U bent hier

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Minister, de druk op de wachtlijsten in woonzorgcentra neemt af: 4600 plaatsen staan open in de woonzorgcentra. Tijdens de vorige legislatuur zijn er 10.000 plaatsen bij gekomen omdat we toen zagen dat er wachtlijsten waren. Deze legislatuur worden er 5000 bijkomende plaatsen gecreëerd.

Naast het grotere aanbod zien we ook dat de verblijfsduur in die woonzorgcentra gehalveerd is. Nu verblijven mensen daar gemiddeld anderhalf jaar. We zien dan ook meer turn-over in die woonzorgcentra.

Tot slot zien we ook dat er steeds meer alternatieve woonvormen voor ouderen komen, en dat is aantrekkelijk voor die mensen omdat het vaak in een meer huishoudelijke sfeer gebeurt.

Minister, we zitten nu met die vrije plaatsen. Wanneer we toekomstige investeringen doen in collectieve woonvormen, moeten we dan niet eerder nadenken over de uitbreiding van de thuiszorg en vooral de investering in die alternatieve kleinschaligere woonvormen?

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Minister, de vorige legislatuur is er sterk geïnvesteerd in woonzorgcentra, er zijn ongeveer 10.000 plaatsen bij gekomen en dat was nodig, want we hoorden vaak over wachtlijsten ter zake. Ook voor deze legislatuur worden er nog 5000 bijkomende plaatsen gepland.

We lazen inderdaad dat er momenteel een bepaalde leegstand zou zijn van 4600 plaatsen. Er zijn regionale verschillen en we moeten die cijfers ook een beetje relativeren want dat betekent daarom niet dat er in groten getale en gedurende lange tijd woongelegenheden leegstaan, het gaat over wooneenheden die enkele dagen of weken leegstaan voor er een nieuwe bewoner komt of over plaatsen die nog niet zijn ingevuld in een nieuw woonzorgcentrum enzovoort. Die cijfers zijn wat ze zijn.

Er wordt natuurlijk ook geïnvesteerd in thuiszorg en in nieuwe woonvormen. Dat er plekken zijn die leegstaan in woonzorgcentra, heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat we meer en meer gericht zijn op die thuiszorg en dat mensen minder lang in een woonzorgcentrum verblijven, en dat is goed, want dat is hun eigen keuze. We zetten ook in op zo lang mogelijk thuis of in de eigen vertrouwde omgeving blijven wonen.

Minister, hoe zult u ervoor zorgen dat in de toekomst wordt tegemoetgekomen aan die verschillende noden die er zijn: de vraag naar thuiszorg, de vraag naar kleinschalige woongelegenheden, de vraag naar assistentiewoningen, de vraag naar woonzorgcentra?

De heer Anaf heeft het woord.

Gisteren stond in De Tijd een artikel, de collega’s hebben er al naar verwezen, over de overcapaciteit, waarbij over heel Vlaanderen ongeveer 4600 bedden of 5 procent van het aantal kamers leegstaan. Dat heeft een aantal redenen. Er zijn een aantal tendensen in onze samenleving. Aan de ene kant blijven mensen langer gezond en kunnen zij langer thuis wonen, wat een goede zaak is. Mensen willen ook graag zo lang mogelijk in hun eigen omgeving blijven wonen. Aan de andere kant is er natuurlijk de kostprijs. Twee weken geleden hebben we hier nog het debat gevoerd over de rusthuisfacturen, waaruit bleek dat een rusthuis gemiddeld 500 euro meer kost dan het gemiddeld pensioen. En tot slot zijn er ook de onderlinge verschillen in Vlaanderen. Vooral in de Kempen en in Limburg zit er nog een stevige vergrijzing aan te komen, terwijl West-Vlaanderen al een verzilvering heeft gekend en dus nu een overcapaciteit heeft.

Rusthuizen zijn duur voor de mensen die er verblijven en voor de overheid, want de financiering daarvan moet voor een groot deel van hieruit komen. Het is dan ook in ieders belang dat vraag en aanbod goed op elkaar worden afgestemd. Het is niet goed als mensen op de wachtlijst staan in een bepaalde regio maar het is ook niet goed dat er rusthuiskamers onbenut leegstaan. Dat kost ons ook alleen maar geld.

Minister, hoe gaat u proberen het aanbod en de vraag beter op elkaar af te stemmen? (Applaus bij sp.a)

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Collega's, twee weken geleden moest ik hier op basis van een ander krantenartikel antwoorden op de vraag wat ik ga doen aan het gebrek aan capaciteit. Vandaag zitten we al aan overcapaciteit. Het kan dus snel gaan, of het kan ook gewoon een andere krant zijn geweest.

Wat alleszins wel juist is, is dat er in de voorbije jaren stevig is geïnvesteerd in onze ouderenzorg, in het aanbod voor de woonzorgcentra. Dat is een goede zaak geweest. We gaan de volgende jaren moeten investeren in bijkomende capaciteit, maar ook in bijkomende kwaliteit en betaalbaarheid. Dat debat hebben we twee weken geleden in dit parlement gevoerd.

Is er leegstand en hoe groot is die problematiek? In 2014 was de bezettingsgraad gemiddeld 96,17 procent, vandaag is die 94,2 procent. Zo'n bijzonder groot verschil is dat niet. Waar ligt dat aan? Een, mensen die tijdelijk naar een ziekenhuis gaan, bezetten op dat ogenblik geen bed, maar er is geen vrije plaats. Ze worden in deze cijfers meegenomen.

Twee, in de bijkomende capaciteit die nu in volle uitrol is, trekt men ook personeel aan. Er zijn weinig woonzorgcentra, als die worden gebouwd met bijvoorbeeld 100 plaatsen, die onmiddellijk de volle 100 procent bezetten, omdat dat te maken heeft met de mensen die ze moeten binnenbrengen, onthalen, maar ook met het personeel dat daarvoor moet worden aangetrokken. Zeker met de arbeidskrapte van vandaag is het een issue om dat geleidelijk aan te doen. We moeten daar dus op een genuanceerde manier naar kijken.

In de volgende jaren gaan we bijkomend investeren in de ouderenzorg. 300 miljoen euro trekken we daarvoor uit. Er is afgesproken dat er tussen 2020 en 2025 een omzettingskalender kan zijn, waarbij men zelf kan kijken hoe er kan worden herschikt naar de thuiszorg, naar de gezinszorg, naar kortverblijf, naar een dagverzorgingscentrum, om ervoor te zorgen dat vraag en aanbod in de toekomst beter op elkaar kunnen worden afgestemd.

Kleinschaligheid is een belangrijk issue. Dat is natuurlijk een en-enverhaal in de manier waarop we buiten de woonzorgcentra het aanbod kunnen organiseren en op elkaar afstemmen, maar ook in de woonzorgcentra zelf. In toenemende mate wordt daar aandacht aan besteed. De tijd van de grote kolossen waar men op een anonieme manier in de vroegere rusthuizen terechtkwam, dat beantwoordt veelal niet meer aan de realiteit van vandaag en ook niet van morgen.

We staan in Vlaanderen voor een vergrijzing. In onze demografie is er nu een klein dipje en dat heeft alles te maken met de Tweede Wereldoorlog. Tussen 1940 en 2020 is er 80 jaar verschil. Dat betekent dat over vijf jaar, wanneer die cohorte – het doelpubliek van de woonzorgcentra – er zit aan te komen, we daarvoor klaar moeten staan. Ik zou niet graag hebben dat op dat ogenblik in het debat wordt gezegd dat we het vijf jaar geleden niet hebben aangepakt, dat we niet hebben geanticipeerd op de vergrijzing die er in Vlaanderen zat aan te komen, want dat doen we wel degelijk.

Minister, wij kunnen inderdaad omzetten, en dat is net mijn punt. We moeten zeer kort op de bal spelen. Er wordt aan overschatting gedaan, we zitten plots met een overschot aan plaatsen. Door zo snel te schakelen, kunnen we in de toekomst zulke zaken vermijden. Mensen willen veel langer kunnen thuisblijven. Pas als ze zeer zwaar zorgbehoevend zijn, gaan ze naar een woonzorgcentrum. Vandaar dat die verblijfsduur almaar verkort, en dat is eigenlijk een goede zaak omdat mensen in hun eigen omgeving kunnen blijven. Als ze zwaar zorgbehoevend worden, blijven ze liever in de huiselijke sfeer, in een veel kleinschaliger alternatieve woonvorm. In de toekomst gaan we daar veel meer op moeten inzetten. Dat zien we ook in andere sectoren gebeuren.

Ik denk dat dit iets is waarmee we in de toekomst absoluut veel meer rekening moeten houden. (Applaus bij Open Vld)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Vroeger woonden mensen thuis of in een woonzorgcentrum, maar nu zien we dat er een hele differentiatie is. Ik ben ervan overtuigd dat dit zich nog zal voortzetten. Het is zaak daar vanuit Vlaanderen oog voor te hebben en daar mogelijkheden voor te creëren.

Ik denk dan aan aangepaste woongelegenheden en assistentiewoningen, maar er zijn ook nieuwe projecten, zoals SeniorenThuis. In het woonzorgcentrum zijn er ook verschillende mogelijkheden. Er zijn gewone woongelegenheden, maar er is ook het kortverblijf. Het zal zaak zijn hiervoor in de woonzorgcentra de nodige flexibiliteit te bieden.

In de erkenningskalender is de omzetting mogelijk gemaakt, maar misschien moeten we dat ook tijdelijk mogelijk maken, zodat de openstaande plekken bijvoorbeeld voor korte tijd in kortverblijf kunnen worden omgezet. Ik denk dan ook aan het voorstel dat we enkele jaren geleden hebben gedaan met betrekking tot koppels in woonzorgcentra.

Minister, de leegstand is een probleem, maar wat mij het meest verontrust, is dat er blijkbaar nog heel wat marge op de prijzen van rusthuizen zit. Ik heb in het artikel gelezen dat bepaalde rusthuizen 5 tot 10 procent korting geven om de kamers toch gevuld te krijgen. Dat moet alarmbellen doen afgaan. Ik stel me dan de vraag of de andere mensen geen 5 tot 10 procent te veel betalen.

Ik heb al verwezen naar het debat dat we twee weken geleden hebben gevoerd. U hebt hier toen vol trots de dagprijscontrole verdedigd. U hebt gezegd dat de prijs altijd verantwoord is. Als ik zie dat bepaalde rusthuizen een marge van 10 procent hebben, vraag ik me concreet af hoe u ervoor kunt zorgen dat dagprijs naar beneden kan voor onze ouders en grootouders, mensen die heel hun leven aan het systeem hebben bijgedragen. Er is een marge. (Applaus bij sp.a)

Mevrouw De Martelaer heeft het woord.

Minister, ik begrijp dat de programmatie tot eind 2025 is opgeschort en ik heb in uw antwoord gehoord dat aan omvorming wordt gedacht, maar vanuit onze kant vragen we aandacht voor het aanbod voor mensen in lagere prijsklassen. U zou daar wat zorg of aandacht voor moeten hebben, want de wachtlijsten voor dat aanbod zijn nog groot, veel groter dan het aanbod. Zou u op dat vlak ook niet aan de kwaliteit kunnen werken?

De heer De Reuse heeft het woord.

Minister, de problematiek van de leegstaande rusthuisbedden is niet nieuw. Reeds in 2018 is hiervan melding gemaakt. Toen had een kwart van de rusthuizen bedden op overschot en werd gezegd dat het nog tien jaar zou duren voor die problematiek zou worden opgelost.

Mijn collega’s en uzelf hebben al enkele redenen aangegeven. Er is tijdens de Tweede Wereldoorlog een demografisch dipje geweest. Er is de stijgende inzet van de thuiszorg. De private woonzorgcentra en de vastgoedmakelaars hanteren echter ook andere bezettingsnormen in hun verdienmodel en hun kreet naar steeds meer bedden wordt door iedereen overgenomen. Dat is ook een probleem.

Minister, in het licht van de huidige visie op zorg, waarvoor ik ook naar de stijgende thuiszorg verwijs, zou ik u willen vragen meer in kortverblijf te investeren, onder meer om de mantelzorgers te ontlasten. Ik vraag u het beleid bij te sturen en in kortverblijf te investeren.

De heer Parys heeft het woord.

Voorzitter, het is uiteraard positief dat er weinig wachtlijsten zijn, hoewel dat sterk kan verschillen van regio tot regio en tussen het soort kamers dat de ouderen zoeken. Op zich is dat ook geen nieuws. De studie van Probis uit 2018 vertelt eigenlijk net hetzelfde. Er komt een demografisch dipje en een lichte daling van de bezettingsgraad aan, maar een overheid moet vooruitkijken en moet er uiteraard voor zorgen dat er in 2040 of in 2060, wanneer de vergrijzingsgraad nog zal toenemen, genoeg juiste accommodatie is.

Het is belangrijk de rentabiliteit van de voorzieningen in het oog te houden wanneer ze onderbezet zijn. Het is misschien een beetje de omgekeerde vraag. Het gaat hier om private en publieke voorzieningen. Hoe gaan we ervoor zorgen dat een aantal woonzorgvoorzieningen niet op de fles gaan omdat ze onderbezet zijn?

Zijn daar specifieke maatregelen voor, zodanig dat we er zeker van zijn dat we in de toekomst genoeg bedden zullen hebben?

De heer De Witte heeft het woord.

4600 rustbedden staan leeg, vooral in het midden- en luxesegment. Toen ik dat cijfer in de krant las, minister, was mijn bedenking: uiteraard, met dat soort prijzen houdt men mensen buiten. Gemiddeld 1790 euro per maand, en het gemiddeld pensioen is 1250 euro.

Een tweede cijfer dat ik in de krant las, is dat de gemiddelde verblijfsduur gehalveerd is, nog maar achttien maanden dus, anderhalf jaar, en dan zijn mensen overleden. Wat wil dat zeggen? Dat mensen zo lang mogelijk wegblijven uit onze rusthuizen, zelfs als ze het kunnen betalen. Dat heeft dan weer te maken met de zorg. Alle idyllische praatjes van de meerderheidspartijen ten spijt, er is te veel stress en te weinig zorg in onze wooncentra. De schuld ligt niet bij de zorgdeskundigen, maar wel bij de veel te lage personeelsnormen. Minister, gaat u die personeelsnormen optrekken, zodat én de prijzen kunnen zakken én de kwaliteit voor de bewoners kan toenemen?

Minister Wouter Beke

Collega’s, hier zijn veel dingen gezegd. Zoals ik het begrepen heb, gaat het in verband met de korting – dat was de concrete aanleiding voor de vraag – over een tijdelijke korting, niet over een definitieve korting. Het is belangrijk dat woonzorgcentra in de manier waarop ze uitgebaat worden, met een positief resultaat werken om de duurzaamheid van de zorg die ze moeten verlenen, van de infrastructuur die ze moeten doen, en de kwaliteit van de zorg en de infrastructuur te kunnen handhaven. Dat is een belangrijk uitgangspunt.

Wat de kwaliteit betreft, zijn er een aantal dingen gezegd. Is het een probleem dat men pas in de laatste levensfase naar een woonzorgcentrum gaat? Neen, dat is geen probleem. Dat is de keuze van de mensen zelf, om zo lang mogelijk thuis te kunnen zitten, desgevallend in een dagopvang, desgevallend met een kort verblijf. Dat is de keuze van de mensen zelf. Je kunt die keuze betreuren, maar dat is in de meeste gevallen, een overwegend groot aantal gevallen, de keuze van de mensen zelf. Maar op het eind van de rit volstaan wel de alternatieven niet. Dan moeten we ook dit soort van woonzorgcentra hebben waar de mensen continu met goede zorg omringd kunnen worden door professionals, door vrijwilligers en ook door de mantelzorgers.

Ja, we moeten inzetten op dat kortverblijf. Dat doen we ook. Er komen er meer dan 450 bij, en er zijn er ook nog 390 in oriënterend kortverblijf gepland op dit ogenblik. Er is ook de omzettingskalender, waarbij men de komende jaren zelf kan kijken wat er specifiek regio per regio lokaal nodig is om daar de nodige antwoorden aan te geven, wanneer er bijkomende noden zouden zijn.

Wat de facturen betreft, heb ik hier twee weken geleden al gezegd dat we daaraan gaan werken, en intussen wordt daaraan gewerkt. We hebben in Vlaanderen de Vlaamse zorgverzekering die al een tegemoetkoming geeft. Er zijn ook nog de andere tegemoetkomingen, die kunnen oplopen tot meer dan 500 euro, afhankelijk van het inkomen, maar het is onze vaste ambitie om dat te generaliseren aan een 400 euro per maand, om die factuur voor hen die in de laatste levensfase in een woonzorgcentrum terechtkomen, financieel draaglijk te maken. (Applaus bij CD&V)

Het is inderdaad duidelijk dat mensen zo lang mogelijk in hun eigen omgeving willen blijven. Ik vind het dan ook een heel rare opmerking van de PVDA dat ze maar anderhalf jaar in een woonzorgcentrum blijven. Neen, het is juist zeer goed dat ze pas als ze zeer zwaar zorgbehoevend zijn, naar een woonzorgcentrum gaan.

Minister, ik vind het wel jammer dat u niet echt ingegaan bent op mijn vraag over de alternatieve woonvormen. Ik zou echt willen dat we daar in de toekomst binnen de ouderenzorg goed over nadenken, zoals bijvoorbeeld in de gehandicaptensector, waar we ook steeds meer naar de kleinschalige, alternatieve woonvormen gaan. Ik denk dat in de toekomst sowieso steeds meer mensen daarnaar gaan vragen. (Applaus bij Open Vld)

Het is belangrijk dat we onze ouderenzorg verder uitbouwen met oog voor de noden en de wensen van de mensen. En hoe je het ook draait of keert: de belangrijkste wens van een oudere is om thuis, of minstens in eigen buurt, te blijven. Dus dat betekent inzetten op thuiszorg, aangepaste woongelegenheden, assistentiewoningen, vernieuwende kleine woonvormen zoals SeniorenThuis, waarnaar ik al verwees.

Als mensen die zorg echt nodig hebben, moeten ze terechtkunnen in een woonzorgcentrum. Het is niet omdat er nu lege plekken zijn, dat we niet moeten kijken wat er in de toekomst nodig zal zijn. Maar als er plekken momenteel of in de volgende jaren nog enige tijd dreigen leeg te staan, dan moeten we zorgen dat er een aantal alternatieve invullingen voor zijn. Dan wil ik u vragen, minister, om die ook zeker mogelijk te blijven maken, of misschien nog meer mogelijk te maken, onder meer kortverblijf en koppelkamers.

Minister, collega’s, de rusthuisfactuur in Vlaanderen is te hoog. Als het dan gaat over de dagprijs: waaruit bestaat die dagprijs? De dagprijs omvat de kosten voor elektriciteit, de kostprijs voor het douchen, de kostprijs voor het eten, voor het onderhoud, voor de verzekering… Dat zijn dingen waarop je geen korting kan geven.

Het uitgangspunt is altijd: je mag geen winst maken op de zorg. Wel, wie kortingen geeft, ook al is het tijdelijk, geeft eigenlijk aan dat hij te veel vroeg. Die is er mee voor verantwoordelijk dat een oudere op de vijf bij het OCMW of bij de kinderen moet gaan aankloppen om de rusthuisfactuur te kunnen betalen.

Minister, ik vraag u echt: aan welke kant staat u als minister van Welzijn? Staat u aan de kant van de oudere die te veel betaalt voor zijn rusthuis, of staat u aan de kant van de commerciële instellingen, de aandeelhouders die te veel vragen voor hun zorg? Bewijs aan welke kant u staat. Stuur de zorginspectie af op al die rusthuizen die nu aangeven dat ze kortingen kunnen geven. U kunt dat doen. U kunt ervoor zorgen dat die rusthuisfactuur voor iedereen toch naar beneden kan. (Applaus bij sp.a)

De actuele vragen zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.