U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking (Voortzetting)

Dames en heren, aan de orde is de voortzetting van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2019, het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2019 en het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2019.

De voorzitter

Woonbeleid

Dames en heren, we bespreken nu het onderdeel Woonbeleid.

Mevrouw Van Volcem heeft het woord.

Voorzitter, ministers, minister-president, collega’s, de laatste maanden van de legislatuur gaan in. Ik zal eventjes proberen om in vier minuten – wat niet veel is – achteruit te kijken, maar vooral constructief vooruit.

Mevrouw de minister, uw budget voor sociaal wonen is gestegen tot 3,8 miljard euro. U hebt ingezet op nieuwbouw en renovatie. De Huurwet is evenwichtiger en huurovereenkomsten in sociale woningen zijn tijdelijk in plaats van levenslang – waarvoor dank – dit met het oog op meer doorstroming, zodat mensen die het nodig hebben, vlugger naar een sociale woning kunnen. U hebt ook heel veel fusies gerealiseerd en het aantal mandaten verminderd, en er werd verder geïnvesteerd in eigendomsverwerving via de woonbonus.

Minister, in de toekomst zal er nood zijn aan een vernieuwd woonbeleid dat tegemoetkomt aan de uitdagingen van de toekomst. De technologische vernieuwingen die wij vandaag zien in heel wat beleidsdomeinen zoals Mobiliteit en Economie, zetten zich vertraagd voort in het Vlaamse woonbeleid. 

Dat is natuurlijk niet uw schuld, noch die van het parlement. De Vlaming is nu eenmaal geboren met de baksteen in de maag. En die baksteen in de maag heeft tot gevolg dat de vrouw of man, wanneer die een nieuwe job heeft, niet verhuist naar die nieuwe job, maar liever een uur of twee in de file staat om de nieuwe job te bereiken, zodat hij in zijn vertrouwde leefomgeving, met de school, met de kinderen, kan blijven.

Minister, toch zijn we ervan overtuigd dat, hoe meer die vernieuwingen in de andere beleidsdomeinen doorgang zullen vinden, hoe meer dit ook het woonbeleid ten goede zal komen. Waarom? We zijn er namelijk van overtuigd dat de decentralisatie van werk en de mindshift omtrent gedeelde ruimte positieve gevolgen zullen hebben voor het wonen en het woonbeleid. Het zal automatisch minder files, minder kosten inzake woon-werkverkeer, meer vrije tijd en gezonde lucht tot gevolg hebben. Wonen en werken zullen op dezelfde plek of dichtbij kunnen gebeuren. Meer bepaald zal ‘wonen in een huis’ veranderen naar ‘wonen in een omgeving’ of ‘wonen als woonbeleving’.

Vandaag is er een kleine ingang gevonden. De globale woonkostbenadering, die in de huurwetgeving is aangepast, biedt kansen. De enge woonkostbenadering, waarbij het enkel om de huur of de afbetaling van de lening gaat, wordt vandaag uitgebreid met de energiekosten. Dat is een positieve zaak.

Indien u dat nu ook zou kunnen uitbreiden naar andere beleidsdomeinen, hebben we een slimme samenleving, die de globale woonkost zal kunnen verminderen.

Minister, er is ook nood aan meer flexibiliteit, modulair wonen en co-wonen. Ook op dat vlak hebt u stappen gezet. Vroeger had samenwonen een eerder emotionele connotatie. Maar vandaag krijgt samenwonen vaak een kostendelende connotatie. Ook jongeren willen graag flexibele in- en uitstapcontracten in de huur.

De voorzitter

Mevrouw Van Volcem, sluit u af?

Is het gedaan? (Gelach)

Echt?

De voorzitter

Ja, maar u mag nog besluiten.

Zo jammer. Wordt vervolgd, minister. (Gelach)

Minister, ik had er nog graag voor willen pleiten om de woonbonus ook nog eens in de toekomst te bekijken. Moeten we niet gaan naar een renovatiewoonbonus voor bestaande woningen, om zo de economie te stimuleren?

En verder: moeten we de woonbonus enkel behouden voor mensen die vandaag een lening aangaan voor een eerste woning? Of mogen we die ook toepassen op mensen die niet voldoende middelen hebben om een woning te kopen? Misschien kunnen we de woonbonus omvormen tot een tijdelijke huurbonus, als opstap naar een eigen woning? (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

Mevrouw Hostekint heeft het woord.

Michèle Hostekint (sp·a)

Voorzitter, leden van de regering, collega's, het beleid van deze regering komt stilaan in een laatste rechte lijn. Het is niet dat we aan het eind van de legislatuur een rapport willen opmaken, maar u hebt, minister, wat wonen betreft toch wel een – laat ons zeggen – eigenzinnige rit gereden.

Uw ideeën strookten – daarin moeten we eerlijk zijn – slechts zelden met die van onze fractie. Maar, zoals ook vermeld door mevrouw van Volcem, de inspanningen voor sociale huisvesting en de bijkomende werkingsmiddelen voor de sociale verhuurkantoren (SVK’s) werden door ons gewaardeerd.

Minister, er waren natuurlijk ook de hervormingen in de sociale huisvesting, de hervorming van de renovatiepremie. Maar bovenal was er het Vlaamse Huurdecreet, dat toch wel lang op zich liet wachten en waar u, naar ons oordeel, toch wel wat kansen hebt laten liggen. Vandaag is er een grote groep van huurders, 20 procent van de Vlamingen, die vaak noodgedwongen aangewezen zijn op die private huurmarkt. Het gaat om een groep van vaak kwetsbare mensen die vandaag een heel grote betaalbaarheidsproblematiek kennen en die het meest nood hebben aan woonzekerheid – en die is er vandaag niet.

Over enkele dagen wordt het Vlaams Huurdecreet al van kracht, en wordt de huurwaarborg opnieuw opgetrokken van twee naar drie maanden. Dat is zeer tegen onze zin, dat weet u. U hebt hiervoor de huurwaarborglening in het leven geroepen. De budgetten hiervoor zijn beschikbaar, maar de vraag is nog maar of de organisatie via het Vlaams Woningfonds hier ook klaar voor zal zijn. De vraag is ook hoe u die huurwaarborglening zult bekendmaken, laat staan dat mensen zullen weten hoe ze die huurwaarborglening zullen moeten aanvragen. We zijn vandaag op minder dan tien dagen voor de inwerkingtreding, en nog steeds hebben we daarop geen antwoord.

Minister, een woonbeleid moet in de eerste plaats tegemoetkomen aan de grootste woonnoden, en die situeren zich, zoals bekend, in de eerste plaats op de private woningmarkt. En daar hebt u – althans wat ons betreft – te weinig op ingezet. In de conceptnota Private Huur hebt u een aantal nieuwe concepten gelanceerd. Het geconventioneerd huren of het proefhuren – om er maar twee te noemen – waren twee pistes waar in de commissie heel grote consensus over bestond, maar die nadien zijn verlaten, en waar ook in de jongste beleidsbrief niets meer over terug te vinden was. Ook een piste van een verzekering gewaarborgd wonen voor huurders werd even bewandeld, maar blijft tot vandaag heel erg vaag.

Wat wij misschien nog het meest betreuren, is dat ook de aanpak van discriminatie op de huurmarkt niet is opgenomen in het Vlaams Huurwoningdecreet. U koos voor een actieplan, en we hebben begrepen dat u dit actieplan de voorbije maanden concreet hebt uitgewerkt: u zult inzetten op zelfregulering van de sector, en dus eigenlijk op een – al te – vrijblijvende aanpak, terwijl discriminatie een kordate aanpak met afdwingbare maatregelen en sancties vereist.

Minister, het zou ons plezieren mocht u hier alsnog willen bijsturen. Mogelijk krikt u op die manier alvast ons eindrapport op voor uw beleid aan het eind van deze legislatuur. (Applaus bij sp.a).

De voorzitter

Mevrouw Moerenhout heeft het woord.

Mevrouw, deze legislatuur kenmerkte zich door een wooncrisis, een wooncrisis die elk jaar opnieuw scherper werd. Voor onze partij was en is het van het grootste belang dat u, als minister van Wonen, tijdens deze wooncrisis de meest kwetsbaren gaat beschermen.

Ik wil gerust erkennen dat u daar inspanningen voor gedaan hebt. U hebt inderdaad geïnvesteerd in sociaal wonen, u hebt langdurige contracten aangemoedigd en cashhuurwaarborgen ontmoedigd. U hebt wel degelijk inspanningen gedaan. Maar als we naar die concrete cijfers op het einde van de legislatuur kijken, kunnen we niet tevreden zijn. We zien bijvoorbeeld op de wachtlijst voor een sociale woning dat het aantal wachtenden gestegen is van 110.000 in het begin van de legislatuur naar 135.000 vandaag. Dat is toch een enorme toename.

Als we kijken naar de armoedecijfers, naar de kinderarmoede, dan zien we ook daar een stijging van 11 naar meer dan 13 procent. En de belangrijkste reden waarom er steeds meer mensen en kinderen in armoede vallen, zijn die hoge woonkosten. Tevreden zijn we dus niet.

Er zijn inspanningen gedaan, maar het is onvoldoende. Het is vooral onvoldoende als we weten dat u meer bevoegdheden en meer middelen had om in te zetten en om te ageren. U had een aantal dingen kunnen doen die ons genegen zijn: u had de huurpremie bijvoorbeeld kunnen openstellen voor alle wachtenden, niet alleen voor de wachtenden die al vier jaar wachten op een sociale woning. Want vandaag zitten zij op die private huurmarkt, en zij kunnen daar het hoofd niet boven water houden.

U had inderdaad praktijktesten kunnen invoeren in de nieuwe Huurwet. U had de huurwaarborg niet kunnen verhogen van twee naar drie maanden voor al die mensen die vandaag al in de knoei zitten. Dat had u allemaal kunnen doen, maar dat deed u niet. Voor ons kenmerkt deze legislatuur zich dan ook door gemiste kansen, gemiste kansen om de meest kwetsbaren op de huurmarkt deftig te beschermen. Daarom zullen wij dit woonbeleid en de begroting ervan niet steunen. (Applaus bij Groen).

De voorzitter

De heer Engelbosch heeft het woord.

Jelle Engelbosch (N-VA)

Voorzitter, minister, collega’s, met het nieuwe Huurdecreet werd dit jaar – en ik hoor anderen iets anders zeggen – wel degelijk een heel evenwichtige stap gezet inzake het woonbeleid. Het is een evenwicht geworden tussen de rechten en de plichten van de huurders enerzijds en de verhuurders anderzijds, met een bijzondere aandacht voor de woonkwaliteit en voor de woonzekerheid. Er worden mogelijke afspraken inzake renovatie versoepeld en verbreed, en het wordt ook voor medehuurders gemakkelijker gemaakt om zich te beschermen als iemand de woning verlaat. Zij krijgen meer rechten op deze woning. Ik denk dus dat er heel wat verbeteringen zijn in dit Huurdecreet.

Minister, we rekenen er nu op dat u nog voor het einde van dit jaar nog werk maakt van de huurwaarborglening, zodat ook de kwetsbare huurders die vandaag geweigerd worden omdat ze geen waarborg op tafel kunnen leggen – ook geen twee maanden, collega’s – voortaan allemaal wel een huurwaarborg kunnen betalen, die voorgeschoten krijgen, en dat de verhuurder de betaling van die waarborg niet langer kan gebruiken als een oneigenlijk selectiecriterium, omdat die huurwaarborglening anoniem zal zijn.

Een ander thema waar de nodige stappen zijn gezet, is deze van de samenvoeging van de verbeterings- en aanpassingspremie met de renovatiepremie. Dat zorgt voor een vereenvoudiging. Maar het werk is nog niet voltooid. In nauwe samenwerking tussen de beleidsdomeinen Wonen en Welzijn moeten we ertoe komen dat ook de VAPH-premie, dus de verbeterings- en aanpassingspremie voor personen met een handicap, en de aanpassingspremie voor 65-plussers in elkaar vloeien. Op die manier zal ook hier een vereenvoudiging zorgen voor de nodige efficiëntiewinsten. Ik kijk ernaar uit om de komende maanden hieraan nog te werken, samen met de collega’s in de twee betrokken commissies. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Partyka heeft het woord.

Minister, u hebt gewacht tot het einde voor het beste, althans wat betreft uw bevoegdheid Wonen. 2019 wordt, denk ik, toch het belangrijkste jaar wat betreft het Vlaamse woonbeleid. Vanaf 1 januari treedt het nieuwe Huurdecreet in werking – we hebben het al gezegd, collega’s. Dit leidt het huurrecht binnen in de 21e eeuw. Het was ook het onderwerp van de regionalisering van bevoegdheden, en we willen u er graag proficiat voor wensen om dat tot een goed einde te brengen.

Minstens even belangrijk als het kader van wetten en regels is het feit dat mensen ook een kwalitatief dak boven hun hoofd zouden hebben. In het begin van de legislatuur bleek dat niet minder dan de helft van de private huurders kampt met betaalproblemen. Veel van de maatregelen die aangekondigd zijn de afgelopen jaren, vinden hun beslag in 2019. Zo zullen er meer mensen kunnen genieten van de huursubsidie, hogere inkomensgrenzen, het maximumbedrag zal opgetrokken worden. Het resultaat is dat er in totaal meer dan 80 miljoen euro voorzien is voor de huurpremie en huursubsidie. Dat betekent dat het budget van deze ondersteuning tegenover het begin van de legislatuur ongeveer verdubbelt. Dat is een pluim die u absoluut op uw hoed mag steken.

Mensen zullen ook een beroep kunnen doen op de renteloze waarborglening om de huurwaarborg te financieren, wat de toegang tot de huurmarkt zou moeten vergemakkelijken. Dit zorgt tegelijkertijd ook voor zekerheid bij verhuurders.

Een van de grondoorzaken van de te hoge prijzen en te weinig kwaliteit op de huurmarkt is het gebrek aan aanbod, het structureel tekort op dat vlak. Ook daar gaat er in 2019 een initiatief van start rond SVK Pro, waar private ontwikkelaars mee kunnen investeren in een sociaal woonpatrimonium. In 2019 is de eerste testronde en zouden de eerste resultaten daarvan duidelijk moeten zijn.

Tegelijkertijd hebt u ook historisch geïnvesteerd in recepten die al decennialang hun nut hebben bewezen, zoals de woningbouw door sociale huisvestingsmaatschappijen. In 2019 zal een investeringsbedrag van 833 miljoen euro ter beschikking gesteld worden van SHM’s (sociale huisvestingsmaatschappijen). In totaal staat de teller voor deze legislatuur daarmee op 3 miljard euro, en dat is een historisch record. (Opmerkingen van minister Liesbeth Homans)

Excuseer, 3,8 miljard euro. Het is nog beter dan ik al zei.

Dat is wat goedgekeurd is. Dat neemt niet weg dat er in 2019 nog wel enkele dingen uitgewerkt moeten worden: uitvoeringsbesluiten rond betere woonkwaliteit, het nieuwe huurgarantiefonds, dat toch al een hele tijd op de rol staat – maar ik zie u enthousiast teken doen dat het eraan komt.

Er is nog iets dat we met bijzondere aandacht zullen volgen, namelijk de uitvoering van het Actieplan Discriminatie, waar we in de commissie al heel wat discussies aan gewijd hebben en waar we niet altijd op dezelfde golflengte zitten. Maar ik denk wel dat we het eens zijn dat het een probleem is dat aangepakt moet worden.

Voor de volgende jaren ligt er echter nog heel wat op de plank. Deze week was er een studie van het Steunpunt Wonen over de kosteneffectiviteit van de SHM’s en de SVK’s. Ze bevat een schat aan informatie waar we de volgende tijd mee aan de slag moeten, eventueel al in de commissie. Volgens ons moeten we komen tot eengemaakte woonmaatschappijen, na de fusie die u hebt gerealiseerd, wat volgens ons een goede zaak is. Dat kan uiteraard niet allemaal volgend jaar gebeuren, maar is in een volgende legislatuur wel van belang.

Ook kleinere hervormingen of maatregelen zoals de uitbreiding van de verzekering gewaarborgd wonen voor huurders is belangrijk en kan een groot verschil maken voor veel mensen. Bij een onverwacht verlies van inkomen kan men toch een zekere periode overbruggen zodat men een dak boven het hoofd houdt.

Ook de projecten rond nieuwe woonvormen moeten op langere termijn worden uitgewerkt.

Het is duidelijk dat het werk nog niet af is: wachtlijsten blijven, de wooncrisis is nog niet bedwongen, we mogen niet berusten in het aantal uithuiszettingen en we moeten dit probleem aanpakken. De Vlaamse Regering heeft met deze begroting en deze maatregelen alvast voor veel Vlamingen een perspectief op een betaalbare en kwaliteitsvolle woning geboden.

Collega's van Groen, het is jammer dat u de begroting niet zult goedkeuren. Ik denk dat we het erover eens kunnen zijn dat er historisch veel investeringen gebeuren. (Applaus bij CD&V)

De voorzitter

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Collega's, ministers, wat anderen ook mogen denken of zeggen, op het vlak van sociaal wonen ligt er opnieuw een zeer ambitieuze begroting voor. Het is belangrijk dat we volgend jaar en de jaren daarna blijven inzetten op een voldoende betaalbaar, kwalitatief en beschikbaar woningaanbod, ook op de sociale huurmarkt. Het gaat immers over de meest kwetsbaren op de woonmarkt voor wie we de woningnood mee moeten lenigen.

Het is daarbij belangrijk dat we het aanbod blijven uitbreiden. Dat gebeurt met de plannen die voorliggen. We zetten het aanbod zo efficiënt mogelijk in en we blijven waken over de kwaliteit.

Als we wat cijfers op een rijtje zetten over de begroting, dan zien we dat, in navolging van de vorige jaren, 2019 opnieuw een recordjaar wordt als het gaat over investeren in sociale woningbouw, zowel nieuwbouw als renovatie. In deze legislatuur is er een recordbedrag van 3,8 miljard euro geïnvesteerd in sociale huisvesting. Ook het aantal woningen bij de sociale verhuurkantoren groeide de voorbije jaren spectaculair: van 7700 in het begin van deze legislatuur naar meer dan 10.000 vandaag. En we gaan op de ingeslagen weg verder. Ook volgend jaar wordt er opnieuw 825 miljoen euro extra geïnvesteerd in de nieuwbouw en renovatie van sociale woningen. Ook het budget voor huursubsidies en -premies gaat omhoog. Als we, zoals de collega's van Groen voorstellen, het willen opentrekken voor alle wachtenden, dan gaat het per jaar over een bijkomende uitgave van 300 miljoen euro recurrent. Ik weet niet hoe je 1 euro meer dan één keer kunt uitgeven, dat lijkt me niet vanzelfsprekend te zijn.

De investeringen die we nu doen in het sociaal woningaanbod zijn al historisch. Ook de maatregelen die we nemen om het woningaanbod zo goed als mogelijk in te zetten, zoals de contracten van bepaalde duur maar ook de energiecorrectie en de solidariteitsbijdrage, zullen natuurlijk helpen om het record aan aangewende middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten.

Om die redenen zullen we vanzelfsprekend de begroting voor Wonen steunen. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Hendrickx heeft het woord.

Marc Hendrickx (N-VA)

Voorzitter, ministers, collega's, ik zou mijn korte spreektijd graag wijden aan een warme oproep om alle vormen van misbruik en slecht beheer in de huisvesting met vereende krachten aan te pakken.

Minister, het Agentschap Wonen moet daarbij, naast uzelf, de locomotief zijn die alle andere partners mee op gang trekt en waar nodig het gaspedaal induwt. Het betekent lokale besturen maximaal ondersteunen inzake woningkwaliteitsbewaking. Het betekent de huisvesters ondersteunen en waar nodig aanporren bij het bestrijden van alle vormen van fraude, het liefst in een vlotte samenwerking met de bovenlokale toezichtsorganen en waar mogelijk zelfs met Justitie. Het betekent meer dan ooit toezien op een performant toezichts-,  begeleidings- en ondersteuningsapparaat voor de sociale huisvesters.

Zowel de VMSW als de afdeling Toezicht en de afdeling Financiële Instrumenten moeten erover waken dat er voldoende op voorhand wordt gedetecteerd, ondersteund en ingegrepen. Dat is geen pleidooi voor een bemoeizieke Vlaamse keizer-kostermentaliteit. We mogen trouwens zeggen dat het merendeel van onze huisvesters prima werk levert in vaak erg lastige omstandigheden, maar zoiets vereist dat huisvester én toezichthouder de lat hoog blijven leggen. Dat u hen daarin steunt, minister, ja, zelfs al meer dan vier jaar vaak het voortouw neemt ter zake, stemt ons uiteraard tevreden. U krijgt daarvoor de komende maanden dan ook nog onze volledige steun. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Minister Homans heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, ik denk dat er hier kamerbreed steun is uitgesproken voor de in deze legislatuur uitgetrokken budgetten, waarvoor dank. Dat is dus 3,8 miljard euro. Er is 53 procent meer gerealiseerd dan in de vorige legislatuur. Ik denk dat dat goed is. Niet alleen hebben we daar nieuwe sociale woningen mee gebouwd, maar ook bestaande woningen gerenoveerd, want zoals u weet, waren er heel veel sociale huurders die eigenlijk veel meer betaalden voor hun energiefactuur dan voor hun werkelijke huishuur. Dat is dus zeer goed.

Ook dank aan de minister van Begroting, die hier naast mij zit, om me elke keer opnieuw zowel bij de begrotingscontrole als bij de begrotingsopmaak die 285 miljoen euro extra machtiging te geven. Hij heeft daar niet al te lastig over gedaan. Hij is ook sociaal ingesteld, dus dat ging nogal gemakkelijk, maar toch dank, collega, om dat toe te staan.

Mevrouw Hostekint, u zegt terecht dat er van het geconventioneerd huren eigenlijk niets in huis is gekomen. Natuurlijk, aan dat geconventioneerd huren op zich zijn allerlei studies gewijd, en er is gebleken dat dat redelijk moeilijk was, maar we hebben wel de filosofie van het geconventioneerd huren doorgetrokken. Hoe hebben we dat gedaan? We hebben dat zeer recent gedaan, maar dat zal u misschien zijn ontgaan, door de verdubbeling van het budget voor de huurpremie en -subsidie. We hebben dus die toelagen verhoogd, of dat nu een huurpremie of -subsidie is. We hebben ook de inkomensgrenzen om in aanmerking te komen voor zulke toelagen verhoogd, dus de doelgroep wordt uitgebreid. Dat is eigenlijk de filosofie die achter het geconventioneerd huren zat.

Dan is er de hervorming van de sociale huisvesting, en de tijdelijke contracten. Mevrouw Hostekint, u hebt ze niet bij naam genoemd, maar ik neem aan dat u het daarover had. Ik ben nog altijd van oordeel, en ik hoop dat het merendeel van de aanwezigen hier het met mij eens is, dat sociale voorzieningen, en sociale woningen vallen daaronder, terecht moeten komen bij die mensen die het echt nodig hebben. Een sociale woning is niet voor het leven. Het kan niet zijn dat, als je eenmaal een sociale woning hebt gekregen, je daar de rest van je leven in mag wonen. Men zegt terecht dat de wachtlijsten nogal groot zijn. Ik hebt u gezegd dat er sprake is van historische inspanningen van 3,8 miljard euro op één legislatuur, 53 procent meer dan de vorige legislatuur. Men klaagt enerzijds aan dat de wachtlijsten aangroeien, maar anderzijds is men tegen de tijdelijke contracten. Dat vind ik redelijk haaks op elkaar staan.

Mevrouw Hostekint, er moet me nog iets van het hart. In Brussel, waar u mee in het bestuur zit, hebt u de tijdelijke contracten ingevoerd. In Vlaanderen hebt u tegengestemd. Groen heeft zich nog onthouden, wegens modaliteiten. Uw partij heeft tegen het invoeren van de tijdelijke contracten gestemd. Het is uw volste recht om dat te doen, maar dat gaat mijn verstand alleszins te boven.

Er is al heel veel gediscussieerd over de huurwaarborglening en de verhoging van de huurwaarborg, dus ik zal het kort houden wat dat betreft. U weet dat er in het verleden allerlei manieren waren om toch nog altijd drie maanden huurwaarborg te betalen. Men kon ook cash betalen. Men kon bijvoorbeeld een schilderij dat enige waarde had, in pand geven als huurwaarborg. We hebben dat nu heel strikt gereglementeerd in het Huurdecreet en daar een anonieme renteloze huurwaarborglening aan gekoppeld. Die staat op punt, dus alles is klaar om vanaf 1 januari in werking te treden. De personeelsleden zijn er, de middelen zijn er en dergelijke meer.

Mevrouw Hostekint, vorige week vrijdag, op 14 december, is er een grote campagne gestart door het agentschap Wonen-Vlaanderen met folders, brochures die bij de lokale besturen zullen worden verspreid of al zijn verspreid, en via webstekken waarin op één manier informatie wordt gegeven over alles wat het nieuwe Huurdecreet betreft, maar ook over die anonieme huurwaarborglening. Als u dus naar die webstek gaat, dan kunt u eenvoudigweg op een link klikken, en dan komt u op de website van het Vlaams Woningfonds (VWF), waar u dan alle modaliteiten voor het verkrijgen van die anonieme renteloze huurwaarborglening kunt terugvinden.

Ik wil ook nog eens aanstippen dat er heel veel commotie is geweest over het verhogen van de huurwaarborg van twee naar drie maanden, maar een huurwaarborglening bestond niet, ook niet voor mensen die twee maanden moesten betalen of soms ook al drie maanden. We weten allemaal dat dat de dagelijkse praktijk was.

Mevrouw Van Volcem, u hebt er terecht voor gepleit dat we anno 2018 moeten meegaan met de moderne woonvormen, bijvoorbeeld drie afgestudeerde vrienden of vriendinnen die willen gaan samenwonen. Dat is allemaal geregeld in het Privatehuurdecreet, onder andere via medehuur. Dat is aangepast aan de moderne tijden, wat een zeer goede zaak is.

Mevrouw Partyka, ik hoop dat ik ook u blij zal kunnen maken. Het Huurgarantiefonds staat nu vrijdag op de agenda van de regering ter goedkeuring. U weet dat het principe van het Huurgarantiefonds eind vorige legislatuur nogal op een drafje is ingevoerd. Dat was eigenlijk niet goed onderzocht. Er was bijvoorbeeld geen rol weggelegd voor het OCMW, wat toch een belangrijke schakel is om mensen te begeleiden om niet uit huis te moeten worden gezet. Wij hebben het anders aangepakt met wel een rol voor onder andere het OCMW, maar ook voor het CAW. Er was ook een veel te lange procedure vooraleer men aanspraak kon maken op dat fonds. Men moest bijvoorbeeld eerst al een afbetalingsplan opgelegd gekregen hebben door een vrederechter vooraleer een verhuurder naar het Huurgarantiefonds kon stappen. Dit komt nu vrijdag aangepast op de regering, alsook het decreet over de woonkwaliteit, waarover u een vraag hebt gesteld.

De voorzitter

Mevrouw Hostekint heeft het woord.

Michèle Hostekint (sp·a)

Minister, ik dank u dat u elk jaar antwoordt op vragen die ik niet heb gesteld of op onderwerpen die ik niet heb aangeraakt. Ik hoop dat u ook mijn bezorgdheden met betrekking tot de private huurmarkt en antidiscriminatie hebt meegenomen.

De voorzitter

Onroerend Erfgoed

Dames en heren, we gaan nu over tot het onderdeel Onroerend Erfgoed.

Mevrouw Van Werde heeft het woord.

Voorzitter, dames en heren, minister-president, in de jaren 80 van de vorige eeuw stond de Vlaamse erfgoedzorg in haar kinderschoenen. De minister zal zich dat nog herinneren, en daar bedoel ik niets mee. Er was toen minder dan 20 miljoen euro voor restauratiepremies. Rond de eeuwwisseling was dat bedrag opgelopen tot 40 miljoen euro. Bij de start van deze regeerperiode lag er 60 miljoen klaar voor de restauratie van onze monumenten. Ik denk dat ik ook namens mijn collega’s in de commissie Onroerend Erfgoed mag zeggen dat we allemaal verheugd zijn dat dit bedrag tijdens de huidige legislatuur is opgelopen tot meer dan 90 miljoen euro, 96.550.000 euro als ik me niet vergis.

Als ik naar de meerjarenraming voor de komende jaren kijk, dan merk ik dat er misschien wel ruimte is voor nog bijkomende kredieten voor restauratie en herbestemming. Wachtlijsten zullen er altijd zijn, maar hoe meer we er kunnen wegwerken, hoe beter.

Sinds uw parochiekerkenplan van 2011 zijn ook de geesten gerijpt qua herbestemming van kerken. Een fietskerk, een cultuurfabriek, een speelkapel, een skatehal, een food market, een Delhaize zelfs: het zijn intussen verwezenlijkingen van plannen die twintig jaar geleden ondenkbaar zouden zijn geweest.

Zorgen voor erfgoed is niet alleen een kwestie van geld. U voerde de afgelopen jaren, ook tijdens de vorige legislatuur, een geïntegreerd onroerenderfgoedbeleid met aandacht voor monumenten, landschappen en archeologie, en u deed dat met oor voor de verzuchtingen van de sector.

Om op de term ‘geïntegreerd’ door te gaan: ik denk dat de zorg voor onroerend erfgoed een zorg moet zijn voor alle beleidsmakers, van lokaal tot Vlaams niveau, over de beleidsgrenzen heen. Het beleidsdomein Omgeving, het beleidsveld Ruimtelijke Ordening, zelfs Duurzaamheid en Innovatie, Landbouw en Cultuur hebben allemaal raakpunten met onroerend erfgoed. Onderlinge afstemming is wat ik bedoel met geïntegreerd. Het erfgoedbeleid, het ruimtelijk beleid, het natuurbeleid en het plattelandsbeleid kunnen nog beter op elkaar worden afgestemd en integraal benaderd worden. In uw beleidsbrief spreekt u van thematische landschapsbeschermingsdossiers en u kondigt een colloquium aan om het landschap als beleidsthema op de agenda te zetten.

Verder bouwen op de cultuurhistorische waarde en landschappelijke karakteristieken en waardering van het erfgoed, werden ook opgenomen in de strategische visie van het nieuwe Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.

Een stap verder dan geïntegreerd is integraal. In de Duitstalige Gemeenschap zijn onroerend en cultureel erfgoed één beleidsdomein, die Kulturerbe. Deze geïntegreerde benadering is een piste die volgens mij in de toekomst ook bij ons moet worden onderzocht.

Ik wil eindigen met een quote: waardevolle spullen stoppen we soms in een doos waar ze meer stof vergaren, meer moeite en geld kosten dan dat ze dienst doen. Onroerend erfgoed daarentegen moeten we gebruiken, hergebruiken, openstellen, ook voor nieuwe hedendaagse functies, en dan pas kunnen verleden en toekomst bij elkaar binnenkijken. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Ik wil een aanvullende vraag stellen op het mooie betoog van mevrouw Van Werde. Het is eigenlijk een praktische vraag.

Minister-president, om een aantal zaken te realiseren, hebben wij recent het Onroerenderfgoeddecreet aangepast maar de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot de premies voor restauratie is toevertrouwd aan de Vlaamse Regering. Ik heb me gisteren nog suf gezocht naar de datum waarop de wijzigingen in voege treden. Die zijn belangrijk want met een deel van de restauratiewerken zitten we nog in het oude regime en met een andere deel in het nieuwe regime. Dat nieuwe regime moet blijkbaar nog in voege treden wat de verminderde premiestelsels betreft. Is daar al duidelijkheid over of heb ik iets gemist? We weten dat dit een vrij complexe regelgeving is. Is dit al duidelijk en waarom wordt daarmee gewacht?

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Mijnheer Caron, u bedoelt ongetwijfeld 'in werking treden' in plaats van 'in voege treden'.

U overvalt me een beetje met uw vraag. Ik durf het niet van buiten te zeggen maar ik zal u het antwoord bezorgen.

Wat het overige betreft, dank ik mevrouw Van Werde en bij uitbreiding alle collega’s in de commissie die een passie hebben voor onroerend erfgoed.

Mevrouw Van Werde, ik ben het volkomen met u eens dat we naar zoveel mogelijk geïntegreerd beleid moeten gaan waar u het hebt over een integraal beleid. We hebben daar in de commissie al over van gedachten gewisseld. U weet dat ik daar twee bedenkingen bij heb die me terughoudend maken. Uiteraard ben ik niet tegen samenwerking tussen Onroerend en Roerend Erfgoed, tussen Onroerend Erfgoed en Cultuur, net zoals ik een groot voorstander ben van samenwerking met natuur, landschappen en dergelijke meer. We moeten daar naar een sterk geïntegreerd beleid gaan maar ik zie wel een probleem op institutioneel vlak. Ik huiver ervoor om van Brussel een gewest-gemeenschap te maken. Onroerend Erfgoed is een gewestelijke bevoegdheid, Cultuur is een gemeenschapsbevoegdheid waardoor we institutioneel met een dubbele aanpak zitten.

Daarnaast vind ik het uitstekend dat er een verband is met Omgeving. In de lijn van wat u zegt over landschappen sluit Onroerend Erfgoed zeer goed aan bij Omgeving, die zaken zijn ook meer en meer geïntegreerd. Minister Gatz en ikzelf werken trouwens zoveel mogelijk samen op het terrein, maar ook met Natuur, ook in de richting van de National Trust. Ik volg die lijnen, alleen vind ik het integreren in één beleidsdomein van Roerend en Onroerend Erfgoed niet evident. Ik denk dat er ook redenen zijn om de band met omgeving te behouden.

Ik pleit ook een beetje voor bestuurlijke rust. Ik heb destijds Erfgoed uit de Ruimtelijke Ordening gehaald, en samengevoegd met het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) waardoor er nu één agentschap is. Daar zijn een aantal kinderziektes en overgangsproblemen mee gepaard gegaan maar die zijn allemaal opgelost. Er hebben ook interne, grote herstructureringen en reorganisaties plaatsgevonden, ik denk dat het nu wel goed is om een klein beetje bestuurlijke rust te geven. Ik heb in de loop van die tien jaar in veel beleidsdomeinen heel veel veranderd maar nu moeten we vooral op de inhoud focussen. Maar voor het overige ben ik het wel volkomen eens met de lijnen uit uw uiteenzetting.

De voorzitter

Kanselarij en Bestuur

Dames en heren, we bespreken nu het onderdeel Kanselarij en Bestuur.

De heer Janssens heeft het woord.

Voorzitter, voor 2019 is andermaal voorzien in een fors bedrag voor integratie en inburgering, namelijk meer dan 72 miljoen euro. Mijn fractie zou graag zien dat deze middelen worden geïnvesteerd in een krachtdadig inburgeringsbeleid dat nieuwkomers duidelijk maakt dat ze hier alleen een toekomst kunnen hebben op voorwaarde dat ze bereid zijn zich aan onze Vlaamse en Europese leidcultuur aan te passen en dat deze eis niet vrijblijvend is.

Ik moet helaas vaststellen dat daarvan geen sprake is. De inburgeringscursussen, bijvoorbeeld, zijn en blijven nog steeds volledig gratis, terwijl dat gratis-beleid voor Vlamingen al lang is afgeschaft. Mijns inziens, zou dat zeker ook voor nieuwkomers moeten gelden. Bovendien kan het vragen van een eigen bijdrage aan de inburgeraar responsabiliserend werken. Het maakt van meet af aan duidelijk dat inburgering een waarde heeft, dat bij ons niets gratis is en dat eenieder wordt geacht een bijdrage te leveren voor de diensten die hij ontvangt.

Ook op inhoudelijk vlak heeft mijn partij nog fundamentele bemerkingen bij het inburgeringsbeleid. Er worden weliswaar een soort inburgeringsproefjes georganiseerd, maar van een koppeling aan onze verblijfs- en nationaliteitswetgeving is nog altijd geen sprake. Voor niet-Europeanen die in Vlaanderen willen blijven, zou het een evidentie moeten zijn dat ze eerst moeten slagen voor een objectief taal- en inburgeringsexamen vooraleer ze een permanente verblijfsvergunning ontvangen. In dit gekke land is dat blijkbaar niet mogelijk.

Ondertussen wordt in het integratiebeleid ook geld besteed aan zaken die de integratie volgens ons allerminst ten goede komen. Door het zogenaamde Integratiepact, bijvoorbeeld, wordt 1,6 miljoen euro besteed aan allerlei multiculturele projecten die het zogenaamde racisme en de discriminatie zouden moeten bestrijden. Dit is blijkbaar geïnspireerd door het linkse dogma dat racisme en discriminatie de oorzaak zijn van de herkomstkloof en van de slechte sociaal-economische positie van sommige allochtonen op de arbeidsmarkt. Dit is nog maar eens een rondje culpabilisering van de Vlamingen en extra cashen voor de diversiteitsindustrie.

Ook het Minderhedenforum is weer verzekerd van zijn subsidies voor de komende jaren, allicht om, net als in het verleden, te eisen dat het hoofddoekenverbod verdwijnt, om de positie van het Nederlands te hekelen en om uit te halen naar onze racistische samenleving. Als het van het Vlaams Belang zou afhangen, zou het Minderhedenforum nog welgeteld 0 euro subsidies krijgen.

Minister, tot slot wil ik nog een woordje zeggen over de financiering van de erediensten. Zoals u weet, kant mijn partij zich tegen de financiering van moskeeën omdat de islam een religie is die haaks op onze democratische waarden staat. Indien de Vlaamse Regering en veel Vlaamse volksvertegenwoordigers in dit parlement hun politiek-correcte oogkleppen ook maar heel even zouden willen afleggen, zouden ze dat ook beseffen. Het is allicht veel gemakkelijker te blijven meezingen in het vrolijke multiculturele koor en de boodschapper, in casu meestal mijn partij, te viseren.

Wat de waanzin echter ver voorbij is, is dat met Vlaams belastinggeld nog steeds Diyanet-moskeeën worden gefinancierd. Die moskeeën staan onder leiding van het regime van de Turkse president Erdogan. Hetzelfde regime dat in eigen land dissidenten ontvoert, krijgt hier subsidies. Wie dat in het buitenland vertelt, wordt gek verklaard.

Minister, om deze redenen zou ik u willen oproepen om in de laatste maanden die u in deze legislatuur nog resten te stoppen met de islam te faciliteren, met het multiculturalisme te promoten en met de Vlaamse bevolking te culpabiliseren. Ik roep u op om werk te maken van een echt inburgeringsbeleid, waarbij aan nieuwkomers en allochtonen duidelijk wordt gemaakt dat in Vlaanderen onze cultuur centraal staat en dat wie hier een toekomst wil opbouwen, zich daaraan zal moeten aanpassen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer De Bruyn heeft het woord.

Minister, collega's, er zijn op de wereld heel wat plaatsen waar het als holebi, transgender of als persoon met een intersekseconditie veel slechter leven is dan ons Vlaanderen. Zowel de juridische bescherming van onze fundamentele gelijkwaardigheid als de maatschappelijke aanvaarding scoort hier goed. Het beleid van deze regering draagt daar zeker toe bij.

Om dit te illustreren verwijs ik heel kort naar twee voorbeelden uit het voorbije jaar. Deze minister laat niet na om breed te informeren over LGTBI’s en nam daarbij het initiatief om aangepast materiaal te ontwikkelen voor leerlingen van de derde graad van het basisonderwijs. Personen met een intersekseconditie zijn een relatief nieuwe aandachtsgroep binnen het gelijkekansenbeleid. Met steun van deze Vlaamse Regering werd recent de webstek www.ideminfo.be gelanceerd, die alle relevante informatie op gebruiksvriendelijke wijze benoemt.

Maar dat neemt niet weg dat het ook in Vlaanderen beter kan. Ook wij hebben nog te veel voorbeelden van homofoob en transfoob geweld. Maar ook daar heeft de regering oog voor. De minister steunde bijvoorbeeld de ontwikkeling van een elektronische leermodule die zowel voor slachtoffers van dit geweld als voor zorgverleners steun en houvast biedt. Dat is geen mirakeloplossing, maar wel een schakel in een ruimere reeks van maatregelen die voor een stuk ook buiten de bevoegdheden van deze overheid vallen.

Daarnaast maakt de minister ook vanuit haar budget voor gelijke kansen en inburgering fondsen vrij om projecten op te starten op het kruispunt van etniciteit en seksuele identiteit. We weten – dat is een understatement – dat het niet bij alle groepen in deze samenleving even gemakkelijk is om deze diversiteit te aanvaarden.

Collega's, aan de vrijheid om onszelf te zijn, hebben we pas iets als we die vrijheid in veiligheid kunnen beleven. Deze regering kan op mijn steun en die van mijn partij rekenen om daarvoor te blijven zorgen. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Dochy heeft het woord.

Voorzitter, leden van de regering, collega's, 2018 was het jaar van de implementatie van de hervorming van de provincies. De bevoegdheden, met bijhorende budgetten, werden overgedragen en ondertussen zijn ook de bestuursorganen in hun nieuwe samenstellingen geïnstalleerd op het niveau van de provincie. Ook voor een aantal personeelsleden zijn er heel wat wijzigingen gebeurd.

Voor Vlaanderen is het natuurlijk heel belangrijk om nu te kunnen bewijzen dat waar er gaten gevallen zijn door het overnemen van bevoegdheden vanuit de provincie, Vlaanderen die bevoegdheden goed kan invullen, ten dienste van de burger en ten dienste van de verenigingen. Het is belangrijk dat Vlaanderen zichzelf voor een stuk gaat evalueren op dat vlak.

De provincies hebben hun nieuwe adem gevonden. Ze zetten zich volop in op gebiedsgerichte aanpak en profileren zich als streekmotor. Ik kan maar hopen dat er na deze omslag een tijd van bestuurlijke rust zal optreden. Het permanent herdefiniëren van opdrachten zou in elk geval de efficiëntie niet ten goede komen. Op bepaalde plaatsen worden tussen provincies en regionale overlegorganen van gemeenten afsprakennota's opgesteld en zal van daaruit ook overleg worden georganiseerd met sociale partners, werkgevers en werknemers. Men noemt dat ondertussen het ‘quadripartite overleg’, minister.

Een belangrijke uitdaging, minister, is de problematiek van de slimme steden en gemeenten. Het zal belangrijk zijn om aan deze ontwikkeling gestructureerde impulsen te geven, want we moeten voorkomen dat het smartgegeven zich beperkt tot een aantal elitaire ingrepen in de stadskernen. Het platteland heeft in dit kader ook een belangrijke vraag. Bijvoorbeeld op vlak van waterbeheer zijn er zeer belangrijke opportuniteiten. Misschien kan de provincie daar ook weer een belangrijke rol in gaan spelen.

Met de hervorming van de intercommunales zijn er belangrijke stappen gezet in het afslanken van de bestuursorganen en het aantal betaalde bestuursmandaten.

De stappen die zijn gezet, waren noodzakelijk in het licht van bepaalde misbruiken die gelukkig aan de oppervlakte zijn gekomen. Twee zaken blijven wel belangrijk. We moeten monitoren in welke mate men er met de huidige structuren in slaagt alle gemeentebesturen te betrekken bij de beslissingsprocedures.

De voorzitter

Mijnheer Kennes, minister Homans kan geen twee dingen tegelijk doen. Mijnheer Dochy, gaat u rustig verder. U krijgt een minuut bij omdat u werd gestoord.

In het kader van de hervorming van de intercommunales zijn er twee belangrijke elementen die we in het oog moeten houden. Ten eerste, de vraag om te monitoren in welke mate de lokale besturen allemaal betrokken zijn in de beslissingsprocedures, gelet op de afslanking van die bestuursorganen. Ten tweede, waar de publieke sector in concurrentie treedt met de privésector, moeten we een benchmark durven maken om te zorgen dat er in de publieke instellingen ook bijkomend en voldoende gekwalificeerde mensen kunnen worden aangetrokken voor de bestuursorganen. Gisteren hadden we het erover in de commissie, het betreft onder meer de publieke verzorgingsinstellingen versus de privéziekenhuizen. Minister, ik weet dat u dit ter harte zult nemen, waarvoor dank.

Tot slot, ik kan het spreekgestoelte toch niet verlaten zonder te verwijzen naar het Gemeentefonds. De jaarlijkse verhoging van 3,5 procent is een prestatie – dank aan u en de hele regering daarvoor –, maar aan de verdeling en de criteria zal toch nog moeten worden gewerkt.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Minister, zal het zo blijven dat een bepaald onderdeel van het Gemeentefonds niet wordt geïndexeerd? Collega Dochy wijst op de prestatie om het Gemeentefonds jaarlijks met 3,5 procent te verhogen. Proficiat, dat is heel fijn, maar dat geldt wel niet voor die delen van het Gemeentefonds die zijn overgedragen uit de decreten Lokaal Cultuurbeleid, Jeugdbeleid, Sportbeleid. Die worden 0 procent geïndexeerd.

Als we tien jaar verder zijn aan 2 procent inflatie, dan zijn de gemeenten 25 tot 30 procent van de hele waarde van de overgedragen budgetten kwijt. Ik ben absoluut voor de lokale autonomie en ik kan leven met de overdracht naar het Gemeentefonds, maar ik kan niet leven met de niet-indexering.

De voorzitter

De heer Meremans heeft het woord.

Mijnheer Dochy, mijn insteek over de provincies is enigszins anders dan de uwe. Ik zie de provincies graag… verdwijnen op termijn. (Gelach)

In dit akkoord hebben we inderdaad afgesproken dat de provincies afslanken. Zomaar eventjes 200 politieke mandaten verdwijnen daardoor. Dat is dus eigenlijk een afslanking, waar de burger niets van voelt, integendeel, we gaan voor beter bestuur. De provincies moesten ook terugtreden uit de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.

De provincies hebben duidelijke bevoegdheden gekregen, maar ik wil voor één ding waarschuwen: als je de provincies langs de voordeur naar buiten laat voor bepaalde bevoegdheden, is het niet de bedoeling dat ze langs de achterkant terug binnenkomen. Ik wil er toch wel voor waarschuwen dat de scheiding tussen die bevoegdheden duidelijk moet zijn.

Regiovorming en regioscreening dan. Voor mij zijn de provincies niet de streekmotor. Wat moet de streekmotor zijn? Gemeenten en steden, maar ook hun samenwerkingsverbanden. Ik roep dan ook iedereen hier op die lokaal actief is in de politiek, in de gemeenteraad en het schepencollege, om daar werk van te maken in die gemeentebesturen, met onze zetels in die intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, om daar te gaan clusteren en samen te werken en daar de streek tot ontplooiing te brengen.

Dat kun je doen met een aantal grote gemeenten, maar dat kun je ook zelf doen door een aantal zaken te clusteren, en dat vind ik enorm belangrijk. Daarvoor hebben wij de provincies niet nodig. De eerste aanspreekpunten daarvoor zijn de gemeenten en steden, die rechtstreeks gekozen zijn door de kiezer.

De voorzitter

De heer Dochy heeft het woord.

Mijnheer Meremans, ik heb er niet voor gepleit om bevoegdheden terug naar de provincie over te dragen, als u goed geluisterd hebt. Waterbeheer zit bij de provincie en als we over digitalisering spreken, dan is dat een aspect dat heel belangrijk is en dat tot hulp kan zijn om oplossingen te vinden en aan monitoring te doen.

Op het niveau van de regio zijn er inderdaad overlegorganen opgericht. Het is spijtig dat collega Maertens hier niet is, maar in de regio West-Vlaanderen hebben wij bijzonder goede ervaringen met samenwerking tussen gemeenten, maar we hebben ook zeer goede ervaringen wanneer de provincie mee aan tafel schuift om dat overleg te gaan versterken. Zij kunnen met hun input, deskundigheid en met hun andere aanpak en insteek ook een meerwaarde betekenen. Dat werkt bijzonder goed; ik weet niet wat daar het probleem mee zou kunnen zijn. U zegt dat we de provincie niet nodig hebben. Welnu, er zijn veel zaken die we niet nodig hebben, maar als ze een meerwaarde betekenen, zijn ze voor ons in elk geval welkom, en in dat geval is dat zo.

De voorzitter

De heer Meremans heeft het woord.

Het is natuurlijk een andere insteek. Van praten gaat niemand dood, daar ga ik volledig met u akkoord, maar het is wel een verschil, als men probeert om vanuit een ander niveau weer een voetje voor te krijgen en toch mee te gaan bepalen. Die neiging bestaat toch, als men moeite heeft met afscheid te nemen van een aantal bevoegdheden. Dat is een verschillende insteek.

Ik geloof wel wat u zegt over het overleg en dergelijke, maar wat die streekontwikkeling betreft, waar de provincie zich tijdens de laatste verkiezingen toch op de voorgrond heeft geplaatst via promotiefilmpjes en dergelijke, vind ik dat dat nu aan steden en gemeenten moet toekomen en dat zij nu werk moeten maken van hun samenwerkingsverbanden, zodat ze die kunnen clusteren en performanter kunnen maken.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Ik wil een vraag stellen aan de heer Meremans. Mijnheer Meremans, ik ken uw visie ter zake grosso modo. U wilt de provincies afschaffen en de bevoegdheden overdragen naar andere bestuursniveaus. Dan hebt u honderd en zoveel politieke mandaten geschrapt.

Tweehonderd.

Bart Caron (Groen)

Voilà, tweehonderd. Hoeveel politieke mandaten zitten er volgens u in de intercommunale structuren in Vlaanderen? Tweeduizend? Of twintigduizend?

Eerst en vooral wil ik zeggen…

Bart Caron (Groen)

Wacht! Laat mij uitspreken. Ik zeg dat er heel veel in de intercommunales zijn, intercommunales, die een verlengd lokaal bestuur zouden kunnen zijn of die het zijn, naargelang de interpretatie. We moeten dat veld toch ook eens serieus opkuisen.

Maar dat is gebeurd, mijnheer Caron.

Bart Caron (Groen)

Wat is er gebeurd?

We hebben de raden van bestuur kleiner gemaakt.

U bent weer bezig met alles verdacht te maken.

Bart Caron (Groen)

Maar ik maak niets verdacht. Ik stel vast.

Ik voel dat toch een beetje.

Hoeveel mandaten komen erbij in het voorstel van mevrouw Pira, waarin u zegt dat u van stadsgewesten regio’s gaat maken? Hebt u die berekening gemaakt?

Bart Caron (Groen)

Ik denk dat er dan ongeveer 90 procent wegvalt. Van de huidige mandaten valt er dan 90 procent weg.

Dan heb ik het toch iets anders gelezen.

De voorzitter

Ik ben even afwezig met de minister-president en jullie zijn zo tegen elkaar bezig. Ik heb er niets van verstaan, dus eigenlijk zouden jullie de discussie opnieuw mogen voeren.

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Ik wil collega Meremans een vraag stellen. Als het provinciaal bestuur verdwijnt – zo zijn we begonnen – en we willen sterkere streken – want dat zegt u ook –, ziet u dat dan als samenwerkingsverbanden van gemeenten, met minder structuren dan vandaag of evenveel, of ziet u dat als een rechtstreeks te verkiezen democratisch orgaan? Hoe ziet u dat streekniveau? Of ziet u dat misschien als grote fusies van gemeenten?

Ik denk dat het een combinatie zal zijn. Eerst en vooral ben ik er een voorstander van dat we inderdaad naar grotere gemeenten gaan, maar zelfs grote gemeenten zullen nog samenwerkingsverbanden moeten aangaan met andere gemeenten, zoals nu ook het geval is. Dan moet je er gewoon voor zorgen dat de raden van bestuur van die samenwerkingsverbanden voldoende democratisch gehalte hebben, zodat ze zaken kunnen uitvoeren. Zo simpel is dat.

Je moet echter opletten met steeds weer meer niveaus bij te voegen. Het heeft geen zin dat je de provincies afschaft, om dan weer nieuwe bestuursniveaus te gaan invoeren. Het zal onderzocht moeten worden, maar ik denk echt wel dat dat beter is. In de provincie Oost-Vlaanderen bijvoorbeeld, weet ik dat de vorige gouverneur – met alle respect – geprobeerd heeft om daar een Oost-Vlaams gevoel te stimuleren, maar dat leeft niet. Wat wel leeft, zijn Meetjesland, de Vlaamse Ardennen en het Land van Waas. Het Land van Waas werkt heel goed samen. In het Land van Dendermonde zijn we daarmee bezig.

Dat is volgens mij de toekomst, dat elke regio weet wat zijn sterktes en zwaktes zijn. De Vlaamse Ardennen hebben andere noden dan bijvoorbeeld het Land van Waas of het Pajottenland, waar mijnheer Doomst vandaan komt. Dat zijn andere kenmerken. Dat geldt niet alleen voor de economie, maar het heeft ook te maken met de cultuur en sociale kenmerken. Dat zijn allemaal zaken die je kunt meenemen, en daarvoor heb je de provincie niet nodig.

De voorzitter

De heer Doomst heeft het woord.

Michel Doomst (CD&V)

De nieuwjaarsbrieven liggen overal klaar om voor te lezen. Ik denk dat ook de nieuwe raadsleden, burgemeesters en schepenen staan te popelen. De provincieraadsleden en de deputés hebben al gepopeld.

De integratie van de gemeente en het OCMW staat nu op het hoofdmenu. Ik wil er toch op wijzen dat dit geen hapklare brok zal zijn. Dat wordt een nieuw speelveld waar we moeten opvolgen waartoe dat leidt. Dat zou toch een slagkrachtiger bestuur en een straffere sociale kost moeten zijn. Ik denk dus dat die integratie een enorme uitdaging wordt. Hoe gaan we dat op Vlaams vlak monitoren? Is dat inderdaad een prioriteit? Zult u waakzaam over dat proces blijven dat nu lokaal zijn weg zal gaan, zodat we het goede verloop ook vanuit Vlaanderen blijven opvolgen?

Op 14 oktober hebben we ook de kiezer in de ogen gekeken. Het is het best dat je dat maar één keer per jaar doet. Van dat oktoberfeest van de democratie is er, denk ik, een evaluatie op komst. Klopt het dat we die de volgende weken zullen krijgen? Daar zitten uiteraard technische aspecten in, maar je voelt toch ook aan dat er bij de vorige verkiezingen nogal wat politiek manoeuvreerwerk is gebeurd, waardoor de kiezer zich soms wat bij de neus genomen voelt. Denken we eventueel aan formules om te kijken of we in de periode na de verkiezingen toch meer reflectie en opvolging aan de democratische stem van de kiezer kunnen geven?

Na 2019 staan we ook voor de beleids- en beheerscyclus 2020-2025. Dat oogt natuurlijk niet als een wandeling in het gemeentelijk park. We blijven het gevoel hebben dat de financiële zwaartekracht daar blijvend van boven naar onderen wordt geduwd. We hebben 3,5 procent groei van het Gemeentefonds. Ik voorspel toch dat de ballast van nogal wat kosten de budgettaire oefening zal bemoeilijken. Ik hoop dat we attent blijven voor het doorschuiven van de lasten. Ik denk dat een objectieve doorlichting hiervan niet slecht zou zijn.

Tot slot kijk ik ook stilaan vooruit naar de nabije toekomst. Daar blijft de grote vraag hoe we de bestuurskracht van de gemeenten blijven vergroten. Daarbij wordt vlot naar de fusies gekeken, en er zijn inderdaad een aantal goede resultaten, maar ik denk toch dat we het instrumentenareaal nog wat moeten verbreden. Ik blijf het spijtig vinden dat we die regioscreening die we allemaal hebben gedaan, een beetje in de kast hebben gelaten. Dat we ook andere vormen van ambtelijke samenwerking te weinig hebben uitgetest. Moeten we daarin dan toch ook niet creatief uit de hoek blijven komen?

Ik denk dat de belangrijke draad in het beleid van de voorbije jaren de nadruk op de autonomie van de steden en gemeenten was. Die draad hebben we toch samen gelegd, ook in de commissie bij het uitstippelen van het beleidswerk. Ik denk dat dat een heel goede richting is, en vandaar de vragen en bedenkingen die ik u wilde voorleggen om dat nog te versterken.

De voorzitter

Dames en heren, vanaf 18 uur wordt er een lichte maaltijd aangeboden in het zelfbedieningsrestaurant.

We werken het onderdeel Brussel en de Vlaamse Rand en het onderdeel Bestuurszaken nog af, daarna pauzeren we.

De heer Kennes heeft het woord.

Ward Kennes (CD&V)

Voorzitter, ik ben zonet de minister even komen storen. Ik zal namelijk twee betogen houden: een over bestuur en een over bestuurszaken. Vorig jaar heb ik mijn toespraak op het verkeerde moment gegeven. Dit jaar wil ik me niet aan dezelfde steen stoten. Nu gaat het dus over inburgering en integratie.

Voorzitter, collega’s, ministers, het debat over het VN-migratiepact heeft nog maar eens aangetoond dat migratie, inburgering en integratie de publieke opinie heel sterk beroeren. De nuance is vaak zoek en er wordt soms snel naar grote woorden gegrepen. Daarom is het des te belangrijker dat wij in Vlaanderen deze materie met zorg aanpakken.

Het zijn voor integratie en inburgering bewogen jaren geweest. Het nieuwe Agentschap Integratie en Inburgering was nog maar pas uit de startblokken geschoten toen het al geconfronteerd werd met een asielcrisis. De organisatie en de werking van het jonge agentschap hebben daaronder geleden en de afslanking van het personeelsbestand heeft intern onrust veroorzaakt. Ook de financiële situatie blijft vragen oproepen. De inkanteling van verschillende organisaties heeft verrassingen met zich meegebracht. Hiervoor zijn al een paar keer extra financiële middelen nodig geweest. Ook voor het komende jaar, lezen we in de begroting, is dat weer het geval.

Wat mij betreft, is er echter te veel aandacht gegaan naar de structuren en de herstructurering. Dat is jammer want daarover moet het eigenlijk niet gaan. Het moet gaan over de wijze waarop nieuwkomers snel kunnen integreren in de Vlaamse samenleving.

Daarvoor is een degelijk en gepast aanbod aan cursussen onontbeerlijk. De uitwerking van een aanbod op maat blijft belangrijk. Maatwerk is arbeidsintensief. Het kan soms ook tot een wat langere duurtijd leiden voor het hele proces, maar het is wel de werkwijze die de beste resultaten oplevert. Dat is in het belang van zowel de nieuwkomer als van de ontvangende Vlaamse samenleving.

Minister, u hecht terecht veel belang aan de vermindering van de herkomstkloof. Even terecht stelt u dat niet alle heil van de overheid moet komen. Er zijn ook andere partners, zoals de middenveldorganisaties, die hierin een rol te spelen hebben.

Ik wil nog het belang benadrukken van het Minderhedenforum, in het kader van participatie, met een knipoog naar de voorbije verkiezingen. Ik wil ook nogmaals een lans breken voor uw steun aan de lokale besturen voor alle initiatieven die zij nemen op het vlak van inburgering en integratie.

Het ging hier over drie bevoegdheden door elkaar. Ik zal beginnen met de opmerkingen en vragen over inburgering.

Collega Janssens, u weet dat ik uw mening niet deel. Dat zou nogal raar zijn, denk ik. U hebt dat debat ook al verschillende keren gevoerd in de commissie. U zegt dat het toch wel goed zou zijn dat een inburgeringstraject niet meer gratis is en ter beschikking wordt gesteld door de Vlaamse overheid, waarvoor dan een bijdrage gevraagd zou worden. Ik heb u in de commissie ook gezegd dat dat in Nederland tot voor kort zo was. Men is echter afgestapt van dat systeem waarbij ze zelf moesten betalen omdat men merkte dat de slaagkansen van de inburgeraars pijlsnel naar beneden gingen en tegelijkertijd ook de duurtijd van het traject enorm opliep. Ik vind dat dus absoluut geen goede suggestie. Wij leggen dat verplicht op. Ik ben namelijk ontzettend trots dat wij in Vlaanderen sinds 2004 een verplicht inburgeringstraject hebben, en dan kijk ik naar collega Keulen. Binnenkort komt dat er eindelijk ook in Brussel. Dat is een goede zaak, denk ik. Ik heb trouwens goed samengewerkt met collega Gatz om dat gedaan te krijgen, samen met onze Brusselse collega’s. Die verplichte inburgering is dus een zeer goede zaak.

U weet ook dat we dat een beetje hebben verstrengd. In plaats van het attest dat men kreeg op basis van de geleverde inspanningen, bijvoorbeeld de aanwezigheid in de cursus, kan men nu enkel een attest krijgen op basis van resultaten. Het zou redelijk onmenselijk zijn om mensen te beboeten op basis van hun intellectuele capaciteit. Dat gaan we dus niet doen. Maar men moet wel aantonen dat men een bepaalde inspanning heeft geleverd om tot een resultaat te komen. Als men telkens een slecht attest krijgt, kunnen er boetes worden uitgedeeld.

Nog een voordeel van het feit dat we het attest hebben gekoppeld aan een resultaat en niet aan een inspanning, is dat het attest op zich veel meer waard wordt. Een potentiële werkgever weet ook dat de betrokkene met een inburgeringsattest dat inburgeringstraject succesvol heeft afgerond en niet enkel aanwezig is geweest in de klassen en de cursussen. Dat is een zeer goede zaak.

Mijnheer Janssens, als u het hebt over lokale geloofsgemeenschappen, hebt u het enkel over moskeeën. Ik heb het over lokale geloofsgemeenschappen in de brede zin. We hebben daarover gisteren nog in de commissie Binnenlands Bestuur een vraag om uitleg van u behandeld. Ik ga het antwoord niet opnieuw herhalen. Ik wil wel nog zeggen dat ik altijd mijn verantwoordelijkheid heb genomen, ook wat de Fatihmoskee in Beringen betreft. De Raad van State heeft mij volmondig gelijk gegeven. Als ik nog moet optreden, zal ik niet aarzelen om dat onverwijld te doen.

Mijnheer Kennes, u had nog een opmerking over inburgering. Bij de aanvang van de legislatuur vond ik het gerechtvaardigd om aandacht te hebben voor de organisatie van het agentschap zelf. Het heeft iets langer geduurd dan normaal. Het was een nieuwe organisatie, waarin allerlei andere bestaande organisaties waren ingekanteld. Men was nog bezig met het op touw zetten van de nieuwe organisatie toen men begin 2015 werd geconfronteerd met die migratiecrisis. Men heeft toen moeten kiezen wat de prioriteit was. Ik denk dat men de juiste prioriteit heeft gekozen: de herstructurering – met de uitwerking en het organigram en dergelijke – werd even opzijgezet, en alle mankracht werd ingezet om alle mensen die het recht hadden en verplicht waren om een inburgeringstraject te volgen, dat inburgeringstraject tijdig aan te bieden. U weet dat gedurende de hele legislatuur de gewone dotatie werd verhoogd van 35 naar 45 miljoen euro. Tegelijkertijd werden elk jaar opnieuw tijdelijke asielmiddelen aan het agentschap gegeven, zodanig dat we geen wachtlijsten hebben. Die discussie werd hier ook al tot in den treuren gevoerd. In de mate van het mogelijke hebben we iedereen een aanbod op maat verleend. Die inspanningen moeten natuurlijk van beide kanten komen.

Mijnheer Kennes, ik weet niet of dat de ondertoon van uw betoog was, maar ik denk dat er enerzijds aandacht is gegaan naar de organisatie, maar dat we de juiste prioriteit hebben gekozen. Nu worden we geconfronteerd met een nieuwe asiel- en migratiecrisis. Er is in middelen voorzien. Ik heb ook een brief geschreven aan de raad van bestuur van het agentschap omdat we opnieuw tijdelijk middelen hebben gekregen van de regering, van mijn goede collega van Begroting. Ik zal hem nu nog maar een paar keer ‘bestoefen’ want ik zal het in de toekomst niet meer kunnen doen. (Opmerkingen van Wilfried Vandaele en minister Bart Tommelein)

Is het wat overdreven? Het is wel oprecht. Ik wil er nog aan toevoegen dat mijn andere twee collega’s, die hier ook aanwezig zijn, mijn pleidooi voor die extra middelen ook hevig hebben ondersteund. Waarvoor dank.

Mijnheer De Bruyn, in de commissie hebben we over het thema gelijke kansen weinig discussies. We zitten dikwijls op dezelfde golflengte. Ik ben blij dat u erkent dat er veel is gerealiseerd. Natuurlijk is het werk niet af. We mogen stellen dat we met deze regering fier mogen zijn op het feit dat een aantal subsidies structureel werden verankerd, subsidies waar de sector al jaren en legislaturen om vroeg. Dat is een zeer goede zaak.

Dan kom ik tot Binnenlands Bestuur. Mijnheer Dochy, uw visie en mijn visie omtrent de provincies…

De voorzitter

Mijnheer Dochy, de minister antwoordt op uw vraag. Ik dacht dat u in slaap gevallen was.

Dat gebeurt weleens.

De voorzitter

Ja, u zat zó. Het kan, hé. Niets menselijks is ons vreemd. Maar u sliep dus niet.

Mijnheer Dochy, ik weet dat onze visies omtrent de provincies redelijk ver uit elkaar liggen. U zegt dat u pleit voor een tijd van bestuurlijke rust. Het is dan aan een volgende regering – welke partijen daarvan ook deel mogen uitmaken – om in een volgend regeerakkoord uit te maken wat ze met de provincies zullen doen. U kent het standpunt van mijn partij. Ik zit hier nu als minister, dus ik zal dat niet herhalen. Maar het partijstandpunt is in ieder geval duidelijk.

Wij hebben nu loyaal het regeerakkoord uitgevoerd. Ik dank de collega's die er nauw bij betrokken waren. Dat was zeker collega Gatz met betrekking tot alles wat met Cultuur te maken had, maar ook collega Muyters wat Sport betreft, en ook andere collega's, zoals minister Weyts. U, minister Tommelein, had er in dezen eigenlijk weinig mee te maken. Die collega's hebben ervoor gezorgd dat er een goede overdracht is geweest van die provinciale bevoegdheden, ofwel naar het Vlaamse niveau ofwel naar het lokale niveau. Het was een zeer moeilijke, ingewikkelde oefening, waarin heel veel kabinetten en administraties zeer goed werk hebben geleverd.

Wat de hervorming van de intercommunales betreft, ben ik het met u eens dat we moeten blijven monitoren of alle lokale besturen wel vertegenwoordigd zijn. U weet – en dat kwam gisteren ook aan bod in de commissie – dat we de duidelijke keuze hebben gemaakt om die af te slanken. Indien er meer dan vijftien gemeenten participeren aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband (IGS), bestaat de mogelijkheid dat één deelnemer twee of drie gemeenten kan vertegenwoordigen. Er zijn ook nog andere organen waarin alle participerende gemeenten kunnen deelnemen. Maar ik ben het met u eens dat we dat moeten monitoren. En dat er eventueel voor de specifieke sector die werd aangehaald een benchmarking moet komen, wil ik meenemen. Ik sluit dat zeker niet uit. Ik zeg niet bij voorbaat dat die vraag onterecht is.

Ook het debat over het Gemeentefonds komt elke keer opnieuw terug. De groeivoet van 3,5 procent is ongeveer – ik rond af, collega's – 87 miljoen euro per jaar. Dat wil zeggen dat het Gemeentefonds in 2019 ruim 2,7 miljard euro zal bedragen. Indien men hier nu pleit voor een herijking – want daarop komt het eigenlijk neer – van het Gemeentefonds, kan men twee zaken doen. Ofwel steekt men meer geld van de Vlaamse algemene middelen in dat Gemeentefonds. Ofwel zegt men tegen bepaalde gemeenten: ‘We pakken geld af van u, want andere bepaalde gemeenten of steden willen meer geld.’ Ik vind dat niet zo’n verstandig debat. Want dan zal ik hier ruzie hebben met elk van de 124 aanwezige parlementsleden, die ergens in een lokaal bestuur actief zijn. Dat is geen goed debat.

Wat ik wél wil doen en ook gezegd heb in de commissie – maar dat maakt dan weer deel uit van de regeringsonderhandelingen – is een debat over een eventuele herijking van het Gemeentefonds koppelen aan de schaalgrootte en meteen ook aan de bestuurskracht. Dat lijkt mij een verstandig debat om te voeren. Maar, nogmaals, het stond niet in het regeerakkoord en dus zullen we – wie dan ook – dat bij de volgende onderhandelingen moeten doen.

Mijnheer Caron, u had het over de sectorale subsidies die werden ingekanteld in het Gemeentefonds. U zegt dat die niet geïndexeerd zijn. Dat klopt. Maar laten we wel wezen: ze zijn ook onvoorwaardelijk ingekanteld in het Gemeentefonds. In plaats van alle planlast waarmee lokale besturen in het verleden te maken hadden…Ik geef het voorbeeld van Sport. Ik kijk nu naar de heer Keulen en denk aan Lanaken. Ik kan mij voorstellen dat, indien u subsidies wilde aanvragen in het kader van Sport, u dan aan Sport Vlaanderen, Bloso of hoe het indertijd heette, drie à vier dozen moest bezorgen om toch maar die subsidies te krijgen. Heel die planlast is nu weggevallen. De subsidies zijn onvoorwaardelijk. Ik denk dat het wegvallen van de planlast en het onvoorwaardelijke karakter die niet-indexatie ruimschoots compenseren.

Mijnheer Caron, wat de politieke mandaten betreft, wil ik u zeggen dat ik in deze legislatuur 2500 politieke mandaten heb afgeschaft, waarvan 900 in de intercommunales. Dat lijkt mij een zeer goede zaak. We kunnen volgende legislatuur bekijken of we daarin verder kunnen gaan. U weet dat ik ook de helft van de provincieraadsleden heb afgeschaft, min 175. Verder zijn er door de integratie van OCMW en gemeente tal van politieke mandaten afgeschaft.

Collega Caron, ik weet niet of ik u goed begrepen heb, maar dat is een feit: min 2500 politieke mandaten. Het is ook een feit dat u toen niet op het groene knopje hebt geduwd, en dat vind ik nog altijd een jammere zaak.

Collega Doomst, zoals ik al verschillende keren beloofd heb in de plenaire maar ook in de commissie, zal ik zeker ook de evaluatie van de verkiezingen, het rapport dat wordt opgeleverd, aan de commissievoorzitter bezorgen vanaf het moment dat wij dat krijgen. En dan denk ik dat een goed debat in de commissie Binnenlands Bestuur ook aangewezen is. Want nogmaals: ik sta niet in voor de regeling van de werkzaamheden.

De voorzitter

Brussel en de Vlaamse Rand

Dames en heren, we bespreken nu het onderdeel Brussel en de Vlaamse Rand.

De heer Vanlouwe heeft het woord.

Minister, collega’s, Vlaanderen is voor verschillende belangrijke beleidsdomeinen mede verantwoordelijk en ook actief in onze stad, in de hoofdstad van Vlaanderen. Denk aan het onderwijs; dat is een echt kwaliteitslabel. U hebt het daarnet nog de kroonjuwelen genoemd van de Vlaamse bevoegdheden in onze stad. Maar ik denk ook aan integratie en inburgering van nieuwkomers, waar de Vlaamse Regering, en meer specifiek uzelf – minister Homans heeft er daarnet nog naar verwezen – heel sterk op inzet.

Maar ik denk ook aan het vele werk op het lokale niveau in de Vlaamse gemeenschapscentra, de vele Vlaamse verenigingen, en uiteraard ook de Vlaamse culturele instellingen in onze stad. Op tal van thema’s bewijst Vlaanderen zijn meerwaarde in onze stad, in onze hoofdstad.

Maar jammer genoeg merken we – zoals daarnet bij de actuele vragen besproken werd – dat de kennis van het Nederlands in Brussel daalt, ondanks de vele inspanningen die er zijn, zoals taalpromotie. U hebt het zelf een dieptepunt genoemd inzake de taalkennis. Maar ook de manier waarop anderstaligen in Brussel kijken naar het Nederlands en naar de Vlaamse Gemeenschap belooft niet veel goeds, ondanks het vele werk dat hier door de Vlaamse overheid gedaan wordt.

Minister, mag ik u dan ook herinneren aan uw functie van bruggenbouwer, die u zichzelf in uw beleidsnota en in de vele beleidsbrieven, hebt toegedicht. U bent de verbindende facilitator tussen Vlaanderen en de diverse Brusselse overheden: de gemeenten, het gewest, de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC), de Commission communautaire commune (COCOM), en dergelijke meer.

Maar wat mij betreft bent u ook de belangenbehartiger van Vlaanderen bij dat bestuurlijk warhoofd, zoals het nog altijd bestaat. Ik denk spontaan aan de twee belangenconflicten die vandaag hangende zijn. Het vechtfederalisme vanuit de Brusselse instellingen tiert welig. Vanuit een Brussels bestuurlijk waterhoofd blijft men aansturen op institutionele chaos, in plaats van voor eigen deur te vegen.

Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement wil een regeling opleggen die rechtstreeks impact heeft op ons parlement, en enkele dagen geleden diende de Franse Gemeenschapscommissie in Brussel nog een belangenconflict in tegen het Inschrijvingsdecreet. Aan Franstalige zijde wil men dus inbreken in onze autonomie, om het Nederlandstalig onderwijs in Brussel in te richten op de manier die wij het beste achten. In onder andere deze twee dossiers hoop ik dat u, als belangenbehartiger van Vlaanderen en Brussel, duidelijk maakt waar het op staat, bijvoorbeeld – ik kom daarop terug – tijdens de colleges van de GGC.

Minister, deze kerst- en eindejaarsperiode is een tijd van goede voornemens en wensen. Ik wens u dan ook een goed Brusselbeleid, een goed Brusseldecreet, die de relaties, de verhoudingen tussen Vlaanderen en de VGC regelt, met een goed evenwicht tussen het lokaal bestuur van de VGC en ook de autonomie. Want Brussel is ook onze stad, en wij Vlamingen zijn geen tweederangsburgers in deze stad. (Applaus bij de N-VA).

De voorzitter

De heer Poschet heeft het woord.

Joris Poschet (CD&V)

Voorzitter, minister, collega's, het Vlaamse Brusselbeleid heeft voor CD&V één grote doelstelling en dat is het versterken van de Nederlandstalige middenklasse in Brussel om een solidaire en ambitieuze hoofdstad te hebben. Om die Nederlandstalige middenklasse in Brussel te behouden of er zelfs terug naartoe te trekken, hebben we een voldoende en kwalitatief aanbod aan Nederlandstalige zorg-, onderwijs-, cultuur-, jeugd- en sportvoorzieningen nodig. Vanuit de Vlaamse Gemeenschap moeten we daarin voluit investeren. Brussel moet een stad zijn waarin je jong kunt zijn en oud wilt worden. Ik schuif enkele punten naar voren met betrekking tot hoe we dit willen realiseren.

Wij willen met CD&V en vanuit de Vlaamse Gemeenschap een fijnmazig web aanleggen van Nederlandstalige dienstverlening in onze hoofdstad. Met ons gemeenschapsbeleid vangen we iedereen op die dit wil: Nederlandstalige Brusselaars, Vlamingen die hier komen werken en iedereen, hoe sterk of zwak ook, die aansluiting bij ons zoekt. Wij zijn een open gemeenschap. Niet je afkomst maar je toekomst telt. Bijzondere aandacht moet hierbij gaan naar een zo volledig mogelijke uitrol van de Vlaamse sociale bescherming in Brussel. Het is van essentieel belang dat de rechten van de Brusselaars op kwalitatieve zorg in het Nederlands gelijk blijven lopen met die van pakweg de Hallenaar of Merchtemnaar.

We zijn ook blij dat er voor het eerst in de beleidsbrief aandacht wordt geschonken aan armoedebestrijding. We hopen dat er met de OCMW's zal worden samengewerkt.

– Peter Van Rompuy, ondervoorzitter, treedt als voorzitter op.

Joris Poschet (CD&V)

Vlaanderen moet blijven investeren in Brussel. We investeren grosso modo 900 miljoen euro in de Brusselaars. We hanteren daarbij de Brusselnorm, waarbij we 30 procent van de Brusselaars als doelpubliek van ons beleid zien. Er worden recordbedragen geïnvesteerd in het Nederlandstalig onderwijs en ook bijvoorbeeld in een domein als cultuur. Daarmee behalen we over alle beleidsdomeinen heen de gemiddeld 5 procent van de uitgaven binnen de gemeenschapsbevoegdheden. De vraag is natuurlijk of je de uitgaven, gelieerd aan de grootstedelijke functie van Brussel, zomaar kunt catalogeren als uitgaven die rechtstreeks en alleen naar die 30 procent Brusselaars als doelpubliek gaan. Doen er geen Brabanders beroep op het onderwijsaanbod van de VUB of Odisee? Komen er geen Antwerpenaren of Oost-Vlamingen naar een concert in de AB? We kunnen, met andere woorden, die investeringen in Brussel niet beschouwen als louter investeringen in de 30 procent Brusselaars.

Brussel heeft als stad ook een aantal specifieke uitdagingen. Ze trekt bijvoorbeeld meer nieuwkomers aan en er zijn dus ook meer inburgeringstrajecten nodig. We kunnen dus niet zomaar een vergelijking maken met gemeenten die pakweg maar 10 procent inwoners met een migratieachtergrond hebben. Dit betekent dat we als Vlaamse overheid de investering in de Vlaamse Gemeenschapscommissie, onze cruciale partner, niet zomaar kunnen vergelijken met het algemeen Vlaams gemiddelde, maar we moeten een vergelijking maken met de dertien Vlaamse centrumsteden of grote steden zoals Antwerpen en Gent.

We moeten ook stoppen met de masochistische neiging om bijvoorbeeld schoolachterstand of spijbelgedrag in Brussel-Hoofdstad ook met dat algemene Vlaamse gemiddelde te vergelijken. We moeten dat afzetten tegenover andere grote steden zoals Antwerpen of Gent. Dat is intellectueel veel eerlijker. Hiervoor is het belangrijk dat cijfersets van Brussel maximaal worden meegenomen door Statistiek Vlaanderen. Afgebeelde kaartjes waar in het midden een gat zit omdat er geen gegevens voor Brussel beschikbaar zijn, zijn onaanvaardbaar. Door creativiteit en overleg met andere overheidspartners kan hier veel worden opgelost. Minister, we zijn het als Vlaamse Brusselaars stilaan beu om telkens opnieuw vast te stellen dat Brussel wordt vergeten in campagnes of statistieken.

Naast die Brusselnorm hebben we ook het Brusselfonds. U bent begonnen met een gehalveerd fonds aan het begin van de legislatuur. Gelukkig is er nu structureel 400.000 euro bijgetankt. U hebt een inspanningsverbintenis gedaan om een derde te investeren in cultuur, een derde in het deeltijds kunstonderwijs en een derde in welzijn. Wij roepen u alsnog op om voldoende te investeren in welzijn. Voor ons is het Brusselfonds een soort van ‘one shot’ waarmee u gaten in het Nederlandstalig aanbod kunt dichtplamuren en investeringen kunt doen in die gebieden die de Brusselaars het meest nodig hebben. Daarbij moeten we vooral inzetten op de kinderdagverblijven.

We moeten met zo veel mogelijk partners samenwerken om een efficiënt Brusselbeleid te voeren. Nieuwe vormen van participatie kunnen daarbij interessant zijn, u hebt er een aantal uitgetest, maar ook het middenveld heeft zeker een grote rol te spelen. Het helpt inspraak te verruimen, buiten de kringen van de hoger opgeleide, blanke vergadertijgers. Het middenveld emancipeert mensen en brengt ze in contact brengt met cultuur, sport en ‘de ander’, contacten die er anders niet zouden zijn. Het helpt bijdragen tot meer begrip voor de gevoeligheden en verzuchtingen van verschillende groepen in onze samenleving.

Er zijn ook tientallen nieuwe Nederlandstalige gemeenteraadsleden, en 27 zijn schepen of OCMW-voorzitter geworden. Dat is een historisch aantal. Sinds jaar en dag is er een terugval van het aantal raadsleden, nu is er een stijging. We hopen dat u en uw opvolger daarmee zullen samenwerken.

Daarnaast is het belangrijk dat de Brusseltoets wordt toegepast, dat men met andere woorden bij het uittekenen van beleid altijd goed nadenkt over wat de concrete impact ervan is op het Brusselse niveau. De administratie heeft daarin een belangrijke rol te spelen.

Tot slot moeten Vlaanderen en Brussel elkaar versterken. Als slavist kan ik het niet nalaten om een parallel te trekken met Sint-Petersburg, dat in het tsaristische Rusland het oog was op Europa. Brussel is ons oog op de wereld. Laten we wat trotser zijn op onze hoofdstad. Kritiek geven mag, alles kan altijd beter, maar voortdurend Monsieur Acide spelen geeft misschien wel persoonlijke pleziertjes, maar helpt de Brusselaars niet vooruit. We moeten investeren in onze hoofdstad. Dat is goed. Als we hiervoor een draagvlak willen behouden, is er dringend nood aan meer hoofd en hart voor Brussel, aan inzicht in het economisch belang voor de hele Vlaamse Gemeenschap van een bruisend Brussel en aan liefde voor de hoofdstad. Die kan soms een weerbarstig lief zijn, maar dat zijn de pittigste. (Applaus bij CD&V)

De heer Bajart heeft het woord.

Lionel Bajart (Open Vld)

Voorzitter, collega’s, ook bij de laatste begrotingsbespreking van deze legislatuur hebben we van minister Gatz sterke engagementen, maar ook een sterke begroting gekregen. Op die manier kunnen we deze legislatuur ook afsluiten op een positieve manier, want ik druk me zacht uit als ik zeg dat onze hoofdstad een turbulente periode achter de rug heeft, door de gevolgen van de aanslagen in Parijs en de Brusselse lockdown eind 2015, en ook de traumatische ervaring van 22 maart 2016. Het Brusselbeleid van minister Gatz moest daar dan ook op inspelen, en dat heeft het gedaan, door onder meer de ondersteuning van projecten voor straatburgerschap, om jongeren meer perspectief te geven. Met een onderzoek naar het aanbod, maar ook naar de ruimte voor jongeren in Brussel kan dat in de toekomst nog worden versterkt. De complexe institutionele situatie van Brussel zou voor zwarte gaten kunnen zorgen. Met deze stap zorgen we er alvast voor dat dat geen blinde vlekken blijven. Zo kunnen we ook nog meer via samenwerking, via dialoog tegemoetkomen aan de noden van Brusselaars, of in dit geval van onze Brusselse jeugd.

– Jan Peumans, voorzitter, treedt als voorzitter op.

Lionel Bajart (Open Vld)

We gaan ook naar meer middelen. Na de moeilijke periode van besparingen, die heeft geduurd, sluiten we af met meer middelen voor Brussel dan vóór het begin van deze legislatuur. Collega’s, dat neemt niet weg dat de noden op bepaalde vlakken torenhoog blijven. Net daarom stelde minister Gatz zich als prioriteit slimme, gerichte extra investeringen te doen om, waar nodig en vooral waar mogelijk, het beleid te versterken. Met inspanningen voor onderwijs en welzijn hebben we de hefboomfunctie van het Brusselfonds ook optimaal gebruikt. Collega’s, we zijn ons eigenlijk allemaal bewust van de grote noden die blijven bestaan in Brussel, en dan met name op het vlak van welzijn. De historische achterstand die we daar kennen, blijft eigenlijk in grote mate overeind. Dat is dan ook een werk van lange adem. We gaan dat niet in een-twee-drie oplossen. We gaan dat niet zomaar wegwerken. Het blijft de hoofdverantwoordelijkheid van de functioneel bevoegde minister in de Vlaamse Gemeenschap én het functioneel bevoegd collegelid van de VGC.

Het is goed dat minister Gatz vanuit zijn coördinerende bevoegdheid voor Brusselse Aangelegenheden deze legislatuur ook het initiatief nam om op basis van het strategisch plan Woonzorg extra flankerende investeringen te doen.

Minister Gatz pikte met het Vlaams Brusselfonds deze legislatuur ook de investering in de sector van het deeltijds kunstonderwijs (dko) op. Deze sector dreigt soms tussen de beleidsdomeinen Onderwijs en Cultuur te vallen. In Brussel is in vergelijking met de rest van Vlaanderen het vrij gesubsidieerd aanbod relatief kleiner dan het officiële aanbod van het GO!. Ook op gemeentelijk vlak vinden de Nederlandstalige academies niet altijd evenveel bijval van de lokale inrichtende machten. Het is een uitstekende zaak dat minister Gatz een structurele oplossing vond voor de ondersteuning van het dko en zijn werking vanaf 2019, dat hij in 2018 800.000 euro veil had voor duurzaam uitrustingsmateriaal voor de Brusselse academies en dat hij ook dit jaar nog een opdracht uitschreef om de investeringsnoden van de Brusselse academies in kaart te brengen.

Met de investeringen die we al hebben gedaan en deze die nog op de planning staan, met de vooruitgang die er eindelijk werd geboekt in de dossiers van de verplichte inburgering en met de vooruitgang in het budget voor onze hoofdstad worden de Vlaamse engagementen voor Brussel nagekomen en versterkt. De uitdagingen blijven echter zeer groot en het werk is niet af.

De voorzitter

Mevrouw Segers heeft het woord.

Voorzitter, van onze hoofdstad gaan we naar de Rand. Elk jaar van de afgelopen legislatuur heb ik bij de bespreking van de begroting en de beleidsbrief op dezelfde nagel geklopt. Er is een systematische achterstand inzake investeringen in de Vlaamse Rand.

Minister, groot was mijn verbazing dat u tijdens de laatste Stand van de Rand ineens mijn mening leek te delen, dat er een structurele investeringachterstand is in de Rand. Het klopt dat 1 euro in pakweg Menen minder waard is dan in de Rand.

U lanceerde op die dag de idee van een speciaal Randfonds. Met zo'n fonds zou de minister bevoegd voor de Rand niet telkens extra geld moeten vragen bij zijn collega-ministers en zouden er meer middelen geoormerkt kunnen worden. De lancering van dit idee op het einde van de legislatuur doet mij vermoeden, minister, dat u zelf diep ontgoocheld bent over de manier waarop u uw rol als coördinerend minister hebt kunnen spelen. En vooral, waarom hebt u het idee van dat Randfonds niet aan het begin van de legislatuur gelanceerd en waarom hebt u dat fonds niet meteen opgericht?

Zo'n fonds zou er alleen maar in kunnen slagen om de structurele onderinvesteringen in de Rand bij te benen als het ook voldoende middelen zou krijgen. We hebben die structurele, ruime aanpak nodig om de grote uitdagingen waar deze regio mee kampt inzake internationalisering, hyperdiversiteit en vooral mobiliteit aan te pakken en om een inhaalbeweging te doen op het vlak van welzijn, onderwijs, integratie en armoedebestrijding. Op al die vlakken hinken we achterop.

Nochtans hadden we veel meer kunnen doen voor de Rand. Alle fracties schenen de wil te tonen om de piste te onderzoeken om Halle-Vilvoorde als centrumregio te erkennen. Zo zouden de nodige middelen vrijgemaakt kunnen worden om de grootstedelijke problematiek waarmee ze kampt aan te pakken. Waarom hebt u daar niet het voortouw in genomen?

Een dergelijke structurele ingreep zou alvast een knappere nalatenschap zijn geweest, veel waardevoller dan enkele prestigeprojecten zoals dat van Ruisbroek, nog een cultuur- en congrescentrum dat het al rijke culturele leven in de regio zal beconcurreren.

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Voorzitter, we gaan terug naar Brussel.

Minister, u hebt een nieuw boek uitgegeven. U bent bijna ‘De Slimste Mens’. En u hebt – dat is misschien nog het strafste – onlangs met een moslim gedanst en daarvan een filmpje op het internet gegooid. ‘Il faut le faire.’

Maar toch is dat niet het strafste wat u doet. Het is zelfs niet het strafste wat van u verwacht wordt. Het strafste wat u doet – het benadert voor mij het magische – is wat u zult doen met het Brusselfonds. Met het Brusselfonds gaat u impulsen geven aan projecten in Brussel, wat goed is. U hebt daar de studio Marc Sleen mee gerenoveerd, Chirolokalen verbouwd en Muntpunt gefinancierd, maar daarnaast moet u met dat Brusselfonds ook de historische achterstanden in welzijn wegwerken.

Dat vind ik heel straf want minister Vandeurzen slaagt daar met een budget van 11 miljard euro niet in terwijl u moet gaan depanneren met een fonds van nog geen 10 miljoen euro. Bovendien zult u ook nog moeten inzetten op onderwijs en op cultuur, jeugd en sport. Ik wil in mirakels geloven maar dat zal niet lukken met dat Brusselfonds. Ik vraag u dan ook om het Brusselfonds te gebruiken waarvoor het bedoeld is en aan de oren te trekken van minister Vandeurzen zodat er meer wordt geïnvesteerd in welzijn. Zit achter de veren van minister Crevits zodat er meer scholen komen in Brussel en zorg op die manier dat Brussel een stad kan zijn waar men jong kan zijn en oud wil worden.

De voorzitter

De heer Segers heeft het woord.

Willy Segers (N-VA)

Minister, in tegenstelling tot mijn naamgenote wil ik u proficiat wensen. U bent er tijdens deze bestuursperiode in geslaagd meer ministers met hun bevoegdheden en middelen op de Vlaamse Randproblematiek te laten focussen en dat is ook logisch: die transversale aanpak is de enige manier om zoveel mogelijk uitdagingen aan te pakken. Dat we er nog niet zijn, weet iedereen, maar de klemtoon is gelegd.

Een aantal collega’s sluiten straks aan bij bepaalde thema’s, ik haal er enkele uit die ikzelf mee heb opgevolgd, waaronder het subsidiebeleid voor taal-, onthaal- en integratieprojecten, dat met een vernieuwde aanpak wordt voortgezet. Er wordt ook uitgekeken naar nieuwe doelgroepen van initiatiefnemers.

In de nieuwe leidraad voor Vlaamse mandatarissen die vanaf 1 januari 2019 starten, zal men voortaan ook op geactualiseerde webstekken veel informatie kunnen vinden die permanent kan worden aangevuld.

We zullen met veel interesse de resultaten van de tweede Taalbarometer in de Rand volgen. Die resultaten worden verwacht in 2019. Het spreekt voor zich dat dit voor deze regio belangrijke gevolgen zal hebben.

Inzake taalwetgeving en binnenlands bestuur volgt u samen met de minister van Binnenlands Bestuur de correcte toepassing van de taalwetgeving in de bestuurshandelingen van de randgemeenten en het taalgebruik in de zittingen van de gemeenteraden. Ook hier zullen we de lopende beroepsprocedure bij de Raad van State inzake taalregistratie zeker opvolgen.

Ook het onderwijs was in beweging. In september werden nieuwe capaciteitsmiddelen overgeheveld naar de Vlaamse Rand, waar ook heel wat noden zijn.

Inzake toegankelijk groen wil ik benadrukken – en dat stond vandaag ook in de pers – dat wordt voorzien in nieuwe middelen voor extra groen in de Vlaamse Rand. Wat mij betreft, liggen de bezorgdheden van deze minister en van de Vlaamse Regering inzake de Vlaamse Rand niet enkel bij het Vlaamse maar ook bij het groene karakter. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Doomst heeft het woord.

Michel Doomst (CD&V)

We hebben vijf jaar geprobeerd om het beste te doen voor de Vlaamse Rand. Ik vond vooral de colloquia met de stand van zaken positieve momenten met een goed voelend klimaat. Ik weet dat u een Anderlecht-supporter bent, u weet dus dat een slecht veld een probleem is. Tot Brussel-Halle-Vilvoorde niet gesplitst was, lag dat veld er inderdaad slecht bij. Maar nu ligt het er beter bij en kan er gescoord worden.

Er wordt minder fervent en obstinaat op Franstalige partijen gestemd, het aantal incidenten bleef beperkt en er is een goed klimaat om aan Vlaamse ledenwerving te doen. Ik hoop dat we in 2019 nog efficiënter gebruik kunnen maken van de ondersteuning van die kleine projecten. Ik blijf daarin geloven. Hebt u zicht op de initiatieven voor 2019?

Ook in de gordel is er meer nettowinst voor de vernederlandsing mogelijk. We moeten daar bij de activiteiten nog meer de nadruk op leggen.

Ik ben heel blij met Vlabinvest en het Vlabzorg-broertje. We varen daar goed mee: ondersteuning van onderwijs en versterking van Dilbeek, Halle en Vilvoorde. Maar de achterstand blijft groot. Denkt u niet dat we die inhaaloperatie moeten blijven opvoeren en dat het nodig zal zijn om jaarlijks goede vergelijkende tabellen te hebben waarin we die achterstand kunnen blijven becijferen en bijhouden? Ik denk dat het mogelijk moet zijn om in samenwerking met de nieuwe provincie, waar u nog wat meer gele hesjes hebt dan voordien, die monitoring nog beter te doen.

Ik wil ook nog even het Toekomstforum aanbevelen.

Minister, ik begrijp dat u op de 19 Brusselse buren wilt focussen, maar het is toch belangrijk dat we met 35 aan die Rand-kar kunnen blijven trekken. Ik vraag u dan ook om nog een duwtje te geven aan die erkenning van het arrondissement Halle-Vilvoorde als centrumregio. Ik denk dat dit ons vooruit kan helpen.

Straks komt er een nieuwe regeerperiode. Ik vind het belangrijk dat het verhaal van de Rand een positief verhaal blijft, met constructieve acties en niet met een defensieve strategie. Het zou goed zijn de komende maanden tot een globale evaluatie van kansen en gevaren voor die nieuwe regeerperiode te komen.

Het verhaal van de Vlaamse Rand mag geen randverhaal zijn. Het moet een centrumgegeven zijn. Ik hoop we op die steeds vruchtbare bodem in de Rand straks nog meer Vlaamse voet aan de grond zullen krijgen. (Applaus bij CD&V en de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Maes heeft het woord.

Lieve Maes (N-VA)

Voorzitter, ik zou in dit blokje over de Vlaamse Rand ook graag nog een tweetal punten belichten.

Het eerste punt is de Stand van de Rand, die recent voor de derde keer heeft plaatsgevonden, ditmaal in Living Tomorrow in Vilvoorde. Ik heb de drie colloquia bijgewoond en ik kan enkel verheugd zijn met de toegenomen organisatorische en inhoudelijke professionaliteit.

Het was dit jaar weer een zeer boeiende voormiddag. De toekomstige uitdagingen voor de Vlaamse Rand werden er uit de doeken gedaan, dit jaar op het vlak van welzijn, onderwijs en mobiliteit. Het was alleen jammer dat er slechts een honderdtal aanwezigen waren. Volgens mij was dit een gemiste kans. Ik pleit er dus zeker voor dit colloquium in de volgende bestuursperiode te laten voortbestaan en dat hopelijk met meer respons. Onze regio kan er enkel wel bij varen.

Het tweede punt dat ik nog wil toelichten, betreft het dossier van de notariële akten, dat binnenkort naar het Vlaams Parlement zal komen. De Vlaamse Regering heeft het voorontwerp van decreet dat de talen in notariële akten regelt op 30 november 2018 al behandeld.

Onze fractie is tevreden met dit initiatief. Het is in onze ogen immers de logica zelve dat alle officiële documenten in Vlaanderen in het Nederlands worden opgesteld. Hier wordt klaar en duidelijk afgebakend dat mensen zich in Vlaanderen bevinden en dat het Nederlands daar de officiële voertaal is. Het is dus goed dat er een degelijke regeling komt waardoor notariële akten in het Nederlands moeten worden opgesteld of van een beëdigde vertaling moeten worden voorzien. We zullen dit met alle enthousiasme ondersteunen. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Persyn heeft het woord.

Peter Persyn (N-VA)

Voorzitter, als immigrant uit Antwerpen in de Vlaamse Rand heb ik maar een minuut gekregen, maar ik wil me toch tot beide ministers richten, eerst tot de minister van de Vlaamse Rand en dan tot de minister van Brussel.

Minister, u hebt uw rol als facilitator gespeeld. Met beperkte budgetten bent u erin geslaagd Vlabzorginvest, dat in Vlabinvest is ingekanteld, in het leven te roepen. Dat stond in uw beleidsnota en vorig jaar is dat realiteit geworden. Er is een eerste ronde geweest en 26 projecten hebben daarop ingetekend en subsidies ontvangen. Ik wil u hiervoor een pluim geven. We moeten die chronische achterstand wegwerken. Dat zal nog wat voeten in de aarde hebben, maar de komende maanden zullen we nagaan hoe we het reglement nog kunnen verfijnen om vooral in het arrondissement Halle-Vilvoorde een tandje bij te steken.

Minister, ook u hebt in Brussel uw rol van bemiddelaar gespeeld. Een chronische bezorgdheid die wij blijven hebben, betreft het feit dat de chronische zorg tijdens de onzalige zesde staatshervorming naar de gewesten is gegaan. We zien dat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) haar huiswerk nog steeds niet heeft gemaakt. Mijn fractie heeft dan ook een conceptnota ingediend om ervoor te zorgen dat we, net als met betrekking tot onderwijs en inburgering, de Vlaamse sociale bescherming kunnen aanbieden.

Jullie krijgen van mij allebei een pluim. Jullie hebben jullie rol als bemiddelaar en facilitator waargemaakt. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Voorzitter, ik zal kort ingaan op een aantal zaken. Ik dank alle Vlaamse volksvertegenwoordigers voor de voor mij in elk geval complementaire invalshoeken die ze met betrekking tot Brussel naar voren hebben geschoven. De enen hadden het wat meer over de samenwerking met de Franstaligen, de gemeentebesturen en dergelijke. De anderen hadden het over de keuze van de juiste doelgroepen. Dat kunnen de middenklasse of de chronisch zieken, maar ook investeringen in jeugd zijn.

Ik kan de oproep zeker ook smaken, en ik zal die verder opnemen en zo goed mogelijk proberen te beantwoorden om mijn andere collega’s in de regering voldoende oog voor de hoofdstad te laten hebben. Doorgaans is dat geen probleem, moet ik u zeggen.

Ik wil enkel even het volgende aangeven, omdat door twee mensen in het bijzonder is aangebracht hoe het met de investering vanuit het Vlaams Brusselfonds zit. Het klopt inderdaad dat we met de middelen die weer opnieuw gestegen zijn – u weet dat ze in 2015 en 2016 bevroren waren, en voor 2017, 2018 en 2019 weer gestegen zijn met telkens 3 miljoen euro, en voor 2019 nog eens met 400.000 euro extra – we niet elke nood kunnen lenigen. Dat is ook de ambitie niet. Dus we proberen daar met gerichte investeringen toch ook het verschil te maken. Ik meen dat ik altijd helder geweest ben over welke investeringen dat zijn. Voor zover dat na de besprekingen in de commissie als voorbereiding op deze plenaire vergadering nog niet gebeurd zou zijn, kan ik u de exacte tabel nog eens bezorgen.

Ik heb wel degelijk geprobeerd dat evenwicht te bewaren tussen investeringen in Welzijn, in Cultuur en, als specialere invalshoek, in deeltijds kunstonderwijs. Dat is rekenkundig niet volledig gelukt. Maar ik wil u toch de cijfers meegeven, omdat daar enige betwisting en communicatie over geweest is. Rond Cultuur hebben we inderdaad de 3 miljoen euro extra kunnen uitgeven. Voor het dko komen we aan 2,8 miljoen euro, als we daar tenminste de toekomstige uitgaven voor de academie van Etterbeek bij tellen. Voor Welzijn ligt het inderdaad iets lager, maar zitten we toch nog altijd aan 2,2 miljoen euro in enerzijds een kinderdagverblijf – dat klopt – maar anderzijds toch ook een aantal projecten in woonzorg. Van mij had het zeker nog iets meer mogen zijn, maar we moeten daar soms ook gewoon rekening houden met de gereedheid van de investeringsdossiers. We hebben in elk geval die verdeling van telkens 3 miljoen euro zo goed mogelijk in het oog proberen te houden. Volledig is de rekenkundige verhouding niet gelukt. Maar ik denk dat de investeringen die we concreet hebben kunnen doen, toch allemaal een belangrijk verschil hebben kunnen maken voor de verschillende doelgroepen die de sprekers in hun verschillende tussenkomsten hebben aangehaald.

De voorzitter

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Een nieuw element dat ik getracht heb om aan te brengen in het debat, ook over de beleidsbrief, is namelijk de idee van een Vlaams Randfonds, waarvan ik hoop dat dat ook zijn vertaling zal vinden in de verkiezingsprogramma’s van de respectieve partijen. Enerzijds willen we de successen die we afgelopen regeerperiode geboekt hebben, consolideren, en anderzijds willen we ook vooruit denken.

We zijn er inderdaad met succes in geslaagd om extra middelen toe te kennen voor gemeenten zoals Vilvoorde, Dilbeek en Halle. We zijn erin geslaagd om extra onderwijsmiddelen, specifiek gelibelleerd voor de Vlaamse Rand, toe te wijzen. We zijn erin geslaagd om Vlabzorginvest een apart bestaan te geven. We zijn erin geslaagd om extra groen te laten toekennen, specifiek voor de Vlaamse Rand. Dus dat heeft gewerkt.

Maar ik zou dat graag willen consolideren in een andere vorm, in plaats van altijd te moeten gaan bedelen bij elke vakminister, om via een Vlaams Randfonds een pot van middelen aan te leggen die we kunnen gebruiken om op basis van advies via het Toekomstforum en op basis van Stand van de Rand de problemen te detecteren en ook effectief iets met die analyse te doen, namelijk ervoor te zorgen dat we middelen putten uit dat Vlaams Randfonds en kunnen toewijzen aan de vakministers. Want bepaalde problematieken manifesteren zich nu eenmaal scherper en anders in de Vlaamse Rand dan elders. Als het gaat over de verdeling van de onderwijsmiddelen, kun je niet anders dan de Vlaamse Rand anders behandelen dan alle andere regio’s, net omdat daar bijvoorbeeld een hogere migratiedruk is, en dat zijn effecten heeft op de onderwijskwaliteit, op het grote aandeel anderstaligen in het onderwijs, en vooral op de grote diversiteit, veel groter zelfs dan in heel veel steden. Ik hoop dat die idee van de oprichting van een Vlaams Randfonds zijn vertaling zal vinden in de respectieve partijprogramma’s, zodoende dat we over de partijgrenzen heen voor onze regio – of voor de regio van vele aanwezigen in dit halfrond – iets extra’s kunnen doen.

De voorzitter

De heer Vanlouwe heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw tussenkomsten. Zoals u in het begin altijd zei met betrekking tot het Vlaams Brusselfonds: ‘reculer pour mieux sauter’. Dat was de stelling die de Vlaamse Regering had aangehouden, namelijk eerst besparen om dan later bijkomende investeringen te doen. U hebt gezegd dat er evenwichten moeten zijn tussen verschillende beleidsdomeinen: Welzijn, waar een historische achterstand bestaat, Cultuur en Onderwijs, en heel specifiek het deeltijds kunstonderwijs (dko), waar ik het een bijzonder goede zaak vind dat er in 3 miljoen euro bijkomend is voorzien.

Zoals collega Poschet zei, is er een tekort bij bepaalde instellingen van het dko. Nu zitten we in de fase van het in kaart brengen van de noden. Binnenkort zal die studie waarschijnlijk worden opgeleverd. Dan hoop ik vooral dat we niet blijven zitten met een studie waar geen gevolg aan wordt gegeven omdat we opnieuw botsen op onwil of het feit dat lokale overheden niet willen samenwerken. Daarom opnieuw mijn oproep: u moet daadwerkelijk een overleg kunnen hebben met de lokale overheden zodat zij, wanneer er bepaalde tekorten en noden zijn, echt wel overgaan tot de uitvoering van bepaalde trajecten en men niet aan wafelijzerpolitiek doet, waarbij men bijvoorbeeld op het gemeentelijk vlak geen toestemming geeft voor bepaalde verbouwingswerken zolang er aan de Franstalige kant geen nood is aan verbouwings- of renovatiewerken. Ik doe opnieuw een oproep, minister: probeer vanuit uw functie als Vlaams minister voor Brussel en ook als lid van het VGC-college en het GGC-college, de nodige druk uit te oefenen zodat die projecten waar u bevoegd voor bent en waarvoor u effectief ook maatregelen en initiatieven kunt nemen en investeringen kunt doen, gerealiseerd kunnen worden.

De voorzitter

Bestuurszaken

Dames en heren, we behandelen nu het onderdeel Bestuurszaken.

De heer Kennes heeft het woord

Ward Kennes (CD&V)

Het is altijd nuttig om de mensen die voor het verslag instaan, meteen spontaan een kopie van de tekst te bezorgen, voorzitter.

Voorzitter, minister, collega's, het regeerakkoord voorziet in de uitwerking van een eenvormig statuut voor alle personeelsleden van de Vlaamse overheid. Wie op dezelfde werkvloer dezelfde taken en opdrachten verricht bij dezelfde werkgever, heeft recht op dezelfde waardering. We zijn tevreden dat de Vlaamse Regering de arbeidsvoorwaarden van statutairen en contractuelen gelijk wil trekken. Een belangrijke stap daarin was zeker de oprichting van het Vlaams Pensioenfonds om de pensioenkloof dicht te rijden. Er lopen nog onderhandelingen over een aantal aanpassingen aan het Vlaams personeelsstatuut. Dat loopt niet altijd heel vlot. Ik wens de minister in elk geval moed, inzicht en volharding om dit tot een goed einde te brengen en de sociale vrede te bewaren.

We willen een sterke overheid. Niet sterk in de zin dat ze groot en omvangrijk moet zijn, maar wel sterk op het vlak van kennis, dienstverlening, klantgerichtheid en bereikbaarheid. Dit vergt sterke, geëngageerde en gemotiveerde medewerkers. In tijden van krapte op de arbeidsmarkt, moet de Vlaamse overheid zich profileren als een sterk werkgeversmerk.

Een performante organisatie waar het goed werken is, is ook een organisatie die met weinig verzuim te maken heeft. Om dat aan te pakken, loopt nu een pilootproject. De specifieke aandacht daarin voor de leidinggevenden is zeker terecht. Hun handelwijze is immers essentieel voor het verhogen van het welbevinden op het werk. Dit moet hand in hand gaan met het beheersen van de werkdruk. Vooral op piekmomenten moet de overheid in staat zijn om snel bijkomend personeel in te schakelen.

De nieuwe regeling op de uitzendarbeid biedt hier zeker kansen. Het is een nuttig instrument, maar het moet bedachtzaam worden ingezet. Minister, wij rekenen op u om dat met de nodige aandacht op te volgen.

Op het vlak van diversiteit op de werkvloer heeft de overheid een voorbeeldfunctie. We zullen dat verder bespreken bij het jaarlijkse actieplan, maar de participatie van mensen met een arbeidshandicap of chronische ziekte blijft een knelpunt. De vooruitgang gaat zeer traag.

Een ander punt waarin de overheid een voorbeeldrol moet spelen, is op het vlak van klimaat en duurzaamheid. Het gebouwenpark van de Vlaamse overheid moet aan strenge energie-eisen voldoen, en het mag gezegd dat Vlaanderen op dat vlak vooruitgang boekt. De nieuwe gebouwen, zoals het Herman Teirlinckgebouw, zijn voorbeelden van energie-efficiëntie en duurzaamheid. We waarderen ook de inspanningen om het wagenpark verder te vergroenen.

We lezen in de cijfers dat er 32,9 miljoen euro beschikbaar is voor klimaatinspanningen en groene mobiliteit. Dat is een toename met 10,2 miljoen euro, en dat is ongetwijfeld ook een vorm van antwoord op de vragen van de talrijke deelnemers aan de recente klimaatmars.

Wij staan positief tegenover het actieplan om overheidsopdrachten voor startende ondernemingen te stimuleren. Het is goed dat de minister de drempels wil wegnemen voor jonge ondernemingen, want zij zijn het vaak die met interessante, innovatieve technieken bezig zijn en bepaalde opdrachten op een vernieuwende manier kunnen uitvoeren.

De voorzitter

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

Minister, gedurende één minuut wil ik aandacht vragen voor een welbepaalde groep en een welbepaald fenomeen. De welbepaalde groep zijn de ambtenaren, en het welbepaalde fenomeen is het ziekteverzuim. Dat ziekteverzuim is al sinds de vorige legislatuur aan het stijgen en die stijgende trend is nog altijd niet gestopt. Ziekteverzuim hangt veelal samen met scholingsgraad. Niet iedereen weet dat misschien, maar hoe lager de scholingsgraad, hoe groter het ziekteverzuim.

Sinds enkele jaren zitten we echter met een nieuw fenomeen. Dat is dat de gemiddelde ziekteduur stijgt bij de A-niveaus, dus bij de leidinggevenden. Dat gaat meestal gepaard met burn-out en werkgerelateerde stress.

Daarnaast staat het evaluatierapport van het Rekenhof, dat de link zeer duidelijk legt tussen personeelsbesparingen, ziekteverzuim en werkgerelateerde stress. Het blijkt zelfs dat personeelsbesparingen ertoe leiden dat er minder personen met een handicap en chronisch zieken worden tewerkgesteld.

Minister, over dat rapport van het Rekenhof hebt u in een reactie duidelijk gezegd: ‘Ik erken dat personeelsbesparingen risico's inhouden op het vlak van welzijn.’ Ik hoop dat u die problematiek scherp in het oog houdt. (Applaus bij Groen)

De voorzitter

Minister Homans heeft het woord.

Mevrouw Pira, als u zegt dat het ziekteverzuim stijgt bij A-niveaus, dan kan ik er ook aan toevoegen dat dat veel hoger ligt bij statutairen dan bij contractuelen. U weet dat we een plan hebben, dat ook leidinggevenden daar hun verantwoordelijkheid in nemen. U weet ook dat we voor personen met een beperking een systeem in werking hebben gesteld zodat iemand met een beperking of met een chronische ziekte achter de rug, 50 procent terug kan komen werken, 50 procent loon krijgt en daarbovenop nog eens 30 procent loon om de re-integratie op de arbeidsmarkt toch te kunnen realiseren.

Wat het klimaat betreft, heeft de Vlaamse overheid zeker een voorbeeldfunctie. We doen ook ontzettend veel inspanningen voor wat de bevoegdheid Bestuurszaken betreft. Ook alle andere ministers doen heel veel inspanningen voor het klimaat. Deze morgen heeft minister-president Bourgeois in antwoord op de heer Rzoska gezegd dat we voor de reductie van CO2 in de gebouwen van de Vlaamse overheid een streefdoel hebben van 2,06 procent, terwijl de federale overheid op haar eigen federale overheidsgebouwen een streefdoel van 1 procent heeft.

Wij trekken die 2 procent ook nog eens door naar de lokale besturen. We leggen dat ook nog eens op, dus ik denk dat wij daar echt wel een voorbeeldfunctie hebben.

U weet dat wij ook nog eens 120 laadpalen gaan bijplaatsen in 2019. Dat is aan bod gekomen tijdens de commissievergadering. We investeren natuurlijk ook heel veel in zeer zuinige overheidsgebouwen. Ik noem het Herman Teirlinckgebouw, dat u zelf hebt aangehaald, als voorbeeld. Dat is een BEN-gebouw, geen gebouw van collega Ben Weyts, maar wel een bijna-energieneutraal gebouw. Ook de andere twee Vlaamse administratieve centra (VAC’s) – als ik ze zo mag noemen – die in Brussel gevestigd zullen zijn, Conscience en het nieuwe Kantoor 2023, zullen zeer energiezuinig zijn.

Dan dank ik ook u, collega Kennes, omdat u toch wel een pluim geeft aan deze regering voor de modernisering die we hebben ingezet, ook op de bevoegdheid Bestuurszaken. Anno 2018 gaan we mee met onze tijd en staan we open voor uitzendarbeid. Dat is zeer belangrijk. Ik ben het er met u over eens dat we dat op de correcte manier moeten toepassen en dat doen we ook. Ik denk dat het zeer nuttig is om dat te doen.

Dan hebt u ook verwezen naar de diversiteit en de streefcijfers. We hebben afgesproken, zoals elk jaar, dat we dat rapport gaan bespreken in aanwezigheid van de diversiteitsambtenaar. Ik heb in de commissie al één cijfer gegeven, dat ik hier nog eens wil herhalen want ik vind dat wel een belangrijke trend. Wil dat zeggen dat we er al zijn? Neen, maar u weet dat het streefcijfer voor vrouwen in het topkader op 40 procent ligt. Dat is ook een beetje de dada van collega Pira, dus ik anticipeer misschien al op een bijkomende tussenkomst. U weet dat we in 2017 op 23,4 procent zaten en dat we voor 2018 momenteel op 28,8 procent zitten, maar dat is zonder de maand december erbij, dus het kan nog stijgen. Ik denk dat een stijging van 23,4 naar 28,8 procent toch wel behoorlijk is. Is er nog werk aan de winkel? Ja, maar er zijn wel degelijk inspanningen geleverd. Zoals gezegd, zullen we dat rapport uitgebreid bespreken in aanwezigheid van de diversiteitsambtenaar in de commissie.

De voorzitter

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

Ik heb u in de commissie inderdaad gezegd dat dat iets is wat ik heel sterk in het oog houd en dat is inderdaad een heel positieve evolutie, waarvoor ik u ook uitgebreid gefeliciteerd heb.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.