U bent hier

De heer Daniëls heeft het woord.

Beste collega’s, een nieuw onderzoek verscheen van het Steunpunt voor Onderwijsonderzoek (SONO): ‘Verklarende mechanismen voor sociale keuzeverschillen bij de overgang van de tweede naar de derde graad secundair onderwijs’. Bij de overgang van de tweede naar de derde graad zouden er sociale verschillen zijn. Men ging kijken naar de mate waarin leerlingen, wanneer ze van het vierde middelbaar naar het vijfde middelbaar gaan, een studiekeuze maakten die al dan niet een gelijkwaardige hoeveelheid wiskunde had als de richting die ze voordien gevolgd hadden. Op zich stel ik mij al wat vragen bij de opzet van dat onderzoek, want het is natuurlijk nogal logisch dat een leerling die niet zoveel wiskunde gehad heeft in de eerste en tweede graad, allicht in de derde graad geen studiekeuze zal maken met meer wiskunde dan hij al gehad heeft. Wie dat doet, is een uitzondering.

Maar goed, men heeft onderzoek gedaan naar die sociale achtergrondkenmerken. Het is toch wel opvallend – en ik ben blij dat het naar voren komt –: het onderzoek zegt dat men eigenlijk geen verband gevonden heeft met sociaal-economische status, cultuur, cultureel kapitaal. Maar wat men wel heeft gevonden – en dat is een belangrijke boodschap voor ons allemaal – is dat de verwachtingen van de leerkrachten daarbij heel belangrijk zijn, verwachtingen in de zin van ‘Komaan, mannen, we halen er alles uit’. De verwachtingen van ouders en de opvattingen in het thuismilieu ten aanzien van onderwijs, dat is belangrijk.

Daarnet hadden we het over lerarentekorten en leerkrachten die het niet zien zitten. Daarbij is het een belangrijk signaal dat we tegen leerkrachten zeggen: durf uw leerlingen uitdagen, blijf ze uitdagen, nivelleer niets, maar ga ook niet bij de pakken neerzitten, zo van ‘och God, ocharme, och here’, of met de gedachte die hier regelmatig wordt geproclameerd: ‘de sociaal-economische status van het thuisgezin bepaalt alles’, want dat is niet het geval.

Minister, mijn vraag is dus: hoe kunnen we er nu verder voor zorgen dat leerlingen ook van de tweede naar de derde graad de juiste keuze blijven maken, ook bij de modernisering van het secundair onderwijs?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Er zijn twee elementen. Ten eerste, duidelijkheid inzake de keuzes, en ten tweede, vrijheid op het vlak van de keuzes. Met duidelijkheid inzake de keuzes bedoel ik dat we een duidelijk onderscheid moeten behouden tussen de verschillende onderwijsvormen aso, bso, tso. Dat is niet een pot nat, er is een duidelijk onderscheid. Men moet ook een duidelijk zicht hebben, vanaf het eerste jaar tot de volgende vijf jaren, op het curriculum dat elke leerling kan volgen, op basis van de keuzes die onderweg worden gemaakt. Vandaar ook de vraag naar een duidelijke, uniforme tabel. Transparantie dus, zodat je weet wat elk kind uiteindelijk kan volgen, welke keuzes er in heel het traject gemaakt kunnen worden in de loop van die zes jaar van het secundair onderwijs.

Het tweede luik is dan de vrijheid van keuzes, namelijk keuzes kunnen maken op basis van je eigen talenten en ambities. Het onderzoek van SONO zegt daarover dat sociaal-economische kenmerken niet allesbepalend zijn. Het is vooral de ouderlijke verantwoordelijkheid. Dat kunnen we niet genoeg benadrukken: ouders moeten niet alles afschuiven op de school maar dragen zelf verantwoordelijkheid. Ze moeten hun kinderen ook prikkelen, uitdagen, naar boven tillen en ambitieus laten zijn. De leerkrachten hebben natuurlijk ook een bepaald verwachtingsniveau. De onderzoekers zeggen vervolgens ook dat het zeer goed is dat die leerkrachten centraal worden gesteld, maar anderzijds is het in sommige gevallen ook zo dat de verwachtingen van leerkrachten een beetje getekend zijn door sociaal-economische achtergrond.

Het is nooit bewezen dat dit een bewust proces is, maar men denkt dat dit in het onderbewustzijn zeker kan meespelen. Wat wel bewezen is, en dat is belangrijk, op basis van Nederlands onderzoek, is dat het beste antwoord op een mogelijke vertekening van de verwachtingen van leerkrachten net uniforme, brede proeven zijn. Op grond daarvan worden de verwachtingen van leerkrachten bijgesteld. Men heeft dan Vlaanderenbreed een objectief meetinstrument. Dat zijn net de proeven die wij willen invoeren.

Minister, vanuit de N-VA maar ook vanuit de meerderheid – dat staat immers in het regeerakkoord – willen wij een duidelijke, uniforme tabel en dus geen uitschieters langs alle mogelijke kanten waar ouders en leerlingen niet meer weten wat waarnaartoe leidt. Dat is ook voor de leerkrachten belangrijk wanneer we bij het verhaal van de eindtermen komen. Bij die eindtermen verschaffen we duidelijkheid en maken we een duidelijk onderscheid tussen het doel van aso, tso-doorstroom en bso-arbeidsmarktgerichtheid. We gaan daarbij inderdaad niet voor één pot nat.

In de studie komen ook de verwachtingen van de leerlingen zelf naar voren. Uit het laatste PISA-onderzoek is gebleken dat onze eigen leerlingen eigenlijk kiezen voor de weg van de minste weerstand. We moeten leerkrachten en leerlingen daar vragen om de lat hoog te blijven leggen en niet te mikken op degene die net niet meekan. Het moet de bedoeling zijn alle leerlingen uit te dagen.

Mevrouw El Kaouakibi heeft het woord.

Eind 2019 hebben we een actualiteitsdebat gehad over de PISA-resultaten. Het kan niet worden ontkend dat de sociaal-economische situatie van jongeren wel degelijk een invloed heeft. 17 procent bepaalt de toekomst van een jongere in het onderwijs.

Dit onderzoek daarentegen toont inderdaad aan dat de sociaal-economische situatie geen of minder invloed heeft op de studierichting maar wanneer het aankomt op ouders enerzijds en leerkrachten anderzijds – en u twijfelde eventjes, minister –, gebeurt dat vaak onbewust. Toen ik dat de vorige keer zei, werd me gevraagd of ik dan de klassenraad niet vertrouw. Natuurlijk wel, maar het is nu eenmaal zo dat er vaak onbewust een bias aanwezig is en dat dagelijks, elke dag opnieuw, honderden jongeren een keuze krijgen die niet past bij hun talent, aanleg of interesse. En in dat opzicht vind ik het wel heel belangrijk dat we in het hele verhaal van de professionalisering van leerkrachten maar ook in de lerarenopleiding inzetten op onbewuste biases. Hoe kijken we ambitieus naar elk kind en hoe zorgen we ervoor dat elk kind een leerkracht heeft die in hem of haar gelooft?

Wat de ouders betreft, moeten we er lokaal in die wijk alles aan doen om de ouderparticipatie te verhogen. Zelfs wanneer de ouders het schoolsysteem niet kennen of zelf niet ambitieus zijn, noch voor zichzelf, noch voor hun kinderen, moeten wij daarop inzetten. (Applaus bij Open Vld)

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Ik heb het onderzoek van SONO nog niet gelezen, het is dan ook moeilijk om er uitgebreid commentaar op te geven, maar ik heb toch twee opmerkingen. Natuurlijk hebben ouders verantwoordelijkheid, maar leerkrachten hebben die ook. Ik denk dat we het erover eens zijn dat gemotiveerde leerkrachten die geloven in leerlingen, altijd het grootste verschil maken in de schoolcarrière van alle leerlingen, los van hun achtergrond of waar zij vandaan komen. En het moet inderdaad de ambitie zijn om alle leerlingen over die lat te laten springen. Leerkrachten spelen daarin een cruciale rol. Ik roep dan ook nogmaals op om niet enkel te investeren in goede maar ook in voldoende leerkrachten, die bovendien die biases niet hebben.

Wat de studieoriëntatie betreft, zullen we er met een duidelijke matrix alleen niet komen. Er is nog heel veel werk op het vlak van studieoriëntatie. Een proef op het einde van de carrière of een gesprek met de klastitularis is echt niet voldoende om te weten waar iemand met zijn leven naartoe moet. Dit is dan ook een oproep, minister, om deze legislatuur na te denken over betere trajecten van studieoriëntatie, al vanaf het derde middelbaar. (Applaus bij sp.a)

De heer De Witte heeft het woord.

Dank u wel, voorzitter. Ik heb de studie wel gelezen, maar ik vraag mij af of wij wel dezelfde studie gelezen hebben. Ik citeer: “De studie toont aan dat leerkrachten lagere verwachtingen hebben van leerlingen uit sociaal zwakkere milieus, ook als die dezelfde scores behalen als leerlingen uit sociaal sterkere milieus. ‘Het effect daarvan is significant’, zegt onderzoeker Ilse Laurijssen.” Mijnheer Daniëls, ik weet niet waar u het haalt. Het is een indirect effect, maar er is een duidelijke link tussen sociaal milieu en doorverwijzing naar de richtingen.

Minister, u schuift onmiddellijk de zwartepiet door naar de ouders, maar het hoofdprobleem ligt wel degelijk bij ons onderwijs. Het hoofdprobleem ligt bij ons onderwijs en ik ga nog eens kort herhalen waarom: een op de twee kinderen uit de armste gezinnen zit in het bso, tegenover een op de dertig kinderen van de rijkste ouders. Een kind uit een arm gezin heeft zeven keer meer kans op een C-attest dan een kind uit een rijk gezin. Begin jaren 90 ging een op de drie van de afgestudeerden aan de universiteit …

Collega De Witte, uw vraag luidt?

Ook op dat vlak zijn we achteruitgegaan. Mijn stelling luidt dat we het niet gaan oplossen met proeven, maar met een studiekeuze op latere leeftijd – daar is onderzoek over – met een betere spreiding van de inschrijvingen en met investeringen in het onderwijs.

Mijnheer De Witte, u gaat er altijd los over – en dan bedoel ik qua tijd, niet qua inhoud, want daar spreek ik mij niet over uit. (Gelach. Opmerkingen van Kim De Witte)

De heer Laeremans heeft het woord.

Mijnheer Daniëls, ik wil eerst in het algemeen zeggen dat we nog maar aan de tweede graad toe zijn, niet aan de keuze naar de derde graad. We moeten eerst nog de nieuwe eindtermen voor de tweede graad zien, en zover zijn we nog niet. Maar goed, het is niet slecht om er al over na te denken.

Ik hoor van verschillende collega’s iedere keer hetzelfde riedeltje dat leerkrachten fout zitten en dat ze leerlingen van een zogezegd lagere komaf naar de lagere studierichtingen sturen – het watervalsysteem. Ik vind het fout dat men dat op die manier percipieert. Het gaat altijd over het aantal uren wiskunde. Iemand die zes uur wiskunde per week volgt, dat is iemand die hoog mikt, die ambitieus is. Sorry, maar ook iemand die naar de hotelschool gaat of die elektriciteit of handel studeert, kan even ambitieus zijn. We moeten overal de lat hoger leggen en mogen niet denken dat dat slecht zou zijn voor bepaalde leerlingen die maar een bepaalde keuze hebben gemaakt. Het is dan nog aan hen om zich te bewijzen. Ik vind het al te gemakkelijk dit op de leerkrachten af te schuiven.

De heer Brouns heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega Daniëls, voor ons is deze studie andermaal een bevestiging dat het uitermate belangrijk is om in te zetten op een goede begeleiding en ondersteuning bij de keuze voor een studierichting en om mensen daarin te vertrouwen. Het versterken van de competenties van de leerlingen is daarbij zeker geen overbodige luxe. In essentie gaat het inderdaad, zoals al gezegd is, over een van de fundamenten van de modernisering van het secundair onderwijs. Het regeerakkoord voorziet in een heel goede oriëntering.

Collega’s, de essentie blijft voor ons dat alle jongeren alle kansen moeten krijgen om hun talenten maximaal te kunnen ontwikkelen, ongeacht hun sociaal-economische achtergrond. Zowel het onderwijs als wijzelf hebben daarin een heel belangrijke opdracht voor ons liggen.

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, het gaat inderdaad over die onbewuste mechanismen en over het feit dat kleur, gender en sociale achtergrond onbewust meespelen en zo voor een kloof zorgen in ons onderwijs. Leerkrachten kunnen daar niets aan doen, want je kunt je eigen identiteit en achtergrond niet uitschakelen. Mijn vragen aan u zijn echter hoe we leerkrachten kunnen ondersteunen om zich daar meer bewust van te zijn en hoe we meer diversiteit in het lerarenkorps kunnen krijgen. Wat gaat u daaraan doen, want daarmee zou u die onbewuste mechanismen voor een stukje gaan wegnemen? Dat zijn mijn concrete vragen.

Minister Ben Weyts

Mijnheer De Witte, uw leesvermogen zit snor, maar uw luistervermogen is iets minder, want ik heb heel duidelijk gezegd dat de leerkracht in dezen centraal staat. De conclusie is dus dat ouders de verantwoordelijkheid dragen, maar dat de leerkracht centraal staat. Ik ga niet met een beschuldigende vinger naar de leerkrachten gaan wijzen, als zouden die voor alles en nog wat verantwoordelijk zijn.

Mevrouw El Kaouakibi, de lerarenopleiding willen we net gaan versterken. U hebt daarin overschot van gelijk. We willen de lat hoger leggen om een beetje meer trek in de schouw te krijgen: we maken de opleiding aantrekkelijker door de lat hoger te leggen.

Verder mogen we aan jongeren uit sociaal-economisch zwakkere milieus vooral niet de boodschap geven dat ze een slachtoffer zijn, volgens de linkerzijde in dezen zelfs het slachtoffer van boze leerkrachten, die het allemaal niet goed met hen voorhebben. Neen, ook hen moeten we uitdagen, naar een hoger niveau tillen. Bij uitstek jongeren uit een sociaal-economisch zwakker milieu hebben meer baat bij een kwalitatief, degelijk onderwijs dan alle anderen. De oplossing is dus niet het niveau naar beneden halen voor iedereen, de oplossing is het niveau naar boven halen voor iedereen. (Opmerkingen)

Dank voor de collega’s die de studie van vorige week hebben gelezen. Als je tussenkomt, is het belangrijk dat je weet waarover je spreekt, en misschien ook luistert, maar dat is er duidelijk niet meer bij bij sp.a. (Opmerkingen bij sp.a)

Ik ben in elk geval wel blij dat iedereen het erover eens is dat SES niet allesbepalend is. In dit halfrond waren er tot voor kort immers partijen die zeiden dat SES alles bepaalt. Ook is niemand hier meegegaan in het beleid van een hoger diploma. Het onderzoek zegt immers dat mijn leerlingen jeugd- en gehandicaptenzorg, die maar drie uur wiskunde hadden, bijgevolg dus geen hoger diploma hadden. Dat zit in dat onderzoek, collega’s. Daar moeten we vanaf.

Kansarmoede doorbreek je het best door ambitieus en sterk onderwijs. Houden die leerkrachten rekening met de wiskunderesultaten? Ja. Kijken ze echter ook naar de taalvaardigheid van die leerling? Ja. Kan daar dan een sociaal-economische achtergrond bij zitten? Ja. Weet u wat we dan moeten doen? Sterk onderwijs en sterk Nederlands, en niet inzetten op thuistalen, want dan gaan we er niet komen. (Applaus bij de N-VA)

De actuele vraag is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.