecten, groot of klein, van gemeentelijke of intergemeentelijke aard, passen.

Voorzitter, vanuit mijn fractie bevestig ik nogmaals dat alle conclusies uit deze gedachtewisseling ook door ons worden gedragen. Bij de stemming zal ik een stemverklaring afleggen. U zult me dat niet kwalijk nemen. U weet waarover het gaat. Ik heb me met veel enthousiasme op de werkzaamheden van uw commissie gestort. Persoonlijk heb ik dat een heel leerrijke ervaring gevonden. Ik denk dat we heel constructief samengewerkt hebben. Op het einde van de rit is er een kleine kink in de kabel gekomen. Daarover wil ik ten persoonlijken titel een stemverklaring afleggen. Dat is ook de reden waarom ik me straks bij de stemming zal onthouden. Mijn fractie steunt in elk geval de werkzaamheden en het document dat we hier afscheiden. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Hostekint, verslaggever, heeft het woord.

Michèle Hostekint

Voorzitter, minister, collega’s, de heer Penris heeft al op een uitstekende beknopte wijze verslag uitgebracht van zeer intensieve werkzaamheden van deze commissie. Er is een zeer goed verslag opgemaakt door de diensten. Gelet op de maatschappelijke relevantie van deze commissie kunnen we ons er niet vanaf maken met te verwijzen naar het schriftelijke verslag. Daarom vul ik graag het verslag aan.

Meer dan een weerslag te geven van de hoorzittingen, was het voor de commissie ad hoc zaak om tot aanbevelingen te komen om de procedures en planprocessen sneller en efficiënter te laten verlopen. Daar wil ik nog even bij stilstaan.

Op haar vergadering van vorige week donderdag heeft de Commissie Versnelling Maatschappelijk Belangrijke Investeringsprojecten haar eindrapport ‘Sneller door Beter’ goedgekeurd. De commissie stemde eenparig in met 76 aanbevelingen die vandaag in de vorm van een voorstel van resolutie aan het Vlaams Parlement ter goedkeuring zullen worden voorgelegd. De eenparigheid toont aan dat alle fracties in het Vlaams Parlement, over de partijgrenzen heen, zoals de heer Penris reeds stelde, overtuigd zijn van de dringende noodzaak om maatschappelijk belangrijke investeringsprojecten te versnellen.

De opdracht van de tijdelijke parlementaire commissie onder het voorzitterschap van de heer Sauwens, bestond er in om de oorzaken van de vertraging in de uitvoering van investeringsprojecten te onderzoeken en op basis daarvan aanbevelingen te formuleren die moeten bijdragen tot een versnelling van de besluitvorming, de planning en de uitvoering van die projecten. Misschien niet onbelangrijk om mee te geven, is dat de commissie in de loop van de werkzaamheden haar aanpak heeft verruimd van grote investeringsprojecten op Vlaamse schaal naar alle maatschappelijk belangrijke projecten, zowel op Vlaams als op provinciaal en gemeentelijk niveau.

Op basis van de vele hoorzittingen werd het voorliggende eindrapport opgesteld. Hierin wordt een overzicht gegeven van de knelpunten die aanleiding geven tot vertraging van de uitvoering van investeringsprojecten, met daarnaast de aanbevelingen om die knelpunten weg te werken. Het gaat daarbij om aanbevelingen die op korte, middellange of lange termijn kunnen worden geïmplementeerd.

Er wordt veel verwacht van het versnellend effect van een ingrijpende kwaliteitsverbetering van de processen. Vandaar dat het rapport de titel ‘Sneller door Beter’ heeft meegekregen, zoals reeds door de heer Penris gezegd. Ook de resolutie die straks ter goedkeuring wordt voorgelegd, kreeg dat opschrift.

De commissie is van oordeel dat ‘Sneller door Beter’ vooral moet worden gerealiseerd door een doordachte manier van werken en van beslissen, met andere woorden een stapsgewijze aanpak van de voorbereiding, de planning en de uitvoering van investeringsprojecten. Als het voorgestelde planproces met een strakke regie in de hand kan worden gehouden, moet het mogelijk zijn om voor maatschappelijk belangrijke investeringsprojecten het gehele planproces alsook de uitvoeringfase vanaf de startbeslissing in een termijn van 5 tot 7 jaar te doorlopen.

In totaal bevat het rapport 76 aanbevelingen. Het eerste deel van de aanbevelingen heeft betrekking op de verschillende fasen die bij grote investeringsprojecten worden onderscheiden. Het tweede deel van de aanbevelingen gaat in op een aantal verbeteringsthema’s die doorheen het gehele proces, dus voor elk van de fasen, gelden. In een derde deel zijn enkele aanbevelingen gegroepeerd die betrekking hebben op de federale wetgeving. De werkwijze die daarbij werd gevolgd, was om in elk onderdeel eerst kort de belangrijkste knelpunten op te sommen die kenmerkend zijn voor de huidige situatie, alvorens de aanbevelingen te formuleren.

Ik wil niet op de inhoudelijke discussie en uiteenzettingen van zo dadelijk vooruitlopen, maar wil toch een kleine selectie van de 76 aanbevelingen meegeven. U merkt dat die over diverse en verscheiden thema’s handelen. Zo kan de realisatie van grote investeringsprojecten ingrijpend worden versneld door een meer duidelijke fasering in een verkennende fase, een planuitwerkingsfase en een uitvoeringsfase.

Ook moet het parlement, zo werd beslist, zichzelf een meer centrale rol geven in het proces. Het parlement moet zich opwerpen als het maatschappelijke forum waar de grote strategische lijnen voor de structuurplanning en de mobiliteitsplanning worden besproken en vastgelegd. Het Vlaams Parlement speelt daarnaast zijn controlerende rol als plaats waar rapportage over en monitoring van grote investeringsprojecten worden gevolgd.

Tevens moeten het middenveld, de bedrijven maar ook burgers actief worden betrokken in de verkennende fase van grote projecten. In die fase moeten verschillende opties en alternatieven in beeld blijven, tot de fase is afgesloten. Die verschillende opties moeten ook in dezelfde fase op hun strategische effecten worden onderzocht, onder andere door een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA). Op die manier kunnen instellingen, organisaties en burgers, die bij het project een belang hebben, actief mee zoeken naar alternatieven en oplossingen, vooraleer de definitieve beslissing door het politieke niveau wordt genomen.

Die verkenningsfase moet een inzicht geven in het nut en de noodzaak van een voorgenomen strategisch belangrijk investeringsproject en elementen aanreiken om te komen tot een politiek te bekrachtigen voorkeursbeslissing. De verkennende fase begint met een startnota en eindigt met de politieke keuze voor het voorkeursalternatief. Daarna moet in de volgende fasen van het project een echt management van belanghebbenden worden georganiseerd, met de nadruk op een voortdurende open en laagdrempelige communicatie over de voortgang van het project.

Het voorstel van resolutie stelt voor dat er op het vlak van de werking van de Vlaamse administratie een interdepartementale werkgroep zou worden opgericht, die op korte termijn voorstellen zou formuleren voor een betere samenwerking en coördinatie binnen de Vlaamse administratie, maar ook voor de vereenvoudiging van administratieve procedures. Ook is het de bevinding dat de procedures – die voor een groot deel door Europese regelgeving worden gestuurd, vooral de hele MER-procedureregeling – door allerlei ingrepen sterk kunnen worden vereenvoudigd. De aanbevelingen spreken in dat verband bijvoorbeeld van de beperking van de omvang van project-MER’s.

Voorts, zo wordt gesteld, is het noodzakelijk dat op de diverse bestuursniveaus – Vlaams, provinciaal en gemeentelijk – wordt gewerkt aan het opbouwen en versterken van kennis op het vlak van financiering en risicomanagement van grote projecten. Zo wordt voorgesteld om van het reeds bestaande Vlaams Kenniscentrum PPS een dienstverlenende organisatie voor die bestuursniveaus te maken, door het kenniscentrum om te vormen tot een Dienstencentrum PPS. Het mag uiteraard niet verbazen dat het element van de rechtszekerheid een belangrijke rol speelt in de snelheid waarmee projecten tot een goed einde kunnen worden gebracht. Het uitbouwen van instrumenten van arbitrage kan een goed alternatief zijn om conflicten te vermijden, waardoor lange procedures bij de Raad van State kunnen worden vermeden. De werking van de Raad van State zelf kan worden verbeterd, door dit hoge rechtscollege mogelijkheden te geven om het algemeen belang tegenover het particuliere belang af te wegen.

Zoals al aangegeven, handelen in het derde deel een aantal aanbevelingen over ingrepen die op het federale niveau zouden moeten gebeuren. Naast de al genoemde ingrepen op de werking van de Raad van State, is er ook een verbetering van de onteigeningswetgeving nodig en moet de fiscale behandeling van overheidsprojecten worden herbekeken.

Zoals ik al eerder zei, is dit slechts een zeer beperkte greep uit de aanbevelingen. Voor het geheel van de aanbevelingen verwijs ik graag naar het rapport van de commissie en naar het voorstel van resolutie. De commissie is van oordeel dat de implementatie van de 76 aanbevelingen zal leiden tot een ingrijpende versnelling in de uitvoering van maatschappelijk belangrijke investeringsprojecten. Het voorstel van resolutie vraagt dan ook aan de Vlaamse Regering de aanbevelingen te implementeren en daarover jaarlijks aan het Vlaams Parlement te rapporteren.

Ten slotte zou ik als verslaggever iedereen willen bedanken. Dan bedoel ik natuurlijk de commissiesecretaris en de commissieleden, maar vooral ook de diensten en iedereen die heeft bijgedragen tot de werking, de opmaak en de goedkeuring van het voorstel van resolutie met aanbevelingen. Natuurlijk wil ik ook graag de commissievoorzitter, de heer Sauwens, bedanken. Iedereen is het, denk ik, erover eens dat hij deze commissie op voortreffelijke wijze heeft geleid. Ik neem aan dat hij u als voorzitter zo meteen graag meer zal vertellen over de inhoud van de voornoemde aanbevelingen. (Applaus)

De voorzitter

De heer Sauwens heeft het woord.

Johan Sauwens

Voorzitter, minister, geachte leden, ik dank de beide verslaggevers. Ik dank ook alle leden, zonder enige uitzondering. We hebben bijna altijd voltallig kunnen vergaderen, wat niet vanzelfsprekend is op een maandag en vrijdag. Gezien het ons toegewezen tijdsbestek, zal ik me beperken. Toch wil ik duidelijk stellen dat dit een interessante oefening is geweest, ook voor mij. We hebben in dit parlement over alle partijgrenzen heen en eensgezindheid kunnen vaststellen dat deze problematiek zeer ruim leeft in Vlaanderen. De minister is aanwezig. Ik denk bijvoorbeeld aan het fietspadendossier. Uit de VVSG-enquête is gebleken dat er in alle Vlaamse gemeentehuizen een roep is naar vereenvoudiging, naar een vermindering van de bureaucratie. We zitten vast in een soort web van regelgeving dat we zelf hebben gecreëerd, enigszins onder druk van Europa, maar toch.

Dat heeft de Europese benchmarking – ik denk aan professor Backes – heel duidelijk gemaakt. We zijn in Vlaanderen heel ver gegaan in het gedetailleerd regelgeven. Norbert De Batselier zei, toen hij in de commissie kwam, dat we te pointillistisch zijn geweest in het uitschrijven van decreten. Dat is nog meer gebeurd bij de uitvoeringsbesluiten. We hebben zeer veel technische materies – bijvoorbeeld bij milieu – overgelaten aan het uitvoerend niveau, dat het dan heeft overgelaten aan de specialisten, onder meer uit de administratie. We hebben dat laten gebeuren. Deze vaststelling is over alle grenzen heen gebeurd. Ik dank alle collega’s om mee naar oplossingen te hebben gezocht.

De vaststellingen van de expertencommissie-Berx zijn gelijklopend. Men zegt bijvoorbeeld over het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen dat het een te star document is en dat men de bindende bepalingen moet afvoeren en moet afsturen op grote lijnen. De gezamenlijke conclusie van de expertencommissie en van onze parlementaire commissie is dat men de brede maatschappelijke discussie moet voeren van in de beginfase. Je moet het dossier laten verrijken en verfijnen door de lokale besturen, door verenigingen die zich rond een maatschappelijk probleem hebben georganiseerd en door burgerbewegingen. Je moet dat vroeg doen want dan krijg je geen sfeer van: “Wij hebben een project waarin veel tijd en geld is gestoken. In het kader van de plan-MER gaan we dat even toetsen aan de mensen die eigenlijk als vervelende individuen komen zeggen dat het niet goed is.” Er is een algemene consensus om dit in een vrij vroege fase te doen en om de varianten en alternatieven aan te bieden. Creëer geen oplossing vooraleer je een duidelijke analyse van het probleem hebt gemaakt. Kom dan in een soort ‘getrechterde’ besluitvorming naar het uiteindelijke project.

Wat men ook heel duidelijk heeft gesteld, is dat er een politieke besluitvorming moet komen. Men moet durven afkloppen. Als alles bediscussieerd is, moet men pleiten voor een geïntegreerd effectenrapport. De Europese milieueffectenregelingen moeten worden geïntegreerd in een algemene effectenbenadering. De landbouweffecten, de sociaal-economische overwegingen, de mobiliteitseffecten enzovoort moeten worden samengebracht. Hou daarover een maatschappelijke discussie en een debat in het parlement wanneer het gaat over de grote strategische lijnen. Dan moet er een politieke besluitvorming volgen. In Nederland gebruikt men het volgende beeld: de politiek moet de rug rechten. Er wordt een beslissing genomen waarop niet wordt teruggekomen. Als men spreekt over drie alternatieven die men in de verdere bespreking zal meenemen, dan moet men later niet terugkomen op een vierde, een vijfde of een zesde alternatief. Die zijn op een bepaald moment afgevoerd. De politiek moet de rug rechten.

Voorzitter, we zijn ervan overtuigd dat we met de 76 aanbevelingen – een aantal zijn heel nadrukkelijk vermeld – in de lange weg van het idee tot de laatste schop in de grond, de totale doorlooptijd van maatschappelijk belangrijke infrastructuurwerken in Vlaanderen kunnen halveren. Dat moet kunnen, op voorwaarde dat we over een aantal zaken out of the box durven te denken. Het feit dat we hierover in dit parlement en aan het begin van een legislatuur politieke eensgezindheid hebben bereikt, biedt een historische kans om eens met de kam door de decreten en de uitvoeringsbesluiten te gaan. Het feit dat de regering tezelfdertijd aan een expertencommissie de opdracht heeft gegeven om dezelfde oefening te maken, geeft ook heel veel kansen. De weg die we gekozen hebben, de pragmatische weg, is de goede.

Wij hebben niet gekozen voor de klassieke weg. Daar stelt men het probleem vast. Het probleem is: ‘te traag’. Dus moet er versnelling zijn. Dan creëert men een administratie Versnelling. En dan komt er een decreet Versnelling. Neen, wij zullen, zonder een extra budgettaire inspanning te vragen en door de capaciteit die vandaag ter beschikking staat te herschikken, proberen oplossingen te zoeken. Binnen de administratie komt er eventueel een cel die op dat aandachtspunt werkt. Met een hulpmotorfunctie, zoals men dat in Nederland zegt.

Wij hebben heel wat tijd besteed aan de MER’s. Experts hebben daarover gezegd dat de tijdwinst die kan worden geboekt in de procedure relatief beperkt is. Maar toch kun je RUP- en MER-activiteiten laten samenlopen. Voor twee derden van de dossiers zal geen MER meer nodig zijn als men in de vroege fase sterker durft te sturen. Rapporten van tienduizend bladzijden zijn uit de tijd. Wij gaan naar rapporten van honderd bladzijden. Men kan de project-MER, de bouwaanvraag en de milieuaanvraag laten samenlopen. Voor de bouw- en de milieuaanvraag gaan we naar één procedure, één aanvraag, één openbaar onderzoek en één beslissingsmoment. Dat betekent dat we een aantal zaken moeten durven herzien. Er is heel sterk gepleit voor procesmanagement, ook binnen de eigen Vlaamse administratie. Er moet een aanspreekpunt zijn, een trekker. Dat kan de gouverneur zijn voor wat betreft de provinciale administraties. Het kan binnen onze diensten ook een andere ambtenaar zijn. We kunnen eventueel nog de politieke ervaring inschakelen die in onze samenleving, in onze gemeenschap, aanwezig is. Maar er komen geen nieuwe ambtenaren.

Voor wat betreft de onteigeningen is er een akkoord om naast het Comité van Aankoop en naast de ontvanger van Registratie ook gebruik te maken van de bestaande diensten: de zelfstandige beëdigde landmeters, de erkende landmeters en experts die er in Vlaanderen zijn en die trouwens ook voor de rechtbanken optreden.

De VVSG stelde vast dat er een probleem is met de te weinig oplossingsgerichte attitude van onze Vlaamse administratie. De tijd dat één ambtenaar een veto kan uitspreken tegen maatschappelijk belangrijke projecten is voorbij. Wij vragen de Vlaamse Regering om haar diensten zo te organiseren dat men naar een gewogen en geïntegreerd advies gaat, een gewogen synthese van diverse elementen waarmee de bevoegde politieke verantwoordelijke verder kan. Hier geldt het primaat van de politiek. Het is dus geen bindend advies maar een advies waarbij het niet langer mogelijk is dat burgemeesters of ministers ambtenaren moeten samenroepen om de verschillen tussen de interpretaties van verschillende Vlaamse ambtenaren te overwinnen. Deze ambtenaren werken vaak met de decreten die we hier hebben goedgekeurd. Dat betekent ook dat we moeten durven om in onze decreten en uitvoeringsbesluiten voor de ruimte te zorgen waarin men tot een synthese kan komen die de projecten realistisch en betaalbaar kan maken.

Zoals de verslaggevers hebben gezegd, hebben wij stilgestaan bij de Raad van State. Voorzitter Andersen van de Raad van State heeft ons, samen met zijn raadsheren, de spiegel voorgehouden: veel vernietigingen zijn het resultaat van Vlaamse wetgeving. Daar moeten we dus iets aan doen. De Raad van State is ook, net zoals het Comité van Aankoop, van ons. Het is niet omdat we in een federale staat zitten dat een aantal zaken, bijvoorbeeld brandweer, niet moeten worden overlegd in het kader van het samenwerkingsfederalisme met de federale overheid. Met die zaken moeten we de volgende maanden voortdoen.

Voorzitter, ik ben ervan overtuigd dat deze werkzaamheden, die zeer intens zijn geweest maar die ons ook los van onze dagelijkse vraagstellingen het gevoel hebben gegeven van met belangrijke zaken bezig te zijn, een historische kans bieden. Ik wil hieraan alleszins, samen met u, voorzitter, en met alle leden van het parlement, de volgende jaren verder meewerken. (Applaus)

De voorzitter

Volgens het reglement krijgt elke fractie 30 minuten bij een voorstel van resolutie. Ik geef gewoon de inhoud van het reglement weer.

De heer de Kort heeft het woord.

Dirk de Kort

Voorzitter, de infrastructuurwerken hebben een gemiddelde doorlooptijd van meer dan 10 jaar. Eigenlijk zijn onze vragen om uitleg hiermee begonnen. We hebben de minister uitleg gevraagd. We hebben om een bijsturing gevraagd. Ik herinner me dat de heer Keulen op mijn woorden heeft gereageerd met de uitspraak dat ik er vlak op zat. Het probleem van de doorlooptijd leeft bij de ondernemers en bij de lokale besturen. Andere Vlaamse volksvertegenwoordigers hebben dit met voorbeelden uit de eigen ervaringen met tal van infrastructuurprojecten aangevuld. Ze hebben erop gewezen dat het effectief om een probleem gaat. Algauw is in dit verband een consensus ontstaan. We moesten de handen in elkaar slaan. Toen heeft onze fractieleider het initiatief genomen en is deze ad-hoccommissie tot stand gekomen.

De eensgezindheid die we tijdens de vergaderingen van de commissie Openbare Werken hebben vastgesteld, hebben we ook duidelijk gevoeld tijdens de talrijke hoorzittingen die we hebben georganiseerd. De commissievergaderingen waren bijzonder aangenaam. Elk lid heeft moeite gedaan om aanwezig te zijn. De vragen die tijdens deze vergaderingen zijn gesteld, heb ik ervaren als de nuttigste vragen die ik tijdens mijn korte carrière hier al heb gehoord. Deze commissie vormt mijn boeiendste ervaring hier. Mevrouw Vogels heeft me informeel laten weten dat ze de werkzaamheden ook als zeer positief heeft ervaren.

We hebben vastgesteld dat er met betrekking tot de infrastructuurwerken heel wat knelpunten zijn. Alle mensen die we hebben gehoord, gaande van de VVSG en Voka tot de aanbevelingen van de Raad van State, hebben dezelfde knelpunten vastgesteld.

Het gaat dan onder meer om onze beleidsplannen. Het ruimtelijk structuurplan en het mobiliteitsplan zijn te allesomvattend. Bovendien hebben we die beleidsplannen zodanig in een juridisch kader vervat dat het moeilijk is tot bijsturingen over te gaan. Op die manier verliezen we heel wat opportuniteiten.

In verband met individuele dossiers is er vaak onvoldoende duidelijkheid over de prioriteitsbepaling. We beschikken over weinig instrumenten om tot de juiste prioriteitsbepaling te komen.

Een ander knelpunt betreft de procedure inzake de milieueffectrapportage (MER). De Vlaamse overheid heeft de omzetting van de Europese richtlijn te ver doorgetrokken. De omvang en de scope van de plan- en de project-MER’s zijn onoverzichtelijk geworden. We hebben te veel procedures ingevoerd. We hebben niet gekeken in welke mate we die procedures in elkaar konden integreren en op elkaar konden afstemmen.

Wat de projectuitvoering betreft, hebben we vastgesteld dat onteigeningen meermaals voor nodeloze vertragingen zorgen. Ook de bodemsanering, de bouwtechnische problemen en de wijzigende omstandigheden leiden ertoe dat projecten hopeloos verstrikt geraken.

Verder hebben we vastgesteld dat we de hand in eigen boezem moeten steken. Een groot gedeelte van de reglementering die we moeten doorlopen, toont aan dat we met onze decreten in het Vlaams Parlement te zeer in detail zijn getreden. Zoals de voorzitter van de ad-hoccommissie al heeft verklaard, zullen we met een kam door een aantal decreten moeten gaan.

Het is goed dat we samen tot dit voorstel van resolutie gekomen. Zoals de verslaggevers al hebben verklaard, gaat het om een unanieme beslissing. In mijn ogen gaat het om een goed werkstuk. We hebben een aantal aanbevelingen afgeleverd.

Samenvattend kunnen we zeggen dat we op de volgende zaken ingrijpen. We moeten een meer strategische benadering hanteren van de maatschappelijke noden. Er moet een beter en vroeger draagvlak komen bij alle belanghebbenden in het voortraject. We moeten duidelijke politieke besluitvormingsmomenten inbouwen. Het is het bevoegde politieke niveau dat duidelijke beslissingen moet nemen die de verschillende fases afsluiten.

Er moet een betere afstemming en integratie komen van allerhande procedures: de MER-procedures, de maatschappelijke kosten-batenanalyses enzovoort. We moeten robustere beslissingen nemen, die juridische toetsingen beter kunnen doorstaan. We hebben nood aan een proactieve en klantvriendelijke administratie, een administratie die meedenkt met de initiatiefnemer. We hebben nood aan een bedrijfscultuur waar dynamische en proactieve inzet gehonoreerd wordt, en aan een bedrijfscultuur waar niet permanent wordt ingegrepen door lijnmanagers of politieke oversten. Er moet ook voldoende aandacht zijn, bij alle overheden, voor een risico- en financieel management. Er moet aandacht zijn voor de belanghebbenden in elke stap van het proces. Elk van die aanbevelingen moet verder worden geïmplementeerd.

Er zijn ook nog een aantal aanbevelingen die nog wat studiewerk vragen, en nog een aantal andere zullen pas op een heel lange termijn worden geïmplementeerd.

Toch zijn wij ervan overtuigd dat door de aanbevelingen van deze commissie de doorlooptijden van de investeringsprojecten effectief kunnen worden gehalveerd. De bal ligt nu in het kamp van de Vlaamse Regering, die met deze aanbevelingen aan de slag moet, maar ook het parlement moet verder opvolgen wat er uiteindelijk met de aanbevelingen gaat gebeuren.

In ieder geval zijn wij al aangenaam verrast dat de regering de oproep tot versnelling niet alleen gehoord heeft, maar dat ze er zelf ook aan gaat voortwerken. We waren heel blij dat de minister-president bij de overhandiging van ons werk en van het rapport dat werd overhandigd door gouverneur Berx, heeft gezegd dat de regering nu vrijdag al over een plan van aanpak zal beslissen, dat nadien ook zal worden voorgesteld. We kijken alvast uit naar die beslissing. Voor de rest, voorzitter, denk ik dat u een goede collega-voorzitter hebt van de commissie ad hoc. Als er nog problemen zijn die op een snelle manier moeten worden opgelost, aarzel dan niet om de commissie Speed bijeen te roepen. Ik dank u. (Applaus)

De voorzitter

De heer Keulen heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, als je aan politiek doet, doe je dat vanuit een bepaalde roeping, vanuit een zeker engagement om de samenleving te veranderen en te verbeteren. Ik denk dat ons dat allemaal drijft, alle 124 collega’s in dit halfrond.

Vanuit dat perspectief bekeken, voorzitter, denk ik dat onze commissie Versnelling heel goed, zinvol en verdienstelijk werk heeft geleverd. We zijn uiteindelijk in unanimiteit tot een resolutie gekomen met 76 aanbevelingen. Die zijn allemaal heel behartenswaardig, maar ik ga ze hier niet allemaal in het daglicht plaatsen, want dan wordt het een litanie van alle heiligen. Ik wil mij toespitsen op een aantal blikvangers, die voor mij en mijn fractie belangrijk zijn, hoewel alle 76 aanbevelingen natuurlijk heel waardevol en behartenswaardig zijn.

Zoals door de vorige sprekers al is gezegd, zijn wij samen tot de vaststelling gekomen dat in Vlaanderen haast niets meer lijkt te lukken wat enige grootschaligheid in zich draagt, of het nu gaat over wegen, bruggen of kanalen, maar ook gewoon in de maatschappelijke sfeer: projecten die te maken hebben met sociale huisvesting of windmolenparken. Het lijkt allemaal oeverloos lang te duren, 10 tot 15 jaar, en op het einde van het traject blijft het één groot vraagteken wat de uiteindelijke uitkomst kan zijn. In feite kan men dan nog terug naar af worden gestuurd. Dat debat hebben we eerder deze middag inderdaad al voor een stuk gevoerd.

Maar het gaat niet alleen over de zogenaamde grootschalige infrastructurele, economische en maatschappelijke projecten, maar ook om de zogenaamde kleine projecten. De kmo’er of de landbouwer die zijn bedrijfsexploitatie wil moderniseren, die wil uitbreiden, ook die ondernemer in de brede betekenis van het woord wordt soms jaren op sleeptouw genomen. Hij blijft jaren in het ongewisse en moet maar afwachten wat op het einde van traject uiteindelijk de uitkomst kan zijn.

De ambitie van de commissie Versnelling is om de termijnen te halveren en dat is inderdaad een ambitieuze doelstelling. Om die te realiseren zal er een en ander moeten gebeuren en hervormd worden in de procedures en in de attitudes. Ik ga een paar blikvangers aan u voorstellen.

Vandaag hebben we in Vlaanderen – en we staan er onvoldoende bij stil – inspraak alom en iedereen vindt dat ook heel belangrijk. Maar in feite komt dat neer op een pro-formaprocedure. Eigenlijk wordt de bevolking maar geconsulteerd op het einde van het traject en mogen de mensen nog ja en amen zeggen over een project dat kant-en-klaar is. De voorspelbare Vlaamse reactie is dat mensen, als ze alleen maar ja en amen mogen zeggen, om het op zijn Vlaams te zeggen de kont tegen de krib zetten en de hakken in het zand, en dat er niets gaat gebeuren. Als ze inspraak hebben, dan moeten ze echt kunnen wegen op de besluitvorming.

Vandaar inderdaad de idee om de inspraak naar het begin van het traject te brengen en ervoor te zorgen dat mensen keuzemogelijkheden krijgen, dat ze echt kunnen werken met alternatieven zodat ze – letterlijk en figuurlijk - architect worden van het project en dat het een deel van henzelf wordt. Dan doen mensen ook mee. Het moet dan wel zo zijn dat, als we die fase hebben afgesloten, we echt resoluut gaan voor de uitvoering van het project, dat het niet meer kan zijn dat men het dan nog kan tegenhouden. Uiteraard moet men ook rekening houden met flankerende of zogenaamde mitigerende maatregelen, met eventueel schadevergoedingen. We gaan als politieke verkozenen de rug rechten en we gaan dan ook resoluut voor de uitvoering van het project. In die zin wordt inspraak dan ook echt participatie. Als gewezen minister van Stedenbeleid heb ik daar zelf ook altijd voor geijverd. Participatie wil dus zeggen dat mensen inderdaad mee een project kunnen ontwikkelen, mee keuzes kunnen bepalen. Dat is ook alleen mogelijk als dat in het begin gebeurt. Als mensen het gevoel krijgen dat de vrachtwagen met de bulldozer om de hoek van de straat staat te wachten en dat ze dan nog eens even hun gedacht mogen zeggen, passen ze ervoor. Daar doen ze niet aan mee.

Een ander belangrijk punt is dat een aantal bevindingen eigenlijk neerkomen op zelfkritiek. Als we het hebben over een meer klantvriendelijke overheid, dan zijn we dat in eerste instantie. Ook daar zijn er meerdere invalshoeken te hanteren. Laat het altijd voorafgaandelijk duidelijk zijn dat Vlaanderen inderdaad heel veel gemotiveerde en klantvriendelijke ambtenaren telt, maar we zitten bijvoorbeeld al structureel met het probleem dat de Vlaamse administratie zeer sectoraal, zeer verkokerd is georganiseerd. In mensentaal uitgedrukt - en iedereen die ermee werkt, weet dat vanuit de praktijk - betekent dit dat de ambtenaren van Milieu naar een project alleen kijkt louter vanuit een milieubril. Als dat project dan komt bij de mensen van de Ruimtelijke Ordening, zetten die dan de stedenbouwkundige bril op en de ambtenaren bij Verkeer, zetten de mobiliteitsbril op. Niemand is nog bezig met de totaliteit.

Iedereen die ooit uitvoerende verantwoordelijkheid heeft gedragen in een regering of in een schepencollege, maakt het mee dat men mensen op bezoek krijgt op het spreekuur en die niet begrijpen hoe het mogelijk is dat ze aan de ene kant een milieuvergunning en een gunstig advies van Wegen en Verkeer hebben, maar dat ze aan de andere kant geen bouwvergunning krijgen. Ze hebben als het ware 2 op 3, maar ze staan in feite toch met lege handen. Dan mag je van goeden huize zijn en goed van de tongriem gesneden, maar dat krijg je aan een burger niet uitgelegd. Dat kost iedereen in de politiek krediet en geloofwaardigheid. Daar moeten we komaf mee maken. We moeten komen, zoals de commissievoorzitter zei, met adviezen die worden ingewonnen.

Geen bindende adviezen meer. Dat is trouwens een heel gekke term, een bindend advies is eigenlijk een contradictio in terminis. Een advies betekent dat je mensen adviseert en dan is het aan de mensen zelf om daar eventueel – en dan is het hun eigen keuze – hun gedrag op af te stemmen. Het is de bedoeling dat je die adviezen inwint en dat uiteindelijk het verkozen orgaan de beslissing neemt en zich ook verantwoordt ten aanzien van de samenleving waarom het met een bepaald advies in meerdere of in mindere mate rekening heeft gehouden. Dit is inderdaad democratie. Dit is het terugdringen van een stuk van het democratisch deficit dat vandaag bestaat.

– De heer Carl Decaluwe, ondervoorzitter, treedt als waarnemend voorzitter op.

Er zijn inderdaad ook heel veel goede ambtenaren, mensen die klantvriendelijk zijn, maar er zijn er ook heel veel die één namiddag in de week bereikbaar zijn aan de telefoon en dat betekent dat je daar niet binnen geraakt. Ooit zei iemand tegen mij dat ik nooit mag vergeten dat in wezen – en dit is opnieuw zelfkritiek ten aanzien van de politiek – een ambtenaar opgeleid is om “neen” te zeggen, want zijn hoofd zit vol met reglementen en voorschriften, en als hij wordt geconfronteerd met een casus, kijkt hij of het past of niet: als het past, dan krijgt men zijn vergunning, als het niet past, niet.

We weten allemaal dat de wereld niet bestaat uit wit of zwart, meestal is het grijs. Iemand die een vergunning aanvraagt, wordt dan maar – om het met beeldtaal te zeggen – het bos ingestuurd en moet zijn plan maar trekken. Een klantvriendelijke administratie betekent dat men mensen coacht, begeleidt en zegt: “Kijk, u komt er nu niet, maar als u dit of dat doet, dan kunt u uw vergunning wel krijgen.” Dat is de manier waarop een belastingbetaler uiteindelijk hoort te worden bejegend. Zoals gezegd, hebben een aantal ambtenaren die mentaliteit, maar een aantal hebben die mentaliteit duidelijk nog altijd niet.

Collega’s, wanneer we spreken van een klantvriendelijke administratie, moeten we het uiteraard ook hebben over vereenvoudigen van procedures en over het transparanter maken van procedures. Zoals voormalig parlementsvoorzitter, Norbert De Batselier, zo mooi zei: onze wetgeving is de pointillistisch. Dat komt omdat we de wereld wantrouwen. Het komt eigenlijk een beetje neer op een oude catechismus: behoed de mensheid tegen zichzelf, anders zullen we rampspoed meemaken. We moeten integendeel wat meer vertrouwen hebben in de wereld, in mensen die initiatieven ontplooien om te zorgen dat degenen van goeie wil die ervoor willen gaan, ook daadwerkelijk kansen krijgen.

Dan is er het aspect dat, als er in een bepaalde fase van hun procedure onderzoeken zijn gebeurd, die niet meer opnieuw moeten gebeuren in een volgende fase, dat men daarvan wordt vrijgesteld. En dan komen we bij iets waar in dit parlement, maar ook in de schoot van de regering, al dikwijls over gepraat is, namelijk de zogenaamde ‘permis unique’. Die komt neer op één vergunning waar alle aspecten in vervat zitten. Het is toch wel een stille droom van iedereen die een beetje bezig is met het vergunningenbeleid. In de praktijk betekent dit ook – en dat moet altijd mee in rekening worden gebracht – tijdswinst en kostenbesparend werken.

Een andere nieuwigheid is de bestuurlijke lus. We leven in een complex land met een complexe regelgeving en een figuurlijke dt-fout is snel gemaakt en dan kan er een arrest zijn van de Raad van State dat een beslissing vernietigt. Dat betekent dat helemaal moet worden herbegonnen, dat alles moet worden overgedaan en dat houdt tijdverlies en geldverlies in en een pak frustratie bij degene die erdoor wordt getroffen. De oplossing is de bestuurlijke lus en daar moeten we zeker voor gaan. We moeten aan de Raad van State de mogelijk geven om de overheid toe te laten de vormfout te herstellen zonder dat alles van vooraf aan opnieuw moet beginnen.

Op de andere nieuwigheden ga ik niet dieper in. Er is het unieke geoloket. Een goed financieel management is ook heel belangrijk. De rechtvaardigste rechter in de wereld is uiteindelijk de factor tijd. Als men mensen dingen belooft en goochelt met te krappe budgetten, vallen uiteindelijk de maskers en dan zal blijken wat financieel en budgettair haalbaar is en wat niet. Wat we bijvoorbeeld heel vaak hebben vastgesteld bij projecten die in uitvoering gaan, is dat we de kostprijs van de flankerende maatregelen niet mee in rekening hebben gebracht en dan blijkt achteraf dat er meer werken nodig zijn en dat er ondergeraamde budgetten zijn. In feite draagt dit alleen maar bij tot het verlies van politiek krediet.

Er is nog een andere nieuwigheid die op het terrein stilaan in voege raakt: de Codex Ruimtelijke Ordening. Het is een pluim voor de gewezen minister van Ruimtelijke Ordening, de heer Van Mechelen. Veel lokale mandatarissen zeggen dat de codex projecten toch soepeler doet verlopen en dat er tijdwinst wordt gecreëerd. Men moet er nog mee leren werken, maar het is duidelijk een stap in de goede richting en een voorbeeld.

Mijn stille droom is, voorzitter en collega’s, dat we weer kunnen gaan naar projecten waarbij we niet noodzakelijk zijn aangewezen op consultants om er te geraken. Opnieuw, ik heb niets tegen consultants. Maar voor de minste werkzaamheden moet men vandaag een bureau aanstellen, anders is het niet meer te doen, terwijl we heel wat deskundige ambtenaren en medewerkers hebben. Door de complexiteit die we zelf hebben gecreëerd zijn we aangewezen op derden, specialisten. Veel van hen hebben in hun vuistje gelachen bij wat er allemaal weer was uitgewerkt en hoeveel werk er voor hen in vervat zat.

Ik praat tegen mijn hart als lid van de oppositie, maar voor een regering is een dergelijk proces in tijden van budgettaire krapte een uitgelezen kans. Ons hele verhaal van de commissie Speed is een groot pleidooi voor een doorgedreven administratieve vereenvoudiging. In tijden van budgettaire krapte beseft de bevolking heel goed dat niet alles kan en nog minder alles tegelijk. Door de wetgeving transparanter, eenvoudiger en minder gedetailleerd te maken kun je kansen geven aan de mensen die wel willen ondernemen in de brede betekenis, economisch maatschappelijk en noem maar op. Daar kan heel wat maatschappelijk rendement uit worden gepuurd. Het is niet voor niets dat men zegt dat administratieve vereenvoudiging een van de slimste vormen van investeren is.

Collega’s, woorden wekken, voorbeelden strekken. Nu komt het erop aan om de daad bij het woord te voegen. Ik zie voor onze commissie Versnelling een nieuwe taak weggelegd: hoe kunnen we nu al deze aanbevelingen implementeren in aangepaste regelgeving en de kam halen door de bestaande regelgeving?

Het was voor iedereen die de afgelopen drie maanden deel heeft uitgemaakt van de commissie Versnelling een heel aangename ervaring, ook de ervaring van zinvol werk te doen. De commissievoorzitter, de heer Sauwens, oogst terecht lof, hij heeft het goed gedaan. Iedereen was tot en met gemotiveerd. Ik zit nu in mijn vierde termijn hier in dit parlement. Deze commissie vergaderde naast de reguliere commissies op maandag en op vrijdag. Iedereen was bijna altijd aanwezig, met een gemiddelde aanwezigheid van 12 op 15. We hebben dat zelfs gedaan in recesperiodes. Daarnaast moest iedereen nog zijn gewoon commissiewerk doen. Het geeft aan dat iedereen overtuigd was van de zin, en dat het interessant was. We hebben bij geleerd.

Als we er nu nog in slagen, collega’s, om deze aanbevelingen om te zetten naar reëel beleid, hebben we goed werk geleverd. Uiteindelijk zijn we daarvoor verkozen in dit parlement, voorzitter. Bedankt daarvoor. Mijn fractie Open Vld zal deze resolutie met 76 aanbevelingen met veel enthousiasme goedkeuren. (Applaus bij CD&V, Open Vld, sp.a, de N-VA, LDD en Groen!)

De voorzitter

De heer Martens heeft het woord.

Bart Martens

Voorzitter, minister, collega’s, Vlaanderen baadt in een ‘rien ne va plus’-sfeertje. Het debat dat we vandaag als eerste hebben aangevat zal er allicht niet vreemd aan zijn. Ik hoor collega’s in dit parlement – en andere – zeggen dat men nergens in Vlaanderen nog een spade in de grond krijgt. Alles wordt kapot bestudeerd. Over alles moet een MER worden opgemaakt. Er zijn kennisgevingsprocedures, passende beoordelingen, watertoetsen, openbare onderzoeken over ruimtelijke uitvoeringsplannen enzovoort.

En als er dan toch een beslissing wordt genomen, zo luidt het dan, dan heeft de burger een arsenaal aan beroepsmogelijkheden om die beslissing op basis van een tik- of procedurefout onderuit te halen.

Ik denk dat men met dit beeld een beetje te kort door de bocht gaat. Er worden wel degelijk nog beslissingen in Vlaanderen genomen. Denk maar aan de Diaboloverbinding, de Liefkenshoekspoortunnel of de brug van Temse. In 2005 viel wat die laatste betreft de eerste principiële beslissing door de Vlaamse Regering, en in 2009 is die al opgeleverd, inclusief ruimtelijk uitvoeringsplan, bouwvergunning en aanbesteding. Kijk ook naar de ontwikkelingsschets van het Schelde-estuarium, waarin we een Scheldeverdieping zijn gestart minder dan 10 jaar na het beëindigen van de vorige Scheldeverdieping. De heer Penris is er niet, en hij zou zeggen dat dit al na 8 jaar had moeten gebeuren, want de Nederlanders hebben ons 2 jaar doen verliezen. In elk geval zijn dit projecten die aantonen dat er toch nog beslissingen worden genomen.

Het verhaal van ‘rien ne va plus’ klopt ook niet om een andere reden. Het is immers niet zo dat onze wettelijke procedures – de MER’s, de RUP’s – verantwoordelijk zijn voor de soms lange doorlooptijd van projecten. Dat laatste heeft te maken met het feit dat veel tijd wordt verloren in het lange voortraject, waar bestuurlijke overheden het niet eens worden en waar men zich verschuilt achter disputen en nog te onderzoeken kwesties om toch maar niet te beslissen. De mensen van de Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning hebben ons in de commissie voorgerekend dat een halvering van de wettelijk vastgelegde proceduretijd slechts zou leiden tot 5 percent kortere doorlooptijden. Het is duidelijk dat dit geen substantiële tijdwinst zal opleveren.

Vlaanderen is wat het is: het heeft het dichtste vervoersnetwerk van Europa. Het is bijna onmogelijk geworden om nog een project te realiseren zonder iemand op zijn teen te trappen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sommige projecten veel beroering veroorzaken. De burger is ook mondiger geworden, en dat is maar goed ook. Moeten we de confrontatie met de burger dan maar uit de weg gaan? Ik denk het niet. Vorige sprekers zegden het al: we moeten die confrontatie veel vroeger in de besluitvormingsprocedure inschrijven. Vandaag bestaan er veel openbare onderzoeken, inspraakmogelijkheden en beroepsprocedures. Maar die zitten helemaal end of pipe van de besluitvorming; op het moment dat de beslissingen zijn genomen en er eigenlijk geen tijd meer is om alternatieven aan te dragen. Want nieuwe alternatieven ernstig nemen, zou te veel ‘rework’ vragen en vereisen dat we van voorafaan moeten herbeginnen.

De burger, die vandaag op het einde van de procedure zijn stem kan laten horen via een veelvoud van inspraakmogelijkheden – over het ruimtelijk uitvoeringsplan, de stedenbouwkundige vergunning, de milieuvergunning – komt dan van een kale reis thuis. Hij heeft moeite gedaan om het dossier te doorgronden en van zijn inspraakrecht gebruik te maken, maar al te vaak krijgt hij nul op het rekest. Hij stapt dan naar de rechtbank. Hij probeert dan voor de Raad van State en dergelijke zijn gelijk te halen. En als hij daar dan alsnog gelijk krijgt, is dat vaak een pyrrusoverwinning, want de overheid doet dan de procedure dunnetjes over, maar volgens het boekje, zodat de burger wordt geconfronteerd met hetzelfde project dat hij voor de rechtbank heeft aangevochten.

Dat leidde ertoe dat we in Vlaanderen een cultuur hebben van ‘decide and defend’: beslis en druk die beslissing dan door, en sta niet toe dat de beslissing in vraag wordt gesteld of dat er alternatieven worden aangereikt.

In onze aanbevelingen en onze ruime verkenning in de commissie hebben we vastgesteld dat het op deze manier niet verder kan, dat het een heilloze manier van werken is, dat we de burger wel au sérieux moeten nemen. De enige manier om dat te doen, is het inbouwen van een ruime en open verkenningsfase, waarin de overheid duidelijk het probleem schetst, in plaats van de oplossing al naar voren te schuiven. Vandaag werden doel en middelen soms omgekeerd. Men begint, men bepaalt een project en ‘en cours de route’ onderbouwt en verdedigt men het project. Men zoekt dan argumenten om dat project erdoor te krijgen.

We moeten beginnen met een duidelijke probleemstelling. Er is een congestieprobleem tussen stad A en stad B, hoe lossen we dat op? Gebeurt dat op een infrastructurele manier of via verkeersbegeleiding en -sturing? Als we kiezen voor infrastructuur, wordt dat er een voor het openbaar vervoer, voor alternatieve vervoersmodi of voor een betere wegontsluiting? We moeten vertrekken van de probleemstelling, van de oplossingsrichtingen die we voor ons zien en van de manier waarop we die willen bestuderen. Dat moeten we in een vroeg stadium van de besluitvorming voorleggen aan het publiek, daarover moeten we inspraak organiseren en zelfs een dialoog opstarten. Dan moet het publiek de kans krijgen om alternatieve oplossingsrichtingen voor te dragen, om te zeggen op welke effecten de voorgenomen oplossingen ook moeten worden bestudeerd enzovoort.

In de verkenningsfase moeten we niet alleen kijken naar de technische haalbaarheid van bepaalde oplossingen. We moeten alle effecten, ook de strategische milieueffecten, de mobiliteitseffecten, de effecten op landbouw en de sociaal-economische effecten in dat stadium van de besluitvorming onder de koepel van een kosten-batenanalyse bestuderen. Zo’n maatschappelijke kosten-batenanalyse kan ervoor zorgen dat we zicht krijgen op nut en noodzaak van bepaalde projecten. Nu gaat men er met aplomb vanuit dat bepaalde projecten nodig zijn om onze economie te redden, want anders stort de hemel op ons hoofd. Laat ons maar eens aantonen wat het nut en de noodzaak is, welke maatschappelijke baten er voortvloeien uit bepaalde projecten en oplossingen. Dit kan de discussie objectiveren.

Zo’n maatschappelijke kosten-batenanalyse met een inspraakmogelijkheid voor de burger, die kan zeggen welke alternatieven moeten worden opgenomen, kan ook maximaal gebruikmaken van de creativiteit die in onze samenleving leeft. Kijk naar het dossier van de Oosterweelverbinding. Het zijn bewonersorganisaties die met alternatieven voor de dag zijn gekomen, die volgens sommige studies beter scoren dan wat de overheid zich initieel had voorgenomen.

We moeten de creativiteit van de samenleving maximaal benutten en de burger niet frustreren. Dat kan via zo’n brede en open verkenningsfase. Uiteraard vereist dat van onze administratie en bewindvoerders een zekere openheid en onbevangenheid. Ze mogen niet met voorafnames werken, ze mogen niet al op voorhand zeggen dat ze de inspraak gaan vervroegen en dat dit het eindresultaat moet zijn. Daar moeten ze afstand van durven nemen in die verkenningsfase.

Als die fase is afgerond, als de effecten duidelijk zijn, als nut en noodzaak van bepaalde investeringen duidelijk zijn, dan moet men ook durven beslissen via een voorkeursalternatief, een voorkeursbeslissing die men afhamert, bij voorkeur via een interbestuurlijk convenant, als er verschillende overheden bij de uitvoering van zo’n project zijn betrokken. Dat had ons bijvoorbeeld in de procedure van de ontwikkelingsschets voor het Schelde-estuarium en de verdieping heel wat miserie kunnen besparen. Vlaanderen en Nederland waren het eens geworden over een gezamenlijke aanpak, en ze hebben dat ook verdragsrechtelijk vastgelegd. Alleen kreeg de provincie Zeeland slappe knieën en weigerde politiek Den Haag de aangegane engagementen na te komen.

Zo’n interbestuurlijk convenant, samen met de voorkeursbeslissing, kan daaraan verhelpen en het engagement van alle betrokken bestuurlijke actoren vastleggen.

Ook deze verkenningsfase zal tijd en energie kosten. De tijd die we daarin stoppen, kunnen we achteraf dubbel en dik terugwinnen. Als die strategische milieueffecten in die fase van de besluitvorming serieus zijn onderzocht, dan hoeven we niet achteraf bij de concrete uitwerking van een project in een ruimtelijk uitvoeringsplan nog eens een plan-MER uit te voeren. Dan kunnen we die stap alvast overslaan. We hebben zelfs een aantal constructies samen laten sporen. We hebben dat de dakpanconstructie genoemd.

Op het moment dat het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt opgemaakt en er bijvoorbeeld een openbaar onderzoek is naar de uitvoeringsalternatieven die daarin uitgetekend staan, kan al een kennisgevingsprocedure worden opgestart over het project-MER dat we nodig zullen hebben voor de aflevering van de bouwvergunning. Dakpansgewijs werken kan ons dus nog eens heel wat tijdswinst opleveren. Dat kan de doorlooptijd serieus verkorten. Ik heb van de Italianen geleerd dat koffie met een kortere doorlooptijd betere koffie is. Ik denk dat we op die manier tot een meer gedragen en snellere besluitvorming kunnen komen. De titel van ons voorstel van resolutie Sneller door Beter is dan ook zeer goed gekozen.

Naast die brede verkenningsfase moeten we werk maken van een beter procesmanagement. Dat is heel duidelijk naar voren gekomen. We hebben procesmanagers nodig die het proces van begin tot eind aansturen in plaats van het wisselend eigenaarschap dat we vandaag zien bij projecten binnen de administratie. Op het moment dat het milieueffectenrapport moet worden gemaakt, neemt het departement Leefmilieu, Natuur en Energie de fakkel over. Op andere momenten is het de initiatiefnemer. Dat wisselend eigenaarschap is niet goed. Het vertroebelt het overzicht op de totale besluitvorming. We hebben nood aan procesmanagers die de zaak van begin tot eind in de hand nemen, die de bestuurlijke, technische en juridische voortgang bewaken en die ervoor zorgen dat alle stappen naadloos op elkaar aansluiten en alle administraties en alle betrokken bestuurlijke overheden tijdig hun engagementen nemen en nakomen.

Naast die figuur van de procesmanager hebben we uiteraard ook de figuur van de procesbegeleider nodig. Die moet zorgen voor de maatschappelijke inbedding, hij moet de tafel bieden om met de verschillende betrokken actoren die de effecten en de impact ondergaan van bepaalde projecten, de dialoog aan te gaan. Dat zal heel wat extra inspanningen vragen van onze administratie. Ik heb al schertsend binnen onze commissie gezegd dat we naar analogie met het Vlaams Kenniscentrum Publiek-Private Samenwerking onder de diensten Algemeen Regeringsbeleid ook een kenniscentrum publiek-publieke samenwerking nodig hebben. Daar is de winst te boeken. Beter gedragen beslissingen zullen correcter en sneller worden uitgevoerd en doorgang vinden.

Ook op het vlak van wet en regelgeving zijn er nog heel wat verbeteringen mogelijk. Het rapport van onze commissie pleit heel duidelijk voor de eengemaakte vergunning, de ‘permis unique’, zoals we die bijvoorbeeld al in Wallonië kennen en zoals die terug te vinden was in het vorige regeerakkoord. De toenmalige regering is er blijkbaar niet in geslaagd om daar werk van te maken.

Zeker voor dat soort inrichtingen waar milieu- en ruimtelijke effecten samenvallen, kunnen we heel snel naar zo’n ‘permis unique’ gaan. Ik denk dan aan windmolens. Vorige week op een studiedag vernam ik dat voor de bouw van windmolens sommige exploitanten – voor eenzelfde molenpark – de milieuvergunning hebben, terwijl anderen de bouwvergunning hebben. Raak daar als overheid, exploitant of ondernemer maar eens wijs uit. Beide vergunningen worden geadviseerd door een heel brede groep van administratieve overheden. Voor de stedenbouwkundige vergunning is dat de Interdepartementale Windwerkgroep waar monumenten en landschappen, milieuvergunningen en allerhande administraties in zitten en die we ook terugvinden in de provinciale vergunningscommissie die de milieuvergunning moet adviseren.

Ik ben het met de heer Keulen eens dat we een serieuze administratieve vereenvoudiging kunnen doorvoeren door de twee vergunningen in één keer af te leveren. Dat zou de duidelijkheid voor de ondernemer, de omwonende, de betrokken besturen er alleen maar op vooruit helpen. Ik zou niet zeggen met minder mensen, mijnheer Keulen, maar wel met hetzelfde aantal kunnen we dan beter en sneller werk afleveren. Minister, wat dat betreft, denk ik dat deze regering daar wel werk van moet maken. Dat ‘permis unique’ moet eindelijk eens worden uitgewerkt.

Collega’s, er is al heel wat gezegd. Heel wat gras is voor mijn voeten weggemaaid. Ik besluit met alle collega’s die er hun maandagen en vrijdagen voor hebben opgeofferd, en in het bijzonder ook de voorzitter van onze commissie, uitdrukkelijk te bedanken voor de geboden mogelijkheden. De aandacht voor de problematiek, de bereidwilligheid om te landen met een gezamenlijk, kamerbreed gedragen voorstel is een belangrijk signaal voor de Vlaamse Regering.

– De heer Jan Peumans, voorzitter, treedt opnieuw als voorzitter op.

Minister, in dit halfrond is iedereen het erover eens dat de aanbevelingen die we op papier hebben gezet de moeite waard zijn om opgevolgd en uitgevoerd te worden. Onze ogen zijn nu natuurlijk voornamelijk op de regering gericht. We hebben er in ons voorstel van resolutie in voorzien dat we een periodiek, jaarlijks evaluatieverslag vragen aan de Vlaamse Regering, dat we vragen na te gaan wat met al die mooie aanbevelingen is gebeurd. Ze zijn te belangrijk om dode letter te blijven. Ze zijn te belangrijk om ze in de kast te stoppen. Die periodieke evaluatie moet de commissie, maar ook de vakcommissies, die te maken krijgen met de concrete uitwerking van aanbevelingen, in staat stellen om de zaak op de voet op te volgen en ervoor zorgen dat al het werk dat de afgelopen weken en maanden werd gepresteerd ook iets oplevert. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Homans heeft het woord.

Collega’s, het heeft niet veel nut te herhalen wat de voorgaande sprekers, de voorzitter en de verslaggevers al hebben aangehaald. Ik ben het eens met de voorgaande sprekers dat alle collega’s, over de partijgrenzen heen en ongeacht de politieke kleur, een constructieve inbreng hebben gehad en degelijk werk hebben geleverd. Los van de activiteiten en capaciteiten van de voorzitter van deze commissie ad hoc wil ik er toch op wijzen dat de parlementsvoorzitter nog eens heeft bewezen dat hij de titel van beste parlementslid van de afgelopen legislatuur echt wel verdiend heeft. Dus, voorzitter, wens ik u proficiat.

Ik zal niet herhalen wat al is gezegd over de meeste van de 76 aanbevelingen. Ik heb er toch nog een aantal gevonden waarover de sprekers het nog niet hebben gehad. De heer Martens heeft gesproken over het belang van de verkenningsfase. Ik deel zijn mening. Ik ben echter ook van oordeel dat er tussen de drie fases een duidelijke aflijning moet worden gemaakt. Het moet heel duidelijk zijn wanneer de verkenningsfase, waarin alle maatschappelijke actoren worden gehoord en waarin alle opties en alternatieven aan bod zijn gekomen, is afgelopen, zodat ze in de volgende fases niet meer aan bod komen en dus niet meer kunnen leiden tot een vertragend effect.

Ik ben er ook van overtuigd dat er binnen de diensten van de Vlaamse administratie een inderdepartementale werkgroep moet worden opgericht. We zijn het er allemaal wel over eens dat binnen de Vlaamse administratie de coördinatie en samenwerking moet verbeteren. Ik ben er ook van overtuigd dat de Vlaamse administratie daaraan tegemoet kan komen, dat ze van goede wil is.

Over een laatste punt heeft nog niemand het gehad. We hebben die hand in eigen boezem gestoken. De federale collega’s aan de overkant van de straat zouden echter ook een deel van de verantwoordelijkheid op zich moeten nemen. Er valt ook heel wat te zeggen over de werking van de Raad van State. Er valt heel wat te zeggen over de onteigeningswetgeving, over de werking van het Comité van Aankoop. Het is goed dat wij hier remediëren binnen ons eigen bevoegdheidsdomein, dat we kijken naar de tekortkomingen en naar mogelijke oplossingen. We moeten echter ook de federale overheid op haar verantwoordelijkheid wijzen. Ik doe hier dan ook een oproep aan iedereen in dit parlement om hun collega’s aan de overkant van de straat een duidelijk signaal te geven om hun verantwoordelijkheid in deze zaak op te nemen. (Applaus)

De voorzitter

De heer Vereeck heeft het woord.

Lode Vereeck

Voorzitter, minister, collega’s artikel 69 van ons reglement voorziet erin dat elk van de fracties 30 minuten toelichting kan geven. Maar nu ondervoorzitter Decaluwe opnieuw is vervangen door onze voorzitter Peumans, zal ik mij natuurlijk zeer strikt aan de reglementaire spreektijd houden.

De verslaggevers, de voorzitter en de vorige sprekers hebben de totstandkoming en de inhoud al heel adequaat besproken. Ik ga niet verder in op de voornaamste elementen: het naar voren schuiven van de inspraak, de bestuurlijke lus, de kortere termijnen. Mijn fractie onderschrijft ten volle het voorstel van resolutie dat werd ingediend om het eindrapport van de Commissie Versnelling Belangrijke Investeringsprojecten te valoriseren. Wij zij ervan overtuigd dat, indien de regering ernstig werk maakt van deze resolutie, grote private en publieke investeringsprojecten, eindelijk binnen een redelijke termijn zullen kunnen worden gerealiseerd.

Op dit moment neemt de procedurele doorlooptijd van belangrijke investeringsprojecten in Vlaanderen gemiddeld een slordige 6 tot 9 jaar in beslag. Hiermee scoort Vlaanderen beduidend slechter dan de ons omringende landen waar de goedkeuring hoogstens 4 jaar in beslag neemt. Ik denk aan Duitsland, Frankrijk, Spanje en de Scandinavische landen.

Op basis van de vaststelling dat de doorlooptijd van belangrijke investeringsprojecten logischerwijze ook in Vlaanderen kan en moet worden gereduceerd tot minder dan de helft werden er, mede onder impuls van mijn fractie en die van Open Vld, in het stroomdiagram indicatieve termijnen ingeschreven. In een latere fase dient dit juridisch te worden geconcretiseerd door een decretaal kader te ontwikkelen dat ervoor zorgt dat de doorlooptijd van strategisch belangrijke investeringsprojecten tot maximaal 30 maanden wordt herleid. Op die manier kan de uitvoeringsfase van belangrijke investeringsprojecten een aanvang nemen binnen de 3 jaar na de opstart van een dergelijk project. Dat is een dwingende noodzaak, zeker in tijden van economische crisis. De huidige spreekwoordelijke processie van Echternach schrikt immers potentiële investeerders af en bedreigt daardoor onze tewerkstelling!

Om deze ambitie optimaal te kunnen realiseren, moet de meedenkende en dienende aanpak van de Vlaamse overheid worden verstrekt. Daartoe zijn in het rapport meer dan zeventig aanbevelingen opgenomen die er onder meer toe strekken dat de adviserende instanties of de goedkeurende overheid in een zo vroeg mogelijk stadium kleur bekennen. Daartoe dient er onder meer dringend werk te worden gemaakt van het in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening reeds voorziene uitvoeringsbesluit inzake de projectvergadering.

Ook de introductie van één enkel gewogen en geïntegreerd advies verstrekt door de bestuurlijke overheid, die in de plaats komt van verschillende, soms onderling tegenstrijdige adviezen van verschillende adviserende instanties, is voor mijn fractie primordiaal. De initiatiefnemer mag niet langer van het kastje naar de muur worden gestuurd.

Uiteraard vereist het realiseren van deze ambitie het doorvoeren van een drastische vereenvoudiging van de Vlaamse regelgeving, waartoe ik de regering en dit parlement oproep. In ieder geval is deze resolutie een eerste ambitieuze aanzet om Vlaanderen opnieuw op de kaart zetten als een aantrekkelijke investerings- en ondernemingsregio. De LDD-fractie zal dit voorstel van resolutie dan ook met overtuiging goedkeuren, met dien verstande dat we er nauwlettend zullen op toezien dat deze ambitie ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

Tot slot wens ik te herhalen wat ik in de commissie heb gezegd en wens ik namens de LDD-fractie in het bijzonder commissievoorzitter Sauwens te bedanken omdat onder zijn impuls, over de grenzen van meerderheid en oppositie heen, in alle sereniteit een degelijk en door alle politieke fracties gedragen eindrapport kon worden opgesteld.

Mijnheer Sauwens, tevens willen we u bedanken voor de soepele organisatie van de commissiewerkzaamheden, die erg belangrijk is voor een kleine fractie zoals de onze. Kortom, namens de hele commissie wil ik u feliciteren voor de voortreffelijke wijze waarop u deze commissie hebt geleid. Ik denk dat sommige voorzitters daar heel wat van kunnen leren. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Vogels heeft het woord.

Mieke Vogels

Voorzitter, volgens de Bijbel zullen de laatsten de eersten zijn. Er is al heel veel gezegd, dus zal ik het niet te lang maken. Ik sluit me aan bij diegenen die hebben gewezen op het goed functioneren van onze commissie. Dat heeft te maken met de voorzitter. Dat heeft ook te maken met de verslaggevers. Het heeft ook wel te maken – en ik denk dat dit hier nog niet is gezegd – met de steun van het commissiesecretariaat, dat mee heeft vergaderd op maandag en vrijdag. Voorzitter, als het lijvige verslag hier vandaag op de banken ligt, dan is dat eigenlijk wel een krachttoer. Vorige week hebben we immers enigszins in overdrive vergaderd, en vandaag ligt dat verslag hier. Namens de commissie zijn we het commissiesecretariaat en de ambtenaren daarvoor dank verschuldigd.

Ik sluit me ook aan bij de leden die hebben gezegd dat het een plezante commissie was. Dat is zo. Ik heb er echt van genoten, wat lang geleden was, omdat we echt iets hebben uitgespit en vooral omdat alle leden met een open geest aan die commissie zijn begonnen en die openheid tot het einde hebben behouden. Voorzitter, dat zou eigenlijk vaker moeten gebeuren in dit parlement. Het is een van de redenen waarom ik hier graag zit.

We zullen het voorstel van resolutie steunen, omdat het de bouwstenen bevat om de hele procedure voor maatschappelijk belangrijke investeringen zo te hervormen dat er meer garanties zijn voor een echte inbreng van verenigingen en burgers en dat tegelijk overtollige procedures en regels worden geschrapt. Ieder van ons heeft zo wel zijn redenen en zijn belangrijkste punten uit de commissievergadering. Ik ga in op enkele redenen die mij het meest charmeren.

Er is eerst en vooral het feit dat we onze werkzaamheden niet hebben beperkt tot de grote maatschappelijke infrastructuurprojecten, maar integendeel ook ons oor te luisteren hebben gelegd bij de lokale besturen. We hebben hen ook voor een deel betrokken. De voorliggende procedure is niet alleen een procedure voor infrastructuurprojecten, maar voor alle belangrijke maatschappelijke projecten, en dat zijn vaak ook lokale projecten.

Het voorstel van resolutie is niet alleen ook van toepassing op de projecten van de lokale besturen en beperkt zich niet tot de infrastructuurprojecten, het hecht ook belang aan andere maatschappelijke projecten. Ik denk dan aan duurzaam bouwen en wonen, de bouw van sociale ecowijken, aan lightrailverbindingen en de inplanting van windmolens. Het is een procedure die voor alle belangrijke projecten kan gelden.

We hebben uitdrukkelijk gekozen voor een besluitvorming in verschillende stappen. We starten met een ruime verkenningsfase. Over de startnota wordt actief gecommuniceerd. Er is ruimte voor inspraak. Er is ruimte voor dialoog. Vanaf het begin worden de maatschappelijke kosten en baten verrekend, niet alleen van het voorstel van de overheid, maar ook van eventuele alternatieve voorstellen. Het is hier ook al gezegd: als we die voorfase op een degelijke manier doen, is het mogelijk een aantal openbare procedures in elkaar te schuiven. Dat zal niet alleen versnellen, maar ook de transparantie vergroten, niet alleen voor de overheden, maar ook voor de burger.

Ik ben ook blij dat het voorstel zich distantieert van wat ik flinkse maatregelen noem, zoals men die in het buitenland neemt. Daarbij mogen besturen niet meer tegen elkaar in beroep gaan. Lokale besturen zouden bijvoorbeeld niet tegen de Vlaamse overheid in beroep mogen gaan. Ook zouden milieu-, landbouw- en andere maatschappelijke bewegingen als belanghebbenden uit bepaalde procedures worden geschrapt. De buitenlandse ervaring leert dat dit de procedure een kleiner draagvlak geeft en langer laat duren. Ik ben blij dat we ook daar doorheen hebben gezien. De hoorzittingen hebben ons daarbij geholpen.

We willen graag voort meewerken aan de uitvoering van dat voorstel van resolutie, maar die uitvoering ligt in ons aller handen. Het papier is natuurlijk verduldig, maar wat in die 76 maatregelen staat, is niet minder dan een totale cultuuromslag, die we ons allemaal eigen moeten maken.

Het begint al met het maken van keuzes bij het onderhandelen van bestuursakkoorden, of het nu op het lokale of het Vlaamse niveau is. Het gebeurt al te vaak dat er in het bestuursakkoord voor elk wat wils staat, dat er twaalf belangrijke projecten in staan terwijl er maar geld is voor drie. Sommige bestuurders gaan er dan vanaf de eerste dag alles aan doen om bepaalde zaken uit het bestuursakkoord, die ze zelf hebben goedgekeurd, niet te laten vooruitgaan. We moeten onszelf verplichten om keuzes te maken, ook als we bestuurs- of regeerakkoorden onderhandelen.

Er is tijdens de commissiebesprekingen veel gezegd over ambtenaren die 36 redenen vinden waarom iets niet zou kunnen en naargelang hun mentaliteit, zes redenen waarom iets wel zou kunnen. Wij geven die ambtenaren natuurlijk de instrumenten om die 36 redenen te vinden in de verschrikkelijk ingewikkelde decreten die we maken. Ook dat is een cultuuromslag. Ik heb er in de commissie naar verwezen. Als er een gek in een kinderdagverblijf in Dendermonde verschrikkelijke dingen doet, dan is er de maatschappelijke roep om nieuwe regeltjes om ervoor te zorgen dat er in elk kinderdagverblijf een camera komt, een achterdeur, een voordeur, een kliksysteem enzovoort. Dan is de maatschappelijke druk enorm groot om snel regels te gaan maken. Het is aan ons om op dat moment de rug te rechten en te zeggen dat we het niet doen.

Deze resolutie betekent eigenlijk dat we ons kwetsbaar en open moeten durven opstellen en dat we zeggen dat we in dit project geloven en voldoende redenen hebben om dat te verdedigen. We kunnen de confrontatie met de tegenstanders aan. We geloven in het project om verschillende redenen.

Voorzitter, collega’s, de uitvoering van dit voorstel van resolutie betekent dat we van een sfeer van wantrouwen en achterdocht gaan naar een sfeer van vertrouwen en samen opbouwen. Dat is niet makkelijk. (Applaus)

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Collega’s, ik heb met zeer veel aandacht geluisterd naar alle uiteenzettingen van alle fracties. Namens de hele Vlaamse Regering wil ik mijn oprechte appreciatie uitdrukken voor het werk dat is geleverd. Het is een werkstuk dat op zeer korte tijd tot stand is gekomen. Ik heb net het verslag van de debatten die aan het voorstel van resolutie vooraf zijn gegaan, even gelezen.

Als het Vlaams Parlement straks – wat ik veronderstel – het voorstel van resolutie goedkeurt, dan zal de Vlaamse Regering zeer snel werk proberen te maken van de uitvoering van de voorstellen. De minister-president heeft vorige week al aangekondigd dat wij vrijdag een plan van aanpak goedkeuren. We zullen proberen om een oplijsting te maken van zaken die snel winst opleveren en van zaken die intern kunnen worden gerealiseerd. Een aantal zaken zal uiteraard tijd en grensoverschrijdend overleg vragen. Vrijdag zullen we dat bekijken en hopelijk zal het een vruchtbaar – niet alleen decreetgevend, maar ook intern administratief – resultaat opleveren.

Ik dank iedereen die hieraan heeft deelgenomen. Het is nu aan de Vlaamse Regering om werk te maken van het voorstel van resolutie, samen met het verslag van de commissie-Berx dat vorige vrijdag is voorgesteld. Tot mijn vreugde merk ik dat er zeer veel synergieën zijn en bijna geen of zeer weinig tegenspraken. Ik dank ook de voorzitter van de commissie. (Applaus)

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het voorstel van resolutie houden.

van Wilfried Vandaele aan minister Philippe Muyters, beantwoord door minister Freya Van den Bossche
189 (2009-2010)
Vaste Nationale Cultuurpactcommissie

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.