U bent hier

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Voorzitter, vorige week hebben een aantal onderzoekers van de Universiteit Gent een onderzoek gepubliceerd met als titel ‘Hoe vergaat het kinderen uit kansarme gezinnen bij de overgang naar het kleuteronderwijs?’ Ze hadden geen beter tijdstip kunnen kiezen om hun onderzoek te publiceren. We hebben in de Commissie voor Onderwijs nog maar net mensen uit de onderwijssector ontvangen die uitdrukkelijk hebben gevraagd het kleuteronderwijs beter te ondersteunen. Gisteren is, als ik het goed heb begrepen, aan de overkant van de straat, in de Kamer van volksvertegenwoordigers, het wetsvoorstel om de leerplicht van 6 jaar tot 5 jaar te verlagen kamerbreed goedgekeurd. Ondanks alle kritiek die op onderzoeken wordt gegeven, bevat dit onderzoek een paar belangrijke vaststellingen.

Ik wil de belangrijkste vaststelling hier onderstrepen. De onderzoekers stellen opnieuw dat het kleuteronderwijs ertoe doet. Voor kinderen kan het werk van de scholen en van de kleuteronderwijzers effectief een groot verschil maken. We moeten er echter op letten dat het kleuteronderwijs zeker voor de kinderen uit families met een andere thuistaal die het thuis wat minder goed hebben, effectief die hefboom vormt. De onderzoekers doen hiervoor een aantal aanbevelingen.

De jongste kinderen moeten beter worden omringd. Dat ligt perfect in de lijn van wat we in het Vlaams Parlement al een paar keer hebben gezegd. Het taalaanbod moet rijker zijn en moet meer op het kind worden afgestemd. Meer kinderen in de klas moeten de kans krijgen om effectief hun taal te verbeteren. Het wachten, dat in sommige van de onderzochte scholen tot 20 of 30 procent van de schooltijd oploopt, moet veel meer worden ingevuld en moet worden beschouwd als een mogelijkheid om de taal te leren. En de speeltijden zijn eigenlijk veel te stressvol en te weinig ontspannend voor de allerkleinsten.

Minister, welke bijsturingen in uw beleid acht u na dit onderzoek nog mogelijk tijdens deze legislatuur?

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Voor we over de aanbevelingen op basis van dit onderzoek spreken, denk ik dat we er toch rekening mee moeten houden dat het een vrij kleinschalig onderzoek van een beperkt aantal scholen en leerlingen is geweest. We moeten dus enige voorzichtigheid in acht nemen bij de resultaten van het onderzoek, maar het zet, zoals de heer De Ro zegt, de uitdagingen van ons hedendaags kleuteronderwijs opnieuw in de kijker. Onze leerkrachten staan voor belangrijke uitdagingen.

In de besluiten leggen de onderzoekers de nadruk op het feit dat er heel veel grote klassen zijn. Dat brengt veel chaos met zich mee. Tijdens die vele momenten van chaos en vrij spel, zijn er heel weinig zinvolle taalmomenten. Dat besluiten ze zo’n beetje uit hun onderzoek.

In de aanbevelingen pleiten ze natuurlijk voor kleinere klassen. Dan heeft een leerkracht inderdaad meer mogelijkheden om aandacht te besteden aan de kinderen. Maar ze pleiten ook – en dat vind ik een beetje onlogisch – voor het belang van de meertaligheid. Ze willen leerkrachten meer vertrouwd maken met meertaligheid en ze pleiten ervoor om die meertaligheid ook in het onderwijs te brengen. Daar leggen ze, minister, hun focus wat verkeerd. Wij pleiten voor participatie in het kleuteronderwijs omdat we daar inderdaad de meerwaarde van inzien. Waarom? We vinden dat het moment om zo snel mogelijk te beginnen met het aanleren van het Nederlands. Zeker voor kinderen die die taal thuis niet spreken. Je moet erop inzetten om de Nederlandse taal te stimuleren en de kennis ervan uit te breiden.

Daarom vraag ik u, minister, om daarop toch zeker de focus te blijven leggen. Zodat de focus vanaf het eerste moment dat een kind naar de kleuterschool gaat, op het leren van het Nederlands wordt gelegd.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Dit is een studie die inderdaad niet kwantitatief de grootste was, maar wel kwalitatief onderzoek en diepteonderzoek heeft gedaan naar ons kleuteronderwijs. Er kwam zeer duidelijk in naar voren dat kleuteronderwijs ongelooflijk belangrijk is. Het kan een bijzonder krachtig wapen zijn om komaf te maken met sociale ongelijkheid in ons onderwijs. Het kan ervoor zorgen dat dat een enorme impact heeft op de latere schoolcarrière van kinderen. Kleuteronderwijs is dus zeer belangrijk, maar dan moet er inderdaad voldoende ruimte, voldoende tijd, voldoende ondersteuning zijn voor de leerkrachten om met die kleinste kleutertjes aan de slag te gaan, en om op een goede manier aan talige interactie te kunnen doen.

Op dit moment, zo blijkt uit die studie, is dat helaas niet mogelijk. Leerkrachten zijn nog steeds overbevraagd. De zorg voor de allerkleinsten blijft gigantisch groot. Dus is het besluit van de studie heel kort gezegd – en ik ga alle verschillende onderdelen van de besluiten niet herhalen – dat de Vlaamse Regering moet stoppen met het kleuteronderwijs stiefmoederlijk te behandelen. Kleuteronderwijs is zodanig belangrijk dat er meer aandacht moet voor komen.

Daarom vraag ik u heel concreet wat u gaat doen met de aanbevelingen van het toch wel zeer goede rapport. Wat kunt u tijdens deze legislatuur nog ter harte nemen en aanpakken?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Laat mij beginnen met het feliciteren van de onderzoekers. U hebt alle drie verwezen naar deze studie. Wat mij er positief in trof, is dat het een onderzoek is waar iedereen mee aan de slag kan. Je kunt er als overheid mee aan de slag, maar ook als leerkracht.

Ik heb deze week het genoegen gehad om drie kwartier mee ‘les te mogen geven’ in een kleuterklas. Ik heb daar ook gezien hoe groot het verschil is tussen de kleutertjes die er beginnen, tussen heel taalcompetente kleuters die dominant zijn als je vraagt wie wil antwoorden en kleuters die dat helemaal niet zijn. Ze zijn timide, ze hebben minder taalontwikkeling en ze dreigen nogal snel overvleugeld te raken door hun veel communicatievere vriendjes en vriendinnetjes in de klas. Dat is inderdaad een probleem.

Ik vind het goed dat je als leerkracht met deze studie ook echt aan de slag kunt door het feit dat je erop wordt gewezen om daar ook aan te werken. In de kleuterklas waar ik deze week was, zag ik dat de leerkracht er heel bewust voor zorgde om in de interactie iedereen goed aan bod te laten komen. Dat is nuttig.

Het observeren van de kinderen dateert van het schooljaar 2015-2016. Dat is al een paar jaar geleden.

We zijn sindsdien ook niet stil blijven zitten. Het belangrijkste is misschien het project ‘Kleine Kinderen, Grote Kansen’, dat ik opgestart heb en dat nu al geleid heeft tot een wijziging in didactiek, in die zin dat iedere student kleuterleider of -leidster nu een opleiding armoedeherkenning krijgt. Daar zit ook een luik taalontwikkeling in, zodat leerkrachten leren hoe ze moeten omgaan met kinderen die in een context van anderstaligheid of in een context van mindere taalrijkdom opgroeien. Het zit in de opleiding, maar dankzij dit project zijn er ook een aantal methodieken aangereikt om ervoor te zorgen dat leerkrachten beter met dergelijke kinderen leren omgaan.

Ten tweede weten jullie dat er meer leerkrachten ingezet worden en meer werkingsmiddelen zijn, als er meer anderstalige of kwetsbare kleuters zijn. We hebben de werkingsmiddelen deze legislatuur met 20 miljoen euro doen stijgen, maar dat is niet voldoende. Vorige week hebben de sociale partners het toekomstplan basisonderwijs besproken in de commissie en ik ben er echt van overtuigd dat we de komende jaren verdere stappen zullen moeten zetten, zeker ook voor die allerkleinsten, maar met die 20 miljoen euro hebben we wel al wat extra zuurstof gegeven.

Ik heb vorig jaar aan onze inspectie gevraagd om bij doorlichtingen van het kleuteronderwijs niet alleen rekening te houden met de kwantiteit, of hoe vaak de kleuters aanwezig zijn, maar ook met de kwaliteit, met een focus op taalrijkdom. De bedoeling is om te kijken waar de knelpunten liggen en welke verschillen de inspectie ziet tussen scholen onderling. Ik verwacht op het einde van dit schooljaar een rapport van onze inspectie dat heel specifiek die kwalitatieve omgang met kleuters en de taalrijkdom in kaart brengt. Er moeten dus budgettaire stappen komen, maar we hebben ook al inhoudelijke maatregelen genomen en rollen er nu een aantal uit. Ik denk dat dit de goede weg is, die we ook moeten blijven volgen.

Collega Krekels, u sprak over meertaligheid en we hebben het daar ook al vaker over gehad. Het ene hoeft het andere niet uit te sluiten. Sowieso moet je Nederlands leren aan een kleutertje, maar die thuistaal hangen ze natuurlijk niet aan de kapstok, zeker als ze nog niet zo goed Nederlands spreken. Je moet de context vinden om daarmee om te gaan. Het uiteindelijke doel is altijd de goede beheersing van het Nederlands. Ik heb deze week nog eens gezien dat het verschil tussen 4- en 5-jarigen onderling ontzettend groot is. Als je daar een achterstand opbouwt door allerlei omstandigheden – de school kan niet alles alleen oplossen –, dan wordt het steeds moeilijker om die achterstand in de jaren daarna in te lopen. Daarom is er zeker noodzaak aan extra leerkrachten – die zijn er ook –, moeten de werkingsmiddelen op gelijk niveau komen en moet de globale ondersteuning de komende jaren ook beter. We zijn echter niet bij de pakken blijven zitten, want inhoudelijk hebben we al stappen gezet. (Applaus bij CD&V)

Jo De Ro (Open Vld)

Minister, ik geef u op dat vlak gelijk. Het eerste wat ik met het onderzoek gedaan heb toen ik het vroeg in de ochtend ontving, was het doormailen naar de directies in mijn eigen onderwijsnet in de stad. Naast het stuk dat vooral voor onderzoekers bestemd is, zit er ook eten en drinken in voor de gewone mens, de kleuterleider en de directeur, maar ook de pedagogische begeleider, de inspectie en de mensen van het ministerie.

Het is logisch om hier in het parlement te kijken naar wat de volgende Vlaamse Regering en het volgende Vlaams Parlement kunnen doen, maar ik vind toch ook – en ik hoor het ook al doorschemeren in uw eerste repliek – dat ook de netten, de koepels en de lokale inrichtende machten nog heel wat kunnen doen met de aanbevelingen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het mengen van leeftijden. Dat is iets heel eenvoudigs, iets wat de wet bovendien ook toelaat, maar wat nog heel weinig gebeurt. Voor de jongste kinderen zou dat echt een verschil kunnen maken.

Ik denk ook aan de keuzes om speeltijden anders in te richten en minder stressvol te maken. Daarnaast moeten de middelen die scholen extra krijgen ook effectief ingezet worden bij de kleinste kinderen, in de klas zelf. Vandaar heb ik ook een bijkomende vraag: gaat u met dit rapport ook aan de slag met de mensen van de pedagogische begeleiding en de koepels?

Minister, u verwijst terecht naar de extra werkingsmiddelen en de extra omkadering die deze legislatuur mogelijk gemaakt heeft. Daarom stelt het mij ook een beetje teleur dat het onderzoek niets zegt over het inzetten van taalbaden. De onderzoekers klagen aan dat er te weinig leerbare momenten zijn. Ze klagen aan dat de gebruikte taal dikwijls te structureel is, te veel focust op dingen die moeten gebeuren en te weinig interactie uitlokt. Welnu, taalbaden zijn daar ideale instrumenten voor. Ze worden gecreëerd om het Nederlands beter te leren, het zijn georganiseerde momenten om die interactie te stimuleren.

Dan is het eigenlijk tekenend dat het onderzoek daar niet naar verwijst. We hebben hier immers ook al vaak, onder meer bij monde van collega Daniëls, aangeklaagd dat scholen veel te weinig inzetten op die taalbaden. Minister, ik denk dus dat dat misschien toch eens structureel moet worden bekeken. We geven meer werkingsmiddelen: in welke scholen wordt er nu ook daadwerkelijk ingezet op die taalbaden? Ik denk dat dat heel belangrijk is. U wijst terecht ook op de kapstok van de meertaligheid en de Nederlandse taal. Het ene kan niet zonder het andere, maar het is voor kinderen heel belangrijk dat ze goed weten in welke situatie het Nederlands belangrijk is en in welke situatie hun eigen taal aan de orde is. Thuis kan die thuistaal, de moedertaal uiteraard volledig worden gecultiveerd, maar in de school moet dat het Nederlands zijn. Hoe duidelijker dat is voor kinderen, hoe duidelijker dat is om de taal te leren.

Minister, ik ben het voor een groot deel eens met u en met collega De Ro: er zit eten en drinken in het rapport, op alle niveaus. Leerkrachten kunnen zaken doen, pedagogische begeleidingsdiensten, inrichtende machten kunnen een aantal van de aanbevelingen ter harte nemen, maar er liggen toch ook nog opportuniteiten voor het beleid, denk ik. Ik had het geluk op een tussentijdse studiedag een aantal video-opnames te zien van hoe die kleutertjes zich gedragen, want er zijn heel veel video’s gemaakt. Dan zie je inderdaad dat die speeltijden, die eetmomenten voor de allerkleinsten zulke stressmomenten zijn. In plaats van dat ze inderdaad tot leren komen, gebeurt dat helemaal niet, want ze zijn compleet overdonderd. Minister, dat is ook een van de redenen waarom wij onder andere met de Refterrevolutie zijn gekomen, waarom wij ook zeggen dat een van de belangrijkste zaken het in alle rust kunnen laten verlopen van de eetmomenten is, om ervoor te zorgen dat er daar dan ook talige interactie kan zijn. Ik denk aan het inzetten van, bijvoorbeeld, verzorgenden tijdens die momenten. Kan niet worden bekeken of er op dat vlak nog een extra inspanning kan worden gedaan, om ervoor te zorgen dat op die momenten de rust kan terugkeren?

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, het rapport van professor Vandenbroeck eindigt met de wijze woorden: “(...) we verwachten als samenleving (terecht) veel van de kleuterschool, maar bieden die kleuterschool niet de middelen om aan die verwachtingen te kunnen voldoen.” Zeker voor kleuters moeten al te grote klasgroepen worden vermeden, want “ze bieden minder kansen op ((...) één-op-één) kwaliteitsvolle contacten tussen kinderen en volwassenen”. Als ik dan de cijfers er eens bij haal, dan kunnen we er toch niet onderuit dat er 45 euro recurrent is bespaard op onze kleuters en onze kinderen in het basisonderwijs. Terwijl er in de vorige legislatuur een inhaaloperatie is gebeurd voor de omkadering met extra juffen, is in deze legislatuur eigenlijk niet de noodzakelijke inhaaloperatie gebeurd voor de werkingsmiddelen. U bewijst er lippendienst aan, maar u bent aan het einde van de legislatuur en de totale onderwijsbegroting is in deze legislatuur met 1 procent gestegen, in de vorige legislatuur met 17 procent en de legislatuur dáárvoor met 18 procent. Als de partners dus terecht een plan basisonderwijs op tafel leggen dat 1,8 miljard euro zal kosten, dan weten ze dat met de partijen in deze Vlaamse Regering dat traject niet zal worden bewandeld.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, dank u wel voor deze vriendelijke opmerkingen. Ik zal starten met de collega’s die de vragen hebben gesteld. Collega De Ro, het is geen onderzoek dat werd gefinancierd door Vlaanderen, maar dat neemt niet weg dat ik in mijn overlegmomenten met de koepels hen er zeker ook op zal wijzen, omdat er terecht ook heel wat ingrediënten in zitten om voor vernieuwing te zorgen in de manier waarop je met de allerkleinsten omgaat. Wat dat betreft, is dat dus zeker positief.

Collega Krekels, het onderzoek was, zoals u zelf hebt aangehaald, veeleer beperkt qua oppervlakte, qua aantal klassen. Men is gaan observeren. Als ik door de conclusies ga, dan zie ik ook vaak dat het zeker bij die allerkleinsten eigenlijk één groot taalbad is, waar alleen niet iedereen aan participeert. Er is dus gewoon veel werk om die participatie van iedereen te verhogen. Het is een beetje zoeken hoe men dat moet doen. Wat wel interessant is – ik had het daarnet niet gezegd – is dat Klasse ondertussen in het kader van dat project ‘Kleine Kinderen, Grote Kansen’ ook een aantal video’s heeft gemaakt over hoe men taalrijkdom kan verbeteren, ook bij de allerkleinsten. Dat is ook heel interessant om te zien. Collega Krekels, ik denk dat daar ook misschien wel een aantal zaken in zitten die ook voorbeelden zijn van datgene wat u aanhaalt.

Collega Meuleman, het klopt dat je in organisatie veel kunt bereiken.

Ik bezoek ook kleuterklassen waar men bijvoorbeeld in de pauzes de allerkleinsten niet zomaar loslaat op een speelplaats waar iedereen rondloopt maar ze in kleinere groepen laat spelen. Dat gebeurt niet overal. Er is ook een stukje autonomie en vrijheid in. Weet wel dat de middelen die er nu bij gekomen zijn, ook voor de directie, de 20 miljoen euro voor dit jaar, op heel veel plaatsen ingezet worden om bijvoorbeeld te zorgen dat er tijdens de speeltijd extra begeleiding komt. Men probeert werk weg te nemen van leerkrachten en anderen. Het is nuttig om eens te kijken wat de resultaten daarvan zijn en of je daar meer mee kunt bereiken.

Collega Gennez, u hebt uiteraard alle recht om uw berekeningen te maken. Ik stel alleen maar vast dat deze regering in deze legislatuur ervoor gezorgd heeft dat de schooldirecties lesvrij geworden zijn, dat kleine scholen kunnen blijven bestaan, dat er 20 miljoen euro bij gekomen is voor onze directeurs, dat er in de kloof tussen kleuteronderwijs en lager onderwijs wat betreft werkingsmiddelen 20 miljoen euro bij gekomen is, en ik kan zo nog een eindje doorgaan. Ik voel me als minister van Onderwijs eigenlijk ontzettend trots op wat we gedaan hebben. Ik heb van de socialisten geen lessen te leren. (Applaus bij de meerderheid. Opmerkingen van Caroline Gennez)

Jo De Ro (Open Vld)

Minister, laat het duidelijk zijn: in ons verkiezingsprogramma zal er uitdrukkelijk plaats zijn voor meer middelen voor kleuteronderwijs, ook voor de kinderverzorgsters in het kleuteronderwijs. Ik wil toch iets persoonlijks zeggen. Er was een periode dat de mensen die voor de belangen van de Vlamingen opkwamen, moesten opkomen voor de Vlamingen in Brussel. Mijn mama en mijn tante waren in de jaren 40 en 50 kleutertjes in Schaarbeek. Hoe er toen omgegaan werd met hun thuistaal, het Nederlands, het Vlaams, heeft hen zeer onzeker gemaakt voor de rest van hun schoolcarrière. Ze zijn daarover geraakt. Ik roep de collega's van de N-VA op: kijk toch niet te defensief naar elk onderzoek waar het woord meertaligheid of thuistaal in staat. De onderzoekers zeggen dat Nederlands heel belangrijk is en dat anderstalige kinderen, kinderen met een andere thuistaal, net baat hebben voor hun zelfvertrouwen wanneer er niet te negatief gekeken wordt naar die thuistaal. Meer staat er niet, minder staat er niet. (Opmerkingen van Marius Meremans)

De voorzitter

Mijnheer Meremans, hebt u doktershulp nodig? (Opmerkingen)

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Dit vraagt natuurlijk een klein beetje een antwoord. Uit het onderzoek is heel duidelijk gebleken dat er door de drukte van een kleuterschool heel vaak te weinig leerkansen zijn ten aanzien van taal voor kinderen die de taal nog niet machtig zijn. Dat is een heel belangrijk aspect van dit onderzoek en een heel belangrijk item om op door te gaan. Als we al een conclusie moeten trekken uit dit onderzoek, is het wel dat we onze leerkrachten nog beter moeten voorbereiden op hoe ze het Nederlands op de best mogelijke manier aan kleine kinderen, zijnde kleuters, kunnen bijbrengen en hoe ze elke kans kunnen benutten om dat te doen. Leerkrachten moeten daarin worden gevormd. In onze lerarenopleiding zal daar de focus op moeten liggen, niet zozeer op die meertaligheid, wel op het goed kunnen aanleren van de Nederlandse taal om alle kansen te benutten. En ja, wanneer er extra middelen en omkadering voor zijn in bepaalde scholen, kunnen zij ook taalbaden inrichten, net om nog meer structureel kansen te bieden aan die kleuters. Het Nederlands is immers nog altijd de basis voor een succesvolle schoolcarrière, voor succes op de arbeidsmarkt en voor een optimale integratie. (Applaus bij de N-VA)

Nu hebben we eens een studie waar er zwart op wit staat: taal, taal, taal, taal, altijd taal. Taal in de momenten waarop de kinderen niet in de klas zijn, taal op de pipimomenten, zoveel mogelijk taal. Dan is het nog niet goed voor de N-VA. Dat is jammer. We hebben hier een schitterende studie die zegt: laat ons van kleins af aan, van in de peuterklas, inzetten op taal voor een succesvolle schoolcarrière van iedereen. Het is jammer dat het dan weer verengd wordt tot een debat dat het niet hoeft te zijn.

Eén zaak staat buiten kijf: kleuterklassen zijn extreem belangrijk.

Het is een gemiste kans geweest van de Vlaamse Regering om de middelen van lager onderwijs en kleuteronderwijs gelijk te schakelen. Dat gaat over een achterhaalde visie, waarbij kindjes niet voor de volle 100 procent naar school gingen maar slechts halve dagen. Dat is achterhaald. Kleutertjes gaan volle dagen naar school. Ze moeten voldoende gefinancierd worden. Onze kleuterjuffen verdienen de ondersteuning. Hopelijk kan er in de volgende legislatuur dan eindelijk werk van worden gemaakt. (Applaus bij sp.a en Groen)

De voorzitter

De actuele vragen zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.