U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 8 februari 2006, 14.46u

van Kathleen Helsen aan minister Frank Vandenbroucke
148 (2005-2006)
De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen

Mijnheer de voorzitter, dames en heren ministers, collega's, ik was vandaag blij met de concrete informatie over de wijze waarop de studietoelagen voor het secundair onderwijs zullen worden aangepast. Dat element werd voorzien in de beleidsnota. We zijn er akkoord mee gegaan en we zijn er ook erg tevreden over.

Vandaag heb ik vernomen welk bedrag zal worden vrijgemaakt om de studietoelagen voor het secundair onderwijs aan te passen. Gisteren maakte de minister bekend dat in 10 miljoen euro wordt voorzien en dat niet alleen de inkomensgrenzen zullen worden aangepast, maar ook de bedragen van de beurzen zelf.

Ik stel vast dat een leerling in het secundair onderwijs vandaag gemiddeld 165 euro per jaar krijgt als studiebeurs. Het bedrag is afhankelijk van het gezinsinkomen en van het aantal personen ten laste. Het varieert van 93 euro tot 618 euro voor een leerling in het secundair onderwijs per schooljaar. Het maximumbedrag voor de toelagen van leerlingen in de vierde graad van het secundair onderwijs bedraagt 1403 euro per schooljaar.

Ik vind het vooral interessant om te weten wat het effect kan zijn van de extra middelen waarin wordt voorzien. Uit de cijfers blijkt dat in het schooljaar 2004-2005 aan 75.946 leerlingen een studietoelage werd toegekend en dat het totale bedrag voor het secundair onderwijs 12.497.000 euro bedroeg.

In welke mate worden de inkomensgrenzen opgetrokken? Hoeveel leerlingen meer zullen door deze aanpassing recht hebben op een studietoelage? In welke mate zal het optrekken van de studiebeurzen kostendekkend zijn voor de studiekosten?

Het is van 1981 geleden dat de bedragen werden aangepast. De kostprijs van het onderwijs is intussen fel gestegen. Sommige ouders hebben problemen om de studies van hun kinderen in het secundair onderwijs te betalen, onder meer omdat het aantal eenoudergezinnen stijgt. Wat zal het precieze effect zijn van de bijkomende middelen?

De voorzitter

Minister Vandenbroucke heeft het woord.

Minister Frank Vandenbroucke

Mijnheer de voorzitter, gisteren was er een studievoormiddag over het wetenschappelijk onderzoek onder leiding van professor Bea Cantillon, besteld door de vorige Vlaamse Regering. Deze opdracht sloot aan bij de hervorming van het stelsel van studiefinanciering voor het hoger onderwijs door de vorige Vlaamse Regering.

Professor Cantillon had de volgende ambitieuze vraagstelling meegekregen. Zou het kunnen dat we onze opvatting over studiefinanciering radicaal moeten herbekijken? Moeten we eventueel kiezen voor een basisbeurs, een soort basisinkomen voor de studenten hoger onderwijs? Of moeten we veel selectiever worden en kiezen voor het Britse systeem met studieleningen? Of hebben we goed gemikt met het bestaande systeem zoals het hervormd is door de vorige regering? De studie van professor Cantillon is in zeker zin zeer geruststellend. Er gaat een geruststellend conservatisme van uit. Eigenlijk is ons systeem goed. De vorige Vlaamse Regering, en mevrouw Vanderpoorten in het bijzonder, verdienen een pluim. Er is in het hoger onderwijs een mooie hervorming tot stand gebracht. Er is heel wat extra geld geïnvesteerd. De studie zegt eigenlijk dat we goed zitten, wat de opvatting en de opbouw van het stelsel voor het hoger onderwijs betreft.

Ik heb de gelegenheid te baat genomen om een bilan op te maken van de administratieve verwerking van de aanvragen. Daar is ook goed nieuws te melden, dankzij de grote inspanningen van mijn administratie en dankzij de digitalisering.

Het minder goede nieuws betreft het beurzenstelsel voor het secundair onderwijs. Ik ben daar zelf van geschrokken, want ik was me daarvan niet bewust. Er is een totale afkalving gebeurd van het systeem. Het budget dat in 1991 nog 17 miljoen euro bedroeg, is vandaag gezakt naar 12 miljoen euro. In 1991 ontving nog een kwart van de scholieren een beurs, vandaag is dat minder dan 1 op 6. Zowel omvang als bedrag zijn gedaald, terwijl de studiekosten gestegen zijn. Ik vind dat we dat moeten aanpakken.

We kunnen overigens tegelijk nog eens twee doelstellingen nastreven: een aanzienlijke administratie vereenvoudiging door de criteria van toekenning voor secundair en hoger onderwijs op elkaar af te stemmen. Die criteria verschillen nu enorm, waardoor we verscheidene teams nodig hebben om de dossiers op te volgen. We hebben vandaag dus geen gezinsdossiers. Als we daartoe overgaan, krijgen we een enorme administratieve vereenvoudiging. Als bijvoorbeeld de dochter aan de hogeschool gerechtigd is om een studiebeurs te ontvangen, dan is de zoon die nog secundair onderwijs volgt dat ook. Daarmee zouden we het systeem ook weer genereuzer maken in het secundair onderwijs.

Ik heb aangekondigd dat ik dat op de agenda zet. Uit voorzichtigheid houd ik daarvoor in de langetermijnprognose in mijn budget een marge van 10 miljoen euro vrij. Ik weet echter niet of ik 10 miljoen euro nodig heb om de toekenningscriteria op elkaar af te stemmen, waardoor ik de poort breder openzet en iets hogere bedragen geef.

Ik houd ook de mogelijkheid open om de bedragen verschillend te maken naargelang van de richting waarin de scholier zit. Sommige richtingen zijn veel duurder dan andere. Daarom heb ik er verder niets over gezegd.

Twee jaar geleden hebben we een computersimulatie gedaan op onze databank, met het systeem van studiefinanciering zoals het toen was voor het hoger onderwijs. Daaruit bleek dat de groep scholieren die een studiebeurs kon krijgen, met 10.000 groeide. Dat is niet zoveel. Vandaag zijn er zo'n 70.000. Dat verrast me een beetje. Maar het gaat over een oude simulatie. Het gaat overigens over een simulatie in het hoger onderwijs vóór het decreet van 2004. Het is nodig om dat verder te onderzoeken. Met niet al te grote budgetten kunnen we waarschijnlijk het systeem actualiseren.

In een samenleving waar armoede aanwezig blijft en misschien zelfs erger wordt, moeten we het signaal geven dat we in het secundair onderwijs langs de inkomstenkant tussenkomen om mensen te laten studeren, ook al is er leerplicht. Als we bovendien een signaal kunnen geven aan de ouders dat de scholieren later op basis van dezelfde criteria gerechtigd zullen zijn op een beurs voor het hoger onderwijs, dan is dat des te motiverender om door te gaan. Dit is dus potentieel een mooie hervorming. Ik ben daar erg enthousiast over. We hebben de beurzen in het secundair onderwijs wel onderschat.

De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen

Mijnheer de minister, ik dacht dat het bedrag dat u had aangekondigd, gebaseerd was op onderzoek dat daarover al was gedaan, en dat u de effecten zo beter kon inschatten, maar we kunnen dat inderdaad beter afwachten. Zoals we in de beleidsnota vooropstellen, moeten we de kosten in het secundair onderwijs beheersen, en ook het kostendekkend zijn van de studies nastreven. Wordt dat ook mee opgenomen in de financiering van het leerplichtonderwijs?

De voorzitter

Minister Vandenbroucke heeft het woord.

Minister Frank Vandenbroucke

We moeten inderdaad doorgaan met wat we in het regeerakkoord hebben aangekondigd. In het basisonderwijs moeten we het principe van de kosteloosheid kunnen waarmaken. Dat is niet zo eenvoudig, maar we moeten dat geleidelijk doen. We moeten daartoe heel duidelijk omschrijven wat wel en niet onder kosteloosheid valt, om geen verkeerde verwachtingen te hebben. In het secundair onderwijs moeten we ook aan kostenbeheersing doen en aanduiden wat maximale bijdragen zijn, die we normalerwijze van een gezin kunnen verwachten, om averechtse selectie tegen te gaan. Sommige ouders sturen misschien hun kinderen niet naar een school die een dure reputatie heeft. Dat moeten we tegengaan.

Dit brede debat gaat over veel meer dan enkel studiefinanciering en beurzen. Ik wil vermijden dat bij onze besprekingen en procedures alles met elkaar wordt gekoppeld, want dat zal niets nog vooruitgaan. Al deze zaken draaien rond dezelfde fundamentele doelstelling, meer bepaald het vermijden van financiële barrières die gelijke kansen in het onderwijs in de weg staan.

De voorzitter

Het incident is gesloten.

van Marnic De Meulemeester aan minister Frank Vandenbroucke
147 (2005-2006)
van Marijke Dillen aan minister Inge Vervotte
149 (2005-2006)

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.