U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 8 juli 2020, 14.01u

Voorzitter

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Van een veilige infrastructuur om kinderen op straat te laten gaan, naar het Grote Buitenspeelonderzoek, dat werd gevoerd door Kind & Samenleving en stelt dat in 2019 37 procent minder kinderen op straat, pleinen en in parken speelt dan in 2008. Als we de trend vanaf 1983 doortrekken, dan zouden we zien dat in 2040, als dezelfde trend zich doorzet, bijna geen kinderen meer spelen op straat. Dat terwijl spelen een kinderrecht is, en buiten spelen een onvervangbare waarde heeft.

Er waren nog andere vaststellingen, namelijk dat meisjes minder buiten spelen dan jongens, althans vanaf de leeftijd van negen jaar. In vergelijking met 2008 spelen kinderen enerzijds meer onbegeleid, maar anderzijds ook meer in georganiseerd verband. De kwaliteit van de ruimte en het sociale klimaat in de omgeving hebben een impact op het soort spel en de aantrekkelijkheid om al dan niet buiten te spelen.

De onderzoekers gaven ook een aantal aanbevelingen, namelijk dat kinderen buiten laten spelen terug meer een vanzelfsprekendheid zou moeten zijn. Dat lijkt een uitdaging waar we vooral via het lokale buitenspeelbeleid op kunnen en moeten inzetten. De inplanting en inrichting van speelzones in de openbare ruimte, prioritair in dichtbevolkte en dichtbewoonde wijken, en met meisjes als doelgroep, kent nog een marge voor verbetering.

Ten tweede stellen de onderzoekers dat bijkomend onderzoek naar de vrijetijdsbesteding van kinderen en jongeren nodig is. We weten namelijk onvoldoende hoe die vrije tijd precies wordt ingevuld. We weten niet goed hoe kinderen en ouders naar buiten spelen in de buurt kijken en wat de veranderingen doorheen de tijd zijn.

Het derde element is dat we, zeker na het coronatijdperk, duidelijk op sensibilisering moeten blijven inzetten. Dat gebeurt al met de Buitenspeeldag en met Goe Gespeeld!, maar we zien ook dat er een toegenomen interesse in het georganiseerd buiten spelen is, bijvoorbeeld de jeugdbewegingen. Hiermee wordt het geloof in de kracht van het jeugdwerk nog eens onderstreept. Dit bevestigt het belang van het engagement in het Vlaams regeerakkoord om het jeugdwerk te versterken.

De cijfers in het onderzoek zijn onrustwekkend.

Mevrouw  Rombouts, wat is uw vraag?

Ik wil zeker meegeven dat die cijfers nog van voor het coronatijdperk dateren. De uitdaging is alleen maar groter geworden.

Minister, in welke mate wordt het recht op buiten spelen opgenomen in de opmaak van het maatschappelijk-economisch relanceplan in verband met de coronacrisis?

Minister Dalle heeft het woord.

Minister Benjamin Dalle

Voorzitter, buiten spelen in de publieke ruimte is essentieel voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Het onderzoek van Kind & Samenleving is bijzonder interessant en bevat een aantal zorgwekkende tendensen, waar ik er drie wil uithalen.

Ten eerste is er tussen 2008 en 2019 een daling van het buiten spelen met 37 procent geweest. Dat is vrij drastisch, zeker als we weten dat er ten aanzien van het vorig onderzoek in 1983 ook al een halvering is geweest. Ten tweede zijn meisjes ondervertegenwoordigd. Er is een daling met 45 procent, ook tot 37 procent. Ten derde is dit vooral in stedelijke wijken een groot probleem. Het is net daar dat er nood aan buiten spelen is, want daar wonen vaak kinderen en jongeren zonder tuinen.

We hebben tijdens de coronacrisis gemerkt dat de openbare ruimte voor kinderen en jongeren een deel van de oplossing is. Daar is bijzondere aandacht voor nodig. Er zijn al heel wat aanknopingspunten in het beleid. Het belangrijkste aanknopingspunt is het Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan (JKP), dat de Vlaamse Regering heeft goedgekeurd. De tweede prioriteit in dit plan betreft gezonde en leefbare buurten. In dat verband vragen we meer aandacht voor het buiten spelen. Er zijn ook andere zaken, zoals de ondersteuning van de lokale besturen, het Vlaams Netwerk Kind- en Jeugdvriendelijke Steden en Gemeenten, het label, en het initiatief genaamd de Buitenspeeldag. Door de coronacrisis is de Buitenspeeldag dit jaar geannuleerd, maar we zullen daar volgend jaar meer aandacht voor hebben. We hebben sterke partners, zoals de Vlaamse Dienst Speelpleinwerk (VDS), Bataljong, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) en Kind & Samenleving. Het spreekt absoluut voor zich dat het buiten spelen een centrale rol in de maatschappelijke relance moet spelen. Ik kijk uit naar het advies van de experten ter zake, want het spreekt voor zich dat we daar op zullen voortbouwen.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Wat het JKP betreft, klopt het dat dit onderzoek nog maar eens bevestigt dat we op het juiste spoor zitten. We moeten meer aandacht voor gezonde en leefbare buurten hebben.

We moeten rekening houden met de uitdagingen en de kansen met betrekking tot het jeugdwerk. Het onderzoek is zeker een versterking van dat pleidooi. We zien dat het georganiseerd jeugdwerk een van de manieren is waarop kinderen en jongeren zich veilig en goed voelen om buiten te kunnen spelen. We zien dat er een hele uitdaging is met betrekking tot de mensen die initiatieven willen nemen. We staan voor de erkenningsronde voor nieuwe initiatieven. Ik hoop dat we met die erkenningsronde wat meer ruimte kunnen creëren om zeker het georganiseerd jeugdwerk een hart onder de riem te kunnen steken.

De heer Coenegrachts heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. U weet ondertussen dat ik een trouwe kijker van Karrewiet ben. Ik was afgelopen maandag dan ook onaangenaam verrast door de reportage en de cijfers, vooral omdat we het belang van samen buiten spelen niet mogen onderschatten. Het gaat om vaardigheden die jongeren later nodig hebben, zoals zelfredzaamheid, conflicten oplossen en overleggen.

Volgens mij is er nood aan meer, maar misschien ook aan betere buitenspeelruimtes. We moeten nagaan waar scholen, instellingen en bedrijven nog ruimte hebben die ze voor jongeren kunnen openstellen. We moeten vooral de lokale besturen sensibiliseren en inspireren. Het gaat niet op zomaar een schommel of een glijbaan op een pleintje te zetten.

Men moet goed nadenken over het concept van zo’n speelruimte om daar iedereen ook zijn gading te laten vinden, om te zorgen dat die aantrekkelijk en veilig is.

Ik heb een concrete vraag aan u, minister: wat zult u doen om de lokale besturen verder te inspireren met goede voorbeelden van buitenspeelruimtes?

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Minister, bedankt voor het antwoord. Het is een zeer terechte vraag die hier aangebracht wordt. Ik denk, collega’s, dat er weinig discussie is, noch in de commissie, noch in het parlement, over de waarde van buiten spelen. Ik ga niet herhalen wat de collega’s gezegd hebben. Ik vind het wel frustrerend dat we deze vraag en die vaststelling opnieuw aan de orde moeten brengen. Die cijfers mogen ons namelijk eigenlijk niet verrassen. Het zijn cijfers die de tendens volgen van de afgelopen veertig jaar.

Ik ben zelf 35 jaar en op heel wat momenten in mijn leven al bezig geweest met jeugdwerk en het jeugdleven. Dan merk je toch dat we eigenlijk weten wat er moet gebeuren. Maar wat hebben we de voorbije veertig jaar gezien? Niet dat we niet weten wat we moeten doen, maar wel dat er steeds meer wagens op de weg komen die het onmogelijk maken om kinderen veilig buiten te laten spelen, dat er steeds minder open ruimte is, dat er steeds minder kwalitatieve publieke ruimte is, dat de combinatie van arbeid en gezin alleen maar moeilijker wordt, waardoor veel meer kinderen veel langer in opvanginitiatieven zitten.

Minister, ik denk dus dat er veel meer nodig is dan wat er de afgelopen jaren is verzet. Minister, ik zie dat een aantal collega’s van u hier aanwezig zijn. Ik wil de oproep om dit echt concreet in het JKP te verankeren niet alleen laten afhangen van de minister van Jeugd. Ook bijvoorbeeld collega-minister Peeters heeft hierin een fundamentele rol te spelen. Zoals collega Maertens zich zonet al afvroeg bij een andere actuele vraag: wie laat zijn kind de weg op om buiten te spelen als je niet weet dat het veilig ter plaatse zal raken?

Mevrouw Perdaens heeft het woord.

Minister, de slagzin van het onderzoek luidt: een voorbode van de minder vanzelfsprekende aanwezigheid van vrouwen. Dat is eigenlijk serieus beklijvend. We leren onze meisjes dat de publieke ruimte geen plek is voor hen, of toch zeker niet om te spelen. Waarom dat zo is, is zeker een diepgaand onderzoek waard, waarvoor ik naar u kijk. Want ik denk dat we het er allemaal over eens zijn, de collega’s gaven het al aan, dat het belang van buiten spelen echt primordiaal is. Daarom is dit onderzoek ook zo waardevol. Maar het onderzoek is weinig waard als we er niet mee aan de slag gaan. Om buiten spelen alle kansen te geven, moeten we inzetten op flankerende maatregelen. Ik denk hierbij aan mobiliteit en ruimtelijke ordening. Hoe moedigen we aan dat, zeker in een stedelijke context, kindvriendelijke ruimten ingericht worden? Plant u dit op te pikken met uw collega’s om de trend die we nu in de resultaten zien, te keren?

De heer Brusselmans heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, nadat afgelopen zondag een 15-jarige jongen in Ninove in een parkje in elkaar werd getimmerd door vijftien allochtonen – of om het in uw woorden te zeggen, minister: “jongeren” – werd gisteren in Aalst opnieuw een meisje midden in het centrum het slachtoffer van zinloos geweld, opnieuw afkomstig van een allochtone man. Dat, beste collega’s, is natuurlijk de echte reden waarom ouders hun kinderen niet meer graag laten buiten spelen, waarom jonge meisjes soms liever thuis blijven dan alleen de straat op te moeten op weg naar vriendinnen. De hoofdoorzaken zijn niet het toenemend verkeer of onaangepaste speelpleintjes. De hoofdoorzaken zijn massamigratie en straffeloosheid. Wij verwachten van u, minister, en bij uitbreiding van de regering, niet een zoveelste straathoekwerker of duur integratieproject. Wij verwachten van u dat u een stop toeroept aan de import van barbaarse culturen waarvan de waarden haaks staan op de onze, dat u werk maakt van strenge en effectieve straffen, die ze dan bij voorkeur mogen uitzitten in het land van herkomst. U zult zien dat veel van uw problemen plots als sneeuw voor de zon zullen verdwijnen. Maak er werk van, minister! Bescherm onze jeugd! (Applaus bij het Vlaams Belang)

(Opmerkingen van Bart Tommelein. Rumoer)

De heer Anaf heeft het woord.

Ik zou het weer willen hebben over de kern van de zaak, en dat is dit onderzoek. Er zijn al veel onderzoeken geweest en de resultaten verbaasden me niet heel erg. Het is gewoon een feit dat de bewegingsruimte van onze kinderen veel kleiner is dan de bewegingsruimte die bijvoorbeeld onze grootouders hadden. Er zijn heel veel steden en gemeenten die daar op een heel goede manier mee aan de slag gaan. We mogen daarvoor volgens mij zeker niet alleen naar u kijken, minister, het is een gedeelde verantwoordelijkheid. Vele lokale besturen pakken dat echt goed aan en werken heel planmatig aan kindvriendelijke publieke ruimten. Ik denk dat er goede voorbeelden zijn in Vlaanderen. Ik zou u willen vragen – een aantal collega’s hebben al soortgelijke dingen gevraagd – om die good practices die er zijn blijvend te stimuleren en ook aan andere lokale besturen aan te bieden.

Minister Benjamin Dalle

Bedankt, collega’s, voor de bijkomende bedenkingen en vragen. Dit is inderdaad een langlopend project. Men is gestart in 1983, het is in 2008 ook al eens uitgevoerd en opnieuw in 2019. Het onderzoek bevat een geheel aan vaststellingen en de oorzaken daarvan moeten grondiger bekeken worden.

Collega Brusselmans, ik doe graag aan politiek op basis van feiten en wetenschappelijke bevindingen. Wat u hier naar voren schuift, daarvoor heb ik geen wetenschappelijke data ter ondersteuning. Het is een beetje jammer dat u ook dit belangrijke dossier linkt aan de zaken die u elke keer opnieuw naar voren schuift.

Collega’s, verschillenden onder jullie hebben gepeild naar het JKP en de wijze waarop dat binnen de Vlaamse Regering behandeld wordt. Het JKP is inderdaad geen initiatief van de minister van Jeugd alleen, maar van de voltallige Vlaamse Regering, en met de verschillende kabinetten die daarbij betrokken zijn – en dat zijn zo goed als alle kabinetten, ook Omgeving, Mobiliteit en uiteraard Onderwijs –, zijn we momenteel aan het bekijken welke acties we de komende jaren binnen het kader van die vijf vastgelegde prioriteiten naar voren zullen schuiven. Vlak na de zomer zullen we dat ook concreet maken met een regeringsbeslissing. En ik kijk ernaar uit om dat dan met jullie verder te bekijken.

Wat je in de context van corona ziet, is dat er vanuit Vlaanderen, ook binnen de Veiligheidsraad, heel veel aandacht is gevraagd voor de open ruimte. Denk daarbij aan de beslissing om de sportterreinen en de skateparken opnieuw te open. Denk aan de heropening van de speelpleintjes. Denk ook aan de beslissing rond de zomerkampen. Ik heb de laatste weken heel wat zomerkampen bezocht, en dan merk je pas dat buitenspelen bijzonder verlossend werkt voor kinderen en jongeren, zeker na deze moeilijke periode.

Een tweede vaststelling is dat ook allerhande online initiatieven versterkend kunnen werken. Uit het onderzoek blijkt dat schermtijd soms in de plaats komt van buitenspelen, maar je merkt evenzeer, zeker in initiatieven van jeugdorganisaties, dat online initiatieven het buitenspelen soms kunnen versterken. Denk aan het initiatief ‘online jeugdbeweging’, waarbij men er via Facebook en via digitale groepen voor zorgde dat kinderen en jongeren nog meer buiten zouden spelen. Ik denk dus dat die twee elementen versterkend kunnen werken en dat we heel wat hebben geleerd uit deze periode.

We zijn in overleg met Kind & Samenleving en met een aantal andere partners om na te gaan hoe we verder gevolg kunnen geven aan deze studie. Op basis van de tweede prioriteit uit het JKP moeten we werken aan een echt actieplan ‘Buitenspelen en publieke ruimte’. We zullen dat doen in breed overleg met partners als Vlaamse Dienst Speelpleinwerk, Bataljong en uiteraard ook de lokale besturen. De bedoeling moet zijn om een draagvlak te vinden voor een coherente beleidsvisie, die we dan samen met de lokale besturen kunnen uitvoeren. Lokale besturen hebben al heel veel initiatieven genomen en er zijn veel ‘best practices’; het is nu aan Vlaanderen om die ‘best practices’, samen met zijn partners, zo goed mogelijk beschikbaar te stellen, zodat alle lokale besturen daarin sterk ondersteund worden.

Wat bovenlokale beleidsinstrumenten betreft, zijn er een aantal relevante zaken. Ik denk aan de Buitenspeeldag, die ook door lokale besturen wordt georganiseerd. Ik denk aan de onderzoeksinstrumenten die bestaan, onder meer die van Kind & Samenleving. Vanuit mijn eigen beleidsdomeinen Mediawijsheid en Gaming zijn er opportuniteiten om buitenspelen centraal te stellen. En het gaat effectief om publieke ruimte, maar ook over aanbod vanuit het jeugdwerk. Ook daar zullen we op moeten inzetten, ook in het kader van de maatschappelijke relance.

Tot slot, collega’s, wil ik misschien nog twee positieve zaken uitlichten die ook uit het onderzoek naar voren zijn gekomen – er zijn heel wat zorgwekkende zaken, maar ook een aantal positieve. Een eerste is dat spelen in georganiseerd verband het relatief goed doet en dat het jeugdwerk daar een sterke partner in blijkt. Je ziet dat nog steeds 20 procent van de geobserveerde kinderen binnen dat georganiseerd verband speelt, en dat is hoopgevend en kan ook versterkend werken in het kader van het actieplan dat we aan het uitwerken zijn.

Een tweede punt is dat er in ruimtes met een duidelijk recreatieve functie, speelpleinen en sportterrein bijvoorbeeld, een stijging is vast te stellen van spelende kinderen. Op zich is dat positief, ware het niet dat er ook sprake is van een zekere verplaatsing: kinderen die vroeger op straat speelden of op pleintjes, gaan nu naar die meer georganiseerde plaatsen. Maar het moet zeker bekeken worden met lokale besturen hoe dat versterkend kan werken.

Die twee positieve zaken nemen we zeker mee, maar u kunt erop rekenen dat we hier de komende jaren samen met de collega’s werk van zullen maken.

Minister, ik dank u uw bijkomend antwoord.

Collega Brusselmans, ik vind het spijtig dat het debat op deze manier een beetje wordt gemarginaliseerd. Ik weet dat er verschillende elementen zijn, dat geeft de studie ook aan. Naast één krantenbericht moet u misschien de studie van 154 bladzijden eens lezen. Daarin staan verschillende elementen die een effect hebben op het buitenspelen. Ik raad u echt aan om die volledige studie eens te lezen. Daarin staat ook heel duidelijk dat ook de reden en de invulling van de tijdsbesteding nog verder kunnen worden onderzocht.

Minister, u zei ook zelf terecht dat ook de schermtijd en de manier waarop we daarmee moeten omgaan een uitdaging is. Wanneer u in overleg gaat met Kind & Samenleving hoop ik dat dit zeker een vervolg kan krijgen, zodat we daar een nog beter zicht op krijgen en gefundeerd dat debat verder kunnen voeren.

Ik wil voortgaan op de positieve noten uit het onderzoek, meer bepaald ruimte en de wijze waarop die wordt ingericht. Op dat vlak kunnen we sensibiliserend nog een aantal stappen voorwaarts zetten. Ik hoop dat ook het aanbod van het georganiseerde jeugdwerk, dat hier een pluim krijgt, wordt meegenomen in het debat over het maatschappelijk en economisch relanceplan, om daar een extra boost te geven.

De actuele vraag is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.