U bent hier

Plenaire vergadering

dinsdag 18 juni 2019, 14.32u

Voorzitter
Toespraak van de tijdelijke voorzitter
De voorzitter

Vooraleer ik u allen feliciteer met uw eedaflegging, veroorloof ik mij een korte toespraak te houden. Het zal mijn laatste parlementaire toespraak zijn.

Geachte leden, collega's, sta mij toe om mij bij deze installatievergadering tot u te richten met een boodschap aan alle democraten, een boodschap aan onze democratie. Nadat ik bijna 18.700 opeenvolgende dagen als rechtstreeks verkozene mocht zetelen in een parlement, blijft het mijn diepste overtuiging dat de representatieve volksvertegenwoordiging de beste wijze blijft om – zij het soms te vroeg, soms te laat – aan de volkswil – hoe diffuus en moeilijk te omvatten ook – een zo gepast mogelijk antwoord te verstrekken en een haalbaar beleid van hoop en toekomst tot stand te brengen.

De grote zichtbaarheid en de geruststellende openbaarheid van de parlementaire debatten en besluitvorming, de vrije impact van manifestaties, incluis sociale media, de reacties, kritiek en drukkingsgroepen, de aandachtige aanwezigheid van de pers in de breedste zin van het woord, maken voor mij dat ons representatief parlement nog steeds de beste methode blijft om de genuanceerde, maar operationele formulering van de volkswil te bekomen en die door de burgers te doen aanvaarden.

Iedere verkiezing noopt tot een moment van grondige reflectie over de staat van onze democratie, ook de Vlaamse, federale en Europese verkiezingen die we op 26 mei hebben gekend. In de keuze van de kiezer meet men de polsslag van onze samenleving: een bijzonder moeilijke taak, haast onmogelijke onderneming, want zoals steeds – en zo hoort het ook – is de wil van de kiezer ambivalent. Die ambivalentie is meteen ook het mooie van onze democratie. Ieder individu mag met zijn of haar stem een geheel eigen signaal geven. Er is geen meesterschap van de niet-verkozen groepen meer, van kansel en kerken, van zuilen die de individuele stem ‘verknechten’ en de wil van de individuele burgers dicteren. Groepsdenken, laat staan ‘une pensée unique’, hoort niet bij onze democratie. Iedere burger is vrij te denken en te kiezen wat hij wil.

Meer dan ooit is het resultaat van democratische verkiezingen dan ook de optelsom van de hoogst individuele keuzes. Maar die verbrokkeling van stemmen bemoeilijkt een eenduidige interpretatie en bemoeilijkt ook het nemen van de echte polsslag van onze samenleving. Ongetwijfeld zijn heel wat burgers vastberaden in hun ambitie en optimisme, in hun wil tot vooruitgang en vrijheid. Maar er zijn ook heel wat medeburgers die gegrepen zijn door angst en onbehagen, door onzekerheid, ook door boosheid. Ze zien de wereld en onze samenleving snel veranderen en ze zoeken een soort pauzeknop voor de sterke stroom van die veranderingen, maar niemand kan zo'n pauzeknop aanreiken. ‘Panta rhei’, zei de Griekse filosoof Heraclitus. ‘Alles stroomt’ en je kunt nooit twee keer in dezelfde rivier stappen. Alles beweegt, alles verandert, alles gaat voorbij.

Het is onze plicht als verkozenen naar al deze soms tegenstrijdige tendensen te luisteren, mensen zekerheid aan te reiken en die snelle stroom een stevige bedding te geven, verder bouwend op onze politieke geschiedenis en op de geschiedenis van de rechten van de mens, de fundamentele basisregels van ons politiek handelen. De economische, sociale, culturele, politieke en burgerlijke rechten zijn en blijven het referentiekader van ons politiek handelen. Met mensenrechten die universeel, ondeelbaar en onvervreemdbaar zijn en die de lat voor onze politieke actie hoog leggen, zeer hoog, zodat ieder individu, iedere mens, de absolute garantie krijgt mee te tellen en gerespecteerd te worden.

61 nieuwe parlementsleden onder wie 43 collega's die voor de eerste keer hun werkmandaat opnemen en hun eed hier aflegden, mag ik welkom heten en hun wijzen op hun belangrijke taak, wellicht vijf jaar lang. Daaraan is ook het feit gekoppeld dat 63 andere parlementsleden die hier de laatste jaren zetelden, ofwel niet meer werden herkozen, ofwel geen kandidaat meer waren, ofwel in een ander van onze parlementen plaats zullen nemen. Ik wens hen van harte te bedanken. Heel velen onder hen heb ik persoonlijk gekend en met hen in diverse hoedanigheden mogen meewerken. Ook aan uittredend voorzitter Peumans wil ik een eresaluut brengen.

In onze moderne West-Europese democratieën zijn er globaal gezien twee hoofdmodellen om een politiek antwoord te geven op de vele vragen uit de samenleving. Het stelsel van de proportionele representatieve democratie met haar vele partijen en soms grondige verschillen, gestoeld op een zeker verleden en gericht naar het haalbare in de toekomst, en het meerderheidsstelsel waar op het eerste zicht de keuze tussen de volksvertegenwoordiging scherpere en duidelijke tegenstellingen naar inhoud en toekomst, blijkt aan te bieden. Het eerste stelsel is zo democratisch als het tweede maar leidt noodgedwongen tot coalities. Het tweede leidt tot spanningen, essentieel tussen twee hoofdpartijen. In een reeks landen zoals België, Nederland, Duitsland, Italië vindt men voorbeelden van het eerste; in andere landen zoals Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en zelfs Frankrijk van het tweede.

Het uit de proportionele verkiezing geboren parlement, ons stelsel dus, voorziet de onafwendbaarheid van het opbouwend compromis. Maar het heeft ook zijn impact op het tot stand komen van wetten, decreten en ordonnanties, beschikkingen allerhande die zonder de coalitieondersteuning zelden of nooit worden geconcretiseerd. Het opbouwend compromis veronderstelt noodgedwongen het afvijlen van al te scherpe randjes, het scheppen van een aanvaardbaar draagvlak binnen de tot besturen geroepen coalitie. Dat betekent dat het grote gelijk het nooit haalt en er inherent, minstens operationeel respect moet zijn voor de anderen. De nodige daadkracht om te besturen mag niet vervliegen.

Door de electorale versnippering van ons politiek landschap, Europawijd, halen enkele politieke partijen ten hoogste een vijfde of een kwart van de stemmen, en gewoonlijk veel minder. De aangescherpte speerpunten van elk verkiezingsplatform hebben dus maar een bescheiden kans te worden gerealiseerd, want er is, louter democratisch gesproken, gewoonlijk geen meerderheidsdraagvlak in elke wetgevende assemblee. Op zuivere rekenkunde lukt het niet. 

De geconcretiseerde samenvoeging van enkele eigen programmapunten, gespeend van een voldoende parlementaire meerderheid, belanden dan in een soort, wat ik durvend ‘trading democracy’ zou noemen, een politiek van geven en nemen, om dusdoende een nieuwe parlementaire meerderheidsgoedkeuring te behalen.

Het verandert niets aan het minderheidsstandpunt van een van de partners, dat door de uitwisseling met een ander minderheidsstandpunt van een andere coalitiepartner toch een democratische parlementaire goedkeuring verkrijgt. Afgetoetst bij de uitgedrukte volkswil blijven het echter echte minderheidsstandpunten.

Potentiële frustraties ontstaan bij de overgrote meerderheid van de kiezers die deze benadering resoluut hadden afgewezen en een opvallende voldoening bij diegenen die ze desalniettemin, met een onbetwistbare minderheid aan steun van de kiezers, zelf hebben betracht.

Ons kiesstelsel verplicht, in welke vorm ook, tot werkbare politieke meerderheidscoalities, om de verzoende tegenstrijdigheden in noodzakelijke politieke daden om te zetten.

Er is niets mis met het smeden van evenwichtige compromissen en het vormen van numerieke parlementaire meerderheden die finaal de uitdrukking geven aan een brede gemeenschappelijkheid. In een regering van coalitie geeft men vorm aan datgene wat kan binden, uiteraard eerder dan datgene wat kan scheiden.

Als volksvertegenwoordiger blijft het daarbij onze opdracht dit te doen zonder te vervallen in steriele vooroordelen, gevoed door een soms koppige eigenheid, het grote zelf gelijk. De parlementaire oppositie vervult bij ons steeds de edele rol van de controle, de kritiek en het aanbrengen van alternatieven.

Laat mij toe een tweede en laatste bemerking te maken, uit de vele die mijn lange politieke ervaring voor ogen kan brengen. De voorbije decennia heb ik met jullie vastgesteld hoe de onzekerheid in het politieke bestel en zijn electorale – heel dikwijls menselijke – uitdrukking een stijgende rol speelt.

De beperkte houdbaarheidsdatum van de verkozenen kan de representatieve democratie en haar vertegenwoordigers, als systeem zelf, uithollen.

Op zoek naar zekerheid – een opdracht die per se onzeker is, want afhankelijk van de keuze van de kiezer – zijn nieuwe technieken in een stijgende lijn het parlement binnengeslopen.

Ik heb het bijvoorbeeld over de detachering of het onbetaald verlof van mandatarissen uit een of ander publieke of para-publieke functie die zonder te grote materiële, familiale of professionele risico’s toelaten verkozen te worden, in het bijzonder nu, waar de tijdsduur van een door verkiezing verkregen mandaat fors daalt.

De evolutie in de samenstelling van ons parlement kan ook vragen oproepen. Niet over de kandidaten, want ze zijn verkozen, maar over wat de corporatistische gehechtheden van potentiële verkozenen voor het algemeen belang zouden kunnen betekenen. Wij moeten aandachtig zijn voor deze evolutie die, verder opgedreven, in een zekere mate belangrijker is dan de volgens mij wat versleten ideologische tegenstellingen van links en rechts.

Tot zover mijn beschouwingen over twee belangrijke kenmerken van ons parlementair stelsel: één, de onafwendbaarheid om in een coalitie te besturen en, twee, de veranderende sociologie van een stijgend aantal verkozenen. Het eerste is de basis voor een goedwerkende democratie. Laat ons dat niet vergeten. Het tweede is een evolutie die ons allen zorgen zou moeten baren.

Mijn leidmotief tijdens 51 jaar ononderbroken parlementair leven, geef ik graag als beknopte boodschap aan eenieder van u: wees kritisch, maar loyaal en bovenal zo vrij mogelijk. De vrije stem van onze volksvertegenwoordigers zal het desem blijven van ons dagelijks parlementair brood.

Beste collega’s, zonder enige spijt kijk ik terug op meer dan die halve eeuw van intens en persoonlijk contact met honderdduizenden en honderdduizenden. Het is dankzij hen dat ik al die jaren vele en belangrijke opdrachten allerhande mocht vervullen. Een van de meest bijzondere voor mij was ongetwijfeld om gedurende acht jaar de Kamer te mogen voorzitten. Volmaakt is het nooit geweest, ver daarvan. En gelukkig is het maar zo, maar mijn dankbaarheid haalt het ver boven het ‘zonpuntige’ van het scepticisme. Mijn geloof in de democratie, de onze, blijft gaaf voor de toekomst. Dank u. (Applaus)

Eedaflegging
Installatie van het Vlaams Parlement

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.