U bent hier

De voorzitter

Bespreking

Dames en heren, aan de orde is de beleidsnota Buitenlands Beleid, Internationaal Ondernemen en Ontwikkelingssamenwerking 2009-2014.

Volgens artikel 73, punt 5, eerste lid van het reglement wordt de bespreking gehouden op basis van de met redenen omklede moties en moties van wantrouwen die tot besluit van de in commissie besproken beleidsnota zijn ingediend.

De bespreking is geopend.

De heer Van Overmeire heeft het woord.

Karim Van Overmeire

Voorzitter, ik zie dat de regering vertegenwoordigd is, maar niet door de minister-president, die het buitenlands beleid normaal gezien toch onder zijn hoede heeft. Laat dat nu net mijn eerste opmerking zijn, collega’s.

Het Vlaamse buitenlands beleid heeft een zekere geschiedenis achter de rug, van founding father Luc Van den Brande, over een periode onder paars met vier verschillende buitenlandministers in evenveel jaren, tot minister Bourgeois. Nu stellen we vast dat de buitenlandbevoegdheden weer in één hand geconcentreerd zijn, namelijk in die van de minister-president.

Die concentratie is in onze ogen ongetwijfeld een voordeel, maar of die bij de minister-president moet zitten, daar zijn natuurlijk argumenten voor en tegen. Een argument voor is dat het buitenlandbeleid zo toch iets meer politiek gewicht heeft. Er is ook een argument tegen, en de situatie vandaag illustreert dat treffend: iedereen kan zich voorstellen dat in de drukke agenda van een minister-president, het buitenlandbeleid niet altijd de hoogste prioriteit krijgt.

Collega’s, het Vlaams Belang heeft het Vlaams buitenlandbeleid altijd gesteund, in die mate dat het een instrument was om de Vlaamse politieke en economische belangen in het buitenland te verdedigen en dat het een instrument was om Vlaanderen internationaal op de kaart te zetten en meer zichtbaarheid te geven. Ons uitgangspunt ter zake blijft onveranderd.

Er is in dat Vlaams buitenlandbeleid in de voorbije jaren één grote constante: het spanningsveld met wat ik “de overkant” noem, met het federale niveau. We mogen ter zake niet naïef zijn, want we hebben een relatief jong en klein Vlaams buitenlands beleid, en de diensten die het moeten ondersteunen, staan in concurrentie met een professionele en goed geoliede machine aan de overkant die het buitenlands beleid nog steeds beschouwt als een exclusief federale bevoegdheid. Men is daar trouwens vrij open en duidelijk over. Wie ingaat op de sirenenzang van het zogenaamde samenwerkingsfederalisme, zal spoedig merken dat hij of zij in een dodelijke omhelzing, ‘a kiss of death’, gekneld zal geraken.

Ik voorspel u, maar ik hoef eigenlijk niets te voorspellen, want de Vlaamse Regering is zelf al tot die vaststelling gekomen, dat we alle zeilen zullen moeten bijzetten om ook maar te behouden wat Vlaanderen op dit moment reeds heeft. Assertief optreden zal noodzakelijk zijn om het bestaande te consolideren. Ik lees in ‘De Standaard’ van vandaag dat er overleg is geweest met premier Leterme over de invulling van het zogenaamde samenwerkingsfederalisme, we hebben zonet de discussie daarover gehad. ‘Recuperatiefederalisme’ zou een vlag zijn die de lading beter dekt. In de tekst van de Vlaamse Regering staat: “Vlaanderen wil geen loopjongen zijn van het EU-beleid van België en het overleg tussen federatie en deelstaten daarover, moet meer zijn dan een nota van het federale niveau waarin aan de deelstaten meegedeeld wordt wat ze moeten doen.” Dit is een tekst van de Vlaamse Regering, niet van het Vlaams Belang.

De coördinerende maar in de praktijk sturende en leidende rol die de federale overheid zichzelf toe-eigent – zelfs inzake exclusieve gewestmateries zoals exportpromotie – is duidelijk. Het zogenaamde Agentschap voor Buitenlandse Handel – ook wel eens smalend het reisbureau van prins Filip genoemd, en ik wou dat het slechts een reisbureau was – dat formeel gezien geen federale instelling is, heeft zich in de praktijk ontwikkeld tot een instrument in handen van de federale recuperatiestrategie.

In het verleden hebben we altijd onze steun verleend aan dat Vlaamse buitenlandse beleid, maar voor ons mag het dan toch langzamerhand iets ambitieuzer zijn. Ook inzake het Vlaamse buitenlandse beleid, collega’s, en dan vooral collega’s van de N-VA, dient zich de mogelijkheid aan om die Vlaamse bevoegdheden maximaal in te vullen. Dat het anders kan, bewijst men aan de andere kant van de Noordzee. De Schotten zeggen dat het fijn is dat er een Comité van regio’s en lokale besturen bestaat. Ze sturen er burgemeesters en andere lokale vertegenwoordigers naartoe, maar ze zeggen ook dat Schotland geen lokale regio of een lokaal bestuur is, maar een aparte natie op weg om een lidstaat van de EU te worden. En dus, zo stellen ze, is hun plaats niet in dat gremium, maar tussen de andere landen.

Het is dus heel goed dat Vlaanderen aanwezig is in de hoofdsteden van de belangrijkste Europese landen, zoals Berlijn, Parijs, Londen en Madrid. Daar brandt de lamp. Maar laat de regio’s en lokale besturen toch eens voor wat ze zijn, en maak van het buitenlandse beleid gebruik om Vlaanderen op te tillen tot op het niveau waar het thuishoort. In Europa zijn er tal van partners op maat van Vlaanderen: Nederland, de Scandinavische landen en de Baltische staten. In de beleidsnota vind ik daar weinig of niets over terug. Zelfs Nederland, toch een bevoorrechte partner, moet het doen met één zinnetje, op bladzijde 26.

Ik vind in de beleidsnota niet of onvoldoende terug op welke manier Vlaanderen in de toekomst wil omgaan met de doelbewuste pogingen van Franstaligen om in de Raad van Europa en andere internationale instellingen Vlaanderen onderuit te halen en onder druk te zetten.

Mijn spreektijd is om, ik kan een aantal andere interessante onderwerpen niet exhaustief behandelen. Toch nog iets over ontwikkelingssamenwerking. We concentreren ons op zuidelijk Afrika. Dat is prima, maar hou het aantal landen zo beperkt mogelijk. En als u er dan toch eentje bijwil, bekijk dan eens de suggestie van de heer Verougstraete of we niets in Namibië kunnen ondernemen.

Een nieuw element dat we opnieuw in het debat proberen te brengen, is het demografische probleem. Ontwikkelingssamenwerking kunnen we niet los zien van de demografische evolutie. Afrika telde in het dekolonisatiejaar 1960 250 miljoen inwoners; vandaag zijn het er meer dan 1 miljard. Op vijftig jaar tijd is de bevolking er verviervoudigd. Als een bevolking zo exponentieel groeit, dan is het toch ondenkbaar dat men snel genoeg huizen, scholen en ziekenhuizen en andere infrastructuur kan bouwen om iedereen een menswaardige toekomst te geven? Ga dus alsjeblief na hoe men de gezinsplanning in de ontwikkelingsproblematiek kan integreren.

Ik besluit. Het Vlaamse buitenlandse beleid blijft onze steun behouden als het erom gaat de federale recuperatie te bestrijden, de Vlaamse belangen te verdedigen en de Vlaamse ondernemingen op de buitenlandse markten te ondersteunen. Maar de retoriek over de maximale invulling van de eigen bevoegdheden blijft inzake het buitenlandse beleid retoriek. Op dat vlak mag de regering heus wel een stuk ambitieuzer zijn.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel

Voorzitter, ministers, collega’s, wie niet sterk is, moet slim zijn. Vlaanderen is een zeer kleine donor inzake ontwikkelingssamenwerking. We moeten niet trachten om boven onze gewichtsklasse te boksen.

In zijn beleidsnota is de minister-president zo eerlijk geweest om het voornaamste probleem van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking te benoemen, namelijk dat ze een beperkte implementatiecapaciteit heeft. Ook zegt hij dat de personeelscapaciteit te beperkt is om de gediversifieerde programmaportefeuilles te beheren. Met andere woorden: de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking probeert eigenlijk meer te doen dan ze aankan. Dat is een rake analyse. Alleen moet men er wel de juiste, moedige conclusies uit trekken.

Ten eerste moet men de versnippering nog veel meer tegengaan: knippen in het aantal sectoren, samenwerken met een kleiner aantal partners, en een kleiner aantal initiatieven steunen. Niet toevallig is de strijd tegen de versnippering een van de belangrijkste doelstellingen van de internationale gemeenschap op het vlak van ontwikkelingssamenwerking.

Ten tweede vinden wij dat er nog veel meer moet worden samengewerkt met de federale ontwikkelingssamenwerking en dat Vlaanderen zich vooral moet inschrijven in een multilaterale aanpak. De strijd tegen de versnippering en het zoeken naar synergieën is ook voor de partnerlanden zelf heel belangrijk. Er zijn ontwikkelingslanden die duizenden evaluatiemissies per jaar moeten verwelkomen en begeleiden, allemaal omdat elke donor op zijn eiland blijft werken.

Collega’s, de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking moet zich nog meer richten op het versterken van het economische weefsel, het stimuleren van ondernemerschap en het bevorderen van handel in en met ontwikkelingslanden. In de beleidsnota wordt dat inderdaad als een van de prioriteiten vermeld, maar dan moeten er wel meer middelen naartoe gaan. Dat is nu niet het geval. Nochtans is de economische zelfredzaamheid van het partnerland een van de belangrijkste voorwaarden voor een duurzame bestrijding van armoede. De Vlaamse Regering voegt de daad helaas niet bij het woord.

Ten slotte wil ik het nog even hebben over de noodhulp. Na de catastrofe in Haïti hebben we allemaal kunnen zien hoe indrukwekkend snel de hulp op gang kwam, ook uit Vlaanderen. We weten allemaal weer hoe belangrijk die noodhulp is. Open Vld vindt dat er dus snel een regelgevend kader moet komen in Vlaanderen. Het is spijtig dat dat er nog steeds niet is. De operaties gebeuren ad hoc en worden niet systematisch geëvalueerd om ze nog doeltreffender te maken. Daar moet spoedig iets aan worden gedaan. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

Mevrouw Moerman heeft het woord.

Fientje Moerman

In tijden van crisis en budgettaire schaarste moet worden bespaard, maar tegelijkertijd gaat de globalisering verder en komt de wereld dichterbij. Op het domein Internationaal Vlaanderen is het dus geen optie om het ambitieniveau naar beneden te halen. Integendeel zelfs. Om naar dezelfde doelstellingen te streven met minder middelen moet men de efficiëntie verhogen, zoeken naar synergieën en de versnippering tegengaan.

De beleidsnota van de minister-president geeft een aantal goede aanzetten daartoe, maar is niet moedig genoeg. Als je vaststelt dat je bij multilaterale organisaties in Genève geen kleine donor meer bent, maar ze je wel zo blijven behandelen, dan moet de samenwerking meer worden geconcentreerd. Alleen zo kan Vlaanderen een echte impact hebben op de beleidskeuzes die die organisaties maken.

Een moedige oefening zou het ook zijn om de Vlaamse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland tegen het licht te houden, zoals trouwens beloofd was toen de malversaties en het gebrekkige personeelsbeleid bij het Flanders House in New York aan het licht kwamen. Welke posten hebben een meerwaarde en welke minder? Wordt er voldoende samengewerkt met de andere entiteiten in dit land? En omgekeerd: willen de andere entiteiten in het land wel voldoende samenwerken met ons? Het is tijd om dat na te gaan, zonder taboes.

In de tweede helft van dit jaar is België voorzitter van de Europese Unie. Vlaanderen zal een aantal belangrijke ministerraden voorzitten, niet het minst die van Milieu – tijd dus om ons zorgen te maken over onze Europese geloofwaardigheid. De achterstand die we hebben op het vlak van de omzetting van Europese richtlijnen, ook op het vlak van milieu, is geen reclame voor het Belgische c.q. Vlaamse voorzitterschap. Ook onze achterstand met betrekking tot de omzetting van de Dienstenrichtlijn – er is weliswaar nog tijd tot 10 februari, maar het zal zo zijn – is geen reclame. Of wat te denken van de besparingen op andere gebieden, zoals onderzoek en ontwikkeling (O&O), die lijnrecht ingaan tegen de doelstellingen van Lissabon?

Een ander slachtoffer van de besparingen van de kaasschaaf is Flanders Investment & Trade. De rol van F.I.T. in het bevorderen van het internationaal zakendoen, zeker door kmo’s die de ruggengraat van ons economisch weefsel vormen, en het aantrekken van buitenlandse investeringen is nochtans cruciaal. Het is kortzichtig om uitgerekend bij F.I.T. op personeel en expertise te besparen, precies wanneer het internationaal ondernemerschap in Vlaanderen achterblijft op dat in de buurlanden.

Ten slotte zou de Vlaamse Regering de Task Force Buitenlandse Investeringen nieuw leven moeten inblazen. Deze taskforce die is opgericht tijdens een vorige legislatuur, is een uniek instrument om allerlei belemmeringen weg te werken waar buitenlandse investeerders in Vlaanderen mee te maken krijgen. Het moet dan wel een permanent orgaan zijn dat proactief werkt en nauw samenwerkt tussen de Vlaamse departementen en met andere beleidsniveaus. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

Mevrouw Poleyn heeft het woord.

Sabine Poleyn

Minister, collega’s, de beleidsnota Buitenlands Beleid is voor CD&V een evenwichtig document. Wij hebben het goed gelezen. Enerzijds worden er heel wat sterke principes naar voren geschoven, gedurfd en ambitieus. Anderzijds is het een heel pragmatische nota. Daarbij is de vraag hoe we wat vandaag al gebeurt, nog beter en efficiënter kunnen doen.

Op het vlak van het algemeen buitenlands beleid is CD&V heel tevreden met de vernieuwde aandacht voor de mensenrechten. Dat hadden we de voorbije jaren niet uitgewerkt. We zijn ook blij dat er ambitieus aan actieve diplomatie zal worden gewerkt met nieuwe vormen van internationale uitstraling. Ik denk dan aan de publieksdiplomatie. We zijn ook heel tevreden dat de opportuniteit van het Belgische EU-voorzitterschap vanaf de tweede helft van dit jaar, aangewend zal worden om te wegen op leefmilieu, onderwijs, jeugd, landbouw, visserij en om de Vlamingen tegelijkertijd te betrekken bij de Europese Unie.

Op het vlak van het algemene buitenlandse beleid juichen we de pragmatische aanpak toe. Laten we een actievere rol spelen in de internationale instellingen waar we al lid van zijn. We kunnen meer wegen. Laten we onze Vlaamse standpunten intern, tussen de verschillende departementen van de verschillende ministers, beter coördineren om tot een gedragen, coherent standpunt te komen. Laten we daarnaast ook tot een beter overleg komen binnen België.

Ten slotte willen we ook inzetten op onze expertise: de havens, het cultuurbeleid, het onderwijs, onze Vlamingen verspreid over het buitenland. We moeten trachten te werken aan eenzelfde buitenlands beleid.

De CD&V-fractie heeft specifieke aandacht voor het internationaal ondernemen. Meer investeringen uit het buitenland aantrekken en onze Vlaamse kmo’s volop steunen in hun export, dat is de bijdrage van dit beleidsdomein aan de relance van onze economie. We ondersteunen dat F.I.T. zich meer zal richten tot de kmo’s en meer maatwerk zal aanbieden. Daarom vragen we ook dat het beleid inzake internationaal ondernemen en het innovatiebeleid dat in Vlaanderen wordt ontwikkeld, beter op elkaar worden afgestemd. We steunen ook hier de minister-president in zijn uitdagende principes om een evenwicht te vinden tussen enerzijds de Vlaamse economische belangen en anderzijds op wereldschaal eerlijke wereldhandel, met respect voor arbeids- en milieunormen. Tegelijkertijd respecteren we de ambitie om te ijveren voor een verantwoord vergunningenbeleid.

Wat de plannen voor het beleid Ontwikkelingssamenwerking betreft, zien we heel graag dat de minister-president meer wil werken aan efficiëntie en coherentie. Hij zal zijn collega-ministers aansturen om hun budget Ontwikkelingssamenwerking af te stellen op het beleid Ontwikkelingssamenwerking en op het kaderdecreet dat wij hier in 2007 hebben goedgekeurd.

In tegenstelling tot wat mevrouw Brusseel zegt, zijn er voor het eerst stappen gezet om een beleid te ontwikkelen tot noodhulp. We zijn nog maar een paar maanden ver. Ik ben ervan overtuigd dat we heel snel een beleidskader zullen krijgen. Er wordt ook al een visie ontwikkeld.

We zijn blij dat er een evenwicht wordt gezocht tussen enerzijds de klimaatdoelstellingen die we willen bereiken en de bijdrage die we op wereldschaal willen leveren om te verhelpen aan de klimaatproblematiek, en anderzijds de ontwikkelingsdoelstellingen die we ons al langer hadden gesteld en die we niet willen weggooien.

Als we de draagvlakverbreding die is aangekondigd, kunnen herbekijken, dan kan dat best gebeuren in het kader van de interne staatshervorming en het samenwerkingsfederalisme, in discussie met het parlement.

Kortom, Vlaanderen zal de komende jaren op deze banken iets vaker over het buitenland spreken. Ik lees er een heel ambitieus buitenlands beleid in, visionair, efficiënt en pragmatisch.

Ik had de minister-president voor zijn reizen in het buitenland graag een verrekijker toegewenst om ver en op lange termijn te kunnen kijken, een stevig paar schoenen om stappen vooruit te kunnen zetten, pragmatisch en met de voeten op de grond, en natuurlijk ook – en ik ga daarmee in op de kritiek van mevrouw Moerman – een innovatieve portefeuille om met weinig geld veel te kunnen realiseren.

CD&V zal dit steunen en heeft er alle vertrouwen in. Wij zullen dit natuurlijk vanuit het parlement met een gezonde kritische zin verder opvolgen. (Applaus bij CD&V)

De voorzitter

De heer Roegiers heeft het woord.

Jan Roegiers

Voorzitter, collega’s, wij vinden in algemene zin de beleidsnota van de minister-president correct en goed onderbouwd. Maar wij vonden ook – en wij hebben dat in de commissie gezegd – dat zij weinig daadkracht uitstraalde en dat er weinig concrete doelstellingen in stonden. Wel vonden wij dat de operationele doelstellingen goed gedefinieerd waren en dat de nota het volledige Vlaamse buitenlandse beleid ten aanzien van het internationale ondernemen en de ontwikkelingssamenwerking omvat.

Samengevat: wij vinden de nota een goed kader. Zij is een verdere verfijning van het regeerakkoord en moet nog verder worden verfijnd door middel van de jaarlijkse beleidsbrieven en uiteraard de beleidsdaden van de minister-president. Wij willen daarin ten volle worden betrokken en wij zullen ons dan ook opstellen als een loyale maar kritische partner ten aanzien van het beleid.

Toch willen wij vanuit onze fractie graag inzoomen op drie punten die voor ons belangrijk zijn.

Wij hebben gisteren tijdens een goede discussie in de commissie vastgesteld dat de wapenhandel een markt is die evolutief is en waarin wapenfabrikanten zoeken naar mogelijkheden om zo veel mogelijk de wet te omzeilen. Wij waren het er in de commissie allemaal over eens dat wij zouden vragen om de wapenhandel blijvend nauwgezet op te volgen en alertheid te bewaren waar het nodig is. Wij steunen de ambitie om een decreet op te stellen voor de in-, uit- en doorvoer van wapens, dat oprecht rekening houdt met ethische aspecten, zoals het respect voor de mensenrechten en conflictbeheersing.

Ook de aandacht voor de universele mensenrechten vinden wij in de motie van de meerderheid belangrijk. Wij blijven het belangrijk vinden dat Vlaanderen en de Vlaamse Regering hieraan aandacht blijven besteden. Het initiatief van de minister-president vorige week, waarbij hij niet had gewacht op het debat in de commissie om de ambassadeur van Malawi formeel aan te schrijven naar aanleiding van schendingen van mensenrechten, hebben wij in elk geval naar waarde weten te schatten en wij hopen dat dit de ingeslagen weg is die de minister-president namens Vlaanderen wil bewandelen.

Ten slotte herinneren wij de minister-president er uitdrukkelijk aan dat het Vlaamse regeerakkoord een inspanningsverbintenis bevat om een bijzonder belang te hechten aan de zo breed mogelijke toepassing van de fundamentele arbeids- en milieunormen in de wereld. We vernoemen dit hier nog eens uitdrukkelijk omdat deze beleidsnota de ambitie heeft om bilaterale investeringsakkoorden af te sluiten met – en ze zijn met name genoemd – Turkije, Rusland, Indonesië en Singapore. Wij steunen die ambitie. Laat dit toevallig vier landen zijn die toch wel regelmatig mogen worden herinnerd aan de milieu- en arbeidsvoorwaarden. Wij willen dit hier uitdrukkelijk aanbrengen.

Samengevat, voorzitter, collega’s: wij steunen deze beleidsnota en wij steunen uiteraard de motie die door de meerderheid is ingediend.

De voorzitter

De heer Hendrickx heeft het woord.

Marc Hendrickx

Voorzitter, minister, collega’s, uit de beleidsnota van de meerderheid spreekt wel degelijk ambitie. Net als tijdens de vorige legislatuur is het de N-VA meer dan ooit menens met Vlaanderen in de wereld. Met onze coalitiepartners delen wij de overtuiging dat een sterk buitenlands beleid mede de sleutel is voor een spoedig economisch herstel. Deze regering zet in op het promoten van Vlaanderen als een dynamische regio met een gezond investeringsklimaat. Dat kan alleen met een buitenlands beleid dat die dynamiek overal uitdraagt.

De ambitieuze doelstellingen die worden geformuleerd, zullen onze buitenlandse partners ervan overtuigen dat ook deze Vlaamse Regering er een is met ambitie en durf. Voorbeelden zijn het verdubbelen van de Vlaamse exporterende kmo’s, het systematisch inzetten op snelgroeiende economieën en meer dan speciale aandacht voor de dienstenmarkt.

Ook op het vlak van ontwikkelingssamenwerking wordt er, zoals mevrouw Poleyn heeft gezegd, vooruitgang geboekt. Met microfinanciering wordt het ondernemerschap aangemoedigd. Waar Vlaanderen sterk in staat, zal het de komende jaren ook bij haar partnerlanden sterk op wegen. Toch zal Vlaanderen zich een kritische internationale partner tonen. Uit onze motie blijkt duidelijk dat er voor onderdrukking, discriminatie en vervolging geen plaats mag zijn in een land dat op Vlaamse steun rekent. De heer Roegiers heeft daar ook al op gewezen. Wij respecteren de culturele eigenheid van onze partnerlanden en hoeden ons voor een hautain eurocentrisme, maar dat staat niet gelijk aan absolute permissiviteit en desinteresse voor het lot van alle inwoners van de partnerlanden.

Collega’s, er ligt nog een andere motie voor, met een inhoud die niet de onze kan zijn. Ik lees onder meer een sneer naar het ‘verkrampt imago’ vanwege de omgang met het meertalige onderwijs. We horen hier een echo van de ongelukkige uitspraken van sommigen in juni vorig jaar. Toen werd al georakeld dat het de schuld van de N-VA was dat Vlaanderen als ‘ongastvrije regio’ werd gemeden door buitenlandse investeerders. De kiezer heeft nochtans duidelijk gemaakt wat hij dacht van zulke hersenkronkels: de N-VA heeft het vertrouwen gekregen van tienduizenden grote en kleine Vlaamse ondernemers, die in tegenstelling tot sommigen wel in staat waren een assertief Vlaanderen te onderscheiden van een verkrampt Vlaanderen.

Collega’s, ik vraag u dan ook u samen met ons in te zetten voor een ambitieus en sterk buitenlands beleid. Onze motie, die heel wat van uw bezorgdheden deelt, mag daar hopelijk een aanzet voor zijn. Eens het financieel terug beter en ruimer kan, kunnen nog bijkomende prioriteiten worden gelegd, kan nóg assertiever worden opgetreden en zonder twijfel zullen er dan nog suggesties komen.

Laat het duidelijk zijn, de N-VA spreekt zich uit voor deze nota, maar zal er waakzaam op blijven toezien dat een en ander geen dode letter blijft. (Applaus bij CD&V en bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Vereeck heeft het woord.

Lode Vereeck

Voorzitter, minister, collega’s, in vijf minuten deze beleidsnota bespreken, dat is natuurlijk niet eenvoudig. Voor ons ligt de focus heel duidelijk bij het internationaal economisch beleid, wat toch wel het zwaartepunt is van het Vlaams buitenlands beleid. Voor een kleine, open economie als Vlaanderen is handel en internationalisering van groot, cruciaal belang.

Het gaat over twee zaken: over wat er buitengaat enerzijds en over wat er in dit land binnenkomt anderzijds. Wat er buitengaat, dat is de export. We moeten ons afvragen in welke mate we nog succesvol zijn op de buitenlandse exportmarkten en, vooral, in welke mate Vlaanderen kan profiteren van die nieuwe exportmarkten. Wat er binnenkomt, zijn de buitenlandse directe investeringen. De vraag is in welke mate Vlaanderen nog aantrekkelijk is voor de buitenlandse investeerder.

Op beide vlakken staat Vlaanderen voor immense uitdagingen. Ik vind de analyse in de beleidsnota zeer degelijk. De minister-president geeft in zijn beleidsnota heel goed aan wat de problemen zijn. Bij de export verliezen we jaar na jaar marktaandeel. We zijn nauwelijks aanwezig op de BRIC-markten (Brazilië, Rusland, Indië en China). We hebben een export die nauwelijks hoogtechnologisch te noemen valt. Er zijn nog heel wat barrières. De nota toont aan hoe moeilijk Vlaanderen het heeft om door te breken. Uiteindelijk gaat het maar om 1 percent van onze bedrijven.

Ook voor wat de binnenkomende investeringen betreft, vind ik die beleidsnota zeer accuraat. Ook daar zien we hoe we jaar na jaar terrein verliezen. Het aantal buitenlandse investeringen is tussen 2007 en 2008 gedaald met 19 percent. Ook andere studies, die niet in de beleidsnota worden vermeld, zoals die van Ernst&Young, tonen dat aan.

Wat ik bijzonder apprecieer, is dat ook de minister-president bij de bespreking van de beleidsnota toegeeft dat we dat echt niet alleen kunnen wijten aan de economische crisis. Er zit structureel iets fout.

Als ik dat in termen van een RIA of een IA zou doen, zou ik zeggen dat het een goede eerste stap is, de aanleiding of het probleem is goed omschreven. De volgende stappen zijn de doelstellingen en de opties. Wat gaan we er precies aan doen?

Wat de doelstellingen betreft, ben ik het voor het grootste deel eens met de beleidsnota. Het zijn heel ambitieuze doelstellingen. Tegen 2020 moet de uitvoer naar de snelgroeiende markten 10 percent bedragen. Het aantal exporterende kmo’s moet verdubbelen. Zo kunnen we nog een tijdje doorgaan. Het zijn allemaal lovenswaardige initiatieven, maar in de concrete uitvoering – en dat is de derde stap van de impactanalyse –, blijven we wat op onze honger zitten. Hoe wordt dit concreet allemaal gerealiseerd? Welke concrete acties worden er ondernomen? Welke strategie zal er gevolgd worden? Daarbij ligt de nadruk natuurlijk op het F.I.T. Ik hoor daar goede dingen over en ik hoor daar minder goede dingen over.

Als Vlaamse ondernemers soms naar het buitenland willen exporteren, werkt het F.I.T. eigenlijk meer als een makelaarskantoor dat hen vaak in contact brengt met consultants en omgekeerd. Er zijn ook goede verhalen te vertellen. In het buitenland hoor ik dat, als men contact opneemt met sommige F.I.T.-agentschappen, die op hun beurt alleen maar contact opnemen met een Vlaming of Belg die ze daar toevallig kennen. Er zitten wel heel grote verschillen op. Ik ken ook goede voorbeelden. Ik zal ze hier niet noemen, want ik wil iedereen op dezelfde manier behandelen. We zijn toe aan een ernstige evaluatie van het F.I.T., de rol ervan, en meer bepaald de strategie en de aanpak ervan. Daar zit heel wat verschil op. Dat zou ik graag willen meegeven.

Ik ben het eens met de woorden van de regering dat dit een cruciale sector is. Maar net als bij de sectoren wetenschap en innovatie wordt er bespaard. Het F.I.T. krijgt 37 miljoen euro, maar gaat er volgend jaar met 1,8 miljoen euro op achteruit. Dan krijg ik een déjà-vugevoel. Op het wetenschaps- en innovatiebeleid wordt immers ook zeer fors bespaard.

Inzake buitenlands beleid staat Vlaanderen voor enorme uitdagingen. De algemene lijnen van de beleidsnota geven dat goed aan op het vlak van de problematiek en de doelstellingen, maar zijn zeer weinig concreet voor de wijze waarop we dat nu gaan aanpakken. Bovendien wordt de aanpak binnen het F.I.T. niet echt fundamenteel doorgelicht, wat gezien de povere resultaten van ons exportbeleid toch wel dringend moet gebeuren.

De voorzitter

De heer Van Der Taelen heeft het woord.

Luckas Van Der Taelen

Voorzitter, collega’s, het is een vreemde ervaring om een tweede keer een bespreking te voeren over dezelfde beleidsnota. We hebben er in de commissie al uitgebreid over gepalaverd, en we hebben ook antwoorden gekregen van de minister-president. Ik zal u toch vergasten op enkele opmerkingen.

Ik weet dat er een belasting zou moeten komen op het gebruik van het woord uitdaging, maar ik zal het woord toch maar gebruiken. De grootste uitdaging van het gewest bestaat erin na te denken over welke diplomatie een gewest kan voeren in een federale staat. In de beleidsverklaring staat deze wondermooie zin, namelijk dat er gezocht wordt naar “een gestroomlijnde samenwerking met andere entiteiten in het land.” Bij de woorden ‘andere entiteiten’ stel ik me iets ectoplasmisch voor. Maar ik veronderstel dat het hier gaat om de federale diplomatieke dienst.

In dat verband vind ik dat Vlaanderen zich moet laten inspireren door een van de grootste Chinese politieke filosofen die ooit eens over zijn kat zei: het kan me niet schelen wat de kleur is van haar pels, als ze maar muizen vangt. Deng Xiaoping heeft op die manier de basis gelegd van een politiek die een van de meest opportunistische ooit is. Het gevolg daarvan is nu elke dag zichtbaar in China. We moeten ons inspireren op een zekere opportunistische politiek en gebruikmaken van de mogelijkheden die de federale diplomatie ons biedt zonder in de valkuil te tuimelen dat Vlaanderen daardoor niet aan bod zou komen. Laat ons op dat vlak van een zekere onbescheidenheid uitgaan. Tenslotte is de eerste minister een Vlaming en de minister van Buitenlandse Zaken bij mijn weten ook. Bovendien behoren zij tot dezelfde partij, die ook de partij is van de minister-president.

Ik pleit voor een zeker opportunisme en niet voor een ideologische opstelling waarbij men te allen prijze een eigen diplomatie wil uitbouwen. Dat kost heel veel geld. Het is niet altijd even efficiënt, zoals u weet. Het debacle van het Vlaams Huis in New York is daar een pijnlijk voorbeeld van.

In dat verband zou ik een kleine oproep willen doen aan de regering om een beetje meer gebruik te maken van de aanbevelingen van de Strategische Adviesraad internationaal Vlaanderen (SARiV). Wij hebben die mensen op bezoek gehad in de commissie. Ze hebben ons daar in diplomatieke taal, zoals dat bij hen hoort, meegedeeld dat ze zich een beetje gefrustreerd voelen omdat van hun uitstekende adviezen nauwelijks gebruik wordt gemaakt. De SARiV komt ook niet voor in het organigram van het beleidsdocument, wat ik een beetje bevreemdend vind.

Ik wil nog een drietal korte punten aansnijden. Een oud zeer is de Europese regelgeving die in ons gewest zeer traag wordt toegepast. De vraag kan worden gesteld hoe het toch komt dat in een van de landen die algemeen bekend staat als Europavriendelijk, het zo lang duurt voor die Europese regelgeving ook wordt toegepast. Dat geldt ook voor Vlaanderen. Ik vind dat we daar eens over moeten nadenken.

Een tweede punt is al aan de orde geweest: wat gaat Vlaanderen doen om in te gaan tegen het misbruik dat bepaalde malafide figuren maken van de Raad van Europa om ons imago te besmeuren? Wij kunnen daar weinig aan doen. Het is al moeilijk genoeg om ons eigen land aan onze eigen burgers uit te leggen. U weet dat in het buitenland van Vlaanderen soms een heel verkeerd beeld wordt opgehangen. Nu moeten wij vooral weten hoe we daar tegenin zullen gaan en hoe we zullen omgaan met ons imago in het buitenland.

Ten slotte wil ik een oproep doen om zeer proactief te zijn op het vlak van internationale handelsakkoorden als het gaat over culturele producten, meer bepaald over film. In dat verband heerst er al jaren een controverse met de Verenigde Staten die ervan uitgaan dat culturele producten, producten zijn zoals alle andere en die echt in vraag stellen dat bijvoorbeeld films worden gesubsidieerd door de overheid, wat in Amerika niet gebeurt. Amerika hanteert al jaren het argument dat op die manier een concurrentievervalsing ontstaat. We moeten daar erg mee oppassen. Dat geldt niet alleen voor film, het kan ook ingebracht worden op het vlak van de steun aan een openbare omroep bijvoorbeeld. Ik dring er bij de minister-president op aan om op dat vlak, zoals op alle andere vlakken, een proactieve houding aan te nemen.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De bespreking is gesloten.

Wij zullen straks de hoofdelijke stemmingen over de met redenen omklede moties houden.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.