U bent hier

Tekst nog niet goedgekeurd door de sprekers.

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het voorstel van decreet van Katrien Schryvers, Lies Jans, Freya Saeys, Ingeborg De Meulemeester, Vera Jans en Elke Wouters houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten.

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Voorzitter, collega's, het is toevallig maar eigenlijk wel heel mooi dat we juist vandaag op de jaarlijkse Buitenspeeldag stemmen over dit voorstel van decreet. Op deze dag waarop we kinderen aanzetten om te spelen, zich uit te leven en zich te amuseren met leeftijdsgenoten, beslissen wij over nieuwe regelgeving die precies bedoeld is voor hen: onze kinderen die we alle kansen willen geven om naar school te gaan, om te spelen, om een hobby uit te oefenen, om te bewegen, om te groeien, samen met andere kinderen. En dit terwijl ouders gaan werken, een opleiding volgen en het huishouden runnen. Een evenwicht vinden tussen dit alles is niet altijd gemakkelijk. Ik denk dat velen van ons dat kunnen getuigen. Dat is het oogpunt van dit voorstel van decreet.

Met dit voorstel van decreet beogen we een geïntegreerd, open en kwaliteitsvol aanbod van opvang en vrije tijd op maat van het kind, het gezin en de samenleving. Niet alleen schept kinderopvang mogelijkheden voor ouders om de balans tussen werk en gezin in evenwicht te houden, ook willen we door middel van buitenschoolse activiteiten kinderen een leuke vrije tijd bieden en kansen om deel te nemen aan de samenleving. Het is niet de bedoeling om de bestaande opvanginitiatieven zomaar leuker te maken. Neen, wat we willen, is dat het vanzelfsprekender wordt om diezelfde tijd te besteden aan onder meer sport, cultuur, kunst of kunstbeleving, waardoor kinderen en hun ouders niet meer de keuze moeten maken tussen het ene of het andere. Want een sportvereniging kan dan in de turnzaal van de school activiteiten aanbieden of er kan opvang in de sportclub plaatsvinden, of er kan vervoer worden voorzien tussen het ene en het andere.

Door het opvang- en vrijetijdsaanbod op zulke nieuwe manier te organiseren, zorgen we er bovendien voor dat sport, cultuur en kunst een nog meer volwaardige plaats zullen krijgen in de opvoeding en ontwikkeling van onze jeugd.

Met dit voorstel van decreet hebben we verder gebouwd op de conclusies en aanbevelingen van de Staten-Generaal Opvang en Vrije tijd van Schoolkinderen van april 2014, de conceptnota van de Vlaamse Regering over de krachtlijnen van een nieuwe organisatie voor opvang en vrije tijd van kinderen, de bijbehorende adviezen van de strategische adviesraden en de hoorzittingen die we hierover heel uitvoerig hebben gehouden in de commissie Welzijn.

Het voorstel sluit ook aan bij de recente regelgeving over het lokaal bestuur en het lokaal sociaal beleid. Het geeft bovendien uitwerking aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, waarvan artikel 31 bepaalt dat elk kind recht heeft op rust en vrije tijd, op deelneming aan spel en recreatieve bezigheden die passen bij zijn of haar leeftijd en op vrije deelneming aan het culturele en artistieke leven.

Met dit voorstel creëren we een kader voor lokale besturen om maatwerk aan te bieden en te voorzien in een divers aanbod van opvang en activiteiten buiten de schooluren. Lokale besturen krijgen de regierol in handen. Zij zijn immers het best geplaatst om in te spelen op de lokale noden en om beleidsdomeinoverschrijdende werkingen mogelijk te maken.

Het is uiteraard logisch dat ze daarvoor de nodige middelen krijgen. Dat zal gebeuren via een bijkomende subsidiestroom via het Vlaams Gemeentefonds, aanvullend op de financiering of subsidiëring krachtens andere decreten, zoals dat voor het deeltijds kunstonderwijs (dko). De wijze van financiering zal er mee voor zorgen dat er bijzondere aandacht gaat naar kwetsbare gezinnen en kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

De heer Caron heeft het woord.

Ik hoor mevrouw Schryvers graag zeggen dat het voorstel van decreet ook kansen biedt aan kinderen om zich op het vlak van jeugd, cultuur en sport te ontwikkelen. Ik heb in het voorstel van decreet ook gelezen dat daar ter zake alleen maar wat vage bepalingen over instaan en dat de uitwerking eigenlijk wordt overgelaten aan de lokale besturen of scholen.

Ik denk dat u ook het advies van de Vlaamse Jeugdraad hebt gezien. Ik zou er ook voor willen pleiten dat er in de toekomst, tijdens de volgende legislatuur, bij de uitwerking van dit voorstel van decreet, een aantal omkaderende ideeën, voorstellen en maatregelen komen om scholen en lokale besturen aan te zetten om ter zake initiatieven te nemen. Het biedt inderdaad kansen. Ik onderschrijf dat ook. Het zou fantastisch zijn dat de buitenschoolse kinderopvang niet enkel met oppassen wordt ingevuld, maar dat die ook een zinvolle invulling krijgt zodat de papa's en mama's hun leven wat beter kunnen organiseren door de vrijetijdsactiviteiten van de kinderen te laten aansluiten op de schooltijd.

Dit is een droom die ik zelf al meer dan twintig jaar heb, van toen we er indertijd bij de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten (VVSG) al voor pleitten om er op die manier een invulling aan te geven. We dachten toen aan dingen als een sportacademie, het dichterbij trekken van de muziekschool naar het lager onderwijs enzovoort.

Het mag geen dwangsystemen zijn waarbij bijvoorbeeld sportclubs of jeugdverenigingen in een lokaal carcan worden gedwongen. Er moet met de partners worden nagedacht en op zoek worden gegaan hoe dit kan gebeuren. Het zou fijn zijn mocht de Vlaamse overheid daar een soort van omkadering voor maken. Dat hoeft geen fortuinen te kosten, maar op die manier kunnen er ideeën worden aangereikt, al is het via een steunpunt, al is het via de CANON Cultuurcel om dat vorm te geven. Ik denk maar hardop. Anders wordt het misschien weer een lege doos.

Dit is een win-win: opvang en tegelijk extra vorming op essentiële onderdelen die voor kinderen vaak moeilijk toegankelijk zijn, zeker als de ouders niet zo mobiel zijn of als de ouders daar niet de tijd voor vinden.

Dit is een pleidooi voor de ietwat verdere toekomst, maar ik vraag u om dit mee te nemen.

Mijnheer Caron, u haalt een aantal heel terechte zaken aan. Dit is een kaderdecreet. We weten dat en ik kom daar straks ook op terug.

We willen absoluut de samenwerking en de afstemming tussen de opvang en het verenigingsleven motiveren. We reiken ook een inspiratiekader aan om dit te doen.

Het is echter ook wel de uitdrukkelijke vraag van de diverse sectoren om inderdaad, zoals u dat hebt gezegd, en u neemt me daarmee ook de woorden uit de mond, niet in een carcan te worden gezet. Je ziet immers ook natuurlijk dat er op het terrein in de lokale besturen heel verschillende situaties bestaan. Er zijn besturen en gemeenten waar er al heel veel ervaring is en waar het al goed gebeurt. Die moeten we ook de kans geven om dat verder te doen. En er zijn er natuurlijk die nog in een beginsituatie staan, en die willen we een inspiratiekader aanreiken. Wat de uitvoeringsbesluiten betreft, wij houden ook een pleidooi om die in de toekomst verder op te maken, in samenwerking met die diverse sectoren.

Collega’s, ik was bij de opdracht van het lokaal bestuur gekomen. Dat is natuurlijk wel van belang. Die opdracht, namelijk het uittekenen van strategische doelstellingen ter zake, sluit aan op de opdrachten van het op te richten samenwerkingsverband tussen alle actoren die betrokken zijn bij de buitenschoolse activiteiten. De opdrachten van het lokaal samenwerkingsverband zijn meer operationeel, praktijkgericht en specifiek van aard. Het spreekt voor zich dat een goede dialoog tussen beide essentieel is. Deelname aan het samenwerkingsverband is voor elke organisatie of vereniging een vrije keuze.

We zijn ons ervan bewust dat er op veel plekken al goede praktijken bestaan van hoe opvang en vrijetijdsaanbod samenwerken en op elkaar zijn afgestemd. Die praktijken kunnen mooie voorbeelden vormen voor andere gemeenten. Daarom voorziet het voorstel erin dat de Vlaamse overheid een inspiratiekader uitwerkt voor een geïntegreerd aanbod aan buitenschoolse activiteiten. Het gaat niet om het opleggen van normen, maar om het ter beschikking stellen van een vrijwillig te raadplegen handig hulpmiddel met praktische handvatten en goede voorbeelden.

Voor aanbieders van opvang van kleuters wordt een kwaliteitslabel uitgewerkt. Ook het aanvragen daarvan is geen verplichting, maar via een afzonderlijke subsidiestroom, die bij voorrang gaat naar initiatieven met een kwaliteitslabel, krijgen ook zij zekerheid over hun middelen. Op die manier bewaken we de kwaliteit van de opvang van onze allerkleinsten, die toch nog het meest nood hebben aan zorg en begeleiding.

Het voorstel van decreet treedt in werking op 1 januari 2021, en dat geeft de lokale besturen en de aanbieders van buitenschoolse opvang en activiteiten ruim de tijd om zich voor te bereiden. Voor de huidige gesubsidieerde opvanginitiatieven voorziet het voorstel van decreet in een overgangstermijn van zes jaar.

Collega’s, ik zal hier niet verhelen dat de opmaak van dit voorstel van decreet geen gemakkelijke oefening is geweest. Ik ben er echter van overtuigd dat we met dit voorstel een goed evenwicht hebben gevonden, en ik wil dan ook iedereen die hieraan heeft meegewerkt, uitdrukkelijk bedanken. Sectoren zoals Jeugd en Sport krijgen geen verplichtingen opgelegd, maar we motiveren hen wel om mee te werken. We geven het lokale bestuur het vertrouwen, ook op het vlak van financiën, maar verzekeren toch middelen voor de kleuteropvang met een kwaliteitslabel. We leggen geen arsenaal aan nieuwe regels op, maar reiken wel ondersteuning aan via het inspiratiekader, en de bestaande initiatieven geven we de ruimte en de tijd om de transitie op een goede manier te kunnen maken. Zo garanderen we voor de buitenschoolse kinderopvang nabijheid en kwaliteit, en geven we de opvang een verbindend karakter.

Ik ben ervan overtuigd dat deze nieuwe regelgeving een grote meerwaarde kan betekenen op lokaal vlak, zowel voor de families die op zoek zijn naar een goed evenwicht tussen werk en gezin en voor tal van verenigingen uit diverse sectoren waarvoor zich nieuwe opportuniteiten kunnen voordoen, als voor de opvanginitiatieven zelf, die kunnen worden verrijkt. En uiteraard zal het een grote vooruitgang betekenen voor de kinderen zelf. Zoals in de commissie werd benadrukt, dit voorstel van decreet creëert een kader. Ik onderstreep nogmaals dat het van belang zal zijn om bij de verdere uitvoering ook de diverse sectoren te betrekken.

Collega’s, in 2011 keurde dit parlement op Buitenspeeldag een resolutie goed die het recht van kinderen om te spelen wilde garanderen. Met het voorstel van decreet van vandaag geven we die kinderen bijkomende kansen en mogelijkheden tot ontplooiing en om hun hobby’s uit te oefenen. We willen hen ook ten volle doen participeren aan de samenleving en hen zo veel mogelijk kansen aanreiken om zich naargelang de eigen interesses te ontplooien. Bovendien willen we via deze weg nog meer mogelijkheden scheppen tot het versterken van kinderen met specifieke zorgbehoeften, tot het bevorderen van gelijke kansen en sociale cohesie. (Applaus bij CD&V)

Mevrouw Jans heeft het woord.

Voorzitter, collega Schryvers heeft goed geschetst welke belangrijke klemtonen in dit voorstel van decreet werden gelegd. Het is essentieel om te zeggen dat dit een kaderdecreet is waarbij een aantal lijnen worden vastgelegd maar waarbij de verdere uitvoering niet alleen door de Vlaamse Regering maar zeker op het terrein zal moeten gebeuren.

De uitdagingen waren groot. We wilden de combinatie tussen werk en gezin, zeker voor tweeverdieners, kunnen faciliteren. We vonden het belangrijk dat kinderen in een uitdagende en speelse omgeving na school activiteiten kunnen krijgen en dat deze zoveel mogelijk voor iedereen beschikbaar zijn. We wilden ook dat de lokale besturen hun regierol konden opnemen en de lokale autonomie zoveel mogelijk laten spelen. We wilden ook tot een overeenstemming komen in de verschillende sectoren. We merkten bij de hoorzittingen dat de visies vanuit jeugd, sport en de huidige buitenschoolse kinderopvang vanuit hun huidige realiteit zeer uiteenlopend waren.

Ik ben toch wel blij om te kunnen zeggen dat wij met dit voorstel van decreet aan de verschillende uitdagingen een oplossing hebben kunnen bieden, waarbij we de doelstellingen die worden vooropgesteld kunnen beantwoorden en realiseren. Door dit voorstel van decreet zorgen we ervoor dat er een betere aansluiting is, zowel in tijd als in ruimte, tussen het onderwijs en de buitenschoolse activiteiten. We gaan echt wel naar een betere ontplooiing voor kinderen. We zorgen er ook voor dat ouders de mogelijkheid zullen hebben om de combinatie van werk en privé beter te realiseren. We zetten zeker ook in op een sterkere sociale integratie.

Zoals ik al zei, was het niet gemakkelijk, wat ook af te leiden is uit het lange traject dat doorlopen is. Met de resultaten die hier nu voorliggen, zetten we de nodige stappen vooruit. We geven de lokale besturen de mogelijkheden om activiteiten en projecten die nu al op sommige plaatsen aanwezig zijn – bijvoorbeeld afstemming tussen school, kinderopvang en sport –, te versterken. Op sommige plaatsen worden in de sporthal van de school turnlessen gegeven na de schooluren.

Het uitgangspunt is dat we het vertrouwen geven aan de lokale besturen zodat ze in overleg gaan met de verschillende actoren op het terrein om samen tot mooie oplossingen te komen.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

De bespreking in de commissie heeft me geleerd dat er een aantal waren die een zeker wantrouwen hadden tegenover de lokale besturen voor wat betreft de delegatie van de bevoegdheden voor buitenschoolse opvang van Vlaanderen naar de gemeenten en voor de afstemming van de buitenschoolse activiteiten. Nochtans is die delegatie voor mijn partij zeer belangrijk. We geven niet alleen de regie aan de lokale besturen maar ook de middelen. Lokale overheden staan het dichtst bij de mensen en weten waar de belangrijkste noden zijn. Zij kennen ook het aanbod van hun gemeente of stad, niet alleen van de buitenschoolse kinderopvang maar ook van de andere buitenschoolse activiteiten. Bijgevolg zijn zij het best geplaatst om met alle geïnteresseerde actoren rond de tafel te gaan zitten en na te gaan of en hoe afstemming mogelijk is. Geen enkele burgemeester of schepen in Vlaanderen of Brussel zal er belang bij hebben om buitenschoolse kinderopvang te verwaarlozen want hij zal daar zwaar voor worden afgestraft.

Tijdens de bespreking heb ik ook vastgesteld dat dit huis het vaak nog moeilijk heeft om afstand te doen van allerlei regeltjes. Onze keizerkostermentaliteit maakt dat we regels willen opleggen vanuit het Vlaams Parlement om zo de kwaliteit van opvang te garanderen.

Nochtans worden er in Vlaanderen heel veel kinderen bij buitenschoolse activiteiten opgevangen zonder dat er regels voor zijn. Wij bieden met dit voorstel van decreet een inspiratiekader waarin good practices worden gegeven, zodat niet elke gemeente het warm water zelf moet uitvinden, zodat gemeenten die al voorlopers waren hun goede ervaringen kunnen delen met andere gemeenten die er naar aanleiding van dit decreet mee zullen starten. Voor de jonge kinderen biedt het kwaliteitslabel trouwens wel een garantie voor die kwaliteit.

Voor het eerst in de welzijnssector werken we ook samen met andere sectoren zoals sport, cultuur, jeugdverenigingen en kunstonderwijs om een aanbod te formuleren voor kinderen en jongeren. Wat we jongeren kunnen bieden na schooltijd is niet alleen maar beperkt tot opvang, we verruimen de mogelijke activiteiten waaraan kinderen kunnen deelnemen, elk volgens hun eigen interesse. Dat is volgens mij een belangrijke meerwaarde voor de ontplooiing van kinderen en jongeren.

Met dit voorstel van decreet hebben we ook aandacht voor de toegankelijkheid van buitenschoolse activiteiten, meer bepaald dan voor kinderen met een beperking en kinderen van ouders met een zwakke socio-economische achtergrond. Het M-decreet zal ervoor zorgen dat kinderen met een beperking gebruik zullen maken van de reguliere buitenschoolse activiteiten. We moeten zorgen dat daarvoor ook de mogelijkheid wordt gecreëerd. We hebben bij onze financiering de nodige parameters ingebracht om ervoor te zorgen dat deze groepen wel degelijk aan bod kunnen komen.

Dit voorstel van decreet heeft inderdaad een lange overgangsperiode en zal maar ten volle zijn werking hebben in 2027. Dat moet het wel mogelijk maken dat alle actoren en lokale overheden hun werking kunnen aanpassen aan die nieuwe regels. Het aanbod van de gesubsidieerde buitenschoolse kinderopvang is immers niet gelijk verdeeld over Vlaanderen. Het aanbod van buitenschoolse opvang en buitenschoolse activiteiten is verschillend in alle Vlaamse gemeenten en dus is er best wel wat maatwerk nodig. De overgangsfase laat toe voor elke actor en elke gemeente tot een realistisch plan te komen om in 2027 te komen tot een zo goed mogelijke regeling.

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Collega’s, wij zijn vandaag geëvolueerd naar een samenleving met een tweeverdienersmodel. Beide ouders gaan werken, ook als ze kinderen hebben. We zijn geëvolueerd naar een model waarin ook verwacht wordt dat beide ouders gaan werken en dat kinderen naar school gaan. Maar ons schoolmodel – dat weten jullie ook allemaal, want wij zitten hier op een woensdagnamiddag – is niet altijd aangepast aan de werkuren van de ouders. Dat betekent dat na de school om half vier daar staan voor de meeste werkende mensen nagenoeg onmogelijk is, noch op woensdagnamiddag noch in schoolvakanties. Dus is vandaag de combinatie van werk en gezin ongelooflijk moeilijk. Dat zie je aan de cijfers van de buitenschoolse opvang. Waar er vroeger iets meer dan 30 procent van de kinderen in een buitenschoolse opvang zaten, gaan we nu richting 70 procent. Dat is één belangrijk element.

Een ander belangrijk element is dat er steeds meer kinderen zijn, zeker in de steden. We kennen de tekorten. Er zijn scholen bijgekomen, dat is een goede zaak, maar er zijn ook meer kinderen. Er is een M-decreet gekomen, dat betekent dat kinderen met een handicap, met een beperking, meer naar het regulier onderwijs gaan. Al die zaken hebben een invloed op onze buitenschoolse opvang. Wat is daar gebeurd, deze legislatuur, collega’s? Wat heeft deze regering gedaan om meer of betere buitenschoolse opvang te hebben? Niets. Er is geen capaciteit bijgekomen. Er is niets veranderd.

Dat wil niet zeggen dat er niets gebeurt op het terrein. Er wordt met hart en ziel, en met heel veel overtuiging, goed werk geleverd. Maar in essentie is er niets veranderd. En dus ging er een decreet komen. Dat werd in het begin van de legislatuur aangekondigd. We hebben een Staten-Generaal gehad in 2014. Dat is goed. Er is een conceptnota gekomen in 2014. Dat is goed. We hebben die conceptnota besproken in het parlement. Er waren hoorzittingen met heel de sector. Tot zover het goede nieuws. Toen kwam er stilte. Toen is alles in een zwarte doos gegaan. Ik heb dit voorstel van decreet hier een paar keer het Loch Ness van de commissie Welzijn genoemd. Iedereen praatte erover maar niemand zag het. Dat is vijf jaar zo geweest. Dan zou je nu denken: ah, het is er, het komt boven water, we zien het. Maar eigenlijk is het er niet. Eigenlijk ligt hier vandaag een schim van wat een goed voorstel van decreet betreffende de buitenschoolse opvang zou kunnen zijn.

Want wat staat er in een goed decreet voor buitenschoolse opvang? Er staat in wat goede buitenschoolse opvang is, wat wij kwaliteit noemen – dat wil niet zeggen hoeveel vierkante meter speelplaats je hebt, maar wel een goede visie op wat kwaliteit is – en hoe we gaan zorgen dat er genoeg plaats is, die voor iedereen betaalbaar en toegankelijk is. Dat is een goed decreet buitenschoolse opvang. Maar dat staat hier niet in. Hier staat in dat we dat willen – we willen dat allemaal –, maar niet hoe we daar gaan komen. Hier staat in dat we het aan de gemeenten gaan vragen, en daar hebt u onze steun. Daar was een breed draagvlak voor, want de gemeente heeft een veel betere voeling met wat er op het terrein leeft, welke organisaties actief zijn, en hoe je op een goede manier die buitenschoolse opvang kunt organiseren, samen met je sport- en culturele verenigingen, samen met je middenveld. Dat is dus een goede zaak. Maar hoe ze dat moeten doen, met welke middelen, met welke instrumenten: daar blijven we achterwege.

Eigenlijk wordt hier een ongelooflijke verantwoordelijkheid doorgeschoven naar de gemeenten. Ik hoor dan: ‘we hebben daar vertrouwen in, we hebben allemaal vertrouwen in lokale besturen’. Wel, ik ook! Maar als je vertrouwen hebt in lokale besturen, geef je ook de instrumenten en de middelen om uit te voeren wat je vraagt om uit te voeren. Dit wordt nu niet voorzien. Hier wordt geen groeipad voorzien, hier wordt niet aan de regering gevraagd om voldoende middelen vrij te maken – en, collega’s, wij kunnen dat aan de regering zeggen te doen. Wij moeten niet zeggen: ‘alstublieft, wilt u eens kijken of u genoeg geld hebt en dat misschien in orde brengen’. Wij kunnen zeggen: ‘zie dat daar genoeg geld voor is, maak dat waar en geef uw gemeenten de instrumenten in handen om dat waar te maken’. Maar dat doet dit voorstel van decreet niet, en dat is ongelooflijk jammer.

Ik wil even verwijzen naar een incident dat deze vakantie gebeurd is, een tragisch incident. Er is een brand geweest. Het was een moeder die haar kinderen alleen gelaten had, een moeder die ging werken en daarom haar kinderen alleen gelaten had. Ik wil dat niet goedpraten, maar ik wil ook geen overheid goedpraten die niet genoeg opvang voorziet voor die werkende ouders, die niet zorgt dat er genoeg betaalbaar en toegankelijk aanbod is. Dus in plaats van ouders die de touwtjes niet aan elkaar geknoopt krijgen en niet kunnen zorgen voor de juiste opvang voor hun kinderen, te verwijten, wil ik een overheid die verantwoordelijkheid neemt en zorgt dat er een aanbod is. En kom niet zeggen dat er genoeg aanbod is, want iedereen weet het. Iedereen met jonge kinderen weet hoe moeilijk het is om vakantieopvang te vinden, om naschoolse opvang te vinden of om zelf aan de schoolpoort te staan om halfvier.

Het is jammer dat er daarover te weinig staat in dit voorstel van decreet, en dat is iets wat wel rechtgezet kon worden. Er zijn zelfs amendementen geweest om daaraan tegemoet te komen. Daarom zal Groen dit voorstel van decreet ook niet goedkeuren.

Is heel dit voorstel van decreet slecht? Neen. We gaan ook niet tegenstemmen, we gaan ons onthouden. Er staan goede zaken in – ik zei het daarnet al. Het feit dat je van je lokale besturen de motor maakt, is een goede zaak. Dat je oog hebt voor bijvoorbeeld zorgkinderen, dat is geen detail, dat is een goede zaak, dat we weten dat die kinderen met zorgnoden er ook komen. Wat ik misschien ook een goede zaak vind – en het is bijna cynisch – is dat het pas over lange tijd in de toekomst in voege zal treden. De datum waarop het in voege zal treden is in 2020-2021, het is gefaseerd, dan heb je nog een hele overgangsperiode. Dat betekent dus dat er nog heel veel rechtgezet kan worden – dat is een oproep aan al wie de volgende meerderheid mag uitmaken – en dat zal nodig zijn. Ik wil u dan vragen om dat te doen, om de nodige middelen en instrumenten te voorzien, en om dat samen met de sector te doen.

Mevrouw Schryvers, u bent geëindigd met al wie meegeholpen heeft, te bedanken. Ik vond dat eigenlijk cynisch. Wij hebben immers nagenoeg unaniem van alle actoren op het terrein een brief gekregen waarin zij zeiden dat ze graag wilden meewerken, maar dat ze twee of drie jaar in het duister gehouden zijn, dat ze twee of drie jaar niets gehoord hebben. Ze waren bereid om mee te werken, om mee na te denken. Maar u hebt het in de stilte, in de achterkamers gedaan, en hen niet betrokken. Pak dat dus anders aan, gebruik die overgangsperiode om effectief aan de slag te gaan. Groen zal daar mee een bondgenoot in zijn, om te zorgen dat we een goede buitenschoolse opvang hebben, dat we een goede visie op kwaliteit hebben en dat we onze regering verplichten om daar ook de nodige middelen tegenover te zetten. (Applaus bij Groen)

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Mijn dank aan alle collega’s voor de discussies, waarbij we ook vanuit de commissie Onderwijs te gast waren in de commissie Welzijn om dit belangrijke dossier te bespreken. Goede buitenschoolse kinderopvang is inderdaad nogal essentieel om de gemeenschap, maar ook de economie van vandaag te laten draaien. Collega Van den Brandt zei het al: we zijn een samenleving waar mensen met zijn tweeën gaan werken, en waar lang niet alle gezinnen om twintig over drie aan de schoolpoort kunnen staan om de kinderen op te vangen en de vakantieperiodes te overbruggen.

Wij zijn er absoluut heel sterk voorstander van om de regie van buitenschoolse opvang ook bij de lokale overheden te plaatsen, omdat zij het dichtst bij de mensen staan en de regie het beste kunnen opnemen met scholen en met het hele middenveld. We weten ook dat er in een aantal steden en gemeenten fors geïnvesteerd wordt in het aanbod en dat is een goede zaak, dat zijn ‘good practices’.

‘Good practices’ maken natuurlijk nog geen goed globaal beleid. Het voornaamste is dat elk kind tussen 2,5 en 12 jaar recht heeft op kwaliteitsvolle, betaalbare en toegankelijke buitenschoolse opvang. Dat principe staat, als principe, in dit voorstel van decreet, wat een goede zaak is. Het blijft echter wel heel vrijblijvend, zoals collega Van den Brandt ook al aanhaalde. Zo voorziet de Vlaamse Regering niet de middelen om die opvang ook te organiseren op het terrein. We denken dat dat een gemiste kans is – en ik heb de collega’s in de commissie Welzijn daar ook attent op gemaakt.

In het onderwijs kennen we het open-endprincipe: als een school meer kinderen heeft dan volgen er ook middelen om het leerproces te begeleiden en komen er meer leerkrachten om de onderwijstaak op te nemen. Eigenlijk is het recht op buitenschoolse opvang een recht dat even sterke garanties zou moeten krijgen als het recht op onderwijs. Vandaar zeggen wij dat het open-endprincipe doorgetrokken moet worden over het hele voorstel van kaderdecreet. U kunt het niet maken om te zeggen dat kinderen van 2,5 tot 12 jaar recht hebben op buitenschoolse opvang, maar daar geen middelen voor voorzien. Dan blijven dat eigenlijk ijdele woorden.

Een tweede element dat wij heel erg belangrijk vinden is niet alleen de toegankelijkheid van buitenschoolse opvang voor alle doelgroepen, maar ook de kwaliteit van die opvang. Ik denk dat het evident is dat je aan een kaderdecreet een kwaliteitskader koppelt. Ook hier blijft het voorstel van decreet wat ons betreft wat te vrijblijvend. Wij hadden amendementen ingediend om dat kwaliteitskader te versterken, maar daar ging de meerderheid niet op in en dat betreuren wij. Vanwege die twee bemerkingen zal sp.a zich onthouden over dit voorstel van kaderdecreet, ook al zitten er uiteraard ook goede elementen in, waaronder de verankering van het recht op buitenschoolse opvang en die regie bij de lokale besturen.

Ik wil graag even reageren op de tussenkomsten van mevrouw Van den Brandt en mevrouw Gennez.

Heel wat collega’s waren aanwezig tijdens de hoorzittingen, waarop we vanuit heel uiteenlopende hoeken bijdragen hebben gehoord. Wij krijgen het verwijt – en kregen dat ook in de commissie – dat wij niet aan alle verwachtingen tegemoet zijn gekomen.

Mevrouw Van den Brandt, ik zou u toch willen uitdagen of vragen hoe u dat gedaan zou hebben. U hebt namelijk ook de verschillende adviezen gehoord. Er waren vanuit verschillende kanten ontzettend verschillende verwachtingen met betrekking tot dit voorstel van decreet.

De lokale besturen vroegen om de regie over te dragen en zo weinig mogelijk in regels te gieten, zodat maatwerk voor nieuwe en bestaande initiatieven mogelijk zou zijn. De buitenschoolse opvang zelf vroeg om de huidige situatie zoveel mogelijk te verankeren. Andere sectoren, zoals Jeugd en Sport, vroegen om te kunnen, maar zeker niet te moeten, participeren. Die wilden vooral niet dat hun ondersteuning en subsidies af zouden hangen van hun eventuele deelname.

Ik kan u verzekeren – en dat weet u eigenlijk heel goed – dat dit allemaal niet zo eenvoudig was. Ik ben ervan overtuigd dat we nu een goed evenwicht gevonden hebben en dat is ook uit de reacties vanuit verschillende hoeken bevestigd. Waar er nog verschillende punten aangedragen worden, zijn die heel tegenstrijdig.

Voor de middelen zal er in de toekomst inderdaad een groeipad nodig zijn. Mevrouw Gennez, u bent actief lid van de commissie Onderwijs, en in de onderwijssector is er een open-endfinanciering mogelijk. We kennen dat echter niet in de welzijnssector. We moeten roeien met de riemen die we hebben. We moeten in de toekomst zeker een groeipad uitwerken en ik zou willen dat we ooit met een open-endfinanciering kunnen eindigen, maar jammer genoeg is de hemel niet voor iedereen onmiddellijk bereikbaar.

De kwaliteit is een punt dat meermaals terugkomt. Het is natuurlijk wel tegenstrijdig om te vragen dat we aan de ene kant rekening houden met de verschillende adviezen, maar dat we aan de andere kant stringente kwaliteitsregels moeten opleggen. In heel veel van die adviezen wordt net gevraagd om niet stringent op te treden op het vlak van kwaliteit. We hebben daarin een goed evenwicht gevonden. We werken voor de kleuteropvang een kwaliteitslabel uit, maar we doen dat niet voor de oudere kinderen. Voor die opvang reiken we wel een inspiratiekader aan en leggen we ons vertrouwen in de samenwerking die de lokale besturen met de verschillende sectoren zullen opzetten.

Als je trouwens dat kwaliteitskader stringent zou maken voor de totale opvang dan zou dat betekenen dat je ook kwaliteitseisen moet stellen voor de sectoren jeugd en sport. Voor die sectoren wordt gevraagd om dat absoluut niet te doen.

Ik denk dat we hierin een goed evenwicht hebben gevonden.

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Mevrouw Schryvers daagde me uit om te zeggen hoe ik het dan zou hebben gedaan. Tussen de hoorzittingen en nu zijn niet een paar weken of maanden verloren gegaan, mevrouw Schryvers. Er zitten een paar jaar tussen.

De sector vroeg in die jaren waarin u heel naarstig hebt zitten schrijven en waarin u de sector niet hebt betrokken om net wel betrokken te worden. Dat lijkt me niet zo’n overdreven vraag. Integendeel. Ik ken die sector net zoals u als een constructieve bondgenoot die graag wil meedenken. Dat bleek ook zo op de hoorzitting.

Nu u op het einde van de rit plots als een duivel uit een doosje met een decreet komt, nog net op tijd voor de deadline van het Vlaams Parlement, weet de sector van niets. Ze willen betrokken worden en het decreet nog bijsturen. Dit is een ongelooflijk gemiste kans.

U zegt dat de sector tegenstrijdige adviezen geeft, maar dat is helemaal niet zo. Ik zal u een concreet voorbeeld geven van een advies dat niet tegenstrijdig is en dat niet werd gevolgd. Ik begrijp niet waarom. De lokale jeugdraden vragen dat ze de lokale besturen kunnen adviseren. U gaat daar niet op in. Daarvoor hebt u geen argument, geen reden. Zo zijn er meerdere zaken. Had hen toch betrokken, had hen toch een plek gegeven, want er was ruimte voor overleg.

Dat zou ik anders hebben gedaan, mevrouw Schryvers. Ik zou mezelf niet drie jaar in een kamer hebben opgesloten, maar wel met de sector hebben samengewerkt. Nee, het was niet gemakkelijk, dat geef ik grif toe, maar als je een hele legislatuur de tijd hebt om iets waar te maken, dan moet je het ook goed doen. Die hele legislatuur heeft minister Vandeurzen geen enkele extra capaciteit gecreëerd. Er is niets bijgekomen. De sector werd totaal verwaarloosd. Op het einde komt er dan een voorstel van decreet dat op z’n minst een goed volwaardig decreet had moeten zijn, met een visie op kwaliteit.

Niemand vroeg om stringente regels, niemand vroeg om de regulitis die in sommige welzijnssectoren heerst, maar iedereen vroeg een goede visie op kwaliteit en dat daarover werd nagedacht. Wat betekent kwaliteit? Dat is niet hetzelfde als een inspiratiekader en te weinig geld aan het lokale bestuur geven met de boodschap dat ze het waar moeten maken. Kwaliteit betekent dat men een goede visie ontwikkelt. Dat kan een steunpunt doen, zoals de heer Caron heeft gezegd. Dat kan op vele manieren, maar die kansen zijn tijdens deze legislatuur niet gegrepen. Dat is jammer.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Ik zal eerst ingaan op de samenwerking met de jeugdraad. U zegt dat de jeugdraad heeft gevraagd om opgenomen te worden. Ze hebben net gevraagd om niet opgenomen te worden en ze hebben dat nadien nog eens bevestigd. We hebben dat ook niet gedaan.

Met betrekking tot de jeugdraad hebt u een amendement ingediend om te vragen dat er aan de jeugdraad een verplicht advies zou worden gevraagd met betrekking tot buitenschoolse opvang.

Mevrouw Van den Brandt, ik verwijs naar het decreet van 6 juli 2012, houdende de ondersteuning en stimulering van het lokaal jeugdbeleid, dat in artikel 5, paragraaf 3 zegt: “Het college van burgemeester en schepenen toont aan dat ze advies vraagt aan de jeugdraad over alle aangelegenheden die betrekking hebben op het jeugdbeleid”, ook bij de opmaak van het meerjarenplan.

Dit valt daaronder. Dit is dus al opgenomen. Ik zie niet in waarom dit nogmaals zou moeten worden opgenomen in het decreet buitenschoolse opvang en activiteiten, en waarom we dit dan niet zouden doen voor de andere sectoren.

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het voorstel van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2018-19, nr. 1856/6)

– De artikelen 1 tot en met 20 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het voorstel van decreet houden.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.