U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 21 juni 2006, 14.32u

van Luc Van den Brande aan minister Yves Leterme, beantwoord door minister Geert Bourgeois
314 (2005-2006)
De voorzitter

Het antwoord wordt gegeven door minister Bourgeois.

De heer Van den Brande heeft het woord.

Luc Van den Brande

Mijnheer de voorzitter, leden van de regering, collega's, ik ben minister Bourgeois dankbaar dat hij zijn reis naar Bulgarije heeft onderbroken om deze vraag te beantwoorden. Het is geen goede zaak voor het imago van Vlaanderen bij ons en in het buitenland dat een gepland en goed georganiseerd bezoek op het hoogste niveau moet worden afgelast wegens een andere activiteit - ook al gaat het om een belangrijke politieke bijeenkomst. De internationale diplomatie vereist continuïteit en geloofwaardigheid. Zonder een minister bevoegd voor buitenlands beleid die zijn opdracht kan vervullen, verdwijnt die geloofwaardigheid.

De Europese Raad van 15 en 16 juni heeft een vertrouwensbreuk blootgelegd. Het geloof in het Europese project heeft een slag geïncasseerd. De heer Delors heeft het zelf over een crisis. Hoe het ook is, er is nood aan concrete maatregelen die de 450 miljoen Europeanen echt bereiken. De discussie over de toekomstige Europese grondwet en de democratische uitbouw van Europa zal pas iets opleveren als de Europeanen tastbare resultaten voelen op het vlak van economische groei en werkgelegenheid, in de lijn van de Lissabondoelstellingen.

Welke middelen of instrumenten zijn nodig om dat te realiseren? Ik ben erg verbaasd over de houding van de federale regering, met name over het standpunt van premier Verhofstadt en minister van Buitenlandse Zaken De Gucht. Zij stellen dat geen verbetering van de Europese democratie gestoeld op het principe van de subsidiariteit mogelijk is zolang er geen grondwet of een constitutioneel verdrag is. Ik deel helemaal de mening van onze voorzitter. Gisteren zei hij, in reactie op de uiteenzetting van commissievoorzitter Barroso, dat we in België moeizaam gerealiseerde maar innovatieve afspraken met de verschillende parlementen hebben gemaakt die ertoe leiden dat men niet alleen met het nationale maar ook met de regionale parlementen rekening moet houden.

Het is een slechte zaak dat premier Verhofstadt en minister van Buitenlandse Zaken De Gucht zeggen dat ze niet aan cherry picking willen doen. Zij stellen dat ze niet de kers van de taart willen halen.

Dat zou natuurlijk betekenen dat het daar schitterend in orde is. Zelf denk ik dat het een kwalijke evolutie is dat men niet bereid is om ondertussen al wat stappen te zetten. De federale regering benadert de zaak op een dogmatische manier. Het zou een drietal jaren tijd in beslag nemen alvorens we tot een ontwerp van een constitutioneel verdrag komen aangezien de reflectietijd is verlengd. Ik pleit ervoor dat intussen uitvoering wordt gegeven aan wat is afgesproken tussen de verschillende parlementen. Ik weet dat ook de voorzitter en de minister deze intentie koesteren.

In het besluit nummer 37 van de Europese Raad staat dat men de informatie aan de nationale parlementen zal doorgeven, maar dat de Cosac of de Conferentie van de Commissies voor Europese Aangelegenheden de zaak op het nationale niveau zal opvolgen. Ik deel die mening niet en bovendien moeten we weten dat als we die weg uitgaan het opnieuw de nationale parlementen zullen zijn die in een eerste fase hun bedenkingen kunnen formuleren. Bovendien moet men weten dat men binnen de Cosac helemaal niet is gesteld op de aanwezigheid van regionale parlementen. Ik betreur deze gang van zaken.

Ik heb een tweetal vragen. Is het standpunt van de federale regering ook het standpunt van de Vlaamse Regering? Is er enig overleg geweest tussen de gefedereerde entiteiten en de federale regering? Is het satndpunt van eerste minister Verhofstadt en minister De Gucht een overlegd standpunt dat steunt op een consensus tussen de verschillende entiteiten?

Ik heb de in druk dat de recuperatiepoging die in 1990 is ingezet, op bepaalde punten wordt doorgezet ondanks alle inspanningen die u nu levert, mijnheer de minister, en al hebt geleverd de afgelopen twee jaar om dat Vlaamse, Europese en buitenlandse beleid op een zindelijke, realistische en consequente manier op de kaart te zetten. De vraag is of de interministeriële conferentie voor buitenlands beleid werkt, een agenda heeft of zelfs vergadert. Er is mij ter ore gekomen dat men het zelfs niet nodig vond om naar aanleiding van het koninklijke bezoek van Beatrix aan België de Vlaamse gemeenschapsattaché op enigerlei manier te betrekken.

Dit kan een fait divers of detail lijken. Het is echter niet ondenkbaar dat op die manier wordt omgegaan met wat we gezamenlijk willen. Niet het nut van de instellingen maar het democratische belang van de burgers van dit land, zowel de Vlamingen als de andere Europeanen, is ons streefdoel.

De voorzitter

Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister Geert Bourgeois

Mijnheer de voorzitter, ik ben het eens te meer met u eens, collega Van den Brande. De preliminaire beschouwingen hadden misschien niet rechtstreeks wat met dit debat te maken. U weet echter dat ik een parlementaire reflex heb. Als ik door het parlement gevat word, sta ik paraat. Ik ben dan ook teruggekeerd. Dat betekent nog niet dat ik uw mening deel, namelijk dat er staatszaken en staatszaken zijn en dat ik ter beschikking was om op maandag te worden geïnterpelleerd. Het is zeer spijtig dat voor Vlaanderen belangrijke ontmoetingen op topniveau in Bulgarijë nu niet hebben plaatsgevonden.

Mijn parlementaire reflex gebiedt mij echter om, als het parlement mij vordert, ook te komen. Op mijn vraag is er overleg gehouden met de federale overheid. Ik heb op de interministeriële conferentie van 17 mei 2006 gevraagd dat Vlaanderen zou worden betrokken bij de voorbereiding van de Raad van 15-16 juni 2006. Dat is ook gebeurd. Er zijn diverse DGG's geweest en er is ook een interkabinettenoverleg gehouden. Ik steun uw redenering, maar wens toch enige nuances aan te brengen.

Na de bijeenkomst in Sankt Pölten heeft het Oostenrijkse voorzitterschap verdere stappen gezet. In een eerste voorstel heeft het Oostenrijkse voorzitterschap verklaard het initiatief van de Europese Commissie nog steeds te verwelkomen, maar haar tegelijkertijd gevraagd rekening te houden met de bindende adviezen en de beslissingen van de parlementen. Het geheel van het in het ontwerp van Europese grondwet vervatte mechanisme is evenwel niet in dit Oostenrijks voorstel opgenomen. Er is in dit voorstel geen sprake meer van de modaliteiten, de afspraken of de termijnen. In het ontwerp van Europese grondwet staat dat alles binnen een termijn van zes weken moet gebeuren. Bepaalde zaken kunnen enkel doorgaan indien een derde van de parlementen, die elk twee stemmen krijgen, hiermee akkoord gaat. Indien zeventien parlementen verklaren dat een bepaald voorstel strijdig met de subsidiariteit is, wordt elk Europees wetgevend initiatief on hold gezet. Dit voorstel moet dan opnieuw worden onderzocht. Deze elementen zijn niet in het Oostenrijkse voorstel opgenomen.

Dit heeft uiteraard tot een discussie geleid. De discussie gaat niet zozeer over cherry picking. We vinden immers dat het subsidiariteitsbeginsel in werking moet treden. Het gaat echter enkel om de initiatieven van de Europese Commissie. Het gaat met andere woorden niet om de initiatieven van het Europees Parlement of van de Europese Raad. In het ontwerp van Europese Grondwet zijn die initiatieven wel opgenomen. In die tekst gaat het immers om alle wetgevende initiatieven. In het Oostenrijkse voorstel kan een wetgevend initiatief worden stopgezet indien een parlement verklaart dat het strijdig met de subsidiariteit is. Dit onderdeel van het Oostenrijkse voorstel is strijdig met de geest en met de opzet van het ontwerp van Europese Grondwet. Het Oostenrijkse voorstel bepaalt dit niet nader. Het bevat enkel de bindende bepaling dat de Europese Commissie hier rekening mee moet houden.

Deze bepaling heeft tot discussies geleid en verzet opgeroepen. Om die reden heeft de federale regering verklaard dat het hier gaat om een manier van cherry picking die geen rekening met de modaliteiten, de procedure en de afspraken in het ontwerp van Europese grondwet houdt. De Vlaamse Regering heeft verklaard dat ze niet tegen cherry picking is en dat ze het subsidiariteitsbeginsel in werking wil zien treden.

Uiteindelijk heeft die discussie geleid tot de beslissing die de Europese Raad op 15 en 16 juni 2006 heeft genomen. Aangezien ik niet over een officiële Nederlandstalige tekst beschik, zal ik de Engelse tekst moeten voorlezen. Ik veronderstel dat de huidige stand van zaken het Vlaams Parlement de nodige voldoening kan bieden. De beslissing luidt als volgt: 'The European council notes the interdependence of the European and national legislative processes. It therefore welcomes the Commission's commitment to make all new proposals and consultation papers directly available to national parliaments, inviting them to react so as to improve the process of policy formulation. The Commission is asked to duly consider comments by national parliaments, in particular with regard to the subsidiarity and proportionality principles. National parliaments are encouraged to strengthen co-operation within the framework of the Conference of European Affairs Committees when monitoring subsidiarity.' Deze bepaling is een aanbeveling, bedoeld om de nationale parlementen aan te moedigen. De subsidiariteit maakt deel uit van de tekst. Het gaat in dit verband enkel om de initiatieven van de Europese Commissie. Het gaat dus niet, zoals in het ontwerp van Europese Grondwet, om alle wetgevende initiatieven. De nationale parlementen worden evenwel uitgenodigd om de subsidiariteits- en proportionaliteitstoets toe te passen.

De voorzitter van het Vlaams Parlement en ikzelf hebben in samenspraak gehandeld. We hebben te veel inspanningen geleverd om wat we binnen de Belgische context hebben bereikt nu verloren te laten gaan. We hebben dan afgesproken dat de heer De Bock, permanent vertegenwoordiger van België bij de Europese Unie, ons op de hoogte zal houden. Zoals in het ontwerp van Europese Grondwet staat, gaat het hier om nationale parlementen. Wat België betreft, gaat het hier, conform verklaring 49, evenwel om alle parlementen. We hebben in dit verband een samenwerkingsakkoord afgesloten. We zullen de Europese Commissie vragen de wetgevende initiatieven rechtstreeks aan het Vlaams Parlement over te maken. Het Vlaams Parlement zal dan de gelegenheid hebben zelf de subsidiariteitstoets uit te voeren. Aangezien het hier niet om een bindende bepaling gaat, moeten we binnen de Cosac de nodige inspanningen leveren om afspraken over de toepassing van de subsidiariteitstoets te maken. De voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers kan evenwel geen standpunt innemen zonder rekening met het samenwerkingsakkoord te houden.

Ik wil dan ook beklemtonen dat er op die manier wel degelijk invulling wordt gegeven aan de bepaling die op het einde is toegevoegd aan het samenwerkingsakkoord. Daarin staat dat er in afwachting van de inwerkingtreding van het verdrag toch de wil is om die subsidiariteitstoets in te voeren en toe te passen. Het Vlaams Parlement is er klaar voor en heeft een Europese dienst.

Er wordt dus wel degelijk op een bepaalde manier aan cherry picking gedaan. De subsidiariteit zal immers worden toegepast. Er wordt echter niet aan cherry picking gedaan door één nationaal parlement. Dat zou trouwens in strijd zijn met de opzet van de Europese grondwet. Daarin werd immers een quotum van een derde van de stemmen gevraagd en werd dat bindende en niet nader bepaald aspect niet meegenomen. Er wordt wel degelijk aan de commissie gevraagd 'to duly consider comments by national parliaments'.

Het gaat dus om een voorbereidende oefening. De subsidiariteit wordt nog eens bevestigd. De oefening zal al worden gemaakt. De nationale parlementen zullen de teksten krijgen van de commissie. Het Vlaams parlement zal de oefening kunnen maken en zal de subsidiariteitstoets kunnen doen. De toets is echter nog niet bindend. De Europese grondwet is immers niet in werking getreden.

Men wou terecht en in de geest van de grondwet geen vetorecht geven aan een enkel nationaal parlement.

Luc Van den Brande

Mijnheer de minister, ik weet niet of ik uw antwoord moet beschouwen als 'vermetel vertrouwen'. U weet dat er in de dogmatiek verschillende vormen van vertrouwen zijn en in dit geval zou het vermetel vertrouwen kunnen zijn.

In de Nederlandse tekst lees ik dat er natuurlijk een uitnodiging komt voor de nationale parlementen. Ze worden aangespoord tot hechtere samenwerking in de context van de subsidiariteitsbewaking in de Cosac.

Ik neem nogal eens deel aan die Cosacbijeenkomsten. Dat is nuttig in de mate dat dat de zaken niet altijd erg vooruit helpt. Dat is slechts een schijnbare tegenstelling, want sommigen vinden dat nuttig.

In de standpuntbepaling van de federale regering ter voorbereiding van de Europese top, lees ik dat het absoluut not done is om te komen tot verdere stappen zolang de hele grondwet niet is goedgekeurd. Dat is een eigenaardige stelling van de federale premier, die overal met wisselend succes de boodschap van de voorhoede en het kern-Europa uitdraagt. Eigenlijk doet hij dat eerder met grote tegenspoed dan met wisselend succes. Zijn boodschap had geen succes in Letland en andere landen. Ze werd ook afgewezen door voorzitter Baroso en de Luxemburgse premier Junker.

Hij die pleit voor de grote voorhoede, vergeet dat hij uit een land komt waarin er juist iets innovatiefs is gebeurd en waar niet alleen het nationale parlement, maar ook de deelstaatparlementen een rol te vervullen hebben. Ik denk dus dat we geen stap vooruit hebben gezet. Er is natuurlijk ook niet onherstelbaars gebeurd. Ik vind echter dat we in het perspectief van het feit dat we in 2009 kunnen komen tot een nieuw grondwettelijk handvest voor Europa, de kans niet mogen laten liggen om een aantal stappen vooruit te zetten.

We moeten nu een en ander gemeenschappelijk bewaken. Ik vind het echter beneden alle peil dat wat binnengaats wordt gezegd, niet buitengaats wordt meegenomen. Ik vind het beneden alle peil dat juist de afspraak tussen de verschillende parlementen niet wordt meegenomen. Het is een gemiste kans. Dat is jammer.

Wie een beetje historisch perspectief heeft, weet dat Europa stap voor stap tot stand is gekomen en dat er een noodzaak is om concrete antwoorden te geven. Ik denk dus dat er op de elfde werf van premier Verhofstadt geen stenen, mortel en stellingen te vinden zijn. De tien andere lijken trouwens wat op een bouwval. (Applaus)

De voorzitter

Het incident is gesloten.

van André Van Nieuwkerke aan minister Yves Leterme
313 (2005-2006)
Regeling van de werkzaamheden

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.