U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 6 februari 2019, 14.02u

Voorzitter
van de Vlaamse Regering
1765 (2018-2019) nr. 1
De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet betreffende de woonzorg.

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Coppé, verslaggever, heeft het woord.

Griet Coppé (CD&V)

Voorzitter, gezien het vergevorderde uur, verwijs ik voor de verslaggeving naar het schriftelijke verslag, dat iedereen op de website kan lezen of ontvangen heeft. (Applaus)

De voorzitter

Het uur is niet zo ver gevorderd. Namiddagploegen beginnen om 14 uur en die werken normaal gezien tot 22 uur. (Opmerkingen)

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Voorzitter, ik wil kort een toelichting geven bij de stem die we straks gaan uitbrengen. Het is een beetje in hetzelfde kader als het ontwerp van decreet betreffende het jeugddelinquentierecht, dat we zonet besproken hebben.

Ook dit is een belangrijk ontwerp van kaderdecreet. Het is ook het resultaat van een lang proces, waarbij er overleg is geweest met veel actoren. Dat is een positieve zaak. Heel veel zal ook afhangen van de uitvoeringsbesluiten die zullen moeten worden genomen bij dit ontwerp van kaderdecreet. En het is opnieuw hetzelfde verhaal als bij het vorige ontwerp van decreet: heel veel zal ook afhangen van het budgettaire kader in het meerjarenperspectief waarover de Vlaamse Regering moet beslissen.

De erkenning van het aanbod van woonzorgvoorzieningen en verenigingen en de subsidiëring daarvan is een belangrijk iets. Ik erken ruiterlijk dat er een aantal zeer goede zaken in het ontwerp van decreet staan, onder meer de financiële en bestuurlijke weerbaarheid en transparantie.

Dat overheidsgeld voor zorg moet worden gebruikt, is een goede zaak. Dat men moet kijken naar maatschappelijk verantwoord ondernemen en naar maatschappelijk verantwoorde kwaliteit van zorg, is een goede zaak. De zorg moet gaan naar de personen, niet naar de dividenden, om het zo even te zeggen. Dat er in continuïteit van zorg wordt voorzien wanneer die continuïteit in het gedrang komt en woonzorgcentra  failliet kunnen gaan, met een voorlopig bewindvoerder, is een goede zaak. Er staan ook een aantal goede organisatorische en gebruiksgerichte werkingsprincipes in.

Ik dank de collega's – en ook de minister, die daar ook ruiterlijk aan heeft meegewerkt – dat zij een amendement hebben aanvaard dat verduidelijkt dat daar niet van kan worden afgeweken in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld op het vlak van vroegtijdige zorgplanning, palliatieve zorg, levenseindezorg en euthanasie.

Ik kom bij de drie punten waarbij we bezwaren hebben en die ons nopen tot een onthouding over dit belangrijke ontwerp van decreet.

Minister, samen met de Vlaamse Ouderenraad en de Strategische Adviesraad zijn we huiverachtig en vinden we dat we moeten opletten voor de commercialisering in de zorg en de ondersteuning. We hebben daarover gedebatteerd, en ik blijf erbij dat we moeten opletten met commerciële spelers. Die zijn actief op het terrein en dat kan, maar waarom ze worden toegelaten tot de lokale dienstencentra, zoals ze in de toekomst de buurtgerichte zorg moeten ondernemen, dat blijft voor mij een raadsel. Het antwoord daarop vanuit het terrein is ja. Maar het terrein, hoeveel zijn er dat? Een à twee, hebt u geantwoord. Ik weet niet welke deur u hier wilt openzetten en ik heb daar schrik voor.

Dan is er de discussie over het budgettair kader. De adviesraden vragen dat de zorgzwaartefinanciering – financiering omdat de zorgbehoevenden meer zorg vereisen –, een belangrijke voorwaarde is om de persoonsvolgende financiering – het principe is oké – verder te kunnen uitrollen en dat we dus het meerjarig budgettair kader daarvoor nodig hebben.

Wij maken al jaren de opmerking – en die is ook gemaakt door de Strategische Adviesraad en de Vlaamse Ouderenraad – dat er geen garantie in staat over de betaalbaarheid van de zorg. Het recht op betaalbare zorg verankeren zoals velen hebben gevraagd, dat staat er niet in. Dat kan via een maximumfactuur in de woon- en zorgcentra. Dat hebben we al een paar keer bepleit. Maar het is voor ons toch een groot manco dat het recht op betaalbare zorg in heel deze sector niet is verankerd en gegarandeerd.

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Minister, toen we dit ontwerp van decreet kregen, voelde het aan alsof ik de sleutels van mijn huis aan een aannemer gaf met de vraag om het alsjeblieft te renoveren, en enkele maanden later krijg ik mijn sleutel terug, en mijn huis is heel mooi geschilderd en opgeknapt, maar niet gerenoveerd.

Dat ligt een beetje in lijn met het advies dat er is gekomen. Er worden goede stappen gezet, maar de vragen en de echte hervormingen die we nodig hebben in onze ouderenzorg, worden niet ten volle gedaan.

Ik wil hierover enkele punten aanhalen. Hoe gaan we buurtgerichte zorg doen? Mensen  willen zo lang mogelijk in hun eigen omgeving blijven, dat is een vraag die je steeds meer hoort. Hoe gaan we zorgen dat lokale dienstencentra daarop zijn ingespeeld? Hoe gaan we zorgen dat thuiszorg daarop is ingespeeld? Er worden stappen gezet, er gebeuren kleine hervormingen, maar geen fundamentele hervorming van de sector die daar eigenlijk nood aan heeft.

Minister, over commercialisering hebben we hier al vaak debatten gevoerd. We weten dat er in onze ouderenzorg een aantal spelers actief zijn die er niet thuishoren. Een aantal spelers die goed werk doen, een aantal spelers die erin zitten met winst als doel. Daar moeten we het kaf van het koren scheiden. U zet een aantal stappen, u zegt dat maatschappelijk verantwoord ondernemen goed is, maar u bijt er niet in door, u stelt daar geen grens op.

Dat zou moeten gebeuren met uitvoeringsbesluiten, daar zullen we moeten kijken of we paal en perk kunnen stellen aan een aantal praktijken, maar met dit ontwerp van decreet had u daarin verder kunnen gaan en had u ook de steun van Groen om daar stappen in te zetten.

Hetzelfde met kwaliteit. Wat ik heel erg waardeer in dit ontwerp van decreet, is dat kwaliteit niet wordt gedefinieerd en hoeveel vierkante meter een kamer is en of een raam al dan niet even groot is als het vloeroppervlak enzovoort. Neen, kwaliteit wordt hier kwalitatief ingevuld. Hoe beleven mensen hun ouderenzorg? Op welke manier wordt ermee omgegaan? Dat is hoe we naar kwaliteit moeten gaan. Als we daartoe willen komen, zullen we de zorginspectie daarop moeten hervormen, zullen we de erkenning daarop moeten zetten, en dus zullen we heel de sector daarop moeten hervormen.

Hier worden dus stappen gezet, een aantal goede stappen, maar ook een aantal stappen waarin we verder moeten gaan. Daarom zal Groen niet tegen dit ontwerp van decreet stemmen, want er staan een aantal goede zaken in, maar we zullen het ook niet goedkeuren. We zullen ons dus onthouden.

De voorzitter

Mijnheer Depoortere heeft het woord.

Ortwin Depoortere (Vlaams Belang)

Ik sluit me grotendeels aan bij de vorige sprekers. Dit ontwerp van decreet over de woonzorg zet een aantal goede stappen voorwaarts, onder andere over het aanbieden van zorg op maat, over de samenwerking tussen de vele vormen van zorg die er momenteel bestaan, maar ook om de kwaliteit van de zorg zoveel mogelijk te verhogen. Het uitgangspunt van het Vlaams Belang is altijd geweest om een betaalbare kwalitatieve zorg te kunnen aanbieden aan een steeds vergrijzende bevolking.

Ik verwijs naar de debatten die we hier in dit plenum meermaals hebben gevoerd, onder andere over de commercialisering van de zorg. Zowel collega Bertels als collega Van den Brandt hebben daarnaar verwezen.

Er zijn een aantal goede stappen gezet, met onder andere de bijkomende maatregelen om de financiële openheid, de transparantie en de toegankelijkheid te verhogen bij de verschillende instellingen. Dat is inderdaad een goede zaak. Ook de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder is iets nieuws dat nu mogelijk wordt gemaakt, vooral bij instellingen die in moeilijkheden geraken. Op die manier kan men zorggarantie blijven hanteren, en kan men de continuïteit blijven verzekeren. Een derde positief punt voor ons is de inspraak van bewoners. Die wordt nu meer en meer in de verf gezet; ze gaat er drastisch op vooruit.

We hebben wel een aantal bedenkingen, onder andere over de rol van het lokaal dienstencentrum. We zijn het eens met het principe dat op maat aangeboden zorg het best in de eigen omgeving gebeurt, maar we hebben een bedenking bij de uitvoering ervan. Het komt erop neer dat vooral de gemeenten een regierol hebben. Zij moeten instaan voor een buurtanalyse, voor een lokaal sociaal beleidsplan. Ik geloof dat het collega Coppé was die in de commissie opmerkte dat er in 172 gemeenten – meer dan de helft van de gemeenten in Vlaanderen – nog heel wat werk aan de winkel is.

Ten tweede is de financiering van de verpleegkundige diensten in de thuiszorg nog altijd een federale materie, spijtig genoeg. Ook daar vragen wij als Vlaams-nationale partij uiteraard om deze bevoegdheden ook te laten overhevelen naar waar ze terechtkomen: in ons eigen land. Zo kunnen we een volledig bevoegdheidspakket hebben rond de zorg.

Ook wij vinden het ontbreken van bepalingen rond de maximumfactuur een gemiste kans. De betaalbaarheid van de zorg zou daar alleszins mee gediend zijn. Ten slotte is het inderdaad afwachten of dit decreet goed in de praktijk zal worden gebracht. Daarvoor dienen er een aantal uitvoeringsbesluiten te worden opgemaakt. Het blijft afwachten waartoe die zullen leiden. Dit noopt ons ertoe ons te onthouden bij dit ontwerp van decreet.

Griet Coppé (CD&V)

Volgens collega Depoortere heb ik gezegd dat er nog in 172 gemeenten werk aan de winkel is. Mijn tussenkomst ging eigenlijk over het aantal lokale dienstencentra. Ik heb in de commissie, naar aanleiding van een schriftelijke vraag, gezegd dat het aantal lokale dienstencentra in deze regeerperiode gegroeid is met 20 procent. Dat is niet niets, collega. Dat staat voor 42 bijkomende lokale dienstencentra. Het resultaat is nu dat een op de twee gemeenten reeds een lokaal dienstencentrum heeft. En dat is toch niet niets. Als er staat dat er nog werk aan de winkel is, dan geldt dat voor de gemeenten die nog geen centrum hebben. Maar dat is toch iets anders dan wat ik bij uw verslag hoorde.

Ortwin Depoortere (Vlaams Belang)

Ik verwijs gewoon naar het schriftelijk verslag, collega Coppé, waar er letterlijk staat dat er nog veel werk aan de winkel is in 172 gemeenten.

De voorzitter

De heer Persyn heeft het woord.

Peter Persyn (N-VA)

Ik heb bij de collega’s van de oppositie toch een glimp van appreciatie mogen ontwaren, en ik wil me daar resoluut bij aansluiten. Ik wil de minister en zijn kabinet, en ook de administratie en alle betrokken actoren een pluim geven voor hun inzet bij de totstandkoming van dit belangrijke ontwerp van decreet.

Dit ontwerp van decreet is een nieuwe grote werf die de minister heeft aangevat en tot een goed einde heeft gebracht, naast de andere grote werven van deze legislatuur. Ik denk aan het groeipakket, de Vlaamse sociale bescherming en de persoonsvolgende financiering (PVF) – dit was al in de vorige legislatuur gestart, maar het kreeg nu zijn uitvoering.

Hij heeft ervoor gezorgd dat er een groot draagvlak was in een complexe sector met verschillende aanbieders, met vogels van verschillend pluimage: de openbare besturen die woonzorgvormen aanboden, de private non-profitsector en de private for-profitsector, die hier door sommigen als boosdoeners worden weggezet.

Maar, collega’s, in Vlaanderen is al een derde van de aanbieders uit de commerciële sector, in Brussel is dat twee derde, in Wallonië ruim de helft. Laat ons dus stoppen met een belangrijke speler in de woonzorgsector verder te diaboliseren.

Minister, u vertrok uiteraard niet van een wit blad. Samen met de sector is er voortgebouwd op het Woonzorgdecreet van 2009 van uw voorganger Vanackere – dat is dag op dag tien jaar geleden. In het nieuwe ontwerp van decreet was de rode draad de zorg voor kwaliteit. Ik heb dat bij alle collega’s in de interventies hier, maar ook in alle discussies in de commissies telkens gehoord, die zorg voor kwaliteit. Er zijn hier geen maand of twee maanden voorbijgegaan zonder dat we hier vooraan stonden, dat er ook in de media incidenten werden gemeld bij burgers in het laatste traject, in het meest kwetsbare traject van hun lange leven. Daarom gaat het ontwerp van decreet uit van inzet op individuele en collectieve participatie, waarbij zo veel mogelijk respect getoond wordt voor de rechten en vrijheden van gebruikers in al hun aspecten, ook als het helemaal op het levenseinde aankomt en de palliatieve zorgen en eventueel de vraag naar euthanasie ter sprake komen, en ook met een implicatie van meer buurtgerichte werking, de lokale dienstencentra (LDC’s) zijn hier genoemd.

Dit past volledig in de omslag van een aanbodgerichte naar een meer vraaggerichte benadering, en ook in de trend naar meer persoonsvolgende financiering of persoonsvolgende budgetten. We hebben dat punt van kritiek ook gegeven tijdens de bespreking. Toen was de vaststelling toch dat bij de praktische uitvoering en uitwerking nog heel vaak werd uitgegaan van de bestaande aanbodvormen. We begrijpen dat, het is een organisch gegroeid veld, we kunnen niet tabula rasa maken en we moeten met de vele stakeholders op het terrein verder.

Maar mijn partij blijft ijveren om ook, net zoals bij de personen met een beperking, in de ouderenzorg meer in te zetten op die persoonsgerichte benaderingen, waarbij we op termijn willen gaan naar echte zorgbudgetten, gerelateerd aan objectief gemeten zorgzwaarte, naast kosten die gelieerd zijn aan het verblijf, of hotelkosten, en naast de infrastructuurkosten. Collega’s, die kosten hebben mensen zowel thuis als in het woonzorgcentrum, en ook in de tussenvormen.

Ik wil toch nog eens ons standpunt over de zorgshift benadrukken. Na onze taxshift willen wij ook naar een echte zorgshift gaan, zo veel mogelijk die schaarse middelen inzetten op de zorg zelf, en minder op structuren of bakstenen. Zo veel mogelijk handen en harten aan het bed, dat is voor ons cruciaal.

Een tweede punt, steeds in lijn met dat oog en die zorg voor de kwaliteit van de zorg, is inderdaad – en ik heb het hier een paar keer horen vernoemen – een extra controle op het management en de continuïteit van de zorg. Dit is opnieuw een beetje gevoed door de incidenten waarmee we de laatste twee of drie jaren te maken kregen: rusthuizen die te koop stonden, rusthuizen die op de tocht stonden, soms werd het doembeeld geschetst van patiënten die tijdens de wintermaanden buiten zouden belanden.

Minister, ik denk dat u met de sector gezocht hebt naar extra controles voor bestuurlijke en financiële transparantie en ook een monitoring van de weerbaarheid. Ik denk dat dat belangrijk is, ik denk dat we het er kamerbreed over eens zijn dat we inderdaad moeten vermijden dat er kapers op de kust zijn die het niet te nauw nemen met de basisregels van bedrijfsvoering. Maar dat zijn eerder de uitzonderingen, ik denk dat die inzet een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde is om tot betere kwaliteit van zorg te komen. Daarom heeft mijn fractie ook opnieuw gepleit voor de inzet van die zorgbudgetten, een-op-een naar de zorg aan het bed, en ook voor extra tools. We hopen dat die in de uitvoeringsbesluiten meer in het licht gezet zullen worden, want in het ontwerp van decreet zelf kwamen die nog niet aan bod.  

Er loopt een studie om te bekijken hoe we kunnen monitoren dat de zorgbudgetten effectief een-op-een terechtkomen bij de zorg, personele zorg, voor onze bejaarden in de woonzorg en in de vele tussenvormen.

Tot slot is er nog een belangrijk aspect dat ook niet aan bod kwam in het decreet, maar wel in de discussies tijdens de bespreking in de commissie: een ander aspect van de ontschotting, namelijk het ontschotten van de zorgfuncties. Enkele weken geleden hebben we het daarover nog uitvoerig gehad. Door de opdeling tussen de verschillende zorgberoepen zitten we met een verkaveling, een verkokering van de verschillende taken.

Ik heb een paar keer verwezen naar de studiereis in Zweden die ik samen met collega Van den Brandt mocht maken. Daar is die verkokering en verschotting opgeheven doordat zorgverstrekkers met een profiel van verzorgende eigenlijk het hele scala van zorgen waarnemen, gaande van eenvoudige begeleiding in taken van het dagelijkse leven tot en met verpleegkundige handelingen, zelfs zonder dat ze een verpleegkundige opleiding hebben genoten.

Wij denken dat er in de komende legislatuur, zowel op federaal als op Vlaams niveau, moet worden gekeken hoe we ook in die zorgfuncties naar een verdere ontschotting kunnen gaan, zodat er meer een-op-eenrelaties zijn tussen zorgbehoevenden en zorgverstrekkers.

Het zijn maar een aantal bedenkingen. Het is een zeer ruim ontwerp van decreet. Ik zou kunnen ingaan op een aantal opmerkingen van de oppositie, maar dat zal ik niet doen. Er is nog werk, ook in de volgende legislatuur. Het is een kaderdecreet en er zullen onderweg zeker nog bijsturingen nodig zijn. Maar het mag duidelijk zijn dat mijn fractie dit ontwerp van decreet volmondig zal steunen.

Jan Bertels (sp·a)

Ik zal me niet laten framen door de heer Persyn. Ik neem aan dat hij het niet zo bedoelt, want zo ken ik hem niet. “Ik ken hem als een minzaam man”, om de minister te citeren.

Meneer Persyn, voor ons – en dat weet u – is het belangrijk dat de publieke sector ook een factor kan zijn in de woon- en zorgcentra. Maar ik laat me geen woorden in de mond leggen. U zegt dat ik de commerciële of private sector, die uit verschillende componenten bestaat, diaboliseer in de woon- en zorgcentra. Neen, ik diaboliseer die niet. Maar waar ik wel niet mee akkoord ga – en ik neem aan u evenmin, net als vele adviesraden en ouderrenraden – is de commercialisering van de zorg en de ondersteuning.

Als de commerciële sector, om het in uw woorden te zeggen, aan maatschappelijk verantwoorde zorg doet, en we controle kunnen doen op hun winstuitkeringen en er niet puur op zorg winst wordt gemaakt, dan is er voor mij geen probleem. Dan maakt het niet uit wie er zorg verleent. Maar als er, vanwege winstuitkeringen en het principe van winst te maken op zorg, geen goede kwalitatieve zorg wordt verleend, dan heb ik er wel een probleem mee. Dat is echter iets anders dan het diaboliseren van de hele sector.

Peter Persyn (N-VA)

Collega, ik dank u. Ik kan het daarmee eens zijn.

Maar daarom heb ik erop aangedrongen om boekhoudkundige tools te ontwikkelen en zo effectief na te gaan dat die zorgbudgetten effectief een-op-een naar de zorg gaan en nooit kunnen belanden in winstuitkeringen of dividenden voor private ondernemers. De persoon van het kabinet verantwoordelijk voor die studie en die analyse heeft me verzekerd dat daarmee rekening werd gehouden.

Jan Bertels (sp·a)

We zijn het eens over die doelstelling. Alleen stellen we spijtig genoeg vast dat het momenteel nog niet waargemaakt wordt in de realiteit. We hebben daar nog heel veel werk aan, héél veel werk. Er zijn nu uitspattingen die we absoluut moeten tegengaan.

De voorzitter

Mevrouw Coppé heeft het woord.

Griet Coppé (CD&V)

Voorzitter, collega's, er werd ondertussen zeer veel gezegd over het ontwerp van decreet. Onze fractie wil benadrukken dat dit voor ons een belangrijk ontwerp is. Het ontwerp van decreet dat vandaag voorligt, is uiteindelijk een actualisering van het Woonzorgdecreet van 2009. Maar gezien de zesde staatshervorming, de veranderde samenleving, het voortschrijdend inzicht, is het denken en handelen in woonzorgvoorzieningen wel wat gewijzigd. Daarom was dit decreet aan actualisering toe.

Het is dan ook een juridisch sluitstuk van een lang traject dat de minister gelopen heeft met de sector zelf, met de verschillende adviesraden. Er gingen drie conceptnota's aan vooraf. Dat moet toch even worden benadrukt. Er was een maximaal draagvlak voor dit nieuwe kaderdecreet.

De minister is dus heel gestructureerd en zorgvuldig aan de slag gegaan. Ik denk dat dat hier ook nog eens aangehaald mag worden.

Wat regelt dit ontwerp van decreet nu? Het regelt natuurlijk niet alleen de lokale dienstencentra, het regelt ook de erkenning en subsidiëring van het aanbod van woon- en thuiszorgvoorzieningen en -verenigingen. Daaronder valt veel meer, namelijk ook diensten voor gezinszorg, voor oppashulp, diensten voor thuisverpleging, maatschappelijk werk van het ziekenfonds, de dienst gastopvang, centrum voor dagverzorging, kortverblijf, herstelverblijf, thuiszorgvoorzieningen, een groep van assistentiewoningen en een woonzorgcentrum. Het gaat dus over een breed gamma, of een continuüm, van kwaliteitsvolle zorgvormen die nu ingezet kunnen worden om aan de gebruiker of de zorgvrager zorg op maat aan te bieden.

Zoals collega Bertels zei, worden de werkingsprincipes opgesplitst in gebruikersgerichte en organisatorische werkingsprincipes. Voor ons is het ook belangrijk dat het faciliteren van buurtgerichte zorg een nieuw werkingsprincipe is. Het lokaal dienstencentrum is inderdaad een spil in de buurtgerichte zorg. Het takenpakket verschuift van het aanbieden van informatie en activiteiten op zich naar het stimuleren van sociale cohesie in de buurt. Dat is een klemtoon die voor onze fractie heel belangrijk is. Dit werd tijdens het debat in de commissie ook door de andere fracties onderschreven. Met de vergrijzing, de verschuiving van de pensioenleeftijd en de vermaatschappelijking van de zorg, neemt de kans op vereenzaming toe. Met meer aandacht voor buurtgerichte zorg kan ingespeeld worden op de oprukkende vereenzaming.

Zoals gezegd, werd er ook een hoofdstuk gewijd aan de financiële en bestuurlijke weerbaarheid, de transparantie van de voorzieningen. We hebben hier met verschillende collega’s ook een actuele vraag gesteld toen er een overname was van een grote speler in de rusthuissector. Toen beloofde de minister dat hier in het nieuwe decreet Woonzorg een passage aan gewijd zou worden. Inderdaad, nu zijn de volgende voorwaarden erin opgenomen: het kunnen voorleggen van een administratief basisdossier, weerbaarheid, een code voor goed bestuur, een financieel plan voor minstens drie jaar, het houden van een boekhouding, een jaarrekening, meldingsplicht voor strategische beslissingen enzovoort. Dat zijn maatregelen die zorgen voor een goed beleid. Het is ook een belangrijke aanvulling van het decreet houdende het overheidstoezicht in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid, waarmee toezicht gehouden wordt op de aanwending van de publieke middelen.

Het is ook belangrijk dat er duidelijkheid gecreëerd wordt voor de oudere die op zoek is naar een nieuwe woonvorm, namelijk de assistentiewoningen. Er is een wijziging doorgevoerd, namelijk het wegvallen van de aanmeldingsplicht. Het begrip ‘aangemeld’ wekt vandaag onduidelijkheid op en wekt ook onterechte verwachtingen op van de zorgzoeker. De wijziging houdt in dat alle aangemelde assistentiewoningen in de toekomst een erkenning zullen moeten aanvragen binnen een bepaalde termijn, dan wel hun aanbod moeten stopzetten.

Zoals de collega’s al zegden, zullen de uitvoeringsbesluiten inderdaad heel belangrijk zijn. Ze zullen namelijk zorgen voor wat er effectief op het terrein gerealiseerd zal kunnen worden. De groeipaden zijn daarin belangrijk. Voor onze fractie is het zeer belangrijk dat er voldoende budgetten voorzien zijn, vooraleer we overgaan tot de persoonsvolgende financiering. Nu zal het verschil in financiering tussen de twee soorten bedden, de ROB- en de RVT-bedden, wegvallen. Bij gelijke zorgzwaarte zal er dus een gelijke financiering zijn, want dit was niet langer houdbaar. Vandaar dat het belangrijk is dat de volgende regering een meerjarenraming zal indienen in het parlement zodat deze ongelijkheid weggewerkt zal kunnen worden.

In ieder geval zijn we met onze fractie heel trots dat de minister hier vandaag dit ontwerp van decreet in het parlement kan voorleggen. We hopen dat dit in de toekomst een geruststelling is voor de ouderenzorg en de zorgvrager op zoek naar gepaste zorg en dat hiermee toon voor de toekomst gezet werd.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Ik dank iedereen die is tussengekomen. Ik denk dat de toon van uw tussenkomst illustreert dat de investering in het traject samen met de sector zijn vruchten heeft afgeworpen. Ik dank u daarvoor.

Ik ben het niet eens met mevrouw Van den Brandt wanneer zij zegt dat het niet innovatief genoeg is. Dit ontwerp van decreet brengt het decreet van 2009 terug bij de maatschappelijke realiteit en uitdagingen van vandaag. Het moet ook in lijn van en samen met het decreet over de Vlaamse sociale bescherming worden gelezen, waarin uiteraard het financieringsvehikel, de unieke inschaling waardoor ook de vrije keuze in de aanwending van middelen mogelijk wordt, is opgenomen. Het moet ook samen worden gelezen met het Eerstelijnsdecreet dat in het Vlaamse Parlement is ingediend. Het spoort natuurlijk met het decreet Lokaal Sociaal Beleid. Daarom is het ook heel belangrijk dat dit ontwerp van decreet de filosofie, die in al die decreten aan de basis ligt, nu ook concretiseert in de verschillende uitzichten van de zorg en ondersteuning die wij vanuit de Vlaamse Gemeenschap in de ‘care’ financieren.

De nieuwe visie op de woonzorgcentra, op zorg- en leefgemeenschappen, het supprimeren van het aanmelden van voorzieningen, in het bijzonder van assistentiewoningen, waardoor er opnieuw voor de geïnteresseerden duidelijkheid is en waarbij wij die duidelijkheid ook kunnen handhaven, de rationalisering en het meer eenvormig of eenduidig maken van types voorzieningen, waarbij de regionale dienstencentra geleidelijk aan worden afgebouwd: er zijn voldoende elementen om aan te geven dat dit ontwerp van decreet toch wel echt belangrijk is.

U hebt er allemaal naar verwezen dat we inderdaad ook voor de eerste keer een hoofdstuk hebben inzake financiële transparantie, het goede bestuur en het bewaken van de continuïteit van de zorg, ook op belangrijke momenten in het leven van organisaties die een erkenning van de overheid hebben gekregen. Wat dat laatste stuk betreft, is dat een primeur. Ik ben uiteraard zeer tevreden dat we wat dat luik betreft in overleg met de sectoren en met alle betrokkenen, ook in het Vlaams Parlement, op een groot draagvlak kunnen rekenen.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2018-19, nr. 1765/4)

– De artikelen 1 tot en met 101 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.