U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 22 april 2009, 14.05u

van Jef Tavernier aan minister Frank Vandenbroucke
261 (2008-2009)
De voorzitter

De heer Tavernier heeft het woord.

Jef Tavernier

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, een aantal weken geleden vroeg de minister zelf wanneer ik nog eens een vraag zou stellen over de kleuterklassen. Het is dus enerzijds daardoor dat ik deze vraag stel, maar het is vooral wegens de situatie op het terrein dat ik me genoodzaakt voel om een vraag te stellen op het einde van deze legislatuur, niet over kleine, maar over te grote kleuterklassen.

Ondanks het Jaar van de Kleuter en van de verbeteringen aan het systeem van de instapklassen of van de groeiklassen, stellen we nu, na de paasvakantie, vast dat we op verschillende plaatsen worden geconfronteerd met heel grote kleuterklassen. Klassen met 20 kleuters, dat zijn de kleintjes. Vaak gaat het om klassen met 25 of 30 kleuters. Bovendien zijn een aantal kleuters nog niet echt zindelijk.

De grote klassen zijn niet te wijten aan het feit dat u het systeem van instappen niet zou hebben verbeterd, maar omdat er een structureel probleem is. Het gaat om een structureel probleem waarbij kleuters, in vergelijking met een leerling van het lager onderwijs, nog altijd slechts voor 80 percent worden meegerekend voor de lestijden en slechts voor 66 percent voor wat de werkingssubsidies betreft.

Mijnheer de minister, ik wil u niet vragen wat u hebt gedaan of hoeveel lestijden erbij zijn gekomen. Mijn vraag is of u het op het einde van de legislatuur, met de verkiezingen in zicht, verantwoord vindt dat er zo'n structureel verschil is, dat er een structurele onderfinanciering is en een ondertoekenning van lestijden voor kleuters en kleuterklassen in vergelijking met lagere scholen en met kinderen in de lagere school.

De voorzitter

Minister Vandenbroucke heeft het woord.

Minister Frank Vandenbroucke

Mevrouw de voorzitter, ik ben inderdaad blij dat de heer Tavernier de draad terug oppikt en vraagt wat de evaluatie is van de maatregelen die we hebben genomen en dat hij natuurlijk ook vraagt hoe we naar de toekomst kijken.

In dit parlement zijn we het er wellicht allemaal over eens dat er een mooi Vlaams gezegde is dat zeker geldt in onderwijs: goed begonnen is half gewonnen. Het is erg belangrijk dat kleuters tijdig naar de kleuterschool gaan en dat ze er goed opgevangen worden: er moet met hen gepraat en gespeeld worden, en er is voldoende omkadering nodig.

Onder meer daarom hebben we het Jaar van de Kleuter georganiseerd en hebben we heel wat maatregelen genomen. Ik wil toch wel even terugkomen op enkele van die maatregelen, want daarin zit toch ook al een stuk antwoord op wat u aangeeft als het fundamentele probleem.

Om te beginnen hebben we een oproep gedaan aan ouders - en we hebben daar allerlei organisaties bij betrokken - opdat kleuters tijdig naar de kleuterschool zouden beginnen te gaan. Maar we hebben er ook voor gezorgd dat, naarmate de kleutertjes instappen in de instapklasjes, er betere omkadering zou zijn.

Ik geef u de cijfers van na de krokusvakantie. Twee jaar geleden deelden we na de krokusvakantie, omwille van de instappertjes, 3980 extra lestijden uit. Dit jaar deelden we na de krokusvakantie 12.323 extra lestijden uit. Dat is een inspanning van meer dan maal drie inzake omkadering van de instappertjes. Wat betekent dat nu met betrekking tot kleuterjuffen? Dat betekent een klein legertje van 350 voltijdse extra kleuteronderwijzeressen of -onderwijzers op het terrein.

Ik begrijp de kritiek niet goed van mensen die zeggen dat, als ze maar tien extra lestijden krijgen, ze geen klas kunnen splitsen. Het hangt er natuurlijk van af vanwaar je vertrekt. Als je vierenhalf leerkrachten hebt in het kleuteronderwijs en je krijgt er een halve bij, dan heb je vijf voltijdse en ben je eigenlijk in staat om je klassen beter te organiseren. Maar ook als je er maar vier hebt en je krijgt er een halve bij, dan kun je de helft van de tijd meer comfort geven. En daar gaat het over.

Is dat nu het aards paradijs? Neen, absoluut niet. Het is niet gemakkelijk werken. Het is ook een grote verantwoordelijkheid voor kleuterjuffen om met die kleinste kleuters om te gaan. Maar 350 extra kleuterjuffen, uitgedrukt in voltijdse eenheden, in dat systeem alleen, is een grote inspanning. Bovendien hebben we gezorgd voor een tweedelijnsondersteuning waar er veel kansarme en anderstalige kleuters zijn. We hebben gezorgd, alleen voor het kleuteronderwijs, voor een extra omkadering die we GOK-plus hebben genoemd. Dat zijn 180 kleuterjuffen, uitgedrukt in voltijdse eenheden, die worden ingezet waar je kleuterscholen hebt met veel kansarme kleuters, afkomstig uit gezinnen met financiële problemen, waarvan de ouders bijna niet naar school geweest zijn, waar thuis geen Nederlands wordt gesproken enzovoort.

Als je die 350 en die 180 samentelt, zit je al aan meer dan 500 extra voltijdsen. En dat is nog niet alles. We hebben ook gezegd dat we wilden dat er in Vlaanderen geen onderscheid zou zijn tussen goedkope en dure basisscholen. Dat geldt ook voor het kleuteronderwijs. We hebben extra geld gegeven, en tegelijk gezegd dat men moet oppassen met wat men doorfactureert aan de ouders. We hebben de CLB's ingeschakeld, de lokale overlegplatforms ingeschakeld, sensibiliseringscampagnes gevoerd enzovoort.

Ik kom tot uw opmerking over het verschil in omkadering en het verschil in betoelaging. Laat mij toe om daar wat genuanceerd in te zijn. In de politiek moet je soms wat genuanceerd kunnen zijn. Ik zeg niet dat u dat niet bent, mijnheer Tavernier, maar de realiteit is in dezen genuanceerd. Er is een oude geschiedenis van een beleid dat al vele jaren zegt dat kleuters niet zo vaak aanwezig zijn als kinderen in de lagere school, omdat ze niet aanwezig moeten zijn. Dat is de reden waarom er wat minder omkadering is. Bovendien zei men altijd dat je voor de kleuters niet hetzelfde materiaal nodig hebt als voor lagereschoolkinderen. Je hebt geen handboeken, woordenboeken, rekenmachientjes en dergelijke nodig, dus je kunt het met minder werkingsmiddelen doen.

Wij zijn dat nu eigenlijk stilletjesaan aan het rechtzetten, mijnheer Tavernier. Ik geef u een paar voorbeelden. Ik heb 72 miljoen euro uitgetrokken voor extra gelijkekansenomkadering, de GOK-uren. Daarvan is een disproportioneel deel naar kleuterscholen gegaan. Die GOK-plus was namelijk uitsluitend voor kleuterschool. Een tweede voorbeeld: lestijden voor lichamelijke opvoeding en beweging. In het kleuteronderwijs komen die er allemaal bovenop, in het lager onderwijs komen die er, op een heel klein deeltje na, eigenlijk niet bovenop. Ik verwijs ook naar wat we gedaan hebben qua extra omkadering in het kader van het kleuterbeleid van de scholengemeenschappen. We zijn dus wel degelijk inspanningen aan het doen, zij het druppelsgewijs, waarbij we in het bijzonder in omkadering voor kleuterscholen voorzien.

Een volgend punt is het probleem van de werkingsbudgetten van de scholen. Ik zou kunnen zeggen dat dat geen punt is, want de basisscholen krijgen dat in één pakket. Die krijgen één envelop met geld voor hun kleuters en lagereschoolkinderen. Maar de berekening is verschillend naargelang het gaat over kleuters of niet. Dan kunt u zeggen: ja, mijnheer de minister, dat is juist voor 93 percent van de basisscholen, maar voor 7 percent niet. Onder andere de school van de heer Sauwens, die voortdurend aan de alarmbel trekt, heeft enkel kleuters.

Ik heb de lat gelijk gelegd op een manier die u misschien wat ontgaan is, namelijk op het ogenblik dat ik een schijf heb gecreëerd van 14 percent van de werkingsmiddelen uitsluitend verdeeld op basis van indicatoren van kansarmoede. Die schijf betekent evenveel voor kleuters als voor lagereschoolkinderen. En dus krijgt de heer Sauwens voor zijn kleuters in de mate dat die kinderen aantikken op aanduidingen van kansarmoede evenveel euro's als een collega die enkel lagereschoolkinderen heeft. Langzaamaan trekken we de balans wat rechter.

Wat we gevraagd hebben aan kostenbeheersing betekende een zwaardere inspanning voor lagere scholen dan voor kleuterscholen. Dat blijkt uit de enquêtes. Om het bereiken van de eindtermen kosteloos te maken, moesten lagere scholen een inspanning doen die drie keer groter was dan die van de kleuterscholen. Dat weten wij. Dat materiaal van de lagere scholen is ook duurder.

Er waren redenen om bij die extra schijf, de gelijkekansenschijf, de lat echt gelijk te leggen voor kleuters en lagereschoolkinderen. Dat is de eerste keer. Maar voor het basisbedrag houden we wel het verschil. Op die manier zetten stappen. U zult zeggen dat het er niet genoeg zijn en dat is uw recht. Ik vind het goed dat mensen druk uitoefenen. We zetten stappen naar meer geld en meer omkadering, met telkens bijzondere aandacht voor de kleuterklassen. Dat is een correct beleid. Op die manier hebben we heel wat in stelling gebracht dat toelaat om het in de kleuterscholen beter te doen.

U hoort mij niet zeggen dat alle problemen opgelost zijn. U hoort mij niet zeggen dat er geen reden meer is om te klagen. Ik ken de problemen ook die samenhangen met de degressieve schalen. De grote autonome kleuterscholen voelen zich daarbij ongelukkig. Er is het probleem van de vestigingsplaatsen. Dat zijn brede problemen in de financiering van het basisonderwijs die niet enkel te maken hebben met hoe je kleuterscholen betoelaagt.

Er is dus een grote inspanning geleverd: meer dan 500 voltijdse kleuterjuffen in kleuterklassen en daarnaast honderden extra krachten die ter beschikking zijn voor kleuterbeleid via zorg, GOK en tweedelijnsondersteuning. Er zijn veel bijkomende middelen, waarbij de gelijkekansenschijf voor het eerst gelijk verdeeld is over kleuters en lagereschoolkinderen. Zijn we daarmee aan het einde van het verhaal? Neen. Hebben we belangrijke stappen gezet? Ja. Ik hoop die in de volgende legislatuur door de Vlaamse Regering verder te zien zetten.

Jef Tavernier

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. U zegt dat u een aantal stappen hebt gezet. De cijfers die u geeft zijn op zich uiteraard correct, maar wil ik enigszins relativeren. U hebt bijkomende lestijden gegeven, maar er zijn ook een pak bijkomende kleuters.

In zoverre u dit beschouwt als een eerste stap en zegt dat we verder moeten gaan in die richting, hoop ik dat een volgende Vlaamse minister - misschien bent u dat, ik weet niet of ik u dat toe moet wensen - en hoe dan ook een volgend Vlaams Parlement meer middelen ter beschikking zal stellen voor die kleuters. Ik wil daarvoor een oproep doen aan mijn opvolgers, de parlementsleden van de volgende legislatuur, om die stappen structureel te zetten.

De voorzitter

Mevrouw Martens heeft het woord.

Katleen Martens

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, de voorlaatste instapdatum voor kleuters legt het pijnpunt van de overvolle kleuterklassen weer bloot. Ondanks het grotere budget voor extra uren blijft het probleem nijpend. Zoals u zegt, leveren extra leerlingen extra uren op. Maar de situatie op het onderwijsveld toont aan dat die extra uren niet volstaan om de extra zorgbehoeften van de kleuterklassen te lenigen.

Goed begonnen is half gewonnen, zegt u. U kunt blijven zwaaien met cijfers, maar het probleem blijft bestaan. We hebben het vorig jaar al gezegd: omstreeks elke instapdatum zal het onderwijsveld opnieuw aan de alarmbel trekken. Een structurele oplossing is immers nog niet in zicht. Dat is jammer, zo enkele weken voor het einde van een legislatuur waarin u het Jaar van de Kleuter lanceerde. Wij blijven hopen op een structurele oplossing.

De voorzitter

Mevrouw Van Kerrebroeck heeft het woord.

Monica Van Kerrebroeck

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, u bent eigenlijk een beetje het slachtoffer van uw succes. Het succes van uw oproep om veel kleuters naar school te sturen is zo groot dat we op veel plaatsen nog steeds met grote klassen worden geconfronteerd. We hopen dat daaraan wordt geremedieerd. Er is ook nood aan nog meer omkadering van de kleuterjuffen en de kleuterleiders. Dat moet gebeuren door meer kinderverzorgsters aan te stellen, want die zijn vooral bij de jongsten nodig. Er moeten per school meer kinderverzorgsters worden aangeworven.

De subsidiëring van kleuterscholen is nog niet optimaal. In vergelijking met die van het lager onderwijs is er een verschil waarneembaar. Ik hoop dat we daar in de volgende legislatuur werk van kunnen maken. Ten slotte wil ik erop wijzen dat er een grote nood is aan kleuterleidsters. Men kan vervangingen niet doorvoeren. Er moet dus dringend actie worden ondernomen om mensen ertoe aan te zetten de opleiding aan te vatten. Er is al veel gebeurd, maar het kan altijd nog wat beter.

De voorzitter

De heer Schoofs heeft het woord.

Hans Schoofs

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ik sluit me aan bij wat mevrouw Van Kerrebroeck zei. Om de kwaliteit van ons kleuteronderwijs te behouden is er echt nood aan een instroom van nieuwe kleuterleiders. Ik denk dat daartoe een beleidsplan moet worden ontwikkeld. In de rand wil ik nog opmerken dat er nog altijd een verschil is tussen de inschrijving van kleuters en hun aanwezigheden. We stellen de positieve evolutie vast dat kleuters in toenemende mate in de school aanwezig zijn. Bovendien blijven veel kleuters tijdens de middag op school en nemen ze daar de maaltijd. Vroeger werden ze dikwijls afgehaald door de ouders of de grootouders om het middagmaal thuis te nemen. Ook dat stelt de scholen voor problemen op het vlak van opvang en passende infrastructuur. Bij de uitwerking van een beleidsplan voor de opvang van kleuters moeten we dus rekening houden met de stijgende aanwezigheidsgraad - wat positief is - en met hun toenemende aanwezigheid over de middag, wat ook op het vlak van de infrastructuur voor problemen zorgt.

De voorzitter

De heer Vandenbroucke heeft het woord.

Minister Frank Vandenbroucke

Ik kan heel goed begrijpen dat men zegt dat meer nog beter zou zijn. Ik ben blij dat mevrouw Van Kerrebroeck erkent dat het plan een succes was en inderdaad heeft geleid tot meer aanwezigheid van de kleinste kleutertjes. Maar zelfs onafhankelijk van het aantal kleuters dat al dan niet is gestegen, hebben we ruw geschat 840 eenheden leerkrachten extra in het kleuteronderwijs tewerkgesteld. Dat is niet weinig.

Het structurele probleem deed zich precies voor in de instapklasjes. Daar hebben we iets heel belangrijk gedaan. Wat de werkingsbudgetten betreft, wil ik herhalen dat die in 93 percent van de scholen in een pakket toekomen, voor de kleuters en de kinderen van de lagere school samen. Het is de schoolleiding die ze moet verdelen. Men kan niet ontkennen dat een kind uit het zesde leerjaar misschien meer vraagt in termen van handboeken, woordenboeken, rekenmachine, uitstappen enzovoort dan een kind uit de eerste kleuterklas.

We hebben een belangrijke beweging op gang gebracht. Het is zaak van het volgend Vlaams Parlement om die beweging verder te zetten.

Jef Tavernier

Ik dank de parlementsleden van de andere fracties voor hun steun. Ik hoop dat zij of hun opvolgers tijdens een volgende legislatuur voldoende budgettaire daadkracht en onafhankelijkheid zullen hebben om te streven naar een structurele oplossing, los van de minister. Ik had een voorstel van decreet ingediend om dit probleem structureel op te lossen, maar de meerderheid heeft dat weggestemd. Ik stel voor dit over te nemen en de volgende minister te dwingen om dat structureel toe te passen.

De voorzitter

Het incident is gesloten.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.