U bent hier

De heer Ronse heeft het woord.

Slecht nieuws: er zijn in ons land ongeveer 500.000 langdurig zieken. Dat kost ons 9 miljard euro aan uitkeringen op jaarbasis en dan spreken we nog niet over de gederfde inkomsten, lees: plaatsen waar die mensen misschien wel zouden kunnen werken en waar ze vandaag hun vacatures niet ingevuld krijgen. Dat is echt een enorm probleem.

Mijn politieke voorbeeld, Philippe Muyters, heeft toen hij nog minister was, in de vorige legislatuur, pionierswerk verricht door samen met de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) een heel vrijblijvende samenwerking aan te gaan met het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV), waarmee hij, op topniveau, op jaarbasis vierduizend langdurig zieken kon bereiken en – houd u vast – 42 procent van hen naar werk heeft kunnen toeleiden. Hij heeft ook aan een ander probleem gewerkt, namelijk preventie, via het systeem van de werkbaarheidscheques.

Het Vlaams regeerakkoord is heel ambitieus en stelt dat men in de derde maand langdurige ziekte moet nagaan of de persoon in kwestie bij de huidige werkgever of bij een andere werkgever op een andere manier aan de slag kan. Wie dat kan, moet na vijf maand verplicht een re-integratietraject gaan volgen. De sociale partners, de vakbonden en de werkgevers, hebben dat ook herhaald in het recente VESOC-akkoord (Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité), ‘Alle hens aan dek’.

En nu komt het. Op federaal niveau heeft men – houd u vast – beslist om tegen 29.000 mensen, een kleine stad, te zeggen: ‘Adieu, vaarwel, tot ziens, u mag naar de vergeetput. We gaan u niet meer controleren op langdurige ziekte. Het interesseert ons niet meer of u nog geactiveerd kunt worden. Al die Vlaamse inspanningen die gebeurd zijn, on ne s’y intéresse pas. U mag tot aan uw pensioen van een uitkering genieten.’ Dat staat haaks op wat we hier in Vlaanderen allemaal doen, op ons geloof in die mensen. Dus, minister, gaat u aan de alarmbel trekken bij minister Vandenbroucke? (Applaus van Karl Vanlouwe)

De heer Annouri heeft het woord.

Tot zover onze correspondent vanuit het federaal parlement. (Gelach)

Minister, collega’s, het is niet normaal dat mensen op onze arbeidsmarkt op een bepaald moment tegen een muur te pletter slaan omdat ze voelen dat ze fysiek niet meer mee kunnen op de arbeidsmarkt en daardoor langdurig uitstromen. Het is niet normaal dat mensen op onze arbeidsmarkt het gevoel hebben dat ze als een citroen worden uitgeperst en daardoor langdurig uitvallen. En toch is dat vandaag de realiteit voor heel wat mensen.

Denk zelf na. U kent ongetwijfeld wel een, twee, drie of vier mensen in uw omgeving die op dit moment voor lange tijd niet actief kunnen zijn op de arbeidsmarkt omdat ze zijn uitgevallen. Dat is niet onlogisch als je naar de cijfers gaat kijken, want in Vlaanderen, waar het hier om draait, gaat het bijvoorbeeld om 8,3 procent van de mensen. Dat kost België inderdaad 9 miljard euro. Op dit moment geven we meer geld uit aan uitkeringen voor mensen die langdurig ziek zijn dan aan werklozen. Dat om u de omvang van het probleem mee te geven, collega’s. Dat is natuurlijk onverantwoord, want het heeft niet alleen een ongelooflijk grote menselijke tol voor de mensen die daarmee te kampen hebben, maar het is ook inefficiënt voor onze arbeidsmarkt en het arbeidsmarktbeleid dat u wilt voeren, met de tewerkstellingsgraad van 80 procent. En het heeft een enorme financiële kost.

En er zijn verschillende dingen die moeten gebeuren, want het is geen nieuwe problematiek. Ja, sommige zaken moeten op federaal niveau opgepakt worden. En in Vlaanderen moeten we kijken naar de re-integratie. De Standaard heeft een heel goede reeks gemaakt die de complexiteit van het dossier naar boven brengt: mensen die weer willen werken, maar niet weten hoe het moet; werkgevers die mensen een plek willen geven, maar op structuren botsen; en mensen die echt tijd nodig hebben om te herstellen, maar op veel onbegrip stuiten in hun eigen omgeving.

Voor mij is het meest belangrijke dat wij op Vlaams niveau kunnen doen, ervoor zorgen dat die mensen gewoon niet uitvallen en volop inzetten op preventie. Ook dat is de afgelopen jaren veel te weinig gebeurd, zo geven experten zelf aan. Naar mijn bescheiden mening moet er een masterplan preventie komen om ervoor te zorgen dat we zoveel mogelijk mensen op de juiste manier kunnen begeleiden en dat mensen gewoon niet uitvallen. Mijn vraag aan u is dan ook: welke extra stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat mensen niet uitvallen op onze arbeidsmarkt?

De heer Bothuyne heeft het woord.

Dit is inderdaad een probleem dat al veel te lang onder de waterlijn blijft, collega’s. Bijna 500.000 mensen die langdurig ziek zijn: dat zijn er ondertussen fors meer dan het aantal mensen die in de werkloosheid verzeild zijn geraakt. Die mensen hebben heel wat talenten en mogelijkheden en dat zeggen ze ook zelf. Een onderzoek van vorig jaar wees uit dat een op de drie langdurig zieken zegt: ‘Eigenlijk wil en kan ik wel, weliswaar op een aangepaste manier en misschien in een andere job, weer aan de slag gaan.’

Er zijn inderdaad al initiatieven genomen. Vanuit VDAB, samen met het RIZIV, is een samenwerking opgezet om mensen te gaan begeleiden, terug richting de arbeidsmarkt. Het succes daarvan is beperkt, met een doorstroom naar werk van ongeveer 30 procent, denk ik, terwijl die mensen door de arbeidsgeneesheer wel als geschikt voor de job worden bevonden. We zien ook dat die trajecten te lang duren. Daarom, minister, hebt u een hele tijd geleden al bij het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA) een evaluatie besteld van die samenwerking tussen VDAB en het RIZIV. Ik denk dat het tijd is om daar een aantal lessen uit te trekken.

In het federale regeerakkoord is een ambitie uitgesproken om van de herintegratie van de langdurig zieken op de arbeidsmarkt een prioriteit te maken, in ons regeerakkoord is het een prioriteit, en bij de sociale partners, met het sociaal akkoord, ’Alle hens aan dek‘, dat u hebt afgesloten, wordt de activering van langdurig zieken ook als een prioriteit beschouwd. Ik denk dus dat er heel veel redenen zijn om hier aan de slag te gaan, te kijken op welke manier we mensen die langdurig ziek zijn, toch weer kunnen activeren, opnieuw kunnen begeleiden in de richting van een werkbare job, en op die manier het talent uit de vergeetput te halen.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Dank u wel, collega’s, voor de vragen. Ik erken dat het een, ik zou niet zeggen mooie, maar wel een sterke reeks is in De Standaard. Het confronteert ons op een heel schrijnende wijze, als je ’t mij vraagt, met de drempels waarmee mensen die langdurig ziek zijn, geconfronteerd worden.

In Vlaanderen – want ik zal me op Vlaanderen concentreren – zijn er meer dan 240.000 mensen langdurig ziek, en dat cijfer neemt elk jaar toe. Dat is veel te veel. We schatten dat de impact van de coronacrisis nog tot een toename zal leiden. Dat is dit jaar. Het aantal burn-outs stijgt, ook het aantal mensen met chronische rugproblemen wordt veel groter. Dat is probleem nummer één – collega Annouri verwees ernaar – we moeten absoluut dat absolute cijfer naar beneden krijgen, dat mag niet meer omhoog gaan.

Collega Bothuyne verwees ernaar : er is sinds jaren een zeer interessante samenwerking tussen VDAB en het RIZIV om mensen terug naar de arbeidsmarkt te begeleiden. We hebben in totaal plaats voor 5000 trajecten. Maar, collega’s, dat is probleem nummer twee: die trajecten geraken jaar na jaar niet opgevuld. In 2019 waren er nog 4600 trajecten, in 2020 zijn het er nog 3600 – enfin, ik spreek nu uit het hoofd. Het aantal trajecten is door corona naar beneden gegaan. Maar eigenlijk zou er een wachtlijst moeten zijn van mensen die kandidaat zijn om in zo’n traject te stappen. Toch is dat niet zo. Dat kan echt niet langer.

Het derde grote probleem is voor mij dat mensen die uiteindelijk in zo’n traject stappen – collega Bothuyne heeft ernaar verwezen – voor ongeveer een derde doorstromen naar werk. Dus als je in zo’n traject stapt, zijn er nog veel kansen dat je er nooit doorgeraakt, dat je uiteindelijk toch niet aan de slag geraakt. Dit heeft mij ertoe aangezet om toch absoluut werk te maken van een actieplan. Het actieplan ‘werkbaar werk’, collega Annouri, zit in ‘Alle hens aan dek’. Maar ik wil ook een actieplan rond de integratie van langdurig zieken.

Ik wil focussen op vier sporen. Ten eerste – en daar is al door collega’s naar verwezen –: VDAB moet echt beter bekend worden bij de bedrijfsgeneeskundige diensten. Er zijn zoveel mensen die totaal niet weten wat de mogelijkheden zijn. Ik vind dat eigenlijk zeer vreemd: mensen die zelfs niet beseffen dat, als ze ziek zijn, er mogelijkheden zijn om aan de slag te blijven, om bijvoorbeeld in een loopbaantraject te stappen. Het is nu zo dat VDAB pas betrokken wordt in het proces als de arts een getuigschrift maakt. Maar dat is vaak nadat mensen al heel lang ziek geweest zijn, terwijl we uit alle studies zien dat hoe dichter je bij de arbeidsmarkt zit, hoe groter de kans dat je er terug naartoe kunt, als je langdurig ziek bent. We moeten dus echt de VDAB vroeger in het proces krijgen om de trajecten veel vroeger te kunnen opstarten.

Ten tweede, het actieplan zal zich ook richten tot de werknemers. Veel mensen beseffen niet dat ziek zijn en werken niet altijd elkaars tegengestelden zijn. Er zijn mensen die absoluut nooit kunnen werken, omdat ze te zwaar ziek zijn. Maar er zijn mensen voor wie dat wel kan lukken of die na een lang ziekteproces wel goed zouden kunnen integreren.

Drie: het moet gericht zijn op werkgevers. Werkgevers moeten ook aanvaarden dat als iemand langdurig ziek geweest is, het ver van evident is dat men in dezelfde functie en dezelfde positie terugkomt. Het is misschien op een andere wijze dat men weer vruchtbaar kan zijn of goed opnieuw kan integreren in het werk. Dus het proces dat met de werkgevers gelopen wordt, moet intensiever dan vandaag.

Vier, collega Ronse: het is evident dat ik de federale overheid nodig heb.

Er is al een overleg geweest met minister Vandenbroucke. In de vorige federale legislatuur is er ook al overleg geweest met de toenmalige ministers Muylle en De Block. Er is federaal bereidheid om het aantal trajecten uit te breiden. Ik heb vernomen dat er ook bereidheid is om VDAB vroeger in het proces te betrekken. Maar ik heb ook een heel specifieke vraag naar financiële transparantie. Veel mensen zien door de bomen het bos niet meer als het gaat over de mogelijkheden om te werken als je langdurig ziek bent geweest. We hebben daar heldere schema's voor nodig. Als het van mij afhangt, zou ik de mogelijkheden om een uitkering en werk te combineren een stuk soepeler maken zodat er meer flexibiliteit dan vandaag geboden wordt tijdens de re-integratieprocedure.

Collega's, er ligt dus heel veel werk op de plank. Er zijn veel gezamenlijke Vlaams-federale inspanningen nodig om meer mensen terug naar de arbeidsmarkt toe te leiden en, collega Annouri, ook sterke incentives om werkbaar werk beter op de kaart te zetten in bedrijven. Ik geef een voorbeeld: er zijn nu de werkbaarheidscheques. We hebben dat met de sociale partners samen beslist. Ik heb daar budget voor voorzien. Ze worden nog te weinig gebruikt. Ook in deze coronatijden, als het gaat over telewerk, worden ze te weinig gebruikt, terwijl deze periode net ideaal is om telewerk bijvoorbeeld structureel te verankeren in bedrijven, wat ook de werkbaarheid ten goede kan komen in een aantal gevallen. Ook op dat punt staan er dus heel wat acties op stapel. Je hebt het plan werkbaar werk en daarnaast het plan re-integratie van mensen die langdurig ziek zijn, waarmee ik heel snel mee naar de Vlaamse Regering hoop te kunnen stappen.

De heer Ronse heeft het woord.

Minister, uit wat u zegt, blijkt één ding, dat is dat wij, met u op kop, kosten noch moeite sparen om ervoor te zorgen dat mensen niet in langdurige ziekte belanden via het systeem van werkbaarheidscheques enzovoort, maar ook om mensen die vandaag in langdurige ziekte zijn, te helpen re-integreren naar werk dat aangepast is aan hun noden. Ik blijf een stukje op mijn honger zitten. Ik hoop werkelijk dat er vanuit deze Vlaamse Regering een heel belangrijk signaal komt naar federaal minister Vandenbroucke en in het bijzonder naar zijn administratie, dat het ongehoord is om op het moment dat wij zo veel inspanningen doen, aan een kleine 30.000 mensen, van wie er volgens mij zeer veel zijn die met een aangepaste manier nog kunnen werken en onze samenleving versterken, te zeggen: ‘We gaan niet meer controleren, we gaan niets meer doen, we laten u los.’ Minister, hier in Vlaanderen laten we niemand los, en zeker niet iemand die langdurig ziek is! (Applaus bij de N-VA)

De heer Annouri heeft het woord.

Het is duidelijk, collega Ronse, dat u vooral de Federale Regering niet wil loslaten hier in het Vlaams Parlement. Dit geheel terzijde.

Minister, ik kom even terug op uw antwoord. Ik ben blij dat u het belang van preventie onderstreept, want daar zit volgens mij de grootste winst. Dat is een van de belangrijkste aspecten, namelijk de bespreekbaarheid en ervoor zorgen dat mensen weten waar ze naartoe moeten gaan als ze voelen dat er bepaalde grenzen worden overschreden, en ook dat werkgevers weten wat ze moeten doen. Heel vaak zie je op de werkvloer dat er bijvoorbeeld niet voldoende ruimte is voor evaluatie ‘on the job’, dat er geen jaarlijks evaluatiegesprek is, dat mensen niet op een correcte manier kunnen aangeven dat er bepaalde grenzen worden overschreden en dat ze niet weten wat ze daarmee moeten doen of bij wie ze terechtkunnen. Daar ligt vaak het begin van het probleem. Daar kunnen we heel veel winst op maken.

Minister, uit het onderzoek blijkt ook dat vooral oudere mensen en vrouwen vatbaar zijn voor het uitvallen. Als we op preventief niveau willen werken, moeten we vanuit Vlaanderen vooral daar extra aandacht voor hebben. Op welke manier denkt u dat te doen?

De heer Bothuyne heeft het woord.

Minister, dank u wel voor het duidelijke antwoord en de duidelijke ambitie die daaruit spreekt om langdurig zieken niet aan hun lot over te laten en begeleiding op maat te voorzien. Dat moet inderdaad door samenwerking op het terrein, maar ook door samenwerking tussen de overheden, tussen de federale en de Vlaamse overheid, maar ook door VDAB, ziekenfondsen en andere mensen op het terrein te laten samenwerken. Dat is de enige manier waarop we mensen terug naar de arbeidsmarkt kunnen leiden.

U gaf het al aan: er zijn trajecten vanuit VDAB, maar die moeten veel sneller kunnen worden georganiseerd. Ze duren te lang, ze zijn te weinig intensief en leveren eigenlijk te weinig resultaat op. Daarom moeten op dat vlak zeker nog stappen worden vooruitgezet. Maar om nog sneller te kunnen schakelen, minister, zou het allicht nuttig zijn om te kijken op welke manier mensen die langdurig ziek dreigen te worden, de eerste drie maanden, waarover professor Godderis spreekt in de kranten, toegang te geven tot het systeem van loopbaancheques om op die manier loopbaanbegeleiding mogelijk te maken, hun talenten en competenties te laten inschatten en eventueel nieuwe richtingen op de arbeidsmarkt te kunnen laten inslaan en op die manier ook sneller de juiste begeleiding voor hen te voorzien.

Mevrouw Vandecasteele heeft het woord.

Mijnheer Ronse, ik vind het heel erg gemakkelijk dat u vanuit uw pluchen zetel van het parlement met een inkomen van 6000 euro per maand hier een beetje de mensen met een chronische ziekte met de vinger gaat wijzen – mensen die vaak met minder dan 1000 euro per maand moeten rondkomen. (Opmerkingen)

Ja, collega’s, dat mag gezegd worden. Ik zie die mensen die langdurig ziek zijn. Ik zie hen als huisarts bij Geneeskunde voor het Volk. De poetsvrouw die op haar 54e al een hernia heeft en daar maanden mee blijft sukkelen. De buschauffeur met schouderproblemen die we niet opgelost krijgen. De magazijnier met een polsprobleem dat niet opgelost geraakt. Mensen met een burn-out na jarenlange mentale overbelasting.

Mijnheer Ronse, ik hoor hier dat wij te mild zouden zijn voor die mensen met een langdurige ziekte. We moeten die mensen niet opjagen. We moeten die mensen genezen. En we moeten vooral de werkomstandigheden menselijker maken. Ik daag u uit, mijnheer Ronse, om eens één week uit uw parlementaire bubbel te komen en eens te komen meedraaien bij Geneeskunde voor het Volk. Ga eens met die mensen spreken die ziek zijn door de pijn en die niet kunnen gaan werken. Ik wil het nog wel eens zien of u dan volgende week hier in het parlement hetzelfde komt zeggen.

Mevrouw Malfroot heeft het woord.

Minister, u hebt in uw beleidsnota opgenomen dat het de bedoeling is om 120.000 extra mensen aan de slag te krijgen. Nu 30.000 personen tot aan hun pensioenleeftijd erkennen als langdurig zieken en hen daardoor ontslaan van de arbeidsmarktverplichtingen staat daar natuurlijk haaks op. We moeten inderdaad werk maken van een verdere reactivering en we mogen die personen ook niet loslaten, zoals hier al meermaals is gezegd.

Maar het probleem zit hem natuurlijk ook bij het financiële gedeelte. Financieel kunnen ze het niet altijd aan om opnieuw te gaan werken omdat ze bijvoorbeeld halftijds aan de slag zouden moeten gaan en omdat het dan voordeliger is om thuis te blijven.

Daarnaast zijn de jobs ook niet altijd aangepast aan de noden van iemand die langdurig ziek is of langdurig ziek geweest is. Heeft u al overleg gepleegd met de sector en met de werkgevers om in dat geval jobs aan te passen aan de noden van langdurig zieken?

De heer Vande Reyde heeft het woord.

Ik ben ook geschrokken van die cijfers. 30.000 mensen die van de ene dag op de andere worden afgeschreven voor de arbeidsmarkt, waarvan sommigen nog maar de leeftijd van 50 jaar hebben: dat kunnen we eigenlijk niet aanvaarden. Aan die mensen zomaar zeggen ‘ga nu maar op pensioen en ge zijt niets meer waard’, dat is niet goed.

Het is hier al een paar keer aangegeven dat de kostprijs hiervan 9 miljard euro bedraagt. Dat is negen keer het wegwerken van de wachtlijsten. Collega’s aan de linkerzijde, u spreekt over het uitpersen van de citroen en zo. Maar we mogen werk toch niet als iets slechts zien? Werk geeft ook voldoening en levensvreugde. Het is goed, ook in een genezingsproces, dat mensen uitzicht kunnen hebben op opnieuw nuttig zijn. Op dat soort zaken moeten we echt hard inzetten.

We moeten natuurlijk bekijken, collega’s van de N-VA, wat we hier in Vlaanderen kunnen doen. Dat is toch het allerbelangrijkste. Minister, ik ben blij dat u daar volop op inzet.

Toch nog een suggestie: voor langdurig zieken is vaak een aangepaste werkplek nodig. Ik hoor van een aantal mensen die ik ken, dat het daar vaak aan schort. Dat zorgt ervoor dat zij niet meer terechtkunnen in een aangepaste werkomgeving. Minister, hebt u pistes om dat probleem op te lossen?

Mevrouw Gennez heeft het woord

Collega’s, dit is geen thema van links of rechts. Dit is het thema van werkbaar werk en van een arbeidsmarkt op mensenmaat. Het is heel duidelijk, ook in de federale regelgeving, collega Ronse, dat de staat van invaliditeit niet altijd definitief hoeft te zijn en dat de arbeidsgeneesheer echt wel kan controleren en kan zeggen: ‘U bent perfect in staat om opnieuw, gradueel, te gaan werken.’ Maar dan moeten de jobs ook aangepast zijn. En daar komen we inderdaad bij de Vlaamse bevoegdheden voor werkbaar werk. Laten we inzetten op jobcoaching, op ondersteuning van de werkgevers om arbeidsplaatsen te creëren die aangepast zijn aan de gezondheidstoestand van mensen. Inderdaad, ik pleit er ook voor, vanuit de linkerzijde, vanuit sp.a, om een combinatie mogelijk te maken van een gedeeltelijke ziekte-uitkering en een loon, want dat zal veel mensen met overtuiging en met heel veel ambitie opnieuw deels en gradueel op maat van hun mogelijkheden naar de arbeidsmarkt leiden.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, ik ben het absoluut eens met de stelling dat dit geen debat is van rechts of links. Niemand, niemand in dit halfrond zal beweren dat voor elkeen die langdurig ziek is, re-integratie op de arbeidsmarkt mogelijk is. Er zijn mensen voor wie dat absoluut onmogelijk is. Maar het potentieel is wat mij betreft onbenut.

Collega’s, en in het bijzonder collega Vandecasteele, uit de bevraging die daarrond onlangs is gebeurd bij mensen die langdurig ziek zijn, bleek dat een op de drie zegt dat ze eigenlijk wel zouden willen werken, maar dat ze niet weten hoe, of dat er wat obstakels zijn, of dat ze het niet kunnen combineren in een eerste opstapfase, enzovoort. Wel, die obstakels moeten we echt uit de weg ruimen. Ik ben ervaringsdeskundige – in de familie althans – wat betreft ziek zijn combineren met werken. Ik heb het jullie al gezegd: mijn mama is iets boven haar vijftigste verplicht met pensioen gesteld na kanker, tegen haar wil. Zij wilde zo graag blijven werken, maar het mocht niet baten. Ik vind het dus ook vanuit mezelf absoluut van belang dat we, zoals collega Vande Reyde zegt, werk aanzien als een component van zelfvertrouwen, van psychisch welzijn. Maar het moet ook werkbaar zijn. Ik ben het eens met de mensen die zeggen dat je gewoon niet terug kunt naar sommige jobs. Als je een zware rugoperatie hebt gehad en voordien was je huishoudhulp, is de kans reëel dat het niet meer zal lukken. We moeten stoppen met te denken dat de lijn ‘zo’ is voor iedereen. (Minister Hilde Crevits beeldt met een handgebaar een lijn uit.)

Dat zal een grote aanpassing vragen. Maar ons model is nog niet aangepast aan de aanpassingen die nodig zijn voor mensen.

Daarom is er een actieplan. Ik herhaal dat we inzetten op vier lijnen. Eerst en vooral, VDAB zelf. Verschillenden onder jullie hebben opgemerkt dat de begeleiding intenser kan. Wel, de jobcoaches van VDAB staan klaar om mensen te begeleiden. Zij doen dat ook, maar ze worden, wat mij betreft, te laat in het proces betrokken. Het moet veel vroeger. Collega Bothuyne verwees er al naar: de eerste maanden al moet je ervoor zorgen dat mensen in zo’n traject kunnen stappen. Je moet niet wachten tot ze een jaar weg zijn van de arbeidsmarkt en dan zeggen: ‘Voilà, er is nu een jobcoach, we zullen eens kijken wat er kan.’ Je ziet het in de analyses: hoe langer de mensen weg zijn van de arbeidsmarkt, hoe angstiger ze worden om terug te keren naar die arbeidsmarkt. Dus houd hen vast, dat is lijn nummer één. En daarin wil VDAB – we hebben daarvoor ook het federale niveau nodig – echt korter op de bal kunnen spelen.

Twee, ga naar die werknemer zelf. Als ze een arbeidscontract hebben, is het gemakkelijker om hen te bereiken. Maar mensen zonder arbeidscontract, of mensen die ontslagen zijn om medische redenen of god weet wat, zijn moeilijker te bereiken. We moeten hen op een of andere manier beter kunnen bereiken, om hen het vertrouwen te geven om naar die arbeidsmarkt te komen.

Drie, de werkgever. Verschillenden onder jullie hebben opgemerkt dat er soms aangepast materieel nodig is, dat de werkplek moet worden veranderd. Collega’s, we hebben in Vlaanderen al die instrumenten, zowel om de werkplek aan te passen als om de werkbaarheid te testen. Daarvoor zijn er steunmechanismen en oproepen die met Europees geld worden gefinancierd. Het kader, de instrumentenbox, is er. Hij wordt alleen, wat mij betreft, nog niet voldoende efficiënt gebruikt.

Vier, collega Ronse, is wat we met de federale overheid moeten doen. Ik betreur enorm dat dit is gebeurd. Ik denk dat vele mensen dat ook niet fijn vinden. Anderzijds wil ik wel zeggen, collega’s, dat het de federale overheid is die 24 miljoen euro investeert in die vijfduizend trajecten. En ik heb van collega Frank Vandenbroucke gehoord dat er zeker bereidheid is om dat aantal trajecten op te trekken. Dat is dan weer de goede kant van de medaille.

Dus, collega’s, er is veel werk aan de winkel. Hopelijk krijgt het actieplan groen licht of witte rook op de Vlaamse Regering. Vlaanderen kan de hefbomen die het heeft, gebruiken. Maar ik zou het ook echt appreciëren mocht er op het federale niveau ook wat zuurstof komen, bijvoorbeeld om de combinatie – desnoods tijdelijk, in een eerste fase – mogelijk te maken tussen het re-integratieproces en de uitkering die mensen hebben. Zo vermijd je dat het een hakbijl is: het is een of het ander. Want als het dan misloopt, zit je weer in de problemen. Daar moeten en zullen we de komende weken ook een doorbraak proberen in te krijgen. 

De heer Ronse heeft het woord.

Ik zal mij misschien eerst richten tot mevrouw Vandecasteele, die mij op een heel charmante manier heeft aangesproken.

Mevrouw Vandecasteele, u hebt net voor de hele plenaire vergadering aangegeven hoeveel u verdient en dat u dat te veel vindt. Ik heb een tip voor u: in plaats van per maand duizenden euro’s uit te geven aan advertenties op Facebook, zou u misschien beter een cursus begrijpend luisteren volgen. Ik wil u die zelfs gratis geven.

Wat heb ik immers gezegd? Ik heb gezegd dat zij die vandaag werken als poetshulp, als vrachtwagenchauffeur, als toiletdame of -heer, allemaal bijdragen. Die dragen bij tot herverdeling. Als er één ding is waarvoor wij moeten zorgen, dan is het dat, als mensen langdurig ziek worden en iedereen, die poetsdame, die vrachtwagenchauffeur, dan voor die uitkering betaalt, we minstens aan hen moeten kunnen zeggen dat we er als overheid alles aan zullen doen om wie langdurig ziek is, opnieuw aan het werk te kunnen helpen en te versterken. Dát is wat wij doen. U zegt: ‘Neen, we gaan ze in de vergeetput van de langdurige ziekte laten, we gaan er niet meer naar kijken.’ Mevrouw Vandecasteele, op die manier is er absoluut geen sociale herverdeling mogelijk, en ú bent degene die asociaal is, u bent diegene. (Applaus bij de N-VA)

De heer Annouri heeft het woord.

Ik zou me graag tot de minister richten. Minister, dank u wel voor uw antwoord. Collega Vande Reyde, u zei daarnet dat werken toch iets leuks is. Ik denk dat u het er met mij over eens kunt zijn dat, als je een job doet die je graag doet, je au fond de lotto hebt gewonnen. Een job doen die men graag doet, dat is iets dat je iedereen zou willen toewensen. U zult het er echter over eens zijn met mij dat niemand vragende partij is om langdurig uit te vallen op de arbeidsmarkt, dat niemand vragende partij is om te horen te krijgen dat hij opnieuw aan de slag moet gaan terwijl hij daar eigenlijk nog niet klaar voor is, en dat niemand wil horen dat hij niet opnieuw aan de slag mag gaan terwijl hij daar wél klaar voor is. Alle drie zijn dat de realiteiten vandaag de dag op de arbeidsmarkt. We zijn dus mijlenver verwijderd van het ervoor zorgen dat werken voor iedereen op onze arbeidsmarkt een leuk iets kan worden.

We hebben in Vlaanderen heel wat instrumenten om dingen te doen. Minister, dat zegt u ook. Er zijn echter nog een paar andere dingen die ik wil meegeven en die men misschien kan meenemen. Waarom niet zorgen voor een soort werkbaarheidsfonds van de werkgevers, om daaruit te putten en speciale projecten te doen.? Waarom er niet voor zorgen dat consulenten elke onderneming een soort werkbaarheidstoets kunnen laten doen, zodat men daar meer op kan inzetten? Minister, waarom ook geen duidelijke doelstelling? Het zou mooi zijn, mocht u nu opnieuw een doelstelling vooropstellen, zoals dat in het verleden het geval was, over welke gradatie van werkbaarheid we willen, en ervoor zorgen dat we die ook daadwerkelijk halen. Dat zou een mooie opdracht zijn voor u. (Applaus bij Groen)

De heer Bothuyne heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, bijna 500.000 mensen zijn langer dan een jaar ziek, zitten langer dan een jaar thuis, moeten langer dan een jaar langs de kant staan. Ik denk dat die mensen geen boodschap hebben aan politiek gepingpong of gehakketak. Neen, er is nood aan samenwerking en aan concrete actie. We zijn blij dat de regering met een actieplan komt, want ziek zijn, dat wil niet zeggen dat je verloren bent voor de arbeidsmarkt. Collega’s, als een op de drie van die mensen zelf zegt eigenlijk nu wel op een aangepaste manier te kunnen en willen werken, dan moeten wij er alles aan doen om dat mogelijk te maken, want werk is iets positiefs, geeft mensen zelfvertrouwen, geeft mensen een inkomen, een zekere onafhankelijkheid, kan helpen bij de weg uit de ziekte. Ik denk dat we alles op alles moeten zetten om dat mogelijk te maken voor zo veel mogelijk mensen. Dus, meer mensen begeleiden en meer mensen ook op een betere manier begeleiden, dat is de opdracht voor onszelf, voor VDAB. Elke mens telt, elk talent telt, en dat geldt zeker voor mensen die langdurig ziek zijn.

De actuele vragen zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.