U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 1 juli 2020, 14.03u

Voorzitter
van de Vlaamse Regering
328 (2019-2020) nr. 1

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet over het onderwijs XXX.

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, een onderwijsdecreet is altijd een verzameldecreet met een aantal artikelen. Dit specifieke ontwerp van decreet zorgt voor een aanvulling en verbetering van een aantal bestaande decreten, een vereenvoudiging in de meest ruime zin en de gedeeltelijke uitvoering van het regeerakkoord via een reeks kleine maatregelen.

Ik heb er een aantal zaken uit gepikt die voor onze fractie van belang zijn. Een eerste is de terugbetaling van subsidies voor scholenbouw. Artikel 2 zorgt er namelijk voor, conform het regeerakkoord, dat de termijn voor de terugbetaling van de subsidies voor scholenbouw wordt verlengd van twintig tot dertig jaar. Aanvankelijk was er geen mogelijkheid om af te wijken van de regeling voor technische installaties waarvan de normale levensduur geen dertig jaar bedraagt, maar dat is nu aangepast. We zijn blij dat het ook in deze definitieve vorm is opgenomen.

Een tweede punt – en het zal u niet verbazen dat ik dat wil aankaarten – is de taalscreening van de leerplichtige kleuters. Voor ons was dat een belangrijk punt. Ik haal graag vier zaken aan die bij dit punt belangrijk zijn. Ten eerste wordt de taalscreening uitgevoerd bij het begin van het schooljaar in het laatste jaar van het kleuteronderwijs. Ten tweede kan dit tot gevolg hebben dat kleuters een taalintegratietraject kunnen volgen dat op maat is van die kleuters. Dat wordt niet beperkt tot een voltijds traject, er zijn eigenlijk verschillende vormen die op maat van de kleuter worden aangeboden. Ten derde worden de kleuters toegelaten tot het lager onderwijs en zullen we hen daar niet in beperken. Dat hangt dus niet af van het niveau van het Nederlands. Ten vierde kunnen de taalintegratietrajecten die opgezet worden in het kleuteronderwijs, ook verdergezet worden in het lager onderwijs.

Belangrijk is ook dat kleuters die voldoende halve dagen aanwezig geweest zijn in het kleuteronderwijs, rechtstreeks toegang hebben tot het lager onderwijs. De kleuterschool geeft een advies, maar ook bij een ongunstig advies is er toegang tot het lager onderwijs. Bovendien is de discussie over wat nu precies een taalbad is, ook definitief van de baan, want we hebben die definitie aangepast.

Misschien nog opmerkelijk: bij de verlaging van de leerplicht is er ook aandacht voor de kleuters die nood hebben aan revalidatie, kinesitherapie of logopedie. Daarvoor is er speciale aandacht gevraagd in dit ontwerp van onderwijsdecreet. Onze fractie is dan ook tevreden dat die kleuters die daar nood aan hebben, daar nog een beroep op kunnen doen.

Wat voor ons ook belangrijk was, is het feit dat ontwikkelcommissies bij het vastleggen van de eindtermen ook de haalbaarheid van die eindtermen zullen bekijken. Duaal lesgeven lijkt ons in het kader van het lerarentekort toch ook wel een belangrijke stap als tijdelijk project.

Een laatste punt gaat over leren en werken. Er was voorzien dat het centrum leren en werken zou inkantelen in het duaal leren. In dit ontwerp van onderwijsdecreet wordt voorgesteld om dit een jaar uitstellen, en dat vinden wij een goede zaak. Op die manier kan namelijk de doelgroep beter in kaart gebracht worden en kunnen we ook nadenken over de noden van die specifieke leerlingen. We hopen in elk geval dat de uitrol van die maatregelen in het belang van de leerlingen zal zijn, met aandacht voor hun specifieke noden.

Dat waren onze punten rond dit ontwerp van onderwijsdecreet. Ik heb geprobeerd het kort te houden.

De heer De Gucht heeft het woord.

Allereerst wil ik de collega’s van de commissie, en zeker en vast ook de heer Daniëls, danken voor de constructieve samenwerking bij de totstandkoming van dit dertigste onderwijsdecreet.

Ontwerp van decreet XXX bevat allerlei maatregelen die voor juridisch-technische vereenvoudiging zorgen, alsook maatregelen ter uitvoering van het regeerakkoord en de beleidsnota.

Een van de meest in het oog springende maatregelen is de verlaging van de leerplichtleeftijd. Die werd vorig jaar goedgekeurd in de Kamer en is nu ook decretaal verankerd. Vanaf het schooljaar 2020-2021 zullen kinderen vanaf de leeftijd van 5 jaar 290 halve dagen aanwezig moeten zijn op school, vanaf de derde kleuterklas, met andere woorden. Daarbij wordt een minimale planlast voor scholen en ouders gewaarborgd. Schooldirecties kunnen evenwel uitzonderingen toestaan, bijvoorbeeld voor kinderen die revalideren. De verlaging van die leerplichtleeftijd is een bijzonder goede zaak, want hiermee vergroten we de kleuterparticipatie, wat uiteindelijk de sociale ongelijkheid helpt te verkleinen. In ons land sturen de meeste ouders hun kinderen nu al naar de kleuterklas, maar de participatie is het kleinst bij kinderen met een migratieachtergrond en bij kinderen van laaggeschoolde ouders. Om ook sociaal kwetsbare kinderen sneller in de kleuterklas te krijgen, was een verlaging van de leerplichtleeftijd dus noodzakelijk. Het is algemeen geweten dat hoe vroeger kinderen naar de kleuterklas gaan, hoe beter hun kennis van het Nederlands is, hoe vlotter de sociale integratie verloopt, hoe beter de slaagkansen later in de schoolloopbaan en hoe groter hun kansen op de arbeidsmarkt. Vroege participatie aan het kleuteronderwijs is cruciaal voor de verdere ontwikkeling van het kind, zowel op intellectueel, emotioneel en taalkundig vlak als op neurologisch vlak. Dat is de reden waarom we de leerplichtleeftijd hebben verlaagd.

Eigenlijk is de verlaging van de leerplichtleeftijd van 6 naar 5 jaar voor mij nog maar de eerste stap. Wat mij betreft, mag die leerplichtleeftijd nog verder worden verlaagd, als het kan naar 3 of misschien zelfs 2,5 jaar.

Een gevolg van de verlaging van de leerplichtleeftijd is dat leerlingen in officiële scholen vanaf de derde kleuterklas recht hebben op levensbeschouwelijk onderwijs. Dat hadden we niet meteen zien aankomen, maar desalniettemin, het is zo. De Raad van State heeft dat duidelijk in zijn advies naar voren gebracht. Het ontwerp van decreet voorziet daarom in een opt-insysteem, zodat ouders ervoor kunnen kiezen hun kind te laten aansluiten bij levensbeschouwelijk onderwijs in een officiële lagere school. Een ideaal scenario is dat niet. U kent immers mijn mening dat levensbeschouwelijk onderricht niet thuishoort in het onderwijs, en al zeker niet in de kleuterklas. Door het opt-insysteem geven we aan de ouders die dat echt willen, echter toch die mogelijkheid. We zullen dan wel zien hoeveel ouders daarvan ook daadwerkelijk zullen gebruikmaken.

Een andere belangrijke bepaling met betrekking tot het basisonderwijs is de verplichte taalscreening voor elke leerling bij het begin van de derde kleuterklas in functie van de overgang naar het eerste leerjaar. Kinderen bij wie een taalachterstand wordt vastgesteld, moeten dan de rest van het jaar worden bijgeschoold in een taalbad of een ander taalintegratietraject. De klassenraad kan op het einde van het kleuteronderwijs adviseren om de derde kleuterklas opnieuw te doen als de achterstand nog te groot blijkt. Wij hebben alle vertrouwen in het oordeel van de klassenraden en hun autonoom handelen. Ouders kunnen die beslissing evenwel naast zich neerleggen, maar dan moet het kind in het eerste leerjaar een taalbad volgen. Om te vermijden dat kinderen met achterstand beginnen aan het eerste leerjaar, zetten we dus in de kleuterklas al volop in op die kennis van het Nederlands. Dit effent het pad voor de verdere ontwikkeling van het kind gedurende de hele schoolloopbaan.

Vermeldenswaardig is het tijdelijke project inzake duaal lesgeven dat op gang wordt getrokken. Dat project laat toe dat werknemers uit bedrijven na een korte educatieve opleiding in een school kunnen lesgeven. We maken hiermee een grotere interactie tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt mogelijk, zoals voorzien in het regeerakkoord. Deze maatregel helpt een antwoord te bieden op het lerarentekort.

Daarnaast zorgt OD XXX ook voor een rationalisatie van het onderwijsaanbod. Conform het regeerakkoord zorgt dit ontwerp voor uniforme tabellen en enkelvoudige titulatuur, die dan helder naar leerlingen, studenten en ouders kunnen worden gecommuniceerd. Deze maatregel geldt zowel voor het secundair onderwijs, het hoger onderwijs en het dko als voor het volwassenenonderwijs.

Ook het hoger onderwijs wordt in dit genummerd onderwijsdecreet niet vergeten. Bij de diverse maatregelen die worden genomen, is het voor onze fractie van belang dat het aandeel van anderstalige opleidingen wordt opgetrokken van 6 naar 9 procent, waarmee we ook ten dele tegemoetkomen aan de vraag van het onderwijs zelf, en aan die van de arbeidsmarkt, waar men meertalige hoogopgeleiden vraagt.

OD XXX regelt ook personeelskwesties van belang voor gegradueerden die als personeel waren verbonden aan de centra voor volwassenenonderwijs, maar door de inkanteling van hbo5 nu zijn verbonden aan de hogescholen. Ook moeten studenten niet langer voltijds zijn ingeschreven om te kunnen deelnemen aan academische of departementale raden.

Inspraak en studentenparticipatie zijn door mijn fractie altijd verdedigd en worden hiermee vergroot.

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Voorzitter, dit is een belangrijk ontwerp van decreet over het onderwijs. Het is een ontwerp van verzameldecreet met heel wat technische aanpassingen, maar ook met een aantal fundamentele wijzigingen.

Mijnheer De Gucht, een aantal zaken vinden we een goede zaak. We kunnen enkel achter de leerplichtverlaging staan. Die leerplichtverlaging is er eindelijk, wat betekent dat we erkennen dat de basis van het hele schoolgebeuren ontzettend belangrijk is. Dit is belangrijk om de ongelijkheid in het onderwijs te bestrijden en aan te pakken.

Hoe de invulling hiervan verder zal worden uitgewerkt, blijft cruciaal. Dat we kinderen vertellen dat ze vanaf de leeftijd van 5 jaar aanwezig moeten zijn en dat er een leerplicht is, betekent niet dat ze heel goed gewapend zijn om die kansen vanaf de kleuterleeftijd volop waar te maken. Er zijn een aantal voorwaarden aan verbonden.

We moeten goed beseffen dat de manier waarop kleuters leren in sprongen gaat. Dat is heel onregelmatig. We kunnen de indruk hebben dat kinderen een achterstand op het vlak van taal hebben, maar ze kunnen in een stroomversnelling terechtkomen en heel snel een inhaalbeweging maken.

Verder weten we uit wetenschappelijk onderzoek ook dat het welzijn en het welbevinden zeker voor kleuters cruciaal is om te kunnen leren Het kleuteronderwijs moet nog steeds sterk inzetten op het welzijn van die kleuters. Dat is een absolute voorwaarde voor hen om goed te kunnen leren en om klaar te zijn voor het eerste leerjaar.

Om die reden zijn we altijd zeer kritisch ten opzichte van alles wat met testen en screenings te maken heeft. We vinden taal heel cruciaal en we kunnen niet genoeg benadrukken hoe belangrijk het is dat we kinderen van in de kleuterklas proberen zo snel en zo goed mogelijk Nederlands aan te leren. Dat is heel belangrijk in de strijd tegen ongelijkheid. Dat doen we echter beter niet door eenmalig te testen, door geen rekening te houden met de ontwikkeling van de kinderen en door daar drastische beslissingen aan te koppelen. Het is nog steeds mogelijk kinderen op advies van de klassenraad te laten blijven zitten omdat ze de taal onvoldoende kennen. Dat zijn zaken waar we, net vanwege die manier van leren, heel voorzichtig mee moeten zijn. Het is heel belangrijk hoe een goede test of taalscreening eruitziet, maar ook of er voldoende momenten zullen zijn waarop wordt gescreend.

Het vervolgtraject na een taalscreening is ook belangrijk. We vinden het cruciaal dat we kinderen vooral laten leren in een omgeving waarin ze contact hebben met andere kinderen die Nederlands spreken. Het is wetenschappelijk onderbouwd dat dit de beste manier is om een taal op te pikken. We vinden de aparte taalbadklassen, die door dit ontwerp van decreet nog steeds niet worden uitgesloten, geen goede zaak. We hebben daar nog steeds problemen mee.

De vaste benoemingen na een jaar worden halsoverkop ingevoerd, maar daar is geen grondig debat over gevoerd. Het is een besparingsmaatregel en niet zozeer een maatregel die de loopbaan aantrekkelijk moet maken of die goed is voor het onderwijs in zijn geheel. We moeten echt eens grondig van gedachten wisselen over de benoemingen en de evaluatieprocedure. Dat is een fundamentele bouwsteen voor het hele lerarenloopbaanpact, maar dat pact en het echte debat over de lerarenloopbaan zijn er niet gekomen. Deze maatregel komt er uit besparingsoverwegingen, en dat is geen goede zaak.

Wat het duaal leren betreft, zijn we nog steeds bezorgd om de inkanteling van leren en werken. Hierdoor zitten we met een kwetsbare groep van niet-arbeidsrijpe jongeren waar we bijzondere aandacht voor moeten hebben. We moeten heel waakzaam zijn.

Dat zijn drie zeer belangrijke punten in dit ontwerp van decreet waar wij het heel moeilijk mee hebben.

Ten slotte zal mijn fractie ook nog een amendement indienen over de Universiteit Hasselt omdat wij niet begrijpen wat de meerderheid daar doet door een limitatieve lijst in te voeren, een soort van koterij bij te bouwen vanuit een wantrouwen. Op die manier brengt zij een ongelijke behandeling teweeg tussen de universiteiten. Dat zal straks nog aan bod komen.

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Collega’s, er valt heel veel te zeggen over dit ontwerp van decreet over het onderwijs XXX. Het is een verzameldecreet. Er is tijdens de debatten in de commissie al heel veel over gezegd. Mijn fractie is blij met de verankering van de leerplichtverlaging en het optrekken van het aandeel van de anderstalige bachelors van 6 naar 9 procent. Voor mijn uitgebreide bedenkingen bij de verschillende onderdelen verwijs ik zeer graag naar het verslag.

Collega’s, ik wil vandaag terugkomen op twee punten: de taalscreenings en de taalbaden.

Collega’s, ik denk dat iedereen hier het erover eens is dat al onze kinderen goed Nederlands moeten kunnen spreken. Dat is cruciaal voor hun kansen op school maar ook in het leven. Wij zijn dus voorstander van taalscreenings. Wij hebben het in het verleden zelf trouwens al voorgesteld. Op voorwaarde dat ze methodologisch goed worden georganiseerd. Dat is een goede manier om te weten waar kleuters staan op het vlak van taal, en om er daarna mee aan de slag te kunnen gaan in de vorm van taalintegratietrajecten, om kinderen te helpen om hun Nederlands te verbeteren. Tot daar zijn we het eens. Maar wat jullie nu doen, collega’s, is van die taalscreenings meer een drempel maken dan een springplank. Dit ontwerp van decreet bepaalt dat de klassenraad voortaan op het einde van de kleuterklas kan beslissen – uiteraard ook op basis van de resultaten van die taalscreening – dat kleutertjes de derde kleuterklas moeten overdoen, dat ze dus niet mogen overgaan naar het eerste leerjaar als hun Nederlands niet goed genoeg is. Dan krijgt die screening veel weg van een eerste stap naar een toelatingsexamen. Daar zijn wij compleet tegen. Ik vraag mij dan echt af waar we mee bezig zijn: een taaltraject in het eerste leerjaar van het lager onderwijs voor kinderen met een taalachterstand, uiteraard, maar we gaan toch geen kleuters laten dubbelen? Ik vind dat een heel raar signaal: een zevenjarige die al de stempel op het hoofd krijgt: ‘Ge zijt niet goed genoeg!’ Dat vinden wij niet kunnen. En we zijn niet alleen. Dat blijkt ook uit de adviezen van de onderwijspartners. Het katholiek onderwijs gaat niet akkoord met het inschrijven van een minimaal beheersingsniveau van het Nederlands als toelatingsvoorwaarde tot het lager onderwijs. Het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (GO!) schrijft dat leerlingen jonger dan zeven jaar dan niet samen met hun leeftijdsgenootjes in het lager onderwijs zouden kunnen starten als ze het Nederlands niet voldoende beheersen. Het GO! wijst dat idee zonder meer af. Het Overlegplatform Kleine Onderwijsverstrekkers (OKO), de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (OVSG) en de Algemene Centrale der Openbare Diensten (ACOD) zeggen allemaal hetzelfde. Ik heb dat hier trouwens ook door de collega’s van CD&V en Open Vld een paar keer horen zeggen. Het verbaast mij dus echt dat jullie dat zomaar laten passeren.

De taalbadklassen zijn nog zoiets waarvan ik dacht dat een aantal parlementsleden van de meerderheid letterlijk zeiden dat ze dat geen goed idee vinden en dat ze er niet in geloven. Zeker collega’s van Open Vld. En toch, waarde collega’s, laat dit ontwerp van decreet de mogelijkheid open om aparte voltijdse taalbadklassen te organiseren voor maximaal één jaar. Ik hoop dat jullie goed beseffen dat met dit ontwerp van decreet de scholen nog altijd zelf de beslissing kunnen nemen om kinderen met een taalachterstand vijf dagen per week voltijds een jaar lang in een aparte klas te zetten, terwijl de wetenschap al verschillende keren heeft bewezen dat dit niet werkt. Kinderen leren een taal vooral van elkaar. Je moet er dus voor zorgen dat kinderen met een taalachterstand in de klas zitten met kinderen die goed Nederlands spreken, en dan eventueel extra les krijgen om hun achterstand verder bij te werken. Dat is wat ons betreft zo’n taalintegratietraject. Je moet ze dus zeker niet afzonderen in een voltijdse aparte taalbadklas want dat is gewoon contraproductief. Maar bon, ik denk dat dat de minister eigenlijk minder interesseert want het klinkt natuurlijk goed. Ik hoop in elk geval dat de rest van de meerderheid nog eens goed nadenkt vooraleer mee te gaan in dit soort van symboolpolitiek.

Ik wil tot slot nog een kort woordje zeggen over het amendement dat wij, en meer bepaald mijn collega Ludwig Vandenhove, samen met Groen hebben ingediend. Ik wil daar gewoon kort nog bij zeggen dat wij als partij grote voorstander zijn van de rationalisatie van het hoger onderwijslandschap. We zijn dat al lang. Het is Frank Vandenbroucke die die rationaliseringsoefening in gang heeft gezet, en dat blijft zo. Wij vinden echt dat er dringend een oefening moet worden gemaakt om te kijken wie in het hogeronderwijslandschap welke opleidingen waar kan organiseren.

Vlaanderen blijft een klein gebied en ik denk dat we zo efficiënt mogelijk met onze overheidsmiddelen moeten omgaan. Die rationalisering kan wat ons betreft beter vandaag dan morgen in gang worden gezet. Maar in afwachting daarvan vinden wij het geen goed idee om hogeronderwijsinstellingen op een verschillende manier te behandelen. En dat is wat er nochtans wel gebeurt in onderwijsdecreet XXX, wat betreft de Universiteit Hasselt en haar extra opleidingen. Dat vinden wij geen goed idee, en ook de Raad van State maakt daar opmerkingen bij. Ik denk dat dat de relatie tussen de hogeronderwijsinstellingen gaat verzuren, en dat het voor rechtsonzekerheid gaat zorgen.

Wat wij met dit amendement vragen, is dat de geldende regels worden toegepast, met name dat de Vlaamse Regering beslist welke studiedomeinen worden toegekend aan een hogeronderwijsinstelling, en dat ze dan daarna het accreditatieproces moeten doorlopen om een opleiding erkend te krijgen. Daarmee is dat ook toegelicht. Ik dank u.

De heer D’Haese heeft het woord.

Ook wij vinden dat er een paar goede punten in het decreet staan, zoals de uitbreiding van de vaste benoeming en de leerplichtverlaging. Maar wij kunnen niet instemmen met de invoering van dat toegangsexamen om naar de lagere school te gaan, en het invoeren van taalbaden.

Er worden taalscreenings, taalintegratietrajecten en taalbaden ingevoerd, een soort van ingangsexamen. En uiteraard is het beheersen van het Nederlands belangrijk, daar hebben we het tijdens een actualiteitsdebat uitgebreid over gehad. Maar we weten ook dat kleuters een jaar tegenhouden niets oplost. Dat doet meer kwaad dan goed. We weten dat alle wetenschappelijke studies bevestigen dat die taalbaden niet werken, en dat een taaltoets leerlingen tegenhoudt. Dat werkt niet. Dat is een momentopname. Door mensen in taalbaden samen te zetten, ga je eigenlijk een taalwoestijn creëren.

De minister deed hier tijdens dat debat een wat mij betreft redelijk legendarische uitspraak: ‘We gaan elkaar toch niet om de oren slaan met pedagogische inzichten?’ Maar een beleid dat geen rekening houdt met wetenschap, heet ‘fact-free politics’, en daar heb ik een heel groot probleem mee. Taalbaden en taaltesten zijn goed voor de eigen achterban, maar dat is ideologie in plaats van degelijk beleid. En dat vind ik problematisch.

Dat de N-VA dat doet, dat verbaast mij op zich niet. We hebben gehoord hoe collega Daniëls hier toen heeft gesparteld met schimmige wetenschappers die zelfs geen studies gepubliceerd kregen. Maar dat CD&V en Open Vld daarin volgen, dat kan ik eerlijk gezegd echt niet begrijpen. Ik kan niet begrijpen hoe jullie meegaan in zo’n beleid, dat niet gestoeld is op ook maar enige objectieve kennis.

En als de wetenschap u niet interesseert, luister dan naar de mensen op het terrein. Zowel de vakbonden als de koepels geven unaniem aan dat dit een slecht idee is. De mensen die dat onderzoeken, zeggen dat het niet werkt, en de mensen van het terrein zeggen dat het een slecht idee is. En toch voeren jullie dat door. Ik kan daar met mijn verstand niet bij.

Wij zouden zeggen: als je wilt inzetten op het Nederlands, investeer dan in betaalbare kinderopvang, in extra leerkrachten en een betere sociale mix in de scholen. Dat werkt wel, dat weten we. Dus wij zullen tegen dit decreet stemmen.

Mevrouw Beckers heeft het woord.

Ik heb mij, samen met de collega’s van de commissie Onderwijs, voorgenomen om constructief oppositie te voeren. Ik ga dus ook beginnen met de punten in het onderwijsdecreet die ik goed vind. Want laten we wel wezen: er staan eigenlijk meer positieve punten in dan negatieve.

Ik begin met de bepaalde categorieën van leerkrachten die niet voor de klas staan en die vastbenoemd zijn. Die vaste benoeming kan sneller worden ingetrokken, en dat is een goede zaak. Want op die manier kunnen jonge leerkrachten sneller aan een vaste benoeming geraken. Zeker in het licht van het lerarentekort is dat zeer positief.

Ik vind het ook zeer goed dat jullie van de leerplichtverlaging gebruikmaken om volop in te zetten op het Nederlands in het kleuteronderwijs. Een goede kennis van het Nederlands is de sleutel tot een geslaagde schoolloopbaan. Hier volop in investeren zal lonen, want het kleuteronderwijs is echt de basis van ons onderwijs, letterlijk en figuurlijk. Ik ben ervan overtuigd dat we daarvan de vruchten zullen plukken. Verder vinden wij de verankering van het duaal leren ook een heel goede zaak.

Wat het hoger onderwijs betreft: in het voorontwerp van december stond nog een artikel 96 dat kon leiden tot een verdere verengelsing van ons Nederlandstalig onderwijs. Dit artikel is geschrapt, en dat stemt ons bijzonder gelukkig, waarvoor dank. Bovendien is er ook een bepaling in het ontwerp van decreet dat ervoor zorgt dat anderstalige spookrichtingen kunnen worden stopgezet. Ook dat vinden wij zeer goed.

Helaas zijn er een aantal dingen die ons minder positief stemmen. Ik zal beginnen met de situatie van de Universiteit Hasselt. We hebben die discussie uitgebreid gevoerd in de commissie. Ik ga ze niet helemaal overdoen, maar ik wil toch even een pleidooi voeren voor mijn provincie. Limburg is de voorbije decennia heel hard getroffen: er waren de mijnsluitingen, de sluiting van Ford Genk. Limburg stelt het economisch heel slecht en iedereen weet dat sterk onderwijs dé sleutel is om hierin verandering te brengen. Een sterke universiteit trekt bedrijven aan en zorgt er zeker voor dat de knappe koppen, die we in Limburg zeker hebben, ook in Limburg blijven.

De Universiteit Hasselt wou zijn schouders hieronder zetten en heeft een ambitieus groeiplan voorgesteld waarin twaalf studierichtingen werden voorgesteld. Jammer genoeg zijn van de twaalf die werden gevraagd, slechts vier studierichtingen overgebleven na de regeringsonderhandelingen. Wat nog meer jammer is, is dat de gewone geijkte procedure wordt ontweken en dat we geen studiegebieden toegewezen kregen, maar enkel studierichtingen. Niet alleen ik stel me daar vragen bij, ook de Raad van State stelt zich daar vragen bij en alle andere Vlaamse universiteiten, met uitzondering van de KU Leuven. Ik weet wat u zult zeggen: het probleem met het onderwijs in Limburg is niet zozeer het feit dat er weinig richtingen zijn, maar wel het feit dat er weinig doorstroom is naar de universiteit. Er is veel ongekwalificeerde schooluitval en dat los je natuurlijk niet op met extra richtingen. Natuurlijk staat het ene niet los van het andere. Als leerlingen of studenten uit Limburg bijvoorbeeld naar Leuven moeten gaan om daar te gaan studeren, omdat dat geografisch gezien het dichtst bij is, blijven ze daar vaak plakken. Ze gaan er werken en krijgen er kinderen en dan is er een braindrain vanuit Limburg. Dat is erg jammer, want we hebben net die mensen nodig om Limburg erbovenop te halen. Dat is de reden waarom we een amendement hebben ingediend op dit artikel.

Ik wil nog een woordje zeggen over de taaltesten waar de oppositie het ook heeft over gehad. Wij zijn net ontgoocheld, minister, dat u hierin niet zo ver bent gegaan als u eerst had aangekondigd. De taaltesten zijn taalscreenings geworden. Er kan advies worden gegeven door de klassenraad, maar dat is niet bindend. De ouders kunnen hiertegen ingaan. Dat is heel jammer want Nederlands is dé cruciale factor om te kunnen volgen in het onderwijs. In het eerste leerjaar leren kinderen lezen en schrijven, en dat is bijzonder moeilijk als je de instructietaal niet goed begrijpt. Het is frustrerend voor het kind in kwestie, het is frustrerend voor de leerkracht en het is frustrerend voor de andere kinderen in de klas. Daarom vinden wij het jammer dat u niet volop bent gegaan voor wat u oorspronkelijk had gezegd. Het is een compromistekst geworden en daarom is het jammer dat hier het gezegde geldt: ‘De berg heeft een muis gebaard.’ Wij zullen ons dus onthouden op dit ontwerp van decreet.

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega's, een onderwijsdecreet is meestal een decreet met veel artikels, veel technische wijzigingen. Vandaar dat we het idee hadden opgevat – maar we gaan het toch niet doen, voorzitter – om het hier didactisch artikel per artikel te brengen zodat iedereen weet wat erin staat. Ik heb gemerkt dat de andere collega's zich beperken tot een aantal hoofdzaken en dat ga ik ook doen, namens onze fractie.

Het heeft veel voeten in de aarde gehad, zoals altijd, veel overleg gevraagd binnen de meerderheid en met partners, maar het ontwerp van decreet is er. We proberen het altijd voor 1 juli goed te keuren. Het is vandaag 1 juli, dus met enige soepelheid zijn we nog net op tijd.

Collega's, ik haal een aantal zaken aan. We zijn nog altijd in een periode van capaciteitstekort in de scholenbouw en dan is het altijd moeilijk uit te leggen dat scholen na twintig jaar zouden kunnen worden vervreemd en een andere bestemming zouden kunnen krijgen. Om die reden engageren we ook alle aanbieders om scholen langer te houden en trekken die periode op naar dertig jaar. Indien ze toch vroeger worden vervreemd, moet men een deel van de subsidies terugbetalen. Voor technische installaties is er een uitzondering voorzien, en dat is een goede zaak.

Het leerplichtonderwijs en vooral de leerplichtverlaging: voor de N-VA is het cruciaal dat het laatste jaar van het kleuteronderwijs vanaf nu tot het leerplichtonderwijs behoort. Dat is belangrijk, het voorschools leren is cruciaal. Ik gebruik het graag: als je als kind weet wat meer en minder is, dan wordt rekenen heel wat makkelijker. Het zijn heel belangrijke begrippen, net zoals de motoriek die wordt aangeleerd. We verlagen dat, en we zeggen: 290 halve dagen aanwezigheid in die laatste kleuterklas. En dat is belangrijk, dat is echt belangrijk..

Collega’s, we kunnen hier nu lang discussiëren over die taalscreenings, taalbaden, maar ik wil iedereen vooral aanraden om artikel 27 van het in de commissie goedgekeurde decreet eens te lezen. Wat daar staat, is cruciaal. We gaan voor een taalintegratietraject dat voltijds kan zijn als dat nodig is en dat dus een taalbad is. Een taalbad kan een aparte voltijdse klas zijn, maar het kan ook minder dan voltijds zijn en het kan ook in de klas zijn. Met andere woorden: we geven scholen en leerkrachten alle varianten die nodig kunnen zijn voor de populatie leerlingen die ze hebben. Dat staat daar, en dat kan dus voor een heel jaar zijn.

Is daar iets mis mee? Neen, want het is in het belang van het kind en dat is net de kern van de zaak. Dat blijkt uit gesprekken met leerkrachten lager onderwijs. Ik hoor hier vaak zeggen – en dat vind ik altijd boeiend – dat het kind in een klas moet worden gezet met allemaal andere kinderen die Nederlands spreken. Wel, ik wil wel eens uitgenodigd worden in een dergelijke klas in Vlaanderen. Misschien dat het bij mevrouw Vandromme in de Westhoek nog zou kunnen, maar we kunnen er natuurlijk over discussiëren of het Nederlands is dat men daar spreekt. Het is toch waar, mevrouw Vandromme? Maar die klas in Brussel, mevrouw Goeman, waar u woont, waar één kindje een andere taal spreekt en al de rest Nederlands, bestaat niet meer. En dat is net de reden waarom we moeten ingrijpen, collega’s.

Wanneer de vroegere manier had gewerkt – de kinderen werden in de klas gezet en ze zouden de taal wel leren – dan hadden we nu toch niet de kritiek gekregen van docenten hoger onderwijs dat leerlingen aan het eind van het secundair en het begin van het hoger onderwijs, zelfs na 12 jaar leerplichtonderwijs, onvoldoende Nederlands kennen. Als dat zou werken, dan zou die opmerking toch niet gemaakt worden. En dus doen we iets extra’s. Mag het andere niet meer? Dat zeggen we niet, maar we doen iets extra’s, we geven een extra mogelijkheid die scholen kunnen gebruiken. Ik denk dat dat een goede zaak is.

Ik moet wel toegeven, mevrouw Goeman, dat we de mosterd in een vorige legislatuur hebben gehaald. Op 7 november 2011 diende Pascal Smet een conceptnota van de Vlaamse Regering in met de welluidende titel ‘Samen taalgrenzen verleggen’. Het is echt een geweldig document, dat ik u echt kan aanraden. U moet via ctrl-f maar eens het woord ‘taalbad’ ingeven en dan zien hoe vaak het erin staat. Het was visionair wat de Vlaamse Regering toen heeft gedaan en we voeren dit nu verder uit.

Onderwijsparticipatie is cruciaal en dus koppelen we die twee aan elkaar. We zorgen dat ze naar het kleuteronderwijs gaan en dat ze in de lagere school starten met voldoende kennis van het Nederlands.

De levensbeschouwelijkheid vinden wij ook een moeilijke zaak. Wij zouden niet graag zien dat in een gemeenteschool al die verschillende levensbeschouwingen moeten worden aangeboden, met alle mogelijke gevolgen van dien. Mevrouw Krekels heeft al een paar keer naar verwezen: organiseer het maar. Nu is er de mogelijkheid van opt-in waarvoor gekozen kan worden. We hopen dat ouders daar verstandig mee omgaan en dat we die tijd maximaal kunnen gebruiken in de kleuterscholen.

Wat de ontwikkelcommissies betreft, zijn in het verleden al een aantal actuele vragen gesteld. Het ging dan over de ontwikkelcommissie in verband met de eindtermen. Het is goed dat zij de haalbaarheid van de onderwijsdoelen bewaakt in functie van de onderwijstijd en de specifieke eindtermen. Dat lijkt me een goede zaak, collega’s, we kunnen daar niet tegen zijn, en dat staat hier dus ook in.

Duaal lesgeven is ook een belangrijk onderdeel. Na een korte educatieve opleiding kunnen werknemers uit bedrijven via een dienstverleningsovereenkomst in een school lesgeven. Dat zijn twee vliegen in een klap. Ten eerste laat we mensen proeven van lesgeven, in de hoop op die manier het tekort aan leerkrachten te kunnen opvangen. Ten tweede brengen we mensen uit de praktijk voor de klas. Is dat onbezonnen? Neen, dat is niet onbezonnen.

Ze moeten wel degelijk een educatieve opleiding hebben. En nee, als zij dan zomaar willen instappen, zal er nog verder werk moeten worden gemaakt van hoe zij dat kunnen doen.

Er is net verwezen naar de integratie van leren en werken. Ja, het is een verdere integratie van de diverse vormen. Maar, minister, collega's, onze fractie heeft ook gezegd dat we nog altijd goed moeten bekijken hoe we al die specifieke doelgroepen, de bijna-, maar zeker de niet-arbeidsmarktrijpe leerlingen, opvangen op de best mogelijke manier en hoe we hen daarbij de meeste kansen kunnen geven. Dat is absoluut juist.

Ik zoom nog even in op de hbo5-opleiding Verpleegkunde, zeker in deze coronatijden een belangrijke opleiding. Het is een opleiding in zowel het secundair als in het hoger onderwijs. Voor de kwaliteitscontrole zullen we nu ook de Onderwijsinspectie voor het leerplichtonderwijs en de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) die zich vooral richt op het hoger onderwijs, inzetten.

Beste collega’s, vele ouders en leerlingen moeten voor volgend jaar een opleiding, een studierichting in het secundair onderwijs kiezen. We hebben die matrix gemaakt met alle studierichtingen erin. De meeste ouders moeten de keuze maar één of twee keer maken. Wat wij in het Onderwijsdecreet XXX inschrijven, is dat de benamingen, de officiële benamingen moet worden gebruikt. Zo weten ouders tenminste welk aanbod er op welke school is en zo vermijd je dat het allemaal iets anders lijkt en dat je voor een bepaalde school kiest omdat je denkt dat dat aanbod er nergens anders is. Dat lijkt mij logisch. Ik hoop dat we daar dan ook zeer brede steun voor krijgen.

Iets wat aansluit bij dat duaal lesgeven, zijn de uren voordrachtgevers. U herinnert zich dat we het voor Defensie mogelijk maken dat externe mensen ook voordrachten geven in het secundair onderwijs. Dat zijn profielen die je niet vindt in het gewoon onderwijs.

Collega's, ik wil nog een paar klemtonen leggen in verband met het hoger onderwijs. Wat de Universiteit Hasselt betreft, kan ik hier als niet-Limburger zeggen dat de Limburgers bij de regeringsonderhandelingen echt hun best hebben gedaan. De West-Vlamingen trouwens ook. Want voor Limburg is er niet één, zijn er niet twee, niet drie, maar vier extra opleidingen, zonder dat zij daarvoor een aanvraagprocedure moeten doorlopen. Vier! Ik wil de Limburgers proficiat wensen met wat ze hebben verkregen. Maar dan hoor ik sommigen hier zeggen: “Het is te weinig”. Breng die andere provincies – Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant – alstublieft niet op ideeën. Breng hen niet op ideeën door te zeggen: wat daar gebeurt, dat kan eigenlijk niet. Pak dat aan, werk er aan. Maar ik denk dat het Limburgdebat zich straks nog wel zal voortzetten.

Wat de educatieve masters betreft, willen we vrijstellingen geven voor wie extra masters doet. Dat is een goede zaak.

Het laatste punt dat ik nog wil aanhalen in verband met het hoger onderwijs, is dat instellingen de toelatingsproeven en de ijkingsproeven zullen uitwisselen met elkaar, zodat er geen shopping is.

Collega's, er zijn ook vijf amendementen van de meerderheid, die kort samen te vatten zijn. Ze gaan eigenlijk allemaal over hetzelfde: de programmatie. Als u de betreffende artikels 76, 94, 96 en 109 leest, dan zou u kunnen denken dat, op het moment dat je een programmatieaanvraag doet, de gebouwen al in orde moeten zijn wat betreft bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne. De aanvraag moet in een aantal gevallen zijn ingediend op 30 november 2020. Dat is dan voor een school, een vestigingsplaats die start op 1 september 2021. Als we dat doen, zouden scholen geneigd kunnen zijn om het niet te doen, want het is niet mogelijk om de hele boel dan al in orde te hebben. En om te vermijden dat die de te enge lezing van de artikels waarheid zou kunnen worden, hebben we ervoor gezorgd dat dat verduidelijkt wordt en stellen we dat ze daar niet aan moeten beantwoorden op het moment van de aanvraag, maar op het moment van de ingebruikname. Dat lijkt ons fair te zijn, zodat er nog tijdens de vakantie kan worden gewerkt.

Een andere aanpassing betreft artikel 109, om ervoor te zorgen dat wat ik net heb toegelicht ook mogelijk is. Als je een nieuwe programmatie doet of een organisatie van een structuuronderdeel, is dat hetzelfde als je dat op een nieuwe vestigingsplaats zou doen.

Collega's, wij zullen met de N-VA-fractie dit ontwerp van onderwijsdecreet met veel enthousiasme goedkeuren, omdat er heel veel belangrijke zaken in staan voor alle verschillende onderwijsniveaus.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Het zal u niet verbazen dat ik uitermate in mijn nopjes ben met dit ontwerp van decreet. Ik zal mij beperken tot enkele punten, maar alleszins is het meest wezenlijke voor mij dat dit onder andere focust op de hoeksteen van mijn beleidsvisie inzake Vlaams onderwijs, namelijk de bezorgdheid omtrent de kwaliteit, en daar automatisch onlosmakelijk mee verbonden de bezorgdheid omtrent de kennis van het Nederlands. Het ene is rechtstreeks verbonden met het andere. Het is voor mij dus essentieel dat we de verlaging van de leerplicht aangrijpen om te verhinderen dat kinderen in het lager onderwijs starten met een taalachterstand. En dat geldt voor alle kinderen, ongeacht de afkomst.

Er is dus een taalscreening die we organiseren in de derde kleuterklas, zodoende dat in die derde kleuterklas nog kan worden geremedieerd. Maar blijkt aan het einde van die kleuterklas dat de achterstand nog altijd te groot is, dan kan de klassenraad in het belang van dat kind zeggen dat het beter dat jaar overdoet. Als de ouders zich daar niet bij neerleggen, dan zal automatisch bij de start van het lager onderwijs voorzien worden in remediëring. In beginsel is dat een taalbad. En ja, dat kan een jaar zijn. En ja, dat kan apart zijn, op maat van het kind. Dat gaat niet uit van een of andere fetisj. Dat gaat gewoon om vertrouwen geven aan de school, wat zij denken dat het beste is om te verhinderen dat dat kind start met een taalachterstand. Want niets is zo onverantwoordelijk als toelaten dat kinderen starten met een taalachterstand. Die achterstand zal in andere vakken immers alleen maar groter worden. Nederlands is de sleutel tot alle andere kennis. En Nederlands is het vak dat alle andere vakken mogelijk maakt. En dus: grijp daarop in.

Ter linkerzijde belijdt men met de mond een gehechtheid aan het Nederlands, maar als puntje bij paaltje komt, geeft men niet thuis. Als puntje bij paaltje komt, zegt men dat het niet apart mag zijn en dat zo’n taalbad geen jaar mag duren. Maar anderzijds – we hebben die discussie gevoerd in de commissie – mag het dan wel apart voor kinderen van OKAN. Die mogen wel apart lessen volgen. Wie bezondigt zich hier dan aan symboolpolitiek? Wij willen gewoon een regeling invoeren die het mogelijk maakt om maximaal met een aanpak op maat te verhinderen dat kinderen met een taalachterstand in het lager onderwijs starten. Moeilijker is dat niet.

We kunnen putten uit goede voorbeelden uit de praktijk, in eigen land – ik denk maar aan Vilvoorde – maar evengoed in het buitenland, zoals in Nederland. En wij bewijzen de kinderen daar een dienst mee. Door door te gaan als zachte heelmeesters, bewijzen we kinderen geen dienst. De boutade is inderdaad altijd: desnoods een jaar een taalbad, je neemt dan een jaar en je geeft een leven. Laat ons er dus voor zorgen dat de mazen in het net maximaal beperkt worden, in het belang van de kinderen en in het belang van de kwaliteit van ons onderwijs. Geen gelijke kansen aan de eindmeet zonder gelijke kansen aan de startmeet. Dan kom je jezelf toch tegen? Wie zijn hier de grote pleitbezorgers van gelijke kansen? Dat is deze Vlaamse Regering. Dat is de grote bekommernis.

Dat wil ook zeggen dat, als kleuters geen 290 halve dagen hebben doorgebracht in het kleuteronderwijs, ook dan de klassenraad zal bekijken wat het kennisniveau van het Nederlands is. Dat geldt evengoed wanneer kinderen zich aandienen, via de ouders, voor de lagere school en zij geen Nederlandstalig kleuteronderwijs hebben gevolgd. Ook dan gaan we na wat het niveau van de taalkennis is. Dus: iedereen gelijk, iedereen gelijke kansen.

Een tweede belangrijk element is de discussie die we hebben gevoerd over het belang van het Nederlands in het hoger onderwijs. Het voorstel was om de definitie van de Nederlandstalige opleiding te wijzigen. Vandaag wordt een Nederlandstalige opleiding in het hoger onderwijs gedefinieerd als een opleiding met maximaal 18 procent studiepunten die worden aangeboden in een andere taal. Het voorstel was om naar 50 procent te gaan. Dat behoort niet tot deze regeling. We hebben daar geregeld over gediscussieerd in deze coronatijden, en ik ben heel blij dat het geen deel uitmaakt van de decretale regeling die we voorstellen. Ook daar ligt de focus op het Nederlands, dus voor kleuters en aan de universiteit. Dat is een rechte lijn die we behouden.

Het derde element is transparantie. Transparantie is broodnodig want de complexiteit in ons onderwijs neemt toe. Ouders, leerlingen en zelfs leerkrachten zien door de bomen soms het bos niet meer. Vandaag hebben we richtingen, opleidingen en vakken die geclusterd zijn, zoals het vak Exploratie. Niemand weet waar dat vak voor staat. Welke lesinhoud krijgen mijn kinderen als ze het vak Exploratie volgen?

Nu hebben we een opsomming van vakken. Wanneer je vakken clustert, een nieuwe vlag boven de lading legt, dan moet wel duidelijk zijn wat die lading is. Je mag Exploratie als clustervak introduceren, maar wat zit daar dan onder? Gaat het over Aardrijkskunde of Biologie? Waar gaat het over? Ook daar creëren we transparantie en duidelijkheid. Vereenvoudiging zal ook veel meer zekerheid bieden en dat is gekoppeld aan het gegeven dat we willen dat ouders en leerlingen van bij de start van het onderwijs weten welk parcours de leerling zal afleggen. Dan weet je heel duidelijk en bevattelijk welke vakken je zult kunnen volgen in welke richting.

Dan was er ook nog de discussie over de Universiteit Hasselt. Ik draag de provincie Limburg een heel warm hart toe, maar in het Frans zegt men: “Il ne faut pas pousser bobonne dans les orties.” Let toch op dat je je eigen ruiten niet ingooit. Hier krijgt de Universiteit Hasselt wat een ander niet krijgt. Het is een aparte decretale nominatimregeling en daarboven komen er ook nog eens extra middelen. Corrigeer mij gerust, maar bij mijn weten is het nog nooit gebeurd dat de Vlaamse Regering middelen geeft voor de organisatie van opleidingen, en nog niet weinig, namelijk 5 miljoen euro. Daar kun je al wat mee.

Ik denk dat dit een heel goed, positief verhaal kan zijn, maak er dan alstublieft niet het tegenovergestelde van. Dit is een overwinning. Als ik sommige tussenkomsten hoor, dan denk ik: amai, wat hebben wij een nederlaag geleden. Zulke nederlagen wil ik elke dag lijden, elke dag. Alstublieft, steek die pluim op uw hoed en paradeer, want dit is een absolute vooruitgang voor jullie universitaire landschap. (Applaus van de meerderheid)

De heer Keulen heeft het woord.

Voorzitter, het is niet mijn gewoonte om tussen te komen over onderwijs. Ik zit hier ondertussen 25 jaar, maar ik heb deze onderhandelingen wel mee gevoerd, vooral over het luik Limburg. Ik spreek hier als een geboren en getogen Limburger. Destijds heb ik de opening meegemaakt toen we er Rechten bijkregen, en nadien Handelswetenschappen. Stap voor stap kwam er telkens een opleiding bij. Nu krijgen we de semantische discussie tussen opleidingen en studiedomeinen. Wat dat betreft, moet je de goden niet uitdagen. Limburg werd hier goed bediend door de Vlaamse Regering en ook door de onderhandelaars van het regeerakkoord.

Kijk maar eens wat erbij komt aan toekomstgerichte opleidingen: master in de vroed- en verpleegkunde, materiomics – een moeilijk woord voor de verbinding tussen scheikunde en fysica, master in de health care en bachelor in de sociale wetenschappen. Rome is niet op één dag gebouwd, maar deze universiteit krijgt een steeds ruimer en uitgebreider curriculum en daardoor een grotere aantrekkelijkheid.

In Limburg stellen wij vast – in die zin is het ook een billijk verhaal – dat de universitaire participatie van de Limburgse jongeren beduidend lager ligt voor die opleidingen die niet aan de Universiteit Hasselt worden aangeboden, maar dit is een overwinning, minister. Had iemand twee of drie jaar geleden deze uitbreiding vooropgesteld, dan had men gezegd ‘je moet de mensen niet voor de gek houden, je moet hen niet de kop zot maken’. Hier kunnen we aan de Limburgse gemeenschap en vooral aan de jongeren iets bieden wat inderdaad vorm geeft aan hun toekomst. Het is nu vooral zaak om te zorgen dat we de schooluitval, degenen die het middelbaar onderwijs zonder diploma verlaten, opnieuw onder controle krijgen. Dan heeft die Universiteit Hasselt zeker een toekomst.

Iedere keer opnieuw, na elke regeringsonderhandeling en -vorming, stel ik vast dat het aanbod ruimer en groter wordt. Hier is goed werk geleverd door de regering, en bij uitbreiding – denk ik toch – door het hele parlement, want niemand kan daartegen zijn. Voor sommigen zal het altijd te weinig zijn. Het is ‘the duty of the opposition to oppose’. Daarom denk ik dat het belangrijk is dat de zogenaamde ‘onderwijsgestelde lichamen’ van Limburg ook die boodschap uitdragen. Op die manier geeft men degenen die de uitbreiding mogelijk maken, ze in feite ook gunnen, zeker in het licht van de oppositie, van de andere universiteiten in Vlaanderen, een zeer ondankbaar signaal. Dat is eigenlijk de waarheid onrecht aandoen. (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Collega Daniëls, we hebben deze discussie al gevoerd. We zijn het eens over het feit dat er iets extra’s moet gebeuren rond taalachterstand. Maar er moet iets extra’s gebeuren dat ook werkt. Die aparte voltijdse taalbadklassen werken niet. Dat blijkt keer op keer uit onderzoek, maar dat interesseert u blijkbaar niet.

Ik ben eigenlijk blij dat u begint over de voorstellen van toenmalig minister Smet, omdat dat vooral bewijst dat wij al heel lang bezig zijn met taalachterstand. Wij zijn al lang bezorgd over taalachterstand. Wij beseffen als socialisten als geen ander hoe belangrijk een goede kennis van het Nederlands is om ieder kind een kans te geven in ons onderwijs.

Als u dan toch de moeite genomen hebt om de nota van minister Smet te lezen, had u ze beter ook goed gelezen. Ja, daar staat inderdaad ‘taalbad’ in, maar taalbad in de vorm van een ‘crash course’, en absoluut niet in de vorm van een voltijds programma, apart en voor maximaal een jaar, zoals u voorstelt. Er staat ook in dat er werk moest worden gemaakt van extra lessen Nederlands voor kinderen met een taalachterstand, want dat werkt wel. Dat is wat wij voorstellen, dat werkt net zoals extra plaatsen in de kinderopvang, net zoals kleine klassen, net als brede scholen. Dat werkt om de taalachterstand van kinderen weg te werken. Begin maar eens met daar al werk van te maken.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Voorzitter, ik twijfel eraan of het mijn West-Vlaams is dat ervoor zorgt dat ik niet goed verstaanbaar ben. Ik weet het niet, maar ik kan in elk geval nog altijd recht in de spiegel kijken. We zijn trouw gebleven en hebben lijn gehouden. We hebben altijd gezegd dat we geen ingangsexamen wilden, en het is geen ingangsexamen. Het is een screening bij het begin van de derde kleuterklas, bij het begin van de leerplicht. Dan hebben we nog de derde kleuterklas, een heel jaar, om te remediëren en eventueel te zien wat die kleuter precies nodig heeft, op maat van de kleuter. Het is een continuüm van mogelijkheden. Dat is heel belangrijk. Dat hebben we altijd gezegd. Ik denk dat ik Nederlands spreek en goed verstaanbaar ben.

Niet zo goed als ik, maar toch. (Gelach)

U spreekt perfect Nederlands, mevrouw Vandromme.

Dank u wel.

We hebben al heel wat semantische discussies gevoerd. Ik heb het al gezegd: we hebben de definitie van taalbad aangepast. Het is een continuüm van mogelijkheden. Het kan. De klassenraad beslist en geeft advies wat het best is voor die leerling. Dat is voor ons het belangrijkste, dat het op advies is van de klassenraad. Het is de klassenraad die heel goed weet wat die kleuter nodig heeft, en voor ons is dat het belangrijkste.

Ik zal alle vernietigende adviezen over die taalbadklassen, taalbadjaren en taaltesten niet blijven herhalen. Dat heeft geen zin.

Ik heb een vraag voor jullie, voor minister Weyts, voor de heer Daniëls en ook voor de collega’s van CD&V en Open Vld: waarop baseren jullie je? Waarop baseren jullie je? Op welk onderzoek? Op welke mensen op het terrein die aangeven dat dit is wat werkt? Is er een probleem? Ja, daar zijn we het uiteraard over eens. Moeten we daar iets aan doen? Ook daar zijn we het over eens. (Opmerkingen)

Wat doen we dan? Dan vertrek je vanuit de gegevens die de wetenschap en het onderzoek je aanreiken over wat er werkt. We hebben dit al verschillende keren herhaald. Ik zal dat niet nog eens opnieuw doen, want dat heeft geen zin. Waarop baseren jullie je om te zeggen dat het helpt om kleuters een jaar langer in de kleuterklas te houden? Waarop baseren jullie je om te zeggen dat zo’n taalbadjaar zal helpen? Waarop baseren jullie je dat dat in het belang is van het kind? Dat zijn wel gewichtige woorden die je gebruikt. Waarop baseren jullie je om te zeggen dat dat in het belang is van het kind? Waarop baseren jullie je om te zeggen dat je een jaar neemt, maar een leven geeft? Waarop? Ik wil dat weten. De heer Daniëls is hier vorige keer afgekomen met studies die nergens op trokken. Ze waren twintig, dertig jaar oud of kwamen van wetenschappers die worden verguisd door hun collega’s. Waarop baseren jullie je om dit in te voeren met bijzonder verstrekkende gevolgen voor de kinderen in ons land?

Ik vind dat heel speciaal om na zo’n tussenkomst in te gaan op de woorden van iemand die zegt dat wij gewichtig zijn. Ik vind dat u altijd heel gewichtig tussenkomt.

Waar het eigenlijk over gaat, mijnheer D’Haese, is dat het de bedoeling is dat we ervoor zorgen dat jonge kinderen vanaf jonge leeftijd de taal op een goede manier aangeleerd krijgen. Dan doen we door die mogelijkheid te creëren, door de verplichting in te schrijven dat je vanaf de derde kleuterklas naar school gaat, door extra in te zetten op leerlingen met een verschillende taalachtergrond, door ervoor te zorgen dat zij meekunnen vanaf het eerste leerjaar, wetende dat het heel moeilijk is om in het eerste leerjaar gegooid te worden zonder dat je daarbij de juiste begeleiding krijgt. We zeggen dat een klassenraad kan oordelen of een leerling kan overgaan of niet, maar er kan ook de boodschap worden meegegeven om er in het eerste leerjaar verder voor te zorgen dat de leerling kan bijbenen.

Het gaat er niet over dat je geslaagd bent of niet, zoals u altijd in dat zwart-witverhaal laat doorschemeren. Zoals wij dit naar voren brengen, zal dat taalbad in de meest extreme vorm erover gaan dat je gedurende een paar maanden of een jaar extra begeleiding krijgt. Dat zijn geen aparte scholen. Het gaat over taalbadklassen om ervoor te zorgen dat je intensieve begeleiding krijgt.

Ik wil gerust met u meegaan in de redenering dat het beste voor kinderen geen aparte scholen of aparte klassen zijn, dat het beste voor kinderen is dat ze met leeftijdsgenootjes in een klas zitten en de juiste begeleiding krijgen. Dat is waar, maar wat er net werd gezegd, is ook waar. Probeer maar eens in bepaalde steden die klasjes te vinden, waar je alleen maar omringd wordt door Nederlandstalige kindjes. Dat is niet zo eenvoudig.

Wat wij nu willen doen, is ervoor zorgen dat elke leerling, welke achtergrond of taal hij ook heeft, op de juiste manier begeleid wordt. Eigenlijk zou u hier moeten zeggen: bravo, meerderheid, blij dat jullie meewillen in een verhaal waarin alle leerlingen op een goede manier kansen krijgen doordat ze Nederlands kennen. (Applaus bij de meerderheid)

Ik heb een soort déjà-vugevoel. Het is net alsof we het debat over de praktijktesten aan het overdoen zijn. Er wordt een soortgelijke logica gebruikt, waarbij er een compromis gevonden is. De ene kan dan zeggen dat het niet de bedoeling is dat er taalbaden komen waardoor een kind een jaar apart zit, en de andere kan dan zeggen dat het echt de bedoeling is om taalbadklassen te maken. Als je de meerderheid op die tegenstelling wijst, zegt ze dat het een semantische discussie is. Dat is geen semantische discussie, net zoals de discussie over de praktijktesten dat ook niet was. Het is een fundamentele discussie. We zijn het allemaal eens over het principe dat je zo snel mogelijk Nederlands moet leren, net zoals we het allemaal eens zijn over het principe dat we tegen discriminatie zijn. De vraag is: hoe doe je dat het effectiefst?

En dan is de vraag: luisteren we naar de wetenschap of luisteren we naar een soort ideologisch buikgevoel van de N-VA, die zegt: ‘Ergens op het terrein heeft iemand ons wel al eens gezegd dat het beter werkt, als je de kindjes apart zet.’? Want daar komt het op neer. Er is geen wetenschappelijk bewijs dat die taalbadklassen werken, integendeel.

De conclusie is dat we dus toch die richting uitgaan en dat we niet luisteren naar de wetenschap die zegt dat we sneller leren als we samenzitten, als we al spelend leren, als we het welzijn in het oog houden, als we van alles doen wat de wetenschap al onderzocht heeft rond het aanleren van talen en in binnen- en buitenland al bewezen is. Zoals de vorige keer kiezen we er hier opnieuw voor om het buikgevoel te laten primeren over de wetenschap en om ‘ons goesting’ te doen. Wij hebben daar een fundamenteel probleem mee en daarom zijn we het hier niet mee eens. (Applaus bij Groen, sp.a en de PVDA)

Collega’s, soms ben ik wat in de war. Hier zijn partijen die het niet nalaten om op allerlei socialemediakanalen, waar ze dan veel geld tegenaan gooien, te zeggen: ‘Luister naar de basis! Luister naar de mensen met hun voeten in de praktijk! Luister daarnaar!’ Mijnheer D’Haese, u mag zich aangesproken voelen.

Wel, wij doen dat. Wij luisteren naar leerkrachten uit het eerste leerjaar. En er zijn scholen waar het lukt, iedereen samen plaatsen. Er zijn scholen waar dat lukt, ja. Maar er zijn scholen, ook in de stad waar u woont, waar dat niet lukt. En waarom lukt dat niet? Omdat die diversiteit gigantisch is. Hier zijn ooit partijen geweest die zeiden dat we thuistalen moeten aanleren op school. Ik herinner mij nog levendig zo’n debat. Als N-VA’er, met dat buikgevoel, zei ik toen: ‘Het is goed, we gaan dat doen, want de wetenschap heeft het aangetoond. We gaan dat doen.’ Dan stelde ik wel de vraag welke thuistaal, want in de zaal zaten leerkrachten van wie de thuistaal van de leerlingen Frans, Duits, Engels, Spaans, Arabisch, Russisch, Pools en Nederlands waren. Waar gaan wij de leerkracht vinden die die thuistalen in een klas van twintig leerlingen gaat geven? Want dat is de realiteit in Vlaanderen. Dat is de realiteit in Vlaanderen, in mijn dorp, het landelijke Sint-Gillis-Waas, in de klas van mijn kinderen. Ik doe de vaststelling zoals ze is.

In Belsele zijn we met minister Crevits en oud-collega De Meyer naar een school geweest waar ze een taalbad hadden. En in dat taalbad zaten kinderen, sommigen een maand, anderen twee of drie maand en een paar zelfs een jaar. Weet u hoeveel ongelukkige mensen er op die school waren? Nul! Nul! Weet u wie wel gelukkig was? De leerkrachten, want zij waren zeker dat de leerlingen die bij hen in de klas zaten, hen begrepen. Die leerlingen zaten niet als Alice in Wonderland in de klas. Wie was er nog gelukkig? Die leerlingen. Weet u hoe die leerlingen dat verwoordden? ‘Wij voelen ons veilig. Wij voelen ons daar veilig.’ Waarom? ‘Omdat we er hier niet mee geconfronteerd worden dat we niet meekunnen en het niet verstaan. We zijn hier in een veilige omgeving.’ Collega’s, dat is ook wat we doen met de onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers (OKAN).

En als we gewoon verder zouden doen zoals nu, want dat zeggen jullie hé … (Opmerkingen van Jeremie Vaneeckhout)

Collega’s, ik doe het niet graag, maar ik ga het toch voorlezen, want u zit hier van alles te zeggen, maar u hebt het decreet niet gelezen. Ik lees even voor wat collega’s Vandromme en De Gucht ook al hebben gezegd. In artikel 27, §4, staat: “Met taalbad wordt vanaf het schooljaar 2021-2022 bedoeld intensieve onderwijsactiviteiten” – dat zijn dus die lessen waar u over sprak – “die tot doel hebben de leerling door onderdompeling in de onderwijstaal deze onderwijstaal te laten verwerven in functie van een snelle integratie in de reguliere onderwijsactiviteiten.” Dan moet u mij eens zeggen wat u daartegen kunt hebben. “Dit kan een voltijds traject zijn. Een leerling kan gedurende het basisonderwijs maximaal één schooljaar een voltijds taalbad of voltijds gelijkwaardig alternatief volgen.”

Wat verder, §7: “De leerkracht die het onderwijs in het taalintegratiebad verstrekt, wordt betrokken bij de beslissing over de duur en de intensiteit van het taalintegratiebad.” Dat is wat er staat, collega’s. Maar dat wilt u niet lezen. (Opmerkingen. Rumoer)

U zit vast in uw eigen gedacht dat dat allemaal slechts kommer en kwel is. Stop daar gewoon mee. Geef de mogelijkheid aan het onderwijs, aan leerkrachten en aan die klassenraden en heb vertrouwen in die klassenraden. U zegt: ze mogen dit niet kiezen. Dat zegt u. Het is een optie die we bieden, die ze kunnen kiezen. U zegt: schrap het. Dan is er geen optie meer. Dan mogen ze het niet meer kiezen. Dat is een motie van wantrouwen tegen al die leerkrachten om u tegen te zeggen. Daar gaan wij niet in mee, collega’s. (Applaus bij de meerderheid)

Collega’s, minister, ik heb ooit les gegeven. Herhaling is een mooie deugd. Ik was van plan om voor te lezen en ga dat ook doen. Er staat: “Een leerling kan gedurende het basisonderwijs maximaal één schooljaar een voltijds taalbad of” – mevrouw Meuleman en andere collega’s ­– “een voltijds gelijkwaardig alternatief volgen.” In het zinnetje eronder staat: “De definitie van het taalbad wordt verfijnd ten opzichte van de huidige definitie.” Natuurlijk, als je gaat discussiëren over het woord taalbad, dan staat hier letterlijk wat het precies inhoudt, namelijk: het wordt verfijnd. Ik wil het nog een keer herhalen: belangrijk is dat er een continuüm is van maatregelen en dat de klassenraad, die altijd met de leerling onderweg gaat, beslist wat het beste is voor de leerling. Dat is wat wij hier vandaag willen goedkeuren. Ik betreur echt dat jullie dat op een heel eenzijdige manier bekijken, alsof wij die leerlingen willen straffen. Neen, het is net de bedoeling om hen echt op weg te zetten en een springplank te bieden voor hun toekomst. Dat is wat we hier op tafel leggen. (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Beckers heeft het woord.

In het kader van het constructief oppositievoeren wil ik nog even de meerderheid bijtreden. Ik denk dat jullie misschien een taalbadklas moeten volgen. Jullie zeggen echt dingen die niet in het ontwerp van decreet staan. Ik snap niet waar jullie die dingen lezen. Dus ik begrijp niet goed waar dat vandaan komt. Ik wou dus toch nog even duidelijk maken dat jullie spoken zien. (Applaus bij het Vlaams Belang en bij de N-VA)

Mevrouw Grosemans heeft het woord.

Ik kom even terug op de Universiteit Hasselt – of wat hadden jullie gedacht? Waarom keer ik terug naar Limburg? Omdat ik mij als Limburgse eigenlijk al een hele tijd heel ongemakkelijk voel, omdat ik ook wel vind dat wij heel ondankbaar overkomen. Ik heb al verschillende collega’s gehoord van andere provincies die zeggen dat Limburg een voorkeursbehandeling krijgt. Ze hebben gelijk. Als Limburg hetzelfde werd behandeld als de andere provincies, dan zouden we geen enkele opleiding hebben gekregen. Daarom weiger ik mij te laten aanpraten dat Limburg hier de mindere is, dat er sprake is van onrecht en dat we tekort worden gedaan. Het is zoals minister Weyts zegt: in tijden van rationalisatie krijgt Limburg als enige provincie, conform het regeerakkoord, vier nieuwe opleidingen en 5 miljoen euro voor de organisatie ervan. Ik vind dit amendement dan ook compleet misplaatst. Het ontwerp van decreet zorgt net voor de uitvoering van een goede afspraak in het regeerakkoord. Ik zou willen oproepen om te stoppen met zeuren over iets waar we in feite heel erg blij mee mogen zijn. (Applaus bij de meerderheid)

Minister Ben Weyts

Heel kort, met betrekking tot de bezwaren van de linkerzijde ten aanzien van het taalbad en de taalscreening. Vanuit mijn perspectief vat ik samen. Ze zeggen: ‘Minister, u moet iets doen aan dat beleid van de Vlaamse Regering ten aanzien van dat Nederlands.’ Vervolgens doe ik er iets aan, iets kordaats en doortastends. Dan zeggen ze: ‘Neen, iets kordaats en doortastends dat iets zou kunnen veranderen, dat mag u niet doen. Eigenlijk moet u gewoon een beetje blijven verder doen zoals we vandaag bezig waren.’ Daar komen uw voorstellen eigenlijk allemaal op neer, gelardeerd met fetisjen en symboolpolitiek. Een taalbad van twaalf maanden mag niet, een taalbad van elf maanden mag dan weer wel. Apart mag niet, maar ten dele apart dan weer wel, zoals in Vilvoorde.

Wij willen gewoon een aanpak op maat mogelijk maken. Ik wil wel enigszins tegemoetkomen aan uw bezwaren en u wat geruststellen. U zegt dat er wetenschappelijke verdeeldheid is over deze kwestie. (Opmerkingen van Jos D’Haese)

U zegt eensgezindheid. Dat is misschien in uw wereld. In het universum dat u frequenteert, is dat ongetwijfeld zo.

Collega D’Haese, minister Weyts heeft het woord. U kunt straks nog antwoorden, geen enkel probleem.

Minister Ben Weyts

Trouwens, als we hier niks mogen bespreken en goedkeuren, als we geen stappen vooruit mogen zetten wanneer er wetenschappelijke verdeeldheid is, dan zullen we binnen het beleidsdomein Onderwijs, maar ook in alle andere beleidsdomeinen vooral veel nietsdoen. Ik kan u echter geruststellen als uw bekommernis is dat er geen wetenschappers zijn die dit idee steunen. Het instrument van de taalscreening zal worden uitgewerkt door een wetenschappelijk team. Voilà, dan zijn al uw bezwaren, de laatste bezwaren die u toch nog had, bij dezen van de baan. U denkt dat er geen enkele wetenschappelijk evidentie is, dat dat wetenschappelijk totaal niet wordt ondersteund. Wel, het zullen wetenschappers zijn die het instrument zelve van de taalscreening zullen uitwerken. (Applaus bij de N-VA)

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2019-20, nr. 328/7)

– Er zijn geen opmerkingen bij de artikelen 1 tot en met 75.

Er is een amendement op artikel 76. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2019-20, nr. 328/9)

– Er zijn geen opmerkingen bij de artikelen 77 tot en met 93.

Er is een amendement op artikel 94. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2019-20, nr. 328/9)

– Er zijn geen opmerkingen bij artikel 95.

Er zijn amendementen op artikel 96. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2019-20, nr. 328/9)

– Er zijn geen opmerkingen bij de artikelen 97 tot en met 108.

Er is een amendement op artikel 109. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2019-20, nr. 328/9)

– Er zijn geen opmerkingen bij de artikelen 110 tot en met 124.

Er zijn amendementen op artikel 125. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2019-20, nrs. 328/8 en 328/10)

– Er zijn geen opmerkingen bij de artikelen 126 tot en met 199.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemmingen over de amendementen, de artikelen en het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.