U bent hier

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat betreft de opheffing van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu en de overheveling van taken inzake omgevingshandhaving.

De algemene bespreking is geopend.

De heer Pieters heeft het woord.

We zijn ervan overtuigd dat dit ontwerp van decreet tot een efficiëntieverbetering zal leiden binnen de Vlaamse administratie. We hebben in de commissie bij amendement echter voorgesteld om via een inwerkingtredingsformule aan de Vlaamse Regering voldoende tijd te geven om alle uitvoeringsbepalingen uit te vaardigen met protocollen die blijkbaar nog nodig zijn om dit ontwerp van decreet in de praktijk te brengen.

Nu dit amendement niet werd goedgekeurd en men een regeling wil uitvaardigen die door haast- en vliegwerk de continuïteit van het omgevinghandhavingsbeleid kan bezwaren, zullen wij ons onthouden.

Mevrouw De Coninck heeft het woord.

Zoals we in de commissie al hebben gezegd, denken we dat dit ontwerp van decreet een efficiëntiewinst zal genereren. Het is logisch dat we de overheveling doen naar het departement Omgeving, waar ook alle andere taken omtrent omgeving zitten, het handhavingsbeleid dus ook daar terechtkomt, want dat is het sluitstuk van het beleid.

We hebben in de commissie een uitvoerige bespreking van dit ontwerp van decreet gehouden. Een aantal amendementen zijn ingediend, maar ik zie dat we ondertussen opnieuw amendementen van de heer Tobback hebben gekregen.

Mevrouw De Coninck, ik ga ervan uit dat hij die amendementen zelf zal toelichten.

Dan zal ik dat straks behandelen.

Mijnheer Tobback, heb ik het juist?

Mevrouw De Coninck, als u een voorzet wilt geven door aan te kondigen dat u die amendementen zult steunen, ben ik bereid daar even mee te wachten.

Mijnheer Tobback, u kunt ze straks eerst toelichten.

Men weet maar nooit.

Mevrouw De Coninck, dankuwel.

Mijnheer Tobback, ik zie dat u volhardend bent in uw overtuiging over dit ontwerp van decreet, want deze amendementen zijn haast gelijkaardig aan de amendementen die we in de commissie hebben gehad.

Het zijn zelfs precies dezelfde.

Om die reden liep ik al voorop op de bespreking van de amendementen, maar ik zal dat voor straks houden.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Voorzitter, dit ontwerp van decreet geeft invulling aan het Vlaams regeerakkoord en brengt de taken van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu onder bij het Departement Omgeving. Tijdens de bespreking in de commissie is voldoende naar voren gekomen dat alle leden hier een aantal voordelen in zien. Dit maakt een betere afstemming en een integrale benadering mogelijk. We zien daar principieel kansen in, maar ‘the proof of the pudding is in the eating’ en we zullen zeker nauwgezet opvolgen dat het doel dat hier effectief wordt vooropgesteld ook wordt gerealiseerd.

Er wordt voorzien in een nieuw forum dat belangrijk is voor de kennisuitwisseling en de afstemming. Ik heb in de commissie verklaard dat het cruciaal is dat ook het contact met het middenveld wordt behouden. Het middenveld moet betrokken blijven bij de opstelling van de handhavingsprogramma’s en een goede samenwerking op het terrein moet gegarandeerd blijven.

Mijnheer Tobback, wat de programma’s en de rapporteringswijze betreft, rekenen we op de verantwoordelijkheidszin van de Vlaamse Regering. We hebben daar vertrouwen in. We hebben in de commissie benadrukt dat de vergelijkbaarheid van de rapportages in de toekomst met de rapportages uit het verleden een belangrijk punt is. Ik wil dat hier ook doen. Gezien mijn verantwoording van het belang van de rapportage wil ik u in het licht van de tijdsefficiëntie al meedelen dat we uw amendementen niet zullen goedkeuren. Dit ligt in de lijn van de commissiebespreking. We hebben wel vertrouwen in de Vlaamse Regering.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Voorzitter, het zal niemand verbazen dat we natuurlijk voor een zeer efficiënte omgevingshandhaving zijn. We begrijpen deze samensmelting en overheveling. De motivering stelt duidelijk dat we een efficiëntere handhaving willen. Die handhaving is het sluitstuk van ons omgevingsbeleid en het is belangrijk hier voldoende aandacht aan te besteden.

We willen echter ook voldoende aandacht voor de rapportage zien en daar knelt het schoentje, want dat blijkt nogal vrijblijvend te zijn. Het is een belangrijk element waarmee we rekening moeten houden om te kunnen opvolgen wat de gevolgen van ons omgevingsbeleid zijn en op welke manier we dat beleid moeten bijstellen. Wat ons betreft, is de rapportage te minimaal uitgewerkt.

Bovendien gaan we naar een efficiëntieverbetering, maar dat betekent natuurlijk niet dat we op de dienstverlening mogen inboeten. Dat is een tweede bezorgdheid die we naar voren willen brengen. Dit ontwerp van decreet moet tot een verbetering van de dienstverlening leiden en mag geen besparingsoefening zijn. We zijn er niet van overtuigd dat dit niet het gevolg zal zijn. We willen hier meer aandacht voor. In de plaats van een besparing, willen we echt naar een uitbreiding van de omgevingshandhaving gaan, want dat blijkt essentieel te zijn.

Mijnheer Tobback, iets zegt me dat u uw amendementen zult toelichten. U mag dat zelfs van uw collega’s.

Daar is blijkbaar veel vraag naar en ik zal daar met heel veel genoegen aan  tegemoetkomen.

U kunt dat altijd heel kort en krachtig.

Ik doe mijn best. Ik beloof u dat ik zal proberen om mijn dertig minuten niet op te gebruiken. Maar dat is een inspanningsverbintenis.

Ja. Ik kijk uit naar het resultaat.

Op algemene vraag dus, collega’s.

De amendementen die ik had ingediend zijn, zoals collega De Coninck opmerkte, niet alleen identiek aan deze die ook in de commissie waren ingediend, maar ook aan deze die ik had ingediend namens sp.a in een discussie die we enkele maanden geleden hadden in hetzelfde kader, namelijk over de milieurapportering. Daar is hetzelfde gebeurd. Aan de ene kant is er een noodzakelijke en nuttige en toe te juichen modernisering en aanpassing aan de nieuwe administratieve structuur, aan het feit dat we naar omgevingsvergunningen overschakelen en dat ook de administratie is hervormd. Het is logisch dat een aantal dingen worden aangepast. Daar kan ik helemaal niets tegen hebben. Daar hebben we ook helemaal niets tegen.

Waar we wel iets tegen hebben, is dat er een constante zit in die twee herzieningen van de rapportering. Ze worden niet alleen maar aangepast aan de nieuwe structuur van de vergunningsprocedures, ze worden ook ontdaan van een duidelijk kader met duidelijke, voorspelbare, heldere en transparante regels waaraan zowel de inhoud als de opmaak van de rapporten moet voldoen. Daar waar dit in het verleden, zowel voor het Milieurapport Vlaanderen (MIRA) als in het kader van de Hoge Handhavingsraad, de taak was van een duidelijk afgebakende stuurgroep met onafhankelijke experts, externen en academici, met een duidelijk vastgelegde en geprogrammeerde periodiciteit daarin, die, zoals de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) in zijn advies over dit ontwerp van decreet opmerkt, toeliet om jaar na jaar te evalueren en de evoluties in het oog te houden, wordt dit nu helemaal overgelaten aan de regering.

Ik zal collega Rombouts misschien toch een klein beetje ongerust moeten maken. Ik begrijp dat u, mevrouw Rombouts, het volste vertrouwen hebt in deze regering. Dat punt delen wij niet, maar dat is nog wat anders. Maar niet alleen in deze regering maar ook in alle volgende regeringen, collega Rombouts. In uw plaats zou ik, als ik naar de politieke evoluties kijk, beginnen mij wat zorgen te maken over die volgende regeringen. Maar u moet natuurlijk niet alle peilingen geloven. We proberen dat allemaal te vermijden. (Opmerkingen bij het Vlaams Belang)

De rapporteringen tot nu toe en het systeem van rapporteringen waren bindend voor alle regeringen. Alle voorgaande regeringen hebben op dezelfde manier MIRA’s en handhavingsrapporten opgemaakt. Dat maakt dat we op dit ogenblik in staat zijn om door de jaren heen de evolutie op die verschillende beleidsdomeinen te volgen en te analyseren. We hebben bovendien de zekerheid – niet alleen wij als parlementsleden maar ook de burgers, ook het brede middenveld – dat de opmaak van die cijfers is gebeurd op een duidelijke, transparante manier en op basis van een evenwichtig samengestelde en onafhankelijke stuurgroep, een wetenschappelijk gekaderde begeleidingsgroep, waarbij het uit de politieke discussie werd gehaald. We konden achteraf een politieke discussie voeren, maar minstens in de wetenschap dat het gebeurde op basis van objectieve en heldere cijfers, waarbij bovendien de regering niet zelf had gekozen waarover ze een rapport wilde laten opmaken en waar ze de lat wilde leggen.

Dat is de reden waarom we met sp.a deze amendementen hebben ingediend. Dat is precies het probleem vandaag. Met wat er hier voorligt – en in dit geval gaat het over de omgevingsvergunningen, in het andere geval ging het over de milieu- en de natuurkwaliteit in Vlaanderen – kunnen deze en de volgende regeringen vanaf nu zelf kiezen wanneer ze rapporteringen willen, waarover ze rapporteringen willen en door wie die rapporteringen dan moeten gebeuren. Hier is met andere woorden een systeem ontstaan waarbij de regering – en met dank aan deze meerderheid alle volgende regeringen – het recht heeft gekregen om zelf de spelregels te maken, te spelen, scheidsrechter te zijn en in het buske van de Video Assistant Referee (VAR) te zitten. Het hele brede middenveld en de hele weelde aan expertise die we hebben in Vlaanderen in onze universiteiten, hogescholen en een hoop technologische instellingen en onderzoeksinstellingen, die nota bene door de Vlaamse Regering zelf worden gefinancierd, betrekken we daar niet meer structureel bij, daar waar dat in het verleden wel het geval was.

Collega’s, het is mij echt een mysterie waarom, en ik heb daar ook in geen enkele van de besprekingen een antwoord op gekregen, noch toen het over het Milieurapport Vlaanderen (MIRA) ging, noch in het kader van de discussie die we in de commissie hebben gehad en waarnaar mevrouw De Coninck verwees over de omgevingsvergunningen en de omgevingsrapportage. Ik heb op geen enkel moment te horen gekregen van iemand van de meerderheid waarom het verlaten van een duidelijk kader, waarbij we jaar na jaar konden zien wie welke rapporten zou maken en wie welke resultaten boekt, een stap vooruit zou zijn. Het is immers eigenlijk zelfs geen vereenvoudiging. Het is een verder complex maken ervan. Nu zal er immers keer op keer moeten worden uitgezocht, beslist en gemotiveerd waarom men over bepaalde punten wel en over bepaalde punten niet een rapport zal opmaken. Er zal iedere keer moeten worden gemotiveerd waarom deze en gene de opdracht krijgt en deze en gene niet de opdracht krijgt. Er zal iedere keer opnieuw een discussie over ontstaan: waarom is dit niet aan bod gekomen? Omdat de regering het onder de mat wou houden, omdat de cijfers haar niet uitkomen, omdat ze daar een beetje bang voor is, omdat ze deze of gene onderzoeker in de kou wilde zetten en niet wilde betrekken? Ik zie echt niet in waarom het een stap vooruit zal zijn dat we in de toekomst keer op keer die discussies zullen hebben, terwijl we eigenlijk een niet-gecontesteerd model hadden, met bijvoorbeeld de MIRA-rapporten inzake milieu en natuur, die boven alle kritiek en verdenking stonden.

Wat de omgevingsvergunning betreft, de Hoge Raad moest inderdaad worden hervormd omdat het model van de omgevingsvergunning is veranderd, maar er was geen enkele reden om de periodiciteit van de plannen en van de rapportering te veranderen, laat staan om totaal te verlaten dat er een vast kader over de diverse jaren en voor verschillende regeringen zou zijn. Ik heb daar eigenlijk nog altijd van niemand uit deze meerderheid een goede, heldere, geloofwaardige uitleg voor gekregen, behalve dan ‘we hebben vertrouwen in deze regering’. Ik heb veel minder vertrouwen in deze regering – daar kunnen we nog over discussiëren – maar ik begrijp echt niet waarom dit een discussie zou moeten zijn over vertrouwen in deze regering. Dit gaat over bereidheid om beleid te laten evalueren op een onafhankelijke, deskundige, neutrale en voor iedereen toegankelijke manier. Ik zie geen enkele reden waarom we dat zouden moeten verlaten en waarom het zo moeilijk is om die paar amendementen dan goed te keuren, want dat is het enige dat we aan het ontwerp dat hier voorligt en dat ik voor de rest positief vind, zouden willen veranderen. Ik ben nog altijd aan het wachten op die goede uitleg.

Voorzitter, ik wil nog één argument geven, en dan ben ik nog ruim binnen mijn half uur. In milieu- en ruimtelijkeordeningsbeleid vragen we inspanningen aan burgers, in veel gevallen. We proberen te garanderen dat we vooruitgang boeken, maar we vragen vaak inspanningen aan die burgers, of het nu gaat over zwerfvuil, over bouwverboden, over allerlei voorschriften, over gedragswijzigingen. De beste manier om te garanderen dat de burger bereid is om die inspanningen te leveren, is door te kunnen aantonen dat die inspanningen nodig zijn, op basis van objectieve, deskundige gegevens, waarin iedereen kan geloven, niet alleen de toevallige leden van de regering en de toevallige leden van de meerderheid die haar op dat ogenblik steunen, maar iedereen. Zo is er ten minste een onomstotelijke basis waarvan we kunnen vertrekken, om dan de politieke discussie te voeren over de vraag: welke inspanningen?

Wat u hier echter doet, is een systeem invoeren waarbij u de objectiviteit en de neutrale deskundigheid van die verschillende rapporteringen en de mogelijkheid om die door de jaren heen te kunnen evalueren, eigenlijk onmogelijk maakt, en de regeringen toelaat om daar willekeurig mee om te gaan. Ik zeg zelfs niet dat deze regering dat per se onmiddellijk zal doen. Ik ben zelfs nog bereid om op dat vlak af te wachten wat ik van de minister zal zien de komende maanden en jaren. Maar ik begrijp echt niet waarom u dat kader, dat heeft bewezen dat het werkte, dat het correct werkte, dat niks in de weg stond – integendeel zelfs, dat een grote geloofwaardigheid had opgebouwd en waarover alle adviesraden erop aandrongen om het te behouden – mordicus te allen prijze weg wil, in ruil voor een waarbij regering en de administratie onder elkaar gaan bedisselen waar men rapporten over wil, wie ze mag opmaken, wanneer ze moeten verschijnen en waarschijnlijk ook nog eens wie ze te zien zal krijgen. Collega’s, ik zie echt de meerwaarde er niet van in. U zult me moeten excuseren, maar bij gebrek aan een goede uitleg over die meerwaarde heb ik de nodige bedenkingen daarover en vind ik dat vrij verdacht als het gaat over het beoordelen van de drijfveren daarachter.

Dus ik zeg het nog eens: de sp.a-fractie heeft die amendementen opnieuw ingediend. Indien die amendementen worden goedgekeurd, zullen wij ook de rest van het ontwerp van decreet goedkeuren, we zijn daar zeer constructief in. Want wij hebben tegen de rest van dit ontwerp eigenlijk geen enkel bezwaar. Maar als u die amendementen niet goedkeurt, hoop ik ten zeerste dat u er een goede uitleg voor hebt. In ieder geval zullen wij ons dan bij de stemming over het ontwerp onthouden.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Collega Tobback, ik noteer dat u ervan droomt om ooit weer deel uit te maken van de meerderheid in dit Vlaams Parlement. Maar u overweegt ook om de rapportage op dat moment aan te passen naar wat u goed uitkomt, en dat vind ik wel straf. Ik heb dat in elk geval gehoord, en ik zal die uitspraak ook onthouden.

Mevrouw De Coninck heeft het woord.

Collega Tobback, ik ga u ervan proberen te overtuigen waarom wij niet meegaan in uw amendement.

Maar dat is hopeloos.

Want uiteindelijk zegt u dat u het eens bent met de geest van het ontwerp van decreet. Het siert u dat u opnieuw die amendementen indient, maar wij hebben ook nogal de neiging om volhardend en consequent te zijn. Het is denk ik een fundamenteel verschil in visie die wij hebben. Voor ons moet een decreet vooral de krachtlijnen omvatten, en geen lange oplijsting van data en basisgegevens. Het is niet omdat die decretale bepalingen omtrent rapportage minimaal zijn, dat de inhoud van die rapportage minimaal zal zijn. Dat is een redenering die u maakt die ik niet begrijp en die ik ook niet volg. Het is uiteraard een keuze en een afweging: wat zet je in een ontwerp van decreet en wat niet? Volgens ons moeten enkel die fundamentele zaken daarin staan. Ik denk dat dat ook vanuit wetgevingstechnisch oogpunt het meest duidelijke en het beste is.

Als je een minimale opsomming zou maken van wat die rapportage moet omvatten, dan leidt dat er vaak toe dat de rapportering zich daar finaal toe zal beperken. Als je een lange oplijsting in je voorstel zou opnemen, biedt dat dan weer weinig flexibiliteit voor de opmaak van het rapport zelf. U zei daarnet zelf dat, omdat die oplijsting er niet in staat, zelfs de objectiviteit in het gedrang komt. Ik vind dat opnieuw een vreemde redenering.

Wij zeggen dat het voorstel van decreet de krachtlijnen omvat, en niet die lange oplijsting van data en basisgegevens. Het is niet omdat die decretale bepalingen minimaal zijn dat de inhoud van die rapportage minimaal zal zijn.

Ik vrees dat u collega Tobback niet hebt kunnen overtuigen.

De heer Pieters heeft het woord.

Collega Tobback heeft van ons wel een luisterend oor gekregen, wij gaan daar wel in mee. We hebben dat in de commissie ook gedaan. Het geeft toch de controle van dit parlement wat meer body. Dat wil zeggen dat we een controleorgaan zijn, en we willen dat ook zo houden.

De heer Tobback heeft het woord.

Collega De Coninck, ik ga twee antwoorden geven op uw vraag. Als u de verantwoording uit de amendementen weghaalt, houdt u nog ongeveer 1 pagina over. Me dunkt dat we hier niet praten over een ellenlange administratieve rompslomp met gigantische opsommingen. In verhouding tot de volledige omvang van dit ontwerpdecreet is hetgeen wij bij amendement voorstellen een fractie, zelfs maar een fractietje. Het is geen ellenlange waslijst van opsommingen met grote, strakke, bindende regels en noem maar op. Het is eigenlijk gewoon een overname van wat in de decreten stond die tot op vandaag die rapportering regelden.

Ik draai hier toch al een klein beetje mee, moet ik soms tot mijn spijt zeggen, en ik heb in de voorbije twintig jaar – die decreten bestaan al langer dan dat – er nooit iemand horen over klagen dat die rapportageverplichtingen veel te zwaar, veel te lomp, veel te moeilijk om dragen waren, en dat de betrokkenheid van neutrale, onafhankelijke experten in een stuurgroep daarbij een gigantische overlast was. Integendeel, ik heb er al naar verwezen in mijn eerste tussenkomst: die rapporten hadden zowel in de politieke als de academische wereld een vrij groot gezag. Daar werd op gereageerd, die werden gelezen, die werden bekeken, daar werd wat mee gedaan. En dat is uiteindelijk wel de bedoeling van dat soort rapporten: niet dat ze gewoon maar worden opgemaakt omdat dat nu eenmaal moet, maar dat ze ook als een bruikbaar instrument kunnen dienen.

Een van de dingen die essentieel zijn om ze te kunnen gebruiken als instrument, is een voorspelbare inhoud, een vergelijkbare inhoud en een duidelijke periodiciteit erin. Dat is ook het enige dat we met deze amendementen willen doen. We hebben hier niets nieuws uitgevonden. We hebben geen geweldige Byzantijnse constructie willen maken, integendeel. Wat hier gebeurt, is het voortzetten van wat al twintig jaar gebeurt, met zeer groot succes.

Ik heb u daartoe al uitgenodigd en ik wil de minister er ook nog eens toe uitnodigen, maar ik heb niemand uit de meerderheid of de regering zich horen engageren voor het behoud van wat er vandaag in die rapporten staat, voor het behoud van de onafhankelijke betrokkenheid van academici, zonder druk dat ze deze keer wel een opdracht krijgen maar de volgende keer niet als ze iets schrijven wat ons niet aanstaat. Er worden geen garanties geboden over de voortzetting van wat er tot nu toe bestaat. Dat verontrust mij des te meer, omdat ik u toch al vaak genoeg heb uitgenodigd om dat wel te doen.

Ik zal de vraag op een andere manier stellen: wat zal er dan nog wel in deze rapporten staan? Want het zal de regering zijn die dat bepaalt blijkbaar. U hebt daar allemaal een blanco vertrouwen in, maar ik niet. Wat zal er niet meer in staan dat er vandaag wel in staat? Wat wilt u geschrapt zien? Wat wilt u eraan toegevoegd zien? Wat zal er behouden blijven? Hoe kunt u garanderen dat er vergelijkbaarheid zal zijn in de komende maanden en jaren, of het nu in het parlement vanuit de oppositie is of in de buitenwereld vanuit de pers, media, expertise- of studie-instellingen? Hoe kunt u garanderen dat het allemaal op te volgen zal blijven en dat u er geen spelletje van zult maken, waarbij u naargelang het u uitkomt, kiest waarover wel of niet zal worden gerapporteerd? Wat is dan de ambitie van deze regering? Want ook dat is op nog geen enkel moment duidelijk gemaakt.

Het blijft een blanco cheque. Mevrouw De Coninck, als u graag blanco cheques tekent, dan moet u dat doen, maar u kunt dat niet aan de rest van de wereld vragen en denken dat het normaal is. Kunt u, na zoveel pogingen ondertussen, daarover duidelijkheid geven? Of blijft ook dat vaag en een rookgordijn, zoals het tot nu toe altijd is geweest?

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Ik zou vooral willen dat de handhaving werkt, dat we in Vlaanderen een handhaving hebben die optreedt, die heel kordaat optreedt en die vervolgens ook rapporteert. Dat is voor mij de essentie. U kunt zeggen dat u heel vaak gedetailleerde rapportering wilt, maar ik vooral bekijken hoe ik alle handhavers binnen het Departement Omgeving, het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM), de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) kan laten samenwerken zonder de tussenschotten die er vandaag bestaan. De opheffing van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad is een eerste stap. Het heeft natuurlijk ook te maken met Ruimte en Milieu, die ook samen zitten. Dat is eigenlijk de kern.

Het is geen besparingslogica, zoals ik heb gehoord van Groen. Ik vind het heel raar dat ze dat zeggen. Het uitgangspunt is: aan betere handhaving te doen. Ik vind de handhaving in Vlaanderen enorm versnipperd, zelfs binnen mijn bevoegdheidsdomeinen – ik kijk dan niet naar de handhaving bij de collega's bevoegd voor Welzijn, Onderwijs enzovoort. Iedereen moet alles controleren, maar niemand controleert uiteindelijk iets, omdat de ene denkt dat een andere dat doet en de andere denkt dat de ene dat doet. Ik vind het veel te weinig. Ik wil echt dat handhaving een sluitstuk wordt, dat we daar zeer doortastend in worden.

We zullen daar grote stappen vooruit moeten zetten. Het programma wordt eenmaal opgemaakt bij aanvang van de regeerperiode. De rapportering gebeurt tweemaal per regeerperiode. Tussentijds worden de cijfers jaarlijks gepubliceerd om de tendensen te kunnen volgen en om, waar nodig, te kunnen bijsturen. Het is de logica zelve dat we regelmatig bijsturen.

Op dit moment wordt het omgevingshandhavingsprogramma opgesteld. Dat zal vooral bestaan uit doelstellingen, maar ook uit prioriteiten inzake handhaving. We bekijken ook hoe we met het lokale niveau en tussen alle beleidsniveaus beter kunnen samenwerken. Voor sommige zaken is het lokale niveau bevoegd, maar iedereen kijkt naar iedereen, waardoor er uiteindelijk helaas veel te weinig gebeurt.

Ik verwacht het omgevingshandhavingsprogramma tegen de zomer van dit jaar. Dat zal betrekking hebben op het handhavingsbeleid over het hele beleidsdomein, dus de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM), het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), het departement Omgeving. Bij ANB hebben wij acht extra natuurinspecteurs aangeworven. Dat is dus zeker en vast geen besparingsoefening, integendeel. Dit is een oefening om veel kordater en effectiever te handhaven in Vlaanderen. Een milieuovertreding is in mijn ogen immers even zwaar als eender welke overtreding. Ik heb ook al aan de administratie laten weten dat er veel doortastender moet worden opgetreden. Uiteraard kan bij een eerste overtreding altijd een verwittiging worden gegeven. Maar een tweede, derde of vierde keer moet er veel effectiever worden opgetreden.

Nieuw is ook dat het programma en de rapportering aan elkaar worden gekoppeld. De doelstellingen en prioriteiten die in het omgevingshandhavingsprogramma worden opgenomen, zullen zelf het voorwerp uitmaken van de omgevingshandhavingsrapportering. Zo kan ook snel de link worden gelegd met de realisatie van de doelstellingen en prioriteiten. Collega Tobback, daarnaast zal de rapportering ook een beschrijving, analyse en evaluatie van de bestaande toestand van de omgevingshandhavingsuitvoering bevatten.

Wanneer u de komende jaren merkt dat ik of mijn administratie sjoemelen of bepaalde informatie achterhouden, dan moet u mij dat ook zeggen. In elk geval is dat helemaal niet de bedoeling. De reden waarom we ons beperken tot de fundamentele basisgegevens in het ontwerp van decreet en we niet gaan voor een ellenlange oplijsting, is dat we in de praktijk flexibel zaken zullen moeten wijzigen bij de handhaving van delicten en prioriteiten. Het opstellen van een heel uitgebreide lijst, zoals u dat zou willen, maakt de uitvoering in de praktijk moeilijk. Normaal gezien zullen die zaken immers continu veranderen. De handhavingsprioriteiten die we nu bekijken in ons programma, zullen tegen de zomer klaar zijn, zoals ik eerder al zei. Maar die zullen verschillen van de prioriteiten uit het verleden. Op die manier hoop ik – en dat is eigenlijk de bedoeling van heel deze oefening – te gaan voor een efficiënt, kordaat en doortastend handhavingsbeleid in Vlaanderen, zonder die tussenschotten tussen de departementen. Daarvoor dient ook dat forum waar we ook de Minaraad en andere organisaties bij zullen betrekken. Er zal ook een uitwisseling plaatsvinden van kennis.

Wanneer u merkt dat er iets misgaat of informatie wordt achtergehouden, dan zou ik dat in de loop van de komende jaren wel willen weten, want dat is in elk geval helemaal niet de bedoeling.

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2020-21, nr. 628/5)

– Er zijn geen opmerkingen bij de artikelen 1 tot en met 4.

Er zijn amendementen op de artikelen 5 en 6. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2020-21, nr. 628/6)

– Er zijn geen opmerkingen bij de artikelen 7 tot en met 13.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemmingen over de amendementen, de artikelen en het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.