U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, de algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Claes, verslaggever, heeft het woord.

Sonja Claes

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, dames en heren, in het regeerakkoord is opgenomen dat opvoedingsondersteuning tijdens deze legislatuur zou worden uitgewerkt. Er staat woordelijk: "We kiezen voor ondersteuning van diegenen die verantwoordelijkheid dragen voor anderen. Opvoedingsondersteuning wordt gezien als preventie." Ook het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind verplicht de Vlaamse Gemeenschap ertoe om passende bijstand te geven aan ouders bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheid over de opvoeding van kinderen.

Een eerste hoorzitting werd georganiseerd op 23 mei 2006, waaruit het voorstel van decreet uiteindelijk is voortgevloeid. Er werd vertrokken van wat opvoeden in de eerste plaats is. Het is een natuurlijk proces waarbij ouder en kind elkaar beïnvloeden. Een goede opvoeding moet rekening houden met de mogelijkheden van een kind. Goede opvoedingsondersteuning houdt dus ook rekening met de mogelijkheden van ouders en kinderen. Ouders moeten zelf bepalen welke waarden en normen hun kinderen meekrijgen. Ouders zijn de eerste verantwoordelijken van de opvoeding en zij zullen de regie voeren, ook als opvoedingsondersteuning noodzakelijk wordt. De samenleving als geheel draagt bij tot het opvoeden van kinderen: zo zijn ook school, vrienden en dergelijke belangrijk. Opvoedingsondersteuning richt zich dus ook naar de sociale netwerken van kinderen.

Wat waren de doelstellingen van het voorliggende voorstel van decreet? In de eerste plaats moet er afstemming en een gecoördineerd aanbod zijn opdat ondersteuning aan de opvoeders wordt geboden. Er was her en der al wat voorbereidend werk gedaan dat opvoedingsondersteuning in de praktijk bracht. Dit moest door dit voorstel van decreet worden afgestemd en gecoördineerd. De bedoeling was alleszins om de opvoedingskansen te verhogen. Opvoedingsondersteuning werkt preventief en is dus geen hulpverlening. Het lokale niveau is het ankerpunt van de opvoedingsondersteuning. De indieners van het voorstel van decreet zijn vertrokken vanuit het subsidiariteitsbeginsel.

De opvoedingsondersteuning moet vooral laagdrempelig zijn om zo bereikbaar mogelijk, goedkoop mogelijk en niet-stigmatiserend te zijn. Ze moet vraaggericht zijn, waarbij op maat de nodige voorlichting en advies wordt gegeven. Ze moet ook participatief zijn waardoor zij die opvoedingsondersteuning krijgen, erdoor worden versterkt.

Het voorstel van decreet bepaalt dat de centrumsteden als eerste opvoedingsondersteuning aanbieden. Lokale coördinatoren kunnen worden ondersteund. Er wordt lokaal overleg over opvoedingsondersteuning georganiseerd. Dat kan uitmonden in het aanbieden van 'opvoedingswinkels', in de centrumsteden maar ook daarbuiten, en zij kunnen een kwaliteitslabel krijgen. In die 'opvoedingswinkels' kunnen de Vlaamse coördinatoren opvoedingsondersteuning - de preventieconsulenten van de Jeugdbijstand - worden ingezet.

Het voorstel van decreet voorziet ook in een Vlaams expertisecentrum. Tijdens de tweede hoorzitting, op 29 juni 2007, vroegen de provincies en verschillende initiatiefnemers een rol voor de niet-centrumsteden. In een amendement is daarop ingegaan. Dit decreet biedt hierdoor voldoende basis om in Vlaanderen opvoedingsondersteuning aan te bieden. CD&V, sp.a en Open Vld hebben in de commissie voor gestemd, Groen! en Vlaams Belang hebben zich onthouden. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Dillen heeft het woord.

Marijke Dillen

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, opvoeden is allesbehalve een gemakkelijke onderneming, zo kwam geregeld in de commissiebijeenkomsten aan bod. Als moeder van drie pubers kan ik dit uit mijn dagelijkse praktijkervaring onderschrijven. Ik ben ervan overtuigd dat de huidige tijdsgeest en verschillende evoluties ervoor zorgen dat opvoeden vandaag veel moeilijker en ingewikkelder is dan pakweg vijftig jaar geleden. Er is veel onzekerheid. Veel waarden en normen die in het verleden vanzelfsprekend waren, zijn vandaag helaas verdwenen.

Ik kan dan ook volledig het opinieartikel onderschrijven dat we gisteren konden lezen in Gazet van Antwerpen, dat gelukkig de hoopgevende titel 'Opvoeden moet weer vanzelfsprekend worden' kreeg. Het stuk is geschreven naar aanleiding van de bespreking van dit voorstel van decreet in dit halfrond. De auteur stelt daarin terecht: "Vijftig jaar geleden was het simpel: het collectieve normenpatroon had voor alles een oplossing in petto. In Vlaanderen zette vooral de Katholieke Kerk de regels uit. Op school werden de leerkrachten niet geconfronteerd met invloeden van andere culturen. En mocht er enige twijfel ontstaan, dan bood de catechismus altijd wel een antwoord." Vandaag zijn deze oude normen en waarden geen evidentie meer.

De samenleving is heel individualistisch geworden, vaak zelfs heel egoïstisch. Helaas is het vaak ieder voor zich geworden, en geldt de wet van de sterkste. Ouders moeten dan maar zelf zien hoe ze de kinderen opvoeden. Opvoeden is geen gemakkelijke opdracht. Veel ouders die het zeer goed menen met de opvoeding van de kinderen zitten met steeds meer vragen. Sterker nog: ze kampen vaak met echte opvoedingsdilemma's omdat opvoeden door talrijke factoren heel ingewikkeld is geworden.

Vandaag durft dan ook niemand nog twijfelen aan het nut van opvoedingsondersteuning. Het voorstel van decreet heeft dan ook de verdienste antwoorden te willen formuleren op vragen over opvoeding en opvoedingsondersteuning. Positief is wel dat het voorstel niet betuttelend en ook niet stigmatiserend is. Ik vind het dan ook bijzonder positief dat dit voorstel terecht de verantwoordelijkheid volledig bij de ouders laat en alleen aan de opvoedingsverantwoordelijken ondersteuning wil aanreiken. Het voorstel vormt eigenlijk een kader, met als doel adviezen en tips op de beste manier aan gezinnen aan te bieden.

Toch zijn er een aantal fundamentele opmerkingen. Ten eerste: onze fractie betreurt dat dit voorstel van decreet opnieuw een kaderdecreet is. Het heeft weinig concrete inhoud: opnieuw worden veel opdrachten naar de Vlaamse Regering doorgespeeld.

Veel aspecten van dit voorstel van decreet moeten nog worden uitgewerkt in uitvoeringsbesluiten. Ik durf de hoop uit te spreken dat u, voor deze besluiten genomen zullen worden, ze zult voorleggen in de commissie. Gezien het belang van dit decreet is dit toch wel wenselijk.

Een tweede bedenking is dat er een groot contrast is tussen de vooropgestelde doelstellingen enerzijds en de gereserveerde middelen anderzijds. Er is wel een stijging van 87.000 euro naar 1,7 miljoen euro. De basisdoelstellingen zijn positief en kunnen we onderschrijven. Maar de implementatie hiervan dreigt in de praktijk mank te lopen door een gebrek aan voldoende middelen. Hierdoor loopt u het risico dat, hoe positief het uitgangspunt ook moge zijn, de kans zeer groot is dat men er niet in zal slagen de hoge nood te lenigen.

Een derde bemerking is dat het huidige decreet opvoedingsondersteuning eigenlijk integraal wordt opgenomen in het nieuwe voorstel van decreet. Ik blijf hier ernstige bedenkingen bij hebben. Naar aanleiding van begrotingsbesprekingen werd herhaaldelijk en uitdrukkelijk en door verschillende fracties gesteld dat het huidige decreet veel gebreken vertoont, onder meer wat de toewijzing van projecten betreft. Onze fractie betreurt dan ook dat er nooit een evaluatie van het huidige decreet is gebeurd om na te gaan waar de echte knelpunten zitten.

De vraag is dan ook of het huidige decreet mee de basis moet vormen van dit voorstel van decreet. Het is positief dat er in de toekomst een evaluatie wordt aangekondigd, maar dit doet niets af aan het feit dat het huidige decreet veel mankementen vertoont en eigenlijk ongewijzigd wordt overgenomen. Onze fractie had dit liever anders gezien.

Er bestaan vandaag al veel initiatieven op het vlak van opvoedingsondersteuning op lokaal en provinciaal vlak. Het gaat vaak om positieve projecten. Ondanks de amendering wordt hiermee nog te weinig rekening gehouden. De bestaande expertise verdient eigenlijk een belangrijkere plaats in dit voorstel van decreet.

Ik heb aandachtig de uiteenzettingen van de verschillende sprekers tijdens de hoorzittingen gelezen. De meesten waren positief over het voorstel op zich, over de doelstellingen, over de algemene lijnen. Maar toch kwamen hieruit wel duidelijk een aantal knelpunten naar voren. Het waren niet enkel wat opmerkingen over punten en komma's, integendeel, het ging vaak over vrij fundamentele kritiek. Op een aantal punten zijn de indieners via amendementen ingegaan, bijvoorbeeld over de rol van de provincies, maar met een aantal andere fundamentele punten van kritiek en grondige bezwaren wordt jammer genoeg geen rekening gehouden. Ik betreur dit.

Ik geef enkele voorbeelden. Opvoedingsondersteuning wordt nog altijd te veel bekeken vanuit het oogpunt van de preventie. Ik deel de mening van een aantal sprekers dat dit moet worden opengetrokken en veel ruimer moet worden bekeken. De actuele discussie over de tekorten in de buitenschoolse opvang en de wachtlijsten bijvoorbeeld is ook een aspect van het ondersteunen van ouders in hun opvoeding. Tijdens de hoorzitting werd terecht gesteld dat opvoedingsondersteuning geen eiland mag zijn, maar dat het de bedoeling moet zijn om op zoveel mogelijk domeinen de bestaande problemen te signaleren, die niet zelden aan de basis van opvoedingsproblemen liggen. De Gezinsbond plaatst opvoedingsondersteuning terecht binnen een totaalaanbod aan gezinnen. Men moet dus ook oog hebben voor huisvesting, onderwijs, financiële ondersteuning, kinderopvang, buitenschoolse kinderopvang enzovoort.

Dit voorstel vertrekt van de lokale basis en hieraan onmiddellijk gekoppeld de opvoedingswinkels, een beetje het model waarrond de indieners de hele opvoedingsondersteuning willen opbouwen.

Het lokale overleg is het vertrekpunt, maar hierrond wordt een log apparaat gebouwd. Ik verwijs naar de lokale coördinatoren, de opvoedingswinkel, het lokaal overleg opvoedingsondersteuning, de Vlaamse coördinatorenopvoedingsondersteuning, provinciale steunpunten opvoedingsondersteuning, het Steunpunt Opvoedingsondersteuning van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en het Vlaams Expertisecentrum voor opvoedingsondersteuning. Alle fracties stellen dat dit een logge structuur vormt. Ik vraag me af waarom de indieners niet willen tegemoetkomen aan die fundamentele kritiek, ook van de meerderheid, om een en ander bij te werken.

De enorme administratie en structuur staan niet in verhouding tot de doelstellingen. Het geplande personeelsaanbod volstaat niet om de opgelegde taken te kunnen behartigen. Ook de taken die ze moeten uitoefenen, zijn niet altijd duidelijk omschreven. Uit de hoorzitting is gebleken dat volgens de experts het risico bestaat dat er te veel moet worden vergaderd in plaats van op het terrein te werken. Die mensen klagen over te veel overlegstructuren en vergaderingen. Waarom wordt hier dan geen verandering in aangebracht?

De opmerking dat alles heel sterk is gericht op de professionele hulpverlening wil ik ook bijtreden. Het accent ligt te veel op het professionele aspect en te weinig op netwerkers, sociaal-culturele verenigingen en vooral de vrijwilligers. Waarom wordt daar niet meer rekening mee gehouden? Ze hebben toch ook een belangrijke opdracht. Verschillende sprekers in de hoorzittingen hebben dit aangeklaagd. De Gezinsbond heeft gevraagd om de rol van het sociaal-cultureel vormingswerk ernstiger te nemen.

Een heel fundamentele opmerking is de taak die wordt gegeven aan Kind en Gezin. Dit voorstel van decreet legt de basis voor een Vlaams Expertisecentrum voor opvoedingsondersteuning. De bedoeling is om expertise en wetenschappelijk onderzoek verder uit te bouwen. Het Steunpunt Opvoedingsondersteuning wordt exclusief toegewezen aan Kind en Gezin.

Onze fractie kan hier niet mee akkoord gaan. We willen absoluut geen kritiek geven op de werking van Kind en Gezin op zich, integendeel. In het kader van dit voorstel van decreet vinden we echter dat Kind en Gezin geen exclusieve partner mag zijn. Ik onderschrijf de expertise van Kind en Gezin, maar die is hoofdzakelijk, zo niet bijna uitsluitend gericht op jonge kinderen onder de drie jaar. Mijnheer Dehaene, ik begrijp dat Kind en Gezin een rol kan spelen bij de administratieve ondersteuning en het gebruik van de gebouwen. Kind en Gezin kan en mag een partner zijn, maar niet de enige.

Er is in de commissie wel gezegd dat de expertise van Kind en Gezin zal worden aangevuld met die van andere partners. Ik pleit ervoor om die partners mee op te nemen in dit voorstel van decreet, zodat achteraf geen discussie mogelijk kan zijn. Naar aanleiding van de hoorzitting is aangehaald dat Kind en Gezin een belangrijke rol heeft in het Vlaams Kenniscentrum. Waarom wordt dit dan niet onmiddellijk structureel ingewerkt zodat we meer zekerheid krijgen dat het ook in de praktijk zal gebeuren en dat Kind en Gezin niet alles naar zich toetrekt? De Gezinsbond heeft zich tijdens de hoorzittingen uitdrukkelijk akkoord verklaard om verantwoordelijkheid in te bouwen. Het is belangrijk dat dit structureel wordt verankerd in dit voorstel van decreet.

Een andere bedenking die ik wil formuleren betreft de leeftijd van de doelgroepen. Ik blijf vragen hebben over de waarborgen dat ook oudere kinderen, en dan vooral de doelgroep van kinderen ouder dan twaalf jaar, voldoende aandacht zullen krijgen. Ik vind hiervoor te weinig garanties terug.

Onze fractie heeft verder vragen bij een gebrek aan laagdrempeligheid en de nood aan een gegarandeerd basisaanbod. Wij vinden dat dit voorstel spijtig genoeg onvoldoende waarborgen biedt voor laagdrempeligheid. Nochtans is dat bijzonder belangrijk. Het is veel te veel gefocust op de centrumsteden, wat tot gevolg heeft dat veel regio's buiten schot blijven zodat het basisaanbod voor iedereen niet wordt gegarandeerd. Wat moeten ouders doen die niet in centrumsteden wonen? Waar kunnen zij terecht? Ik geef onmiddellijk toe dat daarvoor wel in mogelijkheden wordt voorzien, namelijk de mogelijkheid van lokale samenwerkingsverbanden, maar er zijn geen waarborgen dat hierin ook daadwerkelijk zal worden voorzien in alle regio's die buiten de centrumsteden vallen. Daarnaast bestaat het risico dat veel probleemgezinnen die vaak in centrumsteden wonen, de weg naar opvoedingswinkels niet zullen vinden. Ik hoop dat de nodige initiatieven zullen worden genomen om deze opvoedingswinkels bekend te maken en ze op een of andere wijze te promoten.

Collega's, vooraleer te besluiten - ik richt me zeer speciaal tot de leden van de CD&V - moet me een laatste bedenking van het hart over onze amendering van het oorspronkelijke artikel 20 over de inwerkingtreding. Wij hadden een amendement ingediend om dit artikel 20 te schrappen en de gewone regels inzake de inwerkingtreding van een decreet toe te passen. De meerderheid heeft dat weggelachen en weggestemd, zonder motivatie waarom een speciale datum van inwerkingtreding moet worden ingelast. Ik betreur uw houding en durf ze vandaag hypocriet te noemen. Ik verwijs naar een uiteenzetting van mevrouw Heeren, die vandaag aanwezig is, tijdens de plenaire vergadering van vorige week. In de commissiebespreking van het ontwerp van decreet over de gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid, heeft ze identiek dezelfde motivatie als onze fractie gegeven met identiek dezelfde argumenten. Mevrouw Heeren, u hebt terecht een pleidooi gehouden voor de inwerkingtreding van een decreet volgens de normale regels. Niemand van de CD&V-fractie zal dat ontkennen. Om onbegrijpelijke redenen verdedigt de meerderheid, vooral CD&V, vandaag zonder enige motivatie echter een volledig tegenovergestelde stelling.

Collega's, ik dring erop aan dat de indieners dit voorstel nog eens grondig bekijken en vergelijken met de kritiek van deskundigen zoals die uit de hoorzittingen naar voren is gekomen en met de opbouwende kritiek die tijdens de besprekingen in de commissie werd gegeven. Er blijven een aantal hiaten en knelpunten waardoor dit voorstel van decreet niet werkbaar zal zijn. Mijnheer Dehaene, in uw repliek tijdens de commissiebesprekingen hebt u dat uitdrukkelijk toegegeven.

Collega's, opmerkingen van sprekers tijdens hoorzittingen moeten we ernstig nemen, anders zijn hoorzittingen nutteloos. Het moet de bedoeling zijn dat er een sterk voorstel ter tafel ligt, wat vandaag spijtig genoeg niet het geval is. Daarom mijn vraag: laat dit voorstel nog enkele maanden rusten. De vakantieperiode is een ideale gelegenheid om hier op een rustige manier over na te denken om verschillende problemen en knelpunten weg te werken zodat over een sterk, voldragen en volledig voorstel kan worden gestemd, in plaats van over een onvolledig voorstel met veel tekortkomingen waarvan ik vrees dat het op het terrein niet werkbaar zal zijn. Onze fractie zal zich onthouden bij de stemming.

De voorzitter

De heer Dehaene heeft het woord

Tom Dehaene

Mevrouw de voorzitter, geachte leden, ik zal de algemene toelichting die ik heb gegeven in de commissie, niet meer herhalen, aangezien het verslag ook zeer volledig was, waarvoor dank.

Ik wil alle leden die hebben meegewerkt aan dit voorstel van decreet, bedanken. Zoals de verslaggever opmerkte, zijn we er lang mee bezig geweest. De eerste hoorzitting vond plaats in 2006. Uiteraard waren er voordien ook al werkzaamheden binnen de meerderheid om te komen tot dit voorstel. Het is een uitgebreide tekst geworden. Ik zal mijn betoog dan ook beperken tot replieken op een aantal door mevrouw Dillen geformuleerde bedenkingen, ook omdat de commissiebesprekingen me hebben geleerd dat dezelfde kritiek wellicht door die andere oppositiepartij zal worden geformuleerd.

Niemand zal het maatschappelijke belang van opvoedingsondersteuning ontkennen, noch ontkennen dat er nood is aan een nieuw decreet. Het huidige decreet heeft zijn verdiensten, maar was te beperkend. Er was nood aan een uitgebreider decreet. Dit voorstel van decreet is vooral preventief. Dat is een zeer belangrijk uitgangspunt. Tijdens de werkzaamheden hebben we steeds gestreefd naar een duidelijke scheiding tussen preventie en hulp. Dat is geen gemakkelijke oefening geweest, maar ik denk wel dat we erin geslaagd zijn.

Dit voorstel is duidelijk geënt op preventie, wat ook een zeer belangrijke boodschap is aan de vele ouders en opvoedingsverantwoordelijken: dit is geen hulpverlening, maar preventie. We willen het signaal geven dat het normaal is dat ze vragen hebben over opvoeding, dat ze geen slechte ouders zijn als ze vragen hebben over opvoeding. Integendeel, het is goed dat ze vragen hebben en die durven stellen. We willen met dit voorstel van decreet de mogelijkheid creëren om, als er vragen zijn, de juiste informatie zo snel mogelijk op de juiste plaats te krijgen.

Er is inderdaad niet gekozen voor een of ander opvoedingsmodel. Het is niet aan de decreetgever om te bepalen hoe kinderen moeten worden opgevoed. Mevrouw Dillen stelt dat er geen betutteling is. Dat lijkt me zeer correct, en het was ook een uitgangspunt van de indieners. Het zou er maar aan ontbreken dat wij vanuit dit halfrond zouden gaan zeggen hoe kinderen moeten worden opgevoed. Ouders blijven dus verantwoordelijk, wat niet betekent dat ze niet af en toe vragen kunnen hebben. Dan moeten we de nodige informatie ter beschikking kunnen stellen.

Voor de leden die niet in de commissie zetelen, wil ik even verwijzen naar de hoorzitting die we hebben gehouden naar aanleiding van dit voorstel van decreet. Voor alle duidelijkheid, het gaat over de tweede hoorzitting, toen het voorstel al op de tafel lag. Een aantal sprekers zullen wellicht immers wijzen op de kritiek die daar is geformuleerd. Ik ben ervan overtuigd dat de mensen die aanwezig waren bij de hoorzitting, vragen kunnen stellen bij een aantal punten. Dat lijkt me logisch. Ik vind het echter belangrijk dat bijna alle sprekers hun betoog zijn begonnen met de verklaring achter de grote lijnen van het voorstel te kunnen staan omdat het een meerwaarde biedt. Ze hebben ons gefeliciteerd met het geleverde werk.

Ik overloop even de sprekers. Eerst kwam de Vereniging van de Vlaamse Provincies aan bod. Ik citeer: "We zijn heel blij met het voorstel van decreet." Vervolgens kwam het Centrum voor het Jonge kind in Brussel aan bod. De vertegenwoordiger ervan stelde: "De basisstellingen van het voorstel van decreet zijn correct: de nood is inderdaad zeer groot. Wij staan ook volledig achter de toegankelijkheid en de lage drempels."

De volgende spreker was die van de Opvoedingswinkel Genk. Zij stelde blij te zijn met het voorstel van decreet en de plaats ervan op de politieke agenda. Ik citeer: "De meeste thema's die we essentieel vinden, zijn in dit voorstel van decreet opgenomen, met name samenwerking, netwerking, de verbanden met de lokale overheid en de lokale omgevingsanalyse."

Een volgende spreker was het Vlaams Netwerk Opvoedingsondersteuning. Zij onderschrijven uiteraard de uitgangspunten. Ze liggen aan de basis van dit voorstel van decreet, namelijk met hun nota 'Opvoeden doe je niet alleen'. De Vlaamse Jeugdraad beschreef een decreet opvoedingsondersteuning als "geen overbodige luxe." De Gezinsbond is blij dat men verandering wil brengen in het tekort aan stroomlijning: "Door afstemming en samenwerking krijgt het bestaande aanbod een plaats en kan er gezocht worden naar gaten in het aanbod." En als laatste stelde PPJ: "Het voorliggende voorstel van decreet is sterk en bevat waardevolle ideeën."

Uiteraard benadrukken mensen die worden uitgenodigd op een hoorzitting de punten waar ze nog accentverschuivingen proberen teweeg te brengen. Dat lijkt me logisch. Ik kan de collega's enkel aanraden om zeker het begin van elke uiteenzetting eens goed door te nemen. Daaruit blijkt dat de meeste sprekers achter het voorstel van decreet staan.

Een van de geformuleerde kritieken tijdens de bespreking in de commissie, die werd aangehaald door mevrouw Dillen, is dat er te veel wordt overgelaten aan uitvoeringsbesluiten. Er staan zaken in die door de Vlaamse Regering beslist mogen worden. Maar een van de kritieken was ook dat er te veel zaken opgesomd staan, bijvoorbeeld wie uitgenodigd moet worden bij het lokaal overleg. Een aantal collega's zei dat de opsomming ongelofelijk is. Als je dat in Antwerpen wilt organiseren, heb je de tribunes van een voetbalveld nodig om iedereen een plaats te geven. Daar hebben we wel voor een opsomming gekozen, en dan komt die kritiek. Men moet ook wat consequent zijn.

Degenen die bedenkingen formuleren bij de beperkte budgetten, kan ik enkel bijtreden. Ik kan alleen maar een oproep doen naar de collega's van de meerderheidspartijen om, als we opvoedingsondersteuning inderdaad zo belangrijk vinden, te zoeken naar bijkomende middelen. Ik vind het al niet slecht dat we gaan van 87.000 euro naar 1.700.000 euro. Dat is een gigantische stijging, ook in percentages. Als we dat voor elk nieuw decreet zouden kunnen verwezenlijken, zouden we allemaal gelukkig zijn.

Er is ook kritiek dat het huidige decreet opgenomen is zonder een grondige evaluatie. Ik denk dat het huidige decreet bewezen heeft dat er vraag is naar een dergelijke ondersteuning. De ondersteuning bestaat erin dat de Vlaamse overheid een tussenkomst kan geven, bijvoorbeeld wanneer een school een ouder uitnodigt om van gedachten te wisselen over opvoedingsondersteuning. We kunnen nog altijd een evaluatie doen. De procedure voor het aanvragen van dergelijke subsidies staat geformuleerd in de uitvoeringsbesluiten. Niets houdt ons dus tegen om dat alsnog te doen. Ik denk dat de meeste kritiek zich toespitst op de procedure die gevolgd moet worden om een subsidie te krijgen.

Er wordt ook gesteld dat er te weinig rekening gehouden wordt met wat er vandaag bestaat. Dat vind ik een vreemde bedenking. Ons voorstel van decreet is juist opgebouwd uit wat er vandaag bestaat. Het Lokaal Overleg in Antwerpen is een mooi voorbeeld, net als de opvoedingswinkel in Genk en het Steunpunt Opvoedingsondersteuning in Limburg. Die zaken die vandaag actief zijn, hebben we allemaal in het voorstel van decreet verwerkt.

Een ander punt van kritiek luidt dat te veel aan preventie zou worden gedaan en dat opvoedingsondersteuning niet als een eiland mag worden beschouwd. Dit voorstel van decreet is vooral preventief. Het is een uitdrukkelijke keuze van de indieners dat opvoedingsondersteuning geen eiland mag zijn. Dat is juist de reden waarom we er zoveel partners op lokaal niveau bij willen betrekken. Daarom is de lijst van instellingen en organisaties die worden uitgenodigd voor het lokaal overleg, zo uitgebreid. We willen er geen eiland van maken, maar de noodzakelijke afstemming kunnen garanderen.

Trouwens, het is fout om te stellen dat de opvoedingswinkels de kern van het voorstel van decreet zouden vormen. Dat is niet correct, want de basis van het voorstel van decreet is het lokaal overleg. We proberen alle lokale besturen aan te moedigen om te werken rond opvoedingsondersteuning. We verplichten ze niet, want dat zou een verkeerd signaal zijn, maar we moedigen ze aan. We doen dat door in een opleiding te voorzien voor hun personeelslid dat zich zal bezighouden met het lokaal overleg opvoedingsondersteuning. We doen dat ook door in logistieke ondersteuning te voorzien vanuit Vlaanderen, of zelfs vanuit de provincie. Onder die logistieke ondersteuning kunt u verstaan dat er teksten, formulieren en foldertjes ter beschikking zullen worden gesteld die op lokaal niveau kunnen worden gebruikt. Voor de provinciale ondersteuning zullen de provincies zorgen voor een uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden uit andere gemeenten. Het lokale niveau is voor ons de basis van waaruit alles vertrekt en van waaruit wordt opgebouwd naar de hogere niveaus.

Een veel gehoorde kritiek betreft de logge structuur. Ik ben er niet van overtuigd dat de energie die men in het overleg over opvoedingondersteuning zal steken inzake het stroomlijnen van het aanbod meer zal kosten dan wat we uitsparen. Als we de nodige partners rond de tafel kunnen brengen, dan zullen al die partners tijd uitsparen en zullen we de energie die we in opvoedingsondersteuning willen stoppen, veel beter kunnen gebruiken. Een heel goed voorbeeld daarvan is de opvoedingswinkel in Genk. Ook daar is alles van onderen uit gegroeid. Het is duidelijk gebleken dat de samenwerking voor alle partners een meerwaarde inhoudt en dat ze zelfs tijd kunnen uitsparen door het overleg.

Voor de opmerking dat er in te weinig personeel wordt voorzien op Vlaams niveau geldt in feite dezelfde argumentatie als bij opmerking over de budgetten. Als de Vlaamse overheid vindt dat er meer middelen vrijgemaakt moeten worden voor opvoedingsondersteuning, dan krijgt u daarvoor mijn steun en die van mijn partij. Uiteraard moet er een meerderheid voor zijn.

De netwerkvorming en de link met het sociaal-culturele aspect werden inderdaad aangehaald door de Gezinsbond, maar ook door de jeugdraad. Zij worden natuurlijk niet uitgesloten. Op lokaal niveau worden heel veel partners uitgenodigd voor het lokaal overleg. Het lijkt me logisch dat de actieve jeugdbewegingen ook hun zeg hebben. De link kan trouwens ook worden gelegd op de verschillende niveaus.

Het lijkt me ook logisch - en hiermee kom ik bij een volgend punt van kritiek - dat we in het Vlaamse kenniscentrum voor opvoedingsondersteuning naar een zo uitgebreid mogelijke delegatie gaan zodat we alle partners die op het veld actief zijn een stem kunnen geven. Ik heb er begrip voor dat de Gezinsbond vraagtekens plaatst bij het feit dat het expertisecentrum wordt ondergebracht bij Kind en Gezin. De Gezinsbond vreest dat Kind en Gezin alles te veel naar zich zal toetrekken. Ik heb in de commissie al uitgelegd dat er vooral een praktische reden is voor het onderbrengen van het expertisecentrum bij Kind en Gezin, want zo kunnen we gebruik maken van de gebouwen en van administratieve ondersteuning, maar ook van de aanwezige expertise. We zouden dom zijn om Kind en Gezin geen belangrijke rol te geven bij de opvoedingsondersteuning, gewoon al omwille van de autoriteit en expertise waarover Kind en Gezin beschikt als het gaat over kinderen tot drie jaar en, met wat goede wil, over kinderen tot zes jaar.

Uiteraard moet dat worden aangevuld met partners die over gelijkaardige expertise beschikken voor kinderen tussen zes en twaalf en tussen twaalf en achttien. Het lijkt me logisch dat de Gezinsbond betrokken wordt bij het expertisecentrum, net zoals de CLB's, de VVSG en de provincies. Dat lijkt me voor de hand liggend. Anders gaan we nooit een correcte uitstraling of autoriteit krijgen. Het Vlaams kenniscentrum moet dezelfde uitstraling krijgen als Kind en Gezin voor kinderen tot drie jaar. Trouwens, er zijn precedenten, we hebben ook een Vlaams Centrum voor Schuldbemiddeling. Vroeg of laat zal het misschien een eigen plaats krijgen in een decreet, maar vandaag valt dat ook onder de VVSG. Zo abnormaal is dat niet.

U beweert dat er te weinig garanties zijn op laagdrempeligheid, mevrouw Dillen. Dat vind ik vreemd. U moet toch erkennen dat het niet nodig is om in elke - kleine - gemeente een opvoedingswinkel op te richten. Daar hebben we de middelen niet voor. Er zijn keuzes gemaakt, de opvoedingswinkels worden in eerste instantie gefinancierd als zij zich in een centrumstad bevinden. Ik acht het perfect mogelijk dat er ook buiten de centrumsteden opvoedingswinkels komen. Het Meetjesland bijvoorbeeld heeft een traditie van goede samenwerking. Ik kan me perfect voorstellen dat enkele gemeenten daar samen een opvoedingswinkel realiseren die het label kan krijgen, maar nog geen Vlaamse subsidie. Dit voorstel van decreet creëert het kader voor meer opvoedingswinkels. Als het Vlaams Parlement beslist dat ook daar een opvoedingswinkel financiële steun moet krijgen, dan kan dat vrij eenvoudig worden geregeld.

De opvoedingswinkel vormt natuurlijk niet de enige garantie dat opvoedingsondersteuning laagdrempelig wordt. Juist door het lokale overleg als uitgangspunt te nemen, zullen we ervoor zorgen dat de preventie laagdrempelig is. Als we de scholen, de kinderdagverblijven, de huisartsen enzovoort erbij betrekken, stappen zij mee in het project en kunnen zij een eerste aanspreekpunt vormen voor ouders met vragen rond opvoeding. Dat maakt de opvoedingsondersteuning laagdrempelig.

De indieners van het voorstel van decreet hebben er uitdrukkelijk voor gekozen om een datum van inwerkingtreding in te schrijven. Toen we vaststelden dat die datum niet meer realistisch was - er stond 1 juli - hebben we daar 1 augustus van gemaakt. Dat lijkt me zeer logisch. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Van der Borght heeft het woord.

Vera Van der Borght

Het belang van opvoedingsondersteuning kan moeilijk onderschat worden in tijden van grote opvoedingsonzekerheid bij ouders. Dat werd ook aangehaald door vorige sprekers.

Dit voorstel van decreet heeft dan ook de ambitie om de basis te leggen van een toegankelijke opvoedingsondersteuning in de brede zin van het woord, en kanalen te creëren waar ouders een antwoord kunnen vinden op de vele vragen rond opvoeding waarmee ze in de praktijk geconfronteerd worden.

Daartoe werd een gelaagde structuur gecreëerd, gaande van gemeenten en provincies tot een studiedienst op Vlaams niveau. Als Open Vld'er heb ik nooit verheeld dat die zware structuur ons zorgen baart. Een structuur is nodig, maar we moeten er wel over waken dat de structuur niet meer energie en middelen opslorpt dan de uiteindelijke activiteit, in casu de opvoedingsondersteuning. Ik wil van deze tussenkomst gebruik maken om de nieuwe minister te vragen spaarzaam om te gaan met deze structuur en een overdadige vergadercultuur te vermijden, zodat mensen ingezet kunnen worden voor opvoedingsondersteuning. Uiteindelijk is dat de doelstelling van dit voorstel van decreet: opvoedingsondersteuning binnen het bereik van ouders en kinderen brengen en niet de zoveelste 'vergaderitis' veroorzaken.

Twee instrumenten uit dit decreet zijn zeer beloftevol, met name de opvoedingswinkels en het expertisecentrum. De opvoedingswinkels zijn gebaseerd op een concept dat in Vlaanderen reeds bestond ten experimentelen titel en dat goed werk heeft geleverd. Het feit dat het concept nu decretaal verankerd wordt, is positief. In steeds meer steden groeide immers de nood aan een opvoedingswinkel. Het gebrek aan subsidiëring was echter een domper op de dadendrang. Wij van Open Vld zijn blij dat ook de opvoedingswinkels die vandaag bestaan zonder daarvoor subsidie te ontvangen en die tijdens de hoorzitting aangetoond hebben dat ze heel wat ouders bereiken, kunnen blijven bestaan. Ze kunnen zelfs, indien ze voldoen aan een aantal voorwaarden, een kwaliteitslabel krijgen.

Toch wil ik ook enkele bekommernissen meegeven. Tijdens de hoorzittingen, zowel voor de totstandkoming van dit voorstel van decreet als naar aanleiding van dit voorstel van decreet zelf, werd vanuit het werkveld heel wat reserve gemaakt met betrekking tot de beperktheid van de middelen voor de opvoedingswinkels. Van de verschillende welzijnssectoren wordt verwacht dat zij elk een input doen in de opvoedingswinkels. Puur theoretisch is die benadering zeer goed, want het maakt dat men kan putten uit de rijke ervaring van de verschillende welzijnssectoren, die ieder vanuit hun werkveld een eigen invalshoek hebben.

Vanuit een praktische invalshoek is die inbreng niet zo evident. Sectoren in de welzijnssector hebben van oudsher geen overvloed aan middelen en mankracht. Heel wat van deze sectoren worden overbevraagd in het eigen domein. Bovendien zijn er nog een aantal andere processen bezig in de welzijnssector, die heel wat vergadertijd - die al dan niet als zinvol ervaren wordt - opslorpt. Aan hen vragen in mankracht te investeren in de opvoedingswinkels en in het lokale overleg, is niet altijd evident. Ik lees die bekommernis overigens ook in de brief van de VVSG, die de meeste leden wellicht ontvangen hebben. Ik denk dat we de komende jaren in de commissie voor Welzijn nog heel wat discussies zullen hebben over dit punt. We moeten ons daarvan bewust zijn.

In de begroting zijn middelen voorzien voor een opvoedingswinkel in dertien centrumsteden. Dat maakt tegelijkertijd dat heel wat gebieden geen opvoedingswinkel in de onmiddellijke omgeving zullen hebben. Dat betekent ook dat de geografische toegankelijkheid van de winkels voor een aantal mensen niet echt evident is, terwijl veel van die mensen misschien baat kunnen hebben bij een opvoedingswinkel. We zullen dus heel waakzaam moeten zijn als we het werkingsgebied van de opvoedingswinkels vastleggen.

Uiteindelijk mag de woonplaats van ouders en jongeren niet bepalend zijn voor de mate waarin zij gebruik kunnen maken van opvoedingsondersteuning.

Ik ben verheugd dat we vanuit Open Vld ook een amendement hebben kunnen indienen op het voorstel van decreet dat voorziet in een tweejaarlijkse evaluatie van de werking van de diverse opvoedingsondersteunende initiatieven. Een dergelijk omvangrijk decreet moet immers worden getoetst op zijn effectiviteit, en dus daadwerkelijk een antwoord geven op de nood aan opvoedingsondersteuning.

De evaluatie van dit voorstel van decreet, over twee jaar, zal ons veel leren over twee items, enerzijds over de mate waarin de subsidiëring waarin vandaag wordt voorzien, volstaat om een toegankelijke opvoedingsondersteuning te organiseren en anderzijds over de mate waarin de keuze voor een opvoedingswinkel in dertien centrumsteden al dan niet de geografische toegankelijkheid voor een aantal doelgroepen hypothekeert en hoe andere actoren in dit voorstel van decreet dit al dan niet hebben opgevangen.

Het expertisecentrum dat bij Kind en Gezin zal worden gevestigd, is volgens mij een bijzonder belangrijk instrument in dit voorstel van decreet. Daar zal immers gewerkt moeten worden aan het basismateriaal waarmee de andere actoren aan de slag kunnen gaan. Er zal gewaakt moeten worden over methodieken die effectief en efficiënt zijn. Vandaaruit zal ook de nodige ondersteuning voor de basis moeten worden gegeven. Ik kijk met interesse uit naar het werk dat daar zal worden afgeleverd.

Vanuit de Open Vld vragen we aandacht voor de vorming van de mensen die dagelijks met kinderen bezig zijn en vanuit hun positie als onthaalouder, kleuterleidster, onderwijzer of leraar de natuurlijke gesprekspartners zijn van ouders. Zij zijn het best geplaatst om nuldelijnsopvoedingsondersteuning te bieden aan de ouders. Door hun dagelijks contact hebben zij een heel goed beeld van het kind en van de pijnpunten in zijn opvoeding. Zij kennen de ouders en hun sociale context. Daardoor kunnen hun opvoedingsadviezen zeer gericht zijn, zeer to the point.

Investeren in deze mensen heeft bovendien een multiplicatoreffect met een heel hoog rendement. Bovendien zullen de ouders van deze mensen veel makkelijker opvoedingstips aanvaarden omdat ze zijn aangepast aan hun concrete situatie. De OCMW's zijn dezelfde mening toegedaan. Ook volgens de VVSG zijn investeringen in deze mensen de meest efficiënte opvoedingsondersteuning omdat daarmee ook de zwaksten in onze maatschappij worden bereikt.

In dit voorstel van decreet hebben we duidelijk gekozen voor een scheiding tussen opvoedingsondersteuning en echte hulpverlening. De ervaring van de volgende jaren zal uitwijzen of we hiermee de juiste keuze hebben gemaakt. Ik denk van wel. Opvoedingsondersteuning mag door ouders niet worden ervaren als iets wat zich enkel voordoet in problematische situaties. Zo niet wordt die ondersteuning ook als ontoegankelijk ervaren.

Dit voorstel van decreet is niet zonder moeite tot stand gekomen. De evaluatie ervan zal moeten aantonen of we daarmee de goede richting zijn uitgegaan. Mijn fractie heeft er alvast vertrouwen in.

De voorzitter

De heer Voorhamme heeft het woord.

Robert Voorhamme

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, bij aanvang van de legislatuur van het Vlaams Parlement heb ik met de heer Martens gesprekken gevoerd over het belang van een vernieuwde, duidelijke regeling in verband met opvoedingsondersteuning. Ik ben geen lid van de commissie voor Welzijn. Ik vond het echter nodig dat daarover niet enkel in die commissie werd nagedacht. Ook in de commissie voor Onderwijs bestaat daarover heel wat ervaring. Er bestaat een behoefte aan een duidelijk framework, een duidelijk raamwerk, waarbinnen initiatieven in verband met opvoedingsondersteuning geplaatst kunnen worden. Ik ben dan ook blij dat de heer Dehaene en andere leden van de commissie voor Welzijn mee een initiatief hebben genomen en dat ook ik mijn steentje heb kunnen bijdragen.

Ik vond het een zeer leuke samenwerking. Het was niet altijd gemakkelijk omdat heel wat instanties zich - terecht - geroepen voelden om hierover hun zeg te doen. Bovendien gaat het over een vrij onontgonnen terrein. Links en rechts is er wel wat ervaring. Die is echter niet per se volledig kopieerbaar. Iedereen verdedigt natuurlijk zijn model.

Wordt met dit voorstel een soort nieuwe Big Brothersituatie gecreëerd? Hoegenaamd niet. Iedereen die al langer met deze problematiek te maken heeft, zal ervan overtuigd zijn dat het niet aan de overheid is om zich te moeien met opvoeden. Opvoeden gebeurt per definitie in de gezinssfeer. Het is niet zo dat de overheid allerlei zaken moet opdringen.

Als de overheid zich niet moet moeien met die opvoeding, dan geldt dat omgekeerd ook. Opvoeden is een essentiële taak binnen het gezin. Die taak mag dan in de feiten niet worden overgeheveld naar de overheid.

De voorzitter

Mevrouw Vogels heeft het woord.

Mieke Vogels

Mijnheer Voorhamme, dat is een zeer rare redenering. Als aan mannen en vrouwen wordt gevraagd actief te zijn op de arbeidsmarkt, dan houdt dat ook in dat de overheid een engagement neemt via de kinderopvang, via onderwijs enzovoort. Ik begrijp uw redenering helemaal niet. Het gaat om een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

U zegt dat opvoeden de verantwoordelijkheid van de ouders is. De ouders moeten daarbij ondersteund worden. Dat is niet zo. De samenleving draagt daarin ook een verantwoordelijkheid, zeker op een moment dat we verwachten dat mannen en vrouwen actief zijn op de arbeidsmarkt.

Robert Voorhamme

Ik ben het volledig oneens met wat u zegt. In de praktijk merk ik dat er een doorschuifoperatie is, waarbij heel wat gezinnen die het moeilijk hebben, die problemen hebben met de opvoedingstaak, rekenen op overheidsinstellingen of daaraan verbonden instanties, zoals het onderwijs, om een deel van die taak over te nemen. Dat is geen goede evolutie. Het evenwicht inzake de taak van elk wordt daarmee verbreken.

Ik ben begonnen met te zeggen dat ik geen deel uitmaak van de commissie voor Welzijn. Vanuit mijn ervaring in de onderwijswereld en met mensen die werkzaam zijn in de kinderopvang en het jeugdwerk, stel ik vast dat tal van mensen die ook een taak hebben bij de opvoeding naar volwassenheid, meer en meer worden aangesproken over opvoedingsproblemen, over opvoedingsdilemma's die te maken hebben met de opvoedingssituatie binnen het gezin.

De voorzitter

Mevrouw Berx heeft het woord.

Cathy Berx

Ik treed de redenering van de heer Voorhamme volledig bij. Het is belangrijk dat het signaal wordt gegeven dat opvoeding in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de ouders is en blijft. De ouders moeten daarin worden ondersteund. Voor ouders die allebei gaan werken, zijn er vormen van kinderopvang. Daardoor wordt een deel van de taken verschoven. Die worden dan als het ware een aanhangsel van een andere hoofdtaak: er voor zorgen dat kinderen op een goede manier worden bewaakt en op een goede en veilige manier de dag kunnen doorbrengen wanneer de ouders uit werken zijn. Daar raken zijdelings nog wel enkele opvoedingstaken bij betrokken, maar in essentie is de opvoeding een taak van de ouders. De overheid mag niet veronderstellen en ook niet het signaal geven dat anderen het wel zullen overnemen, dat de overheid die verantwoordelijkheid kan of zal overnemen. Wij moeten dit klaar en duidelijk blijven zeggen. Ouders zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor alles wat te maken heeft met de opvoeding en met de cruciale keuzes die daarbij moeten worden gemaakt. Zij moeten een aanspreekpunt hebben wanneer er vragen rijzen die zij zelf niet meteen en alleen kunnen oplossen. Je mag daaruit niet afleiden dat kinderopvang en onderwijs voor een groot deel de opvoeding overnemen. Dat gaat te ver.

Mieke Vogels

Dat heb ik ook niet gezegd. Laat ons weer niet in zwart-wittermen spreken.

Zoals u was begonnen, mijnheer Voorhamme, was ik het absoluut niet met u eens. Uw tweede tussenkomst is veel genuanceerder.

Robert Voorhamme

U bent veel te vlug tussengekomen, mevrouw Vogels. Ik bouw een redering op en u komt al tussen. U interpreteert al iets wat er nog niet is. Met uw eerste tussenkomst, mevrouw Vogels, wilde u al meteen duidelijk maken dat onderwijs en al die instellingen een verantwoordelijkheid niet mogen ontlopen. Dat is een foute instelling. U doet het voorkomen alsof die instellingen vandaag wél de neiging zouden hebben om hun verantwoordelijkheid te ontlopen. Terwijl ze zich nog nooit zo sterk als vandaag met de maatschappelijke problematiek hebben beziggehouden.

Mieke Vogels

Ik ben hier de laatste spreker. Iedereen van de meerderheid lijkt te moeten zeggen wat men dénkt dat ik zal zeggen. De heer Dehaene was ook al zo bezig.

Dit is een interessant debat. Er is een gedeelde verantwoordelijkheid. De hoofdopdracht van de opvoeding ligt bij de ouders. Daar ben ik het volledig mee eens. Ik ben het totaal oneens met mevrouw Berx, die kinderopvang ziet als een soort bewaken van kinderen wanneer de ouders uit werken zijn. Dat staat haaks op de filosofie die altijd door onder meer Kind en Gezin naar voren werd geschoven. Die filosofie hebben we hier altijd bejubeld, overigens.

Kinderopvang heeft ook een pedagogische opdracht. Samen met de ouders en het onderwijs heeft kinderopvang de opdracht om van een kind een sterk iemand te maken en het tot volwassenheid te leiden. Ik pleit er hier geenszins voor dat ouders alles moeten doorschuiven, of dat het de ene óf de andere is die verantwoordelijkheid moet opnemen. Ik vind wel, mijnheer Voorhamme, dat er de laatste tijd steeds meer een tendens bestaat om ouders niet te responsabiliseren, maar wel om ze te culpabiliseren: "Jullie zijn fout bezig en jullie moeten het maar eens anders doen." Ik heb de indruk dat de slinger naar de andere kant aan het doorslaan is.

Tom Dehaene

Mevrouw Vogels, ik heb verwezen naar uw tussenkomst in de commissie. Ik ga er van uit dat u vandaag niets anders zult zeggen dan in de commissie. (Opmerkingen van mevrouw Vogels)

U zegt dat men te veel zegt dat veel ouders een probleem hebben met opvoeden. Maar met dit voorstel van decreet willen we nu net het signaal geven dat het normaal is dat er vragen rijzen. Iedereen heeft tijdens de opvoeding van de kinderen momenten waarop hij zich afvraagt wat er moet gebeuren. Vaak is dat niet problematisch. Maar als dergelijke vragen zich ophopen, dreig je wel in een problematische situatie terecht te komen. Dat proberen wij te voorkomen. Je moet niet zeggen dat we pas mogen ingrijpen als er een probleem is. Dan zijn we over iets anders bezig, namelijk hulpverlening. Hier gaat het om preventie. Dit is duidelijk maken aan de mensen dat het normaal is dat ze vragen hebben, dat ze goede ouders zijn als ze met die vragen naar buiten komen en hulp zoeken of informatie proberen te verzamelen om een antwoord te kunnen formuleren op hun vragen.

Cathy Berx

Mevrouw Vogels, ik heb absoluut het pedagogische aspect niet onderschat, zowel in de kinderopvang als in het onderwijs. In de discussies over onderwijs zeggen wij dat het een taak is van het onderwijs om jongeren op te leiden tot burgers die goed meedraaien in onze samenleving, die hun talenten kunnen ontplooien enzovoort.

Ik vind het echter verkeerd dat de inspanningen die van eenieder worden verwacht, dat aangeven dat wie een kind krijgt daar dag en nacht inspanningen voor moet doen en dat er een evenwicht moet zijn tussen rechten en plichten, wordt beschouwd als het culpabiliseren van ouders. Daar gaat het niet om. Het gaat om gedeelde verantwoordelijkheid om mensen sterker te maken om die opdracht te kunnen vervullen. Het is cruciaal dat de overheid het signaal geeft dat we ouders vertrouwen en hen ondersteunen, en dat ze als eerste de volle verantwoordelijkheid hebben om die kinderen tot goede burgers op te voeden en op te leiden.

Robert Voorhamme

Ik ben het ermee eens dat de duidelijke doelstelling van dit voorstel net het omgekeerde is dan ouders te culpabiliseren. Dit voorstel creëert een raamwerk om op een gestroomlijnde manier initiatieven te kunnen nemen die het ouders beter mogelijk maken om hun taak als opvoedingsverantwoordelijke op te nemen. Het is hoogdringend dat dit er komt. De stijgende vraag bij ouders is wel degelijk aanwezig. Het feit dat er meer vragen zijn over opvoeding, dat er meer opvoedingsdilemma's zijn, lijkt me een evidentie. De praktijk toont dit aan. Iedereen die zelf met opvoeden wordt geconfronteerd, zal het persoonlijk zo ervaren. Daar zijn een aantal goede redenen voor. Vijftig jaar geleden - en mijn generatie is daar mee schuldig aan - was er een tijd dat onze samenleving veel meer was geordend in collectieve patronen, waardoor ouders niet al te veel moesten nadenken over opvoeden. Men pakte standaardpakketten van het schap en paste die toe. (Opmerkingen van mevrouw Mieke Vogels)

Neen, ik pleit er niet voor om daarnaar terug te gaan. De beweging van 1968 heeft veel verdienste gehad en heeft dit in feite fundamenteel doorbroken. Er is echter uit het oog verloren dat door dit te doorbreken, er heel sterk op werd gerekend dat iedereen individueel in staat was om zelf aan normensetting te doen. Dat blijkt, niet alleen in opvoeden maar ook in tal van andere domeinen, niet zo perfect mogelijk. Dat blijkt niet mogelijk als het aan het hyperindividuele initiatief wordt overgelaten. Dus is er nood aan ontsluiting. Opvoeden is tot nog toe iets wat heel sterk in de privésfeer zit. Het is voor velen moeilijk om daar open over te praten, terwijl het nodig is dat dit gebeurt.

Er zijn ook andere redenen waarom er zich veel meer opvoedingsvragen voordoen. Ik denk bijvoorbeeld aan de sterk gewijzigde samenstelling van de gezinnen. In Antwerpen zijn de kinderen die nog behoren tot een gezin waar vader, moeder en kinderen samenleven, een minderheid. De meerderheid van de kinderen leeft ofwel in een eenoudergezin ofwel in een nieuw samengesteld gezin. Dat is een ongelooflijke verschuiving, die voortdurend nieuwe opvoedingsdilemma's doet rijzen.

Cathy Berx

Ik wil geen discussie voeren over mei 1968 en wat dit heeft betekend en opgeleverd, maar misschien dat het verbod om te verbieden een probleem was om op een positieve manier grenzen te leren stellen. Ook dit zit ook mee in het voorstel van decreet.

Robert Voorhamme

Er is nog een element dat wordt onderschat, namelijk dat de beheersing van de informatie in de ruimst mogelijke zin hoe langer hoe moeilijker wordt.

Wat kinderen aan informatie krijgen, wordt voor ouders hoe langer hoe meer onbeheersbaar.

In Antwerpen leeft een orthodoxe joodse gemeenschap die heel erg als collectiviteit wil denken en handelen, en daartoe grote inspanningen levert om bepaalde informatiestromen tegen te houden. Dat is natuurlijk tevergeefs. Elke dag vechten ze daartegen, maar ze slagen er niet in. Als zo'n goed georganiseerde, gesloten gemeenschap daar niet meer in slaagt, waarom zou de gewone Vlaming dat dan wel kunnen?

Last but not least moeten we vaststellen dat de samenleving veel multicultureler is geworden. We kunnen dat niet van tafel vegen. Mensen met een andere culturele achtergrond komen naar hier. Dikwijls hebben ze andere gewoonten, ook inzake opvoeding. Er zijn groepen die hier leven maar veel meer werken met groepsnormen dan in onze samenleving gebruikelijk is. De kinderen van die mensen lopen hier school en zijn blootgesteld aan dezelfde informatiestromen als andere kinderen. Ze staan dus dikwijls voor uitdagingen die niet altijd gemakkelijk kunnen worden aangepakt. Het is dus logisch dat dit vragen oproept en dat men de behoefte heeft daarover eens te kunnen praten zonder dat daarop belerend wordt gereageerd. Empowerment is het doel, en dat woord staat letterlijk in de toelichting van het voorstel van decreet.

Hoewel het om een kaderdecreet gaat, denk ik dat mag worden gezegd dat het belangrijk is dat mensen worden geholpen om een beetje gelukkiger te worden. Iedereen draagt een rugzakje waarin hij of zij problemen meesleept. Mensen hebben problemen met de opvoeding van de kinderen, maar ook met de files enzovoort. We moeten proberen om de opeenstapeling van problemen te voorkomen, zo niet neemt de stress alsmaar toe. We mogen het gewicht van de onopgeloste vragen over de opvoeding van kinderen niet onderschatten.

Het uitgangspunt van dit voorstel van decreet is het maken van een duidelijke scheiding tussen de aanpak van dit soort van vraagstelling en de hulpverlening. Dat is cruciaal. Er mag geen vermenging ontstaan. Het gaat immers niet alleen over opvoedingsproblemen in kansarme gezinnen, gezinnen met vreemde culturen of eenoudergezinnen. Het betreft opvoedingsproblemen in alle gezinnen. Geloof me: opvoedingsproblemen zijn er in gezinnen van alle rangen en standen. Als we de opvoedingsondersteuning op bepaalde doelgroepen zouden toespitsen, schieten we ons doel voorbij. De neiging om dit te vermengen met de hulpsector kan dus niet.

Dat betekent niet dat iemand die met een vraag een opvoedingswinkel binnenstapt, niet naar een vorm van hulpverlening kan worden doorverwezen. Maar de scheiding moet duidelijk zijn.

Bij gebrek aan voldoende initiatieven in de opvoedingsondersteuning doet men te vaak een oneigenlijk beroep op hulpverleningsinstanties. Mensen die dat veel beter kunnen weten dan ik, zoals de heer Peter Adriaenssens, stellen vast dat veel te veel mensen een beroep doen op een kinderpsychiater met problemen waarvoor dat helemaal niet nodig is. Opvoeding begint van bij de geboorte. (Opmerking van mevrouw Kathleen Helsen)

Of van vroeger. Maar vele mensen denken pas na over opvoeding als hun kinderen de puberteit hebben bereikt. Want de puberteit is de fase in het leven van een jonge mens, waarin alles wat daarvoor gebeurd is, op tafel wordt gelegd. Heel veel problemen die in de puberteit zichtbaar worden, werden in de voorgaande jaren opgebouwd. Men wacht te lang om vragen te stellen.

Er zijn gelukkig veel initiatieven. Daarom was er nood aan een decretaal kader om al die initiatieven te kaderen. De basis moet zijn: drempelverlaging. Als je dit voorstel van decreet vlug leest, kun je zeggen dat het heel bureaucratisch is, want er wordt opgesomd hoe die opvoedingsondersteuning zou moeten werken. Die kan maar zeer laagdrempelig werken als er in netwerken wordt gewerkt, als het niet één instantie is die zegt waarover het gaat en als er goed horizontaal gewerkt wordt. Bij opvoedingsondersteuning komen er veel instanties aan te pas: onderwijs, kinderdagverblijven, jeugdwerk, zelfs de politie. De politie weet veel over situaties waarin ouders en kinderen zich bevinden en over mogelijke opvoedingsvragen.

Netwerking is dus cruciaal. Wat u 'topzwaar' noemt, gaat dus enkel over heel veel instanties die erbij betrokken zouden moeten worden. Dat is net het raamwerk. Opvoedingsondersteuning die op lokaal vlak wordt georganiseerd maar niet uit een netwerk bestaat, is niet goed bezig. Dat is wat de decreetgever aangeeft. Voor de rest is men vrij om er nog heel veel andere instanties bij te betrekken. In Antwerpen zijn er bijvoorbeeld 80 verschillende organisaties in zo'n netwerk actief - om maar te zeggen dat dit niet het werk is van één instantie.

Wat ik belangrijk vind, is dat er een beroep wordt gedaan op de lokale horizontale werking. Het is logisch dat de gemeenten de verantwoordelijkheid hebben om het initiatief te nemen om een coördinatie op gang te brengen, omdat het een horizontale bevoegdheid is. Op het lokale niveau kan zo'n horizontale samenwerking worden georganiseerd.

Achteraf bekeken is het ook goed dat de provincies een rol krijgen toebedeeld voor degenen die te ver van een centrumstad liggen of daar geen beroep op kunnen doen. De provincies hebben trouwens uitdrukkelijk gezegd dat ze dat wilden doen. Het is goed dat het in dit voorstel van decreet in de eerste plaats over de ouders gaat, of ruimer bekeken de opvoeders, want dat kunnen ook grootouders of pleegouders zijn. We moeten er oog voor hebben dat de zogenaamde intermediairen hier terecht kunnen, leerkrachten, kinderverzorgsters, jeugdwerkers enzovoort. Zij worden vaak geconfronteerd met vragen van ouders en zijn daar niet per se deskundig in. Dikwijls hebben ze behoefte aan raad. Ze kunnen wel initiatieven inzake opvoedingsondersteuning opstarten.

Er is ook duidelijkheid gecreëerd over de opvoedingswinkels. Aan welke voorwaarden moeten die voldoen om erkend te kunnen worden en eventueel subsidies krijgen? Het is goed dat er een Vlaams Expertisecentrum komt. Er wordt nu te veel op een versnipperde manier gepoogd om het warm water uit te vinden. Er zijn bepaalde initiatieven die ik wil aanmoedigen. Televisieprogramma's met een kwaliteitssturing zouden nuttig kunnen zijn. Sommige programma's begaan soms grove fouten in de aanpak van de betrokkenen die er moeten in optreden. Het Vlaamse niveau is het enige niveau waar zoiets kan worden gerealiseerd en dan ter beschikking gesteld van de regionale televisie.

Ik hoop dat er nu veel initiatieven worden genomen. Ouderavonden op school kunnen over bepaalde thema's gaan. De ouders van de leerlingen van het vierde jaar kunnen bijvoorbeeld samen vragen om over bepaalde zaken te praten. Lunchgesprekken in bedrijven kunnen dilemma's en vragen behandelen met expertiseondersteuning. Ook het verenigingsleven kan hiervoor in aanmerking komen. In sportclubs ontmoeten ouders elkaar dikwijls, daar kunnen ze praten over vragen in verband met hun kinderen. In seniorenclubs komen veel grootouders samen, die ook betrokken zijn bij de opvoeding.

Er kunnen initiatieven worden genomen door de mensen die met het integratiebeleid bezig zijn. In het kader van een ruime inburgeringsbenadering moeten we dat absoluut aanmoedigen.

Als dat gebeurt, mijnheer de minister, als er zovele initiatieven ontstaan op zovele plekken in Vlaanderen, dan ben ik ervan overtuigd dat u nu al moet beginnen nadenken over hoe u het zult klaarspelen om daarvoor in voldoende budgettaire middelen te voorzien in de toekomst. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Vogels heeft het woord.

Mieke Vogels

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, ben ik tegen opvoedingsondersteuning? Neen, wie zou daar tegen kunnen zijn. Ben ik blind voor de grote maatschappelijk evoluties die de heer Voorhamme breedvoerig heeft geduid? Neen, integendeel. Heb ik zelf nooit vragen gehad bij de opvoeding van mijn kinderen? Ja, vele vragen zelfs. Ik heb maar één probleem: ik voel me niet schuldig omdat onze generatie in de jaren zestig en zeventig een aantal vaste waarden en normen door elkaar heeft geschud. We moeten naar een nieuw maatschappelijk kader, maar dat staat niet in de catechismus van gisteren, dat zit in het nieuwe zoeken naar waarden en normen van morgen. Dat maar om te zeggen dat ik het in grote mate, misschien wel voor 150 percent, eens ben met uw analyse.

Ben ik tegen opvoedingsondersteuning? Neen, mijnheer Dehaene, net zoals al die mensen die we op een hoorzitting hebben uitgenodigd, zijn komen zeggen dat ze opvoedingsondersteuning belangrijk vinden en dat het belangrijk is dat er een decretale onderbouw komt. Maar u doet die mensen onrecht aan door telkens één zinnetje uit het hele verslag te citeren terwijl er heel veel kritische opmerkingen waren. Die mensen zijn te elfder ure uitgenodigd, ze hadden maar een week tijd om te komen en alles moest snel snel gaan.

Als je ze dan slechts een half uur tijd geeft en je laat één zinnetje in het verslag voor de plenaire vergadering terechtkomen, dan doet u, die altijd pleit voor respect voor het middenveld, dat middenveld onrecht aan.

Tom Dehaene

Mevrouw Vogels, ik had maar 30 minuten spreektijd. Als ik de hele hoorzitting moest voorlezen, had ik daar een veelvoud van nodig.

Mieke Vogels

Dan zou u beter zwijgen en verwijzen naar het verslag.

Tom Dehaene

Neen, omdat u zou aanhalen dat er zeer veel kritiek is op dit voorstel en ik heb met mijn toelichting willen duidelijk maken dat veel van de actoren achter de grote lijnen van dit voorstel van decreet staan. Het is trouwens niet juist dat ze maar een week de tijd hadden. Zij die de werkzaamheden opvolgen, weten zeer goed dat we er al meer dan een jaar mee bezig zijn. Geloof me, vele van die actoren hebben de gelegenheid genomen om de indieners te contacteren en hun bedenkingen te geven.

Mieke Vogels

Ik ben dus niet tegen opvoedingsondersteuning en ook niet tegen opvoedingswinkels. Ik denk dat ze maar één mogelijk instrument zijn van opvoedingsondersteuning. Ik ben het met een van de voor mij heel belangrijke actoren op het middenveld, die zich wel een beetje gepasseerd voelen, namelijk de VVSG, eens dat opvoedingswinkels een middenklasse-instrument zijn om aan opvoedingsondersteuning te doen. Je stapt maar naar een opvoedingswinkel wanneer je aan twee belangrijke voorwaarden voldoet: je moet inzien voor jezelf dat je steun nodig hebt en je moet in staat zijn dat ook nog juist te verwoorden. De doelgroepen die dat het meest nodig hebben, en het zijn vaak doelgroepen in steden, zoals allochtonen, zie ik niet naar een opvoedingswinkel stappen.

Ik vind samen met de VVSG, dat opvoedingsondersteuning moet worden uitgebouwd binnen de bestaande diensten. Dat is het grote verschil tussen de visie van deze decreetgevers en mijn visie die ik tijdens vorige legislatuur, toen ikzelf de mogelijkheid had beleid te maken, heb kunnen uitvoeren. Vorige legislatuur zijn we gestart met voor de jongste kinderen, tussen 0 en 3 jaar, opvoedingsondersteuning te geven via Kind en Gezin. Kind en Gezin heeft in zijn preventieve consulten een zeer breed bereik. Door naast de sociale en medische consulten telkens een pedagogisch consult in te bouwen, was opvoedingsondersteuning in het bereik van heel veel mensen. De mensen konden er terecht met vragen als: wat doe ik als mijn kind niet slaapt, als het niet opruimt, als het tegen mijn schenen schopt?

Ik denk dat we de opvoedingsondersteuning voort moeten uitbouwen binnen die instellingen waar alle mensen uit alle lagen van de bevolking komen. Dan denk ik bijvoorbeeld aan de kinderopvang, waarmee ik niet wil zeggen dat alle verantwoordelijkheid bij de kinderopvang ligt. Daar moeten de mensen echter oog hebben voor de problemen. Sommige ouders hebben het erg moeilijk om hun kind in de hand te houden. Kleuters zijn agressief of willen niet opruimen. Zien we dat, dan moeten we proberen om via de scholen, de kinderopvang en het OCMW die opvoedingsondersteuning te organiseren, en niet via een winkel die ergens in een centrumstad gevestigd is.

Tom Dehaene

Mevrouw Vogels, u wilt het blijkbaar niet begrijpen. U bent zich aan het toespitsen op die opvoedingswinkel. Ik heb hier de brief van de VVSG. De vereniging zegt inderdaad dat de opvoedingswinkel voor de middenklasse is. Maar nogmaals, het uitgangspunt van dit voorstel van decreet is niet de opvoedingswinkel. We proberen elk lokaal bestuur aan te moedigen om te werken aan opvoedingsondersteuning. Wie gaat dat doen? Dat zijn de scholen en de dagopvangcentra waarover u het had. Via dat lokaal overleg zullen zij de nodige informatie krijgen om te kunnen antwoorden op de vragen van ouders. Het zal noch het lokaal overleg, noch de lokale coördinator zijn die elke opvoedingsvraag zal beantwoorden, integendeel.

Robert Voorhamme

Mevrouw Vogels, ik vind uw redenering merkwaardig. In de commissie hebt u heel duidelijk gemaakt dat u dit voorstel veel te log en te bureaucratisch vindt.

Wat u zegt, klopt natuurlijk: het gaat niet alleen over de opvoedingswinkel. Het gaat om velerlei actoren, waaronder Kind en Gezin, maar ook andere actoren die op de ene of andere wijze mee die doorstroming moeten bieden, ieder vanuit zijn eigen invalshoek. Net wegens dat principiële uitgangspunt, dat ik deel, was het nodig om in het voorstel van decreet te bepalen dat het moet gaan over al die instanties. Dat doet u echter dan weer vanuit een andere invalshoek zeggen dat dit alles zo log en bureaucratisch is dat het niet kan werken. Het is het ene of het andere, mevrouw Vogels.

Mieke Vogels

Het is niet het ene of het andere. U hebt daarnet voorbeelden gegeven. Ik was blij dat er eindelijk een aantal voorbeelden werden gegeven van wat opvoedingsondersteuning zou kunnen zijn. Al die voorbeelden bestaan vandaag al. Er is geen decreet nodig om ervoor te zorgen dat op een bepaald ogenblik een ouderavond over opvoeding wordt georganiseerd. Dat gebeurt nu ook. Er is geen decreet nodig om allochtone ouders bijeen te brengen. Vandaag zijn er zowel binnen het buurtwerk als binnen Kind en Gezin groepen van allochtone moeders die samen over opvoeding praten. Mijn vraag is: wat is nu in godsnaam de meerwaarde van die logge structuur?

Voor dit voorstel van decreet is er zeer weinig geld uitgetrokken, daar zijn we het over eens. Het gaat over 87.000 euro. Dat is de inzet, de wortel die we de 13 centrumsteden voorhouden. Dat is het bedrag dat de Vlaamse overheid over heeft om die steden wat te helpen qua opvoedingsondersteuning. Dan moeten die steden echter wel op onze maat - en dan kom ik tot die bureaucratische moloch - een lokaal overleg organiseren, waarin minstens OCMW's, erkende huisartsen, kleuterscholen, basisscholen, secundaire scholen, centra voor leerlingenbegeleiding, regionale instellingen en instituten voor maatschappelijk opbouwwerk, diensten voor gezinszorg, de lokale politie, de verenigingen waar armen het woord nemen, de verenigingen uit het sociaal-cultureel vormingwerk en de voorzieningen vertegenwoordigd zijn. Ten behoeve van de leden die niet in onze commissie zetelen, wou ik even die opsomming maken.

Tom Dehaene

Ze worden daartoe uitgenodigd!

Mieke Vogels

Wat is in godsnaam de meerwaarde van het rond de tafel brengen van al die mensen? Hoe worden die daar beter van? Als jullie nu eens zouden zeggen wat jullie onder opvoedingsondersteuning verstaan, maar dat staat niet in dit voorstel van decreet. Mijnheer Voorhamme, ik heb daarnet van u gehoord dat het gaat over een veelvoud aan bestaande initiatieven. Dat is goed, maar hoe worden die verenigingen en initiatieven er beter van dat ze nu met zijn allen in logge structuren moeten gaan vergaderen opdat de gemeente - een van de 13 centrumsteden - die 87.000 euro zou kunnen verdelen, waarbij ze het recht krijgt op een halftijds medewerker in een opvoedingswinkel? Ben ik nu fout aan het redeneren? Ik zie de meerwaarde niet.

Tom Dehaene

Mevrouw Vogels, u wilt het blijkbaar niet juist lezen. U maakt er graag een karikatuur van. Ik kan alleen maar vaststellen dat u stilaan een karikatuur wordt van uzelf.

U vraagt naar de meerwaarde. De meerwaarde zit er juist in dat we proberen te stroomlijnen zodat wie initiatieven wil nemen rond opvoedingsondersteuning het warm water niet opnieuw moet uitvinden. Zo wordt op gemeentelijk, regionaal, provinciaal en centrumstedelijk niveau dezelfde informatie ter beschikking gesteld en worden dezelfde kanalen gebruikt om de informatie tot bij de ouders te krijgen. Daar zit de meerwaarde van dit voorstel van decreet. We creëren een kader zodat iedereen die werkt rond opvoedingsondersteuning dezelfde informatie kan krijgen en niet zelf alles moet opzoeken.

Mieke Vogels

Welke informatie is dat dan? Brochures?

Tom Dehaene

Dat gaat over opvoedingsondersteuning. De informatie wordt gegeven door het Vlaams Expertisecentrum en door de provincies. Het Vlaamse niveau zal bijvoorbeeld zeggen dat we dit jaar rond grenzenstelling werken. Dan komt er een massa aan informatie ter beschikking. Het is aan de lokale besturen om hieruit te halen wat ze graag willen gebruiken en nuttig vinden.

Dat gebeurt vandaag niet, mevrouw Vogels. Het voorbeeld van Antwerpen is zeer goed. Zij slagen erin om alle actoren samen te brengen zodat ze uit dezelfde vijver van informatie kunnen vissen. Als je dat niet doet, vist iedereen op zichzelf, zonder afspraken te maken.

Vera Van der Borght

Iedereen in de commissie voor Welzijn heeft op bepaald ogenblik de huidige problematiek aangehaald. Er was een verzuchting om iets te doen voor opvoedingsondersteuning. Dat is herhaaldelijke keren in de commissie besproken. Het voorstel van decreet is er gekomen. We zijn er ons van bewust dat het misschien niet ideaal is, maar het is toch een stap in een bepaalde richting. Het is toch een ondersteuning. Akkoord, die gaat in de eerste plaats naar de 13 centrumsteden, maar die zijn toch ook niet onbelangrijk. Laat ons de stap nu zetten. Laat ons dan de evaluatie afwachten en kijken of er moet worden bijgestuurd. We kunnen nog een jaar in het rond schieten en roepen dat er moet worden ingegrepen, maar laat ons liever een stap zetten.

Robert Voorhamme

Mevrouw Vogels, u zegt dat het er allemaal al is, maar het is er niet. Er zijn aparte initiatieven, goedbedoeld met veel engagement, maar die moeten telkens van nul van start gaan. Als er al mensen zijn, dikwijls vrijwilligers, die toch een initiatief willen nemen, is het ondankbaar dat ze niet op een goede manier gesteund worden door de Vlaamse overheid.

Mevrouw Vogels, ik spreek vanuit de praktijk. Het aantal leerkrachten dat vraagt naar informatie en ondersteuning om dingen op een deskundige manier in te richten, stijgt elk jaar. Hetzelfde geldt voor kinderverzorgers en jeugdwerkers. Zij willen iets organiseren, maar wat, met wie en met welke middelen? Die regisserende rol moet dringend bepaald worden. Dat wordt nu in dit voorstel van decreet bevestigd. Het voorstel van decreet creëert een kader en richt zelfs een expertisecentrum op. Dat vermijdt dat men elke keer opnieuw zelf infomapjes moet samenstellen.

We hebben vorig jaar in Antwerpen het initiatief genomen voor uitzendingen over opvoedingsondersteuning op de regionale televisie. Het gaat te ver dat een lokale overheid voor een stuurgroep moet zorgen en moet zorgen voor de regie van een programma op de regionale televisie. Het gaat dan over standaardvragen waarop bijvoorbeeld via improvisatietheater kan worden ingespeeld.

U ontkent dat er zoiets nodig is als een regierol, als een ondersteuning, als een flankerend beleid voor de vele initiatieven die er op het terrein zijn.

Mieke Vogels

Ik ontken dat niet. Ik ben het er volledig mee eens dat een expertisecentrum wordt opgericht om een aantal dingen te stroomlijnen en te sturen, en om niet telkens weer het warme water te moeten uitvinden. Ik blijf het een papieren of een bureaucratische tijger vinden indien voor de oprichting van een opvoedingswinkel een lokaal bestuur wordt verplicht om alle partijen rond de tafel te brengen. Ik zie dat niet functioneren. (Opmerkingen van de heer Tom Dehaene en van mevrouw Sonja Claes)

Hoe zal de politie met de huisartsen overleggen? Natuurlijk heeft iedereen een andere invalshoek en iedereen zal wel goede ideeën hebben, maar hoe zal de vergadering gestuurd worden zonder dat er enig middel tegenover staat?

Mijnheer Voorhamme, wie heeft uw ATV-programma's betaald? De stad heeft ze betaald.

Robert Voorhamme

Neen, de stad heeft ze niet betaald.

Mieke Vogels

Ze werden in geen geval door de Vlaamse overheid betaald. De Vlaamse overheid zal ook niet betalen voor de voorstellen die u doet. Het blijft een grote praatbarak van mensen met goede ideeën. Ik zie het niet functioneren. Ik ben trouwens niet de enige. Ik verwijs nog een keer naar de VVSG. "Alle mooie belfortprincipes ten spijt", stelt de vereniging. Wij hebben hier inderdaad dure eden gezworen dat we de lokale besturen niet extra zouden belasten zonder duidelijk overleg of zonder er extra middelen tegenover te plaatsen. Als de lokale besturen willen dat de opvoedingsondersteuning in hun gemeente slaagt, dan moeten zij de lokale coördinator financieren en wordt van hen verwacht om de nodige middelen aan te brengen.

Tom Dehaene

Mevrouw Vogels, we verplichten de lokale besturen niet om te werken omtrent opvoedingsondersteuning. We bieden het kader aan waarbinnen ze kunnen werken, maar we verplichten ze niet.

U stelt dat de lokale partners aanwezig moeten zijn op het lokale overleg, maar ik weet niet waar u dat haalt. In artikel 5 staat heel duidelijk: "de volgende actoren worden uitgenodigd".

Mieke Vogels

Er staat: "moeten minstens vertegenwoordigd zijn".

Tom Dehaene

Neen, ze "worden uitgenodigd voor een deelname aan het lokaal overleg". Dat staat in de vijfde lijn van artikel 5, op pagina 13 van het gedrukte stuk.

Mieke Vogels

Als u ze uitnodigt en ze komen niet, dan heeft het niet veel zin. Wat is de meerwaarde dan?

Tom Dehaene

De meerwaarde is dat wij erkennen dat al die actoren ook een inbreng kunnen doen, indien ze dat wensen.

Mieke Vogels

Ik citeer nog even uit de brief van de VVSG. Die zegt: "Het decreet zegt dat de opvoedingsondersteuning zijn plaats moet vinden in het lokaal sociaal beleidsplan, maar voor veel lokale besturen krijgt het lokaal sociaal beleidsplan stilaan vorm. Constant zaken toevoegen, betekent een steeds bijkomende planlast voor de lokale besturen. Denk aan het Belfortprincipe."

Dit zijn niet mijn woorden, maar die van het VVSG. Als u er een reactie op hebt, zou u zich beter tot de VVSG richten.

Robert Voorhamme

Excuseert u mij dat ik het altijd over onze stad moet hebben, maar daar zijn we al maanden bezig met het opstellen van een lokaal sociaal beleidsplan. Dat is pas bureaucratie, zeker op het niveau van een stad zoals Antwerpen. (Opmerkingen van mevrouw Mieke Vogels)

Tom Dehaene

Mevrouw Vogels, u weet zeer goed - dat hoop ik althans - dat een lokaal sociaal beleidsplan iets dynamisch is. Het kan aangepast worden. Er is dus geen enkel probleem als sommige besturen dit vandaag niet opnemen. Het lokaal sociaal beleidsplan is dynamisch en moet jaarlijks worden geëvalueerd. Bij die evaluatie kan de opvoedingsondersteuning worden toegevoegd. Ik ben van mening dat die toevoeging maar een heel klein deeltje zal zijn op het totaal van wat u allemaal aan de lokale besturen vraagt voor wat het lokaal sociaal beleidsplan betreft.

Mieke Vogels

Ik zie alleen dat de directeur, afdeling OCMW's, van de VVSG zich grote vragen stelt bij dit voorstel van decreet. Ik citeer nogmaals de heer Piet Van Schuylenbergh: "Voor minister Vervotte lijkt het evident dat de lokale besturen het aanbod opvoedingsondersteuning verder vormgeven met eigen middelen. Zeker deze oproep om mee te investeren in de opvoedingswinkels is verregaand. Het lijkt hier of Vlaanderen zijn opdracht inzake opvoedingsondersteuning wil realiseren met middelen van de lokale besturen."

Inderdaad, als men een degelijke lokale opvoedingswinkel wil realiseren, zal het lokale bestuur mee moeten investeren. Het heeft ook geen keuze welke vorm van opvoedingsondersteuning het kan uitwerken. Er is maar één vorm die wordt gefinancierd - en dan nog heel weinig - door de Vlaamse overheid, en dat zijn de opvoedingswinkels.

Mevrouw Dillen heeft terecht een amendement ingediend met de vraag hoe het komt dat de uitvoering van het voorstel van decreet op 1 augustus valt. Ik wens de nieuwe minister, de heer Vanackere, veel succes om die besluiten tegen dan allemaal rond te hebben. Als ik hoor hoe wild enthousiast de VVSG is, zal het geen simpele klus worden. Zij verwacht minstens dat u haar daarbij betrekt. Ik zal u zeggen waarom de uitvoering op 1 augustus klaar moet zijn. Voormalig minister Vervotte heeft naar de Vlaamse centrumsteden een schrijven gestuurd met een oproep tot indiening van de aanvraag voor erkenning en subsidiëring van een opvoedingswinkel. Als dat niet de kar voor het paard spannen is! Er is nog geen voorstel van decreet goedgekeurd, de spelregels liggen nog niet vast, maar minister Vervotte wilde nog net voor haar overstap naar de overkant nog een van haar dada's, de opvoedingswinkels, naar zichzelf toeschuiven. Dat u zich zo - als Vlaams Parlementslid - voor haar kar laat spannen, vind ik bedroevend. Dat boezemt de lokale besturen weinig vertrouwen in. Zij krijgen een brief van minister Vervotte en merken dat het parlement op dat moment nog werkt aan de contouren van het voorstel van decreet. Minister Vanackere, ik wens u enorm veel succes. Wij zullen u helpen en het amendement van mevrouw Dillen steunen zodat u degelijker werk kunt leveren dan de leden van de meerderheid met dit voorstel van decreet dat doen.

Ik heb nog een tweede fundamenteel bezwaar tegen dit voorstel van decreet. Om de schaarse middelen een beetje aan te vullen, wilt u de preventieconsulenten van de comités voor bijzondere jeugdzorg inschakelen in de opvoedingsondersteuning. U reduceert preventie daarmee tot opvoedingsondersteuning. Ik betreur dat ten zeerste. De preventieconsulenten werden indertijd aan de comités toegevoegd om "er op tijd bij te zijn". Als een comité vaststelde dat in een bepaalde school extreem veel kinderen spijbelden, dan kon een preventieconsulent met de scholengemeenschap initiatieven nemen om het beleid van die school bij te sturen. Als jongeren na 1 februari werden buitengezet op een school en nergens anders meer terechtkonden, dan konden de preventieconsulenten daarop wijzen. Nu reduceert u, mevrouw Berx en mijnheer Voorhamme, preventie tot opvoedingsondersteuning.

Ik verwijs hierbij - mevrouw Merckx heeft die commissie bijgewoond - naar het doctoraat van Rudi Roose. Hij wees erop dat de slinger nu naar de andere kant doorslaat. Natuurlijk hebben ouders een verantwoordelijkheid! Natuurlijk moeten zij hun kinderen goed opvoeden, natuurlijk is niet alles de schuld van de context, natuurlijk moeten we het niet overnemen van de ouders. Maar de slinger moet ook niet aan de andere kant doorslaan. De ouders zijn verantwoordelijk, opvoedingsondersteuning kunnen ze krijgen. De context wordt nu bekeken. Tijdens de commissie heb ik een voorbeeld gegeven: een alleenstaande moeder met een meisje van dertien vindt tijdens de vakantie geen opvang. Het meisje was weken lang alleen thuis. Ze begon met andere vrienden om te gaan. Ze werd onhandelbaar. Mevrouw Claes antwoordde daarop dat men in de opvoedingswinkel wel met die moeder zou praten. Dat is mooi, maar dat is niet wat die vrouw nodig heeft. Zij vraagt opvang voor haar kind. De context van problemen is even belangrijk. Door de preventieconsulenten weg te halen bij de comités voor bijzondere jeugdzorg, wordt de aanpak gereduceerd tot opvoedingsondersteuning.

De ouders worden geresponsabiliseerd, maar uiteindelijk worden ze ook geculpabiliseerd: "Als je niet naar de ouderopvang komt, krijg je een boete en ontvang je minder ondersteuning." Dat is de andere kant van het spectrum. Ik ben bereid om te zeggen dat onze generatie te ver gegaan is, maar ik ben niet bereid om mee te stappen in een verhaal waarbij men ouders culpabiliseert in plaats van ze positief te motiveren.

U zult natuurlijk zeggen dat dit niet in het voorstel van decreet staat, en dat klopt, maar alle wegen die daartoe kunnen leiden, worden erin opengelaten. Ik vind het een fundamenteel probleem dat het werk van preventieconsulenten van de Comités voor Bijzondere Jeugdzorg gereduceerd wordt tot opvoedingsondersteuning.

Trees Merckx-Van Goey

Mevrouw Vogels, het is niet correct dat u naar het hele parlement kijkt. U zegt dat alle partijen voorstander zijn van het culpabiliseren van de ouders in plaats van ondersteuning te geven, en dat Groen! de enige uitzondering is. Uw partij zou als enige pleiten voor opvang en begeleiding. Dat is niet correct.

Wij hebben altijd gevraagd om meer aandacht voor de context, ook bij de besprekingen over de jeugdzorg. Wij blijven pleiten voor de vrijwilligheid, ook in de hulpverlening. We mogen daar niet dwangmatig in optreden. Mevrouw Vogels, wij hebben allebei vragen gesteld over het samenwerkingsakkoord, over de ouderstage enzovoort. Het is niet correct dat u ons in die hoek duwt, want wij horen daar niet thuis. Wij pleiten voor de ondersteuning van ouders, en het voorstel van decreet is een poging om te ondersteunen en om ondersteuning aan te bieden. Laat ons er via goede informatie voor zorgen dat de mensen ook de weg naar die ondersteuning vinden.

Mieke Vogels

Mevrouw Merckx, ik heb niet naar heel het parlement gekeken. Ik durf zelfs stellen dat het niet toevallig is dat de heer Caron afwezig is. Ik weet dat hij ook nogal wat problemen heeft met dit voorstel van decreet.

Mijn laatste punt van kritiek gaat over het feit dat het voorstel van decreet zich vooral beperkt tot het rond de tafel brengen van de professionals, en dus aanbodgestuurd is. De heer Dehaene meent dat dat niet klopt. Deze structuur werd volgens hem gekozen omdat men preventief wil werken. Hij meent dat we niet moeten wachten tot er vragen zijn, want dan is het al te laat.

Mijnheer Dehaene, ik denk dat u zich fundamenteel vergist. 'Vraaggestuurd' betekent dat men luistert naar wat mensen nodig hebben, niet alleen als er problemen zijn, maar ook als ze ondersteuning nodig hebben. Die ondersteuning situeert zich niet in de eerste plaats in een opvoedingswinkel, maar in bijvoorbeeld extra consulten bij Kind en Gezin, avonden in het onderwijs enzovoort. Waar de mensen al aanwezig zijn, moeten we ze ondersteunen.

Ik kan mij overigens helemaal vinden in de kritiek van een aantal sociaal-culturele verenigingen, zowel de jeugdbewegingen als verenigingen zoals de Gezinsbond. Die verenigingen hebben een hele traditie in opvoedingsondersteuning, maar wij nemen ze nog veel te weinig mee in dit verhaal. De enige die tot nu toe echt initiatief genomen heeft rond problemen van pubers is de Gezinsbond, met BOTsing. De vorige regering is BOTsing beginnen te ondersteunen als element van opvoedingsondersteuning.

We moeten veel meer de nadruk leggen op de netwerking, niet van de ouder die vragen heeft en daarmee naar een professional of een winkel stapt, maar van de ouder die zijn problemen voorlegt aan bijvoorbeeld een Moedergroep van Kind en Gezin, zoals dat vroeger ook bestond bij de Gezinsbond. Mijn moeder heeft destijds de meeste opvoedingsondersteuning gehad bij de Gezinsbond, omdat moeders daar met elkaar praatten over de vervelende streken van hun pubers. Ze konden hun problemen onderling bespreken en elkaar advies geven.

Het is dan ook een enorm hiaat dat opvoedingsondersteuning veel te aanbodgestuurd is en veel te weinig respect heeft voor wat binnen het middenveld, de jeugdbewegingen, de Gezinsbond en andere sociaal-culturele verenigingen gebeurt. Wij zullen dit voorstel van decreet dan ook niet goedkeuren. (Applaus bij Groen!)

Tom Dehaene

In de commissie hebt u zich bij de stemming onthouden.

Mieke Vogels

In de commissie heb ik geen stemrecht.

Tom Dehaene

Dat klopt.

Mevrouw Vogels, het is juist de bedoeling van het lokaal overleg om de partners rond de tafel te brengen en hen te laten samenwerken rond opvoedingsondersteuning. De scholen, de kinderopvang, de jeugdverenigingen krijgen dezelfde informatie. Wanneer zij dan worden aangesproken door ouders, kunnen zijn de juiste antwoorden geven of verwijzen naar de juiste instantie.

Mieke Vogels

U bent niet realistisch. Die vergaderingen met de politie, het onderwijs enzovoort gebeuren overdag. Vrijwilligers uit de Gezinsbond of uit jeugdverenigingen hebben daar geen tijd voor. Die zult u dus niet bereiken.

De voorzitter

Minister Vanackere heeft het woord.

Minister Steven Vanackere

We hebben hier vandaag een belangrijk debat gevoerd, dat onder meer werd aangetrokken door de heer Voorhamme. Met grote luciditeit heeft hij ons herinnerd aan de grenzen van mei 1968. Ik meen echter dat er in dit parlement meer eenstemmigheid is dan op het eerste gezicht lijkt. Mevrouw Vogels heeft dat ook bevestigd.

Wat de opvoeding van kinderen betreft, willen ouders zelf in de eerste plaats de volle verantwoordelijkheid behouden. Wanneer men hen het signaal geeft dat die verantwoordelijkheid op een of andere manier wordt weggehaald, dan weigeren ouders vaak die dienstverlening van de overheid. Zij willen immers zelf instaan voor de opvoeding van hun kinderen. Dat betekent natuurlijk niet dat ze geen ondersteuning willen. Wanneer ze op zoek zijn naar antwoorden op de opvoedingsvragen die ze zich terecht stellen, dan bewijzen ze gewoon dat ze goede ouders zijn die alert omgaan met hun verantwoordelijkheid. Op zo'n moment moet de overheid klaar staan met haar ondersteuning. Dat heeft niets te maken met het weghalen van de eindverantwoordelijkheid.

Met dit voorstel van decreet willen de initiatiefnemers allerminst mensen culpabiliseren maar hen wel ondersteunen. In de eerste plaats wordt er een kader getekend voor iedereen die nu vaak te versnipperd bezig is met opvoedingsondersteuning, om de krachten te bundelen. Het totaalpakket dat op die manier wordt aangeboden, van sensibilisering tot intensieve opvoedingsondersteuning, trekt heel resoluut de kaart van de preventieve aanpak. Elke inspanning die de samenleving levert en die ertoe bijdraagt dat kinderen later geen beroep moeten doen op veel belastender maatregelen in het kader van de bijzondere jeugdzorg, is een gouden investering.

Bij de opmaak van de uitvoeringsbesluiten zal ik rekening houden met de opmerkingen die hier vandaag zijn geformuleerd. Sommigen vinden dat daar te veel marge aan wordt gegeven. Wanneer het voorstel van decreet echter veel details had ingevuld, dan had u misschien wel gezegd dat het decreet te stroef is, mevrouw Dillen. Ik wil u overigens ook danken voor uw sympathie inzake mijn verlofperiode. Ik waardeer uw opmerkingen in dat verband.

Wat de middelen betreft, mevrouw Vogels, hebt u verwezen naar de bedragen waarin het huidige decreet voorziet. Ik beschouw dit nieuwe voorstel van decreet als een budgettaire opdracht. Ik heb begrepen dat ik de volledige parlementaire steun krijg in het kader van de begroting. Ik ben alvast blij met deze warme sympathie vanuit het parlement.

Mevrouw Van der Borght, zoals u hebt gevraagd, zal ik spaarzaam zijn met het opstellen van regels die zouden kunnen leiden tot een overdreven planlast. Mevrouw Vogels, we willen echt niet gaan naar logge structuren. Het is echter wel zo dat als er veel actoren zijn, er plaats aan tafel nodig is om mensen samen te zetten, die vandaag blijkbaar al bezig zijn met dit soort van zaken. Als we ze met elkaar willen doen samenwerken, dan moeten ze met elkaar spreken. Dat is de enige manier om de krachten te bundelen.

Het betrekken van, bijvoorbeeld, de Gezinsbond bij het expertisecentrum binnen Kind en Gezin is, wat mij betreft, een evidentie. De decreetgever heeft er terecht voor gekozen om dat niet in het voorstel in te schrijven. Er zijn bepaalde zaken die vanzelfsprekend zijn, waar u ons op mag aanspreken. Het is echter verstandig dat de decreetgever daar niet tot in het detail mee bezig is.

Het thema van de laagdrempeligheid zal nog aan bod komen als we dit onderwerp evalueren. Ik wil dat debat echter niet verwarren met de vraag of dat voorstel alleen in de centrumsteden werkt of ook daarbuiten. Het is trouwens niet zo dat we alleen naar de centrumsteden kijken. Er is ook aan ondersteuning gedacht in landelijke gebieden en kleinere steden via de inzet van Vlaamse coördinatoren en intergemeentelijke samenwerking. De heer Dehaene heeft daar bijvoorbeeld naar verwezen. Via die samenwerking is er ook veel mogelijk.

Laagdrempeligheid mag ook niet gelijk worden gesteld met alleen maar de vraag naar de regionale spreiding. Ze heeft zeker zo veel te maken met de vraag hoe de maatschappelijk meest kwetsbare groep de weg naar het aanbod vindt. Hoe zorgen we er voor dat er geen nieuw mattheuseffect wordt gecreëerd en dat enkel de alerte ouders, die niet in een problematische opvoedingssituatie zitten, de weg naar die ondersteuning vinden? Uiteraard is die ook voor hen bedoeld. Het mag echter niet de bedoeling zijn dat de meer kwetsbare groep van zichzelf denkt dat die ondersteuning niet voor hen bestemd is. We moeten daarover verder nadenken in het parlement.

Ten slotte wil ik de oppositie nog bedanken voor haar bekommernis omtrent mijn vakantie. Bij deze, hartelijk dank. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijzebespreking

De voorzitter: Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het voorstel van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2006-07, nr. 1178/4)

De artikelen 1 tot en met 12 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement op artikel 13.

De stemmingen over het amendement op artikel 13 en over artikel 13 worden aangehouden. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2006-07, nr. 1178/5)

De artikelen 14 tot en met 21 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement op artikel 22.

De stemmingen over het amendement op artikel 22 en over artikel 22 worden aangehouden. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2006-07, nr. 1178/5)

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen om 16 uur de hoofdelijke stemming over het voorstel van decreet houden.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.