U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 6 juni 2007, 14.04u

van de Vlaamse Regering
1201 (2006-2007) nr. 1
De voorzitter

Algemene bespreking

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Helsen, verslaggever, heeft het woord.

Kathleen Helsen

Mevrouw de voorzitter, collega's, ik zal kort verslag uitbrengen van de werkzaamheden in de commissie over het belangrijke ontwerp van decreet betreffende het volwassenenonderwijs.

In de commissie hebben wij op 14 en 15 mei 2007 dit ontwerp van decreet behandeld. Het ontwerp van decreet betreffende het volwassenenonderwijs heeft als opzet om alle aspecten van het volwassenenonderwijs te regelen, te optimaliseren, te verduidelijken. Met dit belangrijke decreet wil de minister maatregelen nemen om de kwaliteit van het volwassenenonderwijs te verhogen. Er moet een betere afstemming komen tussen de verschillende opleidingen zodat witte vlekken worden weggewerkt en overlappingen in het aanbod verdwijnen. Zo moet er ook een betere afstemming komen met andere publieke aanbodverstrekkers zoals VDAB, SYNTRA en het sociaalculturele vormingswerk. De sector basiseducatie wordt ingebed in Onderwijs en er worden maatregelen genomen voor de onduidelijke situatie waarin de opleidingen hoger onderwijs voor sociale promotie verkeren.

Een andere doelstelling betreft de verdere uitwerking van beleidsopties in het kader van het decreet op het onderwijs voor sociale promotie van maart 1999, zoals de mogelijkheid om het diploma secundair onderwijs te behalen via tweedekansonderwijs, het gecombineerd onderwijs waarbij de cursist zowel een stuk afstandsonderwijs als een stuk contactonderwijs volgt, maar ook de invoering van de modulaire structuur in het volwassenenonderwijs.

Tot slot worden het financieringssysteem grondig gewijzigd en de personeelsregelgeving vereenvoudigd.

Het meest besproken element uit het voorliggende ontwerp van decreet zijn de verhoogde inschrijvingsgelden waarmee de minister het shoppinggedrag van cursisten wil tegengaan.

Wat onderwijsbevoegdheid en vestigingsplaatsen betreft, voorziet dit ontwerpdecreet in een nieuwe programmatieprocedure. Daarbij is een belangrijke adviesrol weggelegd voor de regionale samenwerkingsverbanden of de consortia volwassenenonderwijs. Het consortium moet werk maken van een opleidingsplan waarbinnen de centra hun aanbod kunnen afstemmen en waarmee ze meer kunnen inspelen op echte maatschappelijke noden.

Omwille van de talrijke nieuwe bepalingen wordt het decreet geleidelijk ingevoerd. Veel bepalingen gaan pas in op 1 september 2008.

Veertien amendementen werden ingediend, zeven werden goedgekeurd. Het geamendeerde ontwerp van decreet werd in de commissie in tweede lezing aangenomen met tien stemmen voor en vijf tegen. Voor de omvangrijke tussenkomsten en opmerkingen van de verschillende politieke fracties tijdens de commissiebesprekingen, verwijs ik naar het schriftelijke verslag en de tussenkomsten hier vandaag in de plenaire vergadering.

CD&V heeft zich in het regeerakkoord mee achter de inspanningen gezet die nodig zijn voor het levenslang en levensbreed leren. Er moet meer transparantie komen in het heel diverse opleidingsaanbod en meer afstemming tussen de verschillende opleidingenaanbieders.

Daarnaast streven we ernaar dat meer mensen kunnen deelnemen aan het volwassenenonderwijs.

Dit ontwerp van decreet kende een lange voorbereidingstijd. Verschillende onderwijsverantwoordelijken hebben via adviezen en besprekingen verbeteringen aangebracht en ervoor gezorgd dat dit ontwerp op een breed draagvlak kan rekenen. Uit de hoorzitting konden we afleiden dat dit ontwerp ook wordt gewaardeerd door de sector. Het volwassenenonderwijs speelt een cruciale rol in levenslang leren. Het is een tweede kans voor iedereen die geen diploma heeft gehaald in het leerplichtonderwijs.

Dit decreet houdt een grote hervorming van het volwassenenonderwijs in die nodig is om tegemoet te komen aan de verwachtingen van de huidige samenleving. Meer aandacht voor een intake- en oriënteringsbeleid en voor leertrajectbegeleiding verhoogt voor cursisten in de basiseducatie maar ook binnen de centra voor volwassenenonderwijs de kansen op succes. De mogelijkheden die via de consortia gecreëerd worden om tot regionale samenwerking te komen, zullen leiden tot een transparant en gedifferentieerd aanbod. Op termijn moeten verdere stappen gezet worden om ook VDAB en SYNTRA nog meer te betrekken. Het ontwerp geeft impulsen voor een kwaliteitsverbetering en het nieuwe financieringssysteem vlakt de historisch gegroeide verschillen uit, wat we alleen maar kunnen toejuichen.

CD&V is tevreden dat enkele amendementen in de commissie aanvaard werden waardoor CVO's organisatorisch op dezelfde wijze kunnen blijven werken als vandaag. Een eerste amendement betreft een aanpassing aan het minimum aanwezigheidspercentage van cursisten tijdens het eerste derde deel van de cursus, willen ze voor het centrum financierbaar zijn. De amendering komt tegemoet aan een probleem dat zich voordeed bij centra die hun opleidingen in volledige dagen organiseren en hun aanbod vooral richten op werkenden die in het kader van hun job een bijscholing volgen. Ook de aanpassing van het maximum tewerkstellingspercentage biedt centra de mogelijkheid om hun lessen gedurende 32 weken te organiseren in plaats van 40.

In het voorliggende ontwerp wordt een fonds Inschrijvingsgelden in het leven geroepen als mogelijkheid om de werkingsmiddelen voor de verschillende centra beter te spreiden. We ondersteunen een rechtvaardige spreiding van werkingsmiddelen en een correctie van de inkomsten uit inschrijvingsgelden omdat de aard van de cursussen die een centrum aanbiedt, een bepaalde groep cursisten aantrekt die mogelijk vrijgesteld wordt van inschrijvingsgelden, waardoor een centrum financieel in de problemen kan komen. We zullen de werking van dit fonds van nabij opvolgen om na te gaan of dit zal leiden tot een snellere uitbetaling van de gederfde inschrijvingsgelden en of via het fonds voldoende middelen ter beschikking zijn om premies te betalen aan cursisten die hun opleiding hebben afgewerkt. We zijn voorstander van een premie tijdens de opleiding omdat cursisten de financiële ondersteuning vooral dan nodig hebben. Het is moeilijk verdedigbaar dat wegens een tekort aan middelen uit het fonds bepaalde cursisten geen premie zouden kunnen genieten.

De resterende middelen uit het fonds zullen ook worden ingezet voor de uitrusting in bepaalde richtingen. Voor het nijverheidsonderwijs is het belangrijk dat er extra middelen voorhanden zijn om een modern machinepark uit te bouwen. De middelen waarin daarvoor wordt voorzien via het fonds, zijn evenmin zeker. Het nijverheidsonderwijs heeft het vandaag al niet gemakkelijk. We moeten voorkomen dat centra er straks voor kiezen om deze opleidingen niet meer in te richten. Daarom zullen we de middelen die ter beschikking zijn vanuit het fonds voor de uitrusting van nabij opvolgen. We houden er rekening mee dat bijsturing op korte termijn misschien nodig zal zijn.

Verder hebben wij onze bekommernissen geuit voor zowel de sociale opleidingen als de nijverheidsrichtingen met betrekking tot de delers die toegepast worden om in de omkadering te voorzien. Wat de sociale richtingen betreft, stellen we vast dat deze opleidingen een serieuze stijging mogen verwachten. Dat juichen we toe omdat voor deze opleiding het kunnen werken met een kleine groep cursisten belangrijk is om de opleiding kwalitatief goed te kunnen uitwerken. Vraag is uiteraard of de geplande stijging voldoende is om met de nieuwe agogische methodieken aan de slag te gaan. Ook de deler voor het nijverheidsonderwijs is scherp. Het gaat om cruciale opleidingen voor de samenleving. Het is belangrijk na te gaan of opleidingsverstrekkers hun opleidingen kunnen blijven inrichten en of ze niet overgaan tot het afbouwen van belangrijke studierichtingen.

Ten slotte willen wij duidelijk stellen dat wij een amendement hebben voorgesteld op artikel 109 dat de inschrijvingsgelden voor de cursisten regelt. Dit decreet voorziet in een forse stijging van de inschrijvingsgelden naar l euro per lesuur. Wij kunnen dat enigszins begrijpen omdat de kostprijs voor een aantal cursussen en voor een aantal cursisten vandaag laag is en best hoger mag zijn. Mensen met een hoog inkomen die kortere cursussen volgen die eerder passen in hun vrijetijdsactiviteiten, maar niet in een verdere vervolmaking die voor hun professionele loopbaan noodzakelijk is, willen gerust voor een aantal cursussen meer betalen.

Maar dat geldt zeker niet voor iedereen. Daarom is het goed dat in het decreet heel wat categorieën worden opgenomen die van inschrijvingsgeld worden vrijgesteld. Toch blijft er een groep die dat bedrag van 1 euro wel zal moeten betalen en het daar moeilijk mee zal hebben: de herintreders die geen vrijstelling krijgen en geen beroep kunnen doen op een vervangingsinkomen, een studietoelage of opleidingscheques. Verder is er ook de groep van cursisten die onmiddellijk overstappen van het secundair onderwijs naar het volwassenenonderwijs. Zij genieten enkel van kinderbijslag. Ze krijgen geen vrijstelling en kunnen geen beroep doen op een studietoelage.

Wij hebben bij de bespreking van het decreet studiefinanciering al ingebracht dat wij vinden dat ook het volwassenenonderwijs daarin moet worden opgenomen. Dat geldt zeker voor het hoger beroepsonderwijs. Wij vrezen ook dat de niet-vrijstelling van cursisten NT2 een kostprijsverhoging maar ook een hele administratieve rompslomp zal veroorzaken, en dat cursisten daarom zullen afhaken. Wij betreuren het dat de meerderheid hierover geen akkoord heeft bereikt, want een amendement had een oplossing voor verschillende groepen cursisten kunnen opleveren. Die groepen zullen het nu moeilijk krijgen.

Wij willen erop wijzen dat Vlaanderen de Europese Lissabondoelstelling heeft onderschreven om tegen 2010 12,5 percent van alle inwoners tussen 25 en 64 jaar aan het levenslang leren te laten deelnemen. Volgens het Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming bereiken wij vandaag ongeveer 9 percent. Het zijn vooral kwetsbare groepen zoals ouderen, laaggeschoolden en vrouwen die vandaag ondervertegenwoordigd zijn. Het is duidelijk dat de overheid nog extra inspanningen zal moeten leveren om de Lissabondoelstelling te halen. Het volwassenenonderwijs kan daarin een belangrijke rol spelen. We kunnen het effect van de verhoogde inschrijvingsgelden en de vrijstelling van veel categorieën niet goed inschatten. Daarom vinden wij het absoluut nodig om de participatie van volwassenen aan het onderwijs zeer goed op te volgen, zodat wij dit decreet tijdig kunnen bijsturen als het fout loopt. (Applaus)

De voorzitter

De heer Marginet heeft het woord.

Werner Marginet

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, zonder in details te treden over de commissiebespreking, zal ik kort ingaan op enkele knelpunten. Ten eerste: niet alleen vallen de geplande overgangsmaatregelen te mager uit om de overgang vlekkeloos te laten gebeuren, maar ook en vooral neemt het opdrachtvolume voor de CVO's structureel toe zonder dat hun middelen in dezelfde verhouding stijgen. Dat is voor het veld een zware dobber. Deze druk heeft verregaande negatieve gevolgen voor zowel de kwaliteit van het geboden onderwijs als voor de arbeidstevredenheid en het leerkrachtenverloop.

Als tweede punt wil ik een principiële kwestie opwerpen die niet zonder gevolgen is voor de kwaliteit: via de administratieve tussenstap van de consortia treedt een verdere, doelbewuste en doelgerichte netvervaging in.

Voor het Vlaams Belang daarentegen, ligt de toekomst van een sterk volwassenenonderwijs net in een versterking van de eigenheid van de netten en inrichters, niet in een langzaam samensmelten. Het is die diversiteit die voortvloeit uit de verschillende inrichters, die zorgt voor een onderwijslandschap waar iedereen een plaatsje op zijn maat vindt, de enige garantie op kwaliteit. We kunnen enkel hopen dat de consortia de inrichters voldoende ruimte laten.

Het derde punt is misschien ook een principieel punt. U roemt zichzelf voor de overlegcultuur die al uw decreten zou kenmerken, terwijl u eigenlijk de minister van de 'ik plaats ze voor voldongen feiten' bent. Ook in dit ontwerp van decreet weer een mooi voorbeeld. U begint met het decretaal inlassen van het hoger beroepsonderwijs, om pas in de toekomst af te komen met een discussienota om de krijtlijnen uit te denken. Dat is toch wel de omgekeerde volgorde.

Een vierde punt. Niet alleen is de volgorde soms onlogisch, ook de timing is een onmogelijke zaak. De timing voor zowel de parlementaire procedure als voor de implementatie in het veld is te eng en zorgt voor problemen bij de bespreking en de invoer. Net zoals bij Onderwijsdecreet XVII negeert u de tijdslimieten en laat u instellingen zich voorbereiden op basis van onvolledige informatie, waarbij de wettelijke basis nu pas ter stemming voorligt.

Een vijfde punt. Ik wil ook wijzen op het misplaatste 'streefcijferfetisjisme'. U stelt dat u een gelukkig man zult zijn wanneer 12,5 percent van de volwassenen in de beroepsactieve leeftijdscategorie participeert aan een of andere vorm van volwassenenonderwijs. Het is leuk indien we die Lissabonnorm zouden halen, maar niet meer dan dat. Niet een bepaald percentage cursisten kan een doel op zich zijn, maar wel de correcte aansluiting van het aanbod op de bestaande vraag bij de beroepsactieve categorie, daar moet van vertrokken worden.

Ten zesde. Waar andere onderwijsverstrekkers zich moeten plaatsen naast en aansluiten op dit onderdeel van het volwassenenonderwijs, bijvoorbeeld VDAB en SYNTRA, is ondermaats uitgewerkt. Daar hangt mee samen dat het accent van het volwassenenonderwijs komt te liggen op 'taal', 'zelfontplooiïng' enzovoort, maar dat de link met het economisch deel van het volwassenenonderwijs iets te ver naar de achtergrond verschuift.

Ten zevende. Ik ben, als democraat, geschrokken van uw uitspraak in de commissie dat de Raad van State overdrijft en dat u zich niet gebonden voelt u naar zijn advies te richten. Nochtans zijn de opmerkingen van de Raad van State zeer fundamenteel. Ze betreffen de onderwijsvrijheid en, in het verlengde daarvan, de scheiding der machten. Dit is een vermomd volmachtendecreet.

Ten achtste. De hervormingen in het hoger onderwijs moesten de diplomering vereenvoudigen en toegankelijk maken voor internationale rechtstreekse vergelijking. De hutsepot aan certificaten en opleidingsbewijzen in het volwassenenonderwijs blijft echter bestaan.

Als negende: het solidariteitsfonds is een onderwijsvreemd gegeven. We stellen dan ook dat de inschrijvingsgelden die cursisten inbrengen in een CVO, door dat CVO rechtstreeks moeten kunnen worden aangewend. Vanuit praktisch oogpunt stellen we ons de vraag of de vijf eurocent per lesuurcursist aan extra werkingsmiddelen opweegt tegen de bijkomende planlast en administratie die het systeem van de centra zal vergen.

Ten slotte, de modularisering. In de commissie zijn we uitgebreid ingegaan op de voor- en nadelen van modularisering in het algemeen en in het volwassenenonderwijs in het bijzonder. Als modularisering ergens goed functioneert, dan is het wel in het volwassenenonderwijs, maar dat wil niet zeggen dat het per definitie het beste systeem is voor het volwassenenonderwijs. Wij hebben reeds gewezen op de pedagogische problemen voor sommige minder sterke cursisten die meer gebaat zijn bij de manifeste samenhang van de leerelementen in een lineair systeem. Daarnaast stelt een modulaire opbouw soms organisatorische hindernissen en ten slotte is het allerminst evident om modularisering gedeeltelijk als kader te nemen voor administratieve personeelsmateries. Het zou dan ook logisch zijn om modularisatie te steunen waar ze een meerwaarde biedt, maar de mogelijkheid tot lineair onderwijs open en vrij te laten in plaats van modularisatie overal te verplichten.

De voorzitter

Mevrouw Libert heeft het woord.

Laurence Libert

Geachte minister, beste collega's, conform de bepalingen van de Lissabonstrategie, die voor Vlaanderen werd uitgewerkt in het Pact van Vilvoorde, wordt ernaar gestreefd om 12,5 percent van de bevolking in de beroepsactieve leeftijd van 25 tot 65 jaar in het kader van levenslang leren een of andere vorm van onderwijs of vorming te laten volgen.

Levenslang leren zit trouwens in de lift. In 2000 was 7,4 percent van die bevolkingsgroep er effectief mee bezig. Nu kunnen we al spreken van 10,8 percent. De doelstelling is om meer dynamiek te brengen in de volwasseneneducatie, door het leren aantrekkelijker te maken voor alle volwassenen, maar toch vooral voor hen die daar nog niet echt een boodschap aan hebben.

Het zal erop aankomen om een strategisch en geïntegreerd vormingsbeleid te ontwikkelen. Het voorliggende ontwerp van decreet levert een bijdrage, door het volwassenenonderwijs te versterken. Het wil dat onderwijs een duidelijke plaats geven binnen het aanbod van levenslang leren, om zo de kennissamenleving verder te realiseren.

We ondersteunen dit ontwerp van decreet voor het volwassenenonderwijs en zijn blij dat het draagvlak vanuit de sector zeer groot is. Ook ondersteunen we de oprichting van de consortia voor volwassenenonderwijs, die als structurele regionale samenwerkingsverbanden netoverschrijdend zullen functioneren. Dat is een innovatie die we bejubelen en waar we een zeer positief effect van verwachten. Toch stellen we ons de vraag welke rol de andere partners in dit consortium in de toekomst zullen spelen.

We betreuren het wel dat dit ontwerp van decreet niet wordt aangegrepen om alle spelers van het volwassenenonderwijs te betrekken, bijvoorbeeld de samenwerking van de actoren binnen het onderwijsveld met die van buiten het onderwijsveld, alias de publieke opleidingsverstrekkers.

Mijnheer de minister, we vragen u om er bij de uitvoering over te waken dat het kwalitatief hoogstaande onderwijs een centrale rol speelt, zowel qua inhoud als infrastructuur. Ook het modulaire karakter dat nu in het ontwerp van decreet staat ingeschreven en de flexibiliteit voor de cursisten blijven belangrijke aandachtspunten bij de uitvoering.

Ook de zwakkere doelgroepen - kansarmen, allochtonen, ouderen en laaggeschoolden - moeten in de toekomst een belangrijke rol kunnen spelen en via het volwassenenonderwijs een herkansing krijgen op een diploma, via de VDAB of een andere tussenpersoon. Ook dat moet in het decreet en de uitvoeringsbesluiten een aandachtspunt blijven.

We zijn dus tevreden over het ontwerp van decreet en ondersteunen het volledig. Maar we sluiten een toekomstige evaluatie zeker niet uit, zodat eventuele bijsturingen in de toekomst nog mogelijk zijn. (Applaus bij VLD)

De voorzitter

De heer Sannen heeft het woord.

Ludo Sannen

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, ik denk dat het ontwerp van decreet dat hier voorligt een ontzettend belangrijk niveaudecreet is, omdat het volwassenenonderwijs, na het decreet dat we in 1999 hebben gemaakt, nu een volwaardige plaats krijgt - sterk georganiseerd en goed gestructureerd - binnen het hele onderwijsaanbod van de overheid.

In het kader van het nastreven van zo veel mogelijk participatie van mensen aan levenslang en levensbreed leren, is het volwassenenonderwijs ontzettend belangrijk, naast natuurlijk andere partners zoals de VDAB, SYNTRA enzovoort.

Ik denk dat het belangrijk is dat de CVO's zich duidelijk, goed en sterk weten te organiseren en kwaliteitsvol onderwijs kunnen garanderen, om een volwaardige partner in het vormings- en onderwijsaanbod te zijn in Vlaanderen.

In dat kader is het belangrijk dat het decreet voorziet in regionale consortia. Dat brengt niet alleen een versterking van de CVO's of het volwassenenonderwijs met zich mee, maar door de samenwerking kan ook een beter en kwaliteitsvoller volwassenenonderwijs gegarandeerd worden. We zullen op die manier in Vlaanderen kunnen garanderen dat er een evenwichtig aanbod van volwassenenonderwijs zal zijn. Vandaag wordt het tweedekansonderwijs niet evenwichtig aangeboden in Vlaanderen. Hoe kunnen we dan van alle mensen in Vlaanderen verwachten dat ze minstens via die tweede kans het diploma secundair onderwijs halen? Door deze samenwerking kunnen we betere afspraken maken en kunnen we ervoor zorgen dat Russisch niet drie keer wordt aangeboden in een stad maar dat de middelen efficiënt voor het aanbod worden gebruikt.

Ik hoop dat dit ook de professionaliteit kan verhogen. Door de samenwerking kunnen we professionele ervaringen met elkaar uitwisselen en kunnen we zaken beter op elkaar afstemmen in het cursusaanbod. We zullen ook gemakkelijker het onderwijs kunnen afstemmen op maat van de regio en van de behoeften van cursisten in die regio. Omdat in deze consortia niet alleen de CVO's betrokken zijn maar ook de centra voor basiseducatie, kunnen we een betere en vlottere doorstroming van basiseducatie naar de CVO's realiseren.

Voor de eerste keer wordt hier een deel van het onderwijs, namelijk het HOKT-OSP genoemd als toekomstig hoger beroepsonderwijs. Misschien heeft de heer van het Vlaams Belang daar wel problemen mee, maar het HOKT-OSP bestaat nu eenmaal in het volwassenenonderwijs. Het lijkt me logisch dat dit nu mee opgenomen wordt en dat er gesteld wordt dat een verdere definiëring en invulling later volgt, omdat dit hoger beroepsonderwijs niet exclusief is voor de CVO's. We moeten er verder over nadenken hoe we dit verder zullen invullen rekening houdend met de vierde graad van het secundair onderwijs en het aanbod van professionele bachelors in de hogescholen. Het is belangrijk dat dit aangegeven wordt en dat er wordt gesteld dat er sowieso een samenwerking in deze zal moeten zijn met andere onderwijsverstrekkers zoals het hoger onderwijs.

Een belangrijk element in het ontwerp is dat er voor de eerste keer echt aandacht wordt besteed aan het halen van de eindmeet door de cursisten. We kenden in het verleden een belangrijke toename van het aantal cursisten, maar ook heel veel uitval. Mevrouw Helsen heeft al gezegd dat we nog lang niet aan de doelstelling qua participatie zitten. We hebben daarnaast een ander belangrijk probleem met enerzijds de grote uitstroom van mensen die nooit resultaat behaalden en anderzijds een gebrekkige of ondermaatse participatie van de kansengroepen. Het feit dat in het ontwerp van decreet een expliciete opdracht is opgenomen om eigen kwaliteitszorgsystemen uit te bouwen binnen de CVO's, is belangrijk. Ook het voorzien in begeleiding van het volwassenenonderwijs door pedagogische begeleidingsdiensten is een belangrijk surplus alsook het Vlaamse ondersteuningscentrum voor het volwassenenonderwijs. Dit zijn drie elementen die ertoe kunnen bijdragen dat de kwaliteit verbetert, dat ervoor wordt gezorgd dat er niet alleen een betere participatie komt, maar ook een kwaliteitsvoller aanbod en tegelijkertijd dat allerlei instrumenten worden opgezet om meer mensen uit zwakkere groepen te laten participeren en de eindmeet te laten halen.

In dat kader wordt geregeld verwezen naar het inschrijvingsgeld als een mogelijke rem op de participatie. Mijnheer de minister, u stelt terecht dat de verhoging van het inschrijvingsgeld naar 1 euro als principe belangrijk was om het shoppinggedrag te vermijden. Op zichzelf is 1 euro voor heel veel Vlamingen niet onoverkomelijk.

Ik heb al eens verwezen naar de grensgebieden, waar de participatie van Nederlanders in de centra voor volwassenenonderwijs ontzettend groot is. Ze vinden het veel gemakkelijker en goedkoper om bij ons talen te komen studeren. Voor hen is dit een spotprijs. Als we het echter hebben over de participatie aan dat volwassenenonderwijs van zwakkere groepen in onze samenleving, moeten we er toch voor zorgen dat die financiële drempel weggenomen wordt. De vele uitzonderingen die al worden voorzien, kunnen daar een belangrijke bijdrage toe leveren. De premie waarin u voorziet bij het succesvol afronden van een opleiding, kan belangrijk zijn voor die kostprijs, zeker als ik in de memorie van toelichting lees dat de bereidheid bestaat om die premie in verschillende delen uit te betalen, telkens nadat onderdelen van een opleiding goed werden afgerond. Dat kan die budgettaire drempel helpen verlagen. De groep van vrijgestelden is omvangrijk. Sommigen hebben erop gewezen dat er hier sprake zou kunnen zijn van administratieve drempels. Tegelijkertijd is het echter ook een instrument voor rechtstreekse begeleiding en oriëntering van de cursist.

Mijnheer de minister, zoals u ongetwijfeld had verwacht, wil ik in dat verband toch even blijven stilstaan bij de discussie over NT2, namelijk de richtgraden 1 en 2. U weet dat de Huizen van het Nederlands, maar ook de diverse CVO's het ontzettend moeilijk hebben met het feit dat er voor NT2 richtgraad 1 en 2 geen totale vrijstelling is. Bij algemene vorming hebben we een algemene vrijstelling gecreëerd. Het gaat immers over een basisvorming die we willen geven. Dat kan dus gratis. De elementaire kennis van het Nederlands voor hen die willen participeren aan onze samenleving, is een noodzakelijke voorwaarde voor die participatie, die aan die algemene vorming voorafgaat. Voor de NT2-richtgraden 1 en 2 zou die vrijstelling ook moeten kunnen worden gerealiseerd. Ik weet wel dat er ontzettend veel mogelijkheden tot vrijstelling zijn, die administratieve stappen vergen van deze cursisten. Toch blijft er daarnaast nog een groep mensen bestaan die niet in een werklozen- of VDAB-circuit zitten, mensen die niet van een leefloon leven, mensen die niet in aanmerking komen voor een inburgeringscontract, maar voor wie het wel belangrijk zou zijn dat ze Nederlands volgen. Voor hen is er een financiële drempel voor deze cursus, namelijk de kostprijs. Ik vind het jammer dat we binnen de meerderheid niet in staat zijn gebleken ter zake een totale vrijstelling te realiseren.

Dan heb ik het nog niet gehad over de problematiek in Brussel, die erg specifiek is. Daar is het niet de VDAB, maar de BGDA die vrijstellingen moet helpen creëren om deel te nemen aan een circuit.

De voorzitter

De heer Gatz heeft het woord.

Sven Gatz

Ik wil even een, hopelijk positieve, aanvulling geven met betrekking tot uw opmerking over Brussel. U weet dat ik uw bekommernis deel: de mensen in Brussel moeten op een zo laagdrempelig mogelijke wijze Nederlands kunnen leren. Volgens de informatie waarover ik nu beschik - en we hebben het daar ook al over gehad in andere gremia - zou het wel degelijk de bedoeling zijn dat de Vlaamse Gemeenschapscommissie, vertegenwoordigd door minister Vanhengel, met het Brusselse Huis van het Nederlands zou zoeken naar specifieke oplossingen voor het net door u aangehaalde probleem. Hoe dat gebeurt, zal nog verder worden uitgewerkt.

Misschien is dat niet de algemene oplossing die we allebei hadden gewild voor het Brusselse probleem, maar er zal in elk geval voor worden gezorgd dat de drempels, zowel administratief als financieel, voor Brusselaars van welke achtergrond dan ook die Nederlands willen leren, zo laag mogelijk worden gehouden. Dat is een bijkomend element in de discussie.

U had het daarnet over de vrijstellingen van de eerste twee modules.

Zoals ook mevrouw Libert aangaf, is het belangrijk dat we de evaluatie van dit decreet nauwgezet bekijken, zoals we dat trouwens voor alle decreten doen. We moeten kijken of de effecten die bedoeld zijn door de regering en de minister met de ondersteuning van het parlement, behaald worden zodat we, waar nodig, bijsturingen kunnen doen in de zin die u aangaf. De drempel voor mensen in Vlaanderen, buiten of binnen Brussel, die Nederlands willen leren moet zo laag mogelijk zijn.

Ludo Sannen

Ik ben blij om te horen dat er gewerkt wordt aan een oplossing voor Brussel. Dat is ook nodig. Brussel heeft een specifiek probleem. Persoonlijk had ik liefst gehad dat we veel verder hadden kunnen gaan. Het probleem stelt zich ook in de rest van Vlaanderen.

Mijnheer Gatz, ik begrijp niet waarom de VLD-fractie niet wil meestappen in dit verhaal om te zorgen dat richtgraad 1 en 2 gratis zouden zijn voor iedereen in Vlaanderen. U hebt de Huizen van het Nederlands gehoord. De redenen waarom het wenselijk is, hoef ik niet te herhalen. De minister had gesteld dat hij geen probleem maakte op voorwaarde dat we er in het parlement een meerderheid voor konden vinden.

VLD wil niet instappen en eerlijk gezegd heb ik het gevoel dat ze dat doen met een andere reden: niet opdat zoveel mogelijk mensen Nederlands zouden kennen, maar omdat het onthaalbeleid en de procedure die daarvoor wordt opgezet, moeten slagen. Ik wil ook dat het slaagt en dat de procedure van minister Keulen succesvol is. Maar we moeten ervoor oppassen dat de attractieve elementen om zoveel mogelijk mensen in een onthaalcontract binnen te krijgen, ook op vrijwillige basis, geen rem zijn om zoveel mogelijk mensen in Vlaanderen Nederlands te laten leren, via het gratis onderwijs richtgraad 1 en 2.

Dat ze dit initiatief willen nemen is voor mij al voldoende, niet alleen vanuit een sociale politiek maar zelfs vanuit een taalpolitiek en een cultuurpolitiek. Ik vind het ontzettend spijtig dat we die rem blijven inbouwen en het gratis onderwijs richtgraad 1 en 2 dat nu bestaat ongedaan maken, vanuit VLD en de minister voor de onthaaltrajecten om dat traject voldoende attractief te maken. (Applaus bij CD&V, sp.a-spirit, de N-VA en Groen!)

Sven Gatz

Mijnheer Sannen, ik ben blij, ook voor de applaudisserende CD&V-fractie en de N-VA, dat we op dezelfde golflengte zitten, namelijk de drempel voor mensen in Vlaanderen die Nederlands willen leren zo laag mogelijk maken. U hebt in het begin van uw betoog zelf aangegeven dat het de bedoeling van de minister is om, in een coherente beleidsvisie, mensen daarvoor een bepaalde vergoeding te vragen.

Ik geef toe dat ik een opening heb gemaakt in de filosofie die u juist hebt uiteengezet, om de vrijstellingen nog te vergroten. Maar u kunt daar ook over meespreken in de commissie voor Begroting, iedereen in het parlement wordt al eens door zijn fractie teruggefloten.

Er is een complementariteit en coherentie, niet alleen van dit ontwerp van decreet, maar ook met het inburgeringsdecreet. De visie is dat mensen die niet verplicht zijn om een inburgeringstraject te volgen maar wel rechthebbend zijn, als ze kunnen kiezen tussen een gratis module binnen dit decreet, of betalen binnen een module van het inburgeringsdecreet, veeleer zouden kiezen voor het gratis pad van het NT2-traject. Of die vrees gegrond is, weet ik niet. Ik heb er nog altijd twijfels bij, maar ik vind in elk geval dat we het ontwerp van decreet zoals het nu voorligt, moeten goedkeuren en kijken hoe het uit de startblokken komt. Ten laatste binnen een jaar moeten we na een evaluatie bekijken of de complementariteit tussen dit decreet en het inburgeringsdecreet bestaat.

In elk geval, en daarin staan alle meerderheidsfracties dicht bij elkaar, moeten we ervoor zorgen dat zoveel mogelijk mensen die Nederlands willen leren, zo weinig mogelijk drempels ondervinden.

We zullen elkaar binnen een jaar rendez-vous geven om te zien of een aantal opmerkingen van uw kant dan wel vanuit mijn fractie, al dan niet gegrond waren.

Collega's, hoe dan ook hangt de beleidsvisie van de minister, en dus ook van de regering, via het ontwerp van decreet, op dit ogenblik voldoende aan elkaar om het decreet van start te laten gaan en om het binnen een jaar te evalueren.

De voorzitter

Mevrouw Berx heeft het woord.

Cathy Berx

Mevrouw de voorzitter, de argumenten die de heer Gatz heeft aangebracht, hebben wij ook in de discussies ingebracht. Het is inderdaad zo dat, als er een risico zou kunnen zijn, men eerder opteert voor alleen NT2 en niet voor de andere elementen uit het inburgeringstraject: de loopbaanoriëntatie en de maatschappelijke oriëntatie.

Maar misschien zullen mensen zelf overtuigd zijn van de meerwaarde en van het belang van het globale pakket, van het gehele inburgeringstraject, en niet alleen voor NT2 gaan. Misschien zijn er wel degelijk argumenten om te zeggen dat wie op een gegeven moment kiest voor NT2 omdat het gratis was, omwille van de meerwaarde bijvoorbeeld op vlak van tewerkstelling, toch wel geïnteresseerd zou kunnen zijn om ook de vakken maatschappelijke oriëntatie en loopbaanoriëntatie te volgen.

Wat wel belangrijk is, is de administratieve belasting. Dat is een van onze argumenten voor de vrijstelling in artikel 109. We wilden die absoluut. Het principiële argument luidt dat het neerkomt op een algemene basisvorming, want men moet kennis van het Nederlands hebben om een volgende stap te kunnen zetten. Bovendien is er de administratieve last, vandaar dat ik mijn oproep herhaal om de bewijzen die kunnen worden aangedragen vanuit het OCMW of de VDAB inzake het in aanmerking komen voor de vrijstelling, niet per module te moeten herhalen, maar om de aanvraag ervan op jaarbasis mogelijk te maken. Het gevolg is een zo klein mogelijke administratieve belasting.

De voorzitter

Minister Vandenbroucke heeft het woord.

Minister Frank Vandenbroucke

Mevrouw de voorzitter, ik zal natuurlijk straks, wanneer ik het gehele debat heb gehoord, nog samenvattend tussenkomen, maar ik wil nu even iets zeggen, gewoon ter informatie.

Wat het Nederlands voor anderstaligen betreft, discussiëren we over 0 euro per uur of 25 cent per uur. Laat dat duidelijk zijn. We zijn ons aan het opwinden over 0 euro per uur of 25 cent per uur voor ongeveer de hele groep. In tegenstelling tot het beeld dat wordt geschapen, bedraagt de kostprijs geen 1 euro per uur.

Het is zo dat het Nederlands voor anderstaligen 50 cent kost, maar elke werkende in Vlaanderen en in Brussel en elke werkloze in Vlaanderen en in Brussel kan zonder enige paperasserie vanwege de VDAB of de BGDA maar gewoon omdat hij werkloos is, dat bedrag op 25 cent brengen. De werkenden doen dat via opleidingscheques, de werkzoekenden kunnen dat gewoon omdat ze werkzoekend zijn. Wil de werkzoekende het bedrag dat hij moet betalen op 0 euro brengen, dan moet hij zich inderdaad inschakelen in een traject van de VDAB in Vlaanderen of van de BDGA in Brussel. De VDAB in Vlaanderen erkent dit automatisch als een traject. Een werkloze betaalt dus, zonder paperasserie maar gewoon omdat hij werkloos is, 25 cent. Voor wie niet werkloos is, maar aan het werk, bedraagt de prijs 50 cent, maar dat bedrag kan worden gehalveerd dankzij de opleidingscheques. Dit geldt in Vlaanderen, zowel als in heel Brussel voor eender wie zich inschrijft voor een cursus Nederlands voor anderstaligen bij een Vlaams centrum.

Daarover zijn we ons dus heel erg aan het opwinden. Ik wou dat even meegeven bij wijze van een zekere relativiteit in het debat. Wel kan ik heel goed begrijpen dat de heer Sannen betreurt dat een meer principieel signaal geen eenstemmigheid kreeg. Ik volg de politieke redenering, maar ik zou niet graag hebben dat het de publieke opinie wordt dat we over honderden euro's praten. We hebben het ook niet over 1 euro per uur en zelfs niet over 50 cent per uur, maar wel over 25 cent. De uitzondering is misschien de gepensioneerde die geen beroep kan doen op allerhande andere mogelijkheden om dat bedrag tot 0 te herleiden.

Ludo Sannen

En nog een uitzondering, mijnheer de minister, is een moeder die haar kind naar een Nederlandstalige school stuurt, niet uit werken gaat en er ook geen beroep op kan doen.

U stelt terecht dat de kostprijs, in het geheel bekeken, niet onnoemelijk groot is. Het vraagt hier en daar wel enige administratieve opvolging. Voor mij gaat het ook om een principiële houding.

Ik kan u volgen, mijnheer Gatz. Ik vind het belangrijk dat zoveel mogelijk nieuwkomers het onthaaltraject volgen, zowel verplicht als vrijwillig. Naast de nieuwkomers zijn er nog heel wat mensen die het zelf nodig vinden om Nederlands te leren maar al lang niet meer in aanmerking komen voor een onthaaltraject. Ik verneem dat de onthaalbureaus niet zullen klaar zijn om vanaf 1 september al de vrijwillige kandidaten te laten starten. Die mensen zullen worden afgeremd. Ik wil hierover minister Keulen ondervragen. We dreigen hier een grote vergissing te maken.

Laurence Libert

Minister Keulen heeft vanaf 1 januari 2007 in een verdriedubbeling voorzien van de middelen voor de onthaalbureaus: het bedrag wordt opgetrokken van 8,8 naar 24,8 miljoen euro. De onthaalbureaus nemen immers de screening voor hun rekening. Ze bieden een loopbaanoriëntatie en een cursus maatschappelijke oriëntatie aan, om de kandidaten dan door te verwijzen naar het Huis van het Nederlands. Het is de bedoeling om inburgering aan te bieden als een pakket en niet in versnipperde onderdelen. Inburgering is voor de Vlaamse Regering een prioriteit.

Ludo Sannen

Niet iedereen heeft dit hele pakket nodig. Maar dat is een andere kwestie.

Een positief element is dat iedereen bereid is om dit systeem van NT2 en de kostprijs te evalueren en na te gaan of we niet te veel drempels hebben ingebouwd. Ik vrees dat de participatiegraad gaat afnemen. Dat wil ik onderzoeken. Als dat zo zou zijn, bestaat er blijkbaar wel de bereidheid tot enige aanpassing. (Applaus bij sp.a-spirit)

De voorzitter

De heer Tavernier heeft het woord.

Jef Tavernier

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, dames en heren, dit ontwerp van decreet heeft zeker pluspunten en verdiensten. Bij de hoorzitting met de betrokkenen begonnen alle sprekers met positieve kritiek. Men kan zeggen dat er een grotere integratie komt van de verschillende aanbieders van onderwijs en vorming aan volwassenen. Inderdaad, er komt een betere samenwerking tussen de verschillende structuren. Er komt een modulaire structuur. Alles wordt nogal gestroomlijnd. Dat is een positieve evolutie.

Maar als men iets verder kijkt, ziet men toch dat de grote verwachte integratie met andere opleidingsvormen van bijvoorbeeld VDAB en SYNTRA niet is gerealiseerd. Dat was wel uw bedoeling. Dit is een gemiste kans. De VDAB maakte zich daar minder zorgen over. Hij zei dat hij dat wel zou aansturen, dat hij de portefeuille in handen heeft en zou zeggen wat de anderen moeten doen.

Bovendien stelt de VDAB dat hij de voorwaarden oplegt aan een aantal volwassenen en werkzoekenden. De VDAB is dan ook niet afhankelijk van de anderen en kan de anderen in zijn trajecten dwingen.

Meer vragen waren er bij de mensen van SYNTRA. Zij stellen dat ze er niet bij betrokken zijn. Zij vinden dat er nogal naast elkaar gewerkt wordt, onder meer wat betreft de betalingen, de voorwaarden, de inschrijvingsgelden enzovoort. Mijnheer de minister, ik geloof dat we op dat vlak kunnen spreken van een gemiste kans.

Ik zal het hier niet hebben over het feit dat het al juni is. Volgens sommigen is het nogal laat om nog te implementeren. Ik wil wel nog een aantal vragen stellen die mij pas achteraf bereikt hebben, onder meer met betrekking tot het inschrijvingsgeld. Je wordt als ingeschrevene beschouwd als je inschrijvingsgeld betaald hebt. Maar wat gebeurt er wanneer je je inschrijft voor een cursus waarvoor er wachtlijsten zijn? Op dat moment zit je inschrijvingsgeld bij een bepaald centrum, zonder dat je de zekerheid hebt dat de cursus in het volgende semester aangeboden wordt. Is dat inschrijvingsgeld dan terugvorderbaar? Dat is een vraag die een antwoord verdient. De controleerbaarheid van de wachtlijsten roept overigens ook vragen op.

Een andere vraag die mij bereikte is de volgende. Je moet je als cursist inschrijven in het agogische project van het centrum. Ik begrijp dat u wilt rationaliseren en het aanbod van verschillende netten in een bepaalde streek beter op elkaar afstemmen. Sommige aanbieders hebben echter nog altijd een bepaalde ideologische kleur. Als je je niet kunt vinden in die kleur, moet je je dan desondanks schikken naar dat agogische project? Heb je enige keuzevrijheid?

De discussie over dit ontwerp van decreet is in de publieke opinie verengd tot het inschrijvingsgeld. U stelt dat u door de verhoging het inschrijvingsgeld voor iedereen op hetzelfde niveau wilt brengen. U wilt het cursusshoppen en de uitval voor de cursussen tegengaan. Ik heb daar toch een aantal vragen bij.

De verhoging van het inschrijvingsgeld is een slechte methode om de door u beoogde effecten te bereiken. Dit gaat fundamenteel in tegen de aspecten van levenslang en levensbreed leren. Het gaat bovendien in tegen het principe dat onderwijs zoniet gratis, dan toch in elk geval niet duurder mag worden. En dat geldt ook voor het volwassenenonderwijs. Die opmerking wordt gemaakt door iedereen die een advies gegeven heeft over dit ontwerp van decreet én door de Raad van State. Daarbij wordt ook verwezen naar internationale verdragen die wij ondertekend hebben.

Ik vind het ook niet kunnen dat er in een aantal gevallen een aanzienlijke verhoging van het inschrijvingsgeld komt. De maximumgrens op jaarbasis van 250 euro wordt bijvoorbeeld verhoogd naar 400 euro.

Dat is niet zomaar een indexering, het is een reële verhoging. Op een ander moment en binnen een ander kader pleit u voor een verlaging van de kostprijs. Enerzijds wilt u studiebeurzen van 45 euro toekennen, terwijl u het anderzijds geen probleem vindt om een cursusbedrag van 400 euro te vragen.

U zegt dat er heel wat vrijstellingen zijn. Maar het zijn precies de mensen die een vrijstelling moeten krijgen, die vaak niet weten op basis van welke elementen ze die vrijstelling kunnen krijgen. U vraagt heel wat bijkomende administratie van de cursisten, maar ook van de centra voor volwassenenonderwijs.

Mevrouw Libert, in een periode waarin iedereen pleit voor administratieve vereenvoudiging, wilt u bijkomende regels opleggen. Daarmee wilt u zorgen voor bijkomende middelen zodat de onthaalbureaus aan de bijkomende administratieve last kunnen voldoen.

Laurence Libert

Er is geen sprake van bijkomende administratieve lasten. We willen dat meer mensen via dit bestaande traject worden georiënteerd naar een inburgeringscursus voor de Nederlandse taal, maatschappelijke oriëntatie of loopbaanoriëntatie.

Jef Tavernier

Er zijn bijkomende mensen die worden verplicht om bijkomende attesten aan te vragen of zich bijkomend in te schrijven bij de onthaalbureaus. Dat vraagt een bijkomende subsidiëring zodat dit kan worden opgevangen. Dat is een kronkelredenering.

Laurence Libert

In het kader van de inburgering pleiten we voor meer mensen die zich inburgeren. Bent u dan ook tegen alle bijkomende gezinsherenigingen?

Jef Tavernier

Neen, ik ben voor inburgering en voor bepaalde trajecten op het moment dat mensen dat nodig hebben. Hier wilt u echter een bijkomende groep mensen die Nederlands willen leren, in inburgeringstrajecten stoppen.

Laurence Libert

Het gaat dan over mensen die manifest geen Nederlands kennen en die een cursus maatschappelijke inburgering en oriëntatie kunnen gebruiken. We willen die mensen meer aanbieden zodat ze zich nog beter kunnen inburgeren.

Mieke Vogels

Ik vind dit een heel bizarre redenering voor iemand die zich liberaal noemt. Dit is puur paternalisme. Die mensen volgen al cursussen. Op een volgend niveau willen zij zichzelf verbeteren en aan hun individu werken. En dan zegt de VLD dat zij ook nog moeten inburgeren - van het vingertje gesproken.

Alle onthaalbureaus stellen dat daardoor wel degelijk bijkomende administratieve lasten worden gecreëerd. De minister heeft daarnet nog gezegd dat het niet over veel geld gaat. Vaak gaat het maar over 25 eurocent per uur - reden te meer dus om al die administratie achterwege te laten. Hier vlakbij staat de Kafkabuis met alle regeltjes die vernietigd zijn. Welnu, Kafka woont niet langer in de Wetstraat, maar in de Dorpstraat. De VLD doet niets anders dan bijkomende regeltjes opleggen voor de mensen die onderaan de maatschappelijke ladder staan. Die moeten aan steeds meer regels voldoen. Voor de bedrijven tellen die regeltjes niet. De VLD moet consequent zijn. Een liberaal moet de vrijheid van het individu in acht nemen en moet voor iedereen tegen de regeltjes zijn.

Jef Tavernier

Mevrouw Libert, ik denk dat dit vrij duidelijk is. In feite verplicht u bepaalde categorieën om te voldoen aan bijkomende regels. U zegt dan dat de instellingen die moeten zorgen voor de controle, ook bijkomende middelen krijgen. Waarschijnlijk zal daarna worden geklaagd dat er te veel overheidspersoneel is. U zorgt daar echter zelf voor. Dat is een slechte zaak, een slechte evolutie. Bovendien gaat het over vrij weinig geld.

Mijnheer de minister, in artikel 109 gaat het om 1 euro. In paragraaf 4 gaat het om 0,5 euro. In paragraaf 5 zijn daar dan weer afwijkingen op ten belope van 0,25 euro per uur.

U maakt uw regelgeving omdat u koppig vasthoudt aan het inschrijvingsgeld. Door dat inschrijvingsgeld voor NT2 maakt u de regelgeving bovendien onnodig ingewikkeld. Dat is geen goede zaak.

Bovendien zijn er mensen die geen gebruik kunnen maken van die vrijstellingen. We hebben het al over NT2 gehad. We hebben het echter ook over de herintreders of, bijvoorbeeld, over de cursisten die recht hebben op kinderbijslag.

De centra zeggen over het verhoogde inschrijvingsgeld dat, zelfs als er rekening wordt gehouden met alle vrijstellingen en uitzonderingen, toch nog op zijn minst 20 percent van de mensen het volledige bedrag zullen moeten betalen. Dat gaat dan om bedragen tot 400 euro per jaar. De vraag is ook nog waarom dat maximum nog altijd per jaar wordt berekend en niet per semester of per half jaar, zeker als het gaat over het modulair systeem.

Er is nog iets dat belangrijk en principieel is. Een deel van het inschrijvingsgeld wordt in een fonds gestoken. Dat fonds - het solidariteits- of mutualiteitsfonds - wordt gebruikt voor de werking van die centra. Dat houdt in dat cursisten via hun inschrijvingsgeld ook de werking van de centra betalen, en eventueel ook de werking van andere centra.

De werking van scholen en van centra moet uit de algemene middelen worden bekostigd. We hebben hier te maken met een zeer gevaarlijk precedent, ook al gaat het over eventueel kleine bedragen. Het geld van de cursisten gaat voor een deel in de pot. Dat wordt dan gebruikt door andere cursisten.

Minister Frank Vandenbroucke

Mevrouw de voorzitter, ik ben nogal verbaasd over de opmerkingen. Ik zal straks meer in het algemeen reageren. Er zijn echter bepaalde dingen die we beter niet te lang in de lucht laten hangen. Mijnheer Tavernier geeft hier de indruk over een ongelooflijke kennis van zaken over het dossier te beschikken.

Mijnheer Tavernier, daarnet hebt u iets heel kras gevraagd. Ik hoop dat het een vraag was en dat u niet denkt dat de zaak zo in elkaar zit. U hebt gesuggereerd dat als iemand zich aanmeldt bij een centrum om op een wachtlijst terecht te komen, hij inschrijvingsgeld moet betalen. Wat is dat voor onzin! Een cursist betaalt inschrijvingsgeld als hij wordt ingeschreven, en niet om op een wachtlijst te staan. Vertel dergelijke zaken toch niet als u een ernstig debat wilt voeren!

Een tweede punt gaat over de solidariteit. Mijn klomp breekt als ik u bezig hoor. Niemand in dit halfrond gaat nu echt in op een zeer essentieel punt in deze hervorming, namelijk dat wij niet langer wensen dat er kansarme centra voor volwassenenonderwijs zijn tegenover kansrijke centra.

Dat is vandaag de realiteit. Als een centrum te maken heeft met veel kansarme cursisten, dan int het minder inschrijvingsgeld. Het wordt onvoldoende gecompenseerd door de overheid. Het zal ook minder werkingsmiddelen hebben omdat de mensen met wie wordt gewerkt, zelf ook kleinere budgetten hebben. Dat is vandaag de realiteit.

Daar zegt u echter niets over. U gaat daar zo aan voorbij. Dat centra met veel kansarme mensen minder mogelijkheden hebben om goed werk te leveren voor de cursisten, interesseert u niet. (Opmerkingen van de heer Jef Tavernier)

Laat me uitspreken. Ik hoor u daar niet over. Ik hoor u daar niet over!

Laat ons het bandje terug afspelen. Ik hoor u daarover niet. (Opmerkingen bij Groen!)

Dit is gênant voor u, maar ik hoor u daarover niet.

Als we ervoor zorgen dat elk centrum per cursist 75 eurocent krijgt, of die cursist nu een leefloner is, een asielzoeker, een werkloze, een inburgeraar of een kaderlid van een grote multinational of iemand die goed verdient, dan is dat solidariteit. Zo zorgen we ervoor dat er in Vlaanderen geen onderscheid bestaat tussen kansrijke en kansarme centra. En nu staat u dat af te breken op de tribune. Dat is onwaarschijnlijk. U vindt de huidige toestand geen probleem, en de oplossing, die er een is van solidariteit, breekt u af. Ik vraag u om daar toch eens twee keer over na te denken.

Ik ben het eens met wat mevrouw Helsen daarover heeft gezegd. (Opmerkingen van mevrouw Kathleen Helsen)

Mevrouw Helsen, u kunt geen omelet bakken zonder eieren te breken.

De techniek die we daarvoor ontwikkelen is nieuw. We komen daar overigens - en mijnheer Tavernier, daarover hebt u ook niets gezegd - voor de helft tussen met algemene middelen. Het is niet juist dat alleen de cursisten solidair zijn met zichzelf. Eerlijk gezegd, ze mogen ook een beetje solidair zijn met zichzelf. Ik zal u dadelijk het argument geven.

We komen tussen met algemene overheidsmiddelen, die worden geïnd via belastingen. Via de techniek van het fonds, waarvan mevrouw Helsen zegt dat het ingewikkeld is en dat we erop moeten toezien dat het goed werkt, moeten we ervoor dat er in Vlaanderen geen onderscheid bestaat tussen rijke en arme centra, tussen centra voor rijke mensen en centra voor arme mensen. Dat onderscheid wil ik niet. Maar daarvoor moet je waarschijnlijk socialist zijn, en niet groen. (Rumoer)

Ik vind het niet zo erg, mijnheer Tavernier, dat je binnen een groep mensen die levenslang leren een beetje solidariteit vraagt. (Opmerkingen van de heer Jos Stassen)

Ja, mijnheer Stassen, dat interesseert u allemaal niet. Er doet zich een mattheuseffect voor in die groep. Want wie zijn de mensen die levenslang leren? Dat zijn vooral mensen die al veel hebben geleerd. Wij willen daar ook andere mensen zien. Binnen die vrij geprivilegieerde groep die niet de verhoudingen van de bevolking weerspiegelt, mag je inderdaad een beetje solidariteit vragen. Maar dat wilt u niet, mijnheer Tavernier. U wilt zelfs het probleem niet onderkennen.

Cathy Berx

Mijnheer de minister en collega's, wij zijn geen socialisten en we zullen het ook niet worden. Toch heb ik uit het betoog van mevrouw Helsen begrepen dat zij het onderscheid tussen kansrijke en kansarme centra wel degelijk heeft gemaakt. Dit onderscheid is in dit halfrond dus wel expliciet aan bod gekomen. Het is alleen zo dat we het niet van de heer Tavernier hebben gehoord.

Wij hebben heel duidelijk gesteld dat die zorg terecht is. De verhoging van het inschrijvingsgeld is ook terecht omwille van het shoppinggedrag. Als je de tarieven laag houdt, ontstaat er risico op collusie tussen centra en cursisten, waarbij de cursisten worden aangemoedigd om zich keer op keer in te schrijven. Dat is voor hen geen probleem, want voor hen blijft de rekening laag, terwijl het wel extra geld oplevert voor de centra. Wij staan er in elk geval achter, maar we willen wel nagaan of het op een goede manier wordt opgelost.

Nog eens: ik denk niet dat je een socialist moet zijn om dit standpunt te verdedigen. De zorg om het onderscheid tussen kansarme en kansrijke centra is een sociale zorg.

Jef Tavernier

Ik dank minister Vandenbroucke voor zijn uiteenzetting. In de mate dat hij het niet goed begrepen heeft, kan ik nu misschien duidelijker maken of ik een vraag stel of een stelling poneer.

Het eerste waarover ik het had, over die wachtlijsten, was een vraag. Het was een vraag, mijnheer de minister, omdat in artikel 37 staat: "Voor de toepassing van artikel 56, 10°, worden de cursisten ingeschreven in de volgorde…", enzovoort. "De inschrijvingsvoorwaarden, vermeld in eerste lid, omvatten volgende elementen…" Artikel 56, 10°, zegt dat centra maar worden erkend als ze "zonder onderscheid elke cursist inschrijven voor de opleiding die hij wil volgen".

En er staat om ingeschreven te zijn: "Ten tweede: het inschrijvingsgeld betaald hebben of hiervan rechtmatig vrijgesteld zijn". Mijn vraag - en niet meer dan dat - is: als iemand is ingeschreven en op de wachtlijst staat, moet die al dan niet betalen? Dat is een vraag. Insinueert u, mijnheer de minister, niets anders!

Dan wil ik het even hebben over het fonds. Het klopt dat er rijke en minder rijke centra zijn. Mijn stelling is niet dat dit onderscheid moet worden behouden. Mij gaat het over het fonds en de financiering van het fonds waarbij inderdaad in een dubbele financiering is voorzien. Ik kant mij tegen één element omdat ik vind dat het uit de algemene middelen moet komen. Ik vind niet dat het fonds moet worden afgeschaft en ik vind niet dat arme centra moeten worden behouden. Het gaat mij erom dat er een bepaalde vorm van financiering wordt gehanteerd die een gevaarlijk precedent is. Ik ben niet de enige die dat zegt. In Forum schrijft het VSKO in april 2007: "Het VSKO is gekant tegen het fonds omdat de Vlaamse Gemeenschap zo een verkapte onderwijsbelasting invoert en we vinden dat een kwalijk precedent. De administratieve last die hiermee gepaard gaat, is voor de centra een doorn in het oog." Het kan zijn dat dit zeer onbelangrijk is, dat ik iets uitvind, dat ik me zorgen maak over iets waarover ik me absoluut geen zorgen moet maken en dat ik compleet alleen sta met mijn bedenkingen, maar ik vrees dat ook anderen zich die bedenkingen maken.

We vinden dat dit ontwerp van decreet een aantal positieve elementen bevat en ik heb die aan het begin van mijn betoog opgesomd. Er kunnen nog verbeteringen en evoluties komen in de toekomst, maar op het vlak van inschrijvingsgelden zijn er zowel principiële als praktische bedenkingen. Om die reden heb ik een aantal amendementen ingediend. Ik hoop - en dan richt ik me niet tot de minister, maar wel tot de meerderheid - dat de terechte amendementen worden goedgekeurd die betrekking hebben op de inschrijvingsgelden in het kader van levenslang en levensbreed leren en in het kader van het leren van Nederlands zonder ervoor te moet betalen. Toen het ging om het gratis maken van het leren van Nederlands, heeft het Vlaams Belang die amendementen weggestemd. Ik hoop dat de leden van de meerderheid zich als volwaardige parlementsleden gedragen en dat ze stemmen voor datgene waarvan ze zeggen en denken dat ze erachter staan.

De voorzitter

De heer De Cock heeft het woord.

Dirk De Cock

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank de verslaggever voor het verslag. Dit is inderdaad een heel belangrijk niveaudecreet want het brengt een interactie teweeg tussen de centra voor de basiseducatie en de centra voor volwassenenopleiding. Het decreet over de centra voor basiseducatie van 1990 en het decreet over de sociale promotie van 1999 worden door dit decreet vervangen.

Naast opleiding en vorming staat het volwassenenonderwijs in al zijn vormen en disciplines borg voor het levenslang en levensbreed leren. Levensbreed leren komt bijna uitsluitend voor bij de centra voor volwassenenopleiding.

Want VDAB, SYNTRA en andere verstrekkers van volwassenenonderwijs bieden enkel levenslang leren en dus werk- en arbeidsgerelateerde trajecten aan. De tussentijdse certificering maakt volwassenenonderwijs ook geschikt voor snelle succeservaringen. Zo komen achtergebleven groepen die vroeger om allerlei redenen minder aan bod kwamen, nu wel aan de bak. Ik noem dan allochtonen, ouderen, laaggeschoolden en vrouwen.

De tussentijdse instap wordt vergemakkelijkt door de modulaire opbouw terwijl de band met het leerplichtonderwijs behouden blijft. Een andere innovatie is de volledige inbedding van de centra voor basiseducatie in onderwijs. Basiseducatie is altijd al een volwaardige partner van het onderwijs geweest, en nu wordt dat ook decretaal vastgelegd. De doelgroepenafbakening wordt ook duidelijker. Om in aanmerking te komen voor volwassenenonderwijs moet de cursist het leerplichttraject grosso modo doorlopen hebben. Toch zijn er uitzonderingen, en die maken bijvoorbeeld voor NT2-trajecten de parallelle instap vanaf twaalf jaar mogelijk. Leerplichtscholen kunnen niet altijd de nodige bijkomende taaltrajecten aanbieden. Het is dus een goede maatregel om taalachterstand weg te werken terwijl men parallel het leerplichttraject kan blijven doorlopen.

De oprichting van consortia voor volwassenenonderwijs als structurele samenwerkingsverbanden die netoverschrijdend zullen werken, is een vernieuwing die op termijn tot een win-winsituatie zal leiden. Ik ben daarvan overtuigd. Het opleidingsplan van zo'n consortium zal bepalend zijn voor de nodige afstemming tussen de onderwijsverstrekkers. In de rand daarvan kan een ombudsdienst voor cursisten de dienstverlening en de professionalisering enkel verhogen. De consortia zullen ook zorgen voor een maatschappelijk verantwoorde kostprijs.

De schaalvergroting voor de centra voor basiseducatie houdt rekening met mensen en met middelen. Een sterkere beleidsvoering wordt op die manier mogelijk. Voor de centra voor Volwassenenopleiding zijn de wijzigingen aan het financieringssysteem niet zo vergaand als voor de CBE's. Er ontstaat een groter financieel parallellisme tussen beide en de aanpassing van de delers is evenzeer een belangrijke wijziging. Maar er is duidelijk rekening gehouden met de bepaling in cao 7 dat voor gelijke omstandigheden eenzelfde omkadering moet voorhanden zijn.

Een overgangsmaatregel van 6 jaar staat ervoor garant dat centra waarvoor een en ander wijzigt de tijd krijgen zich aan te passen. In vergelijking met de buurlanden is 1 euro per lesuur niet zo veel. Dat is zeker zo als we dat bedrag vergelijken met de prijs die andere onderwijsverstrekkers aanrekenen. Tal van cursisten zijn vrijgesteld. De Lissabonnorm van een participatie van 12,5 percent is niet gering. Toch moet men nagaan of er geen groepen uit de boot vallen. Het op te richten fonds moet ervoor zorgen dat centra financieel niet de dupe worden van veel vrijgestelde studenten. De minister is daar uitvoerig op ingegaan. Ik ben van mening dat het cijfer van 40 percent voortijdige uitstroom dat in sommige doorlichtingsverslagen wordt vermeld, door de responsabilisering die in het decreet heel zeker aanwezig is, drastisch zal verlagen.

Aan een aanbeveling van het Rekenhof om het ingewikkelde personeelsstatuut en de complexe regelgeving van het personeel in het volwassenenonderwijs te vereenvoudigen, is in dit decreet tegemoetgekomen. Over de hele NT2-problematiek is hier genoeg gezegd. Ik onthoud uit de discussie alleen dat leden van de meerderheidspartijen bereid zijn om samen te zitten en hierover nog te praten. Het voorliggende ontwerp van decreet is mijns inziens een zeer goed legistiek document. We zullen zien hoe het veld daarop reageert. Ik ben me ervan bewust dat het goed zal worden aanvaard. (Applaus bij sp.a en spirit)

De voorzitter

Minister Vandenbroucke heeft het woord.

Minister Frank Vandenbroucke

Mevrouw de voorzitter, geachte collega's, gezien het gevorderde uur zal ik het niet hebben over alle mogelijke aspecten van dit toch wel ingrijpende ontwerp van decreet en ook niet over een aantal veeleer praktische maar toch zeer belangrijke realisaties die we hiermee beogen. Ik denk bijvoorbeeld aan het streven naar een fundamentele verbetering inzake het maken van fouten in personeelsdossiers waarvoor het Rekenhof ons terecht op de vingers tikt. Dit ontwerp van decreet moet het mogelijk maken om in de toekomst een veel betere personeelsadministratie te hebben. Ik zal het ook niet hebben over een aantal wijzigingen die we doorvoeren waardoor de tweedekansfunctie van het volwassenenonderwijs versterkt wordt. Ik wil komen tot wat in mijn ogen maatschappelijk de essentie is.

Dit is een verhaal van gelijke kansen in het domein van levenslang leren. We willen niet alleen meer levenslang leren, we willen dat zoveel mogelijk mensen daaraan kunnen deelnemen, wat vandaag niet het geval is. Levenslang leren is een van die domeinen in de samenleving waar een bijzonder sterk mattheuseffect speelt: wie reeds heeft, krijgt nog meer. Dit is misschien een beetje onvermijdelijk, want men moet natuurlijk opgeleid zijn om verder graag opgeleid te worden. Dat is voor een deel een wet van Meden en Perzen, maar we kunnen eigenlijk niet aanvaarden dat het levenslang leren zo fout verdeeld is.

Het gaat dus om gelijke kansen. Maar kansen op iets wat middelmatig is, op beperkte kwaliteit, zijn geen gelijke kansen. Essentieel in dit verhaal is dat we mikken op het verbeteren van de kwaliteit in het volwassenenonderwijs en bovendien op het succes van cursisten. We hebben de voorbije tien jaar vooral een verhaal gehad van kwantitatieve expansie. Meer cursisten, meer leerkrachten, meer uren, meer budget: zeer belangrijk en zeer goed op zichzelf. Maar van een verhaal van louter kwantitatieve expansie willen we nu gaan naar een verhaal van meer kwaliteit en meer succes voor cursisten om die kwaliteit te verwerken en om te zetten in verworven competenties en ook in getuigschriften.

Dat betekent bijvoorbeeld dat we sterk inzetten op ondersteuning van het pedagogisch-didactisch gebeuren in het volwassenenonderwijs, niet alleen in de basiseducatie maar in alle centra voor klassiek volwassenenonderwijs. We zullen geld investeren, en we gaan een structuur oprichten en zorgen voor netwerking en samenwerking waardoor het pedagogisch-didactische aspect veel beter ondersteund en begeleid zal worden. Dat ontbreekt vandaag in het volwassenenonderwijs.

We mikken ook op samenwerking en we willen gekke concurrentie vermijden. De heer Sannen gaf het voorbeeld van vier cursussen Russisch in één stad, terwijl in een andere regio cursisten een grote afstand moeten afleggen vooraleer ze een algemene vorming kunnen volgen die hen toegang geeft tot het diploma secundair onderwijs. Dan is het aanbod niet alleen onevenwichtig en onefficiënt, maar ook strijdig met de idee van gelijke kansen. Als we zulke toestanden willen rechtzetten - gekke concurrentie vermijden, onnodige proliferatie vermijden, zorgen voor toegankelijkheid waar het echt nodig is - dan is er samenwerking en overleg op het terrein nodig. Dat is wat we tot stand brengen via de formule van de consortia. Ik weet dat het gevoelig ligt, want het is netoverschrijdend, maar ik denk dat we die gevoelige stap moeten zetten.

Voor de subsector van de basiseducatie zetten we heel wat stappen tegelijkertijd: een belangrijke schaalvergroting die gericht is op meer professionalisering en totale omvorming van het financieringssysteem waardoor men ook eindelijk werkzekerheid kan creëren voor het personeel dat zich dagelijks inzet, en waardoor basiseducatie een stevige partner wordt in het geheel. Het is ook juist dat het een uitdaging is om een evenwicht te krijgen in de verhouding tussen het volwassenenonderwijs en de basiseducatie aan de ene kant en andere opleidingsverstrekkers - VDAB, SYNTRA en de commerciële sector - aan de andere kant.

Maar men moet eerst het volwassenenonderwijs en de basiseducatie wat robuuster en steviger maken, zodanig dat ze aan de tafel van het overleg met VDAB en SYNTRA echt een sterke partner kunnen worden. Daar mikken we op.

Wij denken ook dat we cursisten beter moeten wapenen op de weg naar succes. Dat is het verhaal van betere begeleiding, betere oriëntering en, tussen haakjes, ook het verhaal van betere opvang van klachten, want we gaan in de consortia ombudsdiensten organiseren. Het is voor een deel ook het verhaal van het inschrijvingsgeld.

In dit debat voegt men er niet aan toe dat we in het decreet duidelijk maken dat men voor de verzekering of de verwarming van de lokalen geen geld mag vragen aan de cursisten, wat vandaag hier en daar wel gebeurt. We beslissen hier dat dat niet mag. Het enige dat gefactureerd mag worden, is het noodzakelijke materiaal, waarbij er een duidelijke transparante kostenstaat moet zijn voor elke cursist. Dat is ook belangrijk, denk ik.

Kwaliteit, ook door meer werkingsmiddelen. Mevrouw Helsen, in uw voor het overige uitstekende verslag, was dat een beetje een lacune. U hebt gezegd dat er een verhoging van de inschrijvingsgelden gepland is, dat dat te maken heeft met het feit dat mensen soms een beetje lichtzinnig shoppen en dat de minister dat wil vermijden. Dat is juist. Maar de doelstelling van de verhoging van de inschrijvingsgelden is op de eerste plaats zorgen voor meer werkingsmiddelen en dus voor kwaliteit in de centra. Zorgen voor goed materiaal, goede handboeken en goede computerinfrastructuur, daarover gaat het.

Er zijn meer werkingsmiddelen, maar ze worden ook eerlijk verdeeld. Ik kan niet genoeg herhalen dat ik af wil van de huidige toestand, waarbij centra waar de rijkere mensen naartoe gaan, de rijkere centra zijn en de centra waar de armere centra naartoe gaan, de armere centra zijn. Dat is fundamenteel onrechtvaardig en strijdig met de essentie van solidariteit in het onderwijs en in de samenleving. Ik wil geen rijke centra voor rijke mensen en arme centra voor arme mensen.

Vandaar dat we een wat gecompliceerd verdelingssysteem opzetten, waarbij de ene cursist niks betaalt, de andere 25 cent, een andere 50 cent en een andere een euro. Maar uiteindelijk komt er in de centra per cursist 75 eurocent toe om het voor die cursisten zo goed mogelijk te doen, mede dankzij de algemene solidariteit op basis van wat de belastingbetaler oplevert voor de Vlaamse overheid.

Ik denk dat dat een rechtvaardig systeem is. Ik wil nog eens zeggen dat we dat eigenlijk ook niet zomaar beslist hebben, wat hier in het debat uitvoerig aan bod is gekomen. Om te beginnen, zijn er sociaaleconomische categorieën die gratis naar het volwassenenonderwijs kunnen gaan: mensen die leven van het leefloon en mensen die werkzoekend zijn en een opleiding volgen in het kader van een VDAB-traject. Ook bepaalde domeinen zijn vrijgesteld van inschrijvingsgeld: de algemene vorming omwille van de tweede kans die mensen daar nemen en Nederlands Tweede Taal voor wie een inburgeringtraject wil volgen.

Ik wil nog eens herhalen dat we in de praktijk, voor het gevoelige punt Nederlands voor anderstaligen - waar ik de frustratie van de heer Sannen begrijp, dat er een debat is in het parlement, maar men er niet in slaagt om een consensus te vinden en een signaal te geven - spreken over nul euro per uur of 25 cent per uur en hier en daar misschien eens iemand voor 50 cent per uur.

Dan rijst de vraag of dat veel of weinig is. Ik denk dat dat niet zo veel is. Vandaag legt voor elke euro die cursisten betalen, de samenleving er tien euro bij. Ik denk dat we aan die cursisten dus niet te veel vragen. Ik denk dat dat een rechtvaardig evenwicht is en ik daag iedereen uit om het omgekeerde te verdedigen.

Mevrouw de voorzitter, eigenlijk zouden we het moeten hebben over het toekomstige landschap. Waar willen we naartoe met levenslang leren? Wat zijn daarin de prioritaire domeinen? Welke innovaties willen we? Wat wordt de rol van het gecombineerde leren? Hoe kunnen deze centra inspelen op de wereld van internet? Wat zijn de nieuwe domeinen? Hoe kunnen we de nijverheidstechnische richtingen versterken? Dat is ook een van de ambities van dit ontwerp van decreet.

Daar is vandaag niet zoveel over gezegd. Ik hoop dat we daar in de toekomst meer debatten over kunnen voeren zodat dit ontwerp van decreet het begin wordt van een kwalitatieve uitbouw van het levenslang leren in Vlaanderen. Ik dank u alvast voor uw steun daarvoor. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Tavernier heeft het woord.

Jef Tavernier

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, heb ik u goed begrepen dat op het moment dat iemand zich wil inschrijven voor een cursus waarvoor er blijkbaar al een wachtlijst bestaat, hij dan geen inschrijvingsgeld moet betalen? Ik heb u de artikelen gegeven die ik samen heb gelezen. Het gaat over een interpretatie. Het is belangrijk dat dat in het verslag staat zodat daar geen discussie over bestaat.

Minister Frank Vandenbroucke

Laat me duidelijk zijn. Ik kijk ook even naar mijn verzamelde ambtenaren en juristen. Men betaalt inschrijvingsgeld als men zich effectief inschrijft en een cursus kan beginnen volgen, anders niet. De aanmelding kost u geen geld. Dat is redelijk logisch.

Jef Tavernier

Ik heb de vraag gekregen van mensen die me zeiden dat het hen niet duidelijk was. Daarom stel ik u deze vraag.

Minister Frank Vandenbroucke

Verwijs hen naar het verslag van deze zitting.

De voorzitter

De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

De voorzitter: Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2006-07, nr. 1201/5).

De artikelen 1 tot en met 32 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement op artikel 33. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2006-2007, nr. 1201/6)

De stemmingen over het amendement op artikel 33 en over artikel 33 worden aangehouden.

De artikelen 34 tot en met 106 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement op artikel 107. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2006-2007, nr. 1201/6)

De stemmingen over het amendement op artikel 107 en over artikel 107 worden aangehouden.

Artikel 108 wordt zonder opmerkingen aangenomen.

Er zijn amendementen op artikel 109. (Zie Parl. St. Vl. Parl. 2006-2007, nr. 1201/6)

De stemmingen over de amendementen op artikel 109 en over artikel 109 worden aangehouden.

De artikelen 110 tot en met 198 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

van Jaak Gabriels aan minister Yves Leterme en minister Inge Vervotte, beantwoord door minister Kris Peeters
260 (2006-2007)
van Ludo Sannen aan minister Yves Leterme
261 (2006-2007)
van Vera Van der Borght, Patricia Ceysens, Elke Roex, Bart Caron, Tom Dehaene en Helga Stevens
1127 (2006-2007) nr. 1

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.