U bent hier

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Voorzitter, collega's, minister, recent is er een heel interessant rapport van de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) uitgekomen, meer bepaald over de niet-bindende toelatingsproeven in de opleidingen ingenieur en ingenieur-architect. Er is uit gebleken dat die niet-bindende toelatingsproeven doen wat ze moeten doen, en dat is studenten een zicht geven op hun begincompetenties bij de opleiding en dus ook een zicht geven op hun mogelijke slaagkansen.

Collega's, die niet-bindende toelatingsproeven vormen in een volledig traject een belangrijk onderdeel. De N-VA heeft er altijd voor gepleit om zowel de resultaten van het secundair onderwijs, met daaraan gekoppeld het advies, en de oriënteringsproeven uit het secundair onderwijs als de niet-bindende toelatingsproeven te gebruiken om studenten te oriënteren. Waarom is dat zo belangrijk? Omdat we vaststellen dat in het eerste jaar hoger onderwijs de slaagkansen jaar na jaar dalen en de studietijd verlengt. Heel concreet: een aantal jaren geleden slaagde nog 40 procent van de studenten in de bachelors om binnen de drie jaar een bachelor-diploma te halen. Dat is nu geslonken tot 31 procent. Bijgevolg zijn er dus heel veel studenten met faalangst die niet slagen, heel veel docenten die heel veel tijd investeren voor studenten die uiteindelijk toch niet slagen, ouders die heel veel energie en middelen investeren in een opleiding die niet lukt en uiteraard, niet te vergeten, de belastingbetaler die er ook nog heel grote sommen bovenop legt.

Collega's, de N-VA denkt dat het goed is om die niet-bindende toelatingsproeven in een volledig traject uit te rollen. Zoals blijkt uit dit zeer interessante rapport, is er eigenlijk noch een gendereffect, noch een SES-effect (socio-economische status). Mensen uit een kansarmer milieu ondervinden geen nadelig effect van zulke proeven.

Minister, voor welke andere opleidingen, naast diegene die ik genoemd heb en diergeneeskunde, wilt u op korte termijn die niet-bindende, verplichte toelatingsproeven uitrollen in het hoger onderwijs?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega's, er is inderdaad een heel interessant rapport van de VLIR. Ik heb samen met de VLIR overlegd over hoe we de resultaten precies moesten interpreteren, wat intussen is gecommuniceerd.

Wat blijkt uit dat rapport? Dat niet-bindende maar wel verplichte toelatingsproeven – het gaat eigenlijk over de resultaten van toen de proef nog niet verplicht was – een goede spiegel voorhouden aan de studenten over de manier waarop ze voorbereid zijn op de richting. Dat is wat een toelatingsproef zeker moet doen. Daarnaast is er ook de oriënteringsproef Columbus voor jongeren die het vijfde en zesde middelbaar volgen om na te gaan waar hun interesseveld ligt. Collega Daniëls, het klopt dat ook de resultaten in het secundair onderwijs een zeker zicht bieden op de slaagkansen. De rector van Hasselt heeft een module ontwikkeld om dit te verfijnen.

Als we naar de toekomst kijken, dan is het – zoals het trouwens in het regeerakkoord staat – een goede piste om de methode van de niet-bindende toelatingsproeven verder uit te rollen. Het kost wel wat tijd om een goede proef te maken. In de diergeneeskunde heeft het twee jaar gekost. De universiteiten maken ze ook samen, idem voor de hogescholen en de lerarenopleidingen. Het is ook een toelatingsproef die aan evolutie onderhevig is. In de lerarenopleiding bijvoorbeeld worden de modules Frans en wiskunde herzien. Over twee jaar komt de module Nederlands aan de beurt om up-to-date te blijven en ook heel goed dat te blijven doen wat de proef moet doen, namelijk nagaan wat je basiscompetenties zijn en ervoor zorgen dat je goed bent voorbereid op datgene wat je te wachten staat.

Diergeneeskunde komt er nu aan. Vanuit de VLIR is een voorstel gedaan om nu een proef voor de industriële ingenieurs en bio-ingenieurs te maken. Ik sta daar zeker voor open want de gemeenschappelijke proef moet worden ontwikkeld door de universiteiten.

En er wordt ook gevraagd om het voortraject te doen, om ook voor de bachelors rechten naar een toelatingsproef te evolueren die uiteraard nog volledig moet worden ontwikkeld. Bij de hogescholen is momenteel de evaluatie bezig van de toelatingsproef voor de lerarenopleiding die wordt verfijnd. Die evaluatie zal dan moeten uitwijzen op welke cadans er verder kan worden uitgerold.

Er komt dus sowieso een vervolg. Daar wordt ook tussen de hogescholen en universiteiten onderling aan gewerkt. Maar het moet ook een proef zijn die doet waarvoor hij bedoeld is, namelijk een spiegel voorhouden en goed de startcompetenties bekijken.

Minister, ik dank u voor uw antwoord en ik ben blij dat u mee onderschrijft wat de N-VA in het regeerakkoord heeft opgenomen om die oriëntering in het belang van de student, van de docent, van de ouders en van de belastingbetaler mee te nemen. Wat ik ook niet onbelangrijk vind, is dat 87 procent van de studenten aangeeft dat die verplichte, doch niet-bindende toelatingsproef eigenlijk een zeer goed beeld gaf van de verwachtingen, en hen dus eigenlijk ook in het volledig traject heeft begeleid en geholpen.

61 procent van de deelnemers vindt die verplichting een belangrijke motivatie om deel te nemen en de deelnemers geven ook aan dat het resultaat van die niet-bindende toelatingsproef voor hen een motivatie en aanzet was om inspanningen te leveren. Anderzijds kunnen de instellingen zelf heel gericht, voor die studenten die toch nog een zekere kans maken om te slagen, investeringen en inspanningen doen. Minister, het is dan ook belangrijk dat we de cesuur, de mate waarin het slagen voor die toets ook een voorspellende waarde heeft, bewaken.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Minister, dit is een heel belangrijk thema waarover we het in de commissie al meermaals hebben gehad. Vanuit onze fractie hebt u ook alle steun gekregen voor ijkingstoetsen en niet-bindende toelatingsproeven, maar wat uw communicatie over het rapport betreft, waren ook wel wat andere geluiden te horen. De rectoren van de universiteiten van Hasselt en Leuven maar ook de voorzitter van de VLIR, die zich buigt over deze materie, vonden dat uw communicatie te ongenuanceerd was. Zij waarschuwen voor afschrikeffecten. Er kunnen mensen buizen voor dit soort toetsen maar na drie of vier jaar slaagt meer dan 50 procent van die gebuisden. De meisjesstudenten die gebuisd zijn voor die ijkingstoetsen of niet-bindende toelatingsproeven, worden het meest afgeschrikt. Laat Vlaanderen nu net nood hebben aan dergelijke profielen, dus afschrikeffecten kunnen we wel missen. Ik wil dan ook oproepen om nog eens duidelijk te maken wat de toets wel en niet kan.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, ik denk dat studie-oriëntering inderdaad een belangrijk gegeven is en dat dit nog altijd het belangrijkste blijft, ook voor mijn partij. Dat is zo nog voor het moment dat er een oriënteringsproef komt en men toelating wil tot de universiteit of hogeschool, in het vijfde en zesde jaar waar kinderen inderdaad moeten kiezen. Iedereen die al een student heeft gehad die een keuze moet maken, kent het proces en de moeilijkheid om die keuze te maken. Ik denk dan ook, minister, dat eerder dan in te zetten op de proeven, het nog veel beter zou zijn om nog veel meer in te zetten op een studiekompas in onder andere het vijfde en zesde jaar om die oriëntering nog veel beter te laten verlopen. Hebt u daar nog plannen mee?

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Ik denk dat iedereen het erover eens is dat jongeren goed voorbereid moeten beginnen aan het hoger onderwijs. De sleutel daarvoor ligt in het secundair onderwijs. We zien vandaag dat de kloof tussen het secundair en het hoger onderwijs nog veel te groot is en dat secundair en hoger onderwijs veel beter op elkaar moeten worden afgestemd. Ik heb ook al een aantal keren de vraag gesteld naar de effecten van een verplichte maar niet-bindende toelatingsproef op onze jongeren. De heer De Ro heeft daar ook al naar verwezen.

We zien in het rapport ook dat vrouwelijke deelnemers aan een dergelijke proef zich vaker laten leiden door het slechte resultaat van die proef en zich bijgevolg minder inschrijven aan de universiteit. Wie zijn de studenten die afhaken na een slecht resultaat op die proef, wat is hun achtergrond? Hoe staat het met de monitoring daarvan?

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, minister, we hebben uiteraard kennis genomen van het interessante VLIR-rapport. Een verplichte niet-bindende toelatingsproef – en elk woord heeft zijn betekenis – heeft naast de oriënteringsproef op het einde van het secundair onderwijs, de zogenaamde Columbusproef, een grote waarde voor de student. Het confronteert hen met hun eigen kunnen. Onze fractie is hier uiteraard uitdrukkelijke voorstander van, maar het moeten kwaliteitsvolle, valide en voldoende diverse proeven zijn.

Minister, de weg van de geleidelijkheid bij de uitrol is volgens ons de snelste om kwaliteitsvolle, valide proeven in het leven te kunnen roepen. En evaluatie hoort uiteraard bij dit proces van invoering.

Minister Hilde Crevits

Mijnheer De Ro, ik zal starten met u want ik ben een beetje ontgoocheld over uw opmerking over het persbericht waarnaar u verwijst. Mijn communicatie is volledig afgestemd met de VLIR. Volledig! Ze hebben het nagelezen en verbeterd. Ze hebben aanpassingen gedaan. Het momentum van de communicatie was zelfs afgesproken. Wat dat betreft, is er geen ruis op de boodschap.

We hebben ook een aantal rectoren gebeld om te vragen wat er aan de hand is met datgene waar een bepaald magazine mee bezig is. Ze hebben allemaal dezelfde lijn aangehouden, namelijk dat de communicatie correct is. Ik heb deze middag een berichtje gekregen van de secretaris-generaal van de VLIR, Koen Verlaeckt, die in Mexico zit, om te zeggen dat de communicatie perfect is, zoals afgesproken. U kunt er niets aan doen, maar ik ben ontgoocheld dat u zomaar meegaat in die dingen.

Ik heb het er een beetje mee gehad dat men op voorhand een communicatie afspreekt, doorspreekt en goed de effecten bekijkt om dan achteraf te zeggen dat het een beetje ongenuanceerd was. Ik ben daar niet zo blij mee. Ofwel ben je consequent en zeg je op voorhand dat het niet oké is. Ofwel zeg je dat het oké is, maar dan moet je consequent zijn in wat je nadien vertelt. Dit is eigenlijk vooral een opmerking aan diegenen die zogezegd commentaar zouden hebben gegeven.

Laat er geen misverstand over bestaan: dit is een niet-bindende maar wel verplichte toelatingsproef. Waarom hebben we die in het leven geroepen? Om jongeren die starten aan een opleiding een spiegel voor te houden over datgene wat nodig is, over de competenties die ze hebben en de plaats waar ze staan. Dat is helemaal iets anders, mevrouw Meuleman, dan de oriënteringsproef. Die komt er eigenlijk een beetje achter, want Columbus gaat veel breder en confronteert jongeren met waar ze staan en wat hun talenten zijn.

U vraagt om daar verder op in te zetten. Zeer graag en er wordt ook verder aan gewerkt. Ik heb al vaker gezegd dat ik vind dat elke jongere die wil verder studeren er baat bij heeft om die proef af te leggen en dat ik ook graag zou hebben dat er een module voor hbo5 bijkomt, het hoger beroepsonderwijs. Dat geeft ook perspectief aan alle jongeren die beroepsonderwijs volgen. Maak die module en kijk of er ook geen mogelijkheden zijn voor hen om verder te studeren. Het antwoord op uw vraag is ‘ja!’. Daar werken we aan.

Dit betekent niet dat we niet zullen werken aan het andere, namelijk de verdere uitrol van de toelatingsproeven die ook – dat wil ik onderstrepen – doen wat ze moeten doen. Er zijn meer meisjes ingeschreven dit schooljaar om burgerlijk ingenieur te worden. Er staat misschien wel in dat ze zich wat laten afschrikken, maar toch zijn er meer ingeschreven. Het gaat dus niet de slechte weg op. Voor burgerlijk ingenieur-architect is er zelfs een meerderheid aan meisjes. Ik spreek uit mijn hoofd, maar ik denk dat bijna 60 procent meisjes die richting volgt. Als we zien – daar moeten we uiteraard aan werken – dat men het niet meer durft omdat de score niet meer goed is, dan is dat niet goed.

Tegelijkertijd staat er in het VLIR-rapport dat jongeren die minder goed scoren op de test, net iets harder gaan werken en sneller zoeken hoe ze kunnen remediëren. Daar moeten we op focussen. Dat staat trouwens ook in de communicatie.

Als we kwaliteitsvolle meisjes die overwegen om de studie te doen, zouden afschrikken, dan moeten we er mee gaan praten en zeggen waarvoor de toets is bedoeld. Ik wens niet dat we teruggaan naar vroeger – ik verwijs dan naar de lerarenopleiding – met tien jongeren die starten en maar vijf of zes die afstuderen. Dat is geen goede zaak. Ook daarvoor is de proef in het leven geroepen. Zorg dat men op tijd weet waar de werkpunten zitten en werk er dan ook aan als dat de studierichting is die men absoluut wil volgen.

Mevrouw Soens, uw opmerking is terecht. Het afstuderen en datgene wat men kan, spoort niet altijd even goed met de verwachtingen die men heeft bij de start van het hoger onderwijs. Dat is net de reden waarom er op dit ogenblik nieuwe eindtermen worden gemaakt voor de tweede en derde graad. In de commissies die de eindtermen maken, zijn mensen uit het hoger onderwijs vertegenwoordigd.

Ik wil echt niet dat iedereen naar elkaar blijft kijken. Sommigen zeggen dan dat ze niet goed zijn voorbereid en anderen zeggen dat het hoger onderwijs de lat te hoog legt. We moeten met één stem spreken. De eindtermen, waarin het hoger onderwijs is vertegenwoordigd, kan hier een belangrijke rol in spelen.

Mijnheer De Meyer, ik heb daarnet al uitgelegd dat we de weg van de geleidelijkheid volgen. Het is absoluut mijn bedoeling het op die manier te doen.

Mijnheer Daniëls, ik ben het met u eens. Dat is een proces in de evolutie van de toelatingsproeven. Op dit ogenblik is dit in de lerarenopleiding zeer fel aan de gang. We moeten ervoor zorgen dat de proeven doen waarvoor ze bedoeld zijn. Voor de lerarenopleiding is dat sterke leraren opleiden. We mogen, bijvoorbeeld, nooit het aandeel van het Frans verminderen omdat het Frans niet zo goed is. Dat is niet de bedoeling. Alles is in evolutie en de lerarenopleiding evolueert ook. We moeten er dus voor zorgen dat de test goed is afgestemd op wat we ervan verwachten. Dat is waar de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA) aan werkt en wat de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) nu uitwerkt. Wat dat betreft, zijn we het helemaal eens. (Applaus bij CD&V)

Ik wil het niet hebben over de communicatie en over wat er wel of niet in staat, over wat de proeven doen of over de gendereffecten. Er staat letterlijk: “Er zijn geen significante verschillen in scores tussen mannelijke en vrouwelijke deelnemers.” Ik denk dat we toch moeten opletten daar niet te veel gewicht aan te geven.

Mijnheer De Meyer, die toetsen moeten absoluut worden geëvalueerd, maar ik denk ook dat die toetsen niet enkel de toekomstige studenten een spiegel voorhouden, maar ook ons secundair onderwijs een spiegel voorhouden. Vanuit de N-VA willen we er absoluut op wegen dat aandacht wordt gegeven aan de ontwikkeling van de nieuwe eindtermen, want de minimumdoelen in de tweede en derde graad moeten opbouwen naar waar ze toe moeten leiden, namelijk het voortstuderen, maar ook van de specifieke eindtermen voor die richtingen, want iedereen kan zien dat er een groot verschil is tussen bepaalde vooropleidingen. Die specifieke eindtermen zijn cruciaal en we moeten er, naast de afbouw van de flexibilisering, die tot een verlenging van de studieduur leidt, voor zorgen dat ze ambitieus genoeg zijn.

De voorzitter

De actuele vraag is afgehandeld.

van Daniëlle Vanwesenbeeck aan minister Philippe Muyters, beantwoord door minister Geert Bourgeois
302 (2018-2019)

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.