U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 15 maart 2006, 14.33u

De voorzitter

De heer Tavernier heeft het woord.

Jef Tavernier

Mijnheer de voorzitter, vorig jaar heeft de minister een conceptnota over de financiering van het hoger onderwijs gepubliceerd. Met betrekking tot die conceptnota is enige commotie ontstaan. Zo organiseren de studenten en de vakbonden morgen in Brussel een betoging tegen een aantal specifieke uitgangspunten van de conceptnota, meer bepaald de outputfinanciering en het niet-financieren van manama's.

De outputfinanciering vormt een belangrijk element van de conceptnota omdat deze financieringsmethode de hogescholen en de universiteiten zou stimuleren om hun studenten beter te begeleiden. Op het eerste gezicht lijkt dit een lovenswaardig uitgangspunt. De hogescholen en de universiteiten zouden evenwel kunnen redeneren dat ze zwakkere studenten beter niet toelaten. Op die manier kunnen ze het zich gemakkelijk maken. Het aandeel van de studenten die een einddiploma behalen, zal immers stijgen. De instellingen zouden even goed de omgekeerde en even perverse redenering kunnen hanteren dat ze het de studenten beter gemakkelijk maken. Indien de hogescholen en de universiteiten zouden besluiten gemakkelijk diploma's uit te reiken, zou dit uiteraard een aanslag op de kwaliteit van het onderwijs betekenen. Beide redeneringen staan in ieder geval haaks op de doelstellingen in verband met de kwaliteit en de democratisering van het onderwijs.

Een ander belangrijk element van de conceptnota is het voornemen manama's niet langer te financieren. De studenten die een master-na-masteropleiding willen volgen, zullen die opleiding blijkbaar zelf moeten betalen. Dit is enkel haalbaar voor studenten die over voldoende koopkracht beschikken of die een zwaar door het bedrijfsleven gefinancierde opleiding volgen.

Mijnheer de minister, dit strookt niet met het onderwijsmodel dat we wensen. Bij de studenten, de hogescholen, de universiteiten en de vakbonden is dan ook heel wat ongerustheid ontstaan. Onderkent u de gevaren die aan deze uitgangspunten van uw conceptnota zijn verbonden? Welke stappen zult u bij de verdere uitwerking van de conceptnota in verband met de financiering van het hoger onderwijs zetten? Welke correcties en bijsturingen wilt u nu reeds aanbrengen? Welke timing wilt u ten aanzien van het geheel van beslissingen over de financiering van het hoger onderwijs hanteren? Wordt het hoger onderwijs wel voldoende gesubsidieerd?

De voorzitter

Minister Vandenbroucke heeft het woord.

Minister Frank Vandenbroucke

Mijnheer de voorzitter, de vragen van de heer Tavernier kunnen tot een breed debat leiden. Ik zal trachten deze vragen kort en synthetisch te beantwoorden.

Om te beginnen, wil ik opmerken dat een status-quo ons ook niet zal helpen. We kunnen de zaken niet houden zoals ze zijn. De uitdaging is bijzonder duidelijk. Vlaanderen heeft nood aan een nieuwe democratiseringsgolf. We moeten nieuwe generaties van jonge mensen naar het hoger onderwijs leiden. We moeten deze mensen tevens de kans bieden in het hoger onderwijs te slagen. Het hoger onderwijs moet de reservoirs van talent die momenteel niet worden aangeboord in de toekomst wel aanboren.

De kranten besteden vandaag veel aandacht aan de studie van de heer Schleicher over het hoger onderwijs in Europa. Het is niet mijn bedoeling hier commentaar op deze studie te geven.

Wat de heer Schleicher zegt, is ook van toepassing op Vlaanderen. We moeten absoluut een tweede democratiseringsgolf op gang brengen in het hoger onderwijs. De bestaande financiering helpt ons daarbij niet.

We hebben vandaag een inputfinanciering. We financieren als een student binnenkomt, of hij slaagt of niet interesseert ons niet. Dat was dus duidelijk geen recept voor democratisering, want we zien dat bepaalde groepen weinig naar het hoger onderwijs gaan en dat bepaalde groepen misschien wel binnenkomen, maar veel minder slagen dan andere groepen.

We hebben vandaag een bevroren financiering, waardoor met name de hogescholen, ondanks een toename van het aantal studenten, eigenlijk niet in staat zijn om met het nodige geld te voorzien in een goede omkadering.

Ik heb voorgesteld om over te schakelen op een nieuwe financiering, waarbij, om te beginnen, de hogescholen en universiteiten een groeiend aantal studenten op een volwaardige manier kunnen begeleiden. Ik zeg vandaag tegen de instellingen van het hoger onderwijs dat ze meer studenten moeten recruteren en moeten zorgen voor meer participatie in het hoger onderwijs en dat wij zullen volgen met geld. De voorbije jaren hebben we dat om budgettaire redenen niet gedaan.

De vraag rijst hoe we er dan voor zorgen dat de instellingen worden aangemoedigd om studenten te doen slagen, want daarover gaat het. Ik ben niet getrouwd met een suggestie die ik heb gedaan op het vlak van de techniek, meer bepaald om de financiering niet te baseren op de inschrijving, maar op het verwerven van studiepunten en dus op het slagen van studenten. Ik zie er de voor- en de nadelen van, maar er zijn ook voor- en nadelen aan het bestaande systeem. We moeten alleen de vraag stellen hoe we de doelstelling om meer jonge mensen te doen slagen in het hoger onderwijs kunnen waarmaken. Ik denk dat resultaatsfinanciering een antwoord kan zijn, maar dat ze niet zonder problemen is.

Men mag niet vanuit een zeker conservatisme reageren en de dingen willen houden zoals ze zijn. Dat helpt ons ook niet. Ik heb in het voorstel van financiering van het hoger onderwijs beklemtoond dat we de studenten met een zwakkere maatschappelijke achtergrond, bijvoorbeeld beursgerechtigde studenten van ouders met een laag inkomen, interessant moeten maken voor hogescholen en universiteiten, bijvoorbeeld door de instellingen van deze studenten te voorzien van extra financiering. Daardoor moedigen we de hogescholen en universiteiten aan om dit soort studenten te zoeken en te recruteren.

De Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS) heeft de suggestie gedaan om te kijken naar andere indicatoren dan het recht op een beurs. De VVS heeft een aantal interessante ideeën op tafel gelegd. Ik zou willen dat men eerst kijkt naar het voorstel om beursgerechtigden interessant te maken voor de instellingen, maar ook andere kenmerken van studenten, waarvoor de instellingen zich zouden moeten interesseren als men nieuwe reservoirs van talent wil aanboren, kunnen worden opgesomd.

Er bestaan geen wonderoplossingen of recepten waar geen problemen aan verbonden zijn. Mijnheer Tavernier, ik wil er wel voor pleiten dat we ons niet opsluiten in een soort conservatisme en zeggen dat de huidige situatie goed is. Dat geldt met name voor wat u zegt over de master-na-masteropleidingen. Vanuit uw politieke invalshoek verbaast met dat een klein beetje. Master-na-masteropleidingen zijn opleidingen waar zeer dikwijls een zeer belangrijke individuele opbrengst aan gekoppeld is. Op de arbeidsmarkt kan je daar nogal wat meer mee verdienen. Dat geldt minder voor het hoger onderwijs in het algemeen.

In Vlaanderen zijn we bereid om niet alleen de bachelors met publiek geld te financieren, we willen ook masteropleidingen met publiek geld financieren. Onze noorderburen wensen dat niet meer te doen, maar ik ben het daar niet mee eens. Ik vind dat we ook de masteropleidingen met publiek geld moeten financieren, want het is een publieke verantwoordelijkheid om alle jonge mensen de kans te geven om dit diploma te verwerven. De return voor de samenleving is in die mate belangrijk dat we die opleiding als samenleving moeten financieren.

Dat geldt minder voor master-na-masteropleidingen. Voor sommige geldt het wel, met name degene waar de overheid van zegt dat ze nodig zijn voor de uitoefening van een bepaald beroep, bijvoorbeeld huisarts. Ik vind het logisch dat de overheid betaalt als ze die opleidingen eist. Ik geef er de voorkeur aan om en de bachelors en de masters volwaardig met openbaar geld te financieren maar een duidelijke lijn te trekken, met die uitzondering dat de overheid met geld komt als de opleiding nodig is. We zouden het daarover eens moeten zijn vanuit een solidaire visie op wat de overheid moet doen en niet moet doen in de samenleving.

De voorzitter

De heer Tavernier heeft het woord.

Jef Tavernier

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord, vooral omdat u zegt dat u met bepaalde ideeën niet getrouwd bent. Dat betekent dat u daarover verder wilt discussiëren, zeker wat de uitwerking betreft. De belangrijke vraag naar het vergroten van de enveloppe zal gehonoreerd worden.

Het was helemaal niet mijn bedoeling te zeggen dat we het bestaande systeem moeten behouden, zeker niet wat betreft de gesloten enveloppe. Ik ben voorstander van een discussie ten gronde over de verschillende criteria voor de financiering. Die zal nog worden gevoerd. Daarbij zal de nuancering omtrent de manama's moeten worden gemaakt.

De voorzitter

Het incident is gesloten.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.