U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het voorstel van decreet van Martine Taelman, Lorin Parys, Katrien Schryvers, Peter Persyn, Cindy Franssen en Lies Jans houdende de justitiehuizen en de juridische eerstelijnsbijstand.

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Taelman heeft het woord.

Martine Taelman (Open Vld)

Voorzitter, collega's, geen nood: ik heb het laatste half uur doorgebracht met schrappen in de tekst. (Applaus)

Ik probeer het dus kort te houden.. 

Het voorstel van decreet dat hier voorligt, is toch wel belangrijk. Justitiehuizen zijn immers de onmisbare regisseurs in de keten van justitiehulpverlening en justitiabelen. Ze bevinden zich op het kruispunt van Justitie en Welzijn. Ze bewaken enerzijds de uitvoering van straffen, maar moeten anderzijds ook oog hebben voor de noden en behoeften van mensen, zowel dader als slachtoffers. Voor beiden is die aandacht immers cruciaal om met het leven verder te kunnen gaan, voor de slachtoffers voor het verwerken van het trauma dat hen is overkomen en voor de dader voor zijn toekomstige integratie in de maatschappij en het voorkomen van recidive.

Sinds de zesde staatshervorming zijn justitiehuizen niet langer de bevoegdheid van de federale overheid, maar van de gemeenschappen. Ik ben zeer openhartig: ik juich deze bevoegdheidsoverdracht niet zonder meer toe, want ik vind een sterke band tussen justitiehuizen en Justitie heel belangrijk. De wijze waarop deze justitiehuizen hun opdracht vervullen is immers een belangrijk element in het strafrechtelijke beleid dat een minister van Justitie moet kunnen uittekenen. Er is wat mij betreft echter ook een heel groot voordeel aan de overdracht: vanuit de commissie Welzijn kunnen wij met dit voorstel van decreet naast een sterke link met Justitie ook zorgen voor een sterke link en afstemming met Welzijn. Ik denk dat we daarmee in lijn zijn met de reden waarom justitiehuizen werden opgericht in de nadagen van de affaire-Dutroux, namelijk de vermenselijking van de justitie, niet het minst in de wijze waarop slachtoffers werden benaderd, en de verbetering en uitbreiding van de alternatieve straffen en de maatregelen.

Bij het schrijven van dit voorstel van decreet is ook uitdrukkelijk bekeken welke opdrachten van justitiehuizen ook elders al werden ingevuld, en hoe een en ander kon worden afgestemd op elkaar. De eerstelijnswerking voor juridisch advies werd door de justitiehuizen al grotendeels afgebouwd in het verleden. Nu wordt die werking volledig toevertrouwd aan de commissies voor de juridische eerstelijnsbijstand.

Slachtofferonthaal, slachtofferhulp, slachtofferbejegening: het zijn allemaal begrippen waar een slachtoffer eigenlijk geen boodschap aan heeft, laat staan dat hij weet waar hij daarvoor moet zijn. Daarom is er hier voor gekozen om te komen tot één duidelijk informatie- en aanspreekpunt voor slachtoffers bij het centrum algemeen welzijnswerk (CAW). Dat loket biedt frontoffice informatie, advies en ondersteuning, en fungeert als wegwijzer naar eventuele andere dienstverlening. Ik wil er wel op wijzen dat justitiehuizen hun taak met betrekking tot het verstrekken van specifieke informatie over het dossier, de bijstand in een aantal procedures zoals wedersamenstellingen, burgerlijkepartijstellingen, dossierinzage en dergelijke, zullen blijven vervullen, zoals in het verleden.

Wat de burgerrechtelijke en strafrechtelijke opdracht betreft, is het ook duidelijk: het blijft de federale overheid die bevoegd is voor gerechtelijke procedures, en de rechterlijke macht blijft de opdrachtgever voor de justitiehuizen in dit kader.

Wat in dit voorstel van decreet wordt ingeschreven, is een decretale verankering van een visie waaraan de justitiehuizen al veel langer werkten. Ze hebben tal van projecten omgezet om tegemoet te komen aan de noden die ze hadden vastgesteld bij daders en slachtoffers.

Collega’s, dit voorstel is onderworpen aan het advies van de Raad van State, dankzij u, voorzitter, en dankzij de alertheid van collega Landuyt ook aan de Gegevensbeschermingsautoriteit, gelet op de gevoeligheid van de gegevensverwerking in deze context.

– Wilfried Vandaele, ondervoorzitter, treedt als voorzitter op.

Martine Taelman (Open Vld)

Dat heeft geresulteerd in toch wel wat werk in de commissie aan deze tekst, en aanzienlijke amendementen om die teksten te verfijnen. Ik denk dat die adviezen wel degelijk hebben bijgedragen tot het verbeteren van de legistieke kwaliteit van deze tekst. Ik denk dat dat voor degenen onder jullie die hier ook de volgende legislatuur nog zullen zitten en voor dit gremium toch wel een belangrijk aandachtspunt is: het waken over de legistieke kwaliteit van teksten.

Ik wil afsluiten met het bedanken van al diegenen die hebben meegewerkt aan deze tekst. We gaan daar niet flauw over doen: uiteraard is een groot deel van deze tekst er ook in samenspraak met justitiehuizen, met de administratie, maar ook met het kabinet van de minister van Justitie ontstaan. Ik wil daarom vooral ook mevrouw Nancy Bleys bedanken voor de vele uren overleg die wij hierover hebben gehad en voor het vasthouden van de pen in toch wel heel wat stukken van deze tekst.

Ik wil ook de collega’s van de commissie Welzijn heel hartelijk bedanken voor het traject dat we in dit dossier gelopen hebben, maar ook voor het traject dat we de laatste vijf jaar samen gelopen hebben. Ik hoop dat dit decreet het nodige kader gaat bieden om in de toekomst zowel daders naar minder recidive en meer integratie in de maatschappij te begeleiden, als slachtoffers te helpen bij het verwerken van trauma’s na een misdrijf waar ze mee te maken gehad hebben. (Applaus bij Open Vld)

De heer Parys heeft het woord.

Collega Taelman, dank u wel, want dat was een heel goede uiteenzetting over dit voorstel van decreet, en ik denk ook een van uw laatste legistieke werken. Collega Taelman neemt immers binnenkort afscheid van ons. Dank u wel dus voor de fijne samenwerking. (Applaus)

Voor ons zitten er drie belangrijke elementen in dit voorstel van decreet, die ook de reden zijn waarom wij het graag steunen. Eerst en vooral staat erin dat de justitiehuizen meer evidencebased gaan werken. Dat wil zeggen dat we enkel nog gaan doen waar we zeker van weten dat de uitkomst positief is, dat we de middelen efficiënt inzetten. Dat betekent ook dat we gaan monitoren. We gaan monitoren wat de impact is op recidive van bepaalde trajecten die justitiehuizen aanbieden, we gaan monitoren wat de uitkomst is van bepaalde interventies die een justitiehuis doet, en zo kunnen we na verloop van tijd ook triëren tussen wat echt werkt, wat wetenschappelijk bewezen is en effect sorteert, en wat minder goed werkt en waar we dus minder in moeten investeren. Het is voor ons bijzonder belangrijk dat wetenschappelijk bewezen effecten hun rol gaan spelen in wat we doen, zodanig dat we niet blind varen.

Een stukje van dat eerste punt is uiteraard ook dat de werking tussen die verschillende justitiehuizen beter op elkaar wordt afgestemd. Het is natuurlijk nogal gek dat als je in dezelfde situatie verkeert in Ieper, je een totaal ander begeleidingstraject voorgesteld zou krijgen dan in Antwerpen. Dat kan voor ons niet langer het geval zijn met dit voorstel van decreet, en dat is voor ons een zeer positief element.

Een tweede element, na wetenschappelijk werken en kijken naar wat er werkt, en dat doen op een geharmoniseerde basis, is meer inzetten op digitale mogelijkheden. We weten allemaal dat de wereld snel verandert, dat iedereen constant bezig is met allerlei soorten sociale media. De overheid moet daar dan ook in meegaan. Wij zijn zeer tevreden dat alle mogelijkheden om via skype, via chat een aantal stukken informatie te kunnen inwinnen bij zo’n justitiehuis, ook in dit voorstel van decreet vervat zitten. Op die manier wordt de drempel om justitiehuizen binnen te stappen, fysiek en virtueel effectief verlaagd. Dat is voor ons zeer belangrijk.

Het laatste pluspunt waarop we graag de nadruk leggen in dit voorstel van decreet, is het feit dat we de eerstelijnsbijstand helemaal hertekend hebben, maar dat we daar echt zijn afgestapt van het hokjesdenken. Dat is voor ons een heel belangrijke stap, omdat je daar tussen die verschillende sectoren naar een betere samenwerking gaat. Wij denken dat dat in het belang is van de cliënt die informatie zoekt en die met justitie in aanraking komt.

Collega’s, om die drie redenen zal mijn fractie straks op het groene knopje drukken.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Met de zesde staatshervorming werd de werking van de justitiehuizen en het Centrum voor Elektronisch Toezicht een Vlaamse bevoegdheid. Het is hier al gezegd: dat is natuurlijk een gelegenheid om aan te grijpen om een eigen visie te formuleren op de werking van die justitiehuizen. De belangrijkste doelstellingen zijn de re-integratie van de bestrafte in de samenleving, het herstel van de schade en het leed van de slachtoffers en de maatschappij, en de beperking van de kans op herval.

Justitiehuizen hebben als opdracht uitvoering te geven aan strafrechtelijke, penitentiaire en burgerrechtelijke opdrachten, maar het is natuurlijk ook belangrijk dat ze oog hebben voor de welzijnsnoden van betrokkenen. Dit voorstel van decreet focust daarom op de synergie tussen de opdrachten van justitiehuizen en die van welzijnsorganisaties. We kiezen in dit voorstel resoluut ook hier voor schaalvergroting, namelijk één justitiehuis per provincie. Die organisatorische schaalvergroting maakt een efficiënter personeelsbeheer mogelijk, maar zeker ook een betere kwaliteitsborging.

We willen echter absoluut niet dat dit ten koste zou gaan van de toegankelijkheid. Daarom waarborgen we de nabijheid van de justitiehuizen door de mogelijkheid om ook antennes op te richten, en om in te zetten op onlinecontacten.

Om slachtoffers te begeleiden in hun zoektocht naar hulp, zal er een aanspreekpunt zijn, namelijk het slachtofferloket. Belangrijk zijn natuurlijk ook het uitwisselen van en omgaan met informatie, met aandacht voor het beroepsgeheim en de bescherming van persoonsgegevens. Justitiehuizen zullen in de toekomst ook sectoroverschrijdende samenwerkingsverbanden en netwerken uitbouwen en faciliteren, en dit op het kruispunt van justitie, politie, welzijn en zorg.

Bij de uitvoering van hun opdrachten werken de justitiehuizen ook samen met de lokale actoren zoals de centra algemeen welzijnswerk (CAW’s), centra voor geestelijke gezondheidszorg (cgg’s), vormingsinstellingen, lokale besturen en bemiddelingsdiensten. Voor ons is het belangrijk dat er in dit voorstel van decreet uitdrukkelijk wordt gekozen voor de wetenschappelijke onderbouwing van acties en projecten.

Voor de juridische eerstelijnsbijstand legt het voorstel van decreet bewust een sterke link met de welzijnssector. De toegankelijkheid wordt ook voor kwetsbare mensen verzekerd, alsook wordt mensen die advies komen vragen, zo nodig de weg naar hulpverlening gewezen. Dat die bijstand ook wordt ingepast binnen het geïntegreerd breed onthaal, toont voor ons de manier waarop we in de hulpverlening mensen op een integrale manier willen helpen, en niet meer van het spreekwoordelijke kastje naar de muur sturen.

De heer Landuyt heeft het woord.

Renaat Landuyt (sp·a)

Collega's, mijn excuses dat ik even naar het spreekgestoelte kom, maar misschien is het de laatste keer in 28 jaar dat ik nog eens op zo'n podium kan staan. Het is voor mij een beetje een afscheidsspeech. (Applaus)

Wie mij kent, weet dat ik ooit eens vier uur heb gesproken, en sindsdien durf ik dat nooit meer te doen. Ik zal het ook vandaag niet doen. Ik kon het echter niet laten om nog eens over justitie en de justitiehuizen te spreken in een parlement, en dat doe ik toch met twee randbemerkingen.

Ik wil mevrouw Taelman bewonderen voor de manier waarop ze heeft geprobeerd een tekst die ook voor juristen moeilijk is, uit te leggen. Je moet die tekst eens lezen als een jurist, je voelt je een beetje als een burger die een juridische tekst leest. Het is een welzijnstekst. Het is een tekst die termen gebruikt uit de welzijnssector. Daar heb ik niks op tegen, ik kom zelf uit de welzijnssector.

Wat mij al jarenlang frustreert, is dat we op Vlaams niveau niet in staat zijn de bevoegdheden die we hebben op het vlak van justitie, ook effectief vanuit die benadering te bekijken. Als een soort afscheidscadeau aan de volgende generaties heb ik op de valreep een conceptnota ingediend. Ik wist niet dat dat bestond: je ideeën in een concept kunnen gieten in een parlementair document. Ik wist niet dat dat kon, maar dat heb ik dus gedaan.

Ik heb een poging gedaan om mijn boekje van 2003 of 2004, ‘Een Vlaams Gerecht’, te vertalen in een praktische tekst voor de toekomstige generaties, met als basisstelling: je hoeft geen grote communautaire vechter te zijn om vast te stellen dat we op het Vlaamse niveau al veel zelf zouden kunnen doen. Wat ik nooit heb begrepen, is dat we voor werkgelegenheid een minister van Werk hebben op het federale en op het Vlaamse niveau, dat we voor binnenlandse zaken een minister van Binnenlandse Zaken hebben op het federale en op het Vlaamse niveau, maar dat we dat voor justitie niet hebben.

Zowel inzake binnenlandse zaken als inzake werkgelegenheid hebben we niet alle bevoegdheden, maar toch vonden wij het belangrijk genoeg om die bevoegdheden te groeperen.

Wat justitiebevoegdheden betreft, vinden we dat niet belangrijk. Ik vind dat enorm spijtig, want als we ooit van Vlaanderen een rechtstaat willen maken, moeten we dit doen.

Wat we nu met onze bijkomende bevoegdheden sinds de zesde staatshervorming doen, is eigenlijk een verdeling van het werk van een minister van Justitie. Het positief injunctierecht en de strafvervolging zitten bij de minister-president en de andere bevoegdheden zitten bij de minister van Welzijn.

Dat laatste punt is bijzonder spijtig, en we zien dat ook aan deze tekst. Hier ligt een tekst voor over de organisatie van de juridische eerstelijnsbijstand en over de organisatie van strafuitvoering. In Vlaanderen is strafuitvoering eigenlijk welzijnswerk. Dat is een ideologische stelling die iemand al dan niet kan steunen, maar het gaat om zuiver welzijnswerk. Anderen gaan er ideologisch van uit dat een straf ook nog een straf zou moeten zijn. In Vlaanderen is dat niet het geval, want dit is ingebed in het welzijnswerk. Dit staat in de tekst in verband met de juridische eerstelijnsbijstand.

Als iemand met gebreken aan zijn salon zich afvraagt wat hij moet doen, wat zijn rechten zijn en waar hij kan protesteren, kan hij in Vlaanderen naar een commissie voor juridische eerstelijnsbijstand. Ik houd mijn hart vast voor die persoon. In het voorstel van decreet staat immers dat de situatie van die persoon zal worden bekeken “vanuit een welzijnsgerichte en integrale benadering van de problematiek van de gebruiker”. Wie durft binnenkomen voor fouten aan zijn salon wordt daar geanalyseerd. De vraag is dan of hij geen persoonlijke problemen heeft waarvoor hij in een zorgtraject moet worden gestopt. Ik vind dat niet uit. Dat staat er letterlijk. Er zal voor de nodige begeleiding worden gezorgd. Iemand die in Vlaanderen een juridische vraag heeft, is iemand die met een probleem buitenkomt waar we aan zullen werken.

Vlaanderen redeneert, met andere woorden, voortdurend in zorgtrajecten en niet in termen van rechten en vrijheden. Dat is dramatisch. Op andere terreinen redeneren we in termen van vergunningen, maar als het om gewone mensen gaat, redeneren we in termen van zorgtrajecten. Ik nodig iedereen uit de tekst te lezen. Dankzij de vele contacten met de vele welzijnsorganisaties wordt dat hier ingebed. Heel die problematiek staat in deze tekst in woorden die niet iedereen hier eigen zijn. Ik heb medelijden met burgers die juridische teksten moeten lezen, maar ik heb ook medelijden met juristen die dergelijke welzijnsteksten moeten lezen.

Dit is mijn eerste basisopmerking en ook de reden waarom ik mijn fractie in alle bescheidenheid heb gevraagd dit niet volledig goed te keuren en zich te onthouden. Eigenlijk hebben we een kans laten liggen om in Vlaanderen een eigen juridisch systeem uit te bouwen.

Ik herhaal dat ik dit niet doe vanwege de problematiek van de onafhankelijkheid van Vlaanderen, maar omdat ik wil redeneren in emancipatorische termen en niet in de betuttelende termen die nu worden gebruikt om om te gaan met mensen die, pakweg, een probleem hebben met de leverancier van hun salon.

Mijn tweede basisopmerking is concreter en pijnlijker. Om mensen op juridisch vlak eerstelijnsbijstand te geven, doen we een beroep op advocaten. Ik ben zelf een advocaat. Binnen een paar maanden zal ik voor 100 procent advocaat zijn. De mensen die problemen hebben, zijn verwittigd. (Opmerkingen. Gelach)

Als iemand een probleem heeft met een salon die 5000 euro heeft gekost of met een salon uit Ikea die 2000 euro heeft gekost en in verband met die fout naar een zelfstandige advocaat stapt, moet dit in zijn businessplan passen. Het is mogelijk dat hij een extra salon moet betalen.

Vandaar is het mijn overtuiging dat we veel meer een beroep moeten op organisaties, zoals de Huurdersbond of consumentenverenigingen, die met even of toch bijna even goede advocaten zouden kunnen werken. Die advocaten moeten dan niet als zelfstandigen optreden, maar volgens de doelstellingen van hun organisaties werken om de rechten en plichten van mensen beter uit te leggen en ze ook te begeleiden. Het zelfstandigenmodel is immers duurder dan zo’n organisatiemodel.

Ik vind dit dan ook een verloren kans. Het is spijtig dat men het amendement van Groen niet heeft gesteund om voor eerstelijnsbijstand niet enkel een beroep te doen op advocaten maar ook op deskundigen, bijvoorbeeld van de Huurdersbond of van consumentenverenigingen. De juristen binnen die organisaties zijn even of misschien zelfs meer gespecialiseerd in kleine problemen, die voor veel mensen weliswaar zeer groot zijn.

– Jan Peumans, voorzitter, treedt als voorzitter op.

Renaat Landuyt (sp·a)

Als we willen vermijden dat een Vlaamse burger die zijn rechten wil kennen niet direct doorverwezen wordt naar de psychiatrie, dan moeten we toch wel even dit bedenken: enerzijds moeten we een beroep kunnen doen op alle juristen en anderzijds zijn rechten en vrijheden iets helemaal anders dan welzijnswerk. Daarom vraag ik mijn fractie met spijt in het hart om deze verloren kans voor Vlaanderen met een onthouding te bezegelen. (Applaus bij Groen en sp.a)

Martine Taelman (Open Vld)

Ik heb één opmerking bij het laatste betoog van de heer Landuyt.

Ik begrijp dat u zegt, mijnheer Landuyt, dat deze tekst moeilijk te lezen is vanwege de welzijnstermen die erin staan. Nu zie ik dat u dat echt meent want in die tekst staat niet wat u hier staat te verkondigen, met name dat er geen beroep wordt gedaan op de Huurdersbond. In die tekst, die een kader schept, staat dat de commissies voor juridische eerstelijnsbijstand een businessplan moeten maken en dat ze het middenveld en de expertise van bijvoorbeeld de Huurdersbond daarbij moet betrekken. Wat u zegt staat er dus niet in en het dus is geen gemiste kans, want het middenveld moet er wel degelijk bij betrokken worden.

Renaat Landuyt (sp·a)

Ik doe eerst een historische uitspraak: in ieder parlementair medium heb ik altijd gezegd wat ik meen. Laat er op dat vlak geen misverstanden bestaan.

Ik herhaal het nogmaals:  in Vlaanderen blijken we niet alleen niet in staat om onze bevoegdheden op juridisch vlak volledig te gebruiken, maar maken we van justitie ook welzijnswerk. Dat begrijp ik echt niet. Dit is echt een verloren kans. Ik verwijs daarvoor naar mijn conceptnota, vers van de pers.

Dit gezegd zijnde, vind ik het feit dat men er in alle haast ook nog terloops voor zorgt dat het monopolie van de advocatuur in een voorstel van decreet wordt vastgelegd, een stap te ver. Het is niet omdat die commissies overleg plegen en in hun bestuur elementen en collega’s hebben vanuit andere organisaties, dat er geen monopolie is. Het gaat er immers om dat het echte juridische werk enkel toegewezen wordt aan advocaten die een dubbele selectie doormaken, enerzijds van hun orde en anderzijds die van de commissie die we met dit voorstel van decreet zouden oprichten.

Het voorstel van de collega’s van Groen was dan veel beter. Als dit echt de bedoeling was, dan moeten we ervoor zorgen dat het amendement opnieuw ingediend wordt – dat kunt u nu nog doen, mijnheer Rzoska – en dat iedereen het steunt. Zo openen we tenminste de weg om de mensen een juridische bijstand te geven die niet veel geld kost op termijn. Als u advocaten namelijk gaat betalen voor hun juridische eerstelijnshulp, dan zal dat een niet te onderschatten kost zijn voor Vlaanderen. Werk je daarentegen met verenigingen die sowieso al gesubsidieerd zijn, dan krijg je eigenlijk een soort van gratis dienstverlening.

De voorzitter

De heer Parys heeft het woord.

Mijnheer Landuyt, aan de ene kant zegt u dat het een schande is dat er hier wordt geïnstitutionaliseerd, dat het echte juridische werk enkel door advocaten wordt gedaan. Het eerste deel van uw betoog was dat het een schande is dat er in welzijnstermen wordt gesproken als het over juridische zaken gaat. Goed, het is ofwel het ene of het andere. De waarheid is, mijnheer Landuyt, dat dit parlement deze aangelegenheid aangrijpt om juist een synthese proberen te maken en om los te komen van louter juridisch hokjesdenken. Wanneer een Vlaming die op zoek is naar hulp, ook wordt benaderd vanuit een holistisch perspectief, wanneer die een probleem heeft met zijn zitbank of de aankoop en de opmeting daarvan, wat het ook moge zijn, dan zal hij op een strikt juridische wijze worden geholpen met zijn vraag. Wanneer blijkt dat hij andere hulp nodig heeft, dan is die hulp ook beschikbaar. Dat is net de flexibiliteit die in dit voorstel van decreet zit. We overstijgen het hokjesdenken. Het gaat niet enkel over het strikt juridische, het gaat niet enkel over het strikt welzijnsgerichte. We maken hier voor de eerste keer een synthese.

Wat het voorbeeld van de huurdersbond betreft, sluit ik me graag aan bij de tussenkomst van collega Taelman, die correcter is dan wat u hier verkondigt. De huurdersbonden hebben een rol te vervullen in de eerstelijns juridische bijstand wanneer zij dat wensen en wanneer die bijstand ook effectief wordt georganiseerd.

Renaat Landuyt (sp·a)

Een kleine wenk voor de toekomstige generaties: laat nooit een ander zeggen wat je gezegd hebt. Ik heb het woord ‘schande’ zelden in mijn mond genomen omdat ik vind dat je moet kunnen openstaan voor een rustig debat en dat je niet direct alles met schande moet benaderen.

Ik begrijp jullie partij echt niet op dat vlak. Mijn stelling dat er een verschil is tussen het juridische en welzijn, is gebaseerd op mijn gedachte dat de mensen onafhankelijk zijn, dat er emancipatie moet zijn, dat ze uiteindelijk rechten moeten hebben en ook plichten, maar vooral rechten en vrijheden. Dan zie je dat in Vlaanderen de tendens bestaat om een dissectie te maken van alle bevoegdheden op juridisch vlak, waardoor de rechten van de mensen herleid worden tot zorgprojecten. Ik begrijp jullie partij nog minder als het over strafuitvoering gaat, want inzake strafuitvoering herleiden wij alle alternatieve straffen tot welzijnswerk. Men zou kunnen verwachten van mensen van Groen of van sp.a dat wij nog in die oude cultuur zitten dat je daders goed moet wrijven en doen, maar dat verwacht je niet van de stoere jongens van de N-VA, die wel streng zijn. Louter straffen kan niet in Vlaanderen omdat wij alle alternatieve strafmogelijkheden die we gekregen hebben – of afgedwongen – van de federale staat, herleiden tot welzijnswerk. Op het vlak van het kennen van je rechten en plichten, word je behandeld alsof je net de psychiatrie binnengaat. Op het vlak van de strafuitvoering word je nog meer betutteld dan de oude Belgische linkerzijde ooit heeft willen doen. Want we zetten dat nu in een decreet. Je gaat het justitiehuis binnen en elk contact dat je hebt, is met een sociaal assistent die je soms zelfs nog meer helpt dan de slachtoffers. Dat is de harde realiteit, maar dat is door de werkomstandigheden. Dat is iets wat ik zelfs ideologisch niet begrijp. In Vlaanderen wordt er niet gestraft, in Vlaanderen doen we aan welzijnswerk. Bij ieder incident, als men dan stoer wil overkomen, moet men teruggrijpen naar zijn eigen decreten om te zeggen: wat hebben we hier gemaakt?

En dus, als er al mensen zouden zijn op jullie banken die beginnen te twijfelen: we kunnen dit voorstel van decreet nog een week uitstellen om nog een paar correcties te doen. Het is ten andere al gebeurd op het vlak van gegevensuitwisseling.

Maar het fundament is: wij doen vandaag afstand van Vlaanderen als rechtsstaat. Vlaanderen is een betuttelende gemeenschap. Zelfs als je slechts een eenvoudige juridische vraag hebt, zal je helemaal gedissecteerd worden om te bekijken of je niet echt een probleem hebt aan je zitvlak in plaats van aan je salon.

De voorzitter

De heer Parys heeft het woord.

Ik ga collega Landuyt op zijn wenk bedienen, want hij zei aan de volgende generatie: laat nooit iemand iets zeggen wat jij niet gezegd hebt. Eerlijk gezegd, mijnheer Landuyt, als u het hebt over ‘de stoere jongens van de N-VA’, dan zal ik u vertellen dat u over ons iets zegt wat wij niet zijn. Wij zijn de partij die heel duidelijk zegt, en dat zei ik ook in mijn betoog: wij willen doen wat werkt. Dat is het enige wat ons interesseert.

U zegt: dit voorstel van decreet – en ik vind het een heel interessante discussie – vereenzelvigt juridische strafuitvoering met welzijnswerk. Neen, mijnheer Landuyt. Dan hebt u het voorstel van decreet zeer slecht gelezen. Want daarin staat dat wij gaan werken met wat werkt volgens de evidence based principes. Wij gaan met dit decreet voor de eerste keer recidive monitoren, iets waar u, toen u er federaal bevoegd voor was, nooit in geslaagd bent. Wij gaan nu voor de eerste keer ervoor zorgen dat wij weten of een dader opnieuw feiten pleegt volgens een bepaalde interventie die wetenschappelijk is bewezen. Dat is het enige punt dat van tel is voor de Vlaming die wil leven in een rechtsstaat die voor hem veilig is, in een rechtsstaat waarin een dader wordt geherintegreerd in een samenleving. Dat is het echte punt van geloof dat in dit voorstel van decreet zit. We gaan niet langer zomaar iets doen, we gaan het doen volgens die principes. Dat kan door sommigen gepercipieerd worden als een hardere interventie. Daar laat dit voorstel van decreet elke mogelijkheid toe. Dat kan volgens dit voorstel van decreet ook via een zachte aanpak, wanneer die de meeste vruchten zal afwerpen in de toekomst. Dat is de manier waarop wij vanaf nu hier in Vlaanderen zullen werken en dat is ook de manier waarin mijn partij 100 procent gelooft.

Renaat Landuyt (sp·a)

Waarde collega, ik kan maar hopen dat ze binnen uw partij even zacht zijn als u. Maar dat is niet mijn punt.

Mijn punt is iets anders, en je kunt erover blijven discussiëren. Ik heb de moeite gedaan om een conceptnota beleidsdomein justitie op te stellen, om eens op een grondige wijze te tonen hoe wij in Vlaanderen anders zouden kunnen omgaan met onze justitiële bevoegdheden.

Ik geloof u ten volle en ik twijfel niet aan uw intenties dat u dat evidence based en zo efficiënt mogelijk wilt aanpakken, maar u zit aan uw basis met het probleem dat u het justitiële werk volledig inkadert in het welzijnswerk. En dit gaat botsen in de praktijk. Dit is een andere manier van benaderen.

Het enige waar ik dus voor pleit – ik pleit niet voor een hard beleid – is een echt justitiebeleid. Ook inzake strafuitvoering, dat is nog altijd iets anders dan welzijnswerk. Waarmee ik niet wil zeggen dat strafuitvoering slaag geven is aan de mensen. Je moet dat wetenschappelijk doen. Je moet dat grondig doen. Maar uw basisuitgangspunt, welzijnswerk, is ideologisch een stap te ver omdat u de mens niet neemt als een volwaardig wezen dat verantwoordelijk is voor zijn daden. Een mens is iemand die, ook in Vlaanderen, rechten en plichten zou moeten hebben, rechten en vrijheden zou moeten hebben en niet alleen zorgtrajecten.

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Voorzitter, ik ben nog een beetje in de war want ik heb hier een aantal stereotypes moeten doorbreken. Bedankt, mijnheer Landuyt, voor uw boeiende betoog. Ik ga alvast uw conceptnota met veel interesse lezen. Misschien was het wel interessant geweest om die als reflectienota te hebben gehad, zodat u inderdaad de collega’s had kunnen overtuigen om het voorstel van decreet nog bij te sturen. Maar goed, misschien lukt dat nog met dit debat want, zoals u gezegd hebt, er zijn amendementen in de commissie besproken waarvan ik met de beste wil van de wereld alleen maar kan vaststellen dat ze nodig zijn, terwijl hier toch weer ontkend wordt dat ze nodig zijn.

Het gaat over het amendement met betrekking tot wie de eerstelijnsrechtsbijstand mag gaan geven. Ik hoor jullie graag zeggen dat de huurdersbonden dat mogen blijven doen en dat de Wetswinkel dat mag blijven doen, maar ik kan alleen maar de tekst lezen, en daarin staat dat het de Commissie voor Juridische Bijstand is die tot taak heeft om een laagdrempelig en kwaliteitsvol aanbod aan juridische eerstelijnsbijstand door advocaten te organiseren: “Ze selecteren advocaten die geschikt zijn om (…)” – en dan volgt een hele uitleg. Er wordt dus telkens gezegd dat het advocaten zijn die dat doen, en hoe er een lijst wordt opgemaakt door de commissie, die gebaseerd is op advocaten. En ik wil met de beste wil van de wereld denken dat die advocaten ook de huurdersbond zijn, maar de laatste keer dat ik een huurdersbond heb gezien, was dat geen advocaat, maar een organisatie. Hetzelfde geldt voor de Wetswinkel. Die doen goed en belangrijk werk. We hebben het salon van de heer Landuyt daarnet een paar keer ter discussie gehad. Als je salon op straat staat omdat je huisbaas je buitengooit, dan ben je blij dat je een huurdersbond hebt om aan je kant te gaan staan met expertise over huurwetgeving.

We hebben amendementen ingediend om dat open te trekken. Maar als jullie mij ervan kunnen overtuigen dat die amendementen niet nodig waren, omdat ik het woord ‘advocaat’ te eng lees en er ergens een definitie is waarbij ‘advocaat’ ruimer is dan de definitie die ieder van ons hier heeft, dan hoor ik dat graag. Dat is een eerste luik waarom ook mijn fractie dit voorstel van decreet straks niet zal goedkeuren.

Een tweede element is het volgende. Hier wordt een kaderdecreet voorgesteld met een aantal goede principes. Dat er ‘evidencebased’ gewerkt gaat worden, is heel interessant. Ook dat er een aantal taken worden ingezet, is heel interessant. Maar het moet uitvoerbaar zijn. En dus hebben wij een aantal voorstellen gedaan om ervoor te zorgen dat de justitiehuizen effectief de slagkracht hebben om dat te doen, in werkingsmiddelen en in personeel. Ook daar vinden we het jammer dat we niet gevolgd zijn, omdat we ervan overtuigd zijn dat daar nog groeipaden nodig zijn om de doelstellingen waar te maken.

De rest van het debat hebben we in de commissie gevoerd.

Om af te ronden, wil ik de heer Landuyt niet enkel bedanken voor zijn betoog. Het is immers ook dankzij hem dat dit een beter legistiek werk is. Na lang gekibbel in de commissie is het de heer Landuyt geweest die, in samenwerking met de voorzitter, dit nog naar de Gegevensbeschermingsautoriteit heeft kunnen sturen, waardoor er juridisch-technische fouten uit het voorstel van decreet zijn gehaald. Ik hoop dat daarmee het signaal wordt gegeven, misschien dan voor de volgende legislatuur, dat luisteren naar de oppositie niet altijd iets lastigs is, maar soms ook je eigen werk kan versterken en verbeteren. Ik hoop dat het in de volgende legislatuur niet meer telkens met zo'n gevecht moet om adviezen te hebben van relevante organen.

Dat geldt trouwens voor het gehele traject. Dit is een belangrijk decreet. Het is een decreet dat via het parlement komt. Mevrouw Taelman heeft er hard en goed aan gewerkt. Daar wil ik absoluut krediet voor geven. Maar dat die weg gevolgd wordt, maakt dat een aantal verplichte adviezen niet opgevraagd worden en dat de SAR enzovoort geen adviezen geeft. Dat is jammer, omdat we daardoor heel wat input van de sector niet krijgen die we anders wel krijgen wanneer we een decreet vanuit de regering hebben. Ook daar denk ik dus dat het interessant is om het oor altijd te luisteren te leggen bij het terrein en bij de sector, om hen erbij te betrekken, om dergelijke belangrijke hervormingen in samenspraak door te voeren, om te vermijden dat er onbewust perverse effecten zijn, die we moeten rechtzetten met andere decreten.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het voorstel van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2017-18, nr. 1438/9)

– De artikelen 1 tot en met 46 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het voorstel van decreet houden.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.