U bent hier

De voorzitter

De heer De Wever heeft het woord.

Mevrouw de voorzitter, geachte leden, mijnheer de minister, in een vorige uiteenzetting heb ik er al op gewezen dat het huwelijksbed de weg is tot integratie en assimilatie van immigranten. Het zou tevens voorkomen dat ze uitgroeien tot een historische minderheid. Dat is de historische, natuurlijke weg. Zo is het altijd gegaan.

Er zijn al eerder getuigenissen geweest, bijvoorbeeld uit Genk, dat het met deze natuurlijke weg in Vlaanderen helemaal niet loopt zoals het hoort. Nu is er de studie van het Steunpunt Gelijkekansenbeleid van de Universiteit Antwerpen, waaruit blijkt dat twee derde, en in sommige steden wellicht nog veel meer, van de allochtonen van de klassieke migratiegroepen van Turkse en Marokkaanse origine, kiest voor partners uit het land van herkomst. Dat is zo bij zowel meisjes als jongens, en dat om uiteenlopende en eigenlijk tegengestelde redenen.

De studie wijst erop dat dit natuurlijk heel veel negatieve gevolgen met zich meebrengt. Die gevolgen ervaart men vandaag, en al veel langer dan vandaag, in steden als Antwerpen. Door de opvoeding door een eerstegeneratiemigrant moet het integratieproces telkens opnieuw beginnen. Het is geen toeval dat twee derde van de mensen die de alfacursussen volgen die u inricht voor analfabete migranten, dat doen in Antwerpen. Dat heeft gevolgen voor de pedagogische ondersteuning in ons onderwijs van kinderen die uit een dergelijk huwelijk worden geboren. We kennen allemaal de negatieve onderwijscascade en de hieruit voortvloeiende attitudeproblemen.

Ik overdrijf niet als ik zeg dat er in Vlaanderen stilaan een consensus is gegroeid dat het zo niet verder kan en dat er een ander migratiebeleid moet worden gevoerd. Er moet alleszins een beleid ter zake worden gevoerd. Ook uw partij pleit daarvoor. Ik denk dat we daar gemakkelijk een meerderheid voor vinden. Dat staat natuurlijk haaks op het huidige migratiepatroon waarbij veel mensen naar hier komen en waarop we geen enkele vat hebben. Daarbij is de grootste groep die van de volgmigranten. Dat moet veranderen.

Mijnheer de minister, hoe zit het nu met dat migratiebeleid? Welke invloed probeert u ter zake als Vlaams minister van Inburgering uit te oefenen? In maart is dit al ter sprake gekomen. Toen heeft mevrouw Berx u de suggestie gedaan bij de omzetting van de Europese richtlijn eventueel toch voor het Vlaamse landsgedeelte een inburgeringsvoorwaarde op te leggen. Ze heeft u erop gewezen dat dit mogelijk is, en dat u op die wijze een eigen beleid kunt voeren.

Andere leden, zoals de heer Penris en ikzelf, hebben erop gewezen dat we een inburgeringsbeleid moeten voeren zonder een migratie- of nationaliteitsbeleid te kunnen voeren, terwijl we worden geconfronteerd met een federale overheid die eigenlijk net het tegenovergestelde doet van wat wij nastreven. Dat kan zo niet langer. U hebt geantwoord dat we eenzijdig de onafhankelijkheid kunnen uitroepen. Wat een idee. Daarmee bewijst u dat dit inderdaad niet gaat over trams die aan de taalgrens moeten stoppen, maar over een goed beleid, en een consistent en consequent beleid. Daar dank ik u heel hartelijk voor.

Voor het overige hebt u die federale kelk echter van u weggeschoven. Er is inderdaad gebleken dat bij het omzetten van die richtlijn heel wat kansen onbenut zijn gebleven. Die is niet ten volle omgezet. Dat hiermee ons beleid zeker niet wordt ondersteund, heeft mevrouw Berx gisteren in de plenaire vergadering al gesteld. Wat hebt u ter zake gedaan? Er is toch een interministeriële conferentie. Hebt u mogelijkheden benut? Hebt u iets ondernomen?

Er wordt ons van allerlei zijden op gewezen dat deze migratiepatronen niet goed zijn voor de migrantengroepen zelf. Ik kan me niet inbeelden dat mensen zelf kiezen voor sociaaleconomische achterstand. Het moet mogelijk zijn daar begrip voor te creëren door middel van sensibilisering. U hebt in de krant verklaard dat het tijd is dat de migrantengroepen zelf, de zelforganisaties en de integratiesector daar eens werk van maken. Dat is inderdaad uw bevoegdheid. Met deze regering zijn we halverwege. Wordt het daarom geen tijd dat er ter zake initiatieven worden genomen? (Applaus bij CD&V en de N-VA)

De voorzitter

Minister Keulen heeft het woord.

Mevrouw de voorzitter, dit is inderdaad een onderwerp dat we enkele weken geleden nog hebben besproken in de commissie voor Inburgering, bij de behandeling van de begroting en de beleidsbrieven. Toen was u er niet, mijnheer De Wever. Ook gisteren hebben we het erover gehad, in de plenaire vergadering.

Ik erken het probleem van de huwelijksmigratie. Die analyse wordt vandaag algemeen gedeeld. Vlaanderen doet al heel veel ter zake, via het inburgeringsdecreet en het inburgeringsbeleid. In 2007 komt dat beleid op kruissnelheid, en gaan we hard werken, precies wat die groep van de gezinsvormers en de gezinsherenigers betreft. We hebben daar heel veel geld voor, namelijk 26,5 miljoen euro extra, precies om die cursussen NT2 en maatschappelijke oriëntatie te kunnen organiseren, zodat die mensen tenminste weten hoe onze samenleving in elkaar zit. Dat is een quasiverdubbeling tegenover de begroting van dit jaar. Ook zijn er de opleidingen van de VDAB.

Wat u niet kunt ontkennen - al probeert u dat telkens weer - is dat ook op federaal niveau een aantal verstrengingen werden doorgevoerd: het optrekken van de leeftijd tot 21 jaar, de verplichte ziekteverzekering, de aangepaste gezinsvorming en de controle gedurende 3 jaar.

U hebt een nogal mechanische kijk op de samenleving. U legt alle, werkelijk alle, verantwoordelijkheid bij de overheden, de Vlaamse en federale. Dit probleem heeft echter ook heel veel met de mensen zelf te maken. In de convenants die we afsluiten met de integratiediensten, verplichten we hen om de problematiek aan te kaarten bij de bevolkingsgroepen in kwestie. Wie een partner zoekt in het land van oorsprong van de ouders en grootouders, moet weten dat er een probleem zal zijn op het vlak van de taal, dat de werkloosheid dreigt, dat het behaalde diploma hier niet wordt erkend en dat de partner letterlijk en figuurlijk in een ander klimaat terecht zal komen. Vandaag wordt werk gemaakt van die bewustmaking.

De partnerkeuze is vrij, maar we moeten een aantal problemen inzake sociale druk durven bespreken. Hoe komt het dat in bepaalde gemeenschappen mensen altijd kiezen voor een partner uit het land van oorsprong van de ouders en grootouders? We merken dat bij bepaalde gemeenschappen, niet bij alle. We moeten de sociale druk in kaart brengen en aan de mensen duidelijk maken dat de partnerkeuze hier volledig vrij is.

Vandaag komen ook andere problemen aan de oppervlakte. Zo is er de negatieve kijk die allochtone jongens en meisjes op elkaar hebben. Jongens vinden dat de meisjes te verwesterd zijn, meisjes vinden dat de jongens 'losers' zijn - om het met een containerbegrip te zeggen.

We moeten dat soort gesprekken voeren, zonder taboes en met respect voor elkaar. Dergelijke zaken moeten aangekaart worden. De grond van de zaak is immers de mentaliteit. We kunnen de mentaliteit niet veranderen met een decreet of een wet. Het is iets dat in de hoofden van de mensen zelf moet gebeuren. We moeten hen aanspreken over hun eigen verantwoordelijkheid. We moeten zeggen waar het op staat, taboes terzijde schuiven, maar altijd respect hebben voor de mensen. Iedereen kiest uiteindelijk zijn partner vrij.

Het is opvallend dat mensen uit de Maghreb en uit Turkije bijna altijd iemand kiezen uit het land van oorsprong van ouders en grootouders. Dat is ook het geval bij de Chinezen en bij aanhangers van bepaalde takken van het joodse geloof. Bij andere gemeenschappen is dat veel minder het geval. De tweede of derde generatie van mensen die uit Australië of Amerika komen, kiezen voor een partner met Vlaamse roots.

Door altijd terug te gaan naar het land van oorsprong, gaan we op het vlak van integratie steeds terug naar af. In feite keren we altijd terug naar een eerste generatie en boeken we dus geen vooruitgang.

Mijnheer De Wever, de overheden kunnen stimulansen geven. Ze kunnen een wettelijk kader creëren, maar de verantwoordelijkheid ligt bij de mensen. U gaat uit van een bijna mechanische redenering, van de maakbaarheid van de samenleving. U gaat ervan uit dat we het probleem onder controle krijgen als Vlaanderen zus doet en de federale overheid zo. Die redenering is te eenvoudig en niet waar. We moeten de eigen verantwoordelijkheid aankaarten. Daar zijn de integratiediensten vandaag mee bezig.

Uit de gesprekken tussen de integratiediensten en de bevolkingsgroepen blijkt trouwens dat de mensen in kwestie zich ervan bewust worden dat ze er te weinig bij stilstaan dat het om mensen gaat die de taal niet kennen, die minder kansen hebben, die een fout of geen diploma hebben en zo meer. Ik herhaal nogmaals dat er werk van wordt gemaakt. Ik wil de sociale druk niet overroepen, maar we moeten die in het debat durven opnemen. We moeten de mensen duidelijk maken dat er hier absolute vrijheid van partnerkeuze bestaat. Dat zijn belangrijke uitdagingen voor de onmiddellijke en verdere toekomst indien we structureel iets willen doen aan het probleem van de huwelijksmigratie en als we de zaken in een stroomversnelling willen brengen op het vlak van de vrije partnerkeuze en de integratie.

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, op één punt moet ik u heel formeel en sterk tegenspreken: ik heb geen mechanische visie op de samenleving, laat staan dat ik geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Het is bijna een belediging. We moeten eens samen een kop koffie gaan drinken en het gesprek hierover grondig voeren. Ik geloof er niet in. De maakbaarheid van een samenleving is de kortste weg naar totalitaire regimes. Dat hebben we in het verleden al gemerkt. Ik zie mensen de wenkbrauwen fronsen. We kunnen natuurlijk met meerdere mensen tegelijk koffie gaan drinken. (Gelach)

Mijnheer de minister, ik geloof wel dat een samenleving gebaseerd moet zijn op een gezond weefsel en op een gemeenschappelijke sokkel van burgerschap. Als dat weefsel door bepaalde fenomenen wordt aangetast, dan moet de overheid wel het referentiekader scheppen waarin dit weefsel kan worden verstevigd en hersteld.

En dit is aan de orde, want het is een Westers grondrecht dat wij vrij onze partners kiezen. Het is een historische verworvenheid die dateert van de Verlichting. Als je op je eigen grondgebied geconfronteerd wordt met nieuwe burgers die uit een andere cultuur komen, met een ander cultureel patroon, dan loop je het risico dat bepaalde vrijheden worden gebruikt om dingen te organiseren die je niet wilt. En dan kan een cultureel anders bepaalde partnerkeuze hier verder zijn gang gaan, onder de vlag van de Westerse vrijheid, zonder dat je daartegen kan optreden.

Zo krijg je uiteindelijk samenlevingspatronen die ongewenste effecten sorteren in onze steden, en in Antwerpen in het bijzonder. Ik noem Antwerpen niet alleen omdat ik daar zelf woon, maar omdat het probleem zich dat daar ten volle manifesteert en omdat je daar de jongste twintig jaar in het stemhokje een reactie van de bevolking op ziet.

Daar moeten we dus wel degelijk ingrijpen. En ik ben het niet eens met uw stelling dat de federale overheid daar veel aan heeft gedaan. Zij heeft niet eens alle mogelijkheden van de Europese richtlijn, die volgens mij niet ver genoeg gaat, uitgeput om dit soort ongecontroleerde migratiepatronen in te perken. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de inkomensvoorwaarde.

Evenmin zijn de mogelijkheden, zoals die geschetst werden door mevrouw Berx, om een differentiatie in het beleid en een koppeling met het Vlaams inburgeringsbeleid te maken, geëxploreerd. Mijn vraag aan u was niet om een apologie te doen van uw inburgeringsbeleid. U hebt het volste recht om het podium daarvoor te gebruiken. Ik zal u ook niet tegenspreken, ik steun u daar voor de volle honderd percent in. U weet dat wij daarin altijd heel constructief hebben samengewerkt.

Mijn vraag is wat u gedaan hebt en welke initiatieven u genomen hebt om te proberen dat federale beleid beter af te stemmen op wat een grote meerderheid in Vlaanderen wil. Dit is een communautair probleem, en ik heb de indruk dat u dat in uw antwoord enigszins uit de weg bent gedaan.

Ik heb ook geen antwoord gehoord op mijn vraag welke acties al zijn ondernomen om via sensibilisering van de gemeenschappen te komen tot een punt waarop mensen niet meer kiezen voor vormen van structurele achterstand, en alle maatschappelijke problemen die daaruit voortvloeien. Ik kan mij niet voorstellen dat mensen zich vrijwillig laten inkapselen in systemen waardoor zij van generatie op generatie aan de onderkant van de maatschappelijke ladder blijven.

Er moeten toch mogelijkheden bestaan om daar vanuit uw competentie iets aan te doen. Wat hebt u gedaan? Als het niets is, tot daar aan toe. Maar u zegt in de kranten dat het nu moet gebeuren. Wat staat er dan te gebeuren?

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Wim Van Dijck

De cijfers over de huwelijksmigratie werpen inderdaad een nieuwe schaduw op het inburgeringsbeleid. In elk debat dat we daarover gevoerd hebben, vragen wij naar het resultaat van de Vlaamse inspanningen. Wij zijn daar steeds sceptisch gebleven. Deze cijfers zetten ons nog maar eens met de voeten op de grond.

De gestegen huwelijksmigratie is alvast een indicatie dat het de verkeerde kant opgaat. Binnen de Marokkaanse en Turkse gemeenschappen gaan de eigen normen en waarden steeds meer voor op de onze en ligt de loyaliteit duidelijk in de herkomstlanden. Op dat vlak brandt er een oranje knipperlicht.

Ik hoor de minister niet graag zeggen dat de overheid daar geen rol in te spelen heeft. Hij heeft het dan natuurlijk in de eerste plaats over zijn eigen overheid. De federale overheid speelt hier wel degelijk een rol, zij het een zeer nefaste.

Al wat wij vragen, is dat daar een zeer duidelijke kentering komt. We verwijzen daarbij naar het buitenland, Nederland en Denemarken, waar die kentering er wel degelijk gekomen is. Men heeft daar de huwelijksmigratie met allerlei maatregelen aan banden gelegd en het probleem is daar nu veel minder groot. Daar zet de Vlaamse minister dan een soort sensibiliseringsbeleid tegenover, maar dat lijkt meer op vaandelvlucht.

De problemen zijn navenant: de eerste generatie die opnieuw binnenkomt, de thuistaal die niet het Nederlands is, de gevolgen daarvan in het onderwijs, enzovoort. Iedereen kent de problemen. Wanneer het federale beleid ter zake niet overeenstemt met het Vlaamse, zullen we blijven achteruitboeren. Voor ons is dat duidelijk. Het is dweilen met de kraan open, dat beeld hebben we al vaak moeten gebruiken.

Mijn vraag aan de minister is dan ook dezelfde als de vraag die ik bij het debat over de beleidsbrief heb gesteld, en die de heer De Wever ook nog eens stelt: wanneer zal vanuit Vlaanderen eindelijk eens druk uitgeoefend worden op de federale overheid, zodat ongebreidelde migratie een halt wordt toegeroepen? Het beleid dat nu wordt gevoerd, lijkt op vaandelvlucht.

De voorzitter

Mevrouw Berx heeft het woord.

Cathy Berx

Mijnheer de minister, u zei dat niet alleen de overheid er iets aan kan doen, en dat het in hoge mate ook te maken heeft met de eigen verantwoordelijkheid van de mensen, in dit geval de Marokkaanse en de Turkse Vlamingen. U hebt sensibilisatie inderdaad in uw beleidsbrief opgenomen en u verwacht van de integratiecentra en de integratiediensten dat ze dit taboe ter sprake brengen bij en met de zogenaamde etnisch-culturele minderheden.

Vandaar juist mijn opmerking van gisteren. Het ter sprake brengen van taboes veronderstelt dat het gevoerde beleid op federaal en op Vlaams niveau congruent zijn, zodat er geen dubbelzinnig signaal wordt gegeven. Het is vreemd dat het taboe door u ter sprake wordt gebracht binnen de verschillende sectoren en gemeenschappen, terwijl de federale overheid niet tezelfdertijd de richtlijnen van de Europese Unie in voldoende mate uitvoert om de sensibilisatie ten volle te kunnen steunen. Dat is een verkeerde keuze.

U zegt dat de federale overheid de voorwaarden strenger heeft gemaakt. Ze heeft inderdaad de leeftijd opgetrokken tot 21 jaar en de vereisten van een woning en een ziekteverzekering ingevoerd. De meest cruciale criteria zijn echter het bewijs van voldoende inkomsten en de koppeling met het inburgeringsrecht van het land waar men zich gaat vestigen. Daar kan trouwens ook het verblijfsrecht aan worden gekoppeld, en uitgerekend dat is het interessantste.

De richtlijn van de Europese Unie zegt heel duidelijk dat het recht op gezinshereniging gekoppeld kan worden aan de vereiste dat de partner die overkomt, voldoet aan de inburgeringsplicht. Als daar binnen de vijf jaar niet aan wordt voldaan en als niet een volledig inburgeringstraject wordt doorlopen, dan kan ook het verblijfsrecht opnieuw worden bekeken. Dat is de enige efficiënte sanctie om inburgering af te dwingen. Vandaar die vragen.

Gisteren zei u dat we het debat al geregeld hebben gevoerd. Ik heb ook verwezen naar de beleidsbrief Stedenbeleid, waarin u verwijst naar de interministeriële conferentie, waar het spreidingsbeleid wordt bekeken. Dit IMC met betrekking tot het spreidingsbeleid staat 'on hold' omwille van het beleid dat er zit aan te komen. Maar zou het, gelet op de discussie daarover, niet veel nuttiger zou zijn om in de interministeriële conferentie vooral ook de onderlinge afstemming van het migratiebeleid en het inburgeringsbeleid op de agenda te zetten?

Iedereen hier weet het, maar het brede publiek is er minder van op de hoogte dat het beleidsdomein Inburgering 5 jaar geleden niet bestond. Dit is gloednieuw, en we moeten dus van nul af beginnen. Voorlopig worden er per jaar 8.000 mensen ingeburgerd. Begin 2009 zullen het er 30.000 per jaar zijn. We hebben dus op heel korte tijd een gigantische weg afgelegd.

Mijnheer De Wever, u gaat nogal snel voorbij aan de maatschappelijke oriëntatie. Maar het is ook belangrijk aan mensen de vrije partnerkeuze uit te leggen, het feit dat mensen hier de vrije keuze hebben om hun eigen leven uit te bouwen en hun toekomst vorm te geven.

De constitutionele context van integratie en inburgering is een gemeenschapsaangelegenheid, terwijl de toegang tot het grondgebied en het verwerven van de nationaliteit federale materies zijn. Tijdens interministeriële conferenties heb ik meermaals ons beleid toegelicht. Ze kennen het dus. Intussen zijn de regels van de federale overheid inderdaad strenger geworden, wat erg belangrijk is. Het optrekken van de leeftijd heeft te maken met het feit dat mensen van 21 jaar meer ruggengraat hebben om zelf keuzes te maken, zoals de keuze van een partner, dan mensen van 18 jaar. Ze staan gewoon sterker in het leven.

We hebben met de integratiediensten convenants afgesloten. Op dit ogenblik werken ze daaraan met de gemeenschappen zelf. Ze wijzen op de problemen die kunnen voortvloeien uit huwelijksmigratie, uit het feit dat mensen die van elders komen, totaal geen affiniteit hebben met onze cultuur, onze taal niet kennen, en niet gediplomeerd zijn, en hoe dat de toekomstkansen van het gezin hypothekeert.

De overheid heeft inderdaad een taak. Ze moet het wetgevend kader bepalen. De mentaliteit van de mensen is echter niet onbelangrijk. Het is typisch Vlaams te denken dat we door dit te doen, dat resultaat krijgen, maar zo werkt het niet. We moeten blijven hameren op de eigen verantwoordelijkheid. Met een decreet kan een bepaalde lijn worden uitgetekend, maar de echte veranderingen ontstaan als de mensen ze zelf willen.

We hebben op korte tijd een hele weg afgelegd en positieve resultaten behaald, maar er is duidelijk nog een hele weg te gaan. Dat spreek ik niet tegen.

Mijnheer de minister, u moet mijn uiteenzetting niet zozeer beschouwen als een aanval op uw inburgeringsbeleid dan wel als een uiting van frustratie omdat dit land op twee snelheden en in twee verschillende richtingen loopt. Het federaal beleid is niet afgestemd op de consensus van de Vlaamse democratie. Ik weet dat dit niet uw bevoegdheid is maar er zijn wel mogelijkheden, zoals mevrouw Berx eerder suggereerde, om zelfs binnen de federale 'chapeau' een aantal zaken af te stemmen op het Vlaamse beleid. Ik kan alleen met spijt vaststellen dat dit niet gebeurt.

De voorzitter

Het incident is gesloten.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.