U bent hier

De heer Laeremans heeft het woord.

Minister, de taalscreening die vanaf volgend schooljaar tussen 10 oktober en 30 november in de derde kleuterklas wordt afgenomen, is een mooi begin. Maar u weet dat wij liever echte taaltesten hadden gezien waardoor die kinderen die absoluut nog niet genoeg Nederlands kennen om mee te draaien in het eerste leerjaar, worden tegengehouden. Nu moeten ze weliswaar een remediëringstraject volgen wanneer hun taalkennis volgens de screening te zwak is, maar er is geen minimale opvolgtest aan verbonden. Jullie laten dan op papier de beslissing volledig vrij aan de klassenraad, maar in feite kunnen de ouders op het einde dat advies te gemakkelijk naast zich neerleggen en de kleuter laten doorstromen naar het eerste leerjaar. Dat maakt het geheel voor ons toch te vrijblijvend.

Een tweede zaak die ons stoort, is de laattijdige voorbereiding van dit alles. Want pas in juli zal er een taalscreeningstool publiek worden, zodat de kleuterleidsters en directies momenteel op hun honger blijven zitten. Zij vragen zich intussen natuurlijk af wie die taalscreening zal moeten afnemen. Het Centrum voor Taal en Onderwijs geeft aan dat het aangewezen is dat zo’n toets wordt afgenomen door iemand met wie de kleuter vertrouwd is, bijvoorbeeld de kleuterjuf. Maar als de kleuterleidster een half uurtje bezig is met zo'n luistertest, dan moet haar klas van pakweg 23 andere kinderen intussen toch worden opgevangen? Komt dat dan op de nek van haar collega's terecht? Of zijn er externen die dat komen doen?

In uw antwoord op een vraag van collega Tavernier was er voor de proefperiode sprake van toetsassistenten. Maar ik betwijfel of dat nu ook het geval zal zijn. Ik vraag me ook af wanneer de kleuterjuffen op die testafname zullen worden voorbereid. Dat had nu toch moeten gebeuren? De maand september is sowieso al druk bezet. En de inspiratiegids was trouwens al beloofd voor eind april.

Minister, kunt u hier en nu de ongerustheid van de kleuterleidsters in de derde kleuterklas wegnemen?

Mevrouw Tavernier heeft het woord.

Minister, Nederlands, Nederlands, Nederlands: dat is nu al bijna twee jaar dé mantra van uw onderwijsbeleid. Daar heeft u goede redenen voor. De kennis van het Nederlands, de kennis van onze onderwijstaal, is dé fundering waarop alle andere vormen van leren steunen. Het is dé sleutel tot een succesvolle schoolloopbaan. Collega’s, taalachterstand leidt al snel tot leerachterstand. Dat moeten wij vermijden.

Minister, een van de belangrijkste initiatieven die u in dit kader neemt, is de invoering van een gestandaardiseerde taalscreening bij het begin van de derde kleuterklas. Vorige vrijdag heeft de Vlaamse Regering beslist dat deze taalscreening vanaf volgend jaar ieder jaar van 10 oktober tot 30 november bij alle kleuters zal worden afgenomen. Op die manier is er nog voldoende tijd om de leerlingen met taalachterstand gedurende de rest van het schooljaar bij te spijkeren. Wanneer op het eind van het schooljaar blijkt dat de taalachterstand toch nog te groot is, kan de klassenraad adviseren om de overstap naar het eerste leerjaar van de lagere school uit te stellen. Ouders zijn niet verplicht om het advies te volgen, maar dan krijgt het kind in het eerste leerjaar wel een taalintegratietraject opgelegd. Dat kan gaan van een taalbadklas tot een volwaardig alternatief dat tot dezelfde resultaten leidt. Volgens de berichtgeving wordt momenteel de laatste hand gelegd aan het instrument. Het zal in het begin van de zomer kant-en-klaar samen met de handleiding aan de scholen worden bezorgd.

Minister, ik vernam graag van u op welke manier scholen zullen worden ondersteund bij het afnemen van deze taalscreening en de daaropvolgende remediëring tijdens de rest van het schooljaar.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Onze fractie heeft altijd gepleit om die test, die screening, te laten afnemen bij het begin van de leerplicht, vanaf 5 jaar, bij het begin van de derde kleuterklas. Dat had een reden. Het was namelijk de bedoeling dat we de kleuters met een taalachterstand op die manier zouden detecteren en hun gedurende de rest van het schooljaar een extra ondersteuning konden bieden. Want taal is inderdaad een heel goede basis voor het verdere verloop van de schoolloopbaan.

Zo’n screening is op zich een goed instrument om op een objectieve basis informatie te verkrijgen over een leerling. Belangrijker is echter wat er na die screening gebeurt. Hoe gaan leerkrachten aan de slag met de resultaten? De leerkrachten zijn volgens onze fractie ook altijd de experten. Zij weten al heel goed welk vlees ze in de kuip hebben.

Minister, u had beloofd dat er een handleiding zou komen. Op een vraag in de commissie hebt u geantwoord dat ze klaar zou zijn eind april. Voor leerlingen die het Nederlands niet zo goed beheersen, zal de school een taalintegratietraject kunnen organiseren. De autonomie van de school is daarbij heel belangrijk. De school kan kiezen hoe dit concreet zal worden ingevuld. Voor onze fractie is het belangrijk dat we niet alleen aandacht hebben voor die heel specifieke kleuters, maar dat we een heel taalrijke leeromgeving creëren. Minister, ik vroeg u al om duidelijkheid over de middelen die beschikbaar zullen zijn voor de scholen voor het komende schooljaar. Wanneer zult u laten weten aan de scholen, aan de leerkrachten die aan de slag moeten gaan, hoe ze inhoudelijk en financieel ondersteund zullen worden om die screening af te nemen, om de resultaten te interpreteren en er de nodige gevolgen aan te koppelen, niet alleen voor de leerlingen die wat minder goed scoren op die screening, maar ook voor een taalbeleid dat de hele school omvat?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Het doel van de taalscreening is heel eenvoudig: ervoor zorgen dat kinderen met gelijke kansen aan de startlijn komen. Anders zullen ze nooit gelijke kansen hebben om succesvol de eindstreep te bereiken. Daarom focussen we op het Nederlands, eenvoudigweg omdat dat de sleutel is tot het verwerven van alle andere kennis. Als je start met een achterstand op het vlak van Nederlands, zal die achterstand zich ook manifesteren op alle andere vakken.

Daarom introduceren we een taalscreening in de derde kleuterklas. Dat is inderdaad heel vroeg. We doen dat in het begin van het schooljaar. De periode die we daarvoor hebben vastgelegd loopt van 10 oktober tot eind november. Daarna zorgen we, op grond van de resultaten, indien nodig voor het bijspijkeren van die kinderen in de loop van de derde kleuterklas.

Welke ondersteuning geven we op dat vlak aan de scholen? Ik beperk mij tot drie:

Eén: een kant-en-klare screening die we aanbieden. We noemen het de Koala-toets. Als je de minister van Dierenwelzijn loslaat in het onderwijs dan krijg je dat: de ‘ko’ staat voor kleuteronderwijs, en de ‘l’ voor luistervaardigheid. Dat is een tool met doe-opdrachten op papier, met meerkeuze-opdrachten, met instructiefilmpjes. Er zijn algemene en concrete filmpjes voor het afnemen van die test, allemaal goed in detail uitgewerkt.

Twee: we zorgen er ook voor dat er extra handen in de klas komen, en wel al vanaf 1 september. Daarvoor trekken we maar liefst 12 miljoen euro uit, om ervoor te zorgen dat er extra handen in de klas komen nog voor de afname van die test, maar evengoed om werk te maken van de remediëring, van het stimuleren van het Nederlands in het taalgebruik.

Tot slot is er ook nog de steun en bijstand van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB). Dat is geen nieuwe opdracht, die hebben ze nu ook al. Ook daar kan men terecht.

Dat zijn dus drie concrete maatregelen waarmee we ondersteuning bieden aan de scholen voor de invoering van die taalscreening. Ik denk dat dat een succesvol instrument moet zijn. Op grond van het kalibratieonderzoek, waarbij we naar ik meen 1800 kleuters aan de test hebben onderworpen –  met verschillende vragen, waaruit uiteindelijk een selectie werd gemaakt –, kan ik zeggen dat er heel veel enthousiasme bij de kleuters en bij de kleuteronderwijzers was. Ik denk dat dit een goede, kordate stap is.

We zorgen ervoor dat die niet vrijblijvend is, mijnheer Laeremans. Wanneer aan het einde van de derde kleuterklas wordt vastgesteld dat er toch nog tekorten zijn, en dat die kinderen niet met gelijke kansen op het vlak van kennis van het Nederlands kunnen starten aan het eerste leerjaar, dan zullen zij advies krijgen van de klassenraad van het kleuteronderwijs dat het beter is dat die kleuter nog een jaartje langer blijft. Dan kan men dat kind nog bijspijkeren. Als de ouders dat advies naast zich neerleggen, dan kan dat kind enkel starten in het eerste leerjaar wanneer er een taalintegratie- en/of taalbadjaar aan te pas komt. Er is dus absoluut geen vrijblijvendheid. We gaan ervoor zorgen dat alle kinderen gelijk aan de start komen, en met voldoende kennis van het Nederlands.

De heer Laeremans heeft het woord.

Dank u voor uw toelichting, minister. Op die manier weten we al iets meer, met die 12 miljoen voor extra handen in de klas. De vraag is natuurlijk hoe dat er allemaal concreet zal uitzien, in aantal uren per school en per klas. We weten dat de scholen inderdaad financiële middelen krijgen, en de inspiratiegids. Ze kunnen dat dan uitbesteden aan externen, of misschien de handen in de klas die er al zijn, maar als het er niet genoeg zijn, en ze overal tegelijk aan de slag moeten, dan vrezen we dat de scholen vooral zullen moeten rekenen op hun eigen onderwijspersoneel. En die moeten daar toch ook goed op voorbereid worden. De vraag is wanneer dat gaat gebeuren. Is het in september-oktober dat er begeleiders naar de klassen zullen gaan om het onderwijspersoneel verder op te leiden? En als de kleuterleidsters meer dan 20 kinderen in hun klas hebben, dan moet u hen toch ook nog kunnen overtuigen of ze ‘tussendoor’ nog even individuele taaltrainingen kunnen gaan doen. Is dat haalbaar?

Mevrouw Tavernier heeft het woord.

Dank u wel. De taalscreening is een belangrijk instrument om te garanderen dat ons Vlaams onderwijs een echte kansenmotor is en blijft. Hiermee zorgen we ervoor dat elke leerling, of die nu uit een kansarm of een kansrijk gezin komt, met voldoende bagage het eerste leerjaar kan aanvatten. Beste collega’s, die taalachterstand is geen hypothetische uitdaging. Het is een prangende realiteit. Steeds meer kleuters en leerlingen van onze Vlaamse basisscholen spreken thuis geen Nederlands. In Brussel is dat zelfs driekwart! Gezien deze evolutie, collega’s, zou het gewoonweg schandelijk zijn om geen vroegtijdige actie te ondernemen om een mogelijke taalachterstand op te sporen en aan te pakken.

Minister, ik heb nog een bijkomende vraag:

Het taalscreeningsinstrument werd dit schooljaar al uitgetest bij duizenden kleuters. Op welke manier zullen de resultaten van dit kalibratieonderzoek worden meegenomen in de ontwikkeling van het finale taalscreeningsinstrument?

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw antwoord. Taalontwikkeling is niet statisch maar evolueert op het tempo van het kind. We willen ook aandacht vragen voor die leerlingen die wat later in het jaar geboren zijn en dus minder in contact kwamen met taal. Wij vinden het belangrijk dat daar ook rekening mee wordt gehouden.

Minister, u geeft aan dat er 12 miljoen euro is voor extra handen in de klas. Dat is heel goed. Maar ik hoor de vragen al binnenkomen. ‘Wanneer weten we voor mijn school wat dat betekent?’ ‘Ik moet mijn puzzel maken. Ik heb een aantal leerkrachten. Hoe kan ik ervoor zorgen dat de juiste begeleiding wordt opgezet voor mijn leerlingen?’ ‘Hoe kan ik die taalrijke omgeving creëren?’ Minister, wanneer zal daar duidelijkheid over komen?

De heer De Gucht heeft het woord.

Minister, het is geweten dat ik een heel grote voorstander ben van deze screening. Er waren in het begin wel wat ongerustheden wat betreft de jonge leeftijd, terwijl ik denk dat we de juiste keuze maken om dat zo jong mogelijk te doen. Die screening geeft ook de mogelijkheid om te objectiveren. Dat is heel belangrijk om ervoor te zorgen dat elk kind evenveel kansen krijgt.

Het is al door collega Vandromme aangehaald dat het nodig zal zijn om de scholen hierin maximaal te ondersteunen. Als men het heeft over de manier waarop men daar echt werk van kan maken, denk ik dat het ook nodig zal zijn om zeker in de scholen waar er heel veel kinderen met taalachterstand zijn, de opleiding van de kleuterjuffen daar nog beter op af te stemmen om ervoor te zorgen dat zij heel goed ondersteund worden en weten welke tools zij kunnen gebruiken om die kinderen in de juiste richting te duwen en uit te dagen op vlak van taal. Daar ligt een belangrijke boodschap en een belangrijke uitdaging voor u, minister.

De heer Danen heeft het woord.

Voorzitter, collega's, minister, het is bekend dat naast heel wat andere vaardigheden, het goed spreken van het Nederlands belangrijk is voor de verdere schoolse loopbaan. In dat kader moet er inderdaad heel wat gebeuren. Maar de vraag is: wat? Er zijn dingen die werken en er zijn veel dingen die niet werken. Voor alle duidelijkheid: een taalscreening kan een instrument zijn in het stappen naar een betere taalvaardigheid van jonge kinderen. Maar dat is niet voldoende. Collega Laeremans zei dat we moeten kijken wat daarna gebeurt. Ik zou ook willen kijken wat daarvoor gebeurt, voor de leeftijd van 5 jaar. We weten wat werkt. Het onderdompelen van kinderen in een taalrijke omgeving werkt zeker. Daar moeten we alles aan doen, eigenlijk al vanaf de geboorte. Daar bestaat ook heel wat onderzoek over. Wat we dus ook moeten doen, is leerkrachten, kleuterleiders en -leidsters professionaliseren om die taalrijke omgeving beter te kunnen organiseren in de klas. De vraag is: wat gaat u daarvoor doen?

De heer Anaf heeft het woord.

Minister, zoals collega Goeman in de commissie al heel vaak heeft aangegeven, zijn wij ook voorstander van een taalscreening en van een taalintegratietraject. Het is effectief belangrijk voor de schoolcarrière van kinderen maar ook voor hun latere professionele carrière dat ze voldoende Nederlands leren. Men kan daar niet vroeg genoeg mee beginnen. Maar dan moet het wel goed gebeuren. Daarover verschillen we van mening. Klassen splitsen en het feit dat er geen kleuters mogen blijven zitten, werkt contraproductief.

Minister, op 25 februari stelde mijn collega Goeman u de vraag hoe u de communicatie daaromtrent zou willen opstarten zodat scholen voldoende tijd zouden krijgen om de screening en de trajecten effectief te organiseren. We zijn nu 9 juni. Binnen een dikke twee weken start de vakantie. Heel veel scholen zitten met de handen in het haar door die laattijdige beslissing. Minister, bent u bereid om volgend jaar een overgangsjaar in te stellen om scholen voldoende tijd te geven om dat op een goede manier te organiseren?

De heer D’Haese heeft het woord.

Minister, ondanks de vele tegenstand, voert u toch taaltests, taalbaden en taalbadjaren in. Het is een ingangsexamen voor kleuters, een momentopname. Kleutertjes die onvoldoende halen, worden dan gebuisd of tot een jaar in een taalbad afgezonderd, samen met andere kleutertjes die ook niet goed Nederlands spreken.

Het beheersen van het Nederlands is uiteraard enorm belangrijk, anders kun je uiteraard geen wiskunde of wetenschappen leren. De vraag is hoe je dat op de beste manier doet. Daar is het heel duidelijk dat kleuters een jaar tegenhouden of afzonderen in een taalwoestijn, waar weinig Nederlands gesproken wordt in de groep, meer kwaad dan goed doet. Alle internationale wetenschappelijke studies bevestigen dat dat niet werkt. De heer Daniëls heeft hier geprobeerd om het tegendeel te bewijzen, wat redelijk pijnlijk afgelopen is. Als we daar kritiek op leveren, dan zeggen jullie dat wij alles bij het oude willen laten en dat er niets mag veranderen. Maar dat is helemaal niet zo. Nederlands is belangrijk.

Wat werkt er wel? Eén, investeren in professionalisering – zoals al gezegd is –, ondersteuning van leerkrachten en kleinere klassen. Twee, betaalbare en toegankelijke kinderopvang, want daar begint het Nederlands leren. Drie, een gezonde sociale mix van leerlingen, want leerlingen leren van elkaar. Gaat u daar ook iets aan doen, minister?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

De problematiek van de kennis van het Nederlands is acuut en vereist doortastende en kordate maatregelen, geen zachte heelmeesters en stinkende wonden. U zegt dat ik er wel iets aan moet doen, maar geen kinderen mag tegenhouden om in het eerste leerjaar te starten, maar er is niets sociaals aan kinderen toelaten om aan het eerste leerjaar met een taalachterstand te beginnen. Dat is niet sociaal, dat is asociaal, want dan weet je geheid dat de achterstand waarmee men begint, alleen maar groter dreigt te worden. Dat is verschrikkelijk asociaal. De invoering van de taalscreening is een sociale maatregel bij uitstek en is het meest in het voordeel van de sociaal-economisch zwakkere kinderen, die kinderen die een andere thuistaal hebben dan het Nederlands. Voor hen is dit de meeste gepaste en dus de beste aanpak.

Er werden goede dingen gezegd als het gaat over de onderwijzers. De professionaliteit van de kleuteronderwijzers is in dezen echt van tel. Ik erken dat ook. We zien ook dat de screeningsinstrumenten vaak bevestigen wat de kleuteronderwijzers zelf bevroeden, en dat is maar goed ook; het tegendeel zou meer verontrusten. Toch werd herhaaldelijk het tegendeel vastgesteld. De kleuteronderwijzers reageerden echt enthousiast en erkennen ook echt de meerwaarde. Ze zeggen dat het resultaat soms wat verrassend is en dat het soms een nieuw licht werpt op sommige kleuters: een minder spraakzame kleuter kan inzake luistervaardigheid soms lager ingeschat worden, en omgekeerd.

Over dat kalibratieonderzoek gesproken: daar hebben we inderdaad een 1800-tal kleuters aan onderworpen. Die hebben verschillende vragen gekregen, niet altijd dezelfde, om uiteindelijk de beste vragen te kunnen selecteren en de verwarrende vragen eruit te filteren. Daarnaast hebben de onderzoekers een te verwachten correlatie vastgesteld tussen kinderen die aantekenen op de indicator ‘thuistaal niet Nederlands’ en een slechte score op de screening. Er werd ook vastgesteld dat de geboortemaand een rol speelde. Je mag niet vergeten dat kinderen geboren in december tot wel bijna een jaar jonger zijn dan kinderen geboren in januari. Dat vangen we op door een langere afnameperiode, en door de inzichten van kleuteronderwijzers.

Tot slot, hoe worden de middelen voor de taalintegratietrajecten verdeeld? Er is 12 miljoen euro extra voor extra handen in de klas en die middelen worden verdeeld via de punten zorg: zorgcoördinatoren die extra worden toebedeeld. Net vanwege de correlatie met kinderen die aantikken op ‘thuistaal niet Nederlands’, gaan we ervoor zorgen dat er een coëfficiënt is. We werken niet met alle SES-kenmerken, maar door te werken met de indicator ‘thuistaal niet Nederlands’ zorgen we ervoor dat er extra middelen gaan naar die scholen. Dat is evident.

Volgende week worden de dienstbrieven ter zake verstuurd naar de scholen, zodat ze perfect weten wat ze op 1 september zullen krijgen aan extra uren om hen te ondersteunen en om mee te verhinderen dat kinderen nog starten in het eerste leerjaar met een achterstand op het vlak van Nederlands.

De heer Laeremans heeft het woord.

Minister, bedankt voor uw bijkomende uitleg.

Ik neem aan dat kleuterleidsters bij een aantal van die proefprojecten best wel tevreden zijn, maar het is niet omdat die kleine doelgroep die daar al van op de hoogte is, tevreden is, dat de andere kleuterleidsters op dit ogenblik gerustgesteld zijn. Zij vinden uw plannen op dit moment nog niet duidelijk genoeg.

En dus is mijn suggestie: zou u deze maand geen webinar kunnen opzetten waar u toch de uitleg kunt geven over wat zij concreet kunnen verwachten in september? Hoeveel betekent dan die 12 miljoen euro voor een gemiddelde kleuterklas? Op dit ogenblik lijkt het nog alsof de Vlaamse Regering in oktober trots een nieuwe wandelroute gaat openen, waarbij de gidsen – dat zijn dan de kleuterleidsters – nog helemaal niet opgeleid zijn. Pas na de vakantie zullen ze een gevulde rugzak vinden, waarmee ze dan hun plan zullen moeten trekken. Daarom: minister, schep nu duidelijkheid, nog voor de vakantie en laat de kleuterleidsters hier zeker niet de dupe van worden, want dat zou jammer zijn. (Applaus van Chris Janssens)

Mevrouw Tavernier heeft het woord.

Minister, dank u wel voor de bijkomende toelichting. Met de invoering van de taalscreening wordt nu een heel concrete stap gezet om kleuters zonder taalachterstand, dus met gelijke leerkansen aan de lagere school te laten beginnen. We doen er niemand een plezier mee om de situatie blauwblauw te laten zoals collega D’Haese hier in de koepelzaal verdedigt. Concrete uitdagingen vragen om een concrete en doortastende aanpak. Die is er nu met deze taalscreening die volop focust op de kennis van het Nederlands, die volop focust op dat meest essentiële. Minister, u hebt dan ook onze volle steun en we kijken als fractie enorm uit naar de verdere uitrol.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Collega’s, zoals ik al zei, hebben we er vanuit onze fractie altijd voor gepleit dat de screening zou plaatsvinden bij het begin van de derde kleuterklas. Net omdat we op die manier de kleuters nog maximaal op maat het beste kunnen aanbieden wat ze nodig hebben. Voor onze fractie is het dan ook heel belangrijk dat we uitgaan van de expertise van de kleuteronderwijzers, want dat zijn de mensen die dag in, dag uit bij de kleuters staan en het beste kunnen inschatten wat voor de kleuter nodig is. We hopen dan ook dat het oordeel van de experten altijd meegenomen kan worden om te bepalen welk traject er op maat gekozen wordt voor elke kleuter. Collega’s, vandaag hadden we het over taalintegratietrajecten van kleuters, maar ook in het lager onderwijs zijn er leerlingen die instappen die toch wel problemen hebben, die onvoldoende het Nederlands machtig zijn. We kijken met onze fractie ook uit naar de maatregelen die genomen kunnen worden om ook die leerlingen te ondersteunen, om ook leerkrachten te ondersteunen die voor de klas staan met leerlingen die het wat moeilijker hebben op het vlak van het Nederlands. Graag verwijs ik ook naar de vraag die straks gesteld wordt over een betere afstemming van de kinderopvang op het kleuteronderwijs inzake taalrijke omgeving.

De actuele vragen zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.